CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

1 bestemmingsplan incl beeldkwaliteitsplan.pdf

Gemeenteraad 17 oktober 2023, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 8: Vaststellen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b26.453 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In afbeelding 4.6 is een uitsnede opgenomen van de structuurvisiekaart behorend bij het onderdeel economie. Het plangebied is hierin aangegeven met de rode contour. Te zien is dat het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangewezen als potentiële uitbreidingslocatie voor bedrijventerreinen.

Afbeelding 4.6: Uitsnede structuurvisiekaart onderdeel economie (Bron: Gemeente Hof van Twente)

30

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

4.3.2.4

Toetsing van het initiatief aan de 'Structuurvisie Goor 2025' Conform de beleidsambities zoals verwoord in de 'Structuurvisie Goor 2025' is met de ontwikkeling sprake van een versterking van de werkgelegenheid, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de overgang naar het landelijk gebied (ruimtelijke kwaliteit). Daarnaast blijkt uit paragraaf 4.1.3 en de in Bijlage 2 opgenomen Laddertoets dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. Tot slot is het plangebied op basis van de 'Structuurvisie Goor 2025' aangewezen als potentiële uitbreidingslocatie voor bedrijventerreinen en geeft voorliggend bestemmingsplan uitwerking aan hetgeen opgenomen in de structuurvisie. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Structuurvisie Goor 2025'.

4.3.3

Sociaal-economische visie en actieprogramma Hof van Twente

4.3.3.1

Algemeen De 'Sociaal-economische visie en actieprogramma Hof van Twente' (Daadkrachtige kernen verbonden door ambitie) vastgesteld op 15 september 2015 door de gemeenteraad van Hof van Twente is het resultaat van een intensieve samenwerking tussen gemeente Hof van Twente en het lokale bedrijfsleven. Een sociaal-economische visie en actieprogramma die een beeld geeft over de economische profilering, waar inzet op gepleegd moet worden en hoe deze inzet uitgevoerd wordt. In deze sociaal-economische visie is het doel aangegeven waar inzet, tijd en geld op gepleegd wordt. Door het huidige economisch profiel te schetsen, zowel gemeentebreed als per kern, zijn doelen gesteld die de economie en de werkgelegenheid versterken. Daarbij is het belangrijk dat Hof van Twente zich kan onderscheiden van andere gebieden. De missie voor Hof van Twente is daarom als volgt geformuleerd:

4.3.3.2

De Visie: Hoogwaardige bedrijventerreinen De gemeente Hof van Twente heeft verschillende bedrijventerreinen die aan of in de kernen zijn gelegen. Zenkeldamshoek is daarbij aangemerkt als het bedrijventerrein voor de hele gemeente en voor de vestiging van bedrijven van buiten Hof van Twente waar grootschalige bedrijvigheid, al dan niet met een zwaardere milieucategorie, plaats kan vinden. De andere lokale bedrijventerreinen hebben over het algemeen een goede ontsluiting, waardoor er kansen liggen voor zittende ondernemers voor uitbreiding.

4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Sociaal-economische visie en actieprogramme Hof van Twente' Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen aan het voorzien in voldoende bedrijfskavels in de gemeente Hof van Twente. Daarnaast wordt bijgedragen aan een versterking van het economisch klimaat / werkgelegenheid op een passende locatie. Zenkeldamshoek is immers aangewezen als (hoogwaardig) bedrijventerrein waar een zwaardere milieucategorie mogelijk is. De voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein sluit hier goed op aan. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling uitstekend aansluit bij de visie zoals verwoord in de sociaal-economische visie.

ontwerp

31

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

4.3.4

Bedrijventerreinenvisie Hof van Twente 2017-2026

4.3.4.1

Algemeen De gemeente Hof van Twente biedt binnen haar gemeentegrenzen plaats aan circa 3.000 bedrijven, van kleine ZZP’er in de woonwijk tot grote werkgevers waar de inwoners oprecht trots op zijn. Deze bedrijven wil de gemeente graag behouden, faciliteren en waar mogelijk helpen om zich te ontwikkelen en te groeien. In de bedrijventerreinenvisie wordt een doorkijk gegeven naar de ruimtelijke ontwikkeling van deze bedrijven binnen de gemeente Hof van Twente. Hierbij zal een goede afweging gemaakt moeten worden tussen ruimtelijke kwaliteit en de gewenste economische ontwikkeling.

