CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

13. bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening hoogspanning tracé Oele - Hengelo toelichting, regels en bijlagen.pdf

Gemeenteraad 13 september 2022, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 13: Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening hoogspanning tracé Oele-Hengelo28.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoge verwachting Hoge verwachting Middelhoge verwachting Middelhoge verwachting Middelhoge verwachting Lage verwachting (middelhoog indien gelegen nabij prominente dekzandhoogten en -ruggen) Lage verwachting (middelhoog indien gelegen nabij prominente dekzandhoogten en -ruggen)4

Op de hoogtekaart op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland tekent het reliëfrijke landschap van het plangebied zich duidelijk af. De dekzandhoogtes /-ruggen zijn hoger gelegen en goed zichtbaar op de kaart. De hoogte van het plangebied varieert van circa 14 tot 17 m +NAP. In vergelijking tot zijn directe omgeving is het grootste gedeelte van plangebied relatief laag gelegen. Helemaal links op een kaart is een gedeelte van de stuwwal van Delden te zien, en rechts bevindt zicht het centrum van Hengelo (zie kaartbijlage 452535 -AHN). Bodem en grondwater Een belangrijk deel van de oppervlakte van beide gemeentes bestaat uit dekzandwelvingen, al dan niet met grondmorene in de (ondiepe) ondergrond. Hierbij zijn veldpodzolgronden van al dan niet lemig fijn zand(Hn21 en Hn23) in oppervlakte het belangrijkste bodemtype. Dit bodemtype is ook veel aanwezig in het huidige plangebied, maar op de Bodemkaart van Nederland (1.50.000) valt juist de diversiteit aan bodemtypen op (zie kaartbijlage 452535-BOD). Met name de beekdalen, beekoverstromingsvlakten en dalvormige laagten kennen een brede verscheidenheid aan bodemtypen. Bovenstrooms komen voornamelijk beekeerdgronden voor (pZg23). De forsere beekdalen kennen voornamelijk leek- of woudeerdgronden (pRn59 en pRn86).

De essen en bouwlandkampen, die op de hogere delen van het dekzandrelief werden aangelegd, werden vermoedelijk vanaf de 16e eeuw bemest door middel van het opbrengen van een mengsel van dierlijke mest en heide- of grasplaggen. Nabij de beekdalen zijn voornamelijk hoge bruine enkeerdgronden (bEZ23) te vinden.5

4 5

Boshoven et al., 2009. Keunen & De Roode, 2009.

Blad 7 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

2.4.1

Historische situatie en mogelijke verstoringen Bewoningsgeschiedenis en historische situatie De vroegste prehistorische en historische bewoning in de omgeving moet gezocht worden op de hogere delen van het dekzand en de stuwwallen. De lagere dekzandgebieden waren vermoedelijk te moerassig. In Twente zijn vondsten bekend vanaf het midden-paleolithicum.6 Vanaf het neolithicum tot in de Romeinse tijd kenden deze hoger gelegen gebieden een toenemende bevolkingsdichtheid. Na de Romeinse tijd nam deze groei weer af, om vervolgens in de middeleeuwen weer toe te nemen. In deze periode werd het landschap in cultuur gebracht, voornamelijk door het kappen van bos, het ontginnen van veen, en begrazing door schapen (waardoor heidevelden ontstonden). Op de hogere delen in het landschap ontstonden boerderijen met bijbehorende landbouwwerkzaamheden. Door ophoping van plaggenmest ontstonden in de regio essen met enkeerdgronden, en bij latere uitbreidingen van de oude bouwlanden ontstonden laarpodzolgronden. De relatief laaggelegen beekdalbodems waren ongeschikt voor de landbouw en werden veelal gebruikt als weidegrond. De morenegebieden met meestal een dun en vlak dekzanddek kenden een slechte afwateringen en ontwikkelden zich tot extensief gebruikte, (natte) heidegebieden.

In de 19e en 20e eeuw werd veel van deze heidegrond gecultiveerd.7 Op de Bonnebladen (circa 1900, zie kaartbijlage 452535-BON) is te zien dat het tracé veelal in landbouwgebied (weide- en akkergrond) en (voormalig) heidegebied gesitueerd is. Op een aantal locaties is er in de nabijheid van het tracé bebouwing aanwezig (bijvoorbeeld boerderij ‘Hesling’ ten noordwesten van deeltracé 5). De oorsprong van veel van deze boerderijen gaat terug tot in de late middeleeuwen.8 Daarnaast is er ten zuidwesten van deelgebied 4 een vijfhoekige structuur zichtbaar (bestaande uit een gracht en wal). De functie en ouderdom van deze structuur is niet helemaal duidelijk, maar mogelijk is het in de 17e eeuw als vestingwerk aangelegd. Verder naar het noorden is een oude landweer gesitueerd uit de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd (AMK terrein 13809), en het is mogelijk dat er meerdere verdedigingswerken en landweren in het gebied aanwezig zijn.9 Mogelijke verstoringen Bij het afplaggen en ontginnen (relatief laat) van de heide in historische tijd kan een mogelijke verstoring van de bovengrond zijn ontstaan. Tevens kan het gebruik van het gebied als akkerland en bosperceel in de 20e eeuw nog schade hebben toegebracht aan de bodem.

Niekus & Stapert, 2005, pp 105-107. Idem. 8 Keunen & De Roode, 2009. 9 Zielman, 2009. 6 7

Blad 8 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

3

Bekende waarden

3.1

Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 250 m rondom het plangebied opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 452535–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen In het onderzoeksgebied liggen geen terreinen die als archeologisch monument zijn geregistreerd (AMK-terreinen). Verder ten westen van deeltracé 4 bevindt zich een AMK-terrein (13809). Het betreft een terrein (onderdeel van landgoed Twickel) met een landweer uit de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd. De landweer is gelegen op de oude grens tussen de twee marken. Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen en eerdere onderzoeken Voor de ligging van de genoemde waarnemingen en onderzoeken wordt verwezen naar de kaartbijlage 452535-ARCHIS. Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van het onderzoeksgebied hebben onderstaande waarnemingen en onderzoeken betrekking op het gehele tracé (dus inclusief het gedeelte dat onderdeel is van gemeente Hengelo). In de buurt van het plangebied hebben meerdere archeologische onderzoeken plaatsgevonden. zaakid.

