Regels - Bijlage 3 Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019
Tekst van het document
3.2.3.1 Zelfredzaam en verminderd zelfredzaam
Mens- en/of gebouwkenmerken kunnen ertoe leiden
In beide gevallen zijn de voorzieningen erop gericht dat
dat er voor een effectieve en snelle bestrijding en
alle personen het bouwwerk veilig kunnen verlaten.
voorkoming van escalatie gekozen wordt voor een
Bij verminderd en niet-zelfredzame personen kan dit
bluswatervoorziening die snel beschikbaar is; te
middels ondersteuning door een BHV-organisatie en/of
denken valt hierbij aan de 3- of 6-minutennorm zoals
preventieve maatregelen. Dit stelt de brandweer in staat
toegelicht in bijlage 2.
om te starten met brandbestrijding. Indien bij aankomst van de brandweer de ontruiming nog niet geslaagd is en ondersteund moet worden, is er sprake van redding. Redding kan plaatsvinden door mensen uit het bouwwerk te halen, of door hen naar een veilige plek elders in het pand te brengen, bijvoorbeeld het naastgelegen brandcompartiment. Daarnaast kan door blussing het gevaar (de (beperkte) brandhaard) weggenomen en een redding gerealiseerd worden.
27
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
OFFENSIEF
DEFENSIEF
Zelfredzaam Kantoorfunctie
Onderwijsfunctie andere
Bijeenkomst voor het aanschouwen van sport en algemeen
Gezondheidsfunctie andere
Winkelfunctie < 1.000m2
Winkelfunctie >= 1.000
Sportfunctie < 1.000 pers.
Sportfunctie >= 1.000 pers.
Industriefuncties
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min
Tank
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Tank3
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 15 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 2 uur
Binnen 30 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
1.000 l/min.
1.500 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 2 uur
Binnen 30 min. gedurende 4 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
1.000 l/min
3.000 l/min.
8.000 l/min.**
16.000 l/min.**
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 4 uur
Binnen 30 min. gedurende 4 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min*
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 2 uur
Binnen 30 min. gedurende 4 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
1.000 l/min.
1.500 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 2 uur
Binnen 30 min. gedurende 4 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
1.000 l/min.
3.000 l/min
8.000 l/min.**
16.000 l/min.**
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 4 uur
Binnen 30 min. gedurende 4 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
28
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
OFFENSIEF
DEFENSIEF
Verminderd zelfredzaam Logiesfuncties
Onderwijsfunctie basisonderwijs
Bijeenkomstfunctie kinderopvang of personen met fysieke of geestelijke beperking
Gezondheidszorg met bedgebied
Celfunctie
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min
4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 3 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 3 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 3 min. gedurende 2 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. gedurende 4 uur
125 l/min.
500 l/min.*
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Binnen 3 min. gedurende 1 uur
Binnen 6 min. gedurende 4 uur
Binnen 15 min. gedurende 4 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
* Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 60 m3/u. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 30m3/u. **Conform “Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden visie 2.0” , sept 2018, Brandweer Nederland.
Figuur 3.5: Uitwerking cascademodel voor utiliteitsgebouwen
29
3.2.3.3 Utiliteit met de aanwezigheid van
3.2.3.6 Parkeergarages
zelfredzamen
In het Afwegingskader parkeergarages (Brandweer
Dit soort utiliteitsbouwwerken wordt gebruikt door (in
Nederland, 2016) is een kader opgesteld voor de
principe) zelfredzame personen. De brandpreventieve
beoordeling van brandveiligheidsvoorzieningen in
voorzieningen die conform de wet- en regelgeving
parkeergarages. Dit afwegingskader vormt de basis
geëist worden, zijn afgestemd op het type bouwwerk.
voor de uitwerking van de bluswatervoorziening in
Dankzij de brandpreventieve voorzieningen - tenzij
parkeergarages.
deze door bijvoorbeeld verbouwingen zijn aangetast -
Het bestrijden van branden in parkeergarages is zeer
is het in principe mogelijk dat de aanwezigen bij brand
complex vanwege de minimale eisen die worden gesteld
in een dergelijk bouwwerk dit tijdig kunnen verlaten,
aan operationele voorzieningen. Het is moeilijk om de
of naar een veilige locatie binnen het pand zelf
brandhaard te lokaliseren, te verkennen en te benaderen
kunnen vluchten. De beschreven bluswatercapaciteit
door de sterke rookontwikkeling en hoge temperaturen.
wordt aangewend om de brand te bestrijden en
Voor ondergrondse en besloten parkeergarages geldt dat
zou niet ingezet hoeven te worden om redding te
de gevaren groter zijn dan wanneer er sprake is van een
ondersteunen.
bovengrondse en open parkeergarage.
3.2.3.4 Utiliteit met de aanwezigheid van
Garages worden regelmatig gecombineerd met andere
verminderd zelfredzamen
functies, waardoor bij brand ook indirecte elementen een
Alle bouwwerken uit deze categorie worden gebruikt
rol kunnen spelen, zoals de noodzaak tot het ontruimen
door verminderd zelfredzame personen. Ook is het
van belendende bouwwerken.
mogelijk dat er maatregelen zijn getroffen, zoals bij gevangenissen, waardoor de personen zich niet zelf
– Waar het concept van beheersbaarheid van brand
in veiligheid kunnen brengen. Voor deze bouwwerken
middels een sprinklerinstallatie van toepassing is,
zijn brandpreventieve voorzieningen verplicht,
richt de brandweerinzet zich in basis op het afblussen
conform wet- en regelgeving. Deze zijn over het
van de door de sprinklerinstallatie beheerste brand
algemeen zwaarder dan bij het utiliteitstype ‘utiliteit
(offensieve binnenaanval), onder voorwaarde dat de
zelfredzaam’. De brandpreventieve voorzieningen
omstandigheden dit toelaten. Een inzet met twee
moeten het namelijk verhinderen dat een brand zich
aanvalsstralen zal over het algemeen volstaan om de
uitbreidt naar een ander compartiment, en bovendien
brand te bestrijden.
dat de aanwezige BHV-organisatie ook nog in staat is
– Waar het concept van beheersbaarheid van brand
om mensen te evacueren. De BHV-organisatie moet
middels een stuwdrukventilatie (ventilatie ter
minimaal een ontruiming van het brandcompartiment
ondersteuning van de brandweerinzet) van toepassing
naar het naastgelegen brandcompartiment (waar
is, richt de brandweerinzet zich in basis op het
de brand, dankzij de preventieve voorzieningen,
behouden van de omliggende brandcompartimenten
niet naar is uitgebreid) uit kunnen voeren. De
(defensieve binnenaanval). Indien de omstandigheden
bluswatercapaciteit zal dan altijd voldoende moeten
het toelaten richt de brandweerinzet zich op
zijn om de brand beheersbaar te houden en de
het blussen van de brand in de brandruimte
redding te ondersteunen.
(offensieve binnenaanval). Hiervoor zullen twee aanvalsstralen worden ingezet.
3.2.3.5 Overige gebruiksfuncties
– Waar het concept van uitbrandscenario van toepassing
Overige gebruiksfuncties is een restcategorie, die door
is, is de brandweerinzet in basis gericht op het behou-
de grote variëteit maatwerk vereist. Hierbij speelt het
den van de omliggende brandcompartimenten (offen-
verblijf van mensen een ondergeschikte rol.
sieve buitenaanval/ defensieve binnenaanval).
30
– Waar het concept van afbrandscenario van toepassing
hoeven te worden uitgevoerd. Het ontbreken van
is, is de brandweerinzet in basis gericht op het
afscheidingen in VAB’s in combinatie met slecht zicht
behouden van de omliggende bebouwing (defensieve
als gevolg van rookontwikkeling, maken het risico dat
buitenaanval/offensieve buitenaanval). Afhankelijk van
incidentbestrijders verdwalen, onbereikbaar zijn en/of
het aantal af te schermen zijden worden meerdere
een of meer verdiepingen naar beneden vallen zeer reëel.
stralen en/of waterkanonnen ingezet. 3.2.4 Bijzondere situaties met betrekking tot Al deze scenario’s zijn beredeneerd op basis van branden
de gebouwde omgeving
in voertuigen met conventionele verbrandingsmotoren.
