Regels - Bijlage 3 Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019
Tekst van het document
Handreiking
Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019
Handreiking
Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019
Voorwoord Voor u ligt de geactualiseerde Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. Deze handreiking is met inbreng van veel brandweercollega’s geschreven vanuit de praktijk. De actualisatie is nodig omdat de wereld rondom het onderwerp ‘bluswater en bereikbaarheid’ aan verandering onderhevig is. Te denken valt hierbij aan de nieuwe basisprincipes van brandbestrijding, veranderende wetgeving waaronder de Omgevingswet, de klimaatverandering, de energietransitie en ontwikkelingen op maatschappelijk en technologisch gebied. Het project is onderdeel van de Uitvoeringsagenda Brandweer. De programmaraad Incidentbestrijding is opdrachtgever, maar de handreiking is opgesteld in nauwe afstemming met de programmaraad Risicobeheersing. Speciale dank gaat uit aan het projectteam en ieder ander die heeft meegeholpen! Er is een grote klus geklaard, met een mooi resultaat. Deze handreiking vormt een goede leidraad voor de brandweer om samen met andere actoren lokaal beleid te ontwikkelen. 17 januari 2020, Amersfoort Programmaraad Incidentbestrijding
Inhoudsopgave Inleiding
6
1 Juridisch kader en verantwoordelijkheden
8
2 Bluswater: Raamwerk, kaders en uitgangspunten
12
3 Bluswater aan de hand van zeven thema’s
18
4 Bereikbaarheid
46
Bijlage 1: Onderhoud bluswater-voorziening en levering van bluswater
63
Bijlage 2: Maateenheden en vuistregels bluswatervoorziening
68
Bijlage 3: Scenario’s verkeer en vervoer
69
Literatuurlijst
81
Colofon
83
De Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid
Inleiding Een adequate bluswatervoorziening en een goede
uit van dit principe. Door de nieuwe wet zal de
bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorzieningen
brandweer meer vóóraf adviseren bij het opstellen
als de incidentlocatie, zijn randvoorwaarden voor
van omgevingsplannen. Er zijn minder gelegenheden
een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door
om áchteraf te adviseren of te toetsen bij concrete
de brandweer. De Handreiking Bluswatervoorziening
bouwplannen.
en Bereikbaarheid 2019 (hierna: de handreiking) is een publicatie voor de veiligheidsregio’s om
Totstandkoming en beheer
regionaal beleid op te stellen omtrent bluswater en
Met deze handreiking komt de versie uit 2012 te
bereikbaarheid. De handreiking biedt hiervoor relevante
vervallen. De aanpassing van deze versie was door een
informatie, praktische handvatten en uitgangspunten
aantal ontwikkelingen noodzakelijk:
op basis waarvan elke veiligheidsregio (en daarmee de
1 Binnen de brandweer vinden ontwikkelingen plaats
gemeenten) bluswater- en bereikbaarheidsbeleid kan
(zoals de ontwikkeling van de Basisprincipes van
opstellen en vaststellen. Er zijn meerdere argumenten
brandbestrijding) die van invloed zijn op de wijze
waarom dit aan te bevelen is:
waarop brand bestreden wordt en op de benodigde
– het risicoprofiel per regio verschilt
hoeveelheid bluswater. 2 Op basis van ervaring is gebleken dat voor het
– de interventiecapaciteit per regio verschilt
opstellen van adviesbeleid voor bluswater en
– de risicoacceptatie kan verschillen per gemeente.
bereikbaarheid door veiligheidsregio’s meer
Doel en doelgroep
handvatten nodig zijn. 3 De vanzelfsprekendheid dat de brandweer
Het doel van deze Handreiking is om Veiligheidsregio’s een raamwerk te bieden waarmee zij in staat
voldoende bluswater kan onttrekken aan
worden gesteld hun eigen regionale adviesbeleid
drinkwaterleidingen neemt af, mede door
op het gebied van bluswater en bereikbaarheid
huidige ontwerpnormen van drinkwaterleidingen.
te formuleren, rekening houdend met hun eigen
4 Veranderende wet- en regelgeving, zoals de
interventie- en omgevingskenmerken. Doelgroep
overgang van het Bouwbesluit 2012 naar de
zijn de beleidsadviseurs en bluswater- en
Omgevingswet.
bereikbaarheidsadviseurs van de veiligheidsregio. De handreiking is een landelijk samenwerkingsproduct Deze handreiking is opgesteld aan de hand van de
van experts op het gebied van incidentbestrijding,
basisprincipes van brandbestrijding. Per scenario wordt
operationele voorbereiding en risicobeheersing. Alle
er een hoeveelheid bluswater voorgesteld; er is gezocht
regio’s zijn vertegenwoordigd via de programmaraad
naar een minimaal toereikende bluswatervoorziening
Incidentbestrijding en de hieronder opererende
voor maatgevende incidenten. Ook als aan dit minimum
districten. Er is nauwe afstemming geweest met de
wordt voldaan, kunnen door andere factoren uiteraard
programmaraad Risicobeheersing. De Handreiking is
onbeheersbare branden ontstaan.
opgesteld met gebruikmaking van: – wet- en regelgeving
Risicogericht adviseren
– maatschappelijke thema’s uit het regionaal
Al enkele jaren is er bij de overheid sprake van een
risicoprofiel
verschuiving van regelgericht naar risicogericht
– de Basisprincipes van brandbestrijding
adviseren. Toetsing op basis van regelgeving
– het kwadrantenmodel voor gebouwbrandbestrijding
begint plaats te maken voor het maken van risico-
– (inter)nationale onderzoeken
inschattingen. Ook de nieuwe Omgevingswet gaat
– expert judgements.
6
Door toekomstige en versnelde ontwikkelingen zal
Zo is er gebruik gemaakt van de Basisprincipes voor
deze handreiking steeds periodiek herzien moeten
brandbestrijding en modellen als het cascademodel,
worden. Het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) gaat
de sturingsdriehoek, het kwadrantenmodel en
gevraagd worden zorg te dragen voor het beheer van
het kenmerkenschema. Deze modellen vormen de
de handreiking en haar periodieke actualisatie.
verbinding tussen incidentbestrijding, risicobeheersing en crisis- en rampenbestrijding.
Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie
Leeswijzer
De nieuwe handreiking kent een systematische opzet
In hoofdstuk 1 wordt het bijbehorende juridische
waarbij bluswatervraagstukken zijn gecategoriseerd
kader uitgewerkt, waarbij wordt beschreven hoe
aan de hand van zeven maatschappelijke thema’s.
de verantwoordelijkheden verdeeld zijn en hoe een
Deze thema’s worden toegelicht in hoofdstuk 3. Tevens
veiligheidsregio op een effectieve en efficiënte manier
zijn de implicaties van de omgevingswet en andere
adviesbeleid kan opstellen. In de hoofdstukken 2 en 3
maatschappelijke ontwikkelingen meegenomen.
wordt ingegaan op de technisch-inhoudelijke aspecten rondom de bluswaterbehoefte, en in hoofdstuk 4 komt
De grootste wijziging ten opzichte van de vorige
de bereikbaarheid aan bod.
handreiking is de toevoeging van brandweerdoctrines.
7
1
Juridisch kader en verantwoordelijkheden In het onderstaande hoofdstuk komen het juridische kader, de bestuurlijke verantwoordelijkheden, de adviesmogelijkheden van een veiligheidsregio en de leveranciers van bluswater aan bod. Ten slotte worden de verantwoordelijkheden rondom de controle en informatievoorziening met betrekking tot bluswater beschreven.
1.1
Juridisch kader
die basis maatwerk gaan leveren in het plangebied, tenzij
Hieronder worden de juridische kaders opgesomd
de gemeente hier tussentijds anders over besluit.
waarop de voorliggende handreiking is gestoeld: – Wet ruimtelijke ordening
1.2 Bestuurlijke verantwoordelijkheid bluswater en bereikbaarheid
– Wet milieubeheer
De eindverantwoordelijkheid voor (openbare)
– Besluit externe veiligheid inrichtingen
bluswatervoorziening en bereikbaarheid ligt bij
– Besluit risico’s zware ongevallen
gemeenten. Deze verantwoordelijkheid is beschreven
– Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS-en)
in de Wet op de Veiligheidsregio. In artikel 2 staat
– Bouwbesluit
dat het college van burgemeester en wethouders
– Bouwverordening
van een gemeente belast is met de brandweerzorg.
– Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening
In artikel 10 staat dat het college de veiligheidsregio
– Wet veiligheidsregio’s
belast met het instellen en in stand houden van een
overige plaatsen (Bgbop).
brandweer. In artikel 3 is vastgelegd welke taken tot de Zijdelings zijn ook de Drinkwaterwet en de Waterwet
brandweerzorg behoren: ‘het voorkomen, beperken en
relevant, omdat de leveranciers van bluswater hieraan
bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
gebonden zijn en het leveren van bluswater geen
het voorkomen en beperken van ongevallen bij
wettelijke taak is.
brand en al hetgeen daarmee verband houdt (…).’ Bluswatervoorziening en bereikbaarheid vallen onder ‘al
Wanneer de Omgevingswet van kracht wordt, zal
hetgeen daarmee verband houdt’.
bovengenoemde wet- en regelgeving (met uitzondering van de PGS-en en de Bgbop) daarin geïntegreerd worden.
1.2.1 De verhouding tussen de gemeente en
Onderdeel van de Omgevingswet is het Besluit kwaliteit
de veiligheidsregio
leefomgeving (Bkl). In artikel 5.2 van het Bkl en de Nota
Gemeenten hebben een belangrijke rol in ruimtelijke
van toelichting staat de verwijzing naar de Handreiking
ontwikkelingen op het gebied van fysieke veiligheid.
bluswater en bereikbaarheid. In de Wet veiligheidsregio’s
In verschillende besluiten bepalen zij welke mate
komt een nieuw lid bij artikel 14, waarin geregeld wordt
van (on)veiligheid wordt geaccepteerd en welke
dat de veiligheidsregio betrokken moet worden bij het
beheersmaatregelen risico’s moeten beperken. Dit
opstellen van omgevingsplannen. Dit moet nog wel
maakt dat de gemeenten voor de bluswatervoorziening
geborgd gaan worden in het regionale beleidsplan.
opdrachtgevers zijn. Veiligheidsregio’s zijn gebruiker en adviseur; zij hebben kennis, gebruikservaring
Van 2021 tot 2028 is er een overgangsperiode en
en een landelijk netwerk. Om binnen het gekozen
worden de huidige regels (uit het Bouwbesluit en
gemeentelijke kwaliteitsniveau optimaal te kunnen
bestemmingsplannen) ten aanzien van bluswater en
werken, adviseren zij de gemeenten over bluswater –
bereikbaarheid automatisch van kracht voor gemeentelijke
en bereikbaarheidsvraagstukken. Vanzelfsprekend is
omgevingsplannen. In deze periode kunnen de
er sprake van een beleidscyclus. In het onderstaande
veiligheidsregio’s bluswater in de omgevingsplannen
schema wordt een voorbeeld van een dergelijke cyclus
adviseren op basis van de nieuwe handreiking, en zo op
weergegeven.
8
Uitvoering Vergunning/plan
Besluit kwaliteit Vergunning/plan
Figuur 1.1: Een voorbeeld van een bluswatercyclus De wetgever heeft beoogd dat het bevoegd gezag
bestaat er een kaderstelling over de generieke
zijn eigen afwegingen en keuzes kan maken
bluswaterbehoefte (beleidsadvies) en anderzijds is er
op het gebied van bluswater en bereikbaarheid
praktisch advies bij te ontwikkelen gebieden of objecten
binnen het spanningsveld tussen risico, veiligheid
(inhoudelijk advies).
en kosten. Voor een effectieve incidentbestrijding is het echter noodzakelijk dat besluitvorming door
1.3.1 Beleidsadvies
bevoegd(e) gezag(en) wordt teruggekoppeld naar de
Het is van belang dat de veiligheidsregio bluswater
veiligheidsregio. Als de gemeente afwijkt van het advies
en bereikbaarheid onderdeel maakt van het regionale
van de veiligheidsregio beïnvloedt dat mogelijk de
beleidsplan (artikel 14 WvR). Het regionale beleid is
kwaliteit van de brandweerzorg.
idealiter een uitwerking van deze voorliggende landelijke handreiking in combinatie met het brandrisicoprofiel.
1.3 De adviesmogelijkheden van een Veiligheidsregio
Het is eveneens van belang dat gemeenten een
De samenwerking tussen de gemeenten en de
op het regionale beleidsplan van de veiligheidsregio.
veiligheidsregio is bij voorkeur cyclisch. De wetgever heeft
Binnen dit bluswaterbeleidsplan moeten de
beoogd dat het bevoegd gezag (de gemeente) zijn eigen
bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden
afwegingen en keuzes kan maken op het gebied van
beschreven. Daarnaast hebben de gemeenten hierin
bluswater en bereikbaarheid binnen het spanningsveld
de mogelijkheid om vooraf een keuze te maken in hun
tussen risico, veiligheid en kosten. Door terugkoppeling
ambitieniveau per maatschappelijk thema, zoals verder
hiervan aan de veiligheidsregio kan de inzet van de
in deze handreiking is uitgewerkt (zie hoofdstuk 3).
bluswaterbeleidsplan vaststellen dat afgestemd is
brandweer hierop aangepast worden en vice versa. 1.3.2 Inhoudelijke advisering In veel regio’s vragen de gemeenten bij
De eisen aan bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid
vergunningaanvragen of het opstellen van
zijn vooralsnog vastgelegd in het huidige juridische
structuurvisies om bluswater- en bereikbaarheidsadvies
kader, zoals beschreven in paragraaf 1.1. Dit betekent
aan (de brandweer van) de veiligheidsregio. Op
dat vraagstukken rondom bluswatervoorzieningen
hoofdlijnen zijn er twee soorten advies. Enerzijds
en bereikbaarheid onderdeel zijn van de toetsing
9
van bouwplannen of andere vergunningen door de
wel als hun (historisch gegroeide) maatschappelijke
veiligheidsregio. Bij de invoering van de Omgevingswet
verantwoordelijkheid. Het is verstandig om
blijft de veiligheidsregio haar adviesfunctie houden.
verplichtingen over de levering vast te leggen in
Deze adviesfunctie op het gebied van bluswater en
contracten tussen de leverancier en de gemeente. Wat
bereikbaarheid in omgevingsplannen is vastgelegd in
betreft drinkwaterbedrijven is dit over het algemeen
artikel 5.2 van het Bkl.
ook gebeurd, maar met andere leveranciers zijn tot op heden nauwelijks dergelijke afspraken gemaakt.
Indien het genomen initiatief in het plangebied niet past in het vastgestelde omgevingsplan, is advies van
Een aandachtpunt is dat huidige afspraken met
de veiligheidsregio noodzakelijk. Het is belangrijk om
drinkwaterbedrijven vaak lang geleden zijn vastgelegd.
hierover afspraken te maken met gemeenten. Met
Door de regionalisatie van de brandweerkorpsen, met
de invoering van de Wet kwaliteitsborging bouwen
daarbij soms ook de overdracht van gemeentelijke
is geborgd dat private adviseurs advies moeten
taken naar de veiligheidsregio’s, zijn de contracten soms
vragen aan de veiligheidsregio over bluswater en
lastig terug te vinden. Vaak is het dan ook onduidelijk
bereikbaarheid.
wie dan nog contracthoudende partijen zijn.
1.4
Sommige brandweerkorpsen regelen de bluswater-
Wie kan bluswater leveren?
Bij bluswater wordt vaak gedacht aan bluswater
voorziening (deels) met waterwagens of eigen
dat beschikbaar is via de brandkranen van een
watertransport, maar daarmee worden zij geen
drinkwaterbedrijf, maar er zijn ook andere vormen
leverancier. De brandweer investeert dan namelijk
van bluswater, zoals open water, bluswaterriolen en
alleen in haar eigen ‘waterlogistieke proces’, en is voor
geboorde putten.
het water dat zij transporteert nog steeds afhankelijk van een leverancier.
“Ook na de invoering van de Omgevingswet blijft de veiligheidsregio haar adviesfunctie houden. De verantwoordelijkheid van de gemeente blijft onveranderd”
1.4.1 Peloton Grootschalige Watervoorziening De nieuwe landelijke pelotonsindeling (zie Doorontwikkeling Grootschalig Brandweeroptreden, versie 2.0. Brandweer Nederland) voorziet in
De kwaliteit, kwantiteit en manier van levering
interregionale Pelotons Grootschalige Watervoorziening.
verschillen per leverancier. De leveranciers zijn op te
Binnen 60 minuten na aankomst (in een andere regio
delen in de volgende groepen:
dan de leverende regio) levert het peloton 8.000 liter
– drinkwaterbedrijf
water per minuut over een afstand van 3.000 meter,
– waterschap
vanuit een – in principe – oneindige capaciteit (open
– gemeente
water). De inzettijd is incidentafhankelijk; de richttijd is
– rijkswaterstaat
8 uur. Bij natuurbrandbestrijding kan dit afwijken.
