CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting ontwerp bestemmingsplan

Besluitvormende raad 5 juli 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingplan bedrijfslocatie Van Iperen Smidsweg 24 Westmaas19.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2

Luchtkwaliteit Beleid en regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in 'Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16, lid 1 van de Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan: Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden. Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM1 0). Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd). Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit Gevoelige bestemmingen. Grenswaarden De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn

blad 27 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. In onderstaande tabel zijn de desbetreffende grenswaarden weergegeven. Tabel 4.1 Vastgestelde grenswaarden; concentraties in µg/m3

* grenswaarde van toepassing bij wegen waarvan ten minste 40.000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM1 0) in Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Hierbij moet opgemerkt worden dat de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m3 ) in Nederland nergens meer dan 18 keer per jaar wordt overschreden. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor en uit metingen over de afgelopen 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is. Fijn stof (PM2,5) Vanaf 1 januari 2015 moet aannemelijk worden gemaakt dat voldaan wordt aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 (25 µg/m3 ). PM1 0- en PM2,5-concentraties zijn sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over de emissies en concentraties PM2,5 en PM1 0 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM1 0 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 zal worden voldaan. Het risico dat een overschrijding optreedt voor PM2,5 op een locatie waar wel aan de grenswaarden voor PM1 0 wordt voldaan, is dan ook verwaarloosbaar klein.

Overige luchtverontreinigende stoffen Voor de overige luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat deze grenswaarden niet worden overschreden en de concentraties vertonen eveneens een dalende trend. Het is dan ook aannemelijk dat een overschrijding van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden, als gevolg van een besluit, redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl2007) zijn regels vastgelegd voor de wijze van uitvoering van luchtkwaliteitonderzoeken. Er is onder andere voorgeschreven waar en hoe de luchtkwaliteit vastgesteld dient te worden en er zijn enkele blad 28 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

standaardrekenmethoden voorgeschreven. Ook is voorgeschreven dat gebruik gemaakt dient te worden van de generieke invoergegevens die jaarlijks worden vastgesteld. Tot deze gegevens behoren onder andere de grootschalige achtergrondconcentraties en de emissiefactoren voor het wegverkeer. Toepasbaarheidsbeginsel en significante blootstelling In artikel 5.19 van de Wet milieubeheer is vastgesteld op welke plaatsen geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats hoeft te vinden. Dit zogenaamde toepasbaarheidsbeginsel beschrijft dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld hoeft te worden op locaties: Locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is. Terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen van toepassing zijn. Het gaat hier om bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen waar ARBO-regels gelden. De rijbaan van wegen, en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang hebben tot de middenberm. Op locaties waar de luchtkwaliteit beoordeeld dient te worden, wordt deze beoordeeld op plaatsen waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Hierbij wordt gekeken naar het zogenaamde blootstellingscriterium zoals dat is opgenomen in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Het gaat om blootstelling gedurende een periode die, in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur), significant is. Dit betekent bijvoorbeeld dat op een plaats waar een burger langdurig wordt blootgesteld (onder meer bij woningen) getoetst moet worden aan de jaargemiddelde grenswaarden. Onderzoek In het kader van de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfslocatie van de initiatiefnemer heeft Antea Group een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2) waarin de concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn onderzocht, in beeld zijn gebracht en zijn beoordeeld. In dat onderzoek zijn de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM1 0 en PM2,5), het aantal overschrijdingen van de uurgemiddelde concentratie NO2 en het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddelde concentratie PM1 0 berekend. De jaargemiddelde concentraties zijn berekend op diverse locaties in en rondom de voorgenomen ontwikkeling. Stikstofdioxide (NO2 ) De berekende jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide bevinden zich onder de wettelijk bepaalde grenswaarden voor stikstofdioxide (40 µg/m3 ). De berekende uurgemiddelde concentratie NO2 mag niet meer dan 18 keer per jaar groter zijn dan 200 µg/m3 . Uit de berekeningen blijkt dat de uurgemiddelde concentratie NO2 op alle beoordelingspunten minder dan 18 keer per jaar groter is dan 200 µg/m3 .

Fijnstof (PM1 0) De berekende jaargemiddelde concentraties fijn stof bevinden zich onder de wettelijk bepaalde grenswaarde (40 µg/m3 ). De berekende 24-uursgemiddelde concentratie PM1 0 mag niet meer dan 35 keer per jaar groter zijn dan 50 µg/m3 . Uit de berekeningen blijkt dat de 24-uursgemiddelde concentratie PM1 0 op alle beoordelingspunten minder dan 35 keer per jaar groter is dan 50 µg/m3 .

blad 29 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Fijnstof (PM2,5) De berekende jaargemiddelde concentraties PM2,5 liggen (ruim) onder de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie PM2,5 (25 µg/m3 ). Conclusie Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de op het betreffend punt te toetsen grenswaarden. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer vormt dan ook geen belemmering voor verdere besluitvorming (artikel 5.16, lid 1 onder a Wm).

4.3

Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes, zoals spoorwegen of buisleidingen. Het juridisch kader voor externe veiligheid wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het juridisch kader staan de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) centraal. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Van Iperen valt vanwege de hoeveelheid aanwezige gevaarlijke stoffen onder de verplichtingen van de Europese richtlijnen Seveso III en daarmee onder de verplichtingen van het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo). Voor Brzoinrichtingen is het Bevi van toepassing. Van Iperen valt met haar activiteiten onder de verplichtingen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het kader van de vanwege deze ontwikkelingen te doorlopen bestemmingsplanwijziging is daartoe de externe veiligheidssituatie voor de voorgenomen situatie bij Van Iperen onderzocht, in kaart gebracht en beoordeeld.

Beleid en regelgeving Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6-contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve (zie figuur 4.1). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald) ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

In veel gevallen geldt tevens een 'verantwoordingsplicht', wat betekent dat, naast de rekenkundige omvang van het groepsrisico, tevens rekening moet worden

blad 30 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

gehouden met risicoreducerende maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Opgemerkt wordt dat zowel het PR als het GR alleen betrekking heeft op aanwezigen buiten de grenzen van het bedrijfsterrein. Zowel het PR als het GR heeft geen betekenis voor aanwezigen op het eigen bedrijfsterrein (zoals werknemers, bezoekers, contractors, etc.). Verder is van belang dat het PR en GR worden berekend voor de normale bedrijfssituatie.

