3. Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1, Toelichting.pdf
Tekst van het document
In het grondwater is in één grondwatermonster een licht verhoogde concentratie met barium, zink en naftaleen aangetoond. In de overige grondwatermonsters zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Analytisch is geen asbest aangetoond in de bovengrond van de locatie. Aanbevelingen Nader onderzoek naar de aangetroffen verontreiniging met som-PAK wordt noodzakelijk geacht. Uit de resultaten van het nader bodemonderzoek blijkt het volgende:
vastgesteld
27
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
Zintuigelijk In fase 1 zijn in de bodemlaag van 0,5 tot circa 1,5 m-mv van de boringen zijn bijmengingen met baksteen en lokaal bijmengingen met beton, glas en asfalt aangetroffen. Daarnaast is boring 505 gestaakt op beton of massieve lagen. In fase 2 zijn ter plaatse van boringen 510, 511 en 512 bijmengingen met kooldeeltjes aangetroffen vanaf 0,4 tot maximaal 1,0 m-mv. Tevens zijn bijmengingen met puin en lokaal brokken metaal aangetroffen tussen 0,4 en 2,25 m-mv. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond een sterk verhoogd gehalte met som-PAK is aangetoond in de bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv. Tevens zijn matig verhoogde gehalten aan som-PAK aangetoond. De verontreiniging met som-PAK is horizontaal afgeperkt en heeft een geschat oppervlakte van circa 200 m2. Verticaal is de verontreiniging aanwezig tussen 0,4 en 2,0 m-mv. De verontreiniging is niet te herleiden aan zintuigelijke bijmengingen en is horizontaal en verticaal afgeperkt. Aanbevelingen Op de locatie is een geval van ernstige bodemverontreiniging met een omvang van circa 320 m3 met som-PAK aanwezig, gesaneerd dient te worden. Voorafgaand daaraan dient de bepaling ernst- en spoed te worden bepaald. 4.3.3
Conclusie onderzoeken Schoollocatie Toonladder Op basis van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken dient ten aanzien van bodemverontreinigingen in de ondergrond rekening gehouden te worden met een geval van ernstige bodemverontreiniging op de schoollocatie. Het geval van ernstige bodemverontreiniging betreft een verontreiniging met minerale olie in de grond, welke sterk verhoogd ter plaatse van meerdere boorpunten in voorgaande bodemonderzoek is aangetroffen, op een diepte van 1,0 tot circa 2,0 m-mv op een gebied met een oppervlakte van circa 120 m2. De verontreiniging is daarnaast licht tot matig verhoogd op een oppervlakte van circa 240 m2. De verontreiniging is echter inpandig niet vastgelegd en de omvang kan dus afwijken. Daarnaast is een contour van circa 400 m2 het grondwater verontreinigd boven de streefwaarde, waarvan een gering deel (circa 25 m2 verontreinigd is boven de interventiewaarde). Ook hiervoor geldt dat de inpandige situatie niet is vastgelegd. De herkomst van de verontreiniging betreft een lekkende HBO-tank, welke pas na 2001 geleegd is. Onbekend is of de tank en het leidingwerk verwijderd is. Er dient nog aanvullend onderzoek plaatsvinden om de totale omvang in beeld te brengen, dit kan pas in een later stadium als het gebouw gesloopt is.
Sporthal Daarnaast is er ter hoogte van de sporthal sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met som-PAK, met een oppervlakte circa 200 m2, welke gesaneerd dient te worden. Wanneer de verontreiniging verder onderzocht is na de sloop en de gehele verontreiniging gesaneerd is, is de bodemkwaliteit geschikt voor het beoogde gebruik.
4.3.4
Conclusie haalbaarheid Op basis van een grove kostenraming van het saneren is gebleken dat er nog sprake is van een haalbaar plan, het staat de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg.
