CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels - Bijlage 3 Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019

Thema bijeenkomst 12 mei 2026, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: RV Wijziging omgevingsplan ‘Buitenzomerlanden (beeldvorming)30.213 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

die met veel snelheidsremmende maatregelen zijn

vertragende verkeersobstakels mag zijn ingericht.

ingericht, ligt de gemiddelde snelheid nog lager. Waar

–  Ontsluitingen van een verblijfsgebied op strategische

de snelheid via de normale erftoegangswegen niet

punten worden gepland.

afdoende is, kan er gekeken worden naar alternatieve mogelijkheden, bijvoorbeeld via een stuk fietspad of

4.3.2 Doorgang op erftoegangswegen

een calamiteitendoorgang.

Op erftoegangswegen (de wegen binnen het verblijfsgebied) dient voldoende ruimte te zijn om

Naast de voorkeursroute moet een willekeurig adres

hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven,

vanaf een doorgaande verkeersader in principe via

waardoor een minimale berijdbare breedte van

een tweede onafhankelijke route bereikbaar zijn.

4.50 meter nodig is. Verkeersdeelnemers dienen

Dit is noodzakelijk, omdat niet gegarandeerd kan

uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig

worden dat de voor de hand liggende route altijd

passeerruimte te geven, zie onderstaande afbeelding.

bruikbaar is. Wegwerkzaamheden, opstoppingen, fout geparkeerde voertuigen en dergelijke kunnen een goede bereikbaarheid in de weg staan. Als het niet anders mogelijk is kan dit ook worden opgelost met alternatieve mogelijkheden. Deze tweede onafhankelijke route mag eventueel afgesloten worden met een verwijderbare afsluiting om sluipverkeer tegen te gaan. De afsluiting mag enkel worden toegepast als de afsluiting regionaal is afgestemd en uniform is vormgegeven. De afsluiting moet te bedienen zijn door alle hulpdiensten.

Figuur 4.8: Minimale berijdbare breedte van een tweerichtings-erftoegangsweg

51

4.3.3 Doodlopende wegen

Situatie 4 Zijn de bovengenoemde wegbreedtes

Een doodlopende weg is een weg die maar op één

niet beschikbaar, dan kan de maximale

manier in en uit te rijden is. Dit betekent dat per

lengte van de doodlopende weg 40 meter

definitie niet voldaan kan worden aan de eis van een

zijn, volgens de vierde eis. In dat geval

tweede onafhankelijke route. In afbeelding 4.9 worden

wordt een blusvoertuig op de kop van de

verschillende typen doodlopende erfontsluitingswegen

doodlopende straat opgesteld en is 40

beschreven.

meter inzetdiepte beschikbaar. Situatie 5 Een doodlopende weg met vertakkingen is qua bereikbaarheid simpelweg onvoldoende. 4.3.4 Wegopbrekingen in verblijfsgebieden Waar het gaat om wegopbrekingen waarbij een weg wordt afgesloten, wordt verwezen naar de bovenstaande afbeelding doodlopende wegen (afbeelding 4.9). Een minimale bereikbaarheid moet geborgd blijven volgens de vierde eis, zoals in situatie 4.

Figuur 4.9: Doodlopende wegen

In het geval van woningen kan er worden gesteld dat de afstand ten gevolge van opbrekingen maximaal 2 x

Situatie 1 In deze situatie is er geen sprake van een

40 meter = 80 meter bedraagt, mits het opgebroken

doodlopende route. De bereikbaarheid

wegdeel van twee zijden benaderd kan worden. Als het

is daarmee voldoende, mits de vrije

opgebroken wegdeel slechts van één zijde te bereiken

wegbreedte minimaal 3.50 meter in

is, geldt een afstand van maximaal 40 meter. De

geval van een eenrichtingsweg is, en

continuïteit van toegang tot overige bouwwerken zal

minimaal 4.50 meter wanneer het een

redelijkerwijs geregeld moeten worden.

tweerichtingsweg is.

bedraagt en er een keermogelijkheid

4.4 Bereikbaarheid op de incidentlocatie (bouwwerk- of objectniveau)

aanwezig is. De afmetingen van de keerlus

Vierde eis: De afstand en overbrugging vanaf

dienen te passen bij de afmetingen van de

een opstelplaats tot bouwwerken/objecten en

hulpdienstvoertuigen zoals beschreven bij

bluswatervoorzieningen doen recht aan de middelen

de eerste eis. Door de keerlus wordt in feite

en mogelijkheid van een brandweereenheid (BIZA-

een normale erftoegangsweg gecreëerd.

bepakking).

Situatie 2 Een doodlopende weg is toegestaan mits de wegbreedte minimaal 4.50 meter

Een dergelijke doodlopende weg mag Elke incidentlocatie kent een opstelplaats: een

maximaal 80 meter lang zijn.

veilige, doelmatige en goed bereikbare plaats voor

Situatie 3 Bestaat er geen keermogelijkheid zoals in situatie 2, dan is er minimaal 5 meter

hulpdienstvoertuigen van waaruit de inzet kan

wegbreedte nodig. Ook hier geldt een

plaatsvinden. Deze opstelplaats kan en zal vaak

maximale lengte van 80 meter.

samenvallen met de openbare weg. Specifieke locaties als natuurgebieden en infrastructuur vragen maatwerk.

52

De afstand van de opstelplaats tot de incidentlocatie

meter (zie ook afbeelding 4.11). Dit geldt ook voor een

is aan een functioneel maximum gebonden. De eerste

droge blusleiding. Voorzieningen als een opstelplaats,

inzet zal in de regel plaatsvinden met een straal

open water of een bluswaterriool vragen maatwerk.

van 60 meter, de maximale inzetdiepte. Voor een eengezinswoning is de verwachting dat 20 meter straal binnen voldoende zal zijn. Daarom mag er een maximale afstand zijn van 40 meter tussen de opstelplaats en een eengezinswoning. Voor andere bouwwerktypen wordt er een maximale afstand van Figuur 4.11: Afstand tot bluswatervoorziening

10 meter aangehouden, waarna er 50 meter rest aan inzetdiepte (zie ook afbeelding 4.10).

4.4.1 Opstelplaats tankautospuit Voor een tankautospuit kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een opstelplaats (deze kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg, zie ook afbeelding 4.12): Figuur 4.10: Opstelplaats tankautospuit tot

–  een breedte van 4,5 meter

incidentlocaties

–  een lengte van 10 meter –  een vrije doorgangshoogte van 4,2 meter

Naast de bovengenoemde functionele afstand geldt

–  bestand tegen een aslast van 11,5 ton

er ook een strategische ligging. Een opstelplaats voor

–  bestand tegen het maatgevende totaal gewicht van

een blusvoertuig mag niet zodanig ten opzichte van

de basisvoertuigen die bij een veiligheidsregio in

een bouwwerk of opslag zijn gesitueerd dat binnen 30

gebruik zijn. In de regel is dit minimaal 15 ton.

minuten na het ontstaan van een brand of ongeval het opgestelde voertuig gevaar of schade kan oplopen door de gevolgen van de brand of het fysieke ongeval. Een strategisch gelegen opstelplaats bevindt zich dus buiten het invloedsgebied van het incident. Voor het bestrijden van incidenten dienen er ook bluswatervoorzieningen voorhanden te zijn. Voor deze Figuur 4.12: Opstelplaats tankautospuit

voorzieningen geldt een minimale benaderbaarheid, in die zin dat een hulpdienstvoertuig de voorziening tot op een minimale afstand kan benaderen. Deze

Hierbij dient per regio gekeken te worden naar de

minimale afstand hoeft niet altijd een relatie te

voertuigen: deze hebben mogelijk andere afmetingen.

hebben met de opstelplaats, omdat er vaak voor

Stem de afmetingen voor een opstelplaats af aan de

gekozen wordt om dicht bij de toegang van een

afmeting van het hulpdienstvoertuig.

incidentlocatie op te stellen en terug te werken naar de bluswatervoorziening en niet andersom.