2700397100 vermeldt verschillende vondsten uit de periode laat-neolithicum – vroege ijzertijd. Het betreft o.a. vier (vuur)stenen bijlen, een speerpunt, een vuurstenen schrabber, aardewerk en zandsteen. Hoewel is aangegeven dat het gebied zich circa 240 m ten oosten van deeltracé 5 bevindt, zijn de exacte vondstlocaties onbekend (het betreft een administratieve ARCHIS melding). Ter hoogte van de Veldweg in de Wooldse buurtschap Buren (circa 1,2 km ten noorden van deeltracé 3 in Hengelo) zijn op een hoge dekzandrug met plaggendek (De Haar) over een lengte van ongeveer 55 tot 60 m archeologische resten aangetroffen die duiden op een nederzetting uit de prehistorie. De combinatie van vuursteen en aardewerk kan duiden op de aanwezigheid van archeologische resten uit het neolithicum of de vroege Bronstijd (zaakid. 2051002100). Bij opgravingen op de Azeler Esch (circa 4,3 km ten noorden van het huidige plangebied) zijn diverse vindplaatsen aangetroffen. Op deze locatie zijn resten van kampementen (haardkuilen) uit het midden mesolithicum en nederzettingsresten uit de bronstijd gevonden. Tevens zijn hier crematiegraven uit de vroeg Romeinse tijd aangetroffen en sporen van vroeg-middeleeuwse bewoning (zaakid.

2203145100 (bureauonderzoek) en 2306794100 (archeologische begeleiding).10 Bij boringen ten behoeve van de aanleg van een aardgastransportleiding tussen Bornerbroek en Epe zijn verschillende archeologische vindplaatsen geïnventariseerd (zaakid. 2250100100). Tevens werd bij dit onderzoek ten zuiden van het huidige plangebied een nieuwe vindplaats ontdekt. Deze vindplaats staat waarschijnlijk in verband met de naastgelegen havezate Oldemeule. Voor dit gebied werd vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuven onderzoek geadviseerd. In de nabijheid van het huidige tracé zijn geen aanwijzingen gevonden voor archeologische resten. Deze zones konden in principe worden vrijgegeven voor de voorgenomen 10

Zielman, 2013.

Blad 9 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

ingreep. Wel werd aanbevolen om over de gehele lengte van het tracé een archeologische inspectie uit te voeren.11 Het gebied direct ten zuiden van deeltracé 6 (gelegen in gemeente Hengelo) is archeologische onderzocht (zaakid. 4013706100). Het betreft een gebied dat gelegen is in een beekdal / overige laagte met een lage archeologische verwachting. Aan de hand van deze bureaustudie werd het gebied vrijgesteld van verder onderzoek. Bij een booronderzoek direct ten oosten van deeltracé 7 (ten hoogte van de Platinastraat in Hengelo) zijn geen archeologische indicatoren gevonden (zaakid. 2214048100). Wel is hier een esdek (met zeer veel puin en puinfragmenten aanwezig) aangetroffen. Voor dit gebied is geen vervolgonderzoek geadviseerd.12 Iets verder naar het zuiden, in een grasplantsoen aan de Platinaweg in het industrieterrein Twentekanaal te Hengelo is over een lengte van ongeveer 150 m een restant van een dekzandrug met plaggendek aangetroffen. In het bewuste tracédeel hebben drie boringen archeologische vondsten opgeleverd. De aard van deze resten is vooralsnog onduidelijk. Mogelijk betreft het resten uit het mesolithicum en/of neolithicum en sporen van laat-middeleeuwse bewoning (zaakid. 3263647100). In 2010 heeft Oranjewoud een booronderzoek uitgevoerd ten noordoosten van station Hengelo Weideweg 2010 (milieupark Hengelo, zaakid. 2287443100).

Het plangebied bleek voor het merendeel verstoord door ophoging en /of egalisering en werd vrijgegeven voor verder archeologisch onderzoek. Wel bleek dat onder de verstoring of onder de bovenste bodemlaag is in een aantal boringen oud bouwland in de vorm van een plaggendek te zien was. Dit is het geval aan de randen van het plangebied, de oost- en noordwestkant van het terrein. Hier kunnen mogelijk nog archeologische waarden aanwezig zijn in het plaggendek zelf of eronder.13

3.2

Ondergrondse bouwhistorische waarden In verreweg het grootste gedeelte van het plangebied zijn geen bekende bouwhistorische waarden aanwezig, noch zijn er aanwijzingen dat er resten van vroegere bebouwing te verwachten zijn. In de buurt van het tracé is op een aantal locaties bebouwing aanwezig. Het betreft veelal boerderijen, waarvan de oorsprong mogelijk teruggaat tot in de late middeleeuwen. Op de huidige en historische kaarten doorsnijdt het tracé dergelijke boerderijerven over het algemeen niet, maar het is mogelijk dat de exacte locatie van deze erven enigszins afwijkt van de locaties op het kaartmateriaal.

Zielman, 2009. Fijma, 2009. 13 Arkema et al., 2010. 11 12

Blad 10 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

4

Archeologische verwachting

4.1

Bestaande verwachtingskaarten Gemeentelijke verwachtingskaart Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Hof van Twente is tevens te zien dat de archeologische verwachting binnen het plangebied verschilt. Ook hier is de verwachting voornamelijk gebaseerd op de landschappelijke ligging en (bekende) historische objecten (zie afbeelding 2). De oranje-rode gebieden hebben een hoge archeologische verwachting.14 Het gaat hierbij om terreinen, waar op grond van de landschappelijke ligging een grote kans is op het aantreffen van archeologische resten. Het betreft: dekzandruggen, gordeldekzandruggen, hoge stuwwallen, stuifzandgebieden, smeltwaterruggen, sandrafzettingen, delen van beekdalen binnen een straal van 150 m van dekzandruggen en zones van 200 meter om historische elementen als hoeven, watermolens, windmolens e.d. De zones rondom historische elementen zijn tevens gearceerd.15 De lichtoranje gebieden hebben een middelhoge archeologische verwachting. Het gaat hierbij om terreinen waar op grond van de landschappelijke ligging een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten: zones van 50 m om de dekzandruggen, dekzandwelvingen, gordeldekzandwelvingen, gordeldekzandvlakten, grondmoreneruggen en stuwwallen, relatief hooggelegen delen van beekdalen, en beekoverstromingsgebieden.16 De lichtgele gebieden hebben een lage archeologische verwachting.

Op grond van de landschappelijke ligging is er een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten. Het betreft: de dekzandvlakten, overige delen van de beekdalen, en laagtes.17

Beleidsadvies: archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m-mv. 15 Beleidsadvies: archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m-mv. 16 Beleidsadvies: archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m-mv. 17 Beleidsadvies: archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 10 ha en bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m-mv. 14

Blad 11 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

Afbeelding 2. Uitsnede uit de Archeologische waarden en –verwachtingskaart gemeente Hof van Twente (2010), met hierop het geplande tracé geprojecteerd (rood = open ontgraving; zwart = hdd boringen). Bron: Esri & partners.