In de onderstaande paragraaf worden drie bijzondere
Binnen het voertuigenbestand zijn tegenwoordig
vormen van bebouwing besproken, die niet vallen onder
veel hybride/elektrische voertuigen; de gevolgen van een
een van de categorieën uit de rest van dit hoofdstuk. Het
brand zijn hiervoor nog onduidelijk; deze vallen dan ook
gaat om bedrijventerreinen, bulkopslagen en agrarische
buiten de scope van deze handreiking.
inrichtingen.
Voor volautomatische autobergingen (VAB) wordt
3.2.4.1 Bedrijventerreinen
geadviseerd te kiezen voor een afbrandscenario
Op bedrijventerreinen zijn, naast de voorzieningen die
van de VAB, met het oog op de veiligheid van de
bij objecten zelf zijn getroffen, openbare voorzieningen
incidentbestrijders. In een VAB zijn normaalgesproken
noodzakelijk in het geval beheersmaatregelen falen.
geen mensen aanwezig, zodat er geen reddingen
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
OFFENSIEF Industrieel object
DEFENSIEF
Zie gebouwde omgeving of maatwerk in combinatie met een openbare voorziening van 1.000 l/min.
2.000 l/min. tot 8.000*
minimaal 4.000 l/min. tot 16.000*
Binnen 6 min gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
* Conform “Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden visie 2.0” , sept 2018, Brandweer Nederland.
Figuur 3.6: Het cascademodel voor bedrijventerreinen
31
Voor bedrijventerreinen geldt dat er een vergroot risico
wordt verkregen door de inzet van waterkanonnen en
op een geëscaleerde brand kan bestaan. In een dergelijke
torenstralen. In dat geval is een bluswatervoorziening in
setting is vaak sprake van grote brandcompartimenten.
combinatie met een grootschalig watertransport (WTS)
Objecten op bedrijventerreinen zijn bouwkundig zodanig
nodig om een defensieve inzet mogelijk te maken.
ingericht dat het compartiment volledig in brand kan staan. ‘Brand bij de buren’ kan voorkomen, maar is niet
Als alternatief kunnen bedrijven ook een collectieve
gebruikelijk en wordt daarom als afwijking aangemerkt.
bluswatervoorziening aanleggen, passend bij de omvang van het bedrijventerrein en specifieke aspecten van de
Gelet op de aard van een dergelijk bouwwerk, het
inrichtingen.
gebruik en de opslag van goederen en/of gevaarlijke stoffen is een volledige compartimentsbrand een
3.2.4.2 Bulkopslagen (buiten)
realistisch scenario. Daarom is ervoor gekozen een
Grote buitenopslagen van diverse materialen, zoals
compartimentsbrand als het maatgevende scenario aan
bijvoorbeeld autobanden, afval, organisch afval, cacao,
te merken en vormt daardoor de standaardafwijking. De
kunnen te maken krijgen met brand. Wanneer door
inzet zal er op gericht zijn om belendende percelen te
een temperatuurstijging in de opslag brand uitbreekt,
behouden, terwijl het compartiment zelf waarschijnlijk
is de brandbestrijding complex. Bluswater kan niet
verloren zal gaan. Voor dit type inzet is al snel
altijd de kern bereiken en door de grote hoeveelheid
minimaal 4xLD benodigd. Aanvullende capaciteit
materiaal kan een dergelijke brand meerdere dagen in
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
OFFENSIEF Agrarische inrichting
DEFENSIEF
500 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
1.500-6.000 l/min. (afhankelijk van omgeving)
minimaal 6.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
Figuur 3.7: Uitwerking cascademodel voor agrarische inrichtingen
32
beslag nemen. Voor de bluswatervoorziening bij kleine,
Gevaarlijke stoffen bij inrichtingen vragen
beheerste branden zijn specifieke maatregelen nodig,
om maatwerk, omdat de hoeveelheid in een
terwijl een grootschalige, langdurige watervoorziening
insluitingssysteem (alle vormen van opslag) sterk
noodzakelijk is voor een geëscaleerde brand. Een
varieert en er sprake is van regelgeving die leidt
geëscaleerde brand vereist een bluswatervoorziening
tot bepaalde beheersmaatregelen. Dit is vooral
van minimaal 6.000 liter per minuut na een uur.
van toepassing op activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor de bepaling van de
3.2.4.3 Agrarische inrichtingen
bluswaterbehoefte kan gebruik gemaakt worden van
Onder agrarische inrichtingen worden boerderijen
het BrandweerBRZO-scenarioboek (Landelijk Expertise
en stallen verstaan. Een offensieve inzet zal in eerste
Centrum BrandweerBRZO, 2009).
instantie met één à twee aanvalsstralen worden uitgevoerd. Omdat de aanrijtijd bij agrarische
3.3.1 Activiteiten met gevaarlijke stoffen
inrichtingen meestal vrij lang is en daarnaast de brand
In principe worden beheersmaatregelen in of bij het
vaak laat ontdekt wordt (geen detectie), is het in de
object of terrein getroffen om het bovenmatige
praktijk vaak zo dat een brand al dusdanig geëscaleerd
risico ten opzichte van de omgeving (het afwijkende
is dat alleen nog een defensieve inzet gedaan kan
scenario) te compenseren. Voorbeelden hiervan zijn
worden om de belendende percelen te behouden en
brandcompartimentering, (automatische) blusinstallaties
overslag naar de omgeving te voorkomen. Een inzet
en vloeistofopvang. De openbare bluswatervoorziening
met aanvalsstralen en waterkanonnen is afhankelijk
is aanvullend op de bij het object of terrein
van het aantal te beschermen zijden en varieert
aangebrachte bluswatervoorzieningen/installaties.
daardoor tussen de 1.500 liter per minuut en 6.000 liter per minuut.
In geval van escalatie zal ter bescherming van de omgeving beschikt moeten worden over
Vanwege de lange aanrijtijden is het erg belangrijk
bluswatervoorzieningen. Om uitbreiding naar de
te investeren in brandpreventieve voorzieningen. Bij
omgeving te voorkomen, kan deze bescherming
het tijdig ontdekken van een brand, zal de brand
bestaan uit het blussen van brand of het koelen van
mogelijk nog onder controle te krijgen zijn met
bijvoorbeeld het insluitsysteem, de aangestraalde
een beperkte hoeveelheid bluswater. Dit vereist
bebouwing en de tankwagen of ketelwagon.
maatwerk en is afhankelijk van het waterprofiel in de omgeving (grondwaterlagen, open water, beschikbare
Bij incidenten met toxische stoffen kan geprobeerd
waterbronnen), maar ook van de repressieve organisatie.
worden om de emissie neer te slaan of te sturen (offensief). In het geval van instantane emissie, waarbij
3.3 Technologische omgeving
in één keer de inhoud van een tankwagen, ketelwagon
Het thema Technologische omgeving omvat alle
of insluitsysteem vrijkomt, is dit maar beperkt
activiteiten met gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen
haalbaar. Voor het beschermen van de omgeving kan
worden op grote schaal met name in industriële
ingezet worden op het benedenwinds plaatsen van
activiteiten gebruikt en komen voor in objecten en
waterschermen om de wolk met gevaarlijke stoffen
infrastructuur. Thema 5 Verkeer en Vervoer beschrijft
te verdunnen (door middel van mengen of oplossen),
de scenario’s met gevaarlijke stoffen op de weg, het
op het indammen van een toxische of corrosieve plas
spoor en het water; daarom wordt er hier niet nader op
of op het opnemen in inert absorptiemateriaal en het
ingegaan.
afdekken van de plas met schuim.
33
Omdat de bluswatervoorziening voor activiteiten met
– ammoniakkoelinstallaties met een inhoud van
gevaarlijke stoffen maatwerk vereist, is deze hier
minder dan 10.000 kilogram ammoniak
niet verder uitgewerkt. De openbare voorziening
– opslagen van meer dan 100.000 kilogram
voor dergelijke objecten is in de volgende paragraaf
kunstmeststoffen
beschreven. Wat betreft activiteiten met externe
– insluitsystemen voor propaan met een inhoud van 13m3 tot 50m3.
veiligheidsrisico’s kunnen enkele categoriale inrichtingen onderscheiden worden. Dit zijn inrichtingen die veelal uit een aantal vaste installaties bestaan, waardoor voor
Voor LPG-tankstations en propaan zijn ook in de
de berekening van risico’s van dezelfde waarden en
bluswatervoorziening generieke uitspraken mogelijk.
afstanden kan worden uitgegaan.