4.4.2 Opstelplaats redvoertuig

De functionele relatie tussen de bluswatervoorziening

Hoewel het onder de huidige wetgeving niet meer

en het hulpdienstvoertuig is veelal gebaseerd op een

is toegestaan, zijn er nog altijd bouwwerken met

brandslang van 20 meter. Zodoende is de minimale

een vloerhoogte van meer dan 6 meter waar een

benaderbaarheid van een bluswatervoorziening 15

tweede vluchtweg ontbreekt. Dit zijn de zogenaamde

53

portiekwoningen. Zolang dit soort bouwwerken niet is voorzien van een tweede vluchtweg, betekent het dat redding in de regel kan plaatsvinden met behulp van een redvoertuig. Bij de inrichting van een opstelplaats voor het redvoertuig moet om die reden rekening Figuur 4.13: Opstelplaats redvoertuig

worden gehouden met de volgende aandachtspunten: –  de vlucht van het redvoertuig (voldoende manoeuvreerruimte voor de arm; balkons, ramen, et

4.4.3 Opstelplaatsen voor bluswaterwinning

cetera bereikbaar)

Waar gebruik gemaakt wordt van open water, verdient

–  afstempelmogelijkheden en de stempeldruk (de

het aanbeveling om vaste vulpunten aan te wijzen en

maximale hoogte van de stoepranden is 20 cm)

deze ook te markeren. Een vulpunt aan open water moet voldoen aan de volgende eisen:

–  de bereikbaarheid van de opstelplaats (zie ook de

–  De benodigde verharding van de openbare weg

derde eis).

naar de bluswaterwinplaats en de opstelplaats voor Daarnaast zijn er nog andere redenen aan te voeren om

het brandweervoertuig dient geschikt te zijn voor

een opstelplaats voor een redvoertuig te creëren. Denk

een asbelasting van 11,5 ton en, afhankelijk van het

aan het afhijsen van patiënten, het van hoogte blussen,

soort voertuig dat gebruikt wordt, een totaalgewicht

enzovoort.

van 15 tot 30 ton (dit kan per regio verschillen). –  De vrije opstelplaats voor het brandweervoertuig

Als het niet mogelijk is om het redvoertuig op de

dient een afmeting te hebben van minimaal 10 x 4

openbare weg of een toegangsweg te plaatsen, is een

meter en een vrije hoogte van 4,20 meter.

opstelplaats noodzakelijk

–  Indien de opstelplaats haaks staat ten opzichte van de waterkant, moet op de afstand van twee meter van

Voor een redvoertuig kunnen de volgende afmetingen

het einde van de opstelplaats over de volle breedte

worden aangehouden voor een opstelplaats (zie ook

van de rijloper een verhoging (stootrand) worden

afbeelding 4.13):

aangebracht van tussen 15 cm en 20 cm hoog.

–  een breedte van minimaal 5 meter

–  Indien water wordt ingenomen via de zijkant moet er

–  een lengte van 10 meter

een werkruimte beschikbaar zijn van 2 tot 4 meter.

–  bestand tegen een aslast van 11,5 ton

–  Als een specifieke vulplaats wordt gemarkeerd, dient

–  bestand tegen een totaal gewicht van 25 ton

dit te gebeuren door middel van een aanwijsbord

–  bestand tegen een stempeldruk van 50 ton/m2

met de tekst “NIET PARKEREN, Brandweer vulpunt”,

(= 500 kN/m )

met eventueel het unieke nummer van dit vulpunt.

2

–  een maximale hellingshoek van 7%.

–  De verticale afstand van de opstelplaats tot de laagste

Per regio dient gekeken te worden naar de afmetingen

–  Bij de laagste waterstand dient er minimaal een

waterstand mag niet meer bedragen dan 5 meter. en het gewicht van de eigen redvoertuigen; deze

waterdiepte beschikbaar te blijven van 100 cm,

kunnen mogelijk andere afmetingen eisen van een

zodat er geen modder of waterplanten worden

opstelplaats. Bij afwijking dienen de zojuist gestelde

aangezogen en er ook geen kolkvorming plaatsvindt.

afmetingseisen aangepast te worden aan de eigen

–  Om aangroei van waterplanten te voorkomen,

regio.

kan gebruik gemaakt worden van L- of U vormige betonelementen die in het water worden geplaatst en zo zorgen voor een vaste bodem en zijwand.

54

Afwijkende eisen mogen worden overgenomen voor de bereikbaarheid op eigen terrein, mits opgenomen in een gemeentelijke verordening. Het Bouwbesluit is hiervoor het geëigende middel. Tenzij het omgevingsplan of een gemeentelijke verordening Figuur 4.14: Opstelplaats voor bluswater-winning

anderszins bepaald heeft, heeft een verbindingsweg als

van open water

bedoeld in artikel 6.37, eerste lid van het Bouwbesluit: –  een breedte van ten minste 4,5 meter

Voor opstelplaatsen ten behoeve van geboorde putten

–  een verharding over een breedte van ten minste 3,25

gelden de volgende richtlijnen:

meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een

–  De afstand tussen een opstelplaats en een open

massa van ten minste 15 ton

geboorde put mag niet groter zijn dan 2 meter.

–  een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg

–  De verticale afstand tussen het waterniveau van een

van ten minste 4,2 meter

geboorde put zonder pomp en de opstelplaats is

–  een doeltreffende afwatering.

maximaal 4 meter (in verband met een daling van het waterpeil bij het aanzuigen).

Het eerste lid van artikel 6.37 is niet van toepassing op:

–  De afstand tussen een opstelplaats en een gesloten

–  een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte

geboorde put zonder pomp mag niet groter zijn dan

van niet meer dan 1.000 m² en een vuurbelasting

8 meter.

van ten hoogste 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090

4.5 Bereikbaarheid op eigen terrein

–  een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van

Vijfde eis: Voor incidentlocaties die niet middels de

niet meer dan 50 m²

openbare weg bereikbaar zijn, gelden de bovenstaande

–  een lichte industriefunctie, uitsluitend voor het

eisen onverminderd.

bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met

De bereikbaarheid op eigen terrein is geregeld in het

een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150

Bouwbesluit 2012, artikel 6.37. Onder de Omgevingswet

MJ/m², bepaald volgens NEN 6090.

is de bereikbaarheid van het bouwwerk tot aan de openbare weg geregeld in het omgevingsplan. Eerder

Het eerste lid van artikel 6.37 is ook niet van toepassing

is aangegeven aan welke minimale eisen de openbare

indien:

weg moet voldoen om deze voor hulpdienstvoertuigen

–  de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10

toegankelijk te maken. In sommige gevallen staat een

meter van een openbare weg ligt

object te ver van de openbare weg om aan de vierde

–  de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk

eis te voldoen, bijvoorbeeld een kantoor op een groot

naar het oordeel van het bevoegd gezag geen

eigen perceel. De weg dient dan door te lopen op eigen

verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid vereist.

terrein tot voldaan wordt aan eisen gesteld in paragraaf 4. Artikel 6.37, eerste lid uit het besluit zegt hierover het

4.5.1 Brandweeringang

volgende:

Volgens artikel 6.36 van het Bouwbesluit 2012 (3.128 BBL) en de bijbehorende toelichting, heeft

“Tussen de openbare weg en ten minste een toegang

een bouwwerk waarin personen kunnen verblijven

van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt

een brandweeringang. Het bevoegd gezag kan voor

een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van

bouwwerken met meerdere toegangen vaststellen

de brandweer en andere hulpdiensten.”

welke toegang(en) als brandweeringang moet worden

55

aangemerkt. Dit zal de hoofdingang (het huisadres) zijn,

4.5.2. Entree

tenzij door het bevoegd gezag expliciet anders bepaald

Volgens artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012,

wordt. Het Bouwbesluit 2012 geeft geen regels voor de

vijfde lid, dienen hekwerken die de toegang tot een

maximale inzetdiepte (loopafstand vanaf de opstelplaats

bouwwerk bestemd voor het verblijf van personen

voor de tankautospuit tot het punt waar zich een

afsluiten, door hulpdiensten snel, gemakkelijk en veilig

vuurhaard bevindt). Indien de inzetdiepte groter is dan

geopend kunnen worden of worden ontsloten met een

60 meter (de lengte van een straal volgens landelijk

systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

bestek), dient een maatwerkoplossing aangeboden te worden waarbij rekening wordt gehouden met de

4.6 Overige en bijzondere situaties

eventuele gevolgen voor de bluswatervoorziening.

Er is een aantal situaties waarbij geen eisen gesteld

Ook moet met het bepalen van opstelplaatsen

kunnen worden op basis van de eerder genoemde

rekening gehouden worden met de inzetdiepte.

richtlijnen, maar die net zo goed vragen om goede

De meest toegepaste en voor de hand liggende

bereikbaarheid voor de hulpdiensten. Zodoende worden

maatwerkoplossing in dit soort gevallen is een droge

hier voor een aantal categorieën aanwijzingen voor een

blusleiding, zoals genoemd in bijlage D van NEN 1594.

goede bereikbaarheid gegeven.