44.1 Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport (Antea Group, 2018). Planologische situatie voor Van Iperen in relatie tot het Bevi Van Iperen Westmaas is gelegen binnen het bestemmingsplan Landelijk Gebied Binnenmaas onherroepelijk (vastgesteld 2013-12-24). Binnen dat bestemmingsplan zijn ter plaatse van de inrichting van Van Iperen veiligheidscontouren op kaart weergegeven. Deze zijn afgebeeld in figuur 4.2 welke op navolgende pagina is weergegeven.

Figuur 4.2 Veiligheidszone Bevi (in blauw) rondom het terrein van Van Iperen Westmaas Daarnaast beschikt Van Iperen over een recente Wabo-vergunning voor het onderdeel blad 31 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Milieu (zie hoofdstuk 1 van deze rapportage) waarbij op basis van de opgestelde QRA en addendum de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar is vastgelegd. Deze zijn weergegeven in figuur 4.3 op navolgende pagina.

Figuur 4.3 Plaatsgebonden risicocontouren voor Van Iperen Westmaas in de vigerende vergunde situatie Hieruit kan worden geconcludeerd dat de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour in de Wabovergunde situatie buiten de veiligheidszone, zoals opgenomen in het vigerend bestemmingsplan, is gelegen. Deze discrepantie wordt in dit bestemmingsplan weggenomen. In dit kader zijn in het rapport 'veiligheidscontouren' berekend en inzichtelijk gemaakt en meegenomen in dit bestemmingsplan. Hierbij zijn de contouren afgestemd op de situatie zoals Van Iperen deze na vaststelling van dit bestemmingsplan wil realiseren. Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan is een risicoanalyse uitgevoerd (zie bijlage 3). In het onderzoek is beoordeeld of de vigerende situatie zoals opgenomen in het bestemmingsplan en vergunning overeenkomen met de in het bestemmingsplan voorgenomen wijzigingen. Plaatsgebonden risico Vigerende situatie In het huidig bestemmingplan is planologisch reeds rekening gehouden met externe veiligheidsrisico’s welke het gevolg zijn van de activiteiten binnen Van Iperen Westmaas. Dit is onder meer geborgd in het bestemmingsplan middels planregels en de veiligheidszone Bevi welke in het bestemmingsplan is opgenomen. Tevens zijn de huidige activiteiten van Van Iperen Westmaas vanuit Wabo-milieutechnisch oogpunt vergund.

Bij die vergunning zijn de externe veiligheidsrisico’s vastgelegd die deze in de daaraan ten grondliggende aanvraag beschreven activiteiten met zich meebrengen blad 32 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

ge(waar)borgd. De plaatsgebonden risicocontouren zijn opgenomen in de brief “addendum QRA Van Iperen Westmaas, met kenmerk 20191014 en projectnummer 0442291.100 van 15 oktober 2019 door Antea Group. De reeds aangehaalde veiligheidszone Bevi en de vigerende 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour horend bij de vergunde activiteiten van Van Iperen zijn beiden opgenomen in onderstaande figuur.

Figuur 4.4 Veiligheidszone Bevi uit vigerend bestemmingsplan en plaatsgebonden risicocontour 10-6-per jaar horend bij de reeds vergunde activiteiten van Van Iperen Westmaas. Onderhavig bestemmingsplan Met in acht name van het gemeentelijk EV-beleid en de in voorafgaande paragraaf inzichtelijk gemaakte contouren wordt voorgesteld uit te gaan van de maximale omvang van de 10-6 per plaatsgebonden risicocontouren zoals weergegeven in figuur 4.5. De opgenomen contour is samengesteld uit de plaatsgebonden risicocontouren 10-6 per jaar samenhangend met de bestaande/reeds vergunde activiteiten waar deze buiten de inrichting is gelegen, en de inrichtingsgrens op basis van de toekomstige situatie inclusief de aangekochte percelen. Zodoende wordt geen inbreuk gemaakt op bestaande rechten en invulling gegeven aan de gemeentelijke visie op dit vlak.

blad 33 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Figuur 4.5 Voorstel voor Veiligheidszone Bevi voor bestemmingsplan wijziging Uit aanvullend onderzoek is gebleken dat het plaatsgebonden risico van de voorgenomen situatie van Van Iperen valt binnen deze contour uit figuur 4.5. Groepsrisico Voor het uitvoeren van een groepsrisicoberekening moeten de gegevens betreffende het aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de inrichting worden bepaald. In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico wordt aangegeven dat de inventarisatie van de aanwezigheidsgegevens primair plaats dient te vinden aan de hand van het (vigerende/toekomstige) bestemmingsplan. De nauwkeurigheid van de inventarisatie van de bevolking dient aan te sluiten bij de relatieve bijdrage aan het groepsrisico. Dit betekent dat er binnen de 10-8/jaar plaats gebondenrisicocontour nauwkeurig geïnventariseerd moet worden op basis van bestemmingsplannen. Daarbuiten kan globaler met gebiedskentallen worden gerekend die zijn vastgelegd in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico.

blad 34 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Figuur 4.6: invloedsgebied groepsrisico Van Iperen Het invloedsgebied is gedefinieerd als de grootste afstand waarop de overlijdenskans bij maximaal 30 minuten blootstelling is gedaald tot 1%. Deze afstand is voor Van Iperen weergeven in figuur 4.6. De grootste afstand wordt veroorzaakt door het scenario instantaan met betrekking tot de propaan tankwagen (100% gevuld). De grootste 1% letaliteitsafstand bedraagt circa 210 meter. Binnen het invloedsgebied zijn industrie- en agrarische gebieden gelegen. Kerntallen bevolkingsvlakken: Industrie-/bedrijventerrein - uitgegaan wordt van het kengetal van 40 personen per hectare met een aanwezigheid van 100% in de dag en 21% in de nacht, conform PGS 1 deel 6. Buitengebied (agrarisch) - uitgegaan wordt van het kengetal van 1 personen per hectare met een aanwezigheid van 100% in de dag en 100% in de nacht, conform Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Uit de berekening voor de groepsrisico blijkt dat er geen slachtoffers worden berekend. Dit betekent dat er geen sprake is van groepsrisico: juridisch gezien begint een groepsrisico vanaf 10 slachtoffers of meer. Conclusie Op basis van de vigerende situatie (conform Wabo-vergunning en planologisch vastgelegd) is een veiligheidszone Bevi bepaald met betrekking tot de locatie van Van Iperen Westmaas.