De andere opslagen hebben, rekening houdend met de wijze van uitvoering van de opslag en de omgeving,
Het gaat om:
specifieke maatwerkvoorzieningen nodig. Voor de
– LPG-tankstations
bluswaterbehoefte kan gekeken worden bij Verkeer en
– inrichtingen voor verpakte gevaarlijke stoffen met
Vervoer, dreigende BLEVE.
een hoeveelheid van meer dan 10.000 kilogram per opslagplaats
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Inrichting met gevaarlijke stoffen
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
Maatwerk in combinatie met een openbare voorziening van 1.000 l/min.
1.500-8.000* l/min. (afhankelijk omgeving)
Minimaal 6.000-16.000 l/min.*
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
* Conform “Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden visie 2.0” , sept 2018, Brandweer Nederland.
Figuur 3.8: Uitwerking cascademodel voor activiteiten met gevaarlijke stoffen
34
3.3.2 Emplacementen
baan) mogelijk. Kanttekening daarbij is, dat voor
Een spoorwegemplacement is een deel van het
emplacementen beheersmaatregelen zijn getroffen,
spoor waar handelingen worden verricht aan
waarvan sommige van invloed zijn op de omvang van
treinen, zoals het samenstellen of splitsen van
een scenario. Het ballastbed kan bijvoorbeeld, mits de
goederentreinen. Emplacementen zijn inrichtingen
bufferfunctie gegarandeerd is, een dempende invloed
waarvoor nu nog een Omgevingsvergunning vereist
hebben op de omvang van een plasbrand en daarmee
is. Onder de Omgevingswet zal dit veranderen en
op de hoeveelheid benodigd bluswater. Dit dient
zullen emplacementen onder algemene regels vallen
per emplacement middels een onderzoek te worden
die in het Besluit activiteiten leefomgeving worden
aangetoond. Hierdoor kan de bluswatervoorziening,
opgenomen.
afhankelijk van de borging van het grindbed als beheersmaatregel, tussen de 2.000 l/min en de
Op emplacementen waar ook handelingen met
6.000 l/min. (binnen 15 min.) variëren.
wagons met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, zijn de scenario’s van het doorgaand spoor (de vrije Interventiemoment Voorwerp: kleine brand Ruimte: loc/wagon zonder gevaarlijke stoffen
Uit
Uit
Brand met gevaarlijke stoffen/BLEVE/gaswolk
Uit
Type emplacement Geen gevaarlijke stoffen, lage dichtheid omgeving
Geen gevaarlijke stoffen, hoge dichtheid omgeving
Emplacement met activiteiten gevaarlijke stoffen*
500 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Binnen 30 min. voor minimaal 2 uur.
Binnen 60 min. voor minimaal 2 uur
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min.
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
1.000 l/min.
6.000 l/min.
Minimaal 6.000 l/min.
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 15 min. gedurende 2 uur
Binnen 15 min. voor minimaal 4 uur
Figuur 3.9: Uitwerking cascademodel voor emplacementen
35
Er wordt naar de volgende situaties voor
3.3.3.1 Windmolens
emplacementen gekeken:
Eén van de pijlers van de energietransitie is de
– zonder activiteiten met gevaarlijke stoffen
opwekking van energie met windturbines, ofwel
– met activiteiten met gevaarlijke stoffen
windenergie. Windturbines zijn tientallen tot enkele
- gevaarlijke stoffen met lage drempelwaarde
honderden meters hoog (gemeten tot aan de
- gevaarlijke stoffen met hoge drempelwaarde
tiphoogte). Vanwege deze hoogte is de brandweer
– met een beperkt aantal objecten of kwetsbare
ernstig beperkt in haar optreden. In de regel reiken
natuur in de omgeving
redvoertuigen niet hoger dan 30 meter, terwijl vooral
– met objecten en kwetsbare natuur in de omgeving
in de turbine (die zich op veel grotere hoogte bevindt) brand kan plaatsvinden. Bluswater heeft zodoende
Daarnaast hebben de omgeving van het emplacement
geen toegevoegde waarde.
en de bevolkingsdichtheid invloed op de inzet van de brandweer en dus op de hoeveelheid bluswater. Bij
3.3.3.2 Zonneparken
een lage bevolkingsdichtheid is het mogelijke effect
Naast het toepassen van zonnepanelen en -collectoren
voor de omgeving hier gering, waardoor de keuze kan
op daken van objecten zoals huizen en bedrijven,
worden gemaakt om de lading en/of de locomotief
worden er ook steeds meer grootschalige zonneparken
gecontroleerd uit te laten branden. De omgeving wordt
gerealiseerd. Overbelasting in één van de componenten
geïnformeerd en krijgt, indien nodig, instructie(s).
op een zonnepark kan leiden tot brand in de panelen of in de begroeiing onder of rondom de panelen. Brand
Bij een gemiddelde tot hoge bevolkingsdichtheid
op een zonnepark kan gepaard gaan met toxische
moet additioneel bluswater voorhanden zijn binnen
stoffen in de rook.
een af te leggen slangafstand van 200 meter tot de incidentlocatie en dit moet eenvoudig bruikbaar
Een inzet van de brandweer zal zich in eerste instantie
zijn. Hiervoor mag gebruik worden gemaakt van de
richten op redding van personen (indien aanwezig)
openbare blusvoorzieningen in de directe omgeving
en daarnaast op het voorkomen van uitbreiding naar
van een emplacement. De bluswatercapaciteit moet
de omgeving. Blussen van de installatie zelf is alleen
minimaal 500 l/min zijn. Het is mogelijk om af te
mogelijk indien adequate maatregelen voor het
wijken van deze bluswatereis indien er op de locatie van
spanningsloos maken van de installatie zijn getroffen.
het emplacement is aangetoond middels onderzoek dat
Een kleinschalige brand kan met eigen middelen
een BLEVE geen maatgevend scenario is.
worden bestreden. Voor het voorkomen van uitbreiding is een openbare bluswatervoorziening van 1.000 liter
3.3.3 De energietransitie in
per minuut nodig. Daarmee is een inzet met lage druk
een technologische omgeving
om de omgeving te beschermen mogelijk.
Ook voor de technologische omgeving heeft de energietransitie gevolgen. Andere typen stoffen en
3.3.3.3 Battery packs
nieuwe manieren van opslag zullen hun intrede doen.
Bij buurtbatterijen geldt feitelijk hetzelfde: er zal
Het is in dit stadium nog onbekend wat de gevolgen
langdurig water nodig zijn. Een aantal van deze
voor de benodigde bluswatervoorziening zullen zijn.
buurtbatterijen staat in containers. Bij een mogelijke
Voor enkele ontwikkelingen wordt hieronder een
beginnende brand van de batterij is de huidige
indicatie van de bluswatervoorziening gegeven.
inzettactiek het koelen van de batterij middels het vullen van de container. De locatie van de
* het is mogelijk om af te wijken van deze bluswater eis indien er op de locatie van het emplacement is aangetoond dat een BLEVE geen maatgevend scenario is middels een onderzoek van de ondergrond waarin een mogelijke lekkage kan wegzakken.
36
batterijcontainers in de publieke buitenruimte hangt
zelf, maar ook vanuit de overheid. Het belang van
samen met de locatie waar het bluswater beschikbaar
de continuïteit kan een extra argument zijn om
moet zijn: idealiter is er bluswater met voldoende debiet
aanvullende beheersmaatregelen te treffen. Proactieve
en tijdsduur in de directe nabijheid van de opslaglocatie
en preventieve maatregelen liggen het meest voor
beschikbaar.
de hand, maar ook de bluswatervoorziening kan worden geoptimaliseerd. Dit kan bijvoorbeeld door
3.4 Vitale infrastructuur en voorzieningen
de bluswatervoorziening op een volgende stap in
Onder de vitale infrastructuur en voorzieningen vallen
scenario), voor zover brand het vitale belang kan
alle processen die zo essentieel zijn voor de Nederlandse
schaden en voor zover dit vitale belang op grote
samenleving dat bij uitval of verstoring ervan sprake
(bovenlokale) schaal kan uitvallen. Ondanks dat dit niet
is van een ernstige maatschappelijke ontwrichting.
vanuit wetgeving kan worden afgedwongen, is het ten
Veel voorkomend zijn bijvoorbeeld branden in
zeerste aan te bevelen om boven het maatgevende
verdeelstations in het elektriciteitsnet, waardoor
scenario aan het bevoegd gezag te adviseren.
het cascademodel in te richten (boven maatgevend
uitval van de elektriciteitsvoorziening optreedt. In de Handreiking Regionaal Risicoprofiel wordt uitgegaan
Overigens zal het voor de brandweer niet altijd op
van de volgende crisistypen:
voorhand duidelijk zijn dat een object een vitaal belang
– verstoring energievoorziening (olie, gas, elektriciteit)
herbergt.