4.2

Gespecificeerde archeologische verwachting Datering Naar verwachting kunnen archeologische resten worden aangetroffen uit de periodes laatpaleolithicum, mesolithicum, neolithicum, bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd. Complextype Er is een verwachting voor (seizoens)kampementen uit de steentijd en voor nederzettingen of boerenerven (neolithicum-nieuwe tijd). Resten van activiteiten uit deze perioden zijn te verwachten op de hogere delen van het dekzandlandschap (dekzandruggen, dekzandkoppen en eventueel hogere delen van dekzandwelvingen). Er is een redelijke kans op het aantreffen van complexen uit de periode ijzertijd en de Romeinse tijd (nederzettingen, boerenerven), een woonplaats of boerenerf (middeleeuwen-nieuwe tijd), akker (neolithicum-nieuwe tijd), eventueel plaggendek (middeleeuwen-nieuwe tijd) en verdedigingswerken/landweren (middeleeuwen-nieuwe tijd). In een beekdal kunnen beekdalgerelateerde complexen (‘natte context’) voorkomen zoals steigers, beschoeiing, depotvondsten, etc. Omvang Afhankelijk van het complextype circa 100 m2 tot meer dan een hectare voor een nederzettingsterrein. Diepteligging De genoemde complexen uit de steentijd kunnen direct onder de huidige bouwvoor en al dan niet aanwezig plaggendek worden verwacht. Een plaggendek is (in onverstoorde toestand) 0,5 tot 1,5 m dik.

Blad 12 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

Locatie Binnen het plangebied geldt de hoogste archeologische verwachting voor de dekzandhoogten en –ruggen en de locaties waar historische boerenerven kunnen worden verwacht. Een middelhoge verwachting voor genoemde complexen geldt voor de hogere delen van de dekzandwelvingen. Uiterlijke kenmerken Het dekzand vormt het loopvlak in de steentijd en om die reden is het aantreffen van een intact top van het dekzand, inclusief een podzolprofiel dat op langdurig droge condities wijst, een aanwijzing voor het mogelijk intact aanwezig zijn van een vindplaats uit de steentijd (insitu vondsten van bewerkt vuursteen, houtskool, e.d.). Voor de locaties waar sprake is van een landbouwdek worden geen (ruimtelijke) intacte vuursteenvindplaatsen uit de steentijd verwacht, tenzij er tevens sprake is van een intact podzolprofiel onder dat dek. Voor de periode bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd zijn grondsporen die met agrarisch landgebruik samenhangen te verwachten, zoals sloten en akkerlagen, en er kunnen met name resten van nederzettingen (paalkuilen, greppels, waterputten etc.) en begravingen uit deze periode worden aangetroffen. Tevens zijn hierbij vondsten van onder meer aardewerk, bot en metaal te verwachten.

Een daadwerkelijke nederzettingsterrein zal zich aftekenen als een als een relatief intacte top van het dekzandlandschap met een archeologische laag, of uit slechts een sporenvlak onder een al dan niet aanwezig oud landbouwdek. Voor de bewoningsperiode vroege en late middeleeuwen – nieuwe tijd zijn onder andere aardewerk, baksteen, houtskool en grondsporen te verwachten, maar ook stenen boerderijen en bijgebouwen. Mogelijke verstoringen Zie paragraaf 2.4.1.

Blad 13 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

5

Conclusies en advies

5.1

Conclusies Het grootste gedeelte van het tracé doorkruist gebieden waarvoor een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt. Deze gebieden zijn gelegen op relatief hoog gelegen gronden in het landschap (al dan niet beschermd door een esdek). Vanaf de prehistorie vormden dergelijke hoger gelegen gebieden geliefde woon en verblijfplaatsen. Tevens geldt er een hoge verwachting voor gebieden in de directe omgeving van een historisch object. Binnen het plangebied kunnen met name resten van oude boerderijerven worden aangetroffen. De oorsprong van veel van deze boerderijen gaat terug tot in de late middeleeuwen. Voor de zones met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m –mv en een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 5.000 respectievelijk 2.500 m2. Deze gezamenlijke vrijstellingsgrenzen worden overschreden voor de delen van het tracé waar de werkzaamheden in open ontgraving plaatsvinden en mogelijk ook ter plaatse van de tijdelijke werkwegen. De totale omvang van de open ontgraving in de gemeente Hof van Twente betreft circa 715 m in lengte.

5.2

(Selectie)advies Een gedeelte van het tracé bevindt zich in een gebied met een lage archeologische verwachting. Gemeente Hof van Twente stelt dat voor deze zones archeologische onderzoek verplicht is bij grootschalige ingrepen (met een gezamenlijke oppervlakte van 10 ha of groter). Deze grens wordt met het totale project mogelijk overschreden en de lage verwachtingszone wordt daarom meegenomen in het advies voor vervolgonderzoek om vast te stellen of er sprake is van afwijkende landschappelijke kenmerken. Geadviseerd wordt om de gebieden waar in open ontgraving wordt aangelegd een verkennend booronderzoek uit te voeren met boringen om de 50 m. Het booronderzoek bestaat hiermee uit in totaal 15 tot 20 verkennende boringen. Een verkennend boordonderzoek heeft als doel te bepalen in hoeverre het bodemprofiel intact is en of er in het bodemprofiel aanwijzingen zijn voor archeologisch relevante lagen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in een eerder ontwerp van het plangebied uitdrukkelijk rekening werd gehouden met de aanleg van tijdelijke werkwegen in het kader van de graaf- en aanlegwerkzaamheden. Deze tijdelijke werkwegen zijn echter niet vermeld in het nieuwste ontwerp van het tracé. Indien de bodem ter plaatse van de mogelijke werkwegen dieper dan 0,4 m verstoord wordt, geldt ook voor deze gebieden een onderzoeksplicht.

Het bovenstaande selectieadvies is voorgelegd aan en goedgekeurd door de deskundige van het bevoegd gezag, in deze dhr. A. Vissinga (Het Oversticht), d.d. 23-09-2020. Het huidige rapport betreft revisie 02. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group Heerenveen, maart 2021

Blad 14 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

Literatuur en geraadpleegde bronnen Arkema, M., J. Tolsma & D. la Fèber., 2010: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in het plangebied Milieupark Hengelo (Overijssel). Archeologische Rapporten Oranjewoud 2010/77. Oranjewoud B.V., Heerenveen. Barends et al., 1986: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 2004 (4e druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Boshoven, E.H. et al., 2009: Gemeente Hof van Twente. Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart. BAAC-Rapport V-08.0417. Gemeente Hof van Twente / BAAC bv, Deventer. Fens, R.L., 2017: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen ontwikkeling Seahore terrein in Hengelo, gemeente Hengelo. Antea Group Archeologie 2016/12. Antea Group, Heerenveen. Fijma, P., 2009: Archeologisch onderzoek HS-tracé Hengelo-Haaksbergen. Archeologische Begeleiding. Grontmij Archeologische Rapporten 869. Grontmij Nederland B.V., Arnhem. Keunen, L.J. & F. de Roode, 2009. Gemeente Hengelo. Archeologische waarden- en verwachtingskaart met AMZ-adviezen. RAAP-Rapport 1897. RAAP Archeologische Adviesbureau BV, Weesp. Niekus, M.J.L.Th., & D. Stapert, 2005: Het Midden-Paleolithicum in Noord-Nederland, in: J. Deeben et al.

