Woningbouwlocatie Oud-Cromstrijensedijk OZ Klaaswaal (plan Blom) ontwerp
Tekst van het document
33/139
'Dorpse Trots' Dit deelgebied omvat alle dorpen in de Hoeksche Waard. Doordat de Hoeksche Waard letterlijk een eiland is, zijn mensen op elkaar aangewezen, staat zorg voor elkaar hoog in het vaandel en bloeit het verenigingsleven. De Hoeksche Waard kent (mede daardoor) kleine, hechte gemeenschappen met veelal een geheel eigen identiteit. De combinatie van ondernemerszin en de zorg voor elkaar maakt het eiland zeer aantrekkelijk voor gezinnen. De dorpen in de Hoeksche Waard zijn nauw verbonden met de inpolderingsgeschiedenis. Veel nederzettingen zijn gekoppeld aan de dijken of aan het water. De dijken in de dorpen zijn van oudsher bebouwd en bewoond en hebben een functie als ontsluitingsweg. Dit heeft tot verschillende typen dorpen geleid, met een eigen stedenbouwkundige structuur. Belangrijkste hoofdgroepen zijn de voorstraatdorpen en de dijkdorpen, daarnaast zijn er nog rivierrug‐ en kreekrugdorpen. Er zijn ook combinatietypen zoals voorstraatdorpen. De gemeente gaat uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In‐ en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. In het dorpsgericht werken moeten initiatieven bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp.
Bij ontwikkelingen in de dorpen kijken we niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar met name ook naar de gevolgen voor het sociale netwerk in het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin in het dorp. Daarbij geldt als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp. Speerpunten hierbij zijn: Versterken van de onderscheidende identiteit per dorp. Versterken van de gemeenschapszin in het dorp. Versterken van de vitaliteit en leefbaarheid per dorp. Versterken van de natuurlijke overgang van het dorp naar het landelijk gebied. Bedrijvigheid met toegevoegde waarde voor de Hoeksche Waard. Sociale cohesie onder bevolking faciliteren en versterken. Versterken van de inclusieve samenleving. Levensloopbestendige woningen; zelfstandige woningen die geschikt zijn (te maken) voor bewoning in alle levensfasen. Op die manier kunnen ouderen of mensen met een lichamelijke beperking prettig en comfortabel wonen. Men hoeft niet noodgedwongen bestaande sociale contacten te verbreken en de vertrouwde sociale omgeving te verlaten.
Creatieve aanpak voor het realiseren van seniorenwoningen. Groepsgewijs bouwen, dicht bij (medische) verzorging; Herbestemming van bestaande panden, waarbij je generaties samenbrengt ‐ zorg voor elkaar ‐ contacten ‐ vriendschappen: Ombouwen voormalige gemeentehuizen voor o.a. studentenwoningen. Leegstaande winkel‐/kantoorpanden ombouwen naar woonbestemming met sociale voorzieningen. Betaalbaar wonen voor jongeren door samen een woning te delen; denk aan Friends Wonen. Flexibel wonen voor starters.
34/139
Woonvorm voor 'jonge ouderen' en 'oudere jongeren' die graag elkaar helpen en zo lang mogelijk zelfstandig willen wonen. Het concept van veilig wonen met veel privacy en tegelijkertijd alle voordelen van samenwonen met een bijvoorbeeld een gezamenlijke binnentuin. Meergeneratiewonen met een mix van jong en oud(er), die elkaar versterken en ondersteunen. Tiny Houses: een nieuwe woonvorm met een duidelijke filosofie. Kleine volwaardige vrijstaande woningen met een zo klein mogelijke ecologische voetafdruk. Dynamische hotspots: plekken waar creatief ondernemerschap de ruimte krijgt. Door vooral creatieve zelfstandigen in een verzamelgebouw onder te brengen, wordt niet alleen het leegstandsprobleem aangepakt, er ontstaat bovendien een broedplaats waaruit mooie dingen kunnen voortkomen. Voordeel van samenvoegen, is dat er een smeltkroes ‐ creatieve 'fabriek' ‐ ontstaat waar mensen elkaar inspireren, ideeën uitwisselen en samenwerken, en waaruit nieuwe innovatieve ideeën kunnen ontstaan. (Buurt)cultuurhuizen ‐ theater: karakteristieke panden, of panden die van oudsher een andere bestemming hadden, spreken tot de verbeelding van de bewoners van de Hoeksche Waard. In plaats van leegstand, of afbraak, is het zeer interessant deze panden een culturele (wijk)bestemming te geven. Behoud van historie met het oog op de toekomst.
Een plek creëren waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en waar laagdrempelig culturele activiteiten kunnen plaatsvinden.