Wat nooit aanwezig is:

Wat nooit aanwezig is:

Asmarkering, rijrichtingscheiding, verlichting

Asmarkering, rijrichtingscheiding, kantmarkering,

(m.u.v. gevaarpunten), vrijliggende voorzieningen

verlichting (m.u.v. gevaarpunten), vrijliggende

voor landbouwverkeer, parkeren op de rijbaan,

voorzieningen voor (brom)fietsers en/of

pechvoorzieningen.

landbouwverkeer, openbaar vervoer/buslijn.

Figuur 4.15a: Erftoegangsweg 1 (ETW-1) buiten de

Figuur 4.15b: Erftoegangsweg 2 (ETW-2) buiten de

bebouwde kom

bebouwde kom

56

4.6.1 Bereikbaarheid in landelijk/ruraal gebied

In het CROW Handboek Wegontwerp 2013 wordt

Voor landelijk/ruraal gebied gelden in principe onverkort

voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom

de eerdergenoemde vijf eisen, waarbij wegen in

onderscheid gemaakt in de types 1 en 2, waarbij de

landelijk gebied in veel gevallen worden beschouwd als

erftoegangsweg 1 (ETW-1) een hogere verkeersintensiteit

erftoegangswegen.

kent dan de ETW-2. Op pagina 56 een voorbeeld.

Figuur 4.16: Het afpellen naar minimumprofielen voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom

57

ETW-1 kent een inrichting zonder fysieke

vrij gehouden worden; hier moet ook aan worden

rijrichtingscheiding en asmarkering, maar met een

gedacht bij bijvoorbeeld het plaatsen van bouwkranen

kantmarkering die ook als uitwijkstrook gebruikt kan

en bouwketen.

worden. Dit soort wegen is niet verlicht, behalve op gevaarpunten. De ideale breedte voor een ETW-1

Bij wegwerkzaamheden waarbij stroom- en/of

buiten de bebouwde kom is 6,00 meter. Deze kan

gebiedsontsluitingswegen worden afgesloten, moet

worden ‘afgepeld’ naar minimaal 4,50 meter.

een alternatief aanwezig zijn dat de bereikbaarheid

ETW-2 heeft geen rijbaanscheiding, asmarkering

van zowel de objecten gelegen aan deze route als

en kantmarkering. Er is geen verlichting en dit

ook het achterliggende gebied voldoende garandeert.

soort wegen worden niet gebruikt voor openbaar

Vormen van alternatieven kunnen zijn:

vervoer. De ideale breedte voor een ETW-2 buiten

–  wegomleidingen

de bebouwde kom is 4,50 meter. Deze kan worden

–  parallelbaan

‘afgepeld’ naar minimaal 2,50 meter.

–  route door het werkvak.

De ideale afmetingen hoeven niet altijd toegepast

De alternatieven dienen volgens vigerende afspraken met

te worden. Het ideale profiel kan worden ‘afgepeld’

gemeenten tijdig ter advisering voorgelegd te worden

naar een minimum profiel, zoals in figuur 4.16 is

aan de hulpverleningsdiensten. Indien er objecten langs

weergegeven.

deze weg zijn gelegen, dient de bereikbaarheid voor deze bouwwerken gegarandeerd te worden.

4.6.2 Tijdelijke belemmeringen en (bouw) werkzaamheden

4.6.3 OV-routes (gebruik bus- en trambanen,

De doelvoorschriften geven aan dat stroomwegen en

verkeersbeïnvloeding en haltes op de rijbaan)

gebiedsontsluitingswegen altijd een onbelemmerde

De hulpverleningsdiensten mogen gebruik maken van

doorgang moeten bieden en dat ieder object

de bus en trambanen voor zover de uitoefening van

vanaf een gebiedsontsluitingsweg altijd binnen

hun taak dit vereist. Gebruik van bus- en trambanen is

2 minuten te bereiken moet zijn. Door het

toegestaan als er sprake is van het ‘uitvoeren van een

aanbrengen van obstakels in stroomwegen en

dringende taak’, zoals bedoeld in de brancherichtlijn

gebiedsontsluitingswegen, zijn deze niet meer

optische en geluidssignalen brandweer.

als zodanig te gebruiken. Het is echter niet uit

Het gebruik van busbanen door hulpverleningsdien-

te sluiten dat routes tijdelijk niet beschikbaar

sten is geregeld in het Reglement van Verkeersregels

zijn. Een tijdelijke afsluiting van stroomwegen en

en Verkeerstekens (RVV). In artikel 81 RVV is geregeld

gebiedsontsluitingswegen dient tijdig voor advies

dat alleen bussen en trams op bus- en trambanen en

te worden voorgelegd aan de brandweer en andere

-stroken mogen rijden. Hierop is in artikel 91 RVV de

hulpverleningsdiensten. In overleg zullen oplossingen

uitzondering opgenomen dat bestuurders van een

geformuleerd worden om de bereikbaarheid te

voorrangsvoertuig, de hulpverleningsdiensten dus,

borgen. De brandweer is hierin adviserend aan de

van de bus- en trambanen gebruik mogen maken.

gemeente, die verantwoordelijk is en blijft. Het halteren van bussen en trams op de rijbaan De bestaande bereikbaarheid van de aanwezige

van gebiedsontsluitingswegen is in tegenspraak

bebouwing en/of omgeving moet ook tijdens (bouw)

met een onbelemmerde doorgang, tenzij het voor

werkzaamheden voldoende blijven. De rijroutes ten

hulpdienstvoertuigen mogelijk blijft om de bus of

behoeve van de hulpdiensten moeten recht doen

tram te passeren. Ook waar bussen en trams op de

aan de afmetingen voor hulpdienstvoertuigen en

rijbaan van erftoegangswegen halteren, dient het voor

58

hulpverleningsvoertuigen mogelijk te blijven om elk

–  Reguliere uitgangen en nooduitgangen moeten

willekeurig perceel binnen 2 minuten te bereiken.

worden vrijgehouden. –  De reguliere bluswatervoorziening dient bij

4.6.4 Evenementen

evenementen te worden vrijgehouden.

Borging van de bereikbaarheid van het evenemententerrein en de omliggende omgeving kan

4.6.5 Autovrije (winkel)gebieden

op diverse manieren:

Het college van burgemeester en wethouders kan

–  De bereikbaarheid op een evenemententerrein

voor gebieden waar regelmatig of permanent geen

moet minimaal hetzelfde niveau hebben als de

autoverkeer is, toestaan rijlopers voor de hulpdiensten

bereikbaarheid op perceelniveau. Indien het afsluiten

vast te stellen. Rijlopers zijn vooraf vastgestelde routes,

van wegen voor evenementen waarvoor geen

die vrijgehouden moeten worden voor de hulpdiensten.

meldingsplicht bestaat, wordt toegestaan, dient

Voor gebieden waarvoor een rijloper is vastgesteld,

de bereikbaarheid in algemene regels geborgd te

geldt niet alleen de maatvoering zoals eerder in deze

worden. Men moet zich dan wel realiseren dat

handreiking is gesteld, maar is ook vastgesteld waar de

handhaving daarop niet goed mogelijk is (zie Bgbop).

doorgang precies ligt. De rijlopers moeten vrijgehouden

–  Het college van Burgemeester en Wethouders

worden van obstakels. Autovrije gebieden zijn meestal

kan voor terreinen waar regelmatig evenementen

afgesloten voor het autoverkeer. Afsluitingen in rijlopers

georganiseerd worden, rijlopers voor de

of wegen die daar naartoe leiden, moeten gezien

hulpdiensten vaststellen. Voor die locaties geldt

worden als afsluiters in erftoegangswegen.

deze rijloper tijdens evenementen als minimale doorrijdbreedte en dient de rijloper vrijgehouden te

4.6.6 Natuurgebieden

worden. Houd hierbij ook rekening met voldoende

Bij een incident in een natuurgebied geldt dat de

aslast voor de in te zetten hulpdienstvoertuigen.

incidentlocatie bereikt moet kunnen worden conform

–  Als de afstand, gemeten vanaf de toegang

het regionale dekkingsplan en de Risico Index

van het evenemententerrein via de openbare

Natuurbranden (RIN). Hiervoor dienen natuurgebieden

weg tot (tijdelijke) bouwsels op het

vrij toegankelijk te zijn voor de hulpdiensten. Daarnaast

evenemententerrein groter is dan 40 meter, dient

dienen de hoofdroutes binnen een natuurgebied

op het evenemententerrein een verbindingsweg

geschikt te zijn voor de inzet van hulpdienstvoertuigen.

beschikbaar te zijn, via welke het terrein tot op

Conform afspraken met VBNE (Landelijke Vereniging

40 meter benaderd kan worden. De afstand

voor Bos en Natuureigenaren) gelden, wegens

vanaf een gebiedsontsluitingsweg tot een perceel

praktische uitvoering en om beheerkosten te sparen, de

moet hiernaast door hulpdienstvoertuigen binnen

volgende afspraken:

twee minuten afgelegd kunnen worden. Deze

–  Op primaire hoofdwegen (houttransportwegen)

verbindingsweg doet recht aan de specifieke

kunnen brandweervoertuigen elkaar passeren. Deze

afmetingen van hulpdienstvoertuigen conform de

wegen zijn 6 meter breed en stronkvrij. De vrije

hierboven genoemde eis en heeft een afdoende

doorrijhoogte is 4,2 meter (wat bij doorbuigende

afwatering.

takken een vrije takhoogte aan de stam van 6 meter

–  Hekwerken die een evenemententerrein omsluiten

kan betekenen).

en die zich bevinden op verbindingswegen en/of

–  Op secundaire wegen kunnen brandweervoertuigen

rijlopers, kunnen door hulpdiensten gemakkelijk en

elkaar niet passeren. Deze wegen zijn 4,5 meter

snel, zonder sleutel, worden geopend. Toegangen

breed en hebben vrije doorrijhoogte van 4,2 meter

tot belendende percelen mogen niet geblokkeerd

(ook hier met een vrije takhoogte aan de stam van 6

worden.

meter).

