15. Raadsbesluit APV.pdf
Tekst van het document
d. e.
n
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68
Voorschriften Strafrecht
als bedoeld
in artikel 437 van
het Wetboek
van
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. 10. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2. 3. 4. 7
c. d.
20. van een verandering van de onder 10 bedoelde adressen; 3o. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 40. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69
(Vervallen) Artikel
2:70
(Vervallen)
AFDELING
Artikel 2:71
13
VUURWERK
Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan
in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:72
1.
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.
-24-
2.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73
Consumentvuurwerk
1.
Het is verboden om consumentenvuurwerk behorende tot de categorieën F2 en F3 in
2. 3.
bezit te hebben, bij zich te dragen, te verkopen of tot ontbranding te brengen. Het verbod is niet van toepassing op de vuurwerkcategorie F1. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.
4.
Het is enkel toegestaan vuurwerk af te steken vanaf 18.00 uur op 31 december tot 02.00 uur op 1 januari.
Artikel 2:73a
Begripsomschrij
ingen
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. bus: een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van staal of ijzer, een container, een opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te stellen voorwerp; b.
carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water of van een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2:73b Vrijstelling verbod 1. Carbidschieten in de open lucht is verboden. 2. Het in het eerste lid gestelde geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 16.00 uur buiten de bebouwde
a.
kom, mits:
daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 30 liter.
b.
c. d.
daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving; degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten; de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is gelegen: 1. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing; 2. op een afstand van ten minste 150 meter van inrichtingen voor de intramurale zorg;
3.
op een afstand van ten minste 150 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren;
4. e. f. g. h. i.
op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied;
wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; het vrijschootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen; er geen busdeksels of andere gevaarzettende voorwerpen worden weggeschoten; het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt; het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal;
j.
binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan zes bussen voor het
carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden gehouden;
k.
de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn
|.
verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 16 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; -25-
m. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere
n.
psychotrope stoffen; hiervan tenminste 14 werkdagen voorafgaand aan 31 december van gebruik melding is gedaan aan het college.
Artikel 2:73c Bij zich hebben van carbid a. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31
b.
december
tussen
10.00 en
16.00uur.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
Artikel 2:73d
Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling.
Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming, een of meer gedeelten van de gemeente of een of meer bepaalde plaatsen aanwijzen waar het gestelde in artikel 2:73c niet van toepassing is. Artikel 2:73° Ontheffing Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het artikel 2:73b lid 1 gestelde verbod. Artikel 2:73f Toepasselijkheid Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen,
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. AFDELING
14
DRUGSOVERLAST
Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74a
Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te
verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
AFDELING
15
BESTUURLIJKE
OPHOUDING,
CAMERATOEZICHT OP GEBIEDSONTZEGGING
VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN,
OPENBARE
PLAATSEN
EN
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 1544 van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:54, 2:73, 2:74 en2:744a groepsgewijs niet naleven.
-26-
Artikel 2:76 Veiligheid: icogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere - door het college aan te wijzen — openbare plaatsen. Artikel 2:78
1.
Gebiedsontzeggingen
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen
3.
verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet meer in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare
4.
feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als
2.
hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:79
1.
Woonoverlast
als bedoeld
in artikel 151d
Gemeentewet
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van
die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid-, licht-, rook- of geurhinder; b.
hinder van dieren;
c.
hinder van afval;
d.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf, intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
-9
-27-
HOOFDSTUK
AFDELING
3
1.
Artikel 3:1
SEKSINRICHTINGEN,
SEKSWINKELS,
STRAATPROSTITUTIE
E.D.