– particulieren 1.4.2 Duurzaamheid In paragraaf 2 van bijlage 1 is een nadere uitwerking
Op dit moment ziet de Vereniging van
van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden
drinkwaterbedrijven in Nederland (VEWIN) het gebruik
van elk van deze partijen opgenomen.
van drinkwater als bluswater niet als relevant in het kader van duurzaamheid. De gebruikte hoeveelheden
Hoewel voor leveranciers het leveren van bluswater
zijn ten opzichte van de totale consumptie namelijk zeer
over het algemeen geen wettelijke taak is, zien zij dit
gering. Zie ook bijlage 1.
10
1.5 Controle en informatievoorziening
1.5.2 Informatievoorziening operationele eenheden De gemeente, de eigenaar en de veiligheidsregio
1.5.1 Controle
maken afspraken over de aanlevering van relevante
De gemeente is als verantwoordelijke partij altijd
gegevens zoals de capaciteit en beschikbaarheid van de
opdrachtgever voor controles aan openbare bluswater-
bluswatervoorziening, maar ook de locatiegegevens.
voorzieningen en bereikbaarheidsvoorzieningen en voor
Een bruikbare en bereikbare bluswatervoorziening
het onderhoud van deze voorzieningen. De gemeente
is immers ook een vindbare voorziening. De
kan kiezen uit verschillende vormen voor de uitvoering
locatiegegevens van bijvoorbeeld kranen, putten en
van controle en onderhoud. Zij kan beide uitbesteden
opstelplaatsen moeten daarom beschikbaar zijn voor de
aan de veiligheidsregio of aan externe partijen, of kan
repressieve eenheden. De gemeente is verantwoordelijk
contracten afsluiten met de eigenaren van de voorzie-
voor het aanleveren van deze gegevens, maar het is
ningen. Door de diversiteit van bluswatervoorzieningen
aan de veiligheidsregio om deze gegevens zichtbaar te
zijn er binnen een regio meestal meerdere soorten
maken voor hun brandweereenheden.
regelingen. Overigens wordt het ‘natte’ onderhoud aan brandkranen die aangesloten zijn op het drinkwater-
In 2017 heeft het Instituut voor Fysieke Veiligheid
leidingnet en voor het merendeel in openbaar gebied
(namens de veiligheidsregio’s) Diensten Niveau
te vinden zijn, altijd door de waterleidingbedrijven
Overeenkomsten (DNO) afgesloten met de
zelf uitgevoerd. Een derde partij voert hooguit visuele
drinkwaterleveranciers.1
inspecties uit: de zogenaamde schouw. Hierin is afgesproken dat de drinkwaterleveranciers Het is voor de gemeente en de veiligheidsregio van
locatiegegevens van brandkranen rechtstreeks en
belang dat deze afspraken goed en gedetailleerd
volgens een landelijk (digitaal) gegevensformat aan het
vastgelegd zijn en dat waterleidingbedrijven,
Instituut leveren. Deze gegevens worden opgenomen
veiligheidsregio en gemeente afspraken maken
op de landelijke GEO4OOV-server. De veiligheidsregio’s
over storingen, gebreken en buiten gebruik zijnde
beschikken over toegang tot deze gegevens en maken
bluswatervoorzieningen en de communicatie hierover.
deze beschikbaar voor hun operationele eenheden.
Voor wat betreft bereikbaarheid is het van belang dat de veiligheidsregio informatielijnen met de gemeente heeft en onderhoudt. De veiligheidsregio wordt door de gemeente ten minste geïnformeerd over veranderingen in en werkzaamheden aan het (openbare) wegennet. In de ene gemeente is het voldoende om louter informatie te ontvangen, in de andere gemeente zal het noodzakelijk zijn om aan verschillende gemeentelijke infrastructurele planningsbijeenkomsten deel te nemen. Alles tussen deze twee uitersten is ook denkbaar.
1
Brief IFV ‘Diensten Niveau Overeenkomst’ aan de Veiligheidsregio’s d.d. 1 november 2017.
11
2
Bluswater: Raamwerk, kaders en uitgangspunten Dit hoofdstuk voorziet in een raamwerk en uitgangspunten rondom bluswater. Dit raamwerk wordt gevormd door landelijke geaccepteerde modellen binnen de brandweer. Voor deze handreiking dienen deze modellen enerzijds als kennisbasis, en anderzijds als gemeenschappelijk referentiekader. De modellen zijn daarmee ook een ordeningsprincipe en de figuurlijke kapstok waar bluswaterbeleid aan kan worden opgehangen. Binnen de brandweer worden verschillende modellen
2.1.1 De sturingsdriehoek
gehanteerd om maatschappelijke, organisatorische,
De sturingsdriehoek is een model waarmee onderscheid
preventieve en repressieve uitgangspunten weer te geven.
gemaakt kan worden tussen incidentniveaus en de
Deze modellen helpen met het uitwerken van vraag en
kenmerken daarvan. De driehoek bestaat uit drie
aanbod van bluswater en vormen daarmee de kennisbasis
niveaus: standaard, standaardafwijking en afwijking.
onder deze handreiking. Modellen die worden gebruikt: – de sturingsdriehoek – het cascademodel – het kenmerkenschema – het kwadrantenmodel. In de uitwerking van deze handreiking is voor deze modellen gekozen omdat zij aansluiten bij (nieuwe) landelijke denkbeelden en algemeen geaccepteerd zijn binnen de brandweer, aangezien ze onderdeel zijn van de les- en leerstof. Daarnaast vormen ze een verbindende factor tussen de verschillende disciplines binnen de Veiligheidsregio (incidentbestrijding, risicobeheersing, crisisbeheersing en rampenbestrijding). Als ordeningsprincipe zijn de zeven maatschappelijke thema’s uit de Handreiking Regionaal Risicoprofiel gebruikt. Deze thema’s vormen een beproefd ordeningsprincipe dat zich goed leent voor toepassing in de voorliggende handreiking. In paragraaf 2.1 wordt de kern van elk van de modellen kort uiteengezet. Vervolgens wordt de onderlinge relatie tussen de modellen toegelicht in paragraaf 2.2 waarbij ook duidelijke kaders worden benoemd. Tot slot worden in paragraaf 2.3 enkele repressieve uitgangspunten van de brandweer opgesomd en toegelicht.
2.1 Toegepaste modellen
Figuur 2.1: De sturingsdriehoek (de bovenste
Hieronder worden achtereenvolgens de sturingsdrie-
driehoek is afkomstig uit de lectorale rede van
hoek, het cascademodel, het kenmerkenschema en het
Ed Oomes; de onderste van de drie Brabantse
kwadrantenmodel besproken.
veiligheidsregio’s).
12
Incidentniveaus
Kenmerken
Standaard
Routinematig Snelle oplossing Bekende oplossingsmogelijkheden
Standaardafwijking/maatgevend scenario
Minder voorspelbaar Complex Extra inspanning, materieel, protocollen en procedures vereist Realistisch
Afwijking
Geen routine Complex, groot en langdurig Niet met routinehandelingen te bestrijden
Tabel 2.2: Sturingsdriehoek in tabelvorm
2.1.2 Cascademodel brandontwikkeling
– Een standaard(taak) betreft incidenten die relatief veel voorkomen en waar een zekere standaard
De benodigde bluswaterhoeveelheid bij een incident
inzetmethodiek voor valt te hanteren. Deze
is sterk afhankelijk van de mate waarin een brand zich
incidenten kunnen in veel gevallen bestreden worden
qua omvang en intensiteit ontwikkelt. Hierbij moet
met water uit de tank van een tankautospuit.
rekening gehouden worden met de fase waarin een
– Standaardafwijkingen komen minder vaak voor.
brand zich bevindt op het moment dat de brandweer
Ze zijn voorspelbaar (ze doen zich voor, we weten
een interventie pleegt, met de omgeving en met de
alleen niet waar en wanneer), zijn realistisch en
preventieve voorzieningen. Het verloop van een brand
daarmee maatgevend. In de rest van de tekst
en de betreffende interventie is weergegeven in het
wordt voor het niveau ‘standaardafwijking’ de term
cascademodel (figuur 2.3 op de volgende pagina).