59

–  Als de weg doodloopt is, er voldoende wegbreedte

eventueel aanvullende eisen van toepassing zijn

(minimaal 5 meter) nodig om te keren.

in verband met regio-afhankelijke factoren. De

–  De wegen moeten berijdbaar zijn voor 4×4 voertuigen.

bereikbaarheid van spoorwegen kan worden gerealiseerd door bijvoorbeeld:

Tot slot moeten de bluswaterwinpunten over een

–  wegen, half-verharde wegen of fietspaden

goede bereikbaarheid beschikken en voorzien zijn van

–  speciaal aangelegde bereikbaarheidswegen

voldoende ruimte en capaciteit voor waterinname door

(Betuweroute, HSL en emplacementen in het

meerdere TS-en en eventuele andere watertransport-

algemeen)

voertuigen. De eisen aan een opstelplaats voor open

–  toegangs-/vluchtdeuren en deuren in geluidschermen.

water zijn reeds beschreven. Knelpunten met betrekking tot bluswater, bereikbaarheid en inzetdiepte binnen

De richtlijnen voor bereikbaarheid van het spoor hangen

natuurgebieden vereisen maatwerk en zullen (inter)

af van het type transport over het spoor, de frequentie

regionaal moeten worden afgestemd met betrokken

van transport van gevaarlijke stoffen, de intensiteit van

stakeholders.

het spoorgebruik, veiligheidsvoorzieningen van het spoor, spoordelen met verhoogd risico en de omgeving/

4.6.7 Kampeerterreinen

locatie van het spoor. Binnen Nederland worden de

Voor kampeerterreinen geldt per 2018 de AmvB

volgende gebieden en objecten in de omgeving van het

brandveilig gebruik en basishulpverlening overige

spoor onderscheiden:

plaatsen (Bgbop 2018). De bereikbaarheid op

–  bebouwde kom inclusief 350 meter daarbuiten

kampeerterreinen moet minimaal hetzelfde niveau

–  buitengebied vanaf 350 meter buiten de bebouwde

hebben als de bereikbaarheid op perceelniveau. In

kom

paragraaf 4.8 ‘Bereikbaarheid voor hulpdiensten’ van

–  bijzondere objecten in het buitengebied

de Bgbop staat beschreven welke eisen er gelden voor

(bijvoorbeeld objecten die zelf een extern

kampeerterreinen zelf. Wegen van het kampeerterrein

veiligheidsrisico vormen, vitale infrastructuur, zeer

naar de openbare weg vallen hier niet onder.

kwetsbare objecten (bouwwerken met verminderd zelfredzamen)).

Als de afstand gemeten vanaf de toegang van het kampeerterrein via de openbare weg tot enig punt op

De bereikbaarheid van het spoor is voldoende als wordt

het kampeerterrein groter is dan 40 meter, dient op

voldaan aan onderstaande criteria in de bebouwde

het kampeerterrein een verbindingsweg beschikbaar

kom, inclusief 350 meter daarbuiten en bijzondere

te zijn via welke het punt tot op 40 meter benaderd

objecten in het buitengebied (+350 meter aan

kan worden. Deze verbindingsweg doet recht aan de

weerszijde van object):

specifieke afmetingen van hulpdienstvoertuigen zoals

–  Het spoor is (in verband met variabele windrichting)

hierboven benoemd. Op kampeerterreinen kunnen

vanaf beide zijden bereikbaar voor hulpdiensten.

zowel kampeermiddelen als bouwenwerken staan.

–  Indien hekken of geluidsschermen de toegang

Voor bouwwerken gelden de eisen vanuit het Besluit

hinderen, dient om de 100 meter een toegang te

bouwwerken leefomgeving. Voor kampeermiddelen

worden voorzien door middel van een poort, deur

staan de eisen beschreven in paragraaf 3.7 ‘Beperking

of brug welke tot op 40 meter benaderbaar is voor

van uitbreiding van brand’ van het Bgbop.

hulpdienstvoertuigen.

4.6.8 Spoorwegen

Buitengebied vanaf 350 meter van de bebouwde kom:

Spoorwegen dienen minimaal te voldoen aan de

–  Het spoor is (in verband met variabele windrichting)

landelijke bereikbaarheidseisen. Regionaal kunnen

van beide zijden bereikbaar voor hulpdiensten.

60

Indien dit onmogelijk is, kan volstaan worden met

–  De toegangsdeur deur moet 170º geopend en

éénzijdige bereikbaarheid. Geadviseerd wordt om

vastgezet kunnen worden.

hierbij te kiezen voor de meest benaderbare zijde.

–  Nabij de toegangsdeuren moet de

–  Iedere locatie op het spoor is idealiter tot op 40

spoorhectometrering aan de buitenzijde zichtbaar

meter benaderbaar voor hulpdienstvoertuigen.

zijn aangebracht.

–  Indien hekken of geluidsschermen de toegang hinderen, dient om de 200 meter een toegang te

De hiervoor opgesomde voorzieningen gelden voor alle

worden voorzien door middel van een poort, deur

genoemde gebieden voor spoor op maaiveldniveau.

of brug, welke tot op 40 meter benaderbaar is voor

Voor varianten met een verhoogde of verdiepte ligging

hulpdienstvoertuigen.

zijn de bovengenoemde maatregelen indicatief, maar zal daarnaast maatwerk nodig zijn aan de hand

Specifieke eisen aan geluidsschermen:

van de specifieke ontwerpen om tot een voor de

–  De positie van de geluidsschermen is zodanig dat er

hulpdiensten werkbare situatie te komen. Voor korte

voor de hulpverlening voldoende ruimte is om het

tunnels en verdiepte bakken gelden minimaal de

spoor te bereiken met het benodigde materieel en

ontwerpvoorschriften van Prorail.

materiaal, zoals een brancard of gaspakken.

Bij niveauverschil tussen een treinspoor en de wegen

–  De positie van de geluidsschermen is zodanig dat

waarlangs toegang tot een (spoor)weg verkregen

verkenning via een toegangsdeur mogelijk is. Indien

wordt, dient een goede bereikbaarheid gerealiseerd te

een verkenning via een toegangsdeur niet mogelijk

worden. Verhoogde en verdiepte sporen zijn minder

is, dan is een verkenning door een hoogwerker

gemakkelijk te bereiken voor de hulpdiensten, omdat

(opstelplaats) ook mogelijk.

de hulpdienstvoertuigen zich op een ander niveau

–  Als een geluidsscherm langer is dan 100 meter, is

bevinden dan de incidentlocatie. Dit kan verbeterd

het voor een effectieve brandweerinzet noodzakelijk

worden door de toegang tot de verhoogde en verdiepte

dat er om de 100 meter een toegangsdeur aanwezig

spoorweggedeelten voor hulpverleners uit te voeren als

is (in het buitengebied kan hier gemotiveerd van

trap of hellingbaan met aan één zijde een leuning en

worden afgeweken). Denk hierbij ook aan de

een beloopbare breedte van 1 meter, waarover zij zich

aanwezigheid van een bluswatervoorziening.

veilig kunnen voortbewegen in bijvoorbeeld gaspakken of met een brancard.

–  De afwerking en het formaat van de toegangsdeuren dienen zodanig te zijn, dat de (gas/chemie)pakken van hulpverleners niet beschadigd kunnen worden.