BEGRIPSBEPALINGEN
Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan
-
onder:
prostitutie: het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen
met of voor een ander tegen vergoeding; -
prostituee: degene die zich beschikbaar stelt voor het verrichten van seksuele handelingen met of voor een ander tegen vergoeding; seksuele handeling: in ieder geval een aanraking van de geslachtsorganen welke niet medisch is, en lust- of gemoedstoestand opwekkend is; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
inrichting voorzien van een darkroom, een seksclub, een parenclub, een erotisch café, een prostitutiehotel, een privé-huis of een prostitutiebedrijf waaronder een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie;
-
-
escortbedrijf: een bedrijf waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, bemiddeld wordt in prostitutie, die op een andere plaats wordt uitgeoefend dan waar de bemiddeling plaatsvindt; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk zaken van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;
-
-
exploitant: de natuurlijke persoon, of de natuurlijke persoon die bestuurder is van een rechtspersoon, voor wiens rekening en risico een seksinrichting of escortbedrijf wordt geëxploiteerd; beheerder: de door de exploitant aangestelde natuurlijke persoon die de algemene en
onmiddellijke leiding geeft aan een seksinrichting, escortbedrijf of sekswinkel; -
bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
-
de exploitant;
-
de beheerder;
-
de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; de toezichthouder aangewezen krachtens artikel 6.2 van deze verordening; een andere persoon wiens aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. geschiktheidsverklaring: besluit van het college waaruit blijkt dat het pand waarin de seksinrichting wordt gevestigd voldoet aan de op grond van artikel 3.1.3 vastgestelde nadere regels.
-
Artikel 3:2
Bevoegd
bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3:3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.
-28-
AFDELING
Artikel 3:4 1.
2. 3.
2
SEKSINRICHTINGEN,
STRAATPROSTITUTIE
EN DERGELIJKE
Vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf
Het is verboden een seksinrichting respectievelijk escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de burgemeester respectievelijk het college. Het college kan het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum binden. Bij de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld, dan wel bij de aanvraag wordt in ieder geval gevoegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; b. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf; c. een plattegrond van de inrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk het aantal werkruimten is aangegeven; d. de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000;
e.
een lijst met telefoonnummers en/of websites waarmee c.q. waarop de exploitatie zal plaatsvinden;
f. g.
4.
het aantal werkzame prostituees;, een bedrijfsplan, waarin in ieder geval beschreven de maatregelen die waarborgen dat tegen de prostituees geen enkele dwang wordt uitgeoefend en die tevens de veiligheid van de prostituees waarborgen. Het bedrijfsplan beschrijft tevens de geneeskundige zorg en voorlichting op het gebied van beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van bij het bedrijf werkzame prostituees. h. in geval van een seksinrichting, de door het college afgegeven geschiktheidsverklaring; i indien van toepassing een kopie van de Drank- en Horecavergunning; j. indien van toepassing, een origineel bewijs van inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel alsmede ingeval van een rechtspersoon de statuten van de betreffende rechtspersoon; k. indien van toepassing een bewijs van inschrijving bij de belastingdienst ten aanzien van loon-, inkomsten- en/of omzetbelastingen, met bijbehorende BTWnummer(s). Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3:5 Eisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder:
2.
a.
staat niet onder curatele;
b.
is niet ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij;
c.
is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, en
d.
heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.
Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curagao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid
c.
van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek
Strafrecht, wegens dan wel mede wegens, overtreding van: -29-
van
1. 2.
bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 1379g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
3.
de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto
artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, ondera, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; 4.
3.
4.
b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant en de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning genoemd in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemellijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. b.
5.
Artikel 3:6
Sluitingstijden
1.
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin
2.
bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 en 11.00 uur. De burgemeester kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor
3. 4.
een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. Het is verboden zich als bezoeker in een seksinrichting te bevinden op tijden waarop de seksinrichting voor het publiek gesloten dient te zijn. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Artikel 3:7
1.
Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan de burgemeester, te zijner beoordeling:
a.
tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende
sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de burgemeester het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. b.
2.
Artikel 3:8 Verplichtingen exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de
2.
in de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. Het is verboden een escortbedrijf in bedrijf te hebben zonder dat de in de vergunning vermelde exploitant of beheerder op de plaats waar de bemiddeling plaatsvindt, aanwezig is. -30-
3.
De exploitant en de beheerder van een seksinrichting of escortbedrijf, dienen er voortdurend op toe te zien dat tijdens of in verband met de exploitatie waarvoor de vergunning is verleend er:
a.
geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie, en
b.
