CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM-omgevingsplan Winterkamperweg 24a-26 Toelichting

Gemeenteraad 15 september 2026, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 10: TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo21.224 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu -) invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Deze grondslag is terug te vinden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ten behoeve van het onderhavige plan zijn de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten uitgewerkt. Deze aspect en komen in navolgende paragrafen aan bod. Daarbij wordt per omgevingsaspect eerst het algemene kader beschreven en komt vervolgens de toetsing aan het plan aan bod. 4.1 M.e.r.-beoordeling Algemeen Onderdeel van de beoordeling of toelichting volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet en afdeling 11.1 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een plan -mer-plichtig of mer -beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.1 van het Omgevingsbesluit. Een plan -m.e.r. is verplicht als het plan/programma kaderstellend is voor m.e.r. - (beoordelings)-plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van natuurwetgeving. In twee situaties dient een plan-mer-beoordeling opgesteld te worden: 1.

Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V van het omgevingsbesluit, maar het gaat om een kleine wijziging van een plan of een plan voor kleine gebieden op lokaal niveau. Toetsing Voor de vraag of sprake is van een m.e.r -(beoordelings)plichtig besluit dient allereerst te worden gekeken naar de omschrijving in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien met het initiatief geen sprake is van een project als in kolom 1 va n bijlage V is geen sprake van een m.e.r. -(beoordelings)plicht. In die zin is het Omgevingsplan geen kaderstellend plan voor het besluit. Bovendien is geen sprake van een situatie waarvoor een passende beoordeling opgesteld dient te worden op grond van natuurwetgeving. Aangezien het plan niet mer -plichtig is, dient beoordeelt te worden of een plan -mer- beoordeling uitgevoerd moet worden. De plan-mer-beoordeling is enkel noodzakelijk indien Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 29 sprake is van een plan dat kaderstellend is voor projecten die niet zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar die wel milieueffecten kunnen hebben.

Uit onderhavige onderbouwing (en navolgende paragrafen) volgt dat het voornemen niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen, mede door een beperkte aard en omvang van het initiatief. Derhalve is een mer-beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Uit onderhavige motivering blijkt dat de gevolgen, van het uitvoeren van de activiteit, op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer - (beoordelings)rapportage. 4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Bij omgevingsplanactiviteit zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: • worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde functie; • worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; • in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 30 Toetsing plan Met onderhavig initiatief wordt het veehouderijbedrijf definitief gestaakt en wordt de locatie herontwikkeld naar een agrarisch erf met behoud van de bedrijfswoning en functiewijziging van de tweede bedrijfswoning naar plattelandswoning. Er is sprake van een afname van het bebouwd- en verhard oppervlak en er wordt voorzien in een nieuwe landschappelijke inpassing. In het kader van het ETFAL -principe is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd.

Voor een gedetailleerde weergave zie bijlage 3. Uit het uitgevoerde vooronderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • Binnen de gemeente Hof van Twente worden boerenerven per definitie als verdacht beschouwd vanwege de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreinigingen en gelden alle akkers en weilanden als asbestverdacht. • De bovengrondse dieseltank wordt beschouwd als een potentiële bron van bodemverontreiniging. • De vml. locatie van de luchtwasser met spuiwater wordt beschouwd als een potentiële bron van bodemverontreiniging. • De vermoedelijke vml. druppelzones worden beschouwd als een potentiële bron van bodemverontreiniging. • Op basis van de beschikbare informatie wordt het milieuhygiënisch verwachtingsbeeld van de bodemgevoelige locatie als verdacht aangemerkt. Kortom, geadviseerd wordt tot het uitvoeren van een verkennend bodem - en asbestonderzoek volgens de NEN5740/NEN5707. Eind april 2026 is dit onderzoek uitgevoerd op locatie. Voor een gedetailleerde weergave zie bijlage 3. Uit het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • Tijdens het veldwerk zijn geen zintuiglijke indicaties waargenomen die duiden op bodemverontreiniging. In de onderzochte grond(meng)monsters zijn geen concentraties aangetoond boven de geldende normwaarden.