Knelpunten

Een deur of poort in de afscherming van het

Geluidsschermen en andere objecten (bijvoorbeeld

spoorwegterrein heeft minimaal een vrije breedte

hekken) rondom spoorwegen kunnen een

van 1,0 m en een vrije hoogte van 2,3 m of meer.

knelpunt vormen voor een goede bereikbaarheid,

–  De toegangsdeuren moeten voorzien zijn van

aanvoer van bluswater en voldoende inzetdiepte.

een slot, dat vanaf de omgevingszijde kan

Toegangs-/vluchtdeuren, calamiteitendoorsteken

worden geopend door de hulpdiensten met

in geluidsschermen, slangdoorvoeringen door

een moedersleutel die langs het gehele spoor

vluchtdeuren en strategisch gekozen opstelplaatsen zijn

of de gehele weg bruikbaar is. Het te gebruiken

opties die een dergelijk knelpunt kunnen wegnemen.

sleutelsysteem/toegangssysteem wordt bepaald door Spoorinfrastructuur in niet-stedelijke gebieden

of in overleg met de veiligheidsregio.

bevindt zich over het algemeen tussen weilanden

–  Aan de omgevingszijde van de toegangsdeuren dienen pictogrammen te worden geplaatst die de

of in natuurgebieden welke niet zijn ingericht op

toegangsdeuren voor de hulpverlening aangeven.

bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen. De eisen

61

voor bereikbaarheid in deze setting zijn afhankelijk van

–  een steiger (bij de aangewezen trailerhelling)

het risico op en de aard van een eventueel incident

die geschikt is voor het in- en uitstappen van

en kunnen niet in algemene richtlijnen gevat worden;

hulpdiensten

maatwerk is hier het devies.

–  gebruikmaken van steigernummers in gebieden die niet bij naam gelokaliseerd kunnen worden –  aanlandplaatsen voor hulpdiensten en slachtoffers in

Voor extra informatie over landelijke richtlijnen

de categorieën A, B en overige

betreffende het hoofdspoor, kunnen de richtlijnen uit Voorzieningen spoorweginfrastructuur voor vluchten en

–  toegangswegen, opstelplaatsen en aanlandplaatsen

bereikbaarheid (Prorail, 2015) erop nageslagen worden.

voor hulpdiensten en slachtoffers in de categorieën

De richtlijnen van Prorail zijn niet van toepassing op de

A, B en overige.

vrije baan van de Betuweroute en lokale treinsporen. Voor jachthavens, die overigens onder hetzelfde besluit 4.6.9 Waterwegen en recreatieplassen

vallen als kampeerterreinen (Bgbop 2018), gelden

De bereikbaarheid van vaarwegen en recreatieplassen

specifieke bereikbaarheidseisen.

dient minimaal hetzelfde niveau te hebben als de bereikbaarheid van percelen. In het bijzonder geldt

Inrichting van de haven:

dit voor locaties waar een hulpverleningsdienst een

–  Het aanleggen van vaartuigen in komhavens is toegestaan tot maximaal 20 meter vanaf de walkant.

vaartuig te water moet kunnen laten middels een

–  Er dient een vaargeul te worden vrijgehouden die

zogenoemde trailerhelling. De belangrijkste aandachtspunten hierbij zijn:

minimaal twee meter breder is dan de lengte van de

–  uitgaan van het laagste waterpeil

afgemeerde plezierjachten, zodat pleziervaartuigen

–  een breedte van minimaal 4,5 meter

eenvoudig de haven kunnen verlaten en er genoeg

–  de hellingshoek: een ‘aanrijhoek’ naar het water van

ruimte is voor een vaartuig voor de hulpverleners

1:8 tot 1:10, gemeten vanaf de waterlijn. De totale

(zoals een blusboot).

helling dient een lengte te hebben van circa 12 meter aansluitend op het laagste waterpeil

Bij een aanlegsteiger van 80 meter kan er met bestaand

–  antislip voor goede grip van de autobanden

materieel normaal worden ingezet. Bij een langere

–  de verhardingsconstructie dient goed ‘opgesloten’ te

inzetdiepte moet nagedacht worden over aanvullende

worden om verzakking te voorkomen

voorzieningen.

–  onderhoud en inspectie conform de richtlijn

62

Bijlage 1 Onderhoud bluswatervoorziening en levering van bluswater Deze bijlage bestaat uit twee delen: I) de eisen die

1 Aanlegvereisten

gesteld worden aan de aanleg en het onderhoud van

Wanneer de gemeente opdracht geeft om een

de diverse bluswatervoorzieningen en II) de leveranciers

bluswatervoorziening aan te leggen, moet voldaan

van bluswater.

worden aan de aanlegvereisten. Deze eisen verschillen vanzelfsprekend per voorziening; onderstaand is een

B 1.1 Aanleg en onderhoud van bluswatervoorzieningen

beknopt overzicht per soort bluswatervoorzieningen opgenomen.

De eisen voor de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen zijn beschreven in artikel 6.30

2 Aanwijsbordjes voor

van het Bouwbesluit, waar het volgende staat:

bluswatervoorzieningen

1  Een bouwwerk heeft een toereikende

Ter verhoging van de vindbaarheid op straat

bluswatervoorziening. Dit geldt niet indien de aard,

of ‘in het veld’ bestaan er aanwijsbordjes voor

ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar

bluswatervoorzieningen.

het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist.

Een voorbeeld

2  Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die

daarvan is te zien in

bij brand gedurende ten minste 60 minuten een

afbeelding B 1.1. Dit

capaciteit van ten minste 120 m³/h kan leveren.

soort aanwijsbordjes

3  De afstand tussen een bluswatervoorziening als

wordt in een aantal

bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als

veiligheidsregio’s in

bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40

Nederland gebruikt,

meter.

naast de digitale

4  Een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste

bestanden of

en tweede lid is onbeperkt toegankelijk voor

‘brandkraanboeken’.

bluswerkzaamheden. 3 Brandkranen De onderhoudsvereisten voor bluswatervoorzieningen

De volgende eisen worden gesteld aan de locatie van

zijn te extraheren uit de beschrijving in artikel 1.16 van

een brandkraan:

het Bouwbesluit, waarin staat:

–  rondom een brandkraan moet een obstakelvrije ruimte met een diameter van 1,8 meter zijn

Een bij of krachtens de wet aanwezige installatie als

–  de brandkraan moet minimaal 0,4 meter van de

bedoeld in hoofdstuk 6 van dit besluit:

trottoirband liggen bij langsparkeren

a  functioneert overeenkomstig de op die installatie van

–  de brandkraan moet minimaal 0,75 meter van de

toepassing zijnde voorschriften;

trottoirband liggen bij gestoken parkeren

b  wordt adequaat beheerd, onderhouden en

–  brandkranen moeten tot op maximaal 15 meter goed

gecontroleerd, en

door een blusvoertuig benaderd kunnen worden

c  wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor

–  brandkranen dienen zoveel mogelijk gesitueerd te

de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel

worden bij kruispunten of brandgangen

voortduurt.

–  er dient een maximale onderlinge afstand van brandkranen te zijn (afhankelijk van regionale afspraken) –  indien van toepassing: plaatsing van een aanwijsbordje.

63

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van

4 Geboorde putten

brandkranen:

De eisen gesteld aan de locatie van een geboorde put:

In 2010 is het eindadvies van de Commissie

–  de geboorde put moet tot op maximaal 4 meter te

Nadeelcompensatie & Brandkranen (de ‘Commissie

bereiken zijn met een blusvoertuig

Burgering’) uitgebracht. In paragraaf 4.4.1 van

–  de ondergrond moet geschikt zijn voor een

bovengenoemd eindadvies wordt geadviseerd dat

tweewielaangedreven voertuig

de waterbedrijven eens per 4 jaar de brandkranen

–  de ondergrond moet geschikt zijn voor een voertuig

‘nat’ onderhouden. In paragraaf 4.4.2 adviseert de

van 19 ton

commissie dat daarnaast de brandkranen jaarlijks

–  de zuigbuizen moeten ‘vloeiend’ aangesloten

geschouwd worden op ligging, bereikbaarheid en

kunnen worden

bebording. Dit advies vormt de basis voor onderstaande

- bij een open geboorde put door de zuigbuis in de

aandachtspunten:

put te kunnen hangen - bij een gesloten geboorde put door met inhanger

Aandachtspunten voor het onderhoud van

de zuigbuis aan te kunnen koppelen

brandkranen:

- bij een bovengronds afgewerkte geboorde put

‘Nat’ onderhoud:

door de zuigbuis aan te kunnen koppelen

–  frequentie en capaciteit: conform het advies van

–  indien van toepassing: de plaatsing van een

de Commissie Burgering één keer per vier jaar.

aanwijsbordje

De praktijk is echter dat dit bij de verschillende

–  bij een bovengronds afgewerkte put:

waterbedrijven anders wordt ingevuld

aanrijdbeveiliging.