De steentijd van Nederland (=Archeologie 11/12). Stichting Archeologie, Meppel. Zielman, G., 2009: Aardgastransportleiding tracé Bornerbroek-Epe. Archeologische vooronderzoek: een aanvullend bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. RAAPRapport 1973. RAAP Archeologische Adviesbureau B.V., Weesp. Zielman, G., 2013: Van oale groond. Nieuwe vondsten op de Azeler Esch. Aardgastransportleidingtracé Bornerbroek-Epe (A-670), catalogusnummer 1. Gemeente Hof van. Archeologisch onderzoek: opgraving en begeleiding. RAAP-Rapport 2395. RAAP Archeologische Adviesbureau B.V., Weesp.

Blad 15 van 16

Antea Group Archeologie 2019/72 Bureauonderzoek projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 02 TenneT TSO B.V.

Kaarten  Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, STIBOKA/Alterra, Wageningen  Grote Historische Atlas (1830-1855), Wolters Noordhoff, Groningen  Geomorfologische kaart 1:50.000, Alterra, Wageningen  Kadastrale kaarten 1811-1832 (http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl)  Topografische kaart 1:25000 (http://kadata.kadaster.nl)  Historische kaart van Twente ca. 1500: (http://www.markegrenzen.nl) Internet  ahn.maps.arcgis.com  beeldbank.cultureelerfgoed.nl  www.archis.cultureelerfgoed.nl  www.ruimtelijkeplannen.nl  www.topotijdreis.nl  www.markegrenzen.nl  gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/cwk_discipline/v1

Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1 Afbeelding 2

Uitsnede topografische kaart. (Bron: Esri & partners) Uitsnede archeologische waarden en –verwachtingskaart gemeente Hof van Twente (Bron: BAAC-Rapport V-08.0417).

Blad 16 van 16

Bijlage 1: Archeologische perioden

Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.

Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.

Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.

Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.

Bijlage 2: Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.

Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)

Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.

Tijdens de opgraving worden archeologische resten gedocumenteerd, gefotografeerd en bestudeerd. Hierdoor wordt informatie over het verleden zo goed mogelijk vastgelegd en behouden. Plan van Aanpak (PvA) (STAP 2a) Voor een booronderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) noodzakelijk. Het PvA beschrijft hoe het veldwerk wordt uitgevoerd en uitgewerkt. Programma van Eisen (PvE) (STAP 2d of 5a) Voor het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek proefsleuven, archeologische begeleiding of opgraving is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het PvE beschrijft het doel, vraagstelling en uitvoeringsmethode van het archeologisch onderzoek. Dit document wordt beschouwd als basisdocument voor archeologisch veldonderzoek waarmee de inhoudelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Het PvE wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente, provincie of het rijk). Quickscan In een quickscan wordt geïnventariseerd of en waar archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Selectieadvies (STAP 3) In het selectieadvies wordt op archeologisch inhoudelijke argumenten het advies gegeven welke delen van het plangebied vrijgegeven kunnen worden voor verdere ontwikkeling en welke delen behouden of opgegraven moeten worden. Selectiebesluit (STAP 4) De bevoegde overheid (gemeente, provincie of soms het rijk) geeft op basis van het selectieadvies aan welke maatregelen genomen worden.

De bevoegde overheid kan van het selectieadvies afwijken indien zij dat nodig acht. Veldkartering Bij een veldkartering wordt het plangebied systematisch belopen om archeologische oppervlaktevondsten te verzamelen.

Kaartbijlage

246000

247000

248000

249000

250000

251000

2051002100

2342303100 2342303100 4553531100 4553531100

2287443100

! (

2700356100

477000

477000

2203794100

26910251002689399100

! (

2700331100

! ( 2321810100 2700315100 2841572100 ! ( ! ( 2866245100

13809

2700323100

13800

2415000100

4011162100

476000

! (

! (

2158394100

! (

3070348100

2767011100 2175922100

! (

3991384100

2203145100 2306794100 2700397100

2142039100

2186582100

! (3287664100

2205462100 2833301100! ( 2230612100

2221492100

3070201100

! ( 2400794100

2172099100

2341064100

3070137100

2250100100

! (

4560238100 2379808100

2116476100

Text 2242471100

! (

2205146100 2123400100

hdds

2711712100

! ( rev01 trace

27117291002711720100

2466672100

! (

waarnemingen ! (

! ( ! (

0

3235434100

290 00

NR

3057129100 onderzoeksmeldingen

10-12-2019 DATUM

580

870

4013706100

terrein van hoge archeologische waarde

3987480100

2214048100

2192908100 3263647100

terrein van zeer hoge archeologische waarde

! (

terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd 247000

248000

2287565100

2437139100

249000

2375571100 2259693100

TenneT TSO B.V.

2298110100

250000

SCHAAL

R. Fens

2298119100

1:15.000

FORMAAT

PROJECTLEIDER

A. Brokke

A3

DATUM

BLAD IN BLADEN

STATUS

WIJZ.NR

10-12-2019

2168251100

Gegevens uit ARCHIS: onderzoeken, waarnemingen en 2298102100 AMK-terreinen

KAARTNUMMER

! ( GET.

GIS SPECIALIST

110 kV kabeltracé HGLW-HGLO

452535-ARCHIS

RF 2711234100

WIJZIGING

PROJECTOMSCHRIJVING

KAARTTITEL

1.160 m

2323633100

Definitief

OPDRACHTGEVER

terrein van archeologische waarde

246000

! °

2472471100

1 van 1

2192381100 Definitief

4038752100

00

www.anteagroup.nl

2259717100 Esri Nederland, Community Map Contributors

251000

ll

474000

475000

! (

475000

2322094100

3182728100

Legenda

474000

! (

3985682100

! (

2891817100

13968

! ( 2078300100 2891785100 ! ( 13827 ! ( 2700753100 2849308100 ! (

476000

! (

! (

2463553100 2891777100

2700761100

248000

249000

250000

251000

476000

476000

477000

247000

477000

246000

475000

475000

Text

290 00

NR

10-12-2019 DATUM

Definitief

580

870

474000

TenneT TSO B.V.