De onderzochte grond voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur en voldoet aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. • De vooraf gestelde hypothese dat de gehele locatie als onverdacht wordt beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten aangenomen. • Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vooraf gestelde hypothese verworpen dat de bovengrondse dieseltank met spoelplaats, de voormalige bovengrondse dieseltank en de voormalige luchtwasser met opslag van spuiwater hebben geleid tot een plaatselijke bodemverontreiniging. • Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de fijne als de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetoond. • De tevoren gestelde hypothese ‘De druppelzone en het overige terrein kan op basis van het vooronderzoek als verdacht op asbest worden beschouwd’ dient te worden verworpen. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 31 Uit milieuhygiënisch oogpunt bestaat er geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen directe risico’s voor de volksgezondheid en de bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en voorgenomen gebruik.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat in verband met de sanering van de veehouderij en de wijziging van de functie van de locatie, in relatie tot de onderzoeksresultaten, er sprake is van een evenwichtige toedeling van func ties aan locaties. Het onderdeel bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.2.2 Akoestiek In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) . Algemeen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven.

Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenw ichtige toedeling van functies aan locaties. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 32 Toetsing plan In onderhavig geval is geen sprake van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw. De bestaande bedrijfswoning behorende tot Winterkamperweg 26 blijft ongewijzigd. De bedrijfswoning nummer 24a wordt qua functie gewijzigd naar plattelandswoning.

Een plattelandswoning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. De afstand van de dichtstbijzijnde weg naar de plattelandswoning bedraagt enkele tientallen meters. Op grond van artikel 74, lid 1, sub b van de Wgh bedraagt de geluidszone van een we g bestaande uit een of twee rijstroken 250 meter. De locatie is dus gelegen binnen de geluidzone. In het kader van het inzichtelijk maken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is wel de bestaande geluidbelasting op locatie inzichtelijk gemaakt. Dit is 56 dB en ruim onder de voorkeursgrenswaarde. Ter impressie zie navolgende afbeelding. Echter omdat de Wet geluidhinder geen onderscheid maakt tussen bedrijfswoning, woning, plattelandswoning, er reeds sprake is van een woonfunctie op locatie is de ‘woning’ binnen de Wgh reeds gelegaliseerd. De ligging van de planlocatie ten opzichte van de nabije weg vormt derhalve geen belemmering. Het plangebied is voor het overige niet gelegen binnen een geluidszone van industrie en spoorwegen. Voor wat betreft de richtafstanden ten aanzien van geluid zie paragraaf 4.2.5 milieuzonering. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.2.3 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

Afbeelding 13 Uitsnede kaart ‘Geluid in Nederland’ Atlasleefomgeving met marker (blauw) plattelandswoning Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 33 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens dez e regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.

Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3% -grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM -tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aa n de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Als de 3% grens voor NO2 en PM10 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op basis van de NIBM -tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 34 Toetsing plan Met onderhavig initiatief wordt het veehouderijbedrijf definitief gestaakt en wordt de locatie herontwikkeld naar een agrarisch erf met behoud van de bedrijfswoning en functiewijziging van de tweede bedrijfswoning naar plattelandswoning. Als de 3% grens voor NO2 en PM10 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op basis van de NIBM -tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Gelet op het aantal verkeersbewegingen zoals opgenomen in paragraaf 4.3.4 is er geen sprake van een toename van 1.450 extra voertuigbewegingen per dag op locatie. Derhalve kan worden gesteld dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de heersend e luchtkwaliteit. Uitgaande van het worst -case scenario van onderhavig plan wordt de 3% grens niet overschreden.

Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situatie s moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • Bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ • Bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • Bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Het plangebied is niet gelegen in een aandachtsgebied zoals opgenomen in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Derhalve hoeft in dit kader geen nader onderzoek te worden verricht naar luchtkwaliteit in het kader van onderhavig planvoornemen. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang.

De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 35 In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie - en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM 2,5 in 2023 ter plaatse tussen 5 en 8 µg/m³, de concentratie PM 10 tussen 12 en 14 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 8 en 10 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Het voorgenomen initiatief is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit het Bkl. 4.2.4 Externe veiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activi teit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen.

Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties

Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 36 wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl) . Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand - of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art.

5.14 Bkl) . Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel: het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Specifieke situaties Bkl Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par.

5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 37 Toetsing plan Er moet getoetst worden aan regels omtrent externe veiligheid wanneer sprake is van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning gewijzigd naar een plattelandswoning. Daarnaast wordt een intensief veehouderijbedrijf gestaakt en gewijzigd naar een akkerbouwbedrijf. In het kader van het inzichtelijk maken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn wel de activiteiten ten aanzien van externe veiligheid in de omgeving van de locatie inzichtelijk gemaakt. Ter impressie zie navolgende afbeelding. In de omgeving van Winterkamperweg 24a – 26 zijn geen transportroutes of buisleidingen, gelegen die, gezien de aard en omvang van het planvoornemen, van invloed zijn op onderhavige locatie. De afstand tot Rijksweg A1 bedraagt 1,9 km hemelsbreed.

Op 1,5 km afstand is een locatie gelegen met risicovolle activiteiten. Het betreft locatie Winterkamperweg 9b waar een bovengrondse propaantank aanwezig is. Gezien de aard en omvang van deze risicovolle activiteit versus de afstand ten opzichte van onderhavig plangebied vormt de ligging geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Kortom, de aanwezige functies in de omgeving zijn op voldoende afstand gelegen en zijn niet van invloed op de locatie. Onderhavige ontwikkeling is tevens niet van invloed op de gebruiksmogelijkheden van deze \functies en activiteiten. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Afbeelding 14 Uitsnede kaart ‘Externe veiligheid’ Atlas Leefomgeving met aanduiding plangebied (blauwe marker) Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 38 4.2.5 Milieuzonering In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect milieuzonering. Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden daardoor het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd.

Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen), kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige functies ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgesteld voor de toelating van milieuhinderlijke activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Milieuzonering maakt het mogelijk om de regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke activiteiten. In aanvulling op de standaard gebiedsgerichte instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bal kan het omgevingsplan voorzien een extra set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Deze aanvullende regels vloeien voort uit de systematiek voor milieuzonering in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). De VNG heeft deze handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ in oktober 2024 opgesteld.

Deze handreiking vervangt de veelgebruikte publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Hoewel de basisprincipes van milieuzonering hetzelfde blijven, is de nie uwe handreiking wezenlijk anders dan de systematiek in de uitgave uit 2009. Zo wordt in de nieuwe systematiek niet meer getoetst aan de aspecten stofhinder en gevaar, maar enkel nog aan geluid en geur. Voor een aantal situaties en gebieden is de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ niet aan de orde: - Industrieterreinen (geluid): In deze gebieden zijn vaak zwaardere industrieën gevestigd, daarom geldt hier op grond van het Bkl een aparte geluidregeling; - Milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied; - Milieuthema’s die al op een andere wijze geregeld zijn: o Luchtverontreiniging o Externe veiligheid en gevaar o Trillinghinder o Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied o Lichthinder en spuitzones o De hinder door verkeer aantrekkende werking Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 39 - Zware activiteiten die niet direct worden toegelaten: het gaat hier bijvoorbeeld om het exploiteren van een IPPC -installatie of projecten waarvoor een mer - (beoordelings)plicht geldt met een omgevingsvergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal.

Functiescheiding door uitwaartse en inwaartse zonering: Bij uitwaartse zonering wordt gezoneerd vanuit de milieuhinderlijke functies. Dit betekent dat er in een zone rondom het werkterrein milieugevoelige functies moeten worden geweerd. In het geval van inwaartse zonering vindt de zonering plaats vanuit de milieugevoelige activiteiten en daarbij zones met gebruiksruimte voor geluid en geur aan te houden per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit: hoe groter de afstand tot de milieugevoeli ge functie, hoe groter de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur kan zijn. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke activiteiten meer of minder gebruiksruimte. In de nieuwe handreiking wordt uitgegaan van inwaartse zonering. Voortzetting onderscheidt gemengd gebied met wonen en rustig woongebied Zoals gebruikelijk was in de ruimtelijke ordening onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt ook onder de nieuwe systematiek onderscheid gemaakt tussen twee soorten woongebieden: gemengde gebieden met wonen en rustige woongebieden. Nabij een rustig woongebied wordt de beschikbare gebruiksruimte per activiteit lager gesteld dan nabij een gemengd gebied met wonen. Hierbij staat dus een extra bescherming van een rustig woongebied ten opzichte van gemengd gebied met wonen centraal.