Vervolgens zijn de voorgenomen toekomstplannen van Van Iperen getoetst aan die voorgestelde veiligheidszone. Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat de voorgenomen situatie inpasbaar is binnen de voorgestelde veiligheidszone Bevi. Plaatsgebonden risico Binnen de 10-6-contour bevinden zich geen kwetsbare objecten. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor (geprojecteerd) kwetsbare objecten uit het Bevi. Binnen de 10-6-contour bevindt zich 1 fysiek bestaand beperkt kwetsbare object dat ten tijde blad 35 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

van vaststelling van het vigerend bestemmingsplan inclusief de bedrijfsovering/activiteiten van Van Iperen reeds aanwezig/gerealiseerd was. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtwaarde voor (geprojecteerd) beperkt kwetsbare objecten uit het Bevi maar dit is in de huidige 'vergunde' situatie echter ook al het geval en planologisch en vergunningtechnisch reeds toegestaan. Deze situatie wijzigt met de beoogde bestemmingsplanwijziging feitelijk niet en kan dus zonder beperking (geaccepteerd) in stand blijven. De berekende 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour is geheel gelegen binnen de vigerende 10-6 per plaatsgebonden risicocontour en de voorgestelde veiligheidszone. Groepsrisico Uit de berekening van het groepsrisico van Van Iperen blijkt dat er geen slachtoffers worden berekend. Dit betekent dat er conform Bevi/Revi geen sprake is van een significant groepsrisico (hiervan is sprake vanaf 10 slachtoffers).

4.4

Bodem Beleid en regelgeving In het Besluit ruimtelijke ordening is in artikel 3.1.6 indirect geregeld dat een bodemonderzoek verricht moet worden met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Een initiatiefnemer moet onderzoek verrichten naar de bestaande toestand en deze toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit. Op sterk verontreinigde grond mogen geen gevoelige objecten, zoals woningen gerealiseerd worden. Het bodemonderzoek is opgebouwd uit verschillende fasen. In eerste instantie wordt een BIS-toets (BodemInformatieSysteem) uitgevoerd, waarbij historische gegevens over de bodem worden geanalyseerd. Uitgangspunten hierbij zijn in het verleden uitgevoerde bodemonderzoeken, historische informatie over voormalige bedrijvigheid en gedempte sloten en de huidige potentieel bodembedreigende activiteiten. De BIS-toets wordt verder aangevuld met vooronderzoek om uitsluitsel te geven of de potentieel bodembedreigende activiteiten geleid (kunnen) hebben tot bodemverontreiniging. Als een verontreiniging aannemelijk is, wordt door middel van een verkennend bodemonderzoek bepaald of de verontreiniging ernstig is. Op grond van artikel 8 van de Woningwet dient te worden voorkomen dat er gebouwd wordt op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van de bodem.

Dit wordt voorkomen door het uitvoeren van een bodemonderzoek. Onderzoek Voor het initiatief is bodemonderzoek uitgevoerd. Het betreft twee onderzoeken die als bijlage 4 en 5 bij deze toelichting zijn gevoegd. In tabel 4.2 zijn de deellocaties weergegeven die als verdacht zijn aangemerkt in milieuhygiënisch opzicht. Voor het overige deel van het onderzoeksgebied zijn tijdens het onderzoek geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op het onderzoeksterrein of in de directe omgeving. Tabel 4.2

blad 36 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Perceel D390 Ter plaatse van perceel D390 zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd en heeft in 2018 een asbestsanering plaatsgevonden. Uit het verkennend bodemonderzoek in 2018 blijkt dat enkel een gedeelte van het gehele perceel onderzocht is, waardoor onbekend is of op het niet-onderzochte bodem sprake is van sterke verontreinigingen in de bodem. Dit hoeft geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging te zijn, aangezien de locatie naar verwachting door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. Het bodemonderzoek wordt bij aanvraag van een omgevingsvergunning eveneens getoetst. Dit is een ander toetsingskader. Indien een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw wordt ingediend, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Voor het gedeelte dat wel onderzocht is vormt de kwaliteit van de bodem op grond van de resultaten van de bodemonderzoeken en het saneringsresultaat (volledige verwijdering) geen bezwaar voor de geplande bestemmingsplanwijziging. Perceel D579 Ter plaatse van perceel D579 zijn tot dusver geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Uit het historisch onderzoek volgt echter dat er geen sprake is van een verdachte bodemlocatie. Indien sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning dient alsnog bodemonderzoek conform de NEN 5725-5740/NEN 5707 uitgevoerd te worden. Er is dan sprake van een ander toetsingskader.

De bestemmingsplanwijziging kan, voor wat de bodem betreft, wel plaatsvinden. Asbest blad 37 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Op basis van het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie gedeeltelijk als asbestverdacht wordt aangemerkt, omdat tijdens voorgaande bodemonderzoeken asbesthoudend materiaal is aangetroffen op of in de bodem. De verdachte locaties betreffen de voormalige parking op het westelijk deel en de stallen op het noordelijk deel van de Smidsweg 20 te Westmaas. Aanvullend onderzoek dient te gebeuren om de asbestverontreiniging verder in te kaderen. Tevens is geadviseerd om de asbestverontreiniging in de bodem te saneren. Het overige terrein wordt als onverdacht ten aanzien van asbest aangemerkt. Perceel 392 Er zijn zintuigelijk, in de boven- en ondergrond en in het grondwater geen relevante waarden of bijzondheden aangetroffen. De verkregen resultaten vormen geen belemmering voor de realisatie van eventuele toekomstige bouwplannen ter plaatse. Conclusie Het milieuaspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit is geschikt voor bestemming Bedrijf. Wel dient bij nieuwbouw nader onderzoek uitgevoerd te worden t.b.v. de omgevingsvergunning voor het bouwen, waarbij aandacht moet zijn voor asbest.