Toetsing De toevoeging van woningen voor diverse doelgroepen zal bijdragen aan de instandhouding van de lokale voorzieningen. De woningbehoefte is niet te realiseren in de kern van Klaaswaal, daarom is gekozen voor een gebied aangrenzend aan de kern. Met het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het landschap en haar structuren. Conclusie Het voorliggende plan sluit aan bij de omgevingsvisie Hoeksche Waard. 3.3.2 Hoeksche Waard Energieneutraal 2040 De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten is de 'Energievisie Hoeksche Waard 2016‐2020' opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard. De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica. Waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het beperken van de energiebehoefte. Dit uit zich in 3 pijlers: 1. energie besparen in de bebouwde omgeving (o.a. isolatie); 2. opwekken van duurzame energie (o.a. wind, zon, biomassa, getijdenenergie); 3. duurzame mobiliteit (o.a. elektrische auto's en fietsen, openbaar vervoer). Tot slot zijn er twee belangrijke neveneffecten.
Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander handelen door deze jeugd over 10 jaar.
35/139
Toetsing Vooralsnog wordt aangesloten bij de wet‐ en regelgeving zoals opgenomen in het bouwbesluit. 3.3.3
Nota Ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard
In de Nota Ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard zijn de samenhang in de eigenschappen van gebieden en objecten vertaald in objectieve beoordelingscriteria die de burger en de bouwplantoetser een houvast moeten bieden bij het opstellen en het beoordelen van bouwplannen. Het welstandsbeleid is erop gericht de historische kwaliteit te behouden en waar mogelijk te versterken. Voor dit gebied is het welstandsbeleid daarom uitgewerkt tot op een klein schaalniveau. Aandachtspunten voor welstandstoezicht zijn o.a. cultuurhistorische herkenbaarheden, diversiteit in gevelwanden, positionering, massa en maatvoering, aandacht voor hoeksituaties, detaillering van gevel en dakvlak, materialen en kleuren en reclame‐uitingen. Ook voor specifieke bouwwerken is het vaststellen van het welstandsniveau van belang. Planmatige woonwijken: Planmatige woonwijken komen op kleine schaal voor bij vrijwel alle (grotere) dorpen. Voor deze uitbreidingen geldt in grote lijnen hetzelfde welstandsbeleid. Toetsing Nadat de woonbuurt is uitgewerkt, zal de welstandscommissie het bouwplan toetsen aan het beeldkwaliteitsplan.
3.4
Conclusie
Het beoogde plan past binnen de beleidskaders zoals omschreven in paragraaf 3.1 tot en met 3.4.
36/139
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
4.1
Verkeer en parkeren
4.1.1
Toetsingskader
Het bouwplan omvat 120 woningen verdeeld over verschillende woningtypes. Voor de ontwikkeling is in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken naar de bereikbaarheid, verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. De parkeernormen van de gemeente Hoeksche Waard zijn verwoord in Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen. Hierbij zijn de kenmerken 'niet stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd. 4.1.2
Bereikbaarheid
Gemotoriseerd verkeer De nieuwe woonwijk wordt aangesloten op de bestaande wegenstructuur via de Burgemeester Korstanjestraat. In noordelijke richting wordt via de Burgemeester Korstanjestraat en de Kreupeleweg richting de A29 en andere kernen ontsloten. Op onderstaande figuur 4.1 is de verkeersontsluiting van de woonbuurt weergegeven.
Figuur 4.1 Ontsluiting plangebied.
37/139
Langzaam verkeer De ontsluiting van het langzaam verkeer vindt voornamelijk richting het noorden en zuiden plaats. Op de Burgemeester Korstanjestraat is een trottoir aanwezig en deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Vanwege de langzame snelheid en lage intensiteit is dit acceptabel. In zuidelijke richting is een calamiteitenontsluiting voorzien van en naar de Oud‐Cromstrijensedijk. Deze calamiteitenontsluiting is primair bedoeld voor langzaam verkeer en bij calamiteiten voor hulpdiensten, deze route zal worden afgesloten door middel van een paal. Op de Oud‐Cromstrijensedijk Oostzijde deelt het langzaam verkeer de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Openbaar vervoer Het plangebied is eveneens te bereiken met het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte is gelegen aan de Rijksstraatweg, binnen loopafstand (circa 750 meter). Aan deze halte halteren meerdere bussen van en naar Strijen, Willemstad, Zuid‐Beijerland en Numansdorp. Via deze lijnen is via een overstap tevens Rotterdam Zuidplein te bereiken met vanaf daar een aansluiting op het stedelijke openbaar vervoer. 4.1.3
Verkeersgeneratie en afwikkeling
Verkeersgeneratie Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als grasland. Dit genereert nauwelijks tot geen verkeer. Beoogde situatie De verkeersgeneratie van de toekomstige woningbouw is berekend aan de hand van kengetallen uit CROW‐publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetalen het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De verkeersgeneratie wordt berekend voor het beoogde programma van 120 woningen. In Klaaswaal staan minder dan 10.000 woningen en daarbij wordt uitgegaan van de indeling woonmilieutypes landelijk wonen. Hierbij hoort een kencijfer van 7,4 mvt/woning voor een weekdag. Tabel 4.1 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling Toekomstige situatie Functie
Aantal
Kengetal
Weekdagintensiteit (mvt/etmaal)
Werkdagintensiteit (mvt/etmaal)
Woonmilieutype VI landelijk wonen
120 woningen
7,4 mvt/woning
888 mvt/etmaal
986 mvt/etmaal
888
986
Totale toename
De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeerstoename van 888 mvt/etmaal gedurende de gemiddelde weekdag. Voor het bepalen van de verkeersafwikkeling zijn de werkdagintensiteiten maatgevend. Conform CROW‐publicatie 381 geldt voor woningen een omrekenfactor van 1,11. Daarnaast dient bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling gekeken te worden naar het maatgevende uur, waarin doorgaans 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het drukste spitsuur zorgt de ontwikkeling van het plangebied voor een verkeersgeneratie van 99 mvt/uur (986/10).