Buitengebied Ook in het buitengebied komen activiteiten voor met gebruiksruimte voor geluid en geur. De systematiek in de handreiking kan ook in het buitengebied worden toegepast, met als kanttekening dat de in de handreiking beschreven waarden voor geur niet gelden vo or agrarische activiteiten. Opbouw in het omgevingsplan Voor het reguleren van onder meer geluid - en geurbelasting door milieuhinderlijke activiteiten kunnen door gemeenten drie elkaar aanvullende sets van regels in het nieuwe omgevingsplan worden opgenomen: algemene bepalingen, standaard (gebiedsgerichte) omgevingsplanregels en aanvullende gebiedsgerichte omgevingsplanregels. Voor het goed functioneren van de regelingen voor geluid en geur zijn in het omgevingsplan aanwijzingen nodig. Zo kan een gebied bijvoorbeeld aangewezen worden als ‘bedrijventerrein’ en wo rden de grenzen tussen ‘gemengd gebied met wonen’ en ‘rustig woongebied’ aangewezen. Ook kunnen zones worden opgenomen voor geur en geluid: basis – beperkt – verruimd. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI -code en de daarbij horende richtafstanden.

‘Activiteiten en Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 40 milieuzonering’ stuurt strakker op de gewenste omgevingskwaliteit, omdat getoetst wordt aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. Geluid Voor aspect geluid wordt onderscheid gemaakt tussen een drietal zones met oplopende geluidsruimte. De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geluid als volgt omgezet naar zones, waarden en afstanden: Tabel 2 VNG - aspect geur in rustig en gemengd woongebied Tabel 2 VNG - aspect geluid in rustig woongebied Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 41 Geur De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geur zoals onderstaande tabel laat zien, omgezet naar zones, waarden en afstanden. Zoals eerder toegelicht valt, omdat een groot aantal thema’s al op een andere wijze afdoende gereguleerd is, geur d oor agrarische activiteiten niet onder deze toetsing. Toetsing In lijn met het staken en het saneren van de veehouderij wordt voorzien in een nieuwe toekomstige invulling.

Door het staken van de veehouderij activiteiten neemt de bedrijfsomvang af en milieubelasting af, namelijk van een intensieve veehouderij naar een agrarisch bedrijf met 15 ha grond in eigendom en enkele hobby landbouwhuisdieren. Hierdoor is er geen sprake meer voor voldoende werk voor twee huishoudens. In dit kader wordt in voorliggend plan de tweede bedrijfswoning #24a qua functie gewijzigd naar plattelandswoning. De plattelandswoning wordt op grond van de instructieregels in het Bkl beschouwd als een onderdeel van de eigen bedrijfsactiviteiten, zodat de woning niet wordt beschermd tegen milieugevolgen van dat bedrijf. Derhalve vormt het bedrijf Winterkamperweg 26 geen belemmering voor het initiatief en vormt de plattelandswoning Winterkamperweg 24a geen belemmering voor de bedrijfsvoering ter plaatse van Winterkamperweg 26 . De plattelandswoning Winterkamperweg 24a , als zijnde voormalige bedrijfswoning, betreft daarentegen een milieugevoelige functie. Medewerking aan het plan is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de plattelandswoning bedrijven in de omgeving niet in haar activiteiten frustreert.