Legenda

PROJECTOMSCHRIJVING

110 kV kabeltracé HGLW-HGLO

hdds

KAARTTITEL

Hoogtekaart op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2

trace rev01 246000

RF

WIJZIGING

OPDRACHTGEVER

1.160 m

GET. GIS SPECIALIST

R. Fens

PROJECTLEIDER

A. Brokke

SCHAAL

1:15.000

FORMAAT

A3

DATUM

BLAD IN BLADEN

STATUS

WIJZ.NR

10-12-2019 Definitief

1 van 1 00

www.anteagroup.nl

KAARTNUMMER

452535-AHN Esri Nederland, AHN; Esri Nederland, Community Map Contributors 247000

248000

249000

250000

251000

ll

474000

0

! °

248000

249000

250000

251000

476000 475000

475000

476000

477000

247000

477000

246000

290 00

NR

10-12-2019 DATUM

580

Definitief

474000

OPDRACHTGEVER

TenneT TSO B.V.

Legenda

PROJECTOMSCHRIJVING

110 kV kabeltracé HGLW-HGLO

hdds

KAARTTITEL

Topografische kaart (Bonneblad) circa 1900

trace rev01 246000

870

1.160 m RF

WIJZIGING

GET. GIS SPECIALIST

R. Fens

SCHAAL

1:15.000

FORMAAT

PROJECTLEIDER

A. Brokke

A3

DATUM

BLAD IN BLADEN

STATUS

WIJZ.NR

10-12-2019

1 van 1

Definitief

00

www.anteagroup.nl

KAARTNUMMER Esri Nederland, Community Map Contributors; Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1:192.000), TMK 50D (t/m 1:48.000), 452535-BON Bonnebladen (t/m 1:6.000)

247000

248000

249000

250000

251000

ll

474000

0

! °

247000

248000

249000

250000

476000

476000

477000

246000

477000

245000

Legenda hdds rev01 trace rev01 Kleiige beekdalgronden Venige beekdalgronden 475000

475000

Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Veldpodzolgronden; lemig fijn zand Hoge bruine enkeerdgronden; lemig fijn zand Laarpodzolgronden; lemig fijn zand Leek-/woudeerdgronden; zavel, profielverloop 5, of 5 en 2, of 2

! °

Leek-/woudeerdgronden; klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4

474000

Gooreerdgronden; lemig fijn zand Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand

00

8-5-2020

NR

DATUM

500

R. Fens

PROJECTLEIDER

A. Brokke

110 kV kabeltracé HGLW-HGLO

FORMAAT

A3

BLAD IN BLADEN

STATUS

WIJZ.NR

Definitief

Bodemkaart van Nederland

SCHAAL

1:15.000

DATUM

8-5-2020

KAARTTITEL

Bebouwing

GET. GIS SPECIALIST

PROJECTOMSCHRIJVING

Water

1.000 m RF

WIJZIGING

TenneT TSO B.V.

Opgehoogd of opgespoten

750

Definitief

OPDRACHTGEVER

Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand

245000

250

1 van 1 00

www.anteagroup.nl

KAARTNUMMER

452535-BOD 246000

247000

248000

249000

Esri Nederland, Community Map Contributors

250000

ll

474000

0

Beekeerdgronden; lemig fijn zand

246000

3K16

247000 3K8

3K16

248000

249000

4K16

250000 2R2 3L5

2M9

2R2

3L5

2M9

2R2

3N8 3L5

2R2

2R5

4K16

3L5

477000

477000

4K8

251000

4K14

2R2

3L2a 3L5

3K14

2R5

3L2a

476000

2R2 3L2a

3L2a 3K16

10B3

3L2a

2R2

3K16

4K14 3L5

3L2a

2R2

3L2a

3K16

476000

3L2a

Beb 3L5 Beb

3L2a

2M24

475000 3L2a 2R2

3L2a

W

3L2a

3L2a

4K14

W

4K8

4K16

Legenda

3K14

4K16 2R2 3L2a

246000

4K14

3L2a 2R2

hdds

trace rev01

3K16

4K6

247000

00

D3

4K14

290

NR

10-12-2019 DATUM

Definitief

580

3K14

3L2a 4K14

248000

3L2a

3K14

4K14

3K14 3L2a

3K14 4K14 4K14

R. Fens

3K14

249000

452535-GKN 250000

FORMAAT

A. Brokke

A3

DATUM

BLAD IN BLADEN

STATUS

WIJZ.NR

10-12-2019

3L2a Geomorfologische Kaart van Nederland, 1:50.000 (Stiboka/Alterra)

SCHAAL

1:15.000

PROJECTLEIDER

110 kV kabeltracé HGLW-HGLO

KAARTNUMMER

RF

GET. GIS SPECIALIST

PROJECTOMSCHRIJVING

KAARTTITEL

1.160 m

WIJZIGING

TenneT TSO B.V.

3L2a

! °

870

OPDRACHTGEVER

4K16

2M24

0

W

3K14

2M24 3K16

474000

3K16 3L2a

1 van 1

Definitief www.anteagroup.nl

3L2a

00

2R2

3L2a

3L2aNederland, Community Map Contributors Esri 2R2

251000

ll

474000

475000

4F12

246000

247000

248000

249000

250000

251000

2

4

476000

476000

3

4

Hof van Twente

477000

477000

1

4 Hengelo

475000

475000

5

474000

7 Legenda

290 00

NR

10-12-2019 DATUM

Definitief

OPDRACHTGEVER

TenneT TSO B.V.

6

hdds trace rev01

PROJECTOMSCHRIJVING

110 kV kabeltracé HGLW-HGLO

KAARTTITEL

Deelgebieden in open ontgraving

Gemeentegrenzen (voorlopig) - kustlijn 246000

580

870

1.160 m RF

WIJZIGING

GET. GIS SPECIALIST

R. Fens

PROJECTLEIDER

A. Brokke

SCHAAL

1:15.000

FORMAAT

A3

DATUM

BLAD IN BLADEN

STATUS

WIJZ.NR

10-12-2019 Definitief

1 van 1 00

www.anteagroup.nl

KAARTNUMMER

452535-DEELGEBIEDEN Esri Nederland, Community Map Contributors 247000

248000

249000

250000

251000

ll

474000

0

! °

Over Antea Group Van stad tot land, van water tot lucht; de adviseurs en ingenieurs van Antea Group dragen in Nederland sinds jaar en dag bij aan onze leefomgeving. We ontwerpen bruggen en wegen, realiseren woonwijken en waterwerken. Maar we zijn ook betrokken bij thema’s zoals milieu, veiligheid, assetmanagement en energie. Onder de naam Oranjewoud groeiden we uit tot een allround en onafhankelijk partner voor bedrijfsleven en overheden. Als Antea Group zetten we deze expertise ook mondiaal in. Door hoogwaardige kennis te combineren met een pragmatische aanpak maken we oplossingen haalbaar én uitvoerbaar. Doelgericht, met oog voor duurzaamheid. Op deze manier anticiperen we op de vragen van vandaag en de oplossingen van de toekomst. Al meer dan 60 jaar.