28
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet Luchtkwaliteit. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De wet voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
4.4.2
Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van de voorliggende ontwikkeling (realiseren van 44 appartementen en 18 grondgebonden woningen) is het aan te merken als een project welke 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging. Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (RIVM en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van
vastgesteld
29
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat de achtergrondconcentraties in 2020 aan fijn stof PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied respectievelijk 15 µg/m³, 9 µg/m³ en 11 µg/m³ bedraagt. De achtergrondbelastingen liggen ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 en NO2 en ruimschoots onder de grenswaarde van 20 µg/m³ voor PM2,5. 4.4.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Algemeen Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid staat verwoord in de Nota externe veiligheidsbeleid 2012 – 2015 “Veiligheid zonder absolute zekerheid”. Binnen de gemeente bevinden zich enkele risicovolle bedrijven. Naast opslag van gevaarlijke stoffen vindt vervoer daarvan plaats via weg, water, spoor en buisleidingen. Ten aanzien van nieuw vestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Kern van het te voeren beleid is dat wordt voldaan aan de minimale wettelijke eisen en verantwoord gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden.
4.5.2
Situatie plangebied Aan hand van de Signaleringskaart Externe Veiligheid is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Signaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied is één risicobron aanwezig: Ten noorden, direct grenzend aan het plangebied, ligt de spoorlijn Hengelo-Zutphen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze transportroute is onderdeel van het Basisnet. Het is van belang om de externe veiligheidsrisico's van deze spoorlijn in beeld te
30
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
brengen. Er is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd om dit in beeld te brengen, zie bijlage 6. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de voorgenomen ontwikkeling. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. 4.5.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is er geen belemmering op het gebied van externe veiligheid voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
4.6.1
Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
4.6.2
VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' In de publicatie bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, versie 2009) is het principe van functiescheiding verder uitgewerkt. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar
vastgesteld
31
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. De VNG-publicatie hanteert verschillende omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. 4.6.3
Situatie plangebied Het plangebied is gelegen in het zuidelijke deel van Delden in de wijk Hooijerinkses. Het plangebied wordt omgeven door woningen en aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de spoorlijn. In navolgende afbeelding is het plangebied weergegeven en de bestemmingen en functies in de omgeving.
Afbeelding 4.2: functies in de omgeving Het plangebied wordt grotendeels omgeven door woningen. Ten noordwesten is een bedrijfsbestemming gesitueerd (nr.1 in afbeelding 4.2) en ten noordoosten is het station van Delden (nr. 2 in afbeelding 4.2) gelegen. 1. Binnen het bestemmingsplan 'Delden - Noord' is er een bedrijf toegestaan met en milieucategorie 1 of 2. De maximale richtafstand bedraagt daarbij 30 meter. Het plangebied is op een kleinere afstand gelegen dan 30 meter. Op deze locatie is een autodealer gesitueerd. In de VNG-publicatie wordt 'Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' gezien als een milieucategorie 2 bedrijf waarbij de grootste richtafstand geluid betreft met 30 meter. Echter doordat het plangebied direct grenst aan het spoor kan het gebied gezien worden als "gemengd gebied". In de VNG-brochure wordt het omgevingstype "gemengd gebied" als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.". De richtafstand bedraagt daarmee 10 in plaats van 30
32
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
meter. Daarnaast is er sprake van auto's welke opgesteld staan en er is geen sprake van een autogarage. Een goed woon- en leefklimaat blijft gewaarborgd. Daarnaast wordt de autodealer niet beperkt in de bedrijfsvoering gezien er woningbouw dichterbij gesitueerd zijn dan de woningbouw bij de voorgenomen ontwikkeling. 2. In de VNG-publicatie heeft een station een milieucategorie 3.2 waarbij de grootste richtafstand geluid betreft met 50 meter in een gemengd gebied. Het plangebied is op meer dan 50 meter vanaf het station gelegen. Geconcludeerd kan worden dat het station niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering en dat er in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 4.6.4
Conclusie Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.
4.7.1.1
Soorten bescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
4.7.1.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke
vastgesteld
33
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Overijssel uitgewerkt in de Omgevingsverordening Overijssel. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.7.2
Situatie plangebied
4.7.2.1
Soorten bescherming Ter hoogte van het plangebied is een Quickscan natuurwaardenonderzoek (bijlage 7) uitgevoerd. De resultaten worden hieronder toegelicht. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen gebruiken het plangebied als foerageergebied, en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdierensoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een vaste rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepaling verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd beland wordt beschouwd. Om te voorkomen dat vogels gedood worden en bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden, dient buiten de voortplantingsperiode gewerkt te worden, of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die mogelijk gedood worden of waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats mogelijk beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Als gevolg van voorgenomen herontwikkeling van het plangebied als woningbouwlocatie, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdiersoorten niet af.