4.3.4.2

Ambitie De ambitie van de gemeente is om alle bedrijvigheid die zich aandient zo goed mogelijk te accommoderen. Daarom wil de gemeente een gevarieerd en compleet aanbod aan bedrijventerreinen aanbieden. Het juiste bedrijf op de juiste plek is de doelstelling. Actieve uitbreiding van bedrijventerreinen vindt binnen de gemeente vooral plaats in Goor op Zenkeldamshoek. Voor de overige kernen geldt dat deze in eerste instantie bedoeld zijn voor de opvang van lokale aan de kern gebonden bedrijvigheid. Dit geldt ook voor lokaal gewortelde bedrijven. Daarbij probeert de gemeente zo veel mogelijk in te breiden op de bestaande locaties in de kernen, staat kleinschaligheid voorop en wordt ruimte geboden aan lokale ondernemers.

4.3.4.3

Toetsing van het initiatief aan de 'Bedrijventerreinenvisie Hof van Twente 2017-2026' In voorliggend geval wordt ruimte geboden aan de uitbreiding van bedrijventerrein Zenkeldamshoek om de komende jaren voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in Goor en in de gemeente Hof van Twente te kunnen blijven bieden. Dit draagt bij aan de versterking van de werkgelegenheid en economische structuur van de gemeente Hof van Twente en met name de kern Goor. De ontwikkeling wordt in overeenstemming geacht met de bedrijventerreinenvisie.

4.3.5

Archeologiebeleid

4.3.5.1

Algemeen Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge, hoge en zeer hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer; Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2500 m2 of meer; Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5000 m2 of meer; Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer. Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.

32

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

4.3.5.2

Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijke archeologiebeleid In paragraaf 5.8.1 wordt getoetst aan het gemeentelijke archeologiebeleid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

4.3.6

Bodembeleid

4.3.6.1

Algemeen De gemeente heeft in het Bodembeleidsplan haar beleid ten aanzien van bodemverontreiniging uiteengezet. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreinigingen te voorkomen en de bodem geschikt te houden voor toekomstige ontwikkelingen. Ten tweede heeft de gemeente de ambitie om bodemaspecten tijdig mee te nemen in planvorming. De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingen die actuele risico’s opleveren voor mensen of milieu. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Hiervoor wordt verwezen naar het asbestbeleid en de asbestsignaleringskaart.

4.3.6.2

Toetsing van het initiatief aan het bodembeleidsplan In paragraaf 5.2 wordt de bodemkwaliteit beschreven aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken. Kortheidshalve wordt verwezen naar deze paragraaf.

4.3.7

Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid De ontwikkeling is passend binnen de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in de hiervoor behandelde gemeentelijke beleidsstukken.

ontwerp

33

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Hoofdstuk 5

M ilieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

5.1.2

Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van bedrijventerrein Zenkeldamshoek. Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige objecten en/of terreinen mogelijk gemaakt. Daarnaast is er geen sprake van een gezoneerd bedrijventerrein zoals bedoeld in de Wgh. Wat betreft de invloed van het bedrijventerrein op de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 5.5.

5.1.3

Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.2.2

Situatie plangebied Verkennend bodemonderzoek Om te onderzoeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige gebruik, is in 2016 een verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Hierna wordt ingegaan op de resultaten

34

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

van dit onderzoek. Er zijn in de grond licht verhoogde gehalten aan zware gehalten (lood, nikkel en zink) en PAK aangetoond. Er is geen sprake van een eenduidige relatie met de waargenomen bodemvreemde bijmengingen (puin). Omdat sprake is van licht verhoogde gehalten, is hiervoor geen nader onderzoek nodig. In het grondwater zijn licht tot lokaal sterk verhoogde concentraties aan zware metalen (barium, nikkel en koper) aangetoond. Waarschijnlijk is sprake van een natuurlijke oorsprong, hetgeen al op basis van het vooronderzoek werd verwacht. Omdat bij deellocatie A lokaal alleen voor nikkel de interventiewaarde in geringe mate wordt overschreden en waarschijnlijk sprake is van een natuurlijke oorsprong, wordt hiervoor nader onderzoek niet zinvol geacht. Historisch bodemonderzoek In 2023 is de door Dumea een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (NEN 5725). Dit onderzoek heeft als doel om inzichtelijk te maken of er sinds het bodemonderzoek uit 2016 bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgeonden die tot bodemverontreinigingen hebben kunnen leiden. Het historisch bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Hierna wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor zover bekend is de locatie nooit bebouwd geweest en heeft de locatie altijd uit landbouwgrond bestaan.

Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten en/of bedrijfsactiviteiten voorgedaan die van invloed zijn geweest op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie. Tevens is er voor zover bekend, op de locatie nooit opslag aanwezig geweest van chemicaliën of brandstoffen zoals huisbrandolie of diesel. Er zijn geen verdachte deellocaties aan te merken op de onderzoekslocatie. Gegeven het historische gebruik van de locatie (natuur/landbouwgrond) en de resultaten van het historisch onderzoek wordt een verkennend onderzoek op de locatie niet noodzakelijk geacht. 5.2.3

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Omdat ten tijde van het schrijven van dit bestemmingsplan het in Bijlage 3 opgenomen verkennend bodemonderzoek meer dan 5 jaar oud is, dient bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen (en eventueel in het kader van een milieuvergunning - afhankelijk van de toekomstige bedrijfsactiviteiten) een actueel verkennend bodemonderzoek (NEN 5725 en 5740) te worden uitgevoerd.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

ontwerp

35

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

5.3.1.1

Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, wordt geconcludeerd dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

36

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); de Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

5.4.2.1

Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

ontwerp

37

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) 5.4.2.2

Situatie plangebied Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Zoals in afbeelding 5.1 is weergegeven, zijn er rondom het plangebied een aantal risicovolle inrichtingen/leidingen aanwezig: Buisleidingen Nederlandse Gasunie B.V. Op een afstand van circa 275 meter van het plangebied is een aardgasleiding aanwezig. Het betreft de gasleiding met het kenmerk N-557-49. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 219 mm en een werkdruk van maximaal 40 bar. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 100 meter. Hiermee ligt het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens van de gasleiding. Een verantwoording van het groepsrisico wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Daarnaast ligt op een afstand van circa 780 meter van het plangebied de gasleiding met het kenmerk N-557-50. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 108 mm en een werkdruk van maximaal 40 bar.

Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 50 meter. Hiermee ligt het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens van de gasleiding. Ook ten aanzien van deze gasleiding wordt een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht.

38

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

DPO buisleiding Op een afstand van circa 275 meter van het plangebied is een DPO buisleiding aanwezig. Het betreft hier een Defensieleiding van de DPO met een diameter van 219,1 mm en een maximale werkdruk van 80,00 bar. Het plangebied is niet gelegen in de PR-contour of groepsrisicoaandachtsgebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet benodigd. Diverse risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn diverse risicovolle inrichtingen aanwezig. Het gaat hierbij om de volgende inrichtingen: Inrichting

Afstand tot Risicoafstand (PR plangebied 10-6)

Afstand tot grens invloedsgebied verantwoording groepsrisico

Groengas Goor - Kooimaten 3

585 meter

50 meter

n.v.t.

Servicestation Hoek VOF Enterseweg 10

560 meter

35 meter

150 meter

Postma Snelvries BV Breukersweg 6

645 meter

15 meter

n.v.t.

Plukon Goor B.V. - Breukersweg 10

660 meter

65 meter

n.v.t.

Zoals uit voorgaande tabel blijkt ligt het plangebied buiten de invloedsgebieden behorend bij de omliggende risicovolle inrichtingen. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet benodigd. 5.4.3

Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking op externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn

ontwerp

39

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Voor de uitbreiding van Zenkeldamshoek zijn met name de clusters van woningen aan de Entersestraat 1-4 en 3-8 maatgevend. Deze woningen staan aan een rustige weg in het buitengebied. Ten noorden van de woningen zijn enkele agrarische bedrijven (Enterweg 1 en 3) en een manege (Enterweg 2) gelegen.