4. 5.
geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; c. geen prostitutie wordt uitgeoefend door een minderjarige prostituee; d. geen personen jonger dan 18 jaar toegang tot de seksinrichting wordt verleend. De exploitant en de beheerder treffen maatregelen ter voorkoming van feiten genoemd in het derde lid. De exploitant en de beheerder dienen er zorg voor te dragen dat dagelijks een actuele
bedrijfsadministratie bij wordt gehouden, dat deze administratie in het bedrijf aanwezig is en op eerste vordering van een ambtenaar belast met toezicht op het bepaalde in
dit hoofdstuk of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage wordt afgegeven. 6.
Het bevoegde orgaan kan nadere regels stellen ten aanzien van wat in de bedrijfsadministratie wordt opgenomen.
Artikel 3:9
Raam- en straatprostitutie.
Het is verboden:
a.
door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, op of aan de weg, op of in voor het publieke toegankelijke plaatsen (winkels daaronder begrepen), in deuropeningen, dan wel zich binnenshuis bevindende zichtbaar voor het publiek,
iemand tot prostitutie uit te nodigen of aan te lokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in te gaan;
b. c.
op of zichtbaar vanaf de weg ontuchtige handelingen te verrichten, indien dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
Artikel
1.
2.
3:10
Sekswinkels
Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester, een sekswinkel te exploiteren of te wijzigen, in door het college, in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Indien door het college gebruik is gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, dan zijn artikel 3:4 lid 3 sub a tot en met e, sub h, artikel 3:5, artikel 3:8 lid 1
en lid 2, en de afdelingen 3.3, 3.4, en 3.5 van overeenkomstige toepassing. 3.
4.
Indien door het college gebruik is gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, dan is het verbod op een al bestaande sekswinkel niet van toepassing: a. gedurende 12 weken nadat het college gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid; b. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester een besluit is genomen. Gedurende een periode genoemd in het derde lid, kan de burgemeester met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot
het treffen van in die aanschrijving vermelde voorziening.
-3-
5.
Indien door het college gebruik is gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, dan is de weigeringsgrond genoemd in artikel 3:13, eerste lid, onder b, op een reeds bestaande sekswinkel niet van toepassing, voor zover de perso(o)n(en) die
deze sekswinkel exploiteerde(n), de exploitatie daarvan sindsdien onafgebroken heeft of hebben voortgezet en de bruto vloeroppervlakte van deze sekswinkel sindsdien ongewijzigd is gebleven.
Deze bepaling is niet van toepassing indien ná voormelde dag tevens een andere persoon of andere personen de exploitatie van een in dit lid bedoelde sekswinkel op zich heeft of hebben genomen. Het is de exploitant van een sekswinkel verboden, toe te laten, dat in de winkel aanwezige of werkzame personen aan bezoekers aanbieden om met hen tegen vergoeding seksuele handelingen te verrichten. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3:11 1.
Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischpornografische goederen, afbeeldingen e.d.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop zaken,
opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen,
aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
AFDELING
3
BESLISSINGSTERMIJN;
WEIGERINGSGRONDEN
Artikel 3:12 Beslistermijn/tenaamstelling en geldigheidsduur 1. Het besluit op de aanvraag om een vergunning wordt genomen binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 2 Het besluit kan voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd, hiervan wordt mededeling gedaan aan de aanvrager. 3. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant, is gebonden aan het
bedrijf en aan het adres waarvoor zij s verleend en is niet overdraagbaar. 4. 5
De vergunning wordt op naam gezet van de exploitant en de beheerder.
De vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste 3 jaar. Uiterlijk 12 weken voor het verstrijken van de termijn dient de exploitant een nieuwe aanvraag te hebben ingediend.
Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
c. d.
de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in
e.
de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; -32-
f.
g.
h.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben
bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de
Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; de artikelen 137c tot en met 1379, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. [een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt OF een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt]; voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een 2.
i j.
beheersverordening [of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4]. 2.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld:
a.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
b.
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder , van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de
3.
4.
Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en
h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. Artikel 3:14 Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6, kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijk of geheel worden ingetrokken indien: a. de in de vergunning vermelde exploitant of beheerder niet feitelijk de exploitatie en het beheer voert;
b. c. d.
de exploitant of beheerder de nadere regels bedoeld in artikel 3:3 overtreedt, dan wel niet of niet langer voldoet aan het gestelde in afdeling 3.2; de exploitant of beheerder de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de
voor hem, namens hem, onder zijn leiding, of door zijn bemiddeling, werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid;
e.
aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting of het escortbedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat; -33-
f.
g.
zich anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving; aan een exploitant meerdere vergunningen zijn verleend en een van deze
vergunningen op grond van lid 1 sub a tot en met f, wordt ingetrokken. Datzelfde kan indien een in een andere gemeente verleende vergunning is ingetrokken. Artikel 3:15 Sluiting 1. De burgemeester kan een seksinrichting, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren, indien:
a. b.
de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
c.
naar zijn oordeel, een van de in artikel 3:14 genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.
2.
De sluiting wordt bekendgemaakt door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.
3.
Eenieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting, verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbenden(n) worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde orgaan, voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
4. 5. 6.
plaatsvinden.
7.
Het college kan op de gronden zoals vermeld in lid 1 een escortbedrijf, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren tenzij het bedrijf gevestigd is in een woning. Het bepaalde in lid 2 tot en met 6 is van overeenkomstige toepassing.
AFDELING 4
BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER
Artikel 3:16 Wijziging of beëin g exploitatie 1. Elke wijziging in de bedrijfsvoering of van de exploitatievorm dient schriftelijk en direct te worden medegedeeld aan het bevoegde orgaan. 2. De vergunning vervalt zodra de op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie
3. 4.
feitelijk beëindigt. Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dat schriftelijk. In afwijking van het bepaalde in lid 2 en 3 vervalt, behoudens zwaarwegende omstandigheden en feiten, de vergunning verleend voor een sekswinkel niet indien, bij de wijziging bedoeld in lid 1, aangegeven is dat de bedrijfsactiviteiten door een ander worden voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen 2 weken na de mededeling is ingediend totdat op de aanvraag een besluit is genomen.
Artikel 3:17 Wijziging of beëin ng beheer 1. Indien een beheerder het beheer feitelijk beëindigt, meldt de exploitant dat uiterlijk
2.
binnen een week na de feitelijke beëindiging schriftelijk aan het bevoegde orgaan. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien op aanvraag van de exploitant is besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. -34-
3.
In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer reeds voorlopig worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend en, met betrekking tot de nieuwe beheerder,
door de politie een positief advies is uitgebracht. AFDELING
Artikel 3:18 [Vervallen]
5
OVERGANGSBEPALING
Overgangsbepalingen
-35-
HOOFDSTUK
AFDELING
1
Artikel 4:1
4
BESCHERMING
VAN
NATUURSCHOON
EN
AANZIEN
HET
MILIEU
ZORG
VOOR
VAN
DE
GEMEENTE
GELUIDHINDER
EN
VERLICHTING
EN
HET
HET
UITERLIJK
Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder: collectieve festiviteit: festi
teit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn
op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte
muziek:
muziek
die
niet elektronisch
is versterkt.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.174, 2.19, 2.194 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor Rosen Montag (Carnaval), 1e en 2e paasdag, Koningsdag en Koningsnacht, Hemelvaartsdag, 1e en 2e pinksterdag, 1e en 2e kerstdag en oudjaarsnacht. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit
milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat
de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: a. één of meer in dat besluit aangeduide soorten inrichtingen; b. één of meer in dat besluit aangegeven gedeelten van de gemeente. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A) en 78 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in
de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en wordt niet gecorrigeerd met 10 dB (A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.174, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 24.00 uur buiten de inrichting en 01.30 uur binnen de inrichting beëindigd.
-36-
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 8 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5,
niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor
2.
>® 5.
de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de
houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
6.
7.
8.
Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A) en 78 dB(C) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en wordt niet gecorrigeerd met 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20
van het Activiteitenbesluit milieubeheer, uiterlijk om 24.00 uur buiten en om 01.30 uur binnen het bebouwde gedeelte van de inrichting beëindigd. 9.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 4:4 1.
2. 3.
Verbod oplaten ballonnen
Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht
afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen; Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon etc. Onder een ballon wordt in dit verband
niet bedoeld een luchtballon, bedoeld voor
personenvervoer. Artikel
4:5
Onversterkte
muziek
Traditioneel
schieten
Vervallen
Artikel 4:5a vervallen
Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of
machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
-37-
3.
4.
5.
Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het
college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de provinciale milieuverordening.