4.7.2.2
Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Lonnekermeer op ca. 8,9 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Delden, de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte impact van de ingreep (reguliere sloop- en bouwwerkzaamheden), kan een significante verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden oppervlakteverlies, optische verstoring, licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Emissie van stikstof kan echter over grotere afstand de natuur beïnvloeden. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-calculatie uitgevoerd (bijlage 8). De stikstofemissie als gevolg van de verkeersgeneratie welke ontstaat van en naar de toekomstige woningen is in beeld gebracht. Uit deze AERIUS-calculatie blijkt dat de stikstofemissie in de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar).
34
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.7.3
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Bomen Effect Analyse
4.8.1
Algemeen Om bomen duurzaam te kunnen inpassen in de nieuwe situatie is het van belang om te weten of (bouw)werkzaamheden nadelige gevolgen kunnen hebben voor de bestaande bomen binnen het plangebied. Op basis daarvan kan gekeken worden of er boombeschermde maatregelen noodzakelijk zijn om de bomen te behouden.
4.8.2
Situatie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is er een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd (bijlage 9). Binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden staan 69 bomen welke getoetst dienen te worden aan de voorgenomen plannen. De BEA dient antwoord te geven op de vraag: "Kunnen de bomen, in het perspectief van de voorgenomen (bouw)werkzaamheden of het ontwerpplan in hun huidige verschijningsvorm en op deze standplaats, duurzaam behouden blijven?" Zover nu is te overzien in de aangeleverde plantekeningen zijn bij 25 bomen (bomen 1, 4,6,7,8,15,16,17,26,30,31,32,33,34,35,36,45,46,47,50,51,57,63,65,67) de planinvloeden fataal. De bomen kunnen onder invloed van de huidige plannen niet behouden blijven. Bij de bomen 2, 3 en 18 is de planinvloed aanzienlijk, wat inhoudt dat gerichte beschermende maatregelen vereist zijn en/of een aangepaste werkwijze vereist is. Dit aantal bomen zal nog toenemen al naar gelang er meer bekend wordt over de situering van bovengrondse en ondergrondse infra, zoals inritten/uitritten, parkeerhavens etc. Bij 20 bomen is de planinvloed beperkt, wat inhoudt dat middels het zorgvuldig handelen overeenkomstig de richtlijnen in bijlage, de bomen behouden kunnen blijven. (bomen 5,9,10,11,12,13,19,20,21,22,23,24,52,53,54,55,56,61,62,68).
Met inachtneming van in bijlage 3 van de BEA opgenomen kwaliteitsbeoordeling wordt geadviseerd om de bomen met een matige en slechte toekomstverwachting niet langer te behouden. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat aan de zuidzijde van het projectplan er meerdere bomen in een verhoogde standplaats staan. Het verlagen van dit maaiveldniveau en het aanleggen van in- en uitritten, leidt onherroepelijk tot de kap van de hier staande bomen en boomvormers. Ten aanzien van het huidige ontwerp zullen meerdere beeldbepalende bomen en/of boomgroepen verloren gaan. Ook ten aanzien van de aanleg van boven- en ondergrondse infrastructuur is een nog toenemend effect op de bomen te verwachten. Geadviseerd wordt om de ‘kritieke zone’ van de bomen hiervoor in acht te nemen en de minimale graafafstanden als leidraad te nemen voor eventuele inrichting van de openbare ruimte rond de bomen.
vastgesteld
35
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
4.8.3
Conclusie Bij de verdere uitwerking wordt goed in kaart gebracht welke bomen behouden blijven en welke verloren gaan. Waarbij uiteindelijk ook gerichte boombeschermende maatregelen worden genomen worden.
4.9
Archeologie en Cultuurhistorie
4.9.1
Archeologie
4.9.1.1
Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Op 15 december 2019 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente ingestemd met het archeologiebeleid. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.
Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer; Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2.500 m2 of meer; Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5.000 m2 of meer; Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.