Deze bedrijven bevinden zich echter op ruime afstand (meer dan 100 meter) van de dichtstbijzijnde woning, zodat de invloed van de bedrijven op de voorgenoemde woonpercelen beperkt is. Omdat er in de directe omgeving van de nabij het plangebied gelegen woningen geen sprake is van een matige tot sterke functiemenging, wordt voor de woningen uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Overige woningen en woonbuurten staan op zeer ruime afstand van het plangebied en blijken niet maatgevend te zijn voor de zonering in het plangebied. Agrarische bedrijfswoningen staan op een zodanige afstand van het plangebied dat deze voor de milieuzonering niet maatgevend zijn.

40

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1

Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In voorliggende situatie gaat het om de uitbreiding van bedrijventerrein Zenkeldamshoek, waarbij tot milieucategorie 3.2 bedrijven/inrichtingen toegelaten worden. Bij milieucategorie 3.2 hoort een richtafstand van 100 meter. Voor het bepalen van de toelaatbare milieucategorieën in het plangebied is gebruik gemaakt van de systematiek van inwaartse zonering overeenkomstig de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). Conform deze systematiek worden de indicatieve afstanden die in de VNG-brochure zijn opgenomen voor verschillende categorieën bedrijven uitgezet vanuit de gevoelige objecten in de omgeving van het bedrijventerrein, om op die manier te bepalen welke milieucategorieën maximaal toelaatbaar zijn. In afbeelding 5.2 zijn de afstanden van 10, 30, 50, 100, 200 en 300 meter en bijbehorende milieu categorieën afgezet vanaf de bestaande woningen.

Omdat het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" geen regels stelt aan de situering van woningen binnen het bestemmingsvlak 'Wonen', is uitgegaan van de grens van de bestemming en niet van de situering van de huidige woning. De woning mag immers worden uitgebreid of herbouwd tot aan de grens van de bestemming. Bovendien staat het bestemmingsplan ˜Buitengebied Hof van Twente" aan huis verbonden beroepen ook toe in bijgebouwen. Blijkens jurisprudentie kan de uitoefening van een aan huis verbonden beroep in een bijgebouw tot gevolg hebben dat dat bijgebouw - hoewel het niet wordt bewoond - milieugevoelig is en het dus bescherming tegen bedrijfshinder toekomt.

ontwerp

41

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Afbeelding 5.2: Zonering t.o.v. omliggende woningen (Bron: Croonenburo5) Zoals in afbeelding 5.2 is te zien wordt voldaan aan de grootste richtafstand van 100 meter welke geldt voor milieucategorie 3.2 bedrijven/inrichtingen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Daarnaast leidt het plan niet tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. 5.5.3.3

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden geen milieugevoelige functies toegevoegd.

5.5.4

Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt

42

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele veehouderijen. Met dit plan worden geurgevoelige objecten, namelijk bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt. De bedrijfsgebouwen dienen als geurgevoelig object te worden aangemerkt, omdat er langdurig door personen verbleven kan worden. Het plangebied ligt op ruime afstand van veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderijen (Enterweg 1 en Twickelerweg 2) liggen op ruim 500 meter afstand van het plangebied. Gelet op deze zeer ruime afstand zal ter plaatse van de nieuwe bebouwing geen sprake zijn van geurhinder als gevolg van het voorgenoemde veehouderijen. De veehouderijen worden niet in de bedrijfsvoering belemmerd omdat op kortere afstand van de betreffende veehouderijen reeds geurgevoelige objecten van derden aanwezig zijn. Deze bestaande geurgevoelige objecten zijn daarmee maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende veehouderijen.

5.6.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1

Natura 2000 In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 5,2 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle

ontwerp

43

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting.