–  de straatpot moet inwendig schoon zijn (eventueel zand en vuil verwijderen)

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van een

–  een blinddeksel met ketting dient aanwezig te zijn

open of gesloten geboorde put:

–  de standpijp moet goed plaatsbaar zijn

–  frequentie: passend bij het soort bodem waarin

–  de werking en een eventuele lekkage van het

de put geboord is. Het bedrijf dat de put aanlegt

afsluitorgaan

hier advies over geven. In de regel zal een put in

–  het afspuien brandkraan

zanderige grond vaker beproefd moeten worden dan

–  een globale controle op de capaciteit

een put in kleigrond

–  de werking en een eventuele lekkage van de

–  de opstelplaats voor het voertuig moet goed

leegloopinrichting.

bereikbaar zijn

‘Droge’ schouw:

–  wanneer de put beproefd wordt op waterlevering,

–  frequentie en capaciteit: conform het advies van de

wordt van de meting een testrapport beschikbaar

Commissie Burgering elk jaar. De praktijk is echter

gesteld

dat dit bij de verschillende veiligheidsregio’s anders

–  de locatie van de geboorde put

wordt ingevuld

–  de zichtbaarheid van de geboorde put

–  de locatie van de brandkraan

–  de bereikbaarheid van de geboorde put

–  de zichtbaarheid van de brandkraan

–  indien van toepassing: de aanwezigheid en

–  de bereikbaarheid van de brandkraan

correctheid van aanwijspaal of bord.

–  indien van toepassing: de aanwezigheid en correctheid van een aanwijsbord en/of aanwijspijl

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van een

–  de ligging van de straatpot ten opzichte van de

geboorde put met elektrische bronpomp:

omliggende bestrating.

–  frequentie: idem als bovenstaand –  de locatie van de geboorde put

64

–  de zichtbaarheid van de geboorde put

–  het water moet vrij zijn van onderwaterplanten

–  de bereikbaarheid van de geboorde put

–  er moet voldoende vrije ruimte zijn om een zuigbuis

–  indien van toepassing; de aanwezigheid en

in te werpen.

correctheid van aanwijspaal of -bord 6 Bluswaterriool

–  de opstelplaats voor het voertuig moet goed bereikbaar zijn

De eisen gesteld aan een opstelplaats bij een

–  het in werking zetten van pomp van de geboorde put

bluswaterriool:

–  wanneer de put beproefd wordt op waterlevering,

–  het bluswaterriool moet tot op maximaal 4 meter te

wordt van de meting een testrapport beschikbaar

bereiken zijn met blusvoertuigen

gesteld.

–  de ondergrond moet geschikt zijn voor een tweewielaangedreven voertuig

5 Open water

–  de ondergrond moet geschikt zijn voor een voertuig

De eisen gesteld aan een opstelplaats bij open water:

van 19 ton

waar het water met de zuigbuizen van een blusvoertuig

–  aanduiding van het bluswaterriool middels een

onttrokken kan worden, dient de opstelplaats tot op

aanwijsbordje.

maximaal 4 meter te bereiken zijn –  waar het water met een dompelpompunit

Aandachtspunten voor de schouw/het onderhoud van

onttrokken wordt, kan de opstelplaats tot op

opstelplaatsen bij een bluswaterriool

maximaal 60 meter afstand liggen. In de praktijk

–  frequentie: volgens afspraak met de gemeente,

voldoet het opstellen op de openbare weg.

passend binnen de uitgangspunten van de

–  de ondergrond moet geschikt zijn voor een

veiligheidsregio

tweewielaangedreven voertuig

–  de locatie van het bluswaterriool

–  de ondergrond moet geschikt zijn voor een voertuig

–  de zichtbaarheid van het bluswaterriool

van 19 ton

–  de bereikbaarheid van het bluswaterriool

–  een aanduiding van de opstelplaats

–  de aanwezigheid en correctheid van aanwijspaal of

–  indien mogelijk een vaste zuigbuis of straatkolk

bord

toepassen.

–  de opstelplaats moet goed bereikbaar zijn voor het blusvoertuig

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van

–  een controle op de aansluiting van het inlaatpunt

opstelplaatsen bij open water:

–  het schoonhouden van buizenstelsel en straatkolk

–  frequentie: volgens afspraak met de gemeente,

–  de losneembaarheid van de straatkolk.

passend binnen de uitgangspunten van de 7 Bluswatervoorzieningen die niet in de

veiligheidsregio –  de locatie van de opstelplaats

openbare ruimte liggen

–  de zichtbaarheid van de opstelplaats

Voor alle soorten bluswatervoorzieningen dient er

–  de bereikbaarheid van de opstelplaats

ook aandacht te zijn voor bluswatervoorzieningen die

–  de aanwezigheid en correctheid van aanwijspaal of

niet in de openbare ruimte liggen en die eigendom

bord

zijn en/of gebruikt worden door ‘derden’. De eigenaar

–  de opstelplaats moet goed bereikbaar zijn voor het

of gebruiker (huurder, erfpachthouder, particuliere

blusvoertuig

eigenaar) is daarmee zelf verantwoordelijk voor

–  het water moet voldoende diep zijn, minimaal 0,8

het onderhouden van die brandkranen. Voor dit

meter

soort bluswatervoorzieningen gelden dezelfde

65

aandachtspunten als bovenstaand beschreven.

in het kader van duurzaamheid. De gebruikte

De terreineigenaar of - gebruiker is, behoudens andere

hoeveelheden zijn ten opzichte van de totale

afspraken, zelf verantwoordelijk voor het onderhoud,

consumptie zeer gering. De VEWIN geeft aan dat de

zowel de jaarlijkse schouw als het 4-jaarlijkse

drinkwaterbedrijven het op prijs stellen wanneer de

onderhouden. Beide vormen van onderhoud dienen

brandweer zich een goed gebruiker toont door:

gerapporteerd te worden aan de veiligheidsregio.

–  Alert te zijn op mogelijke vervuiling bij instructie. –  Op te letten bij de verspreiding van gevoelige

B 1.2 Overzicht van bluswaterleveranciers

informatie. Waterleiding en appendages zijn vitale infrastructuur.

In paragraaf 1.4 van deze handreiking zijn de partijen

–  Juiste constructies in autospuiten toe te passen ter

genoemd die bluswater kunnen leveren. Onderstaand

voorkoming van het insluiseffect.

volgt een nadere toelichting op elk van deze

–  Oppervlaktewatervervuiling door weglopend

partijen, met een globale beschrijving van hun taken,

bluswater zoveel mogelijk te voorkomen en hier in

verantwoordelijkheden en bevoegdheden

ieder geval altijd melding van te maken. –  Alert te zijn op de milieuschade die blusschuim kan

B 1.2.1 Drinkwaterbedrijf

aanrichten. Fluorverbindingen accumuleren in het

Heeft als wettelijke taak het leveren van drinkwater.

milieu en zijn schadelijk.

Verantwoordelijkheden van de drinkwaterbedrijven zijn vastgelegd in de Drinkwaterwet. Drinkwaterbedrijven

Bij weging van alternatieven voor bluswater kan in het

leveren bijna overal (in bebouwde gebieden) kwalitatief

kader van duurzaamheid aan de hand van het volgende

schoon bluswater, al zijn zij niet wettelijk verplicht om

kader gewogen worden.

dit te doen. De branchevereniging VEWIN geeft aan dat

–  Milieuaspecten (brandstofgebruik watertransport).

de drinkwaterbedrijven het over het algemeen wel als

–  Veiligheid (verkeer, gebruikszekerheid

een (historische) maatschappelijke verantwoordelijkheid

bluswatervoorzieningen).

zien deze voorziening te continueren.