‘maatgevend scenario’ gehanteerd. – De afwijking, ofwel de escalatie betreft incidenten
In het model doorloopt een brand diverse, van
die wel voorzienbaar zijn, maar dusdanig onvoor-
elkaar te onderscheiden, ruimtelijke fasen: van
spelbaar dat er nauwelijks een standaard inzet-
voorwerp naar ruimte en naar de wijdere omgeving
methodiek voor valt op te stellen. Ook incidenten
(verdieping, compartiment). In iedere fase bestaan twee
die de brandweer niet heeft voorzien, de onbekende
mogelijkheden: de brand gaat uit of de brand gaat
rampen, vallen onder de afwijking.
over naar een volgende fase. Of de brand naar een volgende fase overgaat, is afhankelijk van een groot
In relatie tot de brandweerpraktijk (en bluswater)
aantal factoren (bijvoorbeeld preventieve voorzieningen
ziet de sturingsdriehoek er uit zoals de tabelvorm
of voldoende bluswater).
hierboven. Het model biedt in combinatie met de sturingsdriehoek mogelijkheden om gestructureerd keuzes te maken voor de mate van bluswatervoorziening (zie ook paragraaf 2.2).
13
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
Figuur 2.3: Het cascademodel 2.1.3 Het kenmerkenschema
3 Menskenmerken: de interactie tussen de omgeving
Het kenmerkenschema is belangrijk binnen de
en het gedrag van mensen in deze omgeving.
risicobeheersing. Met behulp van dit schema is
4 Interventiekenmerken: de interventie bij brand door
het mogelijk om inzicht te krijgen in de mate van
de respons van de brandweer en een eventuele BHV-
brandveiligheid van een bouwwerk. Deze mate van
organisatie. 5 Omgevingskenmerken: de ligging van het bouwwerk
brandveiligheid is afhankelijk van: 1 Brandkenmerken: het ontstaan, de ontwikkeling en
in relatie tot de omgeving.
effecten van brand. 2 Gebouwkenmerken: het architectonische,
De eerste drie kenmerken zijn van toepassing
bouwkundige en installatietechnische
op elk bouwwerk, maar de interventie- en
gebouwontwerp in relatie tot het ontstaan, de
omgevingskenmerken kunnen verschillen per regio.
ontwikkeling en de effecten van brand en het vluchten bij brand.
Het kenmerkenschema is ook relevant in relatie tot bluswater, omdat de kenmerken bepalend zijn voor de benodigde hoeveelheid daarvan.
Figuur 2.4: Het kenmerkenschema
14
Het kwadrantenmodel is het model dat de repressief
2.2 Koppeling van de modellen en kaders
leidinggevende gebruikt om zijn of haar inzettactiek
Het cascademodel biedt in combinatie met de
te bepalen. Het is dus vooral een overwegingsmodel,
sturingsdriehoek mogelijkheden om gestructureerd
voorafgaand aan een daadwerkelijke inzet. De
keuzes te maken voor een toereikende
lijnen tussen de kwadranten bij de brandbestrijding
bluswatervoorziening. Door de sturingsdriehoek 90o te
symboliseren de noodzaak tot heroverweging
kantelen en deze onder het cascademodel te plaatsen,
van het inzettactiek (het ‘schakelmoment’). Het
wordt de samenhang tussen deze twee modellen
kwadrantenmodel is opgezet vanuit twee assen:
gevisualiseerd. In figuur 2.6 wordt dit weergegeven;
– buiten tegenover binnen
deze figuur betreft een voorbeeld.
2.1.4 Het kwadrantenmodel
– defensief tegenover offensief Zolang een brand beperkt blijft tot een ruimte, kan deze De keuze voor een van de vier kwadranten is dus
bestreden worden als een standaardsituatie. Als de brand
bepalend voor de inzettactiek, en daarmee voor de
uitgebreid is tot een compartiment spreken we van de
hoeveelheid bluswater die wordt gebruikt. Ter illustratie: bij
standaard afwijking, die maatgevend is voor de behoefte
een defensieve buiteninzet zal vele malen meer bluswater
aan bluswater. Een brand buiten een compartiment
worden gebruikt dan bij een offensieve binneninzet. In
is dermate afwijkend dat standaardprocedures en
het eerste geval ligt de nadruk namelijk op het voorkomen
hoeveelheden bluswater niet meer toereikend zijn. Vanuit
van uitbreiding en in het tweede geval op de redding van
het perspectief van het kenmerkenschema gaat deze
mensen en bestrijding van brand.
handreiking uit van een brand die volledig ontwikkeld is, binnen de cascade. Wat in deze handreiking onmogelijk bepaald kan worden, zijn de interventie- en omgevingskenmerken; die verschillen immers, zoals boven vermeld, per regio. Het is dus aan de regio’s zelf om deze te identificeren en de consequenties daarvan te verwerken in regionaal bluswaterbeleid. Woningen zijn in heel Nederland hetzelfde voor wat betreft mens-, bouwwerk- en brandkenmerken. Het verschil in brandbestrijding zit in de interventie- en omgevingskenmerken. Bijvoorbeeld: het verschil tussen een TS4 of een TS6 (interventiekenmerk), of het verschil tussen een stedelijke of natuurlijke omgeving (omgevingskenmerk).
Uit de combinatie van beide modellen wordt duidelijk waar de brandweer zich maximaal op voor kan bereiden. Vervolgens kan het kenmerkenschema worden toegepast. Hieruit valt namelijk het repressieve Figuur 2.5: Het kwadrantenmodel
maatgevend scenario voor de brandweer te bepalen.
15
Figuur 2.6: Het cascademodel gekoppeld aan de sturingsdriehoek Dit is noodzakelijk omdat dit in sterke mate de
2.3.1 Algemene uitgangspunten
bluswaterbehoefte bepaalt.
– Objecten en bouwwerken worden gebruikt waar zij voor bestemd zijn en voldoen aan geldende wet- en
Deze handreiking richt zich wél op de brand-,
regelgeving.
bouwwerk- en menskenmerken en generiek bepaalde
– De preventieve voorzieningen die aanwezig zijn in en
interventie- en omgevingskenmerken. De wijze waarop
om het pand functioneren goed.
de bluswaterbehoefte wordt onderbouwd, is aan de
– Wanneer voor het bestrijden van een brand de
hand van het cascademodel voor de verschillende
inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de
maatschappelijke thema’s bepaald.
externe bluswaterbehoefte in de regel 60 m3/u. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd
2.3 Generieke uitgangspunten
afgeweken worden naar het absolute minimum van
Voor het toepassen van de modellen in deze
30 m3/u.
handreiking is het noodzakelijk om een aantal
– De advisering vanuit de veiligheidsregio’s is risico-
generieke uitgangspunten te formuleren. Deze punten
gericht. Dit stelt het bevoegd gezag in staat een
kunnen aangepast worden aan regionale verschillen
afweging te maken of de bestrijding van het risico in
en hiermee leiden tot een op de regio toegespitst
verhouding staat tot de maatschappelijke kosten en
bluswaterbeleid. De lijsten van punten die hieronder in
baten.
2.3.1 en 2.3.2 worden genoemd, zijn niet uitputtend.
16
– We gaan ervan uit dat iedere plaats incident
– Er wordt uitgegaan van een inzet conform de
ongehinderd bereikbaar is voor de juiste
Basisprincipes voor brandbestrijding.
brandweervoertuigen. Wanneer dit niet het geval
– Brandweerpersoneel is opgeleid en vakbekwaam
blijkt te zijn, spreken we van een afwijkend scenario.
conform geldende normen.
Een verminderde bereikbaarheid heeft invloed op de
– Er wordt uitgegaan van ten minste 1 bar intrededruk
incidentbestrijding.
op de tankautospuit. Daarnaast kennen voertuigen
– Afbrandscenario: het is nooit het doel van de
ook een maximumdruk die niet overschreden mag
brandweer om een bouwwerk af te laten branden.
worden.
Soms rest de brandweer echter geen andere keuze
– We gebruiken in het model voor de bluswater-
dan een object gecontroleerd af te laten branden en
behoefte de tijdsgroepen 3, 6 en 15 minuten,
te focussen op het beschermen van de omgeving.
30 minuten en 60 minuten. Voorheen zijn deze
– Als er bouwwerkgebonden voorzieningen aanwezig
tijdsgroepen ook wel geordend als primaire,
of organisatorische maatregelen getroffen zijn
secundaire en tertiaire bluswatervoorziening. Het
(bijvoorbeeld de aanwezigheid van een sprinkler,
staat de regio’s vrij deze terminologie te blijven
BHV organisatie of bedrijfsbrandweer), kan dit
gebruiken, maar in deze handreiking is zij losgelaten,
invloed hebben op de bluswaterbehoefte.
omdat de termen primair, secundair en tertiair
– De panden waarin voorzieningen zijn aangebracht
verbonden kunnen zijn met vaste denkbeelden en
in het kader van het gelijkwaardigheidsbeginsel,
het risicogerichte denken niet stimuleren.
kennen geen lagere bluswaterbehoefte.