Zowel voor de aanleg- als gebruiksfase zijn er stikstofdeposities gemeten. In geval van voorgenomen ontwikkeling is hiertoe gebruik gemaakt van het intern salderen. Hierbij wordt de bestaande op te heffen situatie (bemesting van de gronden) vergeleken met de aanlegfase en de toekomstige gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat er voor zowel de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van een meetbare toename van de stikstofdeposities. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling, ten aanzien van stikstof, niet vergunningsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.7.1.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op minimaal 1,9 kilometer afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1

Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

5.7.2.2

Situatie plangebied In voorliggend geval is ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 6 van deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten en tot een weinig geschikt leefgebied voor beschermde dieren. De randzone te noorden en oosten van het plangebied vormt

44

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

functioneel leefgebied van andere grondgebonden zoogdiersoorten, vleermuizen en amfibieën. Als gevolg van het bouwrijp maken van het plangebied, wordt mogelijk een vaste rusten voortplantingsplaats van veldmuizen beschadigd en vernield en wordt mogelijk een veldmuis gedood. Voor het beschadigen en vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling. Dat geldt echter niet voor het (opzettelijk) doden van veldmuizen. Indien gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode (zoals Stadswerk), is geen sprake van overtreding van een verbodsbepaling en hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 5.7.3

Conclusie Er worden geen negatieve effecten op het NNN en de Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1

Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2

Situatie plangebied De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart geeft het plangebied de aanduiding 'lage verwachting' (zie afbeelding 5.4). Ten aanzien van de 'lage verwachting' geldt een archeologisch onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte van groter of gelijk aan 10 hectare. Hiermee wordt de onderzoekgrens van 10 hectare niet overschreden. Gelet op het vorenstaande wordt uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Ter bescherming van eventuele archeologische waarden wordt de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3' overgenomen van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente".

ontwerp

45

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Afbeelding 5.4: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: gemeente Hof van Twente) 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1

Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.8.2.2

Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.8.3

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

46

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden 'Borkeld' is gelegen op circa 5,2 kilometer afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening (Bijlage 5) is gebleken dat de ontwikkeling na interne saldering niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

5.9.2.2

Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

ontwerp

47

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein; De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: Een activiteit die betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Een activiteit met een bedrijfsvloeroppervlakte van 20 hectare of meer. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan (toename bedrijventerrein oppervlakte 3 hectare) geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting.

Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 5.9.3

Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

48

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 2022-2027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP.

In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. In het NWP worden de voor het waterbeleid relevante nationale belangen uit de NOVI en de toepassing van de afwegingsprincipes hierbij, verder uitgewerkt. Verder geeft het NWP uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en overstromingsrisico’s.

6.1.2

Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

6.1.3

Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan/-programma opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater

ontwerp

49

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 6.1.4

Waterplan Hof van Twente Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Regge en Dinkel en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort. Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.

Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2

Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Uit de watertoets volgt dat de ‘normale procedure' van toepassing is. De watertoets en de standaard waterparagraaf behorende bij de procedure 'normale procedure' is opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het volledige waterhuishoudkundig plan is opgenomen in Bijlage 9. Hierna wordt aangegeven op welke wijze vormgegeven kan worden om een duurzaam gescheiden watersysteem ter plaatse van het plangebied te realiseren.

50

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Waterberging Afwikkeling hemelwater Voor dit bedrijventerrein wordt er onderscheid gemaakt tussen de manieren hoe het hemelwater wordt afgevoerd. Het water wat op de daken valt, wordt gescheiden afgewikkeld via een schoonwaterafvoer-systeem (SWA). Het SWA gaat na berging en infiltratie op eigen terrein naar oppervlaktewater. Het terreinhemelwater in het gebied wordt afgevoerd middels een VGS 2.0-stelsel in de openbare weg. Capaciteit Het RWA-riool in Zenkeldamshoek fase 2a is zo gedimensioneerd dat maximaal 45% van de uitgeefbare grond als terreinverharding worden bestemd en aangesloten mag worden op het RWA-riool. De kavels mogen maximaal 80% bebouwd worden, van het dakwater (SWA) dient 20 mm geborgen en geïnfiltreerd te kunnen worden op eigen terrein. In onderstaande tabel is weergegeven wat op eigen terrein aan water geborgen dient te worden en wat maximaal op het riool aangesloten kan worden.