Contactgegevens Tolhuisweg 57 8443 DV HEERENVEEN Postbus 24 8440 AA HEERENVEEN T. (0513) 63 43 13 E. willem.bakker@anteagroup.nl ISSN: 1570-6273 Copyright © 2021 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. Disclaimer Antea Group aanvaardt op generlei wijze aansprakelijkheid voor schade welke voortvloeit uit beslissingen genomen op basis van de resultaten van archeologisch (voor)onderzoek.

www.anteagroup.nl

Buitengebied Hof van Twente, herziening hoogspanning tracé Oele - Hengelo

Bijlage 2 Archeologie inventariserend veldonderzoek

ontwerp

81

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Aanleg 110 kV kabelverbinding Hengelo Weideweg (HGLW) en Hengelo Oele (HGLO), gemeente Hof van Twente

projectnummer 452535 revisie 01 1 maart 2021

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Aanleg 110 kV kabelverbinding Hengelo Weideweg (HGLW) en Hengelo Oele (HGLO), gemeente Hof van Twente projectnummer 452535 revisie 01 1 maart 2021

Auteurs R.L. Fens I. Fleuren

Opdrachtgever TenneT TSO B.V. Utrechtseweg 310 6812 AR ARNHEM

datum vrijgave 01-03-2021

beschrijving revisie 01 Akkoord door adviseur BG

goedkeuring A.J. Brokke

vrijgave R.S. Raap

Inhoudsopgave

Blz.

Samenvatting

2

1

Inleiding

4

2

Bureauonderzoek

6

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

Begrenzing plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid en regelgeving Landschappelijke situatie Historische situatie en mogelijke verstoringen Archeologische waarden en ondergrondse bouwhistorische waarden Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting Conclusies en advies

6 7 7 8 9 11 13 14 15

3

Veldonderzoek

17

3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4

Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodemopbouw deeltracé 4 Bodemopbouw deeltracé 5 Interpretatie bodem, geologie en archeologie Archeologische indicatoren

17 17 19 19 19 20 21

4

Conclusies en advies

22

4.1 4.2

Conclusies (Selectie)advies

22 23

Literatuur en geraadpleegde bronnen

24

Lijst met afbeeldingen

25

Bijlagen 1 2 3

Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen

Kaartbijlagen 452535-ARCHIS 452535-ARO 452535-BODEMTYPE

Gegevens uit ARCHIS Situatiekaarten met ligging boorpunten Situatiekaarten met ligging boorpunten inclusief bodemtype

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem

452535 4769202100 Overijssel Hengelo en Hof van Twente div. Hengelo-Oele

Kaartblad 28G/34E Coördinaten N. 247970/476540 Z. 247600/474640 Opdrachtgever TenneT TSO B.V. Uitvoerder Antea Group Datum uitvoering Maart 2020 Projectteam A.J. Brokke (projectleider) R. Fens (KNA-prospector) I. Fleuren (archeoloog) A. Brokke (projectleider archeologie) Vrijgave conform KNA A. Brokke (senior KNA-prospector) Bevoegd gezag gemeente Hof van Twente Deskundige bevoegd gezag A. Vissinga (Het Oversticht) Beheer documentatie Antea Group Vondstdepot Provinciaal depot bodemvondsten

Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met ligging van het totale plangebied in de gemeentes Hof van Twente en Hengelo (Bron: Esri & Partners). Rood: open ontgraving; zwart: gestuurde boring.

Blad 1 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Samenvatting In opdracht van TenneT TSO B.V. heeft Antea Group in de periode februari-april 2020 een archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de geplande aanleg van een 110 kV kabeltracé tussen station Hengelo Weideweg en Hengelo Oele (HGLW-HGLO). Het geplande tracé is in twee gemeentes gelegen, namelijk gemeente Hengelo en gemeente Hof van Twente. De totale geplande lengte van dit tracé is circa 5.900 m, waarvan circa 2.800 m in open ontgraving plaatsvindt (zie afbeelding 1). Het onderhavige rapport heeft als zwaartepunt het gedeelte van het tracé dat zich bevindt in de gemeente Hof van Twente. De opgetelde lengte van dit tracé is circa 2.270 m. Circa 715 m van dit tracé vindt plaats in open ontgraving. Deze zones zijn onderverdeeld in meerdere deeltracés (afbeelding 2). Deeltracé 4 en 5 bevinden zich in de gemeente Hof van Twente. In een eerder stadium heeft Antea Group een bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het grootste gedeelte van het tracé gebieden doorkruist waarvoor een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt. Deze gebieden zijn gelegen op relatief hoog gelegen gronden in het landschap (al dan niet beschermd door een esdek). Vanaf de prehistorie vormden dergelijke hoger gelegen gebieden geliefde woon en verblijfplaatsen.

Tevens geldt er een hoge verwachting voor gebieden in de directe omgeving van een historisch object. Binnen het plangebied kunnen met name resten van oude boerderijerven worden aangetroffen. De oorsprong van veel van deze boerderijen gaat terug tot in de late middeleeuwen. Om het in het archeologisch bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn de tracégedeeltes die conform beleid en regelgeving onderzoeksplichting zijn en tevens in open ontgraving worden aangelegd archeologisch onderzocht. Resultaten De bodemopbouw bestaat uit een ondergrond van leem en fluvioperiglaciale afzettingen die slechts zeer plaatselijk een dun dekzanddek vertoont (enkel in boringen 040A, deels 039A in deeltracé 4 en boringen 047A-050A in deeltracé 5). Bodemvorming in deeltracé 4 is verder niet aangetroffen, in deeltracé 5 zijn restanten van een beekeerdgrond en/of gooreerdgrond aangetroffen. Deze restanten bestaan uit een eerdlaag en uit sterke accumulatie van roest. Indicatoren voor vroegere bewoning, zoals een eenmanses of een dekzandkop of –rug met tekenen van podzolidatie zijn niet aangetroffen. De bodemvorming is over het algemeen gering, en beperkt tot de bouw- en ploegvoor (0,2-0,6 m –mv). In boring 045A is een slootdemping aangetroffen (verstoring tot 1,4 m-mv).

Landschappelijk komt de ingeschatte situatie zeer overeen met de inschatting uit de bureaustudie: het plangebied ligt in de morenevlakte (consequent ondiep gelegen leemlagen), bedekt met fluvioperiglaciale afzettingen, maar slechts zeer plaatselijk met een dekzanddek, die zeer dun is en dan ook slechts als onderdeel van de bouwvoor kon worden herkend. Resten van verwachte (natte dan wel droge) podzolbodems werden wel verwacht, maar zijn niet (meer) aanwezig. Wel is een beekeerdbodem herkend in deeltracé 5.