4.9.1.2
Situatie plangebied Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de Gemeente Hof van Twente ligt het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Het hieraan gekoppelde beleidsadvies is als dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2 'in het huidige bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied overschrijdt de vrijstellingsgrenzen zoals hierboven genoemd. Hoewel een deel van het plangebied bebouwd is, is niet bekend tot hoe diep de bodem verstoord is. Mogelijk kunnen in de bodem nog archeologische resten in gave toestand aanwezig zijn. Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek, in combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd (bijlage 10). Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van wat diepere grondsporen. Het archeologisch belang van dergelijke, meestal wat geïsoleerde sporen is over het algemeen laag. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij
36
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
te geven. Het advies van Laagland Archeologie wordt overgenomen. Het plangebied wordt, op archeologische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden onverwachts toch archeologische waarden worden aangetroffen geldt, op grond van de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5.11, een meldingsplicht bij de minister. 4.9.2
Cultuurhistorie
4.9.2.1
Algemeen Ieder bestemmingsplan dient tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze worden geborgd in het bestemmingsplan.
4.9.2.2
Situatie plangebied Binnen het plangebied is een school, een sporthal en een café gesitueerd. Deze gebouwen zijn niet aangewezen als monument. Daarnaast is het plangebied niet aangewezen als een gebied met aanwezig cultuurhistorische waarden. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.9.3
Conclusie Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10
Niet-gesprongen explosieven
4.10.1
Algemeen De gemeente Hof van Twente beschikt over een gemeentebreed historisch vooronderzoek ontplofbare oorlogs-resten: AVG, ‘Vooronderzoek gemeente Hof van Twente’, kenmerk 1662059-VO-03, versie 2 definitief, d.d. 9 februari 2018. Dit onderzoek is opgesteld om op voorhand, voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden, te weten welke gebieden verdacht zijn op conventionele explosieven (CE).
4.10.2
Situatie plangebied Het plangebied is in het hiervoor genoemde onderzoek aangewezen als verdacht gebied op afwerpmunitie. Op grond van meldingen dat het stationsgebied van Delden bij luchtaanvallen getroffen zou zijn, en op luchtfoto’s waargenomen kraters, werd het stationsgebied als verdacht aangemerkt. De achtergronden van de luchtaanval, zoals de datum en bommenlading etc., zijn niet in het rapport opgenomen. Het verdacht gebied werd horizontaal afgebakend als ‘pin point target.’. Daarnaast werd in verband met een melding uit het gemeentearchief dat bij het Kerkpad 15 een niet ontplofte bom neer zou zijn gekomen een verdacht gebied ‘situationeel afgebakend’. Om deze reden is er een risicoanalyse uitgevoerd ter hoogte van het plangebied (bijlage 10).
vastgesteld
37
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
Uit deze risicoanalyse is gebleken dat het gehele plangebied verdacht is op geschutmunitie en afwerpmunitie. Bij werkzaamheden binnen verdachte gebieden kan deze geschutmunitie ongecontroleerd tot uitwerking komen. De gevolgen hiervan zijn niet aanvaardbaar. De risico’s dienen door maatregelen te worden beheerst. Voor de verdachte lagen in het plangebied adviseert Saricon een vervolgonderzoek te doen in de vorm van detectieonderzoek. Uitvoeringstechnisch en met oog op het toekomstig gebruik adviseert Saricon overkoepelend het vervolgonderzoek in te starten door eerst een oppervlaktedetectie (en eventuele benadering) uit te voeren, om vervolgens ter plaatste van de kavels een dieptedetectie (en eventuele benadering) uit te voeren tot 6,80 meter minus maaiveld (maximale indringingsdiepte). Dit om de kavels vrij van eventuele ontplofbare oorlogsresten op te kunnen leveren, zodat toekomstige bouwplannen en uitvoeringsmethoden geen risico’s zullen vormen in het kader van de openbare orde en veiligheid op het gebied van ontplofbare oorlogsresten. 4.10.3
Conclusie Nadat de alle verharding is verwijderd wordt een oppervlakte- en dieptedetectie uitgevoerd. Zodat de kavels vrij van risico's op niet-gesprongen explosieven geleverd kunnen worden aan de toekomstige eigenaren. Dit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.11
Water
4.11.1
Algemeen Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren dan ook beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's. Europa Kaderrichtlijn Water (KRW).