– verstoring drinkwatervoorziening (kan effecten
3.5 Verkeer en vervoer
hebben voor de bluswatervoorziening) – verstoring rioolwaterafvoer en afvalwaterzuivering
Er zijn bij het thema verkeer en vervoer vijf soorten
– verstoring telecommunicatie en ICT
hoofdvervoer te onderscheiden:
– verstoring afvalverwerking
– vervoer over de weg
– verstoring voedselvoorziening.
– vervoer over het water – vervoer over het spoor
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en
– vervoer door de lucht
Veiligheid (NCTV) maakt onderscheid tussen een
– vervoer door buisleidingen.
groot aantal processen die vitaal zijn voor Nederland. Omdat deze processen op een of andere wijze in de
Voor bluswater bij tunnels geldt aparte wet- en
fysieke omgeving kunnen voorkomen, bijvoorbeeld
regelgeving. Deze is onder andere opgenomen in
doordat zij in een bouwwerk gevestigd zijn, hebben
het Bouwbesluit (2012). In de Omgevingswet (2019)
zij vanuit brandveiligheidsperspectief gezien een
zal straks deze eis zijn overgenomen in het Besluit
koppeling met één van de andere thema’s. Het gaat
bouwwerken leefomgeving (2019).
dan vooral om de gebouwde omgeving, technologische omgeving en verkeer en vervoer. Daarmee wordt de
Bij de bluswateradvisering met betrekking tot het
bluswaterbehoefte vaak vanuit die fysieke component
thema verkeer en vervoer dient rekening gehouden
bepaald en moet daarvoor het betreffende hoofdstuk
te worden met de omgeving. Ter illustratie: de eisen
van deze handreiking worden geraadpleegd.
aan een bluswaterinrichting voor het bestrijden van een spoorincident op een station in het centrum van
De continuïteit wordt allereerst door proactieve en
een stad zijn waarschijnlijk anders dan bij eenzelfde
preventieve maatregelen beheerst vanuit de sector
spoorincident in een weiland.
37
3.5.1 Vervoer over de weg
hierbij bijvoorbeeld aan woonwijken, cruciale wegen
Vervoer over de weg is een complex onderwerp. Er
voor de economie of een weg die langs een school
zijn wegen binnen een woonwijk, grotere doorgaande
loopt. Op dergelijke locaties is misschien zelfs extra
wegen binnen een stad of dorp, provinciale wegen,
bluswater nodig. Een weg in het buitengebied van een
snelwegen, enzovoort. Op al deze wegen kan een
gemeente zal niet altijd bluswater in de buurt hebben.
ongeluk gebeuren met een voertuig en/of kan er brand ontstaan. De ernst of het effect van een brand zijn
Er is voor vervoer over de weg één cascademodel
afhankelijk van het soort voertuig en de lading daarvan.
ontwikkeld dat zowel het ‘gewone vervoer’ over de weg bevat als het vervoer van gevaarlijke stoffen.
In de gebouwde omgeving wordt er bij een
In bijlage 3 zijn op basis van het HART (Handleiding
voertuigbrand van uitgegaan dat voldoende bluswater
Risicoanalyse Transport) de scenario’s voor ruimtelijke
aanwezig is. Dit zal niet automatisch inhouden dat er bij
veiligheid nader uitgewerkt. De onderstaande
elke verkeersader in een gemeente bluswater aanwezig
scenario’s zijn richtlijnen voor incidenten op de weg.
dient te zijn, maar wel langs of bij wegen die langs/door
De omgeving, de drukte op de weg en de soorten
risicolocaties, kwetsbare gebieden of gebieden die van
stoffen die worden vervoerd maken dat een advies kan
belang zijn voor een gemeente/provincie lopen. Denk
afwijken van de onderstaande getallen.
Interventiemoment Autobrand Cabine- of ladingbrand Vrachtwagen gevaarlijke stoffen/voorkomen BLEVE/emissie sturen plasbrand
Uit
Uit
Uit
500 l/min.
1.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Voorkomen BLEVE: binnen 6 min. voor minimaal 4 uur Bij gevaarlijke stoffen: binnen 15 min. voor minimaal 4 uur
Figuur 3.10: Uitwerking cascademodel voor vervoer over de weg
38
Voor het blussen van een autobrand van niet-elektrische
op welke wijze de energietransitie leidt tot andere
voertuigen zal in eerste instantie geen aanvullend water
incidentbestrijding op de weg en de behoefte aan
nodig zijn. De brand zal worden bestreden met het
het type bestrijdingsmiddel. Wanneer hier meer over
water of schuim dat aanwezig is in de tank van de TS.
bekend is, zal deze handreiking worden aangevuld.
Bij het blussen van een brand in een cabine of
3.5.2 Vervoer over het water
lading (zijnde niet gevaarlijke stoffen) zal bij
Bij vervoer over water wordt ervan uitgegaan dat
een inzet gebruik worden gemaakt van extern
een schip, in geval van een incident, naar de wal
bluswater dat binnen 6 minuten beschikbaar moet
komt, waar de bluswatervoorzieningen van de kade
zijn. Dit uitgangspunt is opgesteld aangezien ladingen
kunnen worden gebruikt. Voldoende bluswater op
divers kunnen zijn. Is er binnen deze tijd geen bluswater
kades wil zeggen: 10 liter per minuut per vierkante
aanwezig, zal er gekeken moeten worden naar een
meter. Indien een schip niet naar de wal kan komen,
alternatieve manier om bluswater ter plaatse te krijgen.
zal het incident op het schip zelf bestreden moeten worden. Dit valt niet onder het adviesbeleid bluswater
De laatste stap van dit cascademodel heeft vooral
en bereikbaarheid. De scenario’s die nodig zijn voor
betrekking op incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit
ruimtelijke veiligheid gebaseerd op het HART zijn te
betreft een mogelijke plasbrand, het voorkomen van
vinden in bijlage 3.
een BLEVE of het vrijkomen van gevaarlijke lading in de vorm van een toxische wolk. Bij het voorkomen van een
Essentieel is dat er wordt gekeken naar de
BLEVE hebben het in eerste instantie het wegnemen
opstelplaatsen van brandweervoertuigen en de
van de brand en het koelen van de tank prioriteit.
hoogteverschillen van water bij eb en vloed. Water
Voor het wegnemen van de (plas)brand is meestal
moet door een brandweervoertuig ook bij de laagste
schuimvormend materiaal nodig. Voor het advies 6.000
waterstand nog omhooggehaald kunnen worden.
l/min. is de achtergrond te vinden in bijlage 3.
Een opstelplaats moet voldoen aan het gestelde in het bereikbaarheidsgedeelte (hoofdstuk 4).