Allereerst vormt i n het kader van het planvoornemen het agrarisch bedrijf Winterkamperweg 26 geen belemmering voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en belemmerd deze ontwikkeling bedrijven in de omgeving niet in haar activiteiten en Tabel 3 VNG - aspect geluid in gemengd woongebied Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 42 ontwikkelingsmogelijkheden. Immers neemt de milieubelasting op locatie Winterkamperweg 26 af waardoor de leefomgevingskwaliteit verbeterd in de omgeving. De dichtstbijzijnde gelegen externe milieubelastende activiteiten betreft Winterkamperweg 28 - 28a te Markelo. Deze dichtstbijzijnde gelegen activiteit is gelegen op 170 meter afstand. Het betreft een agrarisch melkveebedrijf. Tot dit bedrijf behoort ook de dichtstbijzijnde gelegen milieugevoelige functie, namelijk de bedrijfswoning behorende tot het bedrijf. Gezien de activiteiten, de milieubelasting van melkveebedrijven (100 meter afstand) versus de werkelijke afstand à 170 meter vormt de ligging van de plattelandswoning geen belemmering ten opzichte van de ontwikkelingsmogelijkheden van dit bedrijf. Overige bedrijven en overige milieugevoelige functies zijn op grotere afstand gelegen ten opzichte van onderhavig plangebied.

Verder zal op locatie naar verwachting sprake zijn van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat ten aanzien van omliggende activiteiten en functies. Gezien de beperkte aard en omvang, in relatie tot de afstand, wordt in lijn met voorgaande motivering geen belemmering verwacht ten aanzien van het woon - en leefklimaat op locatie Winterkamperweg 24a en wordt geen belemmering verwacht ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van Winterkamperweg 26. Conclusie Gelet op bovenstaande motivering en de richtafstanden zal op locatie derhalve sprake zijn van een goed woon - en leefklimaat en zullen de bedrijfsvoeringen ter plaatse van omliggende bedrijven door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd worden in haar ontwikkelingsmogelijkheden. 4.2.6 Geurhinder In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke Omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worde n meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg.

Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 43 Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie - en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. Het bevoegd gezag bepaalt hierbij zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor.

De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over geurnormen in het omgevingsplan, rekenen, afstandseisen en randvoorwaarden. Voor landbouwhuisdieren geldt een afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom en een afstand van 100 meter. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan. Toetsing plan De gemeente beschikt nog niet over een Omgevingsplan waarin de instructieregels uit het Bkl met betrekking tot geur zijn verwerkt. Daardoor gelden de geurnormen uit de Bruidsschat (zie paragraaf 22.3.6 van het “Omgevingsplan gemeente Hof van Twente ”). De gemeente Hof van Twente heeft geen eigen geurverordening. Tabel 4: Normen voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 44 Het plangebied en de omliggende (geurgevoelige) objecten zijn gelegen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Dit buitengebied maakt onderdeel uit van het concentratiegebied ‘Oost’.

In onderhavig plan is uitsluitend sprake van een planologische functiewijziging, waaronder de omzetting van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning. De dichtstbijzijnde gelegen veehouderij binnen een straal van 500 meter rondom de initiatieflocatie betreft een melkveehouderij op locatie Winterkamperweg 28 - 28a te Markelo. Gezien de afstand en de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling leidt voorliggende ontwikkeling niet tot een belemmering. Op locatie zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Het project voldoet dus aan de eisen van het Bkl. Mest- en voeropslagen Daarnaast gelden nog de afstandscriteria voor ‘geur door andere agrarische activiteiten dan het huisvesten van dieren’. Deze worden genoemd in §. 5.1.4.6.4 van het Bkl. Het gaat dan om mogelijk geurhinder veroorzakende activiteiten zoals composteren of de opslag van mest: t/m 600 m3 vaste mest/champost/dikke fractie of mestbassins t/m 750 m2 of meer dan 2.500 m3 aan inhoud. Binnen 100 meter van het plangebied bevindt zicht één veehouderij, namelijk Winterkamperweg 28 - 28a te Markelo . De beoogde plattelandswoning ligt op grotere afstand dan de geëiste 100 meter. Er kan daarom worden constateert dat de genoemde afstanden worden gerespecteerd.