38/139
Verkeerstoedeling Het plangebied ligt tussen de Burgemeester Korstanjestraat (Kreupeleweg) en de Oud‐Cromstrijensedijk Oostzijde (smalle dijkweg). Om extra verkeer op de Oud‐Cromstrijensedijk Oostzijde te vermijden wordt deze weg niet aangesloten op het plangebied. Het plangebied wordt dus volledig ontsloten via de Burgemeester Korstanjestraat op de Kreupeleweg. Vanaf de Kreupeleweg zal het verkeer zich evenredig verdelen in oostelijke (50%) en westelijke (50%) richting.
Figuur 4.2 verkeerstoedeling plan Verkeersintensiteiten Kreupeleweg Het plan ontsluit dus volledig op de Kreupeleweg via de Burgemeester Korstanjestraat. In de bestaande situatie is de verkeersintensiteit op de Kreupeleweg gemeten met een verkeerstelling. De telling heeft plaats gevonden ter hoogte van huisnummer 38. Gezien de ligging van de Kreupeleweg en hoe deze functioneert in het verkeersnetwerk van Klaaswaal, kan gesteld worden dat de intensiteit gemeten ter hoogte van huisnummer 38 gelijk is aan die ter hoogte van de aansluiting met de Burgemeester Korstanjestraat. De verkeersintensiteit bedraagt op een gemiddelde werkdag 1.476 mvt/etmaal en op een gemiddelde weekdag 1.355 mvt/etmaal.
39/139
De kreupeleweg fungeert in bepaalde mate als een doorgaande ontsluitingsroute voor Klaaswaal en de omliggende kernen. Dat betekent dat wanneer er ontwikkelingen gepland zijn de komende jaren in Klaaswaal en omgeving, dit effect heeft op de verkeersintensiteit van de Kreupeleweg. Die zal namelijk toenemen. Er wordt daarom uitgegaan van een autonome groei van het verkeer vanaf 2019 van 1% per jaar. Dat betekent dat de verkeersintensiteit in 2030 op een gemiddelde werkdag uitkomt op 1.647 mvt/etmaal. (1.512 mvt/etmaal gemiddelde weekdag) Burgemeester Korstanjestraat Van de Burgemeester Korstanjestraat zijn geen verkeerstellingen beschikbaar. Er is daarom een aanname gedaan van de verkeersintensiteit. Daarbij is het aantal woningen geteld waarvan het aannemelijk is dat deze ontsluiten op de Burgemeester Korstanjestraat. Vervolgens zijn deze vermenigvuldigd met de factor 6. Deze factor is een veel gebruikte vuistregel om grofweg de verkeersgeneratie te schatten per woning. In figuur 4.3 is het gebied gearceerd waarvan het aannemelijk is dat de woningen binnen dat gebied ontsluiten op de Burgemeester Korstanjestraat. Binnen dat gebied gaat het in totaal om 312 woningen. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 1.872 mvt/etmaal (312 x 6) op een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar een gemiddelde werkdag gaat het om 2.077 mvt/etmaal.
De Korstanjestraat ontsluit alleen de aanliggende wijk. Aangezien hier (los van de beoogde ontwikkeling) geen andere ontwikkelingen op zullen ontsluiten, wordt aangenomen dat de autonome groei van het verkeer op de Korstanjestraat 0% is. Daarmee kan gesteld worden dat de verkeersintensiteit in het jaar 2030 gelijk is aan die hierboven berekende intensiteit.
Figuur 4.3 woningen die ontsluiten op de Burgemeester Korstanjestraat Toevoeging plan Na realisatie van het plan zal de verkeersintensiteit op de Burgemeester Korstanjestraat en de Kreupeleweg toenemen. Daarna zal de verkeersintensiteit op de genoemde wegen toenemen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de berekende verkeersgeneratie van 986 mvt/etmaal en de verkeerstoedeling waarbij 100% van het plan ontsluit op de Burgemeester Korstanjestraat en ter hoogte van de Kreupeleweg evenredig wordt verdeeld in oostelijke (50%) en westelijke (50%) richting.