Blad 2 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Conclusie en advies Om het feit dat er geen bodem of landschappelijke situatie is aangetroffen die de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in het plangebied ondersteunt (morenevlakte veelal zonder dekzanddek, geploegde/ontgonnen AC-profielen en geen esdek) adviseren wij tot vrijgave van het tracé. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat in een eerder ontwerp van het plangebied uitdrukkelijk rekening werd gehouden met de aanleg van tijdelijke werkwegen in het kader van de graaf- en aanlegwerkzaamheden. Deze tijdelijke werkwegen zijn echter niet vermeld in het nieuwste ontwerp van het tracé en konden derhalve ook niet meegenomen in dit booronderzoek. Indien de bodem ter plaatse van de mogelijke werkwegen dieper dan 0,4 m verstoord wordt, geldt ook voor deze gebieden een archeologische onderzoeksplicht. Revisiebeheer Het bovenstaande advies is voorgelegd en overgenomen door de adviseur van het bevoegd gezag, dhr. A. Vissinga (d.d. 23-09-2020). In de onderhavige rapportage, revisie 01, zijn de opmerkingen van de adviseur verwerkt.

Blad 3 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

1

Inleiding In opdracht van TenneT TSO B.V. heeft Antea Group in de periode februari-april 2020 een archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de geplande aanleg van een 110 kV kabeltracé tussen station Hengelo Weideweg en Hengelo Oele (HGLW-HGLO). Aanleiding TenneT heeft in het 110 kV netdeel Harculo-Hengelo verschillende knelpunten gesignaleerd die een risico vormen voor de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening in de omgeving van Hengelo. Door de aanleg van de 110 kV kabelverbinding tussen 110 kV station Hengelo Weideweg (HGLW110) en 110 kV station Hengelo Oele (HGLO110) (enkel circuit) wordt het hoogspanningsnet in de regio Hengelo versterkt. Het onderhavige rapport heeft betrekking op het onderhavige tracé zoals is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1: Ligging tracé kabelverbinding Hengelo Weideweg - Hengelo Oele

De aanleg van het kabeltracé wordt uitgevoerd door middel van diverse horizontaal gestuurde boringen (HDD’s), enkele persingen waarbij een mantelbuis wordt aangebracht en een aantal open ontgravingen. De ligging van het beschreven kabeltracé is in figuur 1.1 weergegeven. In een eerder stadium heeft Antea Group een bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het grootste gedeelte van het tracé doorkruist gebieden waarvoor een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt. Deze gebieden zijn gelegen op relatief hoog gelegen gronden in het landschap (al dan niet beschermd door een esdek). Vanaf de prehistorie vormden

Blad 4 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

dergelijke hoger gelegen gebieden geliefde woon en verblijfplaatsen. Tevens geldt er een hoge verwachting voor gebieden in de directe omgeving van een historisch object. Binnen het plangebied kunnen met name resten van oude boerderijerven worden aangetroffen. De oorsprong van veel van deze boerderijen gaat terug tot in de late middeleeuwen. Het onderzoek is uitgevoerd om de in het archeologisch bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel te toetsen. Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor het KNA-protocol 4003 (inventariserend veldonderzoek) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).

Blad 5 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

2

Bureauonderzoek Er is in een eerder stadium al een bureauonderzoek uitgevoerd door Antea Group. 1 In het onderstaande volgt een korte samenvatting van dit bureauonderzoek.

2.1

Begrenzing plangebied Het beginpunt van het tracé is gelegen bij 110 kV station Hengelo Weideweg (gemeente Hengelo) aan de Generatorstraat huisnummer 61 te Hengelo. Van hieruit loopt het tracé in westelijke richting en kruist deze de A35 en de gemeentegrens met de gemeente Hof van Twente. Vervolgens loopt het tracé in zuidelijke richting en kruist de N346, de spoorlijn en het Twentekanaal (tevens gemeentegrens tussen Hof van Twente en Hengelo). Ten zuiden van het Twentekanaal loopt het tracé in oostelijke richting, kruist de A35 weer, naar het 110kV-station Hengelo Oele aan de Vöckersweg huisnummer 3 (gemeente Hengelo). De totale lengte van het tracé is circa 5.900 m, waarvan circa 2800 m in open ontgraving plaatsvindt. De opgetelde lengte van het tracé dat zich bevindt in de gemeente Hof van Twente, inclusief tijdelijke werkwegen, is circa 2.270 m. Circa 715 m van het tracé vindt plaats in open ontgraving (afbeelding 2).

Afbeelding 2. Ligging van de deeltracés, waarbij 4 en 5 zijn gelegen in de gemeente Hof van Twente.

1 Fleuren & Fens, 2019.

Blad 6 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

2.2

Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het grootste gedeelte van het tracé (in open ontgraving) is in gebruik als landbouwgrond. Consequenties toekomstig gebruik Opgeteld circa 715 m vindt in open ontgraving plaats. Naar verwachting wordt de sleuf 4 m breed (bovenin, op de bodem 1,5 m) en zal er tot een diepte van 2,1 m –mv grond worden ontgraven. Naast de sleufbreedte wordt een werkstrook van minimaal 10 m breed aangehouden op plaatsen waar het tracé door weilanden en akkers loopt. Voor het aanleggen van de kabel wordt uitgegaan van een voorlopige werkbreedte van 30 m. Langs wegen wordt alleen uitgegaan van de sleufbreedte. De oppervlakte van het tracé in open ontgraving bedraagt circa 2 ha (30 m breedte bij 715 m lengte).2 Het overige gedeelte van het tracé zal worden aangelegd door middel van HDD-boringen. Voor het in- en uittredepunt van de gestuurde boringen zullen putten moeten worden gegraven die naar verwachting 5 bij 5 m groot gaan worden. De hierboven genoemde geplande werkzaamheden kunnen eventueel archeologische resten in de bodem verstoren.

2.3

Archeologisch beleid en regelgeving Op www.ruimtelijkeplannen.nl is te zien dat het tracé onderdeel is van verschillende bestemmingsplannen. Binnen het totale plangebied, dus inclusief het gedeelte dat onderdeel is van gemeente Hengelo, zijn negen zones aan te wijzen waar werkzaamheden in open ontgraving plaatsvinden. In dit bureauonderzoek zijn deze zones onderverdeelt in zogenaamde ‘deeltracés’ (zie afbeelding 2). Deeltracés 4 en 5 zijn bevinden zich in gemeente Hof van Twente 3 en zijn onderdeel van bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente (2015) Deeltracé 4 Voor het meest noordelijke gedeelte van het tracé geldt een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologische verwachting 2’. Daarbij geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m -mv en met een grotere oppervlakte dan 5.000 m.2 Voor het middelste gedeelte van deeltracé 4 geldt een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Hierbij is archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m mv en met een grotere oppervlakte dan 10 ha. Voor het meeste zuidelijke gedeelte van deeltracé 4 geldt een dubbelbestemming ‘Waarde Archeologische verwachting 1’. Daarbij geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m -mv en met een grotere oppervlakte dan 2.500 m 2.

