CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp omgevingsvergunning waterstoftankstation

Besluitvormende raad 21 september 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Waterstoftankstation te Heinenoord20.510 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

26/60

5.1.47 Bij voorgenomen wijziging of reparatie aan aangewezen drukapparatuur moet een NL -CBI in kennis worden gesteld. Bij overige reparaties moet een deskundige in kennis worden gesteld. Toelichting: Daar waar in deze maatregel de NL-CBI wordt genoemd, kan ook de NL-KVG (keuringsdienst van gebruikers) worden gelezen. 5.1.48 Er is een schema voor keuring, controle en onderhoud van de waterstofinstallatie. Toelichting: Er zijn geen verplichtingen die rechtstreeks volgen uit deze PGS 35- richtlijn. In bijlage G staat een voorbeeld gebaseerd op de keuringstermijnen van het WBDA 2016. Keuringen van losslangen en koppelingen volgen uit het ADR, de keuring van de waterstofinstallatie uit het WBDA 2016. 5.1.49 De herkeuringstermijnen worden bepaald door de NL-CBI (bij D5 aangewezen drukapparatuur) en door een deskundige. De NL-CBI volgt daarbij de wettelijke termijnen. Toelichting: Ook bij wijziging en reparatie behoort de NL-CBI in kennis te worden gesteld. Daar waar in deze maatregel de NL-CBI wordt genoemd, kan ook de NL-KVG (keuringsdienst van gebruikers) worden gelezen. 5.1.50 Herbeoordeling van de aangewezen drukapparatuur wordt uitgevoerd door de NL -CBI. De overige onderdelen worden gekeurd door een deskundige.

Toelichting Bij de herbeoordeling controleert de NL-CBI: • de inwendige toestand van de aangewezen drukapparatuur; • de uitwendige toestand van de aangewezen drukapparatuur; • de werking van de veiligheidsappendages. Daar waar in deze maatregel de NL-CBI wordt genoemd, kan ook de NL-KVG (keuringsdienst van gebruikers) worden gelezen. 5.1.51 De volgende documenten of gegevens worden bewaard: • beschrijving van de installatie; • bedrijfshandleiding; • afwijking van de in de bedrijfshandleiding vastgelegde normale bedrijfsvoering; • actuele plattegrondtekening met de installatie en ligging van leidingen en appendages en gevarenzones; • installatiecertificaten; • certificaten lekdetectiesysteem; • certificaten applicatie van inwendige bekleding; 27/60

• • • •

certificaten van toegepaste materialen, onderdelen en appendages; vergunningen; veiligheidsinformatieblad van waterstof; verslagen over gevaarlijke situaties die zich hebben voorgedaan.

5.1.52 Het noodplan wordt op de locatie van de activiteit bewaard. De bedrijfshandleiding bevat: • instructie voor het personeel; • voorschriften voor de metingen, keuringen, controles en beoordelingen; • voorschriften voor onderhoud; • een beschrijving van de werking van de installatie; • een beschrijving van de installatie aan de hand van een tekening, inclusief de ligging van d e leidingen en installatieschema. Toelichting: Documenten kunnen digitaal beschikbaar zijn, maar ook op papier in een installatieboek en/of logboek. De instructie van personeel omvat bijvoorbeeld een werkinstructie voor in en uit bedrijf nemen, normaal bedrijf en storingen, alsmede richtlijnen en aanwijzingen voor veiligheidsaspecten, waaronder een eventueel aanwezig noodplan en een noodinstructie. 5.1.53 Zolang de waterstofinstallatie in werking is of in werking kan worden gesteld, bewaart de gebruiker: • de EG-verklaring van overeenstemming (volgens (97/23/EG) of de EU-conformiteitsverklaring (volgens • 2014/68/EU); • de gebruiksaanwijzing; • de verklaring van ingebruikneming; • de verklaring van herkeuring; • het aantekenblad; • de bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten. Toelichting: De gebruiker behoort deze documenten op verzoek te kunnen tonen. 5.1.54 Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.

Toelichting: Het aantekenblad wordt meegeleverd met de verklaring van ingebruikneming. Daar waar in deze maatregel de NL-CBI wordt genoemd, kan ook de NL-KVG (keuringsdienst van gebruikers) worden gelezen. 5.1.55 De resultaten van metingen, keuringen, controles of beoordelingen van de waterstofinstallatie, opslagtanks en leidingen die daarbij horen, worden bewaard en moeten beschikbaar zijn. Dit zijn in elk geval: • rapporten van keuringen, inspecties reparaties en wijzigingen; 28/60

• • •

inspectie van brandblusmiddelen (op brandblusmiddel aanwezig); rapporten van dichtheidsbeproevingen; rapporten van controle op de werking van het temperatuurdetectiesysteem in de tankzuil.

Toelichting Deze documenten mogen ook in digitale vorm beschikbaar zijn. Installaties, leidingen en apparatuur