40/139
Tabel 4.2 Verkeersintensiteiten huidig, toekomstig zonder en met planontwikkeling in mvt/etmaal 2019
2030 zonder plan
Toevoeging plan
2030 met plan
Kreupeleweg (west)
1.476
1.647
+ 493
2.140
Kreupeleweg (oost)
1.476
1.647
+ 493
2.140
Burg. Korstanjestraat
2.077
2.077
+ 986
3.063
Verkeersveiligheid Kreupeleweg De Kreupeleweg ter hoogte van de aansluiting met de Burgemeester Korstanjestraat is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg. De weg is voorzien van snelheidsremmers ter hoogte van de zijstraten. Verder is de rijbaan visueel versmald. Fietsers maken gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerd verkeer. De streefintensiteit is hoger dan 4.000 mvt/etmaal. Uit een verkeerstelling ter hoogte van Kreupeleweg nr 38 blijkt dat de verkeersintensiteit in 2019 ligt op 1.476 op een gemiddelde werkdag. In 2030 ligt de intensiteit op 1.647 mvt/etmaal in de autonome situatie. Wanneer daar de ontsluiting van het plan bij wordt opgeteld (circa 500 mvt/etmaal in oostelijke en westelijke richting) ligt de uiteindelijke verkeerintensiteit op de Kreupeleweg op 2.140 mvt/etmaal. Daarmee ligt de intensiteit ruim onder de maximale streefintensiteit. Er zijn dan ook geen knelpunten te verwachten in de verkeersveiligheid op deze weg. Burgemeester Korstanjestraat Ook de Burgemeester Korstanjestraat is gecategoriseerd als erftoegangsweg type II en heeft een maximumsnelheid van 30km/uur. De straat heeft een variërend straatprofiel, met een wegbreedte die wisselt tussen 6 en 4 meter (zie figuur 4.3). Langs de rijbaan zijn parkeervakken gerealiseerd. De kruispunten zijn gelijkwaardig en voorzien van plateau's.
De parkeervakken en de plateau's dienen als snelheidsremmers. De inrichting van de weg voldoet daarmee aan de eisen voor de ideale weginrichting voor erftoegangswegen binnen de bebouwde kom (CROW, ASVV 2012). Voor de Burgemeester Korstanjestraat geldt dat de intensiteit in 2030 zonder plan uitkomt op 2.077 mvt/etmaal. Hier komen 986 motorvoertuigen bij als gevolg van het plan. Daarmee komt de uiteindelijke verkeersintensiteit uit op 3.063 mvt per etmaal. De gemeente hanteert voor een erftoegangsweg type II een streefintensiteit van 4.000 mvt/etmaal. De verwachte intensiteit van 3.063 mvt/etmaal zit daarmee ruim onder de streefintensiteit die de gemeente hanteert. Gebruik, functie en inrichting van de weg zijn na planontwikkeling met elkaar in evenwicht, daardoor zijn geen knelpunten in de verkeersveiligheid te verwachten. Project Randweg Klaaswaal (bron: NRD Oostelijke randweg Klaaswaal RHDHV) De gemeente Hoeksche Waard is voornemens om de kern van Klaaswaal te ontlasten van doorgaand verkeer door de aanleg van een oostelijke randweg. De NRD van de oostelijke randweg heeft ter inzage gelegen en is nog niet vastgesteld. Het reduceren van verkeer en (doorgaand) vrachtverkeer heeft voor wegen met gemengd verkeer, een positief effect op de verkeersveiligheid en met name voor langzaam verkeer.
Het meenemen van een directe aansluiting op het bedrijventerrein voor vrachtverkeer van en naar de randweg, kan dit optimaliseren voor de Oud‐Cromstrijensedijk Oostzijde.
41/139
4.1.4
Parkeren
De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van het voorgenomen concept programma en wordt voorzien binnen het plangebied. De parkeernormen van de gemeente Hoeksche Waard zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW. De berekening van de parkeerbehoefte is weergegeven in tabel 4.3. Tabel 4.3 Parkeerbehoefte Functie benaming CROW
Hoeveelheid
Parkeerkencijfer
Parkeerbehoefte
Vrijstaand
Koop, huis, vrijstaand
12 woningen
2,3 per woning
27,6 pp
2‐onder‐1‐kap
Koop, huis, twee‐onder‐een‐kap
20 woningen
2,2 per woning
44 pp
Rijwoningen (duur)
Koop, huis, tussen/hoek
24 woningen
2,0 per woning
48 pp
Rijwoningen (middelduur)
Koop, huis, tussen/hoek
42 woningen
2,0 per woning
84 pp
Sociale woningen
Huur, huis, sociale huur
22 woningen
1,6 per woning
35,2 pp
Totaal
120 woningen
238,8 pp
In totaal zijn er op basis van deze berekening in de toekomstige situatie 239 parkeerplaatsen benodigd om te kunnen voorzien in de normatieve parkeerbehoefte. Binnen het plangebied wordt voldaan aan deze parkeerbehoefte door een mix aan parkeren op eigen terrein en in het openbaar gebied. Op basis van de regeling zoals is opgenomen in Artikel 15 van de regels dient bij de aanvraag van een omgevingsvergunning op basis van het concrete programma te worden aangetoond dat kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
42/139
4.2
Geluid (wegverkeerslawaai)
Beleidskader Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/h‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
4.2.1
Wegverkeerslawaai
Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2bij deze toelichting. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van een oude concept plankaart. Dit neemt niet weg dat het onderzoek representatief is voor het akoestisch klimaat ter plaatsen. Onderstaande conclusies zijn gebaseerd op het onderzoek maar aangepast op de nieuwe verbeelding. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de Oud‐Cromstrijensedijk Oostzijde met een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van het gedeelte van voornoemde weg gelegen binnen een 30 km/uur zone. Conclusie Voor het gedeelte van de Oud‐Cromstrijensedijk Oostzijde binnen de 30 km/uur zone geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op dit gedeelte van de weg de richtwaarde van 48 dB op geen enkel punt binnen de beoogde bouwvlakken 01 t/m 04 overschrijdt (zie figuur 4.4 voor de nummering van de bouwvlakken). Voor het gedeelte van de Oud‐Cromstrijensedijk met een snelheidsregime van 60 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op dit gedeelte van de weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkel deel van de bouwvlakken 01 t/m 03 overschrijdt. Ter plaatse van bouwvlak 04 wordt de voorkeursgrenswaarde met maximaal 8 dB overschreden.