4.5

Water Beleid en regelgeving Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, tekort aan waterkwantiteit, verdroging, et cetera te voorkomen. Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. In het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening is dit geregeld in artikelen 3.1.1. en 3.1.6. Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete en gebiedspecifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie “vasthouden, bergen en afvoeren” moet worden gehanteerd. Onderzoek De toelichting op de watertoets is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.

In het kader van de watertoets worden het geldende beleid en regelgeving en de huidige situatie beschreven, hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 3 in die bijlage. In de watertoets worden de randvoorwaarden aangehaald en beschreven hoe met water in dit bestemmingsplan wordt omgegaan en op welke wijze wordt voldaan aan beleid en regelgeving. Onderstaand worden deze randvoorwaarden en de beoogde situatie aangehaald.

blad 38 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Randvoorwaarden In de nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem van het waterschap staat bij artikel BL-11 dat de versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding volledig gecompenseerd moet worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening, met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Zowel het waterschap als de gemeente Hoeksche Waard heeft aangegeven dat het plangebied aan deze compensatie-eis moet voldoen, bij voorkeur zo dichtbij als mogelijk, maar minimaal binnen hetzelfde peilvak. De voorkeursvolgorde ten aanzien van het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening betreft dus: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename, nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied, nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. De compensatie dient gelijktijdig of voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding te worden gerealiseerd. Het afstromend hemelwater naar open water, al dan niet door middel van een leiding, mag geen uitspoeling van de waterbodem en taluds tot gevolg hebben. Toekomstige situatie De voorgenomen ontwikkeling van de initiatiefnemer wordt uitgegaan van een verhardingspercentage van 100% voor perceel 390 en een verhardingspercentage van 75% voor perceel 570 en 392.

In dit geval komt de hoeveelheid onverhard terrein uit op circa 2.250 m² en is de toename verhard oppervlak circa 13.875 m². In het reeds ingerichte deel van het gebied vinden geen wijzigingen plaats. Conform de randvoorwaarden van het waterschap moet ter compensatie van de toename van verhard oppervlak circa 1.388 m² oppervlaktewater gerealiseerd worden. Watersysteem Aan de noordkant van perceel 579 ligt op dit moment een watergang uit de categorie 'overig'. Deze watergang zal gedempt worden, de watergang aan de oostkant van het perceel zal als compensatie worden verbreed. Voor de demping en verbreding van de watergang is reeds een vergunning afgegeven.

blad 39 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Figuur 4.7: wijzigingen in watergangen Hemelwaterafvoer Afstromend hemelwater mag conform het beleid van de gemeente en het waterschap niet aangesloten worden op het vuilwaterriool, maar moet lokaal afgekoppeld en verwerkt worden. Door de toename van verhard oppervlak vindt er een versnelde afvoer naar het oppervlaktewater plaats. Om wateroverlast te voorkomen, moet daarom de toename in verharding gecompenseerd worden door nieuw oppervlaktewater (1.125 m²) te realiseren conform de voorkeursvolgorde van het waterschap: in de directe nabijheid van de verhardingstoename; binnen hetzelfde peilgebied; in het benedenstrooms gelegen peilgebied. In de onderstaande figuur 4.8 worden twee voorstellen gedaan voor mogelijk locaties voor de 1.125 m2 compensatie. Het waterschap wordt voorafgaand aan de realisatie betrokken zodat opties/uitvoering in overleg kan plaatsvinden m.b.t. de omvang van de watergangen.

blad 40 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Figuur 4.8: voorgesteld watercompensatielocaties Daarnaast wordt een voorstel gemaakt voor de invulling van hemelwaterafvoer en waterberging binnen het plangebied. Dit kan aan de hand van: vasthouden, bergen en afvoeren. Hiervoor worden een aantal voorstellen gemaakt, zoals waterdaken, waterplein of waterkelder om vast te houden om het water vervolgens vertraagd af te voeren richting het oppervlaktewater. Naast het vasthouden en vertraagd afvoeren van water richting oppervlaktewater kan water ook geborgen worden in nieuw te graven oppervlaktewater. Het plangebied wordt aan twee kanten begrensd door watergangen. Door bijvoorbeeld deze te verbreden kan dit oppervlak worden gerealiseerd. In het huidige stedenbouwkundige plan is nog geen rekening gehouden met de compensatie-eis. Vuilwaterafvoer Het nieuwe pand kan, net als het huidige pand, worden aangesloten op de vuilwaterpersleiding. Waterkwaliteit Het hemelwater dat terechtkomt op de bebouwing en de openbare verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen (zoals lood, koper, zink en zacht PVC) gebruikt worden. Dit schone hemelwater dient gescheiden van het vuilwater afgevoerd en verwerkt te worden. Grondwater De toename aan verharding heeft tot gevolg dat minder water kan infiltreren in de bodem.

De verwachting is dat de toename aan verharding in het plangebied een nauwelijks waarneembaar effect heeft op de grondwaterstand. Waterkeringen en beschermingszones blad 41 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Er zijn geen waterkeringen en hun beschermingszones in en rondom het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft daardoor geen effect op waterkeringen. Conclusie Indien wordt voldaan aan de randvoorwaarden van zowel het waterschap als de gemeente en nieuwe oppervlaktewater wordt gerealiseerd, vormt het aspect water geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

4.6

Ecologie Beleid en regelgeving Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. De Wet natuurbescherming kent twee dimensies: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voor wat betreft gebiedsbescherming verandert er niet veel. De bescherming van Natura 2000-gebieden wordt overgenomen, maar behelst niet meer dan wat strikt noodzakelijk is volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn. Er zijn ook geen mogelijkheden voor provincies om zwaardere eisen te stellen. Buiten de Natura 2000-gebieden kan een provincie wel verdergaande bescherming bewerkstellingen door daarover in verordeningen regels te stellen. Bij de soortenbescherming blijven de verboden behouden. De lijst met beschermde soorten wijzigt echter. De indeling in beschermingsniveaus verdwijnt. Er komen drie regimes voor beschermde soorten: de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen en 'andere soorten'. Dit betekent dat bij nieuwe projecten deels met andere soorten rekening gehouden moet worden dan voorheen. Een aantal nu nog beschermde soorten, vooral vaatplanten en zeevissen, wordt – afgezien van de algemene zorgplicht – straks niet meer beschermd.