Conclusie Gelet op bovenstaande motivering zal op locatie derhalve sprake zijn van een goed woon - en leefklimaat en zullen de bedrijfsvoeringen ter plaatse van omliggende bedrijven door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd worden in haar ontwikkelingsmogelijkhede n. 4.2.7 Trillingen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 45 omgevingsplan.

Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Toetsing plan Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.8 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Toetsing Handreiking Veehouderij en volksgezondheid 2.0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016).

Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: • Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt; • Bedrijfsontwikkeling op alle varkens - en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Bedrijfsontwikkelingen in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijnstof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 46 • Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstof-endotoxine

emissie van de veehouderij; • Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie. Veehouderijen De woning ligt op voldoende afstand van omliggende veehouderijen om een goed woon - en leefklimaat te kunnen garanderen. Ten opzichte van het eigen bedrijf geldt dat plattelandswoningen niet gezoneerd hoeven te worden ten opzichte van de eigen inrichting. Geitenhouderijen Uit het VGO -2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Spuitzones Doordat het plangebied is gelegen in het buitengebied is het in het kader van het aspect volksgezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële (onaanvaardbare) risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift. Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terechtkomen (verwaaien). Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. Of er sprake is van een gevoelige functie kan mede afgeleid worden uit de vaste jurisprudentie.

Hieruit volgt dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object of ter plaatse van de betreffende functie mensen langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een grotere kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object. Dat is bijvoorbeeld het geval bij woningen, kantoren en tuinen. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies[1], zoals woningen. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit de ze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van vijftig meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ‘niet onredelijk wordt geacht’. [1] Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object, ter plaatse van de betreffende functie, mensen langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een grotere kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object. Dat is bijvoorbeeld het geval bij kantoren, tuinen, kampeerterreinen, recreatiewoningen.

Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 47 Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. [2] Echter, het gebruik van rekenmodellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. [3] In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. [4] De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn voormalige wetten onder één wet komen te vallen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevatte de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendie n bevatte het Activiteitenbesluit milieubeheer regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten).

Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervla ktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden. De functie van landbouwpercelen kan de teelt van akkerbouwgewassen, grasland, boomteelt of fruitteelt zijn. Als de functie fruitteelt ingevuld wordt, is de drift van gewasbeschermingsmiddelen hoger dan wanneer boomteelt plaatsvindt. Drift in de fruitteelt is door de aard van de bespuitingen (opwaarts en zijwaarts gericht) en door de hoge spuitfrequentie, het meest intensief van alle teelten. Bij laanbomenteelt wordt ook op- en zijwaarts gespoten, maar minder intensief. In bijvoorbeeld de lage bomenteelt wordt voornamelijk neerwaarts gespoten. Deze spuittechniek (neerwaarts gericht spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht, dan op- of zijwaartse bespuitingen. Met de voorgenomen ontwikkeling is er enkel sprake van een functiewijziging die plaatsvindt binnen het bestaande agrarische erf. De intensieve veehouderij wordt gestaakt en gewijzigd naar een kleinschalig agrarisch bedrijf. De bestaande bedrijfswoning Winterkamperweg 26 blijft behouden en ongewijzigd. De bedrijfswoning Winterkamperweg 24a wordt enkel qua functie gewijzigd naar een plattelandswoning.

Dit woonhuis zal niet worden verbouwd, vergroot of verplaatst. Er zullen dus in het kader van het planvoornemen ten aanzien van de plattelandswoning geen gebouwelijke ontwikkelingen plaatsvinden. In dit geval is er sprake van een bestaande woonsituatie. Dit betekent dat het gebouw niet wordt uitgebreid of verplaatst dichterbij [2] ABRS 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2340, r.o. 7.6. [3] ABRS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523; zie ook ABRS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2959 en ABRS 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303. [4] ABRS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:865 en ABRS 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1085. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 48 omliggende agrarische gronden. Door de functiewijziging treedt geen belemmering op voor omliggende gronden. Rondom het plangebied zijn daarnaast geen landbouwgronden in gebruik voor open teelten van sierplanten, bomen, boomgaarden of fruitteelt (teelten waar de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen relevant is). De gronden zijn namelijk in gebruik als grasland, of akkerbouwland.

