CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Enterbroekweg 8-10 Markelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 7 oktober 2025, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 14: Gewijzigd vaststellen TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo19.855 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht. Vanuit het aspect 'Plan milieueffectrapportage' zijn geen belemmeringen voor voorliggend plan.

4.2

Milieubelastende activiteiten De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd. In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis. Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's.

Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden. Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. De VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gaat uit van zones die die bij een grotere afstand tot gevoelige functies en locaties (bijvoorbeeld wonen) uitgaat van een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Daarbij staat het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Bkl waar 'gebruiksruimte' een belangrijk begrip is (zie paragraaf 3.3 "Sturen op de verdeling van gebruiksruimte onder de Omgevingswet" van de Nota van toelichting bij het Bkl. De gebruiksruimte van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) is de milieuruimte die een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van de bedrijfsvoering.

Toets In het voorliggende plan worden onder andere twee woningen toegevoegd, een ligboxenstal uitgebreid ten behoeve van het manege bedrijf en wordt een recreatiefunctie omgezet naar een sportfunctie waar het manege bedrijf is toegestaan. Woningen zijn milieugevoelige functies, waardoor moet worden nagegaan of ter plaatse van deze functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hoewel deze functies dus beschermd worden, mogen ze bestaande milieubelastende functies ook niet belemmeren in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. Daarnaast mogen bestaande milieugevoelige functies zoals woningen, niet belemmerd worden door nieuwe milieubelastende functie. Om dit te toetsen, worden de richtafstanden uit de

ontwerp

31

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

VNG-uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' gehanteerd. De dichtstbijzijnde bestaande milieugevoelige functies zijn de woningen aan de Enterbroekweg 6, 1 en 1a. Op dit moment is op Enterbroekweg 8 een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Voor het houden van rundvee hoort volgens de VNG uitgave 'Milieuzonering nieuwe stijl' al een milieucategorie van 3 met een richtafstand van 100 meter voor geur. Voor paardenhouderijen alszijnde grondgebonden agrarisch bedrijf geldt een richtafstand van 50 meter voor geur. Als er gekeken wordt naar de nieuwe functie die middels voorliggend plan mogelijk wordt gemaakt, dan geldt voor een manege een richtafstand van 50 meter voor geur, en 30 meter voor de aspecten geluid en stof. Dat betekent dat de afstanden hetzelfde zijn dan wel minder erg worden als dat nu het geval is. Het plan heeft dus geen effect op het woon- en leefklimaat van de woningen aan de Enterbroekweg 6, 1 en 1a. De manege zal daarnaast effect hebben op het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen binnen het plangebied. Gezien de onderlinge afstand tussen de ligboxenstal en de oostelijke woning in de te splitsen woning minder bedraagt dan 50 meter voor het aspect geluid, en ook minder bedraagt dan 30 meter voor de aspecten geluid en stof, is voor alle aspecten onderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de schöppe die wordt omgezet naar een woning, is alleen een onderzoek nodig voor het aspect geur. Aan de afstanden van geluid en stof wordt namelijk voldaan. De onderlinge afstand tussen de schöppe en de ligboxenstal bedraagt circa 35 meter. Luchtkwaliteitsonderzoek Op 19 september 2024 is door BJZ.nu een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit het Bkl. Voor de concentratie PM2.5 en PM10 is de verwachting dat over een aantal jaar voldaan wordt aan het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Ten aanzien van het aspect stof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor een gedetailleerder inhoud van het luchtkwaliteitsonderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 5 bij deze motivering. Geuronderzoek BJZ.nu heeft ook een onderzoek verricht naar geurhinder en veehouderij op 18 september 2024. Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voorals de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de dominante veehouderij aan de Rijssenseweg 58 bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 0,4 OU E /m 3 ter plaatse van het plangebied. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting is volgens de berekening en de gegevens uit tabel 1 als ‘zeer goed’ te kwalificeren. De achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 0,72 OU E /m 3 .