Nationaal Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP); Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Deltaprogramma; Waterwet. Provinciaal
38
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
Omgevingsvisie Overijssel; Omgevingsverordening Overijssel. Regionaal/ lokaal Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vechtstromen Gemeentelijk Rioleringsplan Hof van Twente 2017 - 2020 De opdracht is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoonwater ook relatief schoon blijft. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. Het waterschap Vechtstromen is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water.
Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater en regenwater en voor de aanpak van grondwaterproblemen. Het geldende beleid voor wettelijke zorgplichten ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater is beschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Hof van Twente 2017 – 2020 (hierna: GRP). Het beleid uit het GRP is gefundeerd op landelijke en regionale wet- en regelgeving en in het verleden gemaakte afspraken. Voor meer informatie over de beleidsuitgangspunten wordt verwezen naar het GRP en de visies, beleidsplannen, afspraken en wetten waar in het GRP naar verwezen wordt. De voor woningbouwlocaties relevante zaken worden in onderstaande passages toegelicht. 4.11.2
Situatie plangebied
4.11.2.1
Algemeen In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, (grond)wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd.
vastgesteld
39
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
4.11.2.2
Watertoetsproces Door de gemeente Hof van Twente is een memo opgesteld, waarmee de waterhuishouding in het plangebied in beeld is gebracht, zie hiervoor bijlage 12. Hieronder wordt ingegaan op hoe er met de voorgenomen ontwikkeling omgegaan wordt met afvalwater en hemelwater en wat voor gevolgen de voorgenomen ontwikkeling heeft op het grondwater. De memo is voorgelegd aan het waterschap en het waterschap heeft hiermee ingestemd. Verhard oppervlak Het terrein van het huidige schoolgebouw, sporthal en café is grotendeels verhard. Ingeschat wordt dat er circa 3.900 m2 dakverharding en circa 4.000 m2 terreinverharding aanwezig is (circa tweederde van het plangebied is verhard; exclusief de openbare wegen). Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied geschat op circa 6.800 m2. Dit is ruim 1.100 m2 minder dan in de huidige situatie. Daarnaast is een vijverpartij gepland van circa 300 m2 in de noordoosthoek van het plangebied. Afvalwater Het afvalwater wordt, gescheiden van hemelwater, aangesloten op het gemengde rioolstelsel in de omliggende straten. Verwacht wordt dat het bestaande rioolsysteem deze beperkte toename kan verwerken. Hemelwater De bergingsopgave vanuit het 'Aansluitprotocol hemelwater' bedraagt - in het geval van een inbreiding (groter dan 1.500 m2) - minimaal 20 mm met een overloopvoorziening naar de openbare ruimte.
Vanuit de uitgangspuntennotitie van Waterschap Vechtstromen, dient echter rekening gehouden te worden met 55 mm voor waterberging. Op basis van het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied, is de totale bergingsopgave in het plangebied circa 374 m3. De waterberging zou gevonden kunnen worden in groenblauwe daken, in de geprojecteerde waterpartij en/of waterberging ter plaatse van de parkeervakken (de voorkeur is dat dit zoveel mogelijk bovengronds wordt uitgevoerd). Voor het deel ten noorden van De Reigerstraat wordt gedacht om het hemelwater bovengronds op het parkeerterrein te bergen. Door de parkeervakken te vergroenen kan het hemelwater geleidelijk worden geïnfiltreerd, waarna het geïnfiltreerde hemelwater via een drain wordt afgevoerd naar de bestaande watergang parallel aan de spoorlijn/ De Reigerstraat. Daarbij kan ook gebruik worden gemaakt van waterberging in de geprojecteerde in de noordoosthoek van het plangebied. Vanuit hier kan een afvoer worden gecreëerd – zo nodig via een debiet regulerend kunstwerk - naar de bestaande watergang parallel aan de spoorlijn/ De Reigerstraat. Voor het deel tussen De Reigerstraat en Cremerstraat geldt hetzelfde; het hemelwater zou centraal in dit deel van het plangebied geborgen kunnen worden, waarbij het overtollige hemelwater afgevoerd wordt naar het bestaande IT en DT-riool in De Reigerstraat respectievelijk Cremerstraat.