De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts‐ of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt uit de voornoemde rekentool dat dit doelmatig is. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet echter overwegende bezwaren van financiële aard.
43/139
Om een hogere waarde te kunnen verlenen dient tevens voldaan te worden aan de aanvullende voorwaarden uit het document Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening Gemeenten Hoeksche Waard d.d. 22 augustus 2017 van de Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid. In onderhavige situatie betekent dit dat de woningen van bouwvlak 04 dienen te beschikken over een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte. Naar aanleiding van de rekenresultaten wordt verwacht dat afhankelijk van de kavelindeling de woningen aan de noordzijde zullen beschikken over een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte, zodat aan deze aanvullende eis wordt voldaan. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien voor de bouwvlakken 01 t/m 03 geen sprake is van een procedure hogere waarde wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels voor de woningen binnen deze bouwvlakken niet noodzakelijk geacht. Aangezien voor het bouwvlak 04 wel sprake is van een procedure hogere waarde, is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels voor de woningen binnen dit bouwvlak wel nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat gewaarborgd.
Figuur 4.4 Nummering vlakken (bron: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai). 4.2.2 Conclusie Voor de bouwvlakken 01 t/m 03 is geen sprake van een procedure hogere waarde, voor bouwvlak 04 is hier wel sprake van, een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels voor de woningen binnen dit bouwvlak is wel nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat gewaarborgd.
44/139
4.3
Water
4.3.1 Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgenomen ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Omgevingsverordening Waterschapsbeleid 2022‐2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijven zij de doelen die zij tijdens de planperiode 2022‐2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen.
De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die zij in 2027 bereikt willen hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding.
45/139
Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. 4.3.2 Huidige situatie Algemeen Het plangebied wordt globaal begrensd door de Oud‐Cromstrijensedijk Oostzijde aan de zuidzijde, langs de westrand van het plangebied staan onderaan de dijk woningen met tuinen. In noordelijke richting gaat dit langs de westrand over in volkstuinen en het terrein van de voetbalvereniging in de noordwestelijke hoek. De oostelijke rand grenst aan een agrarisch perceel. Het plangebied is momenteel compleet onverhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Op de Bodemkaart is te zien dat de bodem van het plangebied uit zavel met homogeen profiel bestaat. Met betrekking tot het grondwater is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap Vb. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) schommelt tussen 25 en 40 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,40 meter beneden NAP.
Waterkwantiteit Het plangebied wordt begrensd door een aantal watergangen in de categorie 'overig'. Het onderhoud van de rode watergangen wordt uitgevoerd door de aanliggende eigenaar, het onderhoud van de blauwe watergangen ligt bij het waterschap. Voor deze watergangen geldt een beschermingszone van 1 meter aan beide zijden van de sloot.
Figuur 4.5 Uitsnede Legger wateren en kunstwerken Waterschap Hollandse Delta met het plangebied zwart omlijnd
46/139
Waterkwaliteit De aangrenzende watergangen zijn niet aangemerkt als KRW waterlichaam. Er zijn geen specifieke doelen en maatregelen opgenomen ter verbetering van de waterkwaliteit. Veiligheid en waterkeringen Ten zuiden van het plangebied is een regionale waterkering gelegen, zie figuur 4.6.
Figuur 4.6 Uitsnede Legger Keringen Waterschap Hollandse Delta met het plangebied zwart omlijnd Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is momenteel onbebouwd en niet aangesloten op het rioolstelsel. 4.3.3
Toekomstige situatie
Algemeen Het voornemen is om 120 woningen te realiseren. Waterkwantiteit Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden. Met de realisatie van de woningen is er sprake van versnelde afvoer van water dat niet in de bodem kan infiltreren. Doordat het water niet naar de bodem, maar naar het oppervlaktewater of riool wordt vervoerd, is er mogelijk sprake van een verlaging van de grondwaterstand. Dit kan voorkomen worden door de verharding te compenseren.