Artikel 4:5c vervallen
Geluidhinder
door dieren
Artikel 4:5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 4:5°
1.
2.
Geluidhinder
Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 4:5f 1.
2.
door vrachtauto’s
Routering
Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:5e, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een
n
omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de provinciale milieuverordening. Artikel 4:6a
Mosquito
Vervallen
AFDELING
Artikel 4:7
2
BODEM-,
WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING
Straatvegen
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de
gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. -38-
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4:9
Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
AFDELING
3
Artikel 4:10
1.
2.
HET
BEWAREN
VAN
HOUTOPSTANDEN
Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder: houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 4:11
Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
vervallen Artikel 4:12 Vervallen
AFDELING
Artikel 4:13 1.
4
MAATREGELEN
TEGEN
ONTSIERING
EN
STANKOVERLAST
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
b. c.
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover
het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
d.
mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
n
metalen.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de provinciale verordening.
Artikel 4:14
(Vervallen)
-39-
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het
verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit
Artikel
milieubeheer.
4:16
(Vervallen)
AFDELING Artikel 4:17
5
KAMPEREN
BUITEN
KAMPEERTERREINEN
Definitie
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid,
onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
>
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuuren landschap; of b. een stadsgezicht.
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.
-40-
HOOFDSTUK
5
ANDERE
ONDERWERPEN
HUISHOUDING AFDELING Artikel
1
DER
BETREFFENDE
DE
GEMEENTE
PARKEEREXCESSEN
5:1
(Vervallen) Artikel 5:2 1.
2.
3.
Onder
Voertuigen van autobedrijf en dergelijke verhuren
als bedoeld
in dit artikel wordt
mede
verstaan:
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een
an
van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren
2. 3.
met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen en buiten de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en
onder
a.
-M-
3. 4.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening of de provinciale landschapsverordening. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:7 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:8 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van
meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.
3.
4.
n
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 1. 2.
Parkeren anders dan op de rijbaan
Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorziening door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
-42-
2.
Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
c.
in opdracht van een
bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5:12 Overlast van fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen 1. Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor:
a. b. c.
d.
op de weg de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd; schade wordt veroorzaakt aan de openbare ruimte of aan het uiterlijk aanzien van de gemeente;
voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd de doorgang of het
uitzicht wordt belemmerd en dit tegen de uitdrukkelijk verklaarde wil van die bewoner of gebruiker is. Het college kan in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder een gebied aanwijzen waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening mogen worden geplaatst. Het is verboden om een fiets of bromfiets in een gebied als bedoeld in het tweede lid buiten een daarvoor bestemde voorziening te plaatsen. Artikel
5:12
Weesfietsen
en fietswrakken
Het is verboden: 1.
in een door het college daarvoor aangewezen parkeervoorziening, fietsen of bromfietsen langer dan een door het college aangewezen periode te laten staan (weesfietsen) Fietsen, bromfietsen of snorfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeren op of aan de weg te laten staan (fietswrakken).
AFDELING
2
COLLECTEREN
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld 2
of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte
3.
stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Het college kan nadere regels stellen op grond van dit artikel.
4.
5.
-43-
AFDELING Artikel
1. 2.
c.
Artikel
3.
5:14
Definitie
Onder venten wordt
b.
2.
VENTEN
In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. a.
1.
3
niet verstaan:
het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; hette koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. 5:15
Ventverbod
Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, verkeersveiligheid, volksgezondheid en het milieu in gevaar komt.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen op maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 en 08.00 uur. Bij het venten moet, naast het bepaalde in het eerste lid, worden voldaan aan de volgende algemene regels: a. Het innemen van een standplaats is niet toegestaan. b. Bij het venten mag geen gebruik worden gemaakt van geluidsversterkende apparatuur.
c.
Het is niet toegestaan om zonder schriftelijke toestemming van de vergunninghouder (organisator evenement) te venten op een weg waar een evenement
4.
plaatsvindt.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
Artikel
5:16
(Vervallen) AFDELING Artikel
1.
5:17
4
STANDPLAATSEN Definitie
In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren
van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.
Onder standplaats wordt niet verstaan:
a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
b.
aanhef en onder g, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.
Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. -44-
4.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:19
Toestemming rechthebbende