Als gevolg van de klimaatverandering nemen extreme neerslaggebeurtenissen toe. Om schade aan gebouwen te voorkomen worden ontwikkelingen getoetst aan zogenaamde stresstest. Voor dit plan houdt dat in dat een bui van 70 mm (in 1 uur) geen schade mag veroorzaken. Bij de inrichting van het plangebied moeten de drempels van de woningen daarom bij voorkeur 0,30 m boven straatpeil aangelegd worden; nog na te gaan in hoeverre is dat hier mogelijk is. Op deze wijze ontstaat er bij een extreme bui geen overlast of waterschade in de woningen. Grondwater In de toekomstige situatie zal door infiltratie van hemelwater en door de
40
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
klimaatontwikkeling de GHG enigszins stijgen. Gelet op de huidige GHG zal naar verwachting deze verhoging niet leiden grondwateroverlast. 4.11.3
Conclusie Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.12
Verkeer en parkeren
4.12.1
Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe worden doorgaans berekeningen uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. De kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd, zo ook in dit geval. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de volgende uitgangspunten van de locatie van het plangebied: Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk; Stedelijke zone: rest bebouwde kom.
4.12.2
Verkeersgeneratie Door Goudappel Coffeng is er een verkeerskundig onderzoek (bijlage 13) uitgevoerd. In dit onderzoek is de verkeergeneratie welke ontstaat met de voorgenomen ontwikkeling in beeld gebracht. De nieuwe invulling van het noordelijke gedeelte van het plangebied met maximaal 44 huurappartementen levert een totale verkeersgeneratie op van 273 vervoersbewegingen per werkdagetmaal. De nieuwe invulling van het zuidelijke gedeelte van het plangebied met 6 vrijstaande woningen, 4 twee-onder-één-kap woningen en 8 rijwoningen. Dit levert een totale verkeersgeneratie op van 156 vervoersbewegingen per werkdagetmaal. In het verkeerksundig onderzoek is het effect van de verkeersgeneratie op de omliggende wegen in beeld gebracht. In het onderzoek is ook een andere locatie en de daarbij behorende verkeersgeneratie meegenomen, het gaat om de locatie Ranninkschool, tevens aan de Bernhardstraat. In deze analyse wordt geen rekening gehouden met saldering. Hiermee is worst-case gerekend; het verkeerseffect van de ontwikkeling ligt in de praktijk waarschijnlijk lager, omdat de verkeersgeneratie van de voormalige functies, de sporthal en basisscholen, verdwijnt. In het onderzoek is een analyse uitgevoerd op de wegen Reigerstraat, Bernhardstraat en Sleutelboom.
Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: Wanneer het verkeer verdeeld wordt over de ontsluitingswegen; de Reigerstraat, de Bernhardstraat en de Sleutelbloem, is er voldoende capaciteit voor het extra verkeer, gegenereerd door de woningbouwontwikkelingen. Ook in een ‘worst-case’ scenario waarin al het verkeer gebruik maakt van deze drie ontsluitingswegen, is er voldoende
vastgesteld
41
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
capaciteit voor het extra verkeer, gegenereerd door de woningbouwontwikkelingen. Daarnaast worden er twee overzichtelijke ontsluitingen gerealiseerd op twee bestaande wegen. Voor deze wegen geldt een 30 km/h-regime. Deze wegen en de omliggende wegen zijn in voldoende mate ingericht om de beperkte toename aan verkeer eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. De betreffende wegen zijn daar ook op ingericht en voorzien van trottoirs voor voetgangers. De verkeersbewegingen kunnen, gelet op de functie en inrichting van de bestaande wegen, eenvoudig via deze wegen worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.12.3
Parkeren Het voornemen is de realisatie van 44 appartementen en 18 grondgebonden woningen, bestaande uit 6 vrijstaande woningen, 4 twee-onder-een-kapwoningen en 8 rijwoningen. Dit komt neer op de volgende parkeervraag volgens de CROW-publicatie 381:
Type woning
Parkeernorm per woning
Aantal woningen
Benodigd aantal parkeerplaatsen
Vrijstaand
2,3
6
13,8
Twee-onder-één-kap
2,2
4
8,8
Rijwoning
2,0
8
16
Appartementen
1,4
44
61,6
De parkeervraag bedraagt afgerond 39 parkeerplaatsen voor de grondgebonden woningen en 62 voor de appartementen. In het stedenbouwkundig plan is ruimte gereserveerd voor de realisatie van 20 openbare parkeerplaatsen ten behoeve van de grondgebonden woningen. Daarnaast kunnen 21 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Voor de appartementen is er in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd aan de noordzijde van het appartementengebouw. Derhalve geldt dat het plan voorziet in de realisatie van voldoende parkeerplaatsen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.13
Kabels en leidingen
4.13.1
Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden
4.13.2
Situatie plangebied Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig welke behouden en beschermd dienen te worden.