Gelet op de aard en omvang van het voornemen, de minimale afstand van 50 meter tot open teelten van sierplanten, bomen, boomgaarden of fruitteelt, is er ten gevolge van het aspect spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen geen sprake van onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s. Tevens leidt het plan niet tot een uitbreiding van de bestaande bouwmogelijkheden, waardoor geen bebouwing dichter bij spuitzones mogelijk wordt gemaakt. Het planvoornemen wordt ten aanzien van dit aspect aanvaardbaar geacht. Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige ontwikkeling zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen met een beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanuit aspect gezondheid bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen . 4.2.9 Duurzaamheid en klimaat In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid. Algemeen Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoetkomt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.

Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energi etransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zi jn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 49 vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels. Toetsing plan Het veehouderijbedrijf op locatie wordt gestaakt door deelname aan de Lbv -regeling. De bebouwingsmogelijkheden voor het akkerbouwbedrijf blijven behouden, maar door sloop van tenminste 1.128 m² vindt er een afname in bebouwing plaats. Hierdoor neemt de verstening in de groene omgeving af.

Door het staken van de veehouderij activiteiten neemt de bedrijfsomvang af. In dit kader wordt in voorliggend plan de tweede bedrijfswoning #24a qua functie gewijzigd naar plattelandswoning. Er is sprake van een afname van bebouwd oppervlak en er wordt voorzien in een nieuwe landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing biedt hierbij meekoppelkansen voor het verbeteren van de biodiversiteit op locatie en in de omgeving. Initiatiefnemer draagt met de toekomstige inrichting van het erf in algemene zin bij aan klimaatadaptatie, door onder andere de landschappelijke inpassing, hemelwaterberging en een afname van bebouwd oppervlak. Het initiatief is een verbetering voor het klimaat. Met het totale plan wordt er voldaan aan het principe van duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid en klimaat is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 50 4.3 Fysieke aspecten 4.3.1 Cultureel erfgoed In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit wordt onderverdeeld in de aspecten ‘Archeologie’ en ‘Cultuurhistorie ’.

4.3.1.1 Archeologie Algemeen Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 medeondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Omgevingswet. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de br uidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of Rijks beschermd stads - en dorpsgezicht. Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden.

Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst. Toetsing plan Uit het omgevingsplan gemeente Hof van Twente, onderdeel "Buitengebied Hof van Twente', blijkt dat er een archeologische verwachting op het plangebied ligt. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Onderzoek is niet noodzakelijk indien het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut, of indien geldt dat voor het bouwen geldt dat er geen ingrepen dieper dan 40cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5 000 m² worden verricht. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 51 In voorliggend project wordt het veehouderijbedrijf op locatie gestaakt. De bebouwingsmogelijkheden voor het akkerbouwbedrijf blijven behouden, maar door sloop van tenminste 1.128 m2 vindt er een afname in bebouwing plaats. Hierdoor neemt de verstening in de groene omgeving af. Door het staken van de veehouderij activiteiten neemt de bedrijfsomvang af.

In dit kader wordt in voorliggend plan de tweede bedrijfswoning #24a qua functie gewijzigd naar plattelandswoning. Gezien de beperkte grondactiviteiten op locatie, die de oppervlakte norm niet overschrijden, wordt nader archeologisch onderzoek daarom niet noodzakelijk geacht. Met de ontwikkeling zullen derhalve geen belemmeringen zijn ten aanzien van archeologie. Conclusie Vanuit het sub aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.3.1.2 Cultuurhistorie Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads - en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De provincie Overijssel hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Toetsing plan Er bevinden zich ter plaatse van het projectgebied geen Rijks - dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid hiervan is eveneens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Het plan is niet van negatieve invloed op cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Motivering ten behoeve van: TAM-Omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22af Winterkamperweg 24a/26 Markelo 52 Conclusie Vanuit het sub aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.3.2 Ecologie Algemeen Natuurwetgeving Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming.

Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming va n aangewezen Natura 2000 -gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds - en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit t wee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel - en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000 -gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000 -gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevings plan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4303/documents/60632