Met de nieuwe wet wordt bij het aanvragen van een omgevingsvergunning bij de gemeente meteen getoetst wat de gevolgen voor de natuur zijn. Het is echter nog steeds mogelijk om de natuurvergunning/ontheffing rechtstreeks bij het bevoegd gezag, de provincie waar de activiteit plaatsvindt, aan te vragen. Voor activiteiten van nationaal belang geldt het Rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) nog steeds als bevoegd gezag. Voor activiteiten waar een omgevingsvergunning nodig blijft, moet die binnen 13 (+7) weken worden verleend. In de praktijk blijven bij plannen en projecten ecologische onderzoeken, toetsingen aan de wet en de vergunning- of ontheffingsplicht nodig. In de Natuurtoets (zie bijlage 7) bij dit bestemmingsplan is het voornemen getoetst aan de 2018 vigerende wetgeving. De resultaten van deze analyse zijn in deze paragraaf opgenomen in tekstblokken. Onderzoek Gebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Oudeland van Strijen' op circa 3 km. Echter, dit Natura 2000-gebied is niet stikstof gevoelig. De afstand tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden zijn 'Krammer-Volkerak' op circa 10 kilometer en de 'Biesbosch' op circa 15 kilometer. Hiervoor is een stikstofdepositie berekening (zie bijlage 9) uitgevoerd.

Uit de met AERIUS Calculator en Connect uitgevoerde berekeningen blijkt dat, als gevolg van de maatgevende gebruiksfase

blad 42 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

ten behoeve van het plan de stikstofdepositietoename niet meer bedraagt dan 0,00 mol N per hectare per jaar op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hierdoor kunnen voor het aspect stikstofdepositie significante gevolgen worden uitgesloten en vormt dit stikstofdepositie geen belemmering voor de verdere planprocedure. Daarmee is het plan dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden. In het plangebied liggen geen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt circa 1 kilometer ten westen van het plangebied. Provincie Zuid-Holland heeft echter geen externe werking aangewezen voor NNN. Er is daarom geen noodzaak voor vervolgstappen of een uitgebreidere toetsing Soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat het leefgebied van de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: algemene broedvogels; huismus; en vleermuizen. In Tabel 4.3 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is. Tabel 4.3: Een overzicht van de vervolgstappen voor soortbescherming.

Bescherming houtopstanden In het plangebied zijn twee bomen aanwezig. Twee bomen worden gerooid in het plangebied. De Wnb is echter enkel van toepassing op houtopstanden groter dan 1.000 m2 en bomenrijen van meer dan 20 bomen. Hier betreft het slechts twee bomen, derhalve is hier blad 43 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

geen sprake van overtreding van de Wnb betreft de Bescherming van de houtopstanden. Er dient wel rekening te worden gehouden met de APV. Nader onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen Uit de eerder uitgevoerde Natuurtoets (Antea Group, 2018) is naar voren gekomen dat het plangebied geschikt is voor de gierzwaluw, huismus en vleermuizen. Hierdoor is nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van deze soorten in het plangebied noodzakelijk. Deze paragraaf beschrijft de bevindingen van dit vervolgonderzoek (zie bijlage 8 voor volledig onderzoek). Huismus De huismus is tijdens de veldbezoeken waargenomen. Op 7 locaties is de huismus zingend waargenomen waarbij ook is geobserveerd dat de dieren in holtes in dakpannen kropen. De huismus is ook in de jaarrond groene vegetatie waargenomen, als schuil en leefgebied, de zogenaamde vergaderplekken. Zodoende heeft het plangebied voor de huismus essentiële functies als nestlocatie (vaste rust- en verblijfplaats) en leefgebied in de jaarrond groene vegetatie. Het verwijderen van deze locaties betekent het vernietigen van nestlocaties en essentieel leefgebied van de huismus. Gierzwaluw De gierzwaluw is niet waargenomen tijdens de veldbezoeken. Concluderend kan worden gesteld dat er geen sprake is van essentiële functies voor de gierzwaluw in het plangebied.

Vleermuizen In het plangebied is één soort waargenomen: de gewone dwergvleermuis. Deze is alleen foeragerend waargenomen. Een verklaring over het gering aantal waarnemingen van vleermuizen kan grotendeels worden verklaard door de aanwezigheid van de reeds bestaande verlichting. Vanuit het terrein van Van Iperen BV is er sprake van relatief veel verlichting aan de westelijke kant van het plangebied, aan de zuidelijke kant van is er sprake van veel verlichting uit het plangebied zelf. Alleen de noordoostelijke en oostelijke kant bleven ’s avonds relatief donker. De openbare lantaarnpalen aan de Smidsweg zorgen ook voor felle belichting ten zuiden van het plangebied. Hoewel deze belichting geen effect heeft op het plangebied zelf, heeft deze wel effect op de bomenrij aan de Smidsweg. Richting het westen stopt de bomenrij waar overigens ook geen waardevolle elementen voor vleermuizen (vliegroute, verblijfplaats, foerageergebied) aanwezig zijn. Een mogelijke vliegroute zou aan de zuidelijke kant van de weg, tussen de watergang en de bomenrij, kunnen zijn. Die is gelegen op ruime afstand van het plangebied. Het is hierdoor uitgesloten dat het voornemen effect heeft op vliegroutes van vleermuizen. Concluderend kan worden gesteld dat er geen sprake is van essentiële functies voor vleermuizen in het plangebied.

Ontheffing Wnb en mitigerende maatregel huismus Er 7 nesten van de huismus in het plangebied waargenomen. Ook is jaarrondgroene vegetatie aanwezig die gebruikt worden als verblijfplaats. Door het voornemen gaan deze functies verloren. Deze nesten en verblijfplaatsen dienen te worden gecompenseerd door het blad 44 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

creëren van minimaal 14 nieuwe nestlocaties en nieuwe jaarrondgroene vegetatie beschikbaar te maken. Als geschikte locatie voor het compenseren van de nest- en verblijfplaatsen is de noordwestelijke rand van het terrein van Van Iperen BV gekozen, tussen de percelen 391 en 579. In 2020 heeft nader onderzoek naar voorkomen van huismus plaatsgevonden (Antea Group, mei 2020, Nader onderzoek Van Iperen Westmaas, rev.01). Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied gebruikt wordt door huismus. Hiervoor is in 2020 een ontheffing in het kader van de Wnb ingediend bij de provincie Zuid-Holland (Antea Group april 2020, Activiteitenplan uitbreiding terrein Van Iperen rev.00). De ontheffing is op 7 juni 2021 verleend door de Omgevingsdienst Haaglanden. Verder is als mitigerende maatregel nu al een mussenhotel geplaatst. Zie onderstaande foto het geplaatste mussenhotel en de locatie ter hoogte van de rode cirkel.