Volgens tabel 1 is het woon- en leefklimaat qua achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als ‘zeer goed’. Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘zeer goed’. Op basis hiervan wordt geacht dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor een gedetailleerder inhoud van dit onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 2 bij deze motivering. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai Door Munsterhuis Geluidsadvies is op 2 januari 2025 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierin is onder andere gekeken naar industrielawaai. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 3 opgenomen bij de motivering van dit TAM-omgevingsplan. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste conclusies beschreven. Kortheidshalve wordt voor de concrete inhoud van het onderzoek verwezen naar Bijlage

32

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

3. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van een dichtstbijzijnde toekomstige woning en bestaande woning van derden het langetijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 44 en 34 dB in respetievelij de dag en avondperiode bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden uit de Bkl voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus 50 en 45 dB in respectievelijk de dag en avondperiode. Tevens blijkt dat ter plaatse van een dichtstbijzijnde toekomstige woning en bestaande woning van derden het maximale geluidniveau maximaal 70 en 54 dB in respectievelijk de dag en avondperiode bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden uit de Bkl voor het maximale geluidniveau 70 en 65 dB in respectievelijk de dag en avondperiode. Gelet op het vorenstaande waaruit blijkt dat de geluidnormen niet overschreden worden, is er sprake van een ETFAL. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect 'Milieubelastende activiteiten'geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.3

Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Toets Voor wat betreft de toetsing aan het aspect geur wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.2 en het onderzoek naar geurhinder en veehouderij opgenomen als Bijlage 2 bij deze motivering. Gebleken is dat zowel de voorgrondbelasting als achtergrondbelasting qua woon- en leefklimaat te kwalificeren zijn als 'zeer goed'. Op basis hiervan wordt geacht dat geen sprake is van geurhinder ter plaatse van de nieuwe woningen. Conclusie Vanuit het aspect 'Geur' zijn er dan ook geen belemmeringen voor voorliggend plan.

ontwerp

33

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

4.4

Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Toets Ten behoeve van voorliggend plan heeft Van der Poel B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken waren noodzakelijk, omdat het gebruik binnen het plangebied gevoeliger wordt door het toevoegen van reguliere woningen en er een schuur gesloopt wordt. Uit het verkennend bodemdonderzoek blijkt dat in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. Dat betekent dat de bodemkwaliteit van de gronden geschikt worden geacht voor het beoogde gebruik. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Uit het verkennend asbestonderzoek blijkt dat er geen asbest is aangetoond boven de detectiegrens. Dat betekent dat er geen aanleiding is om over te gaan tot nader asbest onderzoek.

Voor een gedetailleerder inhoud van de onderzoeken wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 4 bij deze motivering. Conclusie Vanuit het aspect 'Bodem' zijn geen belemmeringen voor voorliggend plan.

34

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

4.5

Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.21 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter. In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn;

ontwerp

35

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt; 5. het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt; 6. besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen. Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen Toets Met het voorgenomen plan worden er twee extra woningen mogelijk gemaakt. Aangezien woningen geluidsgevoelige gebouwen zijn en gelegen zijn in de geluidszone van een gemeentelijke weg, mag de geluidbelasting op de gevels van deze woningen maximaal 53 dB bedragen. Omdat dit op voorhand niet is vast te stellen, is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk.

Voor wat betreft spoorweglawaai en industrielawaai geldt het volgende: het plangebied ligt niet nabij spoorwegen en met betrekking tot industrielawaai is in paragraaf 4.2 al aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai Door Munsterhuis Geluidsadvies is op 2 januari 2025 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierin is onder andere gekeken naar wegverkeerslawaai. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 3 opgenomen bij de motivering van dit TAM-omgevingsplan. In de onderstaande alinea's worden de belangrijkste conclusies beschreven. Kortheidshalve wordt voor de concrete inhoud van het onderzoek verwezen naar Bijlage 3. Uit onderzoek blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van gemeentelijke wegen niet overschreden wordt ter plaatse van de gevels van de woningen. De standaardwaarde van 50 dB voor Provinciale wegen en Rijkswegen worden eveneens niet overschreden. In paragraaf 4.2 is reeds ingegaan op industrielawaai. Er is ook hiervoor een onderzoek