Het maatgevende scenario is bij verkeer en vervoer niet één van de stappen in het cascademodel, maar
In de winter worden plezierjachten vaak gestald en/of
is afhankelijk van het soort verkeer dat over de weg
onderhouden in of nabij jachthavens. Ten behoeve van
plaatsvindt. Het maatgevende scenario wordt hier,
de bestrijding van incidenten met dergelijke jachten
in tegenstelling tot bij andere thema’s, bepaald door
kan gebruik worden gemaakt van open water, indien
het effect van een incident en niet door de kans dat
de afstand die overbrugd moet worden niet langer
een incident zal plaatsvinden. Uiteraard kan er naar
is dan 100 meter en er rekening wordt gehouden
aanleiding van de omgeving gekozen worden om
met het bovengenoemde hoogteverschil bij eb en
minder of geen bluswater aan te leggen. Het besluit
vloed. Maatwerk is vaak nodig.
over deze risicobenadering ligt bij het bevoegd gezag. 3.5.3 Vervoer over het spoor De energietransitie heeft invloed op het hiervoor
Het vervoer over het spoor is in te delen in:
weergegeven cascademodel. Het is bekend dat branden
– personenvervoer in de trein/metro
van voertuigen met bijvoorbeeld lithium-accupakketten
– personenvervoer in de tram
een ander brandverloop kennen en daarmee een
– vervoer van goederen over het spoor.
andere bluscapaciteit vereisen. Het is nog niet duidelijk
39
Deze onderverdeling is gebaseerd op de vuurlast van de
Voor het blussen van een kleine brand of een brand
verschillende soorten voertuigen en de bereikbaarheid
in een prullenbak in de trein is geen aanvullend water
van de voertuigen. Hier geldt wederom dat het
nodig, ervan uitgaande dat de trein of metro op een
bluswater dat wordt geadviseerd afhankelijk is van
plek staat waar de brandweer kan komen om de brand
de omgeving. Bluswater is nodig voor het blussen
uit te maken.
van het vervoersmiddel en de eventuele lading. Het is goed denkbaar dat het bevoegd gezag, indien er geen
Bij de tweede stap van het cascademodel wordt
kwetsbare objecten of andere belangrijke wegen of
ervan uitgegaan dat een bluswaterhoeveelheid nodig
objecten in het effect gebied liggen, accepteert dat er
is van 2.000 l/min. Dit water is nodig om de twee
daar beperkt kan worden ingezet.
naastgelegen treinstellen te koelen en de brand te bestrijden. Dit scenario wordt gezien als maatgevend
Emplacementen zijn behandeld bij de technologische
scenario.
omgeving (paragraaf 3.3.2) omdat ze worden gezien als inrichting.
De derde stap in het cascademodel betreft het in brand staan van de gehele trein (meerdere coupés) en/of
3.5.3.1 Personenvervoer per trein of metro
de omgeving. Hiervoor is langdurig veel water nodig
Hierbij is in de wagons een relatieve hoge vuurlast en
(minimaal 4 uur). Dit scenario is niet maatgevend en zit
sprake van relatief grote ruimten die betrokken kunnen
in de afwijking van de sturingsdriehoek.
worden bij een brand.
Interventiemoment Kleine brand/prullenbak Coupé volledig in brand
Meerdere coupés in brand en/of omgeving in brand
Uit
Uit
Uit
500 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
binnen 15 min. voor minimaal 4 uur
Figuur 3.11: Uitwerking cascademodel voor personenvervoer per trein of metro
40
3.5.3.2 Personenvervoer per tram
omgevingsperspectief kan het noodzakelijk zijn de
Bij een tram is er sprake van een vuurlast die lager
bluswaterbehoefte bij te stellen.
is dan in een treinstel of metrostel en die tijdens gebruik snel ontdekt zal worden. De bestuurder zit
Voor het blussen van een kleine brand zal in eerste
immers in hetzelfde compartiment en heeft hier goed
instantie geen aanvullend water nodig zijn. De brand
zicht op. Daarnaast rijdt een tram door dichtbevolkt
kan worden bestreden met het water of schuim dat
gebied. Het maatgevende scenario is dan ook het
aanwezig is in tank van de TS.
gedeeltelijk in brand staan van een tramstel. Er mag van worden uitgegaan dat het bluswater dat in de
Bij het blussen van een brand van een gehele
gebouwde omgeving beschikbaar is, voldoet voor de
locomotief of lading (zijnde niet gevaarlijke stoffen)
brandbestrijding.
zal bij een inzet gebruik gemaakt moeten worden van extern bluswater dat binnen 15 minuten beschikbaar
3.5.3.3 Goederenvervoer per spoor
moet zijn.
Bij het goederenvervoer is er één cascademodel voor zowel gevaarlijke stoffen als niet-gevaarlijke
De laatste stap van het cascademodel gaat vooral
stoffen, net zoals bij vervoer over de weg.
om incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit betreft
De beschreven scenario’s gaan alleen over de
een mogelijke plasbrand, het voorkomen van een
brand van het goederenvervoer zelf; vanuit het
BLEVE of het vrijkomen van gevaarlijke lading in de
Interventiemoment Kleine brand/prullenbak Deel tramstel in brand Hele tram in brand en/of omgeving in brand
Uit
Uit
Uit
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
binnen 15 min. voor minimaal 4 uur
Figuur 3.12: Uitwerking cascademodel voor personenvervoer per tram
41
Interventiemoment Kleine brand/prullenbak Locomotief/wagon zonder gevaarlijke stoffen
Uit
Brand met gevaarlijke stoffen/BLEVE/gaswolk
Uit
Uit
500 l/min.
2.000 l/min.
6.000 l/min.
Tank
Binnen 15 min. gedurende 1 uur
binnen 15 min. voor minimaal 4 uur
Figuur 3.13: Uitwerking cascademodel voor vervoer per spoor
vorm van een toxische wolk. Bij het voorkomen van
3.5.4 Vervoer door de lucht
een BLEVE is het handelingsperspectief in eerste
Vervoer door de lucht valt onder de richtlijnen van
instantie het wegnemen van de brand en het koelen
luchthavens. Hoewel een vliegtuig uiteraard overal
van de tank. Voor het wegnemen van de (plas)
kan neerstorten, zijn luchthavens de risicolocaties. Hier
brand is meestal schuimvormend middel nodig.
zijn op basis van wetgeving specifieke voorzieningen
Voor een nadere uitwerking van de scenario’s
aangelegd, zodat dit thema in deze Handreiking niet
en achtergrondinformatie zie bijlage 3.
verder zal worden uitgewerkt. Voor de bouwwerken of de industrie op een luchthaventerrein staan de
Het maatgevende scenario bij vervoer op het spoor is in
bepalingen voor bluswater en bereikbaarheid in
dit geval niet één van de stappen in het cascademodel,
de paragrafen over gebouwde omgeving (3.2) en
maar afhankelijk van het soort vervoer over het
technologische omgeving (3.3).
spoor. Hier is het maatgevende scenario, net als bij vervoer over de weg, bepaald door het effect van een
3.5.5 Vervoer door buisleidingen
incident en niet door de kans dat een incident zal
Buisleidingen maken deel uit van het thema Verkeer en
plaatsvinden. Uiteraard kan er gekozen worden om
Vervoer. Voor aardgastransportleidingen is een directe
minder of geen bluswater aan te leggen. Het besluit
bronbestrijding van een incident door de brandweer
van deze risicobenadering ligt bij het bevoegd gezag. In
niet wenselijk vanwege de aanhoudende toevoer van
bijlage 3 zijn op basis van het HART de scenario’s voor
aardgas uit het kapotte leidingdeel. Een brand zal
ruimtelijke veiligheid nader uitgewerkt.
zich manifesteren in de vorm van een fakkelbrand. De
42
brandweer zal zich richten op de secundaire branden
mensen. Brandweer Nederland beschikt hiervoor
die kunnen ontstaan. Bluswatervoorzieningen hebben
over zes grootschalige ontsmettingseenheden.
alleen nut voor het afschermen van de omgeving
De individuele veiligheidsregio’s beschikken
en het bestrijden van secundaire branden. Voor de
daarnaast (al dan niet gezamenlijk) over basis
bluswatervoorziening wordt teruggevallen op de
ontsmettingseenheden. Deze eenheden gebruiken
voorziening die al voor de aanwezige bouwwerken en
25 tot 50 liter water per minuut. Een brandkraan met
omgeving is gerealiseerd.
een capaciteit van 500 l/min., dan wel 30 m³/u, is dus ruimschoots voldoende om in deze waterbehoefte te
Voor buisleidingen ten behoeve van transport
voorzien. Wel is het van belang om bij de keuze van
van andere gevaarlijke stoffen wordt voor de
de locatie voor het opstellen van de eenheid, rekening
bluswatervoorziening verwezen naar de vereiste
te houden met de aanwezigheid van een brandkraan.