Figuur 4.9: geplaatst huismussenhotel Conclusie Op basis van de bevindingen, aangevraagde ontheffing en de toegepaste mitigerende maatregel is het bestemmingsplan voor het aspect natuur uitvoerbaar.

4.7

Archeologie Beleid en regelgeving Verdrag van Malta en Wet op de Archeologische Monumentenzorg Het Verdrag van Malta, ook wel het verdrag van Valletta genoemd, is een Europees verdrag dat in 1992 is ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Het verdrag is er op gericht het bodemarchief beter te beschermen. Het bodemarchief bestaat uit alle archeologische waarden die zich in de bodem bevinden. Deze archeologische waarden dienen op een integrale wijze beschermd te worden, waarbij de volgende drie principes gelden: 1.

blad 45 van 61

Tijdig rekening houden met eventuele aanwezigheid van archeologische waarden: Het is belangrijk dat bij de ruimtelijke inrichting van een gebied tijdig rekening gehouden wordt met mogelijk aanwezige archeologische resten. Daarom dient voorafgaand aan een nieuwe ontwikkeling onderzoek plaats te vinden naar archeologische waarden in de bodem van het plangebied. Hierdoor kunnen tijdig archeologievriendelijke alternatieven gezocht worden en wordt tevens een stukje onzekerheid tijdens de bouw van de ontwikkelingen weggenomen, doordat vooraf duidelijk is of er al dan niet archeologische resten in bodem te verwachten zijn. Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

2.

Behoud in situ: Er wordt naar gestreefd archeologische waarden in de bodem te bewaren (behoud in situ). In de bodem blijven de resten immers goed geconserveerd. 3. Verstoorder betaalt: Degene die verantwoordelijk is voor het verstoren van de grond dient te betalen voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarden, wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Dit verdrag is in 2007 vertaald naar de Nederlandse situatie middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Onder deze wet, een wijzigingswet die onder andere de Monumentenwet 1998 heeft gewijzigd, zijn de gemeenten de bevoegde overheid inzake archeologie geworden. Zij dienen het aspect archeologie onder meer te borgen in nieuwe bestemmingsplannen. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.

In het huidige bestemmingsplan heeft het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1’. Op die wijze zijn de te verwachten archeologische waarden beschermd. Bij nieuwe ontwikkelingen en werkzaamheden dient middels onderzoek gekeken te worden of de mogelijk aanwezige archeologische waarden worden geschaad. Onderzoek Om de mogelijke consequenties van de uitvoering van het initiatief op archeologische waarden te bepalen is in augustus 2018 door Antea Group een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase) uitgevoerd op de percelen 390, 392, 579 en een deel van de bestaande bedrijfslocatie ter plaatse van de geplande nieuwbouw met de dubbelbestemming 'waarde – archeologische verwachting middelhoog 1'. Deze dubbelbestemming is overeenkomstig met een middelhoge verwachting op de gemeentelijke beleidskaart. Hierbij geldt dat archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden indien de bodemingrepen een oppervlakte groter dan 500 m2 beslaan en/of de bodem dieper dan 0,5 m – mv verstoren. De uitgevoerde bureau- en inventariserende veldonderzoeken die voor dit bestemmingsplan zijn uitgevoerd, zijn als bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. Bureauonderzoek In de diepere ondergrond van de percelen ligt Basisveen. Hierboven bevinden zich rivier- en mariene afzettingen.

In de bronstijd vorm zich hierop opnieuw veen (Hollandveen). De top van het Hollandveen kan vanaf de ijzertijd bewoond zijn geweest. De top van dit veen ligt naar verwachting op circa 1,5 m – mv. Het veenpakket is zeker vanaf de late middeleeuwen afgedekt door mariene afzettingen. De afzetting hiervan is mogelijk met erosie van de top van het Hollandveen gepaard gegaan. In dit geval zullen eventuele archeologische resten in de top van het veen niet bewaard zijn gebleven. Er kunnen in theorie in het plangebied dus resten vanaf de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd aanwezig zijn. De aanwezigheid van archeologische resten is sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied in het verleden verstoord is geraakt of niet. Dit kan zowel een menselijke als natuurlijke oorzaak hebben. Dit kan echter niet worden bepaald door een bureauonderzoek alleen. Er is binnen de percelen een booronderzoek (verkennende fase) uitgevoerd om de mate van intactheid van de bodemopbouw te bepalen. blad 46 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

Veldonderzoek Op de oostelijke deellocatie (perceel 390) is het potentiële archeologische niveau (de top van het Hollandveen) volledig verdwenen. Dit is hier ingesneden door de zandige kreek, waardoor hier een lage archeologische verwachting geldt. Op de westelijke deellocatie (perceel 579) is de van oorsprong kleiige top van het veen wel bewaard gebleven en later afgedekt door humeuze (sterk) riethoudende kleiige afzettingen. Vanwege het kleiige karakter van de top van het veen en het ontbreken van een veraarde toplaag was dit in de IJzertijd bodemkundig gezien een ongunstig deel van het veengebied om zich te vestigen. Vanwege het ontbreken van archeologische indicatoren, zoals houtskool, aardewerk of botfragmenten lijkt op deze locatie in ieder geval geen sprake te zijn geweest van een vondstrijke nederzetting. Afgezien van wat baksteenfragmenten in de bouwvoor zijn ook geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats uit de (late) middeleeuwen of nieuwe tijd. Vertaling naar bestemmingsplan Vanuit de onderzoeken wordt geadviseerd om alle onderzochte gebieden (percelen 390, 392, 579 en een deel van het bestaande bedrijfsperceel zonder aanvullend archeologisch onderzoek vrij te geven. In dit bestemmingsplan is daarom de dubbelbestemming 'waarde – archeologische verwachting middelhoog 1' zoals die in het huidige bestemmingsplan aanwezig is verwijderd.