– In de modellen wordt uitgegaan van een hoeveelheid bluswater van minimaal 4.000 liter per minuut die
2.3.2 Algemene
binnen 60 minuten voor minimaal 4 uur beschikbaar
uitgangspunten incidentbestrijding
moet zijn. Dit zijn hoeveelheden die minimaal nodig
Er wordt uitgegaan van een standaard wijze van
zijn om een verdere uitbreiding van het incident
optreden met de volgende uitgangspunten:
buiten het perceel te voorkomen. Dit is echter geen
– Voor het redden van slachtoffers is de
garantie; andere factoren zijn ook van invloed en
brandweer over het algemeen niet afhankelijk
afhankelijk van het risico kan er sprake zijn van een
van extern bluswater. Wanneer bij een brand een
in beginsel onbeperkte bluswaterbehoefte.
redding uitgevoerd moet worden, is het water dat de brandweer in de tank van de tankautospuit bij zich
Regionale afwijkingen hiervan moeten worden
heeft in de regel voldoende.
meegenomen bij het opstellen van regionaal
– Er wordt uitgegaan van een standaard manier van
bluswaterbeleid.
optreden, in principe met de volgende middelen: – Standaard bepakte tankautospuit – Standaard bezetting van 6 mensen – Tank van 2.000 liter voor reguliere tankautospuiten – Standaard waterkanon – Lage druk (LD) en/of hoge druk (HD).
17
3
Bluswater aan de hand van zeven thema’s In dit hoofdstuk worden de bluswaterbehoeften voor verschillende scenario’s gepresenteerd. De volgende zeven maatschappelijke thema’s vormen het ordeningsprincipe voor de bluswateradvisering van deze handreiking: 1 Natuurlijke omgeving (paragraaf 3.1)
De factoren debiet en tijd beïnvloeden elkaar als volgt:
2 Gebouwde omgeving (paragraaf 3.2)
door een langere tijd te stellen voordat extern water
3 Technologische omgeving (paragraaf 3.3)
beschikbaar moet zijn is het denkbaar dat de brand zich
4 Vitale infrastructuur en voorzieningen (paragraaf 3.4)
verder kan ontwikkelen. Gevolg hiervan is, dat dit een
5 Verkeer en vervoer (paragraaf 3.5)
hoger debiet vraagt voor de brandbestrijding dan het
6 Gezondheid (paragraaf 3.6)
referentiedebiet in het model. Andersom geldt dit ook.
7 Sociaal-maatschappelijke omgeving (paragraaf 3.7)
Bij eerder beschikbaar debiet wordt de ontwikkeling geremd en kan er mogelijk met minder debiet worden
Deze thema’s worden gebruikt voor het opstellen van het
volstaan.
regionale risicoprofiel van de veiligheidsregio’s, hetgeen voor iedere veiligheidsregio wettelijk verplicht is.
Gezien de (maatschappelijke) kosten en eventuele onmogelijkheden die dit met zich meebrengt, kan/zal
“Het regionaal risicoprofiel wordt beschreven aan de hand van zeven maatschappelijke thema’s. Deze handreiking sluit aan op deze methodiek, waardoor het volledige scala aan incidenten wordt gedekt”
de adviseur van de regio daarom maatwerk toepassen. Bij de beschrijving van elk maatschappelijk thema is een cascade opgenomen met een relevant (mogelijk) verloop van de ontwikkeling van een brand. Telkens staat onder de cascade een tabel waarin staat weergegeven
Door de bluswaterbehoefte te beschrijven aan de
wat de bluswaterbehoefte is bij elk stadium van het
hand van de zeven maatschappelijke thema’s wordt
brandverloop (dit is dus niet cumulatief).
het volledige scala aan incidenten gedekt, zodat ook de minder voor de hand liggende scenario’s belicht
Het maatgevende scenario voor de
worden. De thema’s hebben een multidisciplinaire
bluswaterbehoefte is in de tabel groen gearceerd.
insteek, maar kunnen ook monodisciplinair gebruikt
Dit scenario houdt echter geen rekening met de
worden om de bluswaterbehoefte in beeld te brengen.
omgeving of eventuele interventiekenmerken van
Dit zorgt voor een bredere scope en faciliteert het
een regio. Hierdoor kan de hoeveelheid bluswater
risicogericht denken en adviseren bij gemeenten,
hoger of lager komen te liggen. Het spreekt
veiligheidsregio’s en de brandweer zelf.
daarom voor zich dat de gegevens in de groen gearceerde vakken niet in alle gevallen gelden.
Risicogericht adviseren Voor die situaties waarbij een brand niet bestreden kan
Voor zover van toepassing staat er boven elke
worden met alleen het water in de tank van de eerste
tabel links ‘offensief’ en rechts ‘defensief’. Hiermee
eenheid (of eenheden) en er dus aanvullend water
wordt bedoeld dat in algemeenheid een kleine
nodig is, biedt deze handreiking richtlijnen. Er zijn
brand offensief bestreden kan worden en dat,
namelijk twee beïnvloedbare factoren waar de adviseur
op een glijdende schaal, grotere branden meer
rekening mee kan houden. Dat is enerzijds debiet
defensieve inzet vragen.
(de hoeveelheid water) en anderzijds tijd (de snelheid waarmee het water beschikbaar is).
18
3.1 Natuurlijke omgeving2
3.1.2 Complexiteit en bestrijding van
Onder natuurlijke omgeving worden de volgende
natuurbranden
soorten (natuur)gebieden verstaan:
Binnen de brandgevoelige natuurgebieden wordt
– bos, zowel loof- als naaldbos
onderscheid gemaakt tussen natuurbranden in bos, op
– heide
heide/grasland, in veengebied, duinen en rietkragen.
– duingebied
Recent zijn daar door het droge, warme weer ook
– veengebied
akkerlandbranden van onder andere korenvelden bijgekomen. Voor het bestrijden van natuurbranden
3.1.1 Verantwoordelijkheden en achtergrond
moet rekening gehouden worden met specifieke
Het beheersen van het natuurbrandrisico is
omstandigheden. Zo is de ontwikkeling van een
een primaire verantwoordelijkheid van de
natuurbrand afhankelijk van een groot aantal factoren,
betreffende natuurbeheerder. Hierbij hoort ook de
bijvoorbeeld de soort vegetatie, de windsterkte,
verantwoordelijkheid voor de bereikbaarheid van het
luchtvochtigheid, vochtigheid in vegetatie, temperatuur
natuurgebied en de beschikbaarheid van voldoende
en het jaargetijde. Voor de bestrijding van een
bluswater. Gemeenten zijn overeenkomstig de Wet
natuurbrand komen daar, net als bij de bestrijding van
veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor een adequate
andere branden, nog een aantal variabelen bij. Denk
bluswatervoorziening in de openbare ruimte. Hierbij
hierbij aam de ontdekkingstijd en de opkomsttijd, de
kunnen gemeenten in geval van vergunningverlening
bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de brand en de
bij een hoger brandrisico zwaardere eisen stellen
beschikbaarheid van voldoende, al dan niet specifiek,
aan bluswater en ook aan bereikbaarheid. Daarnaast
brandweermaterieel en -personeel en bluswater.
kunnen gemeenten als voorwaarde voor het vergunnen van nieuwe activiteiten in een gebied waar geen
In de natuurbrandbestrijding wordt ten aanzien van
adequate bluswatervoorziening voorhanden is, deze
de tactiek onderscheid gemaakt in toegankelijk en
als voorwaarde opnemen. Voor natuurgebieden zijn bij
ontoegankelijk terrein en een offensieve, dan wel
wetgeving geen eisen gesteld aan een duiding voor een
defensieve aanpak. De strategie is om daar waar
adequate bluswatervoorziening.
mogelijk en verantwoord zo snel mogelijk de kop van het vuurfront te beheersen. Daarnaast is het
De meeste natuurgebieden krijgen over het algemeen niet
gebruikelijk om bij natuurbrandbestrijding te werken
te maken met grootschalige veranderingen. Wel worden
met flanken. Afhankelijk van de grootte van de
er diverse nieuwe natuurgebieden aangelegd en nieuwe
natuurgebieden in een veiligheidsregio zal hiermee bij
activiteiten binnen of aan de rand van natuurgebieden
de materieelkeuze en de toepassing van diverse soorten
gevestigd. Gezien het natuurbrandrisico, dat door de
watertransportsystemen rekening mee gehouden
gevolgen van de klimaatverandering ook nog toeneemt,
moeten worden.