36

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

verricht, dat opgenomen is in het als Bijlage 3 bij deze motivering opgenomen akoestisch onderzoek. Als er naar wegverkeerslawaai en industrielawaai gezamenlijk gekeken wordt, dan blijkt dat ter hoogte van de toekomstige woningen de hoogste gezamenlijke geluidbelasting 51 dB bedraagt. Er zijn dus geen extra geluidwerende voorzieningen noodzakelijk om aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 33 dB ter plaatse van de verblijfsgebieden te voldoen. Een standaardisolatie van een gevel van een nieuw te bouwen woning is namelijk minimaal 20 dB. Conclusie Vanuit het aspect 'Geluid' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

4.6

Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. Voor vergunningsplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;

ontwerp

37

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Toets In het kader van het beoordelen van het woon- en leefklimaat binnen het plangebied is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd door BJZ.nu en als Bijlage 5 opgenomen bij deze motivering. In paragraaf 4.2 is hierover reeds een motivatie verricht. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat voorliggend plan zelf niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect 'Luchtkwaliteit' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

4.7

Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende

38

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toets Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

ontwerp

39

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas van de Leefomgeving) Op de kaart is te zien dat het plangebied buiten risicobronnen ligt en aandachtsgebieden. Er is derhalve geen nader onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect 'Omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan.

4.8

Water Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.

40

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen.

Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering.

Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de

ontwerp

41

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

ontwikkeling van een robuust watersysteem. Weging van het waterbelang in voorliggend plan Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: grondwater; oppervlaktewater; regenwater en; afvalwater. Toets Op 4 maart 2025 is een digitale watertoets uitgevoerd op de website https://hetwateradvies.nl. De watertoets is als Bijlage 6 opgenomen bij deze motivering. Door beantwoording van de vragen blijkt overleg nodig te zijn met het waterschap Vechtstromen. Voorliggend plan dient derhalve aan het waterschap voorgelegd te worden. Conclusie Vanuit het aspect 'Water' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

4.9

Natuurwaarden Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige

42

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI).

Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming.

Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Toets Natuurwaarden onderzoek Ten behoeve van voorliggend plan is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan is als Bijlage 7 opgenomen bij deze motivering. In onderstaande alinea's worden de belangrijkste bevinden / conclusies beschreven. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar de quickscan flora en fauna opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering. Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.

ontwerp

43

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteit leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkel- en gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen wél worden uitgesloten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Als gevolg van het uitbreiden van de binnenbak wordt er mogelijk een kerkuil gedood en wordt er een verblijfplaats verstoord, beschadigd of vernield. Verblijfplaatsen van kerkuilen zijn jaarrond beschermd.

Er geldt geen vrijstelling voor het doden van een kerkuil of het beschadigen en vernielen van de vaste rust- en verblijfplaats van een kerkuil. Hierom dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden waarbij wordt gekeken of de verblijfplaats verloren gaat bij de uit te voeren uitbreidingswerkzaamheden of dusdanig negatief wordt beïnvloedt dat de verblijfplaats niet meer functioneel is. Indien dit het geval is moet er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Mogelijk wordt er als gevolg het slopen van de schuren en het rooien van beplanting ook een ander bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.

Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er

44

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief wordt beïnvloed geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Nader onderzoek kerkuil Uit de quickscan flora en fauna opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering blijkt, dat als gevolg van het uitbreiden van de binnenbak er mogelijk een kerkuil wordt gedood en wordt er een verblijfplaats verstoord, beschadigd of vernield. In dat kader is een nader onderzoek uitgevoerd naar de functie van de binnenbak voor de kerkuil en opgenomen als Bijlage 8 bij deze motivering. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen potentiële nestlocaties van kerkuilen aanwezig zijn in de binnenbak. De uitvoering van de voorgenomen uitbreiding van de binnenbak leidt dus niet tot negatieve gevolgen op kerkuilen en hun verblijfplaatsen. Vermoedelijk nestelen er wél andere algemene vogelsoorten in de binnenbak. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet zonder Omgevingsvergunning fl ora - en fauna-acti viteit negatief beïnvloed worden. Hierom wordt geadviseerd de werkzaamheden uit te voeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (september tot en met februari). Stikstof Als onderdeel van gebiedsbescherming en de beoordeling van of het voorliggende plan negatieve effecten heeft voor Natura 2000-gebieden, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (AERIUS) door Engberts Adviseurs. Na invoer van de noodzakelijke gegevens in de AERIUS Calculator blijkt dat het project niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden.

Er is zelfs sprake van een afname van stikstofdepositie door een afname van de stikstofemissie afkomstig van het houden van dieren. Deze afname van stikstofdepositie kan benut worden voor het realiseren van nieuwe activiteiten op een andere locatie doormiddel van extern salderen. Ook de bouwwerkzaamheden zullen ten opzichte van de beoogde situatie niet leiden tot een verslechtering van Natura 2000-gebieden. Het AERIUS-rapport is als Bijlage 9 opgenomen bij deze motivering. Voor een gedetailleerde inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 9. Conclusie Gelet op het vorenstaande zijn vanuit het aspect 'Natuurwaarden' geen belemmeringen voor voorliggend plan.

ontwerp

45

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

4.10

Archeologie en erfgoed De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Toets Archeologie Het geldende omgevingsplan heeft aan het plangebied de functie 'Waarde Archeologische verwachting 1' toegekend. Dat betekent dat de voor deze functie aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In principe is het hierdoor niet toegestaan om op deze gronden nieuwe gebouwen te bouwen en bestaande en legale gebouwen te vergroten. Hiervan kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Een omgevingsvergunning is niet nodig als: uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn op de betrokken locatie; het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut; de voor het bouwen benodigde grondbewerkingen niet dieper zijn dan 0,40 m vanaf maaiveld of het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2. Het gebied waar de beoogde sloop- en bouwwerkzaamheden plaats zullen vinden, is ruimschoots kleiner dan 2.500 m². Dat betekent dat een omgevingsvergunning niet noodzakelijk is, evenals archeologisch onderzoek.

Erfgoed Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect 'Archeologie en erfgoed' voor voorliggend plan.

46

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

4.11

Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Toets In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig waarbij de bewegingen op de spoorweg door treinen tot trillingshinder kunnen leiden. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt in Rijssen, op een afstand van ruim 4 km.

Het RIVM(Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft hinder van trillingen gemeten bij mensen die binnen 300 meter afstand van het spoor wonen. Gelet op de onderlinge afstand met de dichtstbijzijnde spoorlijn is het daarom niet aannemelijk dat de woningen binnen het plangebied hinder zullen ondervinden van trillingen door het spoor. Tevens is het plangebied niet gelegen aan een weg waarover het vervoer van goederen door zware voertuigen plaatsvindt, waardoor trillingshinder ontstaat. De dichtstbijzijnde weg waarover het vervoer van goederen door zware voertuigen plaats kan vinden, betreft de A1 op circa 500 meter afstand ten noorden van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand wordt niet aannemelijk geacht dat er trillingen zullen ontstaan op het plangebied als gevolg van zware voertuigen op de A1. Een onderzoek naar trillingen kan gelet op het vorenstaande achterwege blijven. Conclusie Vanuit het aspect 'Trillingen' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan.

ontwerp

47

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

4.12

Verkeer / parkeren Verkeer In het kader van het beoordelen van negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden is een AERIUS uitgevoerd en opgenomen Bijlage 9 bij deze motivering. In paragraaf 4.9 is hier reeds op ingegaan. In de AERIUS is de verkeersgeneratie in de referentiesituatie - de huidige situatie berekend. Deze wordt hieronder weergegeven (zie figuur 4.2). Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn de kengetallen uit het CROW gehanteerd en gebaseerd op praktijk ervaringen.