Het SWA-bergingssysteem op eigen terrein stort bovengronds over in de watergang rondom het bedrijventerrein. Berekening berging SWA Wanneer 80% van alle kavels bebouwd wordt is er 30.483 m2 verhard. Met de bergingseis van 55 mm levert dit 1.677 m3. Op eigen terrein word de eerste 20mm (610 m3) geborgen. Hiervoor is een bergingslocatie benodigd met een capaciteit van 1.067 m3. De locatie is aan drie zijden omzoomd door een watergang. In deze watergang wordt de resterende berging van (55-20= 35mm) gerealiseerd. De drie watergangen zijn samen 620 meter lang. Wanneer deze aangelegd en of opgeschoond worden tot/met een slootbodembreedte van 1,00 meter en taluds 1:2 dan kan met een waterdiepte van 0,90 meter 1.150 m3 geborgen worden. Hiermee wordt voldaan aan de bergingseis. Een doorsnede hiervan is weergegeven in onderstaande afbeelding.

ontwerp

51

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Afbeelding 6.1 Principe doorsnede watergang (Bron: Smit Civiele Techniek BV) HWA-stelsel De HWA-riolering heeft conform het ontwerp van Zenkeldamshoek 2a een diameter van 500 mm. Deze is gedimensioneerd aan de hand van maximaal 45% verhard oppervlak van de kavels (17.147 m2) en 100% verharding in de openbare ruimte (1.800 m2). De riolering maakt deel uit van een verbeterd gescheiden rioolstelsel plus systeem (VGS 2.0). De dimensionering hiervan is beschreven in de laatste paragraaf van het hoofdstuk VWA-stelsel. De riolering in fase 2a is zo gedimensioneerd dat een overstort in fase 2b niet essentieel is. VWA-stelsel Het vuilwaterriool (VWA) sluit evenals het HWA-riool aan op de streng (250 mm) in Zenkeldamshoek 2a. Deze voert onder afschot af naar het rioolgemaal aldaar. Het VWA-riool is zal hier ook uitgevoerd worden als rond 250 mm PVC. Voor het bedrijventerrein (3,8 ha) is gerekend met een afvalwaterprognose voor 'droge industrie' van 0,5 m3/uur/hectare. In onderstaande afbeelding is de te realiseren HWA- (blauw) en VWA-riolering (rood) schematisch weergegeven. Deze sluiten aan op de riolering in Zenkeldamshoek 2a. VGS 2.0 Zenkeldamshoek 2b sluit aan op het riool(gemaal) van Zenkeldamshoek 2a. Omdat het rioolstelsel een 'verbeterd gescheiden riool plus systeem' is (VGS 2.0), is in deze paragraaf een onderbouwing van de dimensionering hiervan beschreven.

Bij een VGS 2.0 gaat het erom dat alleen de first flush wordt verpompt. Na de first flush vult het hemelwaterriool, afhankelijk van de neerslaggebeurtenis, om daarna over te storten op het watersysteem. Na afloop van de bui zakt het peil uit tot het overstortniveau en moet de resterende bergingsinhoud worden leeggepompt naar het oppervlaktewater. Evenals een VGS-stelsel heeft een VGS 2.0 een pompovercapaciteit en een interne berging. Voor Zenkeldamshoek 2b is als pompovercapaciteit 1 millimeter over het aangesloten oppervlak gerekend. Naar mate de bouw vordert wordt het ingestelde debiet vergroot zodat altijd niet meer dan 1 mm wordt verpompt. In het totale regenwaterstelsel van Zenkeldamshoek is 63 m3 bergingsinhoud aanwezig, dit is bij een aangenomen 4,86 ha aangesloten weg- en terreinverharding 1,3 mm bergingsinhoud. De gemaalopstelling inclusief aansturing van het VGS 2.0 en de dimensionering van de persleiding naar RWZI Goor worden in een aparte ontwerpnota in samenwerking met de gemeente nader uitgewerkt.

52

ontwerp

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planopzet

Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

7.2

Opbouw van de regels

7.2.1

Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Dit bestemmingplan is opgesteld conform de normen van de SVBP 2012 (Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012). De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.

7.2.2

Inleidende regels

7.2.2.1

Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

7.2.2.2

Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt de digitale verbeelding.

ontwerp

53

Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2021, herziening fase 2b

7.2.3

Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a: Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd. Afwijken van de gebruiksregels: Deze afwijking geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van functies die in eerste aanleg strijdig zijn met de bestemmingsomschrijving of de specifieke gebruiksregels;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/3975/documents/55608