is het noodzakelijk dat er ook hiervoor een adequate bluswatervoorziening beschikbaar is. De vraag is hierbij,
3.1.3 Bluswatercapaciteit
hoeveel bluswater nodig is voor natuurbrandbestrijding
De hoeveelheid benodigd bluswater ter bestrijding
en binnen welke tijd dit beschikbaar moet zijn. Dit is
van een natuurbrand is vooral afhankelijk van de
bij natuurbranden afhankelijk van het brandvermogen
soort vegetatie die brandt, het brandvermogen
dat vrijkomt (dit hangt af van de soort vegetatie) en de
dat hierbij vrijkomt, de omvang van de brand, de
ontwikkelsnelheid. Van deze grootheden is nog weinig
uitbreidingssnelheid en de tactische keuzes die men
bekend, omdat zij van een groot aantal variabelen
maakt. Bij een kleine, bereikbare brand zal de brand
afhankelijk zijn en het doen van praktijkproeven in
wellicht als een oppervlaktebrand bestreden worden
Nederland welhaast onmogelijk is.
en bij meer ontwikkelde branden zal men in eerste
² Dit maatschappelijke thema is opgesteld door de landelijke vakgroep natuurbrandbeheersing.
19
instantie vooral het voortschrijdende vuurfront
bluswatercapaciteit beschikbaar waardoor een goede
bestrijden. Een cascade is daarbij moeilijk aan te geven,
basis gelegd wordt voor een adequate bestrijding
omdat in natuurgebieden compartimenteringen zoals
van beheersbare natuurbranden. Hierbij is tevens
in de gebouwde omgeving grotendeels ontbreken, een
een relatie gelegd met het instrument Risico-Index
compartiment een groot aantal hectaren kan beslaan
Natuurbranden (RIN), waarin bij onderlinge afstanden
en de compartimentsgrenzen kilometers lang kunnen
van bluswatervoorzieningen van meer dan 2 km op dit
zijn.
onderdeel de hoogste risicoscore wordt toegekend.
Op basis van beperkt (experimenteel) onderzoek
Bij de positionering en realisatie van
(Lemaire en Van Mierlo, 2014) kan in combinatie met
bluswatervoorzieningen in en rond natuurgebieden is
professionele ervaringen de volgende gemiddelde
het goed om met het volgende rekening te houden:
bluswatervraag worden bepaald: – Een groot aantal bluswaterbronnen (in de vorm Voor een defensieve bestrijding (het aanbrengen
van brandkranen, geboorde putten en open water)
van natte stoplijnen) bij heide- en grasbranden naast
bevindt zich in de gebouwde omgeving van de
een zandpad of verharde weg, is een te organiseren
natuurgebieden, zoals bij recreatieondernemingen,
bluswatercapaciteit nodig van circa 4 l/m2 met een
bedrijven, zorginstellingen en woningen. Daarnaast
diepte van 5 meter, welke periodiek moet worden
worden bij steeds meer infrastructurele kunstwerken
onderhouden (15-30 minuten). De noodzakelijke
bluswaterbronnen aangelegd. Op basis van de
hoeveelheid water is dan vooral afhankelijk van de
aanwezige bluswaterbronnen in de gebouwde
lengte van de te maken stoplijnen en het tijdverloop.
omgeving en het als bluswater beschikbare open water in een natuurgebied, moet beoordeeld worden of er binnen een afstand van 2 km
De benodigde bluscapaciteit moet gerealiseerd
voldoende bluswater te operationaliseren is.
worden via de tankinhoud van de eigen TS’en en via
– Het is belangrijk dat de bluswatervoorzieningen op
de aanwezige bluswatervoorzieningen in combinatie
logische punten worden aangebracht. Hierbij moet
met de hierbij binnen de brandweer gebruikelijk
rekening gehouden worden met de opstelplaatsen,
toegepaste waterlogistieke systemen: WTS 1.000
met de mogelijkheid tot het kiezen van meerdere
-2.500-systemen, waterwagens en/of het pendelen met
rijrichtingen en met een zo veilig mogelijke opstelling
tankautospuiten. Veiligheidsregio’s hebben, afhankelijk
met betrekking tot de brandbaarheid van de
van de omvang en het natuurbrandrisico’s van
omliggende vegetatie. Dit gaat altijd in overleg met
natuurgebieden, geïnvesteerd in specifiek blusmaterieel
het bevoegd gezag. Voor een natuurgebied is dat de
en waterlogistieke systemen. Zo zijn bijvoorbeeld
eigenaar/beheerder ervan.
natuurbrandbestrijdingsvoertuigen uitgerust met een minimale tankinhoud van 3.000 l/min en worden 4*4
3.2 Gebouwde omgeving
aangedreven.
De bluswaterbehoefte voor de gebouwde omgeving is in deze paragraaf in beeld gebracht, waarbij de
3.1.4 Advies
gebruiksfuncties uit het Bouwbesluit van 2012
Een eenvoudig te gebruiken methode is het
gehanteerd zijn en zoveel mogelijk reeds is toegewerkt
trekken van cirkels met een diameter van 2 km om
naar de terminologie van de omgevingswet.
bluswatervoorzieningen van ca. 90 m3/uur en groter. Hiermee kunnen lacunes in de bluswatervoorziening
De standaard brandkromme is door het gebruik van
worden opgespoord en komt er een verantwoorde
nieuwe materialen en betere isolatie niet meer dezelfde
20
als enkele tientallen jaren geleden. Bij het opstellen van
woningen, 3.2.2 over hoogbouw en 3.2.3 over
deze handreiking is hier rekening mee gehouden door
utiliteitsbouwwerken. Op het moment van het opstellen
gebruik te maken van de Basisprincipes brandbestrijding
van deze handreiking is zoveel mogelijk rekening
(voorheen: Hernieuwde kijk op Brandbestrijding).
gehouden met zowel het huidige bouwbesluit als de nieuwe omgevingswet. Hiervoor is een middenweg
In de onderstaande tabel 3.1 is een indeling
gekozen. Het betreft hier nadrukkelijk een denkkader
weergegeven van de drie hoofdtypen waarin
van waaruit de regio’s bluswaterbeleid kunnen
bouwwerken kunnen worden onderverdeeld, evenals
opstellen. Het is de taak van de adviseurs om in
bepaalde bijbehorende onderscheidingscriteria,
individuele gevallen de genoemde getallen daar
waaronder hun gebruiksfuncties.:
waar mogelijk naar beneden bij te stellen en daar waar noodzakelijk, naar boven bij te stellen. Deze
Hieronder worden de gebruiksfuncties toegelicht,
bijstelling moet door de adviseurs worden voorzien van
verdeeld over drie paragrafen: 3.2.1 handelt over
toelichting.
Woningen Woningen (tot 20m. hoogte)
Na 2003 1945-2003 Voor 1945 Portiek voor 2003
Hoogbouw Hoogbouw
20 – 70 meter Boven de 70 meter
Utiliteitsgebouwen Logiesfunctie Kantoorfunctie Onderwijsfunctie basisonderwijs Onderwijsfunctie andere Bijeenkomstfunctie kinderopvang of fysieke of geestelijke beperking Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport of algemeen Gezondheidszorgfunctie andere Gezondheidszorgfunctie met bedgebied Cel functie Sportfunctie < 1.000 personen Sportfunctie >= 1.000 personen Winkelfunctie < 1000 m2 Winkelfunctie >= 1000m2 Industriefunctie Overige gebruiksfuncties Tabel 3.1: Gebruiksfuncties gebouwde omgeving
21
Bouwwerken kunnen gebouwd zijn op basis van
en groter instortingsgevaar. De woningen beschikken
gelijkwaardige oplossingen. Zo is het bijvoorbeeld
vaak ook nu nog niet of nauwelijks over enige vorm
mogelijk een kantoorpand te bouwen met langere
van brandpreventieve voorzieningen. 2 Naoorlogse bouw (1945 – 2003) is een grote en
vluchtwegen, mits er bijvoorbeeld rookmelders geplaatst zijn. Dit zorgt ervoor dat mensen eerder
diverse groep waarin er wel sprake is geweest van
gewaarschuwd worden en het bouwwerk kunnen
enige preventieve voorzieningen, maar niet op het
ontvluchten. Rookmelders doen echter niets aan de
niveau van na 2003.
beperking van brand. Wel kan het zo zijn dat, dankzij
3 In het Bouwbesluit van 2003 zijn de eisen voor
genoemde gelijkwaardigheidsvoorzieningen, voor wat
brandpreventieve voorzieningen verbeterd en
betreft de bluswatervoorziening een stap verder in
landelijk geüniformeerd.
het cascademodel voor brand gekeken kan worden. De andere optie is dat als iedereen veilig buiten staat
Voor de advisering van bluswater is het van belang om
en het doel is om de omliggende bouwwerken te
naast de gebruiksfunctie en de bouwperiode te kijken
beschermen tegen brandoverslag, het betreffende
naar de omgevings- en de interventiekenmerken. Deze
bouwwerk als verloren zal worden beschouwd. Bij
zijn van belang voor de hoeveelheid bluswater die nodig
oppervlakten groter dan 2.500 m zal de
is bij het bestrijden van een mogelijke brand. Daarnaast is
bluswaterbehoefte afgestemd moeten worden op het
het van belang om te kijken of woningen gecombineerd
behoud van de omliggende bouwwerken/omgeving.
zijn met andere functies (zoals een woning boven een
Voor het behoud van omliggende bouwwerken en
winkel of bij een bedrijf op het terrein).