4.13.3
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
42
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
4.14
Besluit milieueffectenrapportage
4.14.1
Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
4.14.2
Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden, maar het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Het bestemmingsplan is te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r.. Op basis van het vorengaande wordt geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Uit de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag (gemeente Hof van Twente) om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema's: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
vastgesteld
43
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
4.14.3
Vormvrije m.e.r. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. is opgenomen als bijlage 14. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.
44
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische vormgeving
Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); Afwijken van de bouwregels:
vastgesteld
45
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels en gebruiksregels ]) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen Groen (artikel 3) De (openbare) groene elementen binnen het plangebied zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming kunnen voet- en fietspaden, speelvoorzieningen en waterpartijen worden gerealiseerd. Woongebied - 1 (artikel 4) Het plangebied wordt volledig gebruikt ten dienste van de functie 'wonen' en is daarom conform de bestemmingssystematiek van Hof van Twente bestemd tot 'Woongebied 1'. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen,
46
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfast-voorziening valt. De bouwregels bepalen dat het gebouw binnen een bouwvlak moet worden gebouwd. Diverse maatvoering zoals bouw- en goothoogte, maar ook het aantal woningen is middels aanduidingen vastgelegd op de verbeelding.
vastgesteld
47
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het plangebied is in eigendom van de gemeente Hof van Twente en wordt ontwikkeld door de gemeente en daarna verkocht aan een andere gegadigde. De gemeente heeft een voorlopige exploitatieopzet gemaakt en voldoende middelen gereserveerd om tot uitvoering over te gaan. Op basis van een voorlopige exploitatieopzet voor dit plan kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is. De definitieve exploitatieopzet zal na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan aan de gemeenteraad worden voorgelegd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Middels een e-mailbericht van 7 januari 2021 vanuit de Provincie Overijssel is aangegeven dat de ontwikkeling in het provinciaal ruimtelijk beleid past. Er worden geen belemmeringen gezien wanneer dit plan in deze vorm in procedure wordt gebracht. Met dit e-mailbericht is het ambtelijk vooroverleg afgerond. Waterschap Vechtstromen Door de gemeente Hof van Twente is een memo opgesteld inzake de waterhuishouding in het plangebied is voorgelegd aan het waterschap en het waterschap heeft hiermee ingestemd.
48
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1
6.2.2
Participatie De gemeente Hof van Twente heeft op de website van de gemeente de plannen toegelicht. In verband met de destijds geldende coronamaatregelen, is ervoor gekozen om geen fysieke bijeenkomsten te organiseren. De inwoners van de gemeente Delden hebben de kans gehad om digitaal te reageren. Er zijn twee voorkeursvarianten uitgewerkt en gepubliceerd op de website, waarbij de inwoners vier weken de tijd hadden gehad om op de voorkeursvarianten te reageren (voor 21 mei 2021). In de genoemde periode zijn meer dan 300 reacties ontvangen, voor zowel dit plan als het plan aan de Bernhardstraat 25 in Delden. In bijlage 15 is ingegaan op dit participatietraject. Aan de hand van de binnengekomen reacties en de uitgevoerde onderzoeken is de definitieve planopzet bepaald. Aandacht is gevraagd voor diverse aspecten, van hergebruik van de sporthal tot aanpassing aan de infrastructuur. Ook zijn reacties ontvangen over het type woningen en de inrichting van de openbare ruimte. Het is duidelijk dat er behoefte bestaat aan verschillende woningtypen. Naast sociale huur is ook de wens voor rijwoningen (naast vrijstaande woningen en twee onder één kap woningen) geuit. Met Wonen Delden zijn gesprekken gaande om te komen tot sociale woningbouw (éénen tweepersoonshuishoudens) op de locatie van sporthal ‘de Reiger’, waardoor hergebruik/ transformatie van de sporthal niet mogelijk is.