Figuur 4.2: verkeersgeneratie referentiesituatie (bron: AERIUS-rapport opgenomen als Bijlage 9) Ook is de toekomstige verkeersgeneratie berekend. Zie hieronder (figuur 4.3).

Figuur 4.3: verkeersgeneratie referentiesituatie (bron: AERIUS-rapport opgenomen als Bijlage 9) Het aantal lichte verkeersbewegingen zal als gevolg van het plan toenemen met jaarlijks 5.532 verkeersbewegingen (berekening: 8.870 - 3.338). Ook het aantal middelzware verkeersbewegingen neemt toe, met 56 verkeersbewegingen per jaar (berekening: 104 - 48). Daarentegen zal het aantal zware verkeersbewegingen afnemen met 1.058 verkeersbewegingen per jaar (berekening: 1.136 - 78).

48

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22e Enterbroekweg 8-10 Markelo

De gemeente heeft een gemeentelijk mobiliteitsplan vastgesteld. In de verblijfsgebieden binnen de kernen (30 km-zones) ligt de verkeersintensiteit ruim onder de richtlijn van maximaal 6.000 motorvoertuigen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten via de Enterbroekweg en de Oomsdijk. Beide wegen zijn gemeentelijke wegen in het buitengebied, waar een maximumsnelheid van 60 km/u geldt. Het buitengebied kenmerkt zich door rustiger verkeer in vergelijking met stedelijke gebieden. Een jaarlijkse toename van 5.532 lichte verkeersbewegingen komt neer op afgerond 16 lichte verkeersbewegingen per etmaal (berekening: 5.532 / 365). De toename van 56 middelzware verkeersbewegingen per jaar betekent minder dan één verkeersbeweging per etmaal (berekening: 56 / 365). Gezien deze cijfers, en met inachtneming van de afname van het aantal zware verkeersbewegingen en het rustige karakter van het verkeer in het buitengebied, wordt geconcludeerd dat de toename van lichte en middelzware verkeersbewegingen eenvoudig en veilig via de bestaande wegen kan worden verwerkt. Nader onderzoek naar verkeer wordt niet noodzakelijk geacht. Parkeren Voor wat betreft parkeren wordt in het gemeentelijk mobiliteitsplan vermeld dat het bij ruimtelijke ontwikkelingen en bouwplannen belangrijk is om te voorkomen dat hierdoor nu of in de toekomst parkeerproblemen ontstaan.

Om die reden geldt de beleidsregel vanuit de gemeente dat een dergelijke ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van de parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen. Daarom wordt voor het bepalen van de benodigde parkeercapaciteit voor een bouwplan door de gemeente Hof van Twente een parkeertoets uitgevoerd. Hierbij worden de parkeerkencijfers gehanteerd zoals die door het CROW in de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ zijn gepubliceerd, waarbij het midden van de bandbreedte wordt aangehouden en de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’. Toets Voorliggend plan maakt o.a. 2 extra woningen mogelijk ten opzichte van de huidige situatie binnen het plangebied, waardoor de parkeerbehoefte kan toenemen. Daarnaast wordt de bestaande ligboxenstal uitgebreid zodat het gebouw meer recht doet aan het manege bedrijf. Geacht wordt hiermee dat de parkeerbehoefte niet zal toenemen. Eén van de extra woningen is vergelijkbaar met een vrijstaande woning en de andere woning ontstaat uit een woningsplitsing, dus is het vergelijkbaar met een twee-onder-één-kap woning. Op basis van het CROW bedraagt het parkeer kengetal voor een vrijstaande woning afgerond 2 parkeerplaatsen. Voor een twee-onder-één-kap woning ook afgerond 2 parkeerplaatsen. Uit het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen als Bijlage 1 blijkt binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4178/documents/59090