2
omgeving zal maatwerk in de bluswaterbehoefte geleverd moeten worden. Bij het maatwerk is het vooral
Een woning die gebouwd is boven een winkel met
zaak om het bevoegd gezag goed te informeren over
een bouwperiode van 1945-2003 zal een grotere
de consequenties van de omvang en duur van een
hoeveelheid bluswater vragen dan eenzelfde soort
brand en de indirecte gevolgen.
woning die gebouwd is als rijtjeswoning in een woonwijk. Dit zit vooral in de hogere vuurlast
3.2.1 Woningen (tot 20 meter hoogte)
van de winkel onder de woning. De winkel en
Met woningen tot 20 meter hoogte wordt bedoeld:
de woning bepalen samen hoeveel bluswater er
grondgebonden woningen en gestapelde bouw
nodig is voor dit bouwwerk als geheel.
(woningen) tot 20 meter hoogte, waarbij de hoogste verdiepingsvloer zich maximaal 20 meter boven het maaiveld bevindt. Deze woningen zijn onderverdeeld
Naast de gebruiksfunctie gezondheidszorg, die in
naar de periode waarin ze zijn gebouwd en maken
paragraaf 3.2.3 bij utiliteitsbouw behandeld wordt,
circa 80 tot 90 procent van de bebouwing uit. De
is er in toenemende mate sprake van woningen
onderverdeling in periodes hangt samen met de
waarin (tijdelijke) zorg wordt verleend. Deze zorg kent
toegepaste bouwwijze, bouwmaterialen en de mate
verschillende vormen en is bij de brandweer niet (altijd)
van preventieve voorzieningen die in de woning zijn
op voorhand bekend. In woningen waarin zorg wordt
aangebracht.
verleend zullen, in veel gevallen, niet- of verminderd zelfredzame bewoners zijn, waarbij veelal het belang
1 In de vooroorlogse bouw van vóór 1945
van redden voor het bestrijden van de brand zal gaan.
zijn oorspronkelijk vrijwel geen preventieve
Het uitgangspunt van dit document is dat voor redding
voorzieningen toegepast waardoor er een groter
geen extra water noodzakelijk is. Redden gebeurt in de
risico is op branduitbreiding, branddoorslag en
regel met dekking door stralen die gevoed worden met
brandoverslag. Dit kan resulteren in snelle uitbreiding
het water uit de tank van de tankautospuit(en).
22
Onder het cascademodel voor woningen is in
voor de brandbestrijding zelf en niet voor het koelen
tabelvorm de bluswaterbehoefte weergegeven.
van de omgeving of van naastgelegen bouwwerken.
Er is uitgegaan van een standaardinzet in een
Indien een dergelijke bescherming van de omgeving
standaardomgeving. Het is van belang dat bij het
noodzakelijk is, betreft het een brand die groter is dan
opstellen van een regionaal bluswaterbeleid rekening
de standaardafwijking.
wordt gehouden met de interventiekenmerken en de omgevingskenmerken van de regio.
De tijden geven aan hoe snel bluswater gewenst is na
De groen gearceerde vlakken geven de maatgevende
aankomst van de eerste TS en voor hoe lang de bron
bluswaterbehoefte weer. Deze hoeveelheden zijn
beschikbaar dient te zijn.
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
OFFENSIEF Na 2003
1945-2003
Voor 1945
Portiek voor 2003
DEFENSIEF
125 l/min.
500 l/min.
500 l/min.*
1.000 l/min.
minimaal 4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min
2.000 l/min.
Minimaal 4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 6 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min.
2.000 l/min.
Minimaal 4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 3 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
125 l/min.
500 l/min.
1.000 l/min
2.000 l/min.
Minimaal 4.000 l/min.
Tank
Tank
Binnen 3 min. gedurende 1 uur
Binnen 30 min. gedurende 2 uur
Binnen 60 min. voor minimaal 4 uur
* Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 60 m3/u. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 30m3/u.
Figuur 3.2: Uitwerking cascademodel voor woningen tot 20 meter hoogte
23
Het is noodzakelijk om per woonwijk over een
waarschijnlijk dat een brand snel opgemerkt wordt.
strategisch gekozen bluswatervoorziening te beschikken,
Daarnaast zal een woningbrand zich in woningen van
om in te kunnen spelen op een eventuele escalatie van
vóór 1945 snel kunnen ontwikkelen door het ontbreken
het incident en te kunnen optreden in de resterende
van brandscheidingen of een compartimentering.
treden van de cascade. De bluswatervoorziening
Hierdoor is het risico op branduitbreiding, branddoorslag
moet aan de eisen van de bluswatervoorzieningen
en brandoverslag groter dan bij woningen uit de periode
voldoen zoals opgenomen in deze handreiking. De
1945-2003.
behoeftebepaling is afhankelijk van de omgeving en van interventiekenmerken, en is dus maatwerk.
Woningen van vóór 1945 bevinden zich vaak in oude binnensteden. De bereikbaarheid van dit soort
3.2.1.1
Woningen na 2003
bouwwerken is vaak niet optimaal. Ze zijn daarnaast
Bij een beginnende brand in een woning van na 2003
regelmatig complex en in het verleden in veel gevallen
- in het cascademodel ‘voorwerp in brand’ - wordt
meermaals verbouwd. De bevelvoerder heeft hierdoor
een inzet doorgaans uitgevoerd door middel van
langer nodig om zich een beeld te kunnen vormen van
één aanvalsstraal met de inhoud van de tank van de TS.
de brand. Een inzet zal daarom snel plaatsvinden met
Er wordt hier uitgegaan van een offensieve binneninzet,
twee aanvalsploegen, waardoor er geen waterploeg
dan wel een buiteninzet.
beschikbaar is en zodoende de chauffeur zelf de waterwinning moet opbouwen. Bovendien zal de
Bij een volledig ontwikkelde brand in een woning kan er
waterwinning snel moeten worden opgebouwd om
een offensieve of defensieve binnen- dan wel buiteninzet
escalatie te voorkomen. In dergelijke wijken/bij dergelijke
worden gedaan met twee of meer aanvalsstralen,
woningen zal daarom al snel een tweede eenheid
uitgaande van optimale brandscheidingen. Aangezien
moeten worden gealarmeerd.
de inhoud van de watertank van de TS niet voldoende is, dient er een aanvullende bluswatervoorziening
Zoals in bijlage 2 is toegelicht, is de vuistregel dat
beschikbaar te zijn.
binnen 3 minuten waterwinning vanaf een brandkraan opgebouwd kan zijn, als deze brandkraan op maximaal
3.2.1.2
Woningen uit 1945-2003
40 meter afstand ligt. Bij woningen van vóór 1945
De vroege detectie van een woningbrand is vanwege
moet per wijk gekeken worden of de tijd van 3 minuten
het ontbreken van voorzieningen zoals (verplichte)
noodzakelijk is. Dit zal vooral gelden voor oude
rookmelders bij woningen uit de periode 1945-2003
binnensteden en moeilijk bereikbare bouwwerken. Voor
minder waarschijnlijk dan in het geval van nieuwbouw.
vrijstaande woningen van vóór 1945 kan eventueel
Een ontwikkelde woningbrand brengt een verhoogd
volstaan worden met 6 minuten voor waterwinning.