–  Financiën (omscholingskosten, aanschafkosten,

Bij modernisering van het waterleidingnet worden

–  Organisatieaspecten (bedrijfszekerheid door

slijtage door vuil water). veelal leidingen met een kleinere diameter gebruikt. Dit

verminderde paraatheid, standaardisatie bij

komt de kwaliteit van het drinkwater ten goede, maar

interregionale inzetten).

limiteert de beschikbare hoeveel bluswater. In paragraaf 2.3.1 is beschreven dat de externe bluswaterbehoefte in

B 1.2.2 Waterschap

de regel 60 m /u is en dat in sommige gevallen hiervan

Heeft als hoofdtaak het beheren van waterkwaliteit,

beargumenteerd afgeweken kan worden naar het

-kwantiteit en -veiligheid. De verantwoordelijkheden

3

absolute minimum van 30 m /u. Omdat een brandkraan

van de waterschappen zijn onder andere vastgelegd

minimaal 30 m³ per uur moet kunnen leveren, is

in de Waterwet. De waterschappen beheren open

het raadzaam om hierover afspraken te maken met

water en grondwater in Nederland en zijn nu vaak

drinkwaterbedrijven. De brancheorganisatie VEWIN

ongevraagd bluswaterleverancier bij incidenten waar

geeft aan dat deze hoeveelheid ook met de kleinere

veel bluswater bij nodig is.

diameters mogelijk blijft.

De kwaliteit van het bluswater kan wisselen, wat

3

schadelijk kan zijn voor de gezondheid van het Duurzaamheid

personeel, en materiaal en objecten kan beschadigen.

Op dit moment ziet de VEWIN het gebruik van

Bovendien is de beschikbaarheid niet te garanderen,

drinkwater als bluswater niet als een relevant punt

bijvoorbeeld tijdens langere perioden van droogte.

66

Het is nuttig voor de brandweer om te investeren in een goede relatie met een contactpersoon bij het waterschap, zodat diens kennis van bereikbaarheid, beschikbaarheid en capaciteit meegenomen kan worden in de planvorming. Tijdens een incident wil het waterschap graag geïnformeerd worden over eventuele milieuschade door wegvloeiend bluswater. De brandweer moet zich ervan bewust zijn dat bij de aanleg van een geboorde put formeel een vergunning voor een onttrekking van grondwater aangevraagd moet worden bij de provincie of het waterschap. Overigens geven de meeste provincies en waterschappen aan dat een melding volstaat. B 1.2.3 Gemeente Heeft (een deel van het) open water in beheer, en infrastructurele voorzieningen zoals bluswaterriolen. Geboorde putten liggen vaak op gemeentegrond. B 1.2.4 Rijkswaterstaat Heeft beheer over grotere waterwegen en waterinfrastructuur, en is voor wat betreft de levering van bluswater vergelijkbaar met het waterschap. B 1.2.5 Particulieren Vanuit een wettelijke verplichting, via een plicht vanuit de verzekering of vanuit hun eigen behoefte kunnen particulieren beschikken over een bluswatervoorziening. Het type voorziening is erg divers. Te denken valt aan: open water, particuliere brandkranen, geboorde putten, bassins, enzovoort.

Veel particuliere bedrijven zijn aangesloten bij een brancheorganisatie, bijvoorbeeld de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO).

67

Bijlage 2 Maateenheden en vuistregels bluswatervoorziening De brandweer drukt bluswaterdebieten doorgaans uit in liters per minuut (l/min). Andere organisaties rekenen in het aantal kubieke meters per uur (m3/uur). Het omrekenen van liter per minuut naar kubieke meter per uur is vrij eenvoudig, namelijk: delen door 1.000 (om van liters naar kubieke meter te gaan) en vermenigvuldigen met 60 (om van minuten naar uren te gaan). In tabel 1 is dit voor de meest gangbare debieten gedaan. In tabel 2 is een indicatie gegeven van de waterlevering van brandkranen zoals deze geplaatst worden op verschillende leidingdiameters. De opbrengst is mede afhankelijk van de druk in het leidingnet. l/min

m3/uur

125

7,5

250

15

500

30

1.000

60

1.500

90

2.000

120

2.500

150

3.000

180

3.500

210

4.000

240

4.500

270

Tabel B 2.1: Van liter per minuut naar kubieke meter per uur Het aansluiten op een ondergrondse brandkraan die 40 meter verwijderd is, kan binnen 3 minuten; 100 meter verwijderd binnen 6 minuten en 200 meter verwijderd binnen 15 minuten Voor het afleggen van de slangen van de TS naar de brandkraan is een tijdseenheid genomen. In onderstaande tabel zijn globale tijden voor de standaardtoepassingen opgenomen. Indien er gewerkt gaat worden met bijvoorbeeld tankwagens of andere watervoorzieningen zijn deze tijden niet van toepassing en dienen er andere afstanden aangehouden te worden. De tijden waarin het bluswater beschikbaar moet zijn blijven hetzelfde. Er wordt hier uitgegaan van dubbele aflegging. 3 minuten

40 meter

6 minuten

100 meter

15 minuten

200 meter

Tabel B 2.2: Globale tijden voor de standaardtoepassingen

68

Bijlage 3 Scenario’s verkeer en vervoer In hoofdstuk 3.5 wordt gesproken over de

De scenario’s voor het vervoer over het water met

hoeveelheden bluswater die geadviseerd worden

gevaarlijke stoffen zijn niet verder uitgewerkt, omdat

in relatie tot verkeer en vervoer. In deze bijlage zijn

het blussen op het water van een brandbare vloeistof

scenario’s met gevaarlijke stoffen uitgewerkt op basis

of een gas niet maatgevend is voor de brandweer en

van de uitgangspunten uit de Handleiding risicoanalyse

niet kan worden bestreden. Langs drukke vaarwegen is

transport (HART), zoals voorbeeldstoffen, plasgrootte,

het mogelijk om preventieve maatregelen te nemen ten

het gat van de diameter en tankinhoud. De scenario’s

opzichte van de kade of specifieke afspraken te maken

zijn onderverdeeld in de categorieën zoals die in

waardoor de brandweer wel mogelijkheden heeft om

hoofdstuk 3.5.1 en 3.5.3 zijn behandeld. Om de

op te treden.

methodiek van het cascademodel te volgen, is er een

Bij de berekeningen voor de hoeveelheden

scenario toegevoegd dat niet in de HART beschreven

schuimvormend middel (SVM) is uit gegaan van een

staat.

bijmengpercentage van 3%. Indien er een ander

De scenario’s zijn onderverdeeld in de volgende

soort schuim aanwezig is of een ander schuim

categorieën: brandbare vloeistof, brandbaar gas,

wordt aangeschaft, moet gekeken te worden of de

toxische vloeistof en toxisch gas.

berekeningen nog correct zijn.

Interventiemoment Druppellekkage tot 20m2

Plasbrand tot 300m2 door vrijkomen van een deel van de inhoud

Uit/afgedekt

Uit/afgedekt

500 l/min.

3.000 l/min.

Tank TS

Binnen 3 min. voor 1 uur

Plasbrand tot 1.700m2 door vrijkomen gehele inhoud (23 ton)

Uit/afgedekt

Voor inzet op secundaire branden, bluswater bepalen op locatie

Figuur B 3.1: Uitwerking cascademodel voor brandbare vloeistof (weg)

69

B 3.1 Scenario’s wegvervoer

Bij een dergelijk incident dient bij blussen rekening gehouden te worden met de herkomst van het water: het

B 3.1.1 Brandbare vloeistof

is mogelijk dat open water is vervuild met het brandbare

Bij een incident met een tankwagen die een brandbare

product en daarom niet bruikbaar is voor het blussen.

vloeistof bevat (voorbeeldstoffen: heptaan of pentaan), ontstaat het volgende cascademodel:

Bij de derde cascadestap is uitgegaan van het

1  Druppellekkage 20 m2.

instantaan falen van een tank, waarbij de gehele

2  Het vrijkomen van een deel van de inhoud levert

tankinhoud vrijkomt (uitgaande van een tankwagen

een plas op van 300 m2 waarbij een ontsteking (kan)

met een inhoud van 23 ton vloeistof), hetgeen een

plaatsvinden.

oppervlakte oplevert van 1.700 m2. Deze plas zal snel

3  Het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert

verdampt en opgebrand zijn, omdat hij over een groot

een plas op van 1.700 m waarbij een ontsteking

oppervlak verspreid is en een zeer dunne laag vormt.

(kan) plaatsvinden.

De brand is met schuim niet af te dekken en zal naar

2

alle waarschijnlijkheid andere branden veroorzaken. De Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt

omgeving is bepalend voor de hoeveelheid bluswater

ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het

en de (preventieve) voorzieningen die nodig zijn.

incident bestreden kan worden. Hierbij is waarschijnlijk B 3.1.2 Brandbaar gas

geen bluswater nodig.

Bij een incident met een tankwagen met een brandbaar Bij een plasbrand van 300 m wordt bij een

gas (voorbeeldstoffen: ethyleenoxide, n-butaan of

blussing uitgegaan van het gebruik van schuim. De

propaan) bestaan de volgende scenario’s:

hoeveelheden schuim zijn conform de NFPA 11: 7

1  Het afblazen van het veiligheidsventiel.

l/m2 min in 15 minuten, en na die 15 minuten zal er

2  Een continue uitstroming uit een gat met een

2

extra schuim aanwezig moeten om bij te suppleren.

diameter van 50 mm.