47/139
Het plangebied is nagenoeg volledig onverhard, elke toename aan verharding moet dus worden gecompenseerd met 10 % oppervlaktewater. Doordat het bestemmingsplan flexibel van aard is en er nog geen concreet woningbouwprogramma of inrichting opgesteld is ligt aan de waterbalans zoals opgenomen in tabel 4.4 de verbeelding van het concept‐ontwerpbestemmingsplan (dd. 25‐06‐2021) ten grondslag. Deze verbeelding is volledigheidshalve weergegeven op figuur 4.7.
Figuur 4.7 Verbeelding concept‐ontwerpbestemmingsplan Blom Klaaswaal (bron: Rho Adviseurs). Op basis van de verbeelding en de regels van voorliggend bestemmingsplan is de toename aan verharding als volgt. Tabel 4.4 compensatieberekening Functie
verharding in %
bestemming in m²
Compensatie in m²
Wonen
50%
35.913
17.957
Verkeer
50%
12.723
6.362
Groen
25%
11.589
2.897
Totaal
10%
27.215
2.721
1.129
1.129
water Saldo
1.593
In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met circa 27.215 m² toe. Op basis hiervan bedraagt de extra waterberging ca 2.721 m². Op de verbeelding is 1.129m² bestemd voor water. De waterbalans is op basis van deze uitgangspunten 1.593 m² negatief. Bij de nadere uitwerking van het plan dient dus meer water te worden gerealiseerd dan enkel binnen de bestemming 'Water'. Op basis van de regels in het bestemmingsplan is dit reeds mogelijk, zowel binnen de bestemmingen 'Wonen' als 'Groen'.
48/139
Borging van de watercompensatie Naast de bestemming 'Water' wat de grotere watergangen vastlegt kan er ook water worden gerealiseerd binnen de andere bestemmingen. In de bestemming 'Wonen' is een regeling opgenomen die zorg draagt voor de realisatie van groen, water en speelvoorzieningen zodat deze niet volledig kan worden verhard. Op deze wijze wordt zowel op basis van de Keur van het waterschap als op basis van het bestemmingsplan gewaarborgd dat er voldoende water wordt gecompenseerd bij de verdere uitwerking van het ontwerp. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in‐) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Het plangebied wordt middels een gescheiden rioolsysteem aangesloten op het gemeentelijk riool.
Het hemelwater wordt zoveel mogelijk afgekoppeld van het riool, waarbij water terugstroomt in de openbare ruimte of opgevangen wordt voor hergebruik in bijvoorbeeld tuinen, hierdoor wordt de druk op riolering en watergebruik verminderd. De openbare ruimte wordt geschikt gemaakt om ter plaatse water vast te houden door middel van wadi's, waarmee de natuurlijke infiltratie van water wordt vergroot. Tevens kunnen op plekken met verharding waterdoorlatende straatstenen dit verder stimuleren. Een voorbeeld hiervan is door grasstenen toe te passen op parkeerterreinen. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het graven van nieuw oppervlaktewater moeten doodlopende watergangen worden voorkomen. Watergangen waarbij geen doorstroming plaatsvindt, zal een slechte waterkwaliteit ontstaan. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen Met de beoogde ontwikkeling vinden werkzaamheden plaats in de beschermingszone van de regionale kering, er wordt bij de dijk een ontsluiting aangelegd. Hiervoor dient een watervergunning aangevraagd te worden. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur".
Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige woningbouw is dan ook een ontheffing noodzakelijk.
49/139
Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 4.3.4
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.4
Ecologie
4.4.1 Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura‐2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
50/139
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.
De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
51/139
4.4.2
Onderzoek
Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oudeland van Strijen bedraagt circa 2,1 kilometer en circa 9 kilometer tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Krammer‐Volkerak. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN‐gebied bedraagt circa 1,3 kilometer, zie figuur 4.8.
Figuur 4.8 Het plangebied (rood omcirkeld) in relatie tot NNN en Natura 2000‐gebied Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000‐gebied Oudeland van Strijen is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Vanwege de gevoeligheid rond het stikstofdossier is een AERIUS‐berekening uitgevoerd. Zie bijlage 5 voor de memo en bijlage 6 voor de berekening van de gebruiksfase. Voor de realisatiefase geldt een vrijstelling vanuit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Een berekening voor deze fase is niet nodig. Deze vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase. Omdat de woningen gasloos uitgevoerd worden, is alleen het wegverkeer een bron van emissies voor de gebruiksfase. In de verkeersanalyse zoals opgenomen in paragraaf 4.1.3 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 888 mvt/etmaal aan personenauto's voor een gemiddelde weekdag. De stikstofdepositie wordt berekend in mol/hectare/jaar. De gebruiksfase is uitgevoerd voor het rekenjaar 2023. In de verdere toekomst nemen de emissies ten gevolge van het wegverkeer af door toepassing van schonere technieken.
52/139
Uit de berekeningen volgt dat er geen depositie plaatsvindt op Natura 2000‐gebieden in de omgeving. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie Zuid‐Holland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij ruimtelijke ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden. Quickscan In opdracht van Rho Adviseurs heeft Habitus een quickscan natuurtoets uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het doel van de quickscan is het uitsluiten/aantonen van aanwezigheid van beschermde flora en fauna en een inschatting maken van het effect van de geplande werkzaamheden op het gebied en beschermde soorten. De volledige rapportage van de quickscan natuurtoets is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting op het bestemmingsplan. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen ten aanzien van de soortenbescherming overgenomen. De conclusie is als volgt: De voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting in strijd met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming.