hoeveelheden water die bij het betreffende omgeving zijn beschreven. Hoofdzakelijk zal
3.7 Sociaal-maatschappelijke omgeving
hierbij ook gelden dat de werkwijze identiek
Voor dit maatschappelijke thema is er enkel bij
is aan de bovenbeschreven werkwijze bij
evenementen een bluswaterbehoefte. Overige
aardgastransportleidingen. Bluswateradvies is hier
aspecten zoals paniek in de menigten en verstoringen
afhankelijk van de omgeving en waar de leidingen
van de openbare orde vragen geen bluswater en
liggen en is maatwerk.
zullen daarom niet nader beschreven worden.
scenario onder het thema Technologische
Onder dit thema valt de bluswaterbehoefte op grote
3.6 Gezondheid
evenemententerreinen en in tijdelijke bouwsels zoals
Dit thema brengt geen bluswaterbehoefte met zich
tenten en podia. Dit zijn dus geen evenementen die
mee. De crisistypen Bedreiging volksgezondheid en
in een bouwwerk plaatsvinden, in open ruimten. De
Ziektegolf worden hier desondanks kort omschreven,
evenementen in bouwwerken worden beoordeeld
omdat zij wel in verband staan met een andersoortige
conform het thema beschreven in ‘gebouwde
waterbehoefte.
omgeving’. Het kan dat het gebruik van een pand voor een evenement kan zorgen voor een bijstelling
3.6.1 Bedreiging volksgezondheid
van de hoeveelheid bluswater naar boven. Voor
Bij het crisistype Bedreiging volksgezondheid gaat
evenemententerreinen ligt de focus op categorie B en
het over plotselinge gebeurtenissen, inzichten in of
C evenementen. Bij evenementen in een straat of wijk
vermoedens over een directe bedreiging voor de
kan voor de bluswaterbehoefte gekeken worden naar
gezondheid van een grote groep personen, echter (nog)
het thema gebouwde omgeving.
zonder (veel) ziektegevallen. Het gaat hierbij namelijk om de dreiging van gezondheidseffecten, waaronder
Hier wordt specifiek ingegaan op evenementen op de
speciaal gezondheidseffecten op langere termijn.
volgende terreinen: – groot veld
3.6.2 Ziektegolf
– natuurgebied
Het crisistype Ziektegolf betreft een (feitelijke) golf van
– parkeerterrein
gezondheidsklachten.
– incidenteel gebruik van een grote ruimte in een stad
Bij beide thema’s kan er behoefte zijn aan schoon
– specifieke locaties.
of dorp (drink)water voor de ontsmetting van (grote) groepen
43
3.7.1 Evenemententerrein
3.7.2 Tijdelijke bouwsels
Bij brand op een evenemententerrein wordt uitgegaan
Bij tijdelijke bouwsels (tent, tribune of podium), wordt
van een brand waarbij meerdere objecten in brand staan
ervan uitgegaan dat deze vaak opzichzelfstaande
of potentieel bedreigd worden. Dit is aannemelijk, omdat
objecten zijn waar omheen andere objecten staan zoals
er op evenemententerreinen vaak clusters van objecten
een generator, opslag of eetkraam. Voor deze objecten
zijn, zoals eetgelegenheden of verkoopkramen. Indien
is een beperkte hoeveelheid bluswater nodig. Voor
er bij een incident meerdere van deze objecten branden,
het bepalen van het bluswater in het maatgevende
wordt ervan uitgegaan dat de mensen op het terrein zich
scenario is niet de omgeving van de objecten van het
op een veilige afstand van deze brand bevinden, dan wel
evenement meegenomen. De omgeving kan zorgen
het terrein verlaten via de nooduitgangen. Het is daarom
voor een bijstelling van de hoeveelheid bluswater naar
niet noodzakelijk om op korte afstand direct bluswater
boven of naar beneden. Het maatgevende scenario
beschikbaar te hebben. De waterwinning mag daardoor
hier is bijvoorbeeld een brandende patatkraam,
langer duren, maar moet dan wel gelijk een hoeveelheid
inclusief de bijbehorende gasflessen (object in brand).
leveren die noodzakelijk is om een brand van meerdere
Bij dit scenario is het van belang om snel te kunnen
objecten te kunnen bestrijden.
beschikken over water, zodat eventuele gasflessen of andere energievoorzieningen kunnen worden gekoeld
Bij evenementen kunnen preventieve maatregelen
of afgeschermd.
worden genomen of andere blusmiddelen aanwezig zijn, zodat er minder behoefte is aan bluswater. Hierdoor kan
3.7.3 Energietransitie bij evenementen en
de bluswaterbehoefte naar beneden worden bijgesteld.
tijdelijke bouwsels
Daarnaast kan de omgeving aanleiding zijn voor een
De energietransitie die tijdens het schrijven van
bijstelling van de bluswaterbehoefte. Bij de scenario’s
deze handreiking plaatsvindt, beïnvloedt de
wordt immers uitgegaan van een bluswaterbehoefte
energievoorziening op de evenemententerreinen. Zo
voor het blussen van de brand en niet om de omgeving
worden er generatoren geplaatst die kunnen bestaan
te beschermen en/of om uitbreiding te voorkomen.
uit grote hoeveelheden batterijen, al dan niet met zonnepanelen of ander voorzieningen om stroom op te wekken. In de behoeftestelling van het bluswater is met deze ontwikkelingen nog geen rekening gehouden. Hierom is het essentieel dat deze handreiking regelmatig geactualiseerd wordt.
44
Interventiemoment Voorwerp Object/bouwsel Meerdere objecten Terrein Buiten het terrein
Uit in voorwerp
Uit in object/bouwsel
Uit in objecten
Uit in terrein
OFFENSIEF
DEFENSIEF
Evenementen terrein
125 l/min.
500 l/min.*
2.000 l/min.
4.000 l/min.
8.000 l/min.
Tank TS Tijdelijk bouwsel
125 l/min.
Binnen 6 min. voor 1 uur
Binnen 15 min. voor 1 uur
Binnen 30 min. voor 4 uur
Binnen 60 min. voor 4 uur
1.000 l/min.
2.000 l/min.
4.000 l/min.
Tank TS
Binnen 6 min. voor 1 uur
8.000 l/min.
Binnen 15 min. voor 1 uur
Binnen 30 min. voor 4 uur
Binnen 60 min. voor 4 uur
* Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 60 m3/u. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 30 m3/u.
Figuur 3.14: Uitwerking cascademodel voor evenementen
45
4
Bereikbaarheid In dit gedeelte van de handreiking wordt beschreven
In figuur 4.2 hieronder is het verschil in soorten wegen
welke eisen gesteld (moeten) worden aan wegen om
weergegeven, waarbij van boven naar beneden
de bereikbaarheid zo veel mogelijk te garanderen.
gezien de stroomfunctie steeds kleiner wordt en de
Hier wordt - in aansluiting op de terminologie van het
verkeersbewegingen in meerdere richtingen steeds
programma Duurzaam Veilig (SWOV, 1992) en het
groter worden.
vervolgprogramma Door met Duurzaam Veilig (SWOV, 2005) - bereikbaarheid als volgt gedefinieerd: de mate waarin een bepaald doel snel en zonder hinder te bereiken is.
Figuur 4.1 Schematische weergave van de eisen
Figuur 4.2: Schematische weergave van verschillende soorten wegen
Voor hulpdiensten is het goed kunnen bereiken en personeel van cruciaal belang. Hiervoor is het van
4.1 Eisen aan de weg in relatie tot de hulpdienstvoertuigen
belang dat wegen zo veel mogelijk een onbelemmerde
Eerste eis: Een weg is alleen door hulpdienstvoertuigen
doorgang bieden. Deze handreiking beschrijft welke
te gebruiken wanneer deze recht doet aan de specifieke
eisen gesteld worden aan een goede bereikbaarheid.
kenmerken van die hulpdienstvoertuigen.
verlaten van een incident met eigen materieel en eigen
Deze eisen vormen condities om de bereikbaarheid voor hulpdiensten zo veel mogelijk te vergroten en zijn
Een incidentlocatie is bereikbaar als deze aan een
hiermee een zwaarwegend advies. Zij staan niet gelijk
tweetal zaken voldoet:
aan wet -en regelgeving, hoewel zij wel zijn opgesteld
– Er is een beschikbare route vanaf een uitrukpost
binnen de kaders daarvan. De eisen, weergegeven in
tot een bij de incidentlocatie gelegen opstelplaats
afbeelding 4.1, worden van ‘grof naar fijn’ behandeld:
(een bepaalde opstelplaats of een opstelplaats
– paragraaf 4.1: de gestelde eisen betreffende de weg
samenvallend met de openbare weg). Voor uitrukposten geldt dat deze altijd ontsloten dienen te
van de uitrukpost tot de incidentlocatie (de gehele
zijn door een gebiedsontsluitingsweg.
route) in relatie tot het hulpdienstvoertuig
– De normtijden4 zoals gesteld in het Besluit
– paragraaf 4.2: de bereikbaarheid en inrichting van
veiligheidsregio’s of bestuurlijk vastgesteld voor een
de verkeersaders
basis brandweereenheid worden gehaald.