2 Hierbij dient te worden opgemerkt dat in een eerder ontwerp van het plangebied uitdrukkelijk rekening werd gehouden

met de aanleg van tijdelijke werkwegen in het kader van de graaf- en aanlegwerkzaamheden. Deze tijdelijke werkwegen zijn echter niet vermeld in het nieuwste ontwerp van het tracé. Indien de bodem ter plaatse van de mogelijke werkwegen dieper dan 0,4 m verstoord wordt, geldt ook voor deze gebieden een onderzoeksplicht. 3 Deeltracés 1, 2, 3, 6 en 7 zijn gelegen in gemeente Hengelo.

Blad 7 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

Deeltracé 5 Voor het gedeelte van het tracé dat plaatsvindt in open ontgraving geldt een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’. Daarbij geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m -mv en met een grotere oppervlakte dan 2.500 m2.

2.4

Landschappelijke situatie Geologie Het plangebied is gelegen in het Oost-Nederlandse zandgebied. Het oostelijk zandgebied vertoont in vergelijking met de andere zandgebieden van Nederland een sterk verbrokkeld reliëf.4 Er zijn grote plaatselijke verschillen in hoogte, maar ook in de vorm van de ondergrond. Dit reliëf is voor een groot deel veroorzaakt door de ijsbedekking in het Saalien. Zo liggen de plaatsen Oldenzaal, Ootmarsum, Markelo, Lemele op, of aan de rand van stuwwallen. De meest oostelijk gelegen stuwwallen bevatten gestuwde tertiaire afzettingen bestaande uit fijnzandige en kleiige mariene sedimenten uit het Eoceen, Oligoceen en Mioceen. Behalve stuwwallen zijn er ook grondmorenes aanwezig in de vorm van keileemafzettingen (Formatie van Drenthe). De overige stuwwallen bestaan net als de stuwwallen van Midden-Nederland uit grofzandige en grindrijke gestuwde sedimenten. Het grootste deel van het oostelijk zandgebied bestaat echter uit dekzand en fluvioperiglaciale afzettingen (Formatie van Boxtel). Het plangebied ligt op een dergelijke dekzandondergrond. Het dekzandlandschap bestaat uit een afwisseling van dekzandvlaktes en dekzandruggen.

Het dekzandgebied wordt doorsneden door beekafzettingen (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel).5 Geomorfologie en AHN Geomorfologisch gezien is het plangebied onderdeel van een landschap van hooggelegen grondmoreneruggen en gordeldekzanden, die worden doorsneden door beekdalen. Op de geomorfologische kaart is te zien dat het plangebied verschillende geomorfologische zones doorkruist. Over het algemeen worden hoger gelegen delen een hogere archeologische verwachting toegekend, aangezien deze zones vanaf de prehistorie geliefde woon- en verblijfplaatsen vormden (zie ook hoofdstuk 2.4). Dekzandrug (4B53yc) Gordeldekzandrug (3B56yc) Grondmorenewelvingen (3L11H) Dekzandwelvingen (3L51yc) Beekdaloverstromingsvlakte (2M44) Beekdalbodem (22R42L) Dalvormige laagte (22R23)

Hoge verwachting Hoge verwachting Middelhoge verwachting Middelhoge verwachting Middelhoge verwachting Lage verwachting (middelhoog indien gelegen nabij prominente dekzandhoogten en -ruggen) Lage verwachting (middelhoog indien gelegen nabij prominente dekzandhoogten en -ruggen)6

Op de hoogtekaart op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland tekent het reliëfrijke landschap van het plangebied zich duidelijk af. De dekzandhoogtes /-ruggen zijn hoger gelegen en goed zichtbaar op de kaart. De hoogte van het plangebied varieert van circa 14 tot 17 m +NAP. In vergelijking tot zijn directe omgeving is het grootste gedeelte van plangebied relatief laag 4 Berendsen, 2000. 5 Fens, 2017. 6 Boshoven et al., 2009.

Blad 8 van 25

Antea Group Archeologie 2020/30 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 452535 1 maart 2021 revisie 01 TenneT TSO B.V.

gelegen. Helemaal links op een kaart is een gedeelte van de stuwwal van Delden te zien, en rechts bevindt zicht het centrum van Hengelo. Bodem en grondwater Een belangrijk deel van de oppervlakte van beide gemeentes bestaat uit dekzandwelvingen, al dan niet met grondmorene in de (ondiepe) ondergrond. Hierbij zijn veldpodzolgronden van al dan niet lemig fijn zand(Hn21 en Hn23) in oppervlakte het belangrijkste bodemtype. Dit bodemtype is ook veel aanwezig in het huidige plangebied, maar op de Bodemkaart van Nederland (1.50.000) valt juist de diversiteit aan bodemtypen op. Met name de beekdalen, beekoverstromingsvlakten en dalvormige laagten kennen een brede verscheidenheid aan bodemtypen. Bovenstrooms komen voornamelijk beekeerdgronden voor (pZg23). De forsere beekdalen kennen voornamelijk leek- of woudeerdgronden (pRn59 en pRn86). De essen en bouwlandkampen, die op de hogere delen van het dekzandrelief werden aangelegd, werden vermoedelijk vanaf de 16e eeuw bemest door middel van het opbrengen van een mengsel van dierlijke mest en heide- of grasplaggen. Nabij de beekdalen zijn voornamelijk hoge bruine enkeerdgronden (bEZ23) te vinden.7

2.5

Historische situatie en mogelijke verstoringen Bewoningsgeschiedenis en historische situatie De vroegste prehistorische en historische bewoning in de omgeving moet gezocht worden op de hogere delen van het dekzand en de stuwwallen. De lagere dekzandgebieden waren vermoedelijk te moerassig. In Twente zijn vondsten bekend vanaf het midden-paleolithicum.8 Vanaf het neolithicum tot in de Romeinse tijd kenden deze hoger gelegen gebieden een toenemende bevolkingsdichtheid. Na de Romeinse tijd nam deze groei weer af, om vervolgens in de middeleeuwen weer toe te nemen. In deze periode werd het landschap in cultuur gebracht, voornamelijk door het kappen van bos, het ontginnen van veen, en begrazing door schapen (waardoor heidevelden ontstonden). Op de hogere delen in het landschap ontstonden boerderijen met bijbehorende landbouwwerkzaamheden. Door ophoping van plaggenmest ontstonden in de regio essen met enkeerdgronden, en bij latere uitbreidingen van de oude bouwlanden ontstonden laarpodzolgronden. De relatief laaggelegen beekdalbodems waren ongeschikt voor de landbouw en werden veelal gebruikt als weidegrond. De morenegebieden met meestal een dun en vlak dekzanddek kenden een slechte afwateringen en ontwikkelden zich tot extensief gebruikte, (natte) heidegebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/3875/documents/53753