risico op branddoorslag en -overslag als gevolg van niet-optimale brandscheidingen met zich mee. Verdere
3.2.1.4
ontwikkeling van de brand binnen de verdieping is
Portiekwoningen beschikken maar over één vluchtroute,
Portiek van vóór 2003
aannemelijk voor dergelijke bouwwerken. Hierdoor is de
die tevens de aanvalsroute voor de brandweer is. Dit zal
inzet van meer dan één aanvalsstraal benodigd, en is dus
de inzet bij een brand bemoeilijken. Het is aannemelijk
aanvullend bluswater nodig.
dat er rook in de vluchtroute terecht komt, wat vluchten en de inzet van de brandweer belemmert. De brandweer
3.2.1.3 Woningen van vóór 1945
zal hier eerst inzetten op redding, met als gevolg dat de
Bij woningen van vóór 1945 is het, net als bij woningen
brand zich verder zal kunnen ontwikkelen. Daarnaast zijn
uit 1945-2003 (zie hierboven), als gevolg van het
er in portiekwoningen van vóór 2003 geen rookmelders
ontbreken van voorzieningen als rookmelders niet
geëist en is een snelle detectie niet waarschijnlijk. De
24
1 Er zal meer ingezet worden op het koelen (bij
complexiteit van de inzet neemt toe, waardoor de bluswaterbehoefte gelijk is aan die van woningen
gasbranden) en/of neerslaan van toxische rook uit
van vóór 1945.
bijvoorbeeld Li-ion accu’s. Dat betekent niet dat er direct méér water (debiet) nodig is, maar vaak wel dat
3.2.1.5
Energietransitie in de gebouwde omgeving
water langduriger beschikbaar moet zijn.
De energietransitie is bij het schrijven van deze handrei-
2 Bij buurtbatterijen geldt feitelijk hetzelfde: er zal
king nog in volle ontwikkeling. De verwachting is dat het
langdurig water nodig zijn. Een aantal van deze
gebruik van fossiele brandstoffen uitgefaseerd zal worden.
buurtbatterijen staat in containers. Bij een mogelijke
Hoe dat gaat gebeuren is nog niet uitgekristalliseerd, maar
beginnende brand van de batterij is de huidige
in hoofdlijnen betekent het beleid van ‘nul op de meter’
inzettactiek het koelen van de batterij middels
dat de centrale energievoorraden kleiner worden en de
het vullen van de container. De locatie van de
lokale groter. Het is nog niet duidelijk wat dat precies gaat
batterijcontainers in de publieke buitenruimte hangt
betekenen voor de hoeveelheid bluswater per brand. Het
samen met de locatie waar het bluswater beschikbaar
zou in de toekomst kunnen zijn dat er op bepaalde plek-
moet zijn: idealiter is er bluswater met voldoende
ken meer of misschien wel minder water nodig is. In deze
debiet en tijdsduur in de directe nabijheid van de
handreiking wordt uitgegaan van wat er ten tijde van het
opslaglocatie beschikbaar.
schrijven bekend is. Bij het lokale gemeentelijk energiebe-
3 Bij het overgaan van aardgas naar waterstof zal er
leid (per wijk), zal rekening gehouden moeten worden of
niet direct méér water nodig zijn dan er nu al bij
de keuzes die gemaakt zijn van invloed kunnen zijn op de
woonhuizen beschikbaar is, maar wel als er lokaal een
beschikbaarheid van bluswater.
bufferopslag wordt geïnstalleerd.
De volgende zaken kunnen de bluswatercapaciteit bij het
3.2.2 Hoogbouw (inclusief lagere bouwwerken
thema gebouwde omgeving beïnvloeden:
met een inzetdiepte groter dan 60 meter) Binnen het type hoogbouw wordt er een onderscheid
1 Woningen worden zelfvoorzienend op het gebied van
gemaakt tussen twee soorten: hoogbouw van 20
energie. Dit houdt in dat in energieneutrale woningen
– 70 meter, inclusief lagere bouwwerken met een
veel (brandbare) isolatiematerialen gebruikt gaan
inzetdiepte groter dan 60 meter, en hoogbouw hoger
worden en opslag van energie kan gaan plaatsvinden
dan 70 meter. De hoogbouw van hoger dan 70 meter
(batterijen).
beschikt over een eigen blussysteem middels een
2 Voor wijken gelden dezelfde zaken als genoemd in
hydrofoor. De eisen voor hoogbouw hoger dan 70
punt 1, maar de energieopslag kan meer buitenshuis
meter zijn beschreven in de Handreiking hoogbouw
en centraal in de wijk liggen (zoals buurtbatterijen of
(2014) en vereisen maatwerk. Hierop wordt in deze
waterstofopslag).
handreiking niet verder ingegaan.
3 Bij een (bovenregionale) aanpak zoals een warmtenet is er, behalve isolatiematerialen, juist geen sprake
De hoogbouw van 20 – 70 meter is in onderstaand
van de potentieel risicoverhogende aspecten zoals
cascademodel weergegeven met daaronder de
genoemd in bovenstaande punten.
benodigde bluswaterhoeveelheid om een mogelijke
4 De toename van elektrische voertuigen en laadpunten
brand te bestrijden. Voor advisering over de benodigde
leidt tot een verhoogde kans op branden in publieke
hoeveelheid bluswater is het van belang om naast de
ruimten, waaronder parkeergarages.
gebruiksfunctie te kijken naar de omgevings- en de interventiekenmerken. Het uitgangspunt is hier dat een
Voor zover nu valt te overzien, zullen de gevolgen van
woning in haar geheel een compartiment is.
deze ontwikkelingen voor bluswater de volgende zijn:
25
Interventiemoment Voorwerp Ruimte Verdieping Compartiment Buiten Compartiment
Uit in voorwerp
Uit in ruimte
Uit in verdieping
Uit in compartiment
OFFENSIEF Hoogbouw 20 - 70
Hoogbouw > 70
DEFENSIEF
125 l/min.
500 l/min.*
n.v.t.
1.500 l/min.
minimaal 4.000 l/min.
Binnen 3 min. gedurende 4 uur
Binnen 3 min. gedurende 4 uur
n.v.t.
Binnen 3 min. gedurende 4 uur
Binnen 60 min voor minimaal 4 uur
Maatwerk
* Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 60 m3/u. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 30m3/u.
Figuur 3.3: Uitwerking cascademodel voor hoogbouw en lagere bouwwerken met een inzetdiepte groter dan 60 meter
Bij hoogbouw van 20-70 meter (of bij gebouwen
water op het hoogste punt. De inzet is bepaald op
met een inzetdiepte van meer dan 60 meter) dient
basis van een compartimentsbrand waarbij voor het
een (droge) blusleiding te zijn aangebracht. Hierdoor
voorkomen van branddoorslag en brandoverslag
is een directe aanvullende bluswatervoorziening
twee stralen lage druk noodzakelijk zijn bij de inzet
nodig die onder druk staat, zodat de brandweer bij
in het compartiment en één straal lage druk voor het
aankomst direct kan aansluiten (binnen 3 minuten).
compartiment erboven.
Een droge blusleiding zonder de daarbij behorende bluswatervoorziening zou zinloos zijn. De blusleiding
3.2.3 Utiliteitsbouwwerken
en de slangen moeten immers eerst gevuld worden
Utiliteitsbouwwerken zijn bouwwerken die voor
voordat er geblust kan worden. De tank van een
het algemeen nut worden gebruikt en niet (privaat)
TS is hiervoor niet voldoende. Er dient dus in de
bewoond worden. De indeling van de bouwwerken
nabijheid van de hoogbouw van 20-70 meter een
die in onderstaande tabel staat, is opgesteld
voorziening te zijn die onder druk staat en snel
conform het PREVAP en ingedeeld in de categorieën
water kan leveren (1.500 l/min.). De voorziening
zelfredzaam en verminderd zelfredzaam. De
1.500 l/min. is gebaseerd op het gebruik van een
toekomstige indeling van het Besluit bouwwerken
droge blusleiding waarbij rekening is gehouden
leefomgeving komt voor het grootste gedeelte
met het vullen en kunnen gebruiken van voldoende
overeen met deze categorieën.
26
Zelfredzaam Kantoorfunctie Onderwijsfunctie andere Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport of algemeen Gezondheidsfunctie andere Winkelfunctie < 1.000m2 Winkelfunctie >= 1.000m2 Sportfunctie < 1.000 personen Sportfunctie >= 1.000 personen Overige gebruiksfuncties Verminderd zelfredzaam Logiesfunctie Onderwijsfunctie basisonderwijs Bijeenkomstfunctie kinderopvang of fysieke of geestelijke beperking Gezondheidsfunctie met bedgebied Celfunctie Tabel 3.4: Een indeling van utiliteitsbouwwerken in de categorieën zelfredzaam en verminderd zelfredzaam