– paragraaf 4.3: de bereikbaarheid en inrichting van het verblijfsgebied – paragraaf 4.4: de bereikbaarheid van een incidentlocatie (ofwel een specifiek adres)
Indien de wet aangaande de normtijden komt te veranderen, dient uitgegaan te worden van de meest recente versie van de wet. Een wijziging kan eventueel vragen om een maatwerkoplossing.
4
– paragraaf 4.5: de bereikbaarheid op eigen terrein – paragraaf 4.6: overige (speciale situaties).
46
Hulpdienstvoertuigen kennen specifieke afmetingen,
Voor bruggen en viaducten is, voor gebruik door
waardoor wegen aan bepaalde voorwaarden
hulpdienstvoertuigen, minimaal verkeersklasse 45 van
moeten voldoen. We kennen brandweer- politie-
toepassing.
en ambulancevoertuigen. In dit stuk is het brandweervoertuig maatgevend, omdat dit onder de hulpdienstvoertuigen het grootst en het zwaarst is. De geformuleerde voorwaarden aan de wegen zijn voor de hulpdienstvoertuigen het minimum. Om te kunnen spreken van een goede bereikbaarheid, worden in de meeste gevallen aanvullende eisen gesteld. Lokaal kan er maatwerk plaatsvinden als er bijvoorbeeld, passend op het regionaal risicoprofiel, met specifieke voertuigen (bijvoorbeeld waterwagens en schuimblusvoertuigen) wordt gewerkt. Aan de volgende aspecten moeten voorwaarden worden gesteld (zie ook afbeelding 4.3): Figuur 4.3: Specifieke kenmerken van
– De minimale beschikbare rijstrookbreedte kan
hulpdienstvoertuigen
variëren per wegkenmerk, maar dient minimaal voor 3.25 meter te worden verhard en een vrije ruimte
4.2 Bereikbaarheid via verkeersaders
met een breedte van 3.50 meter. – De doorgangshoogte moet minimaal 4.20 meter zijn.
Tweede eis: Verkeersaders bieden aan de
– Er dient rekening gehouden te worden met de
hulpdienstvoertuigen een onbelemmerde en
draaicirkel van de voertuigen en de hiermee
betrouwbare doorgang.
5
gepaarde rijcurve en sleeplijn. Verkeersaders worden onderverdeeld in stroomwegen
– Als richtlijn voor verharding geldt een totaal gewicht
en gebiedsontsluitingswegen.
van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. – Voor het dimensioneren van wegverhardingen wordt niet meer gebruik gemaakt van verkeersklassen. Bij bruggen en viaducten worden wel verkeersklassen
Gebiedsontsluitingsweg
gebruikt, in combinatie met de cijfers 30, 45, 60 (of 300, 450, 600). Verkeersklasse
Aslast (kN)
30 (of 300)
100
45 (of 450)
150
60 (of 600)
200
Stroomweg
Erftoegangsweg
Een bochtstraal moet berijdbaar zijn voor de hulpdienstvoertuigen (bijvoorbeeld door het intekenen van rijcurves of sleeplijnen). Hierbij zijn sleeplijnen gebaseerd op snelheid en bochtstralen de minimale eisen om een bocht te kunnen nemen. Rijcurves dienen locatieafhankelijk getest en bepaald te worden op basis van de mogelijk in te zetten hulpdienstvoertuigen.
5
Figuur 4.4: Categorisering van wegen: stroomwegen en gebieds-ontsluitingswegen
47
Stroomwegen hebben een primaire verkeersfunctie,
Optische en Geluidsignalering 2017 (IFV, 2017) is het aan
waarbij de doorstroming centraal staat. Zij zijn daarom niet
brandweerchauffeurs op grotere voertuigen (>5.000 kg
toegankelijk voor langzaam verkeer en landbouwverkeer.
TMM) toegestaan om tot 20 km/u harder te rijden dan
Stroomwegen kennen in de Duurzaam Veilig-visie geen
de toegestane snelheid. Met kleinere voertuigen (≤ 5.000
gelijkvloerse kruisingen en er is een fysieke scheiding,
kg TMM) mag sinds 2017 ook door brandweerchauffeurs
bijvoorbeeld in de vorm van een middenberm. In de
tot 40 km/u harder gereden worden dan de geldende
praktijk betreft het hier veelal de zogenaamde A-wegen
maximumsnelheid. Dit is gelijk aan hoe het voor bijvoor-
(snelwegen) en N-wegen (veelal provinciale wegen
beeld politie, ambulance en defensie al geregeld was. De
en autowegen). De meest intensief gebruikte fysieke
ervaring leert dat het overige verkeer snelheid terugneemt
infrastructuur is de auto(snel)weg. Lokale stroomwegen
om plaats te maken voor hulpdienstvoertuigen. Dit houdt
zullen in de meeste gevallen onder de eerder genoemde
in dat er voor de hulpverleningsdiensten de ruimte moet
eisen vallen en zodoende voldoende bereikbaar zijn.
zijn om het verkeer op dezelfde baan te kunnen passeren
Auto(snel)wegen hebben echter gescheiden rijbanen en
en het eventueel tegemoetkomende verkeer te kunnen
zijn maar vanaf enkele toe- en afritten bereikbaar, die
ontwijken.
soms ver uit elkaar liggen. 4.2.2 Doorgang op verkeersaders Voldoende toegang tot de wegvlakken van auto(snel)
Op verkeersaders met tweerichtingsverkeer dient
wegen kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld:
voldoende ruimte te zijn om hulpdienstvoertuigen
– calamiteitendoorsteken
doorgang te kunnen geven, waardoor een minimale
– calamiteitentoegangen
verharde breedte van 8.00 meter benodigd is.
– deuren in geluidschermen.
Voertuigen in beide richtingen dienen uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig in het midden ruimte
Voldoende doorgang op de auto(snel)wegen kan
te geven, zie onderstaande afbeeldingen.
gerealiseerd worden door bijvoorbeeld: – gebruik calamiteitdoorsteek (CADO) – gebruik vrije vluchtstrook – halfverharding – het middendoor rijden door hulpdiensten – incident management afstemming. Gebiedsontsluitingswegen zijn wegen die zowel doorstroming als uitwisseling tot doel hebben. Zij zorgen
Figuur 4.5a: Minimale verharde breedte van een
ervoor dat bijvoorbeeld woonwijken, bedrijfsterreinen
verkeersader met tweerichtingsverkeer
en winkelcentra bereikbaar blijven. Tevens hebben ze tot doel te zorgen voor het verdelen en verzamelen van verkeer. In de praktijk gaat het hier veelal om doorgaande wegen tussen dorpskernen en hoofdroutes in en rondom stadskernen, dorpskernen, wijken en buurten. 4.2.1 Snelheid op verkeeraders Op de verkeersaders (stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen), is de snelheid van hulpverleningsdiensten meestal vergelijkbaar en soms zelfs hoger dan de snelheid
Figuur 4.5b: Minimale verharde breedte van een
van het overige verkeer. Volgens de brancherichtlijn
verkeersader met tweerichtingsverkeer
48
Op verkeersaders met eenrichtingsverkeer (ook wegen
Deze dienen in overleg te worden geplaatst om te
met gescheiden rijbanen) dient voldoende ruimte te zijn
voorkomen dat de opkomsttijd onevenredig lang
om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven,
wordt. Hierbij dient in ogenschouw te worden
waardoor een minimale verharde breedte van 5.50
genomen dat het totaal aantal snelheidsremmende en
meter nodig is. Verkeersdeelnemers dienen uit te kunnen
verkeerswerende elementen op de gehele route beperkt
wijken om het hulpdienstvoertuig passeerruimte te
moet blijven. Tevens dienen er goede zichtlijnen voor
geven; zie onderstaande afbeelding 4.6.