Er is 2.100 l/min water nodig, evenals 1.417,5 liter

a  directe ontsteking: fakkel. b  vertraagde ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand.

SVM. Er wordt rekening gehouden met waterverlies,

3  Het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud

omdat niet alles terecht komt op de plas (bijvoorbeeld door lekkages). Daarom wordt er hier uitgegaan van

(50 m3).

60% effectieve opbreng. In het totaal is dan een

a  directe ontsteking: koude BLEVE.

waterlevering van 3000 l/min noodzakelijk.

b  indirecte ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand.

Bij de berekeningen van het schuim en de hoeveelheid water is uitgegaan van de NFPA norm 11, met een schuimopbrengst van 7 l/min/m2. De plas is 300 m2. 300*7=2100 l/min aan water dat nodig is voor een plas van 300m2. Er wordt in de berekening uitgegaan van een blustijd van 15 minuten met een bijmengingspercentage van 3%. Indien het schuim een ander bijmengingspercentage heeft, dient de berekening opnieuw te worden gemaakt. Daarnaast zit er een reservefactor in die nodig is om de marge in te bouwen; niet alles komt op de plas terecht. De gebruikte marge bij het schuim is 1.5. 15 min.* 2.100 l/min.* 3% * 1.5= 1.417,5 liter SVM

70

Interventiemoment Afblazen van veiligheidsventiel

Fakkelbrabd door continue uitstroom uit een gat ø50mm

Uit

Uit

500 l/min.

1.120 l/min.

Tank TS

Binnen 3 min. voor 1 uur

Koude BLEVE door instantaan vrijkomen van gehele inhoud 50m3

Uit

BLEVE vindt direct plaats en hiervoor kan geen direct bluswater worden geadviseerd

Figuur B 3.2: Uitwerking cascademodel voor brandbaar gas (weg)

Bij de scenario’s 2b en 3b zullen na de explosie in de

genormaliseerd is. Voor het gecontroleerd af laten

omgeving mogelijk secundaire branden zijn. De benodigde

fakkelen zal mogelijk bluswater nodig zijn om de tank

hoeveelheid bluswater voor deze secundaire branden zal

te koelen. Voor het koelen van de omgeving is in deze

afhangen van de omgeving. Deze scenario’s worden niet

cascade geen bluswater opgenomen, omdat de omgeving

meegenomen in de onderstaande berekeningen.

verschilt per regio. Voor het koelen van de tank is ervan uitgegaan dat de tank aan één zijde of gedeeltelijk

De eerste stap van het cascademode is een tankwagen

gekoeld moet worden. Dit komt neer op 1.120 l/min,

die de drukopbouw kwijt moet door het afblazen van het

waarbij gerekend is met 10 l/m2/min en de onderstaande

veiligheidsventiel. Dit is een standaard veiligheidsmiddel op

getallen. Bij het opbrengen van het water wordt uitgegaan

een drukhouder van een brandbaar gas. De brandweer zal

van een opbrengsteffectiviteit van 60%. Dit houdt in dat

eventueel een nacontrole doen om te zien of het afblazen

er minimaal 1.500 l/min aan bluswater aanwezig dient te

gestopt is en de druk genormaliseerd.

zijn.

Indien de uitstroom wordt ontstoken, kan worden

Een koude BLEVE kan niet bestreden worden, alleen

uitgegaan van een fakkelbrand vanaf de tank. Hierbij

de secundaire branden die daarvan het gevolg zijn. De

zal de inzet vooral gericht zijn op het koelen van de

omgeving is bepalend voor de hoeveel bluswater die

tank en het gecontroleerd laten affakkelen tot de druk

hiervoor nodig is.

71

Wegvervoer: de koeling van een tankwagen Voor het koelen van een tank bestaat een vuistregel: er is 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak nodig per minuut. Onderstaande berekening geeft weer in welke ordes van grootte er gedacht moet worden. Bij deze benadering wordt wel geredeneerd vanuit het bestrijden van het gevolg en niet het bestrijden van de oorzaak. Het aanstralen van een tank zal in veel gevallen een gevolg zijn van een plasbrand. Bij een plasbrand is de wijze van bestrijden het uitvoeren van een schuimblussing. Voor het wegnemen van de oorzaak van de opwarming zal het in veel gevallen dus van essentieel belang zijn om onmiddellijk voldoende SVM ter beschikking te hebben. Berekening koeling van de tankwagen Op basis van de richtlijnen rondom de maximum afmetingen van een vrachtwagen, kan gesteld worden dat de lengte van een tankwagen maximaal 13 meter is. De diameter kan maximaal 2,5 meter zijn. Voor het berekenen van de oppervlakte van een cilinder is de volgende wiskundige formule van toepassing: 2 π r (r + h). Dit levert in het geval van een tankwagen met maximale omvang dus het volgende op: 2 * π * 1,25 * (1,25 +13) = 112 m2 oppervlakte. Dit komt neer op 1120 liter water per minuut.

Wat is een BLEVE? Veronderstel dat een tank met een tot vloeistof verdicht gas aangestraald wordt door vuur. Wat gebeurt er dan met de inhoud van die tank en met de tank zelf? Logischerwijs zal (de inhoud van de) tank opwarmen. In het begin (en bij een volle tank) zal de toegevoegde warmte vooral leiden tot opwarming van de vloeistof in de tank, waardoor de inwendige druk toeneemt. Het opwarmen van deze vloeistof kost veel energie, als gevolg waarvan de wand van de tank initieel relatief koel zal blijven (premisse is dat de tank in contact is met het vloeibaar gemaakte gas – indien er sprake is van uitsluitend gascontact, zal de wand veel sneller opwarmen). Als de interne druk van de tank als gevolg hiervan hoger wordt dan de druk die het overdrukventiel (indien aanwezig!) aan kan, zal de tank via het overdrukventiel gaan afblazen, om te voorkomen dat hij door de druk bezwijkt. De druk in de tank neemt door het afblazen af, of zal in ieder geval minder snel toenemen. In veel gevallen zal het afgeblazen gas vlam vatten (tenzij het niet brandbaar is), wat ervoor zorgt dat de tank met nog meer energie dan eerst aangestraald wordt. De vloeistofinhoud in de tank wordt hierdoor nog sneller gasvormig, de tank zal nog sneller gaan afblazen, en als gevolg hiervan zal steeds minder vloeistof in de tank aanwezig zijn.

De druk binnen de tank zal toenemen door het opwarmen van de vloeistof (en het hierdoor toenemen van de dampdruk). Uiteindelijk zal een eventueel aanwezig afblaasventiel niet meer in staat zijn al het nieuw gevormde gas tijdig af te blazen. Omdat er steeds minder vloeistof aanwezig is, zal een steeds groter deel van de tankwand niet meer met de vloeistof in contact zijn; vooral dit deel van de tank zal steeds sneller warm worden. Bij het warmer worden van de tankwand neemt de mechanische sterkte zeer snel af. De door de toegenomen warmte sterk verzwakte tank bezwijkt als de inwendige druk groter wordt dan de resterende bezwijkdruk van de verzwakte wand. Bij het bezwijken van de tank daalt de druk plotseling sterk, waardoor een groot deel van de resterende vloeistof in hoog tempo (explosief) gasvormig wordt. Er ontstaat plotseling een enorme hoeveelheid gas die ontstoken kan worden door het omringende vuur. Er kan een vuurbal ontstaan van tussen enkele meters groot tot circa 200 meter. Het bezwijken van de tank en het explosieve koken wordt ook wel een BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) genoemd. Wat is een koude BLEVE? Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de ketel open, waardoor de brandbare stof vrijkomt en direct ontsteekt. Er ontstaan een vuurbal en een drukgolf.

De effecten van een koude BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking.

72

B 3.1.3 Toxische vloeistof Voor een incident met een tankwagen met een

Bij de berekeningen van het schuim en de

(voorbeeldstoffen: acrylnitril, propylamine, acroleine of

hoeveelheid water is uitgegaan van expert

methylisocyanaat) ontstaan de volgende scenario’s:

judgement en een afdektijd van 10 minuten. De plas is 300 m2.

1  Druppellekkage 2  Het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een

Dit maakt dat er 300 l/min water nodig is voor het afdekken van de toxische plas met SVM. Uitgaande

plas op van 300 m2 met een toxische wolk. 3  Het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert

van een schuimgetal van 3% en een inzettijd van

een plas op van 1.700 m2 met een toxische wolk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16798411/1