Wel is na beoordeling door bevoegd gezag geconcludeerd dat er nog een strook van 5 meter aan de oostzijde van perceel 390 relevant is om onder begeleiding van een archeoloog uit te laten voeren indien daar werkzaamheden uitgevoerd worden dieper dan 0,5 m. Deze strook heeft op de verbeelding van het bestemmingsplan daarom nog wel de archeologische dubbelbestemming gekregen. De overige gronden in het plangebied die niet onderzocht zijn behouden de archeologische dubbelbestemming zoals deze ook nu geldt. Daarnaast geldt dat ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden altijd de mogelijkheid bestaat dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. De resultaten van het bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek zorgen ervoor dat de bouw en werkzaamheden die voorzien zijn uitgevoerd kunnen worden en vormen daarmee geen belemmering voor het realiseren van de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van de initiatiefnemer binnen het plangebied.

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.8

Cultuurhistorie Beleid en regelgeving Beleid dat betrekking heeft op cultuurhistorie is overwegend gericht op het behoud van bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening, de gemeentelijke erfgoedkaart en de

blad 47 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Onderzoek De voorgenomen uitbreiding van de bedrijfslocatie van de initiatiefnemer gaat niet ten koste van Werelderfgoed, rijksmonumenten, beschermde stads- of dorpsgezichten of gemeentelijke monumenten. In de nabijheid van het plangebied liggen enkele agrarisch gebouwen aangeduid als Rijksmonumenten. Daarnaast liggen in de nabijheid van het plangebied enkele gemeentelijke monumenten. Noorse huisjes aan de Stougjesdijk 17, 19, 21, een woonhuis aan de Stougjesdijk 168 en een woonhuis aan de Smidsweg 38. Volgens de Cultuur historische atlas van de provincie Zuid-Holland is het plangebied gelegen aan cultuurhistorisch vlak aangeduid als Dijklint. In de Structuurvisie Hoeksche Waard wordt beschreven hoe de landschappelijk inpassing dient uitgevoerd te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Figuur 4.10: cultuurhistorische waarden uit Cultuur historische atlas provincie Zuid-Holland Conclusie Het aspect cultuurhistorie werpt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan indien wordt voldaan aan de landschappelijk inpassing, de uitwerking hiervan is opgenomen in paragraaf 2.2.

4.9

Verkeer en parkeren Beleid en regelgeving Bij het opstellen van bestemmingsplan is het noodzakelijk om te analyseren of de

blad 48 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

voorgenomen ontwikkeling leidt tot extra verkeersgeneratie om zo eventuele nadelige effecten op de leefbaarheid te voorkomen. Onderzoek Verkeersgeneratie De voorgenomen ontwikkeling heeft gevolgen voor de verkeer aantrekkende werking en daarmee op het aantal verkeersbewegingen en het aantal parkeerplaatsen. Voor de verkeersgeneratie van het bestemmingsplan is worstcase aangesloten bij de kentallen van CROW-publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Tabel A8 uit deze publicatie is gehanteerd om het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per netto ha bedrijventerrein per weekdagetmaal, naar werkmilieutype en vervoerswijze te bepalen. Het meest overeenkomende en worstcase type werkmilieu is dat van ‘distributieterrein’. Uitgaande van in totaal 170 motorvoertuigen per hectare en 6,47 hectare bedrijventerrein (waarvan circa 20,6% vrachtverkeer). Voor de distributie van het verkeer over de wegen is, overeenkomstig het akoestisch onderzoek van Tauw uit juni 2017, ervan uitgegaan dat het aantrekkende verkeer voor circa 80% in de oostelijke richting over de Smidsweg rijdt en circa 20% in de westelijke richting rijdt. Op basis van de totale verkeersaantrekkende werking van de inrichting is de verkeersgeneratie voor een jaargemiddelde weekdag onderverdeeld naar lichte, middelzware en zware motor-voertuigen.

Op basis van de CROW-publicatie is de in onderstaande tabel gepresenteerde verdeling gehanteerd. Tabel 4.4: worst-case verkeersgeneratie

Bedrijfsspecifieke verkeersgeneratie Op basis van de werkelijke bedrijfsvoering van Van Iperen is gekeken welke extra verkeersbewegingen te verwachten zijn op basis van de groei van het bedrijf. De bedrijfsvoering wordt met name geoptimaliseerd en daardoor is de verkeerstoename niet zo groot als op basis van de worst-case CROW-kencijfers blijkt. De worst-case verkeersgeneratie is wel gebruikt voor de onderzoeken lucht en stikstof om aan te tonen dat daar geen knelpunten ontstaan. Voor het overige wordt uitgegaan van een bedrijfsspecifieke verkeersaantrekkende werking omdat dit een uitbreiding betreft van een bestaand bedrijf en ook op die wijze specifiek is bestemd in dit bestemmingsplan. Het bedrijf geeft aan dat met de voorgenomen ontwikkeling een beperkte toename aan verkeer is te verwachten en er niet of nauwelijks een stijging van het aantal motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal (mvt/etm) optreedt. Voor Van Iperen zal het blad 49 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

aantal personenauto’s licht toenemen (ca. 100 mvt/etm) en ook het aantal vrachtautobewegingen zal licht toenemen (ca. 100 mvt/etm). Daarentegen zorgt het verdwijnen van de bedrijfsactiviteiten op het voormalig perceel van Blijdorp voor een afname van 200 mvt/etm. Deze afname door het huidig gebruik dat planologisch mogelijk is, is niet meegenomen in de worst-case generatie waarin uitsluitend naar de groei van het bedrijfsperceel is gekeken. Per saldo blijft het aantal verkeersbewegingen ongeveer gelijk. Parkeren Momenteel worden circa 130 van de 180 beschikbare parkeervoorzieningen op het grote, bestaande parkeerterrein gebruikt. Circa 25% (30) wordt door chauffeurs gebruikt die buiten werkuren aankomen (voor 7:00 en na 18:00 uur). Bij de planvorming is rekening gehouden met de groei van het bedrijf en daarmee ook de groei van het aantal chauffeurs. Dit houdt in dat er circa 40 chauffeurs zullen zijn die in de toekomst buiten de dagperiode c.q. reguliere werkuren reizen van en naar het bedrijf. De overige parkeerders zijn werknemers die tussen 7:00 uur en 9:00 uur aankomen en tussen 16:30 uur en 18:00 uur vertrekken. Op het nieuwe parkeerterrein zijn 200 parkeerplaatsen voorzien. De benodigde capaciteit van het parkeerterrein na uitbreiding van het bedrijf is in lijn met de richtlijnen van het CROW voor dit soort type en kan volledig op eigen terrein worden gerealiseerd.