de bestuurder te zijn nabij kruisingen om snel en veilig het kruispunt te kunnen oversteken. Het Handboek wegontwerp 2013 biedt verschillende alternatieven om een onbelemmerde doorgang voor de hulpdiensten te bevorderen. 4.2.2.1 Hoofdrijroutes, calamiteitenroutes en aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel In veel gemeenten zal de vastgestelde categorisering (Duurzaam Veilig) niet voldoen aan bovenstaande eisen. Een optie is om in dergelijke gevallen een
Figuur 4.6: Minimale verharde breedte van een
gemeentelijk convenant voor ‘hulpverleningsroutes’
verkeersader met eenrichtingsverkeer
(zie Handboek wegontwerp 2013) vast te stellen en daaraan inrichtingseisen te verbinden. Dergelijke
Tevens moeten verkeeraders altijd bruikbaar zijn en
hulpverleningsroutes zijn vaak de grotere wegen binnen
blijven, of dient hiervoor minimaal een alternatief te
een verblijfsgebied waarvoor een 30 km/u regime geldt.
worden gezocht. Wanneer dit niet gebeurt, bestaat
In een dergelijk document kunnen afspraken worden
namelijk de kans dat delen van het verzorgingsgebied
gemaakt over hoofdrijroutes, calamiteitenroutes en
niet bereikt kunnen worden omdat een
aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel richting
verkeersader niet beschikbaar is. Een onbelemmerde
de uitrukpost.
doorgang kan overigens worden bevorderd door verkeersmanagement, bijvoorbeeld door het toepassen
Hoofdrijroutes
van verkeerslichtbeïnvloeding of het aangeven van
Met een gemeente kunnen zogenaamde hoofdrijroutes
gewenst gedrag middels borden.
bepaald worden. Dit zijn de belangrijkste verbindingswegen in een stad of gebied. De
Belemmeringen op verkeersaders
hulpdiensten maken hier over het algemeen altijd
Wegwerkzaamheden, snelheidsremmende of
gebruik van voordat zij het omliggende fijnmaziger
verkeerswerende elementen en afsluitingen vormen een
wegennet opgaan om een specifieke incidentlocatie
belemmering op de weg. Wegwerkzaamheden kunnen
te bereiken. Door het maken van deze afspraken
een reden zijn voor het zoeken naar een alternatief.
is het voor de gemeente helder op welke locatie
Vormen van alternatieven kunnen zijn:
de hulpdiensten strenger zullen adviseren bij
– wegomleidingen
werkzaamheden en kan bijvoorbeeld vooraf al
– parallelbaan
meer aandacht besteed worden aan planning,
– route door het werkvak.
doorrijdmogelijkheden of het zoeken naar een acceptabele alternatieve route.
Snelheidsremmende en verkeerswerende elementen zijn in tegenspraak met een onbelemmerde doorgang.
49
Naast de hoofdrijroutes kunnen ook, samen met
4.3 Bereikbaarheid in verblijfsgebieden
een gemeente, zogenaamde calamiteitenroutes
Derde eis: Verblijfsgebieden kennen een zodanige
aangewezen worden. Deze routes vormen een robuust
samenhang dat een willekeurig adres in een
basisnetwerk voor een minimale bereikbaarheid.
verblijfsgebied binnen een gestelde tijd bereikbaar is.
Calamiteitenroutes
Ze lopen bij voorkeur over brede wegen voor de aan- en afvoer van groot materieel, evacuatie en
4.3.1 Snelheidsremmende
het inrichten van gewondennesten. Voorbeelden
verkeersmaatregelen
van calamiteitenroutes zijn routes van en naar
Binnen verblijfsgebieden is sprake van
een brandweer- of ambulancepost, ziekenhuis of
erftoegangswegen die bedoeld zijn voor het veilig
politiebureau, of routes tussen ziekenhuizen. Het
toegankelijk maken van percelen.
gezamenlijk vaststellen van deze routes zorgt dat er, zeker bij werkzaamheden en evenementen, zorgvuldig gekeken wordt naar de risico’s die het blokkeren van een calamiteitenroute met zich mee brengt.
Gebiedsontsluitingsweg
Aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel richting de uitrukpost
Stroomweg
Vrijwillig brandweerpersoneel komt na alarmering in de regel vanuit hun werk- of huisadres richting uitrukpost. Het is vanzelfsprekend onmogelijk om voor alle
Erftoegangsweg
medewerkers een route te faciliteren die aan de hoogste eisen voldoet. Wanneer de brandweer advies geeft over bereikbaarheid bij werkzaamheden en evenementen kan ook gewezen worden op eventuele verstoringen in de routes die vrijwilligers nemen om de kazerne (snel) te bereiken. Omrijden kan de uitruktijd - en daarmee de opkomsttijd - van een vrijwillige eenheid verhogen en in Figuur 4.7: Categorisering van wegen:
het uiterste geval zelfs de paraatheid verminderen.
erftoegangswegen 4.2.2.2. Afsluitingen anders dan wegwerkzaamheden
Op erftoegangswegen moeten alle verkeersdeelnemers
Afsluitingen anders dan wegwerkzaamheden in
(voetgangers, fietsers en automobilisten, et cetera)
de verkeersaders, gebiedsontsluitingswegen en
van dezelfde rijbaan gebruik kunnen maken, waarbij
vastgestelde hoofd- en calamiteitenroutes mogen
voetgangers vaak wel een eigen verkeersruimte wordt
uitsluitend door middel van op afstand bedienbare
geboden in de vorm van een trottoir. Manoeuvres
dynamische voorzieningen worden uitgevoerd.
als keren, draaien, het laten in- en uitstappen van
Deze dienen vanuit het hulpdienstvoertuig bediend
passagiers, het laden- en lossen van goederen en
te kunnen worden (bijvoorbeeld door een actieve
het oversteken moeten veilig kunnen gebeuren.
transponder). De afsluiting mag enkel worden
Omdat de verblijfsfunctie het belangrijkst is in
toegepast als zij regionaal is afgestemd en uniform is
gebieden met dergelijke wegen, moet de snelheid
vormgegeven. De afsluiting moet te bedienen zijn door
van het gemotoriseerde verkeer omlaag om toch te
alle hulpdiensten.
voldoen aan de vereiste van homogeniteit van het
50
verkeer. Om deze lagere snelheid (ten opzichte van
Erftoegangswegen die zijn aangewezen als
de gebiedsontsluitingswegen) af te dwingen, zijn er
hoofdrijroute of calamiteitenroute worden beschouwd
de laatste jaren veel snelheidsremmende maatregelen
als verkeersaders zoals beschreven in de voorgaande
getroffen.
paragraaf.
Naast het terugbrengen van de snelheid worden
Bij een aangepaste inrichting, bijvoorbeeld met
in principe geen andere verkeersmaatregelen zoals
voertuigvriendelijke elementen of een ruimere
fietsstroken of zebrapaden toegepast. De eis dat een
wegbreedte, kunnen deze wegen door de
willekeurig adres vanaf een verkeersader binnen een
hulpverleningsdiensten toch worden beschouwd als
gestelde tijd bereikbaar moet zijn, draagt bij aan een
een onbelemmerde en betrouwbare doorgang. Deze
goede ontsluiting voor hulpdiensten. Uitgaande van de
wegen dienen in samenspraak met de veiligheidsregio
normtijden genoemd in het Besluit veiligheidsregio’s is
aangewezen te worden.
een tijd van één à twee minuten aan de orde. De eis om de ontsluitingstijd voor een verblijfsgebied op ten
Om de tijdseis in een afstandseis om te zetten, moet
hoogste twee minuten te stellen, moet er toe leiden dat:
aan het volgende worden gedacht: de gemiddelde
– Een erftoegangsweg niet onacceptabel lang is:
snelheid van een hulpdienstvoertuig ligt binnen de
globaal dient elk perceel binnen twee minuten vanaf
bebouwde kom over het algemeen lager dan de
de verkeersader bereikt te kunnen worden.
maximale snelheid. In verblijfsgebieden, zeker wanneer
– Een erftoegangsweg binnen beperkte grenzen met