Er kunnen namelijk nesten van huismus, steenuil, kerkuil en 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op de planlocatie aanwezig zijn. Daarnaast kunnen 'vogels zonder jaarrond beschermd nest', zich in de toekomst vestigen, als er geen voorzorgsmaatregelen worden genomen. Ook kunnen er beschermde functies voor steenmarter, vleermuizen en grote vos aanwezig zijn. De volgende vervolgstappen zijn benodigd om wetsovertreding (Wnb) te voorkomen: Er dient nader onderzoek verricht te worden naar vleermuizen, steenmarter, huismus, grote vos, kerkuil, steenuil en stikstof‐depositie. Zie paragraaf 4.2 van de bijlage voor meer informatie over dit onderzoek en het voorgaande in deze paragraaf ten aanzien van stikstof. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met 'vogels zonder jaarrond beschermd nest'. Voor deze soortgroep kan volstaan worden met maatregelen, zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.1 van de bijlage. Nader onderzoek Reeds in gang gezet bij RSK, verwachte rapportagedatum is einde zomer 2022. Conclusie Het plangebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Vanwege de afstand zijn directe effecten op voorhand uitgesloten. Uit de AERIUS berekeningen blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de gebruiksfase van de ontwikkeling.
Voor de realisatiefase geldt een vrijstelling vanuit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Conclusie soortenbescherming volgt na afronding rapportage vervolgonderzoeken.
53/139
Geconcludeerd wordt dat, met in achtneming van de bovengenoemde aanbevelingen, het plan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg /m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Schone Lucht Akkoord Het doel van het Schone Lucht Akkoord is om de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. Het is een akkoord tussen Rijk, provincies en een groot aantal gemeenten. Samen streven de deelnemende partijen naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016.
'Dat betekent dat mensen langer, gezonder en met meer kwaliteit leven'.
54/139
4.5.2
Onderzoek en conclusie
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 120 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Molendijk, direct ten westen van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 21,1 µg/m³ voor NO2, 18 µg/m³ voor PM10 en 10,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,3 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Schone Lucht Akkoord De gemeente Hoeksche Waard is één van de gemeente die het Schone Lucht Akkoord heeft ondertekend.
Al verbeterpunten voor de luchtkwaliteit worden onder andere mobiliteit, mobiele werktuigen, industrie, houtstook, landbouw, binnenvaart en havens benoemd. Voor de beoogde ontwikkeling is vooral het aspect mobiliteit relevant. De belangrijkste bijdrage is afkomstig van (oudere) dieselvoertuigen. Voor het wegverkeer zet de rijksoverheid in op een verdere aanscherping van de Europese emissie‐eisen voor voertuigen en een verdere verbetering van de monitoring en het toezicht in Nederland. Bijvoorbeeld met het steekproefprogramma van TNO. Daarnaast leveren maatregelen uit het Klimaatakkoord, waaronder elektrificatie, lokaal beleid voor het stimuleren van schone en actieve mobiliteit, nul‐emissie‐stadslogistiek en de werkgeversaanpak een belangrijke bijdrage aan schone lucht, vooral op de langere termijn. Vanuit de stikstofaanpak is in 2020 een forse extra impuls gekomen voor het versnellen van verduurzamingen van de transitie naar emissieloos vervoer.
4.6
Bedrijven en milieuhinder
4.6.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden.
55/139
De VNG‐publicatie is bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. In bestaande situaties kan de VNG‐brochure evenwel een indicatie geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties. Verder moet ook bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarin mogelijk een (deels) feitelijk bestaande situatie wordt bestemd, worden onderzocht of het laten voortbestaan van een dergelijke situatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De VNG‐brochure hanteert twee soorten omgevingstypen. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied, voor beide omgevingstypen gelden andere richtafstanden en/of normen. De definitie van een rustige woonwijk/rustig buitengebied is: “Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.“ De definitie van een gemengd gebied is: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden en hogere milieunormen rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.“ De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. 4.6.2 Onderzoek In de beoogde situatie worden 120 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. In het gebied zijn voornamelijk woningen gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'. Ten noorden grenst het plangebied aan sportvelden. Volgens de VNG‐brochure valt dit in de categorie 'sportvelden met verlichting'. Hierbij hoort milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter voor geluid. Hier wordt niet aan voldaan. Op het aspect geluid wordt nader ingegaan in paragraaf 4.6.2.2. Daarnaast is de sportveldverlichting relevant in het kader van bedrijven en milieuzonering. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.6.2.1.
Daarnaast is ten zuiden van het plangebied een industrieterrein gelegen en ten westen een nutsbedrijf. Voor deze functies wordt er aan de richtafstanden voldaan.