Ontsluiting bedrijfsperceel Door nieuwbouw van de opslaghal op het voormalig perceel Blijdorp vervalt het huidige, grote parkeerterrein op het bestaande bedrijfsterrein aan de Smidsweg. Het parkeerterrein aan de voorzijde en de hoofd in- en uitgang bij de Smidsweg alsmede de daarmee samenhangende verkeersstromen zoals vrachtwagens en externe bezoekers/klanten blijven in stand. De inrit van voormalige locatie Blijdorp zal wel iets verschoven moeten worden. Als gevolg van deze ontwikkeling zal het gemotoriseerd verkeer zich beter gaan verspreiden over beide aansluitingen. Waar het zwaartepunt voor de ontsluiting van Van Iperen in de huidige situatie op één aansluiting ligt, zullen nu beide ontsluitingen een deel van de verkeersdruk gaan opvangen. Ook zal de bestaande weegbrug bij realisatie van de planontwikkeling verplaatst worden omdat deze niet praktisch is gepositioneerd in verband met de beoogde nieuwbouw hal. De weegbrug ligt in de huidige siuatie overigens vrij dicht op de Smidsweg en zal worden verplaatst naar een locatie verder van de inrit. Door een andere locatie van de weegbrug wordt een bestaand knelpunt waarbij vrachtwagens soms buiten het perceel moeten wachten weggenomen en is er meer ruimte en gelegenheid voor afwikkeling van verkeersstromen op het eigen terrein van Van Iperen.

Door gebruik making van 2 in-/uitritten wordt de bestaande in-/uitrit ook ontlast wat de huidige verkeersituatie doet verbeteren. Door de nieuwe hal naar achteren op het terrein te voorzien, wordt daarnaast voldoende ruimte geboden voor opstel- en manoeuvreerruimte op het voorplein. Verkeersveiligheid De aansluitingen vanaf het terrein Van Iperen op de Smidsweg (N489) kruisen geen andere verkeersstroom (bijv. fietspad). Daarmee ontstaan er geen nieuwe conflictpunten. Gezien de spreiding van het verkeer en de beperkte toename van de verkeersgeneratie zijn er geen verkeersveiligheidsknelpunten te verwachten. Conclusie Op basis van deze analyse op het gebied van verkeersveiligheid zal de ontsluiting van het blad 50 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

totaal gebied (incl. parkeerterrein) op de Smidsweg (N489) niet leiden tot een verslechtering van de verkeerssituatie. In de huidige situatie zijn er 2 ontsluitingsroutes die ook in de toekomstige situatie worden gebruikt. De ontwikkeling van de verkeersgeneratie zal nihil zijn. Het is daarbij te verwachten dat het verkeer zich beter zal gaan verspreiden over beide aansluitingen. Verdere maatregelen aan de infrastructuur zijn niet nodig. Het plan is uitvoerbaar vanuit verkeer en parkeren.

4.10

Milieuhinderlijke bedrijvigheid Beleid en regelgeving Door middel van de Wet milieubeheer wordt milieuhinder in woonsituaties zoveel mogelijk voorkomen. Bedrijven en instellingen die hinder veroorzaken moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer, of vallen onder één van de AMvB's van de Wet milieubeheer. In aanvulling op de milieuvergunningen worden ook afstanden vastgelegd tussen bedrijven en woonbuurten (woningen). Deze afstanden zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van milieucategorieën. Deze categorieën zorgen ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. Voor de milieuzonering in dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten', zoals die ook in het vigerend bestemmingsplan opgenomen is (zie bijlage 1 bij de regels). Deze Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). De Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt gehanteerd om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten op een samenhangende wijze in relatie tot de aanwezige woonbebouwing goed te regelen.

Dit gebeurt door het aanhouden van richtafstanden tussen deze milieugevoelige en milieubelastende activiteiten. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde en landelijke gebieden. Een overschrijding van de wettelijke norm (qua geluidsbelasting, stof, geur en gevaar) is niet toelaatbaar. Het plangebied en de directe omgeving kan gekarakteriseerd worden als een gemengd gebied. Tabel 4.6 Milieucategorieën en richtafstanden (VNG, 2009)

De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning.

blad 51 van 61

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Bedrijfslocatie Van Iperen Gemeente Hoeksche Waard Projectnummer 468337

De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden, doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. Onderzoek Volgens de VNG-systematiek ligt het plangebied in een gemengd gebied. Dergelijke gebieden worden gekenmerkt door een sterke tot matige functiemenging, direct naast woningen komen andere functies zoals kleine bedrijven en sportaccommodaties voor. Ook lintbebouwing met agrarische en overige bedrijvigheid in het buitengebied wordt als gemengd gebied geclassificeerd. De initiatiefnemer is een agrarisch groothandel in onder andere vaste en vloeibare kunsmeststoffen, bestrijdingsmiddelen en overige tuinbouw- en teeltbenodigdheden. Op basis van de VNG-catalogus vallen deze bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën zoals aangegeven door tabel 4.7. Tabel 4.7: milieucategorieën toegestaan binnen het plangebied

Conclusie De uitbreiding van de bedrijfslocatie van de initiatiefnemer die in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt, leidt niet tot een onacceptabele milieubelasting op de omgeving van het bedrijf. Het aspect milieuhinderlijke bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Indien zich in de toekomst op de locatie een nieuw bedrijf zich vestigt, dan zal het bestemmingsplan maximaal milieucategorie 3.2 toestaan. Een uitzondering hierop is wanneer een bedrijf voor de productie van betonwaren zich op deze locatie wil vestigen. Deze bedrijfscategorie is ook dan toegestaan op onderhavige locatie. Overige bedrijfsactiviteiten met een hogere milieucategorie dan categorie 3.2 worden op basis van het bestemmingsplan niet toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11560783/1