56/139
4.6.2.1 Veldverlichting In verband met de geplande ontwikkeling nabij de sportvelden van voetbalvereniging SSS is een onderzoek uitgevoerd naar het invallende licht vanwege de verlichtingsinstallatie van de sportvelden ter plaatse van de geprojecteerde nieuwbouwwoningen. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder volgen de conclusies en aanbevelingen uit deze rapportage. De verlichting van de sportvelden is normaliter niet na 23.00 uur ingeschakeld. De in de dagen avondperiode (tot 23.00 uur) in landelijk gebied (omgevingszone E2) na te streven grenswaarde van 5 lx wordt overschreden in de meetposities. Alhoewel een deel van de meetposities niet direct ter plaatse van de woonvlakken is gelegen, maar op de rand van het plangebied, kan op basis van de meetresultaten wel worden geconcludeerd dat de verticale verlichtingssterkte vanwege de speelvelden bij de geprojecteerde woningen hoger is dan de grenswaarde van 5 lx. Voor de lichtsterkte per armatuur geldt in de dag‐ en avondperiode (tot 23.00 uur) voor omgevingszone E2 een na te streven grenswaarde van 2.500 cd. Op basis van de meetresultaten mag ervan uitgegaan worden dat de lichtsterkte van een aantal armaturen van veld 1, de trainingsvlakken en veld 3 in de richting van de geprojecteerde woningen van het plan (ruimschoots) hoger is dan deze grenswaarde.
Dit geldt zowel voor de lichtsterkte in de richting van woningen binnen de meest westelijke woonvlakken. Aanbevolen wordt te bezien in hoeverre het mogelijk/haalbaar is voorzieningen te treffen ten aanzien van de armaturen van de lichtmasten van veld 1, de trainingsvlakken en veld 3. Voorzieningen kunnen mogelijk bestaan uit het: vervangen van de spiegeloptiek van de betreffende armaturen. Met verbeterde spiegels is wellicht een meer naar beneden gerichte uitstraling te realiseren; aanbrengen van afschermkappen of louvres op de betreffende armaturen, ter beperking van de lichtuitstraling in de richting van de geprojecteerde woningen. Dit zal echter ook ten koste gaan van de lichtopbrengst; vervangen van de armaturen door moderne LED‐armaturen waarmee de verlichting wordt begrenst tot het sportveld. 4.6.2.2 Omgevingslawaai Zoals in de inleiding van deze paragraaf aangegeven, wordt gebruik gemaakt van de VNG‐publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) om een belangenafweging tussen een goed woon‐ en leefklimaat in de omgeving en bedrijvigheid te kunnen maken. De achterliggende geluidnormen die in de VNG‐publicatie worden gehanteerd om de richtafstanden te bepalen, zijn weergegeven in tabel 4.6.
57/139
Tabel 4.6: geluidnormen (richtwaarden) voor een rustige woonwijk/rustige buitengebied en gemengd gebied Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT)
Maximale geluidniveaus (LAmax)
rustige woonwijk/ rustig buitengebied
gemengd gebied
rustige woonwijk/ rustig buitengebied
gemengd gebied
dagperiode (07:00 ‐ 19:00 uur)
45 dB(A)
50 dB(A)
65 dB(A)
70 dB(A)
avondperiode (19:00 ‐ 23:00 uur)
40 dB(A)
45 dB(A)
60 dB(A)
65 dB(A)
nachtperiode (23:00 ‐ 07:00 uur)
35 dB(A)
40 dB(A)
55 dB(A)
60 dB(A)
Periode
Deze richtwaarden hebben geen wettelijke status, maar zijn algemeen aanvaarde waarden. Het is mogelijk om op basis van een bestuurlijke afweging af te wijken van deze richtwaarden. De VNG‐brochure biedt hiervoor een stappenplan, opgenomen in bijlage B5.3 van de VNG‐publicatie. Het stappenplan omvat de volgende methodiek: stap 1: indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk; stap 2: indien stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van maximaal 45 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 50 dB(A) in gemengd gebied voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde), 65/60/65 dB(A) voor maximale geluidniveaus en 50 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder); stap 3: indien stap 2 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van maximaal 50 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 55 dB(A) in gemengd gebied voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, 70/65/60 dB(A) voor maximale geluidniveaus en 65 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder).
Met betrekking tot de maximale geluidsniveaus geldt dat de beoordeling plaatsvindt exclusief de maximale geluidniveaus vanwege aan‐ en afrijdend verkeer. In het kader van stap 3 dient het bevoegd gezag te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient dit grondig onderzocht, onderbouwd, en gemotiveerd te worden, waarbij cumulatie met andere geluidbronnen/geluidbelastingen moet worden meegenomen. Deze laatste stap wordt aangeduid als stap 4.
58/139
Geluid en milieu (Activiteitenbesluit) De nabij het plangebied gelegen (bestaande) voetbalvelden vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit en de daarin opgenomen algemene regels. De relevante geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit zijn: Afdeling 2.8.
Geluidhinder
Artikel 2.17 1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad‐ en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de in‐richting, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden; Tabel 2.17a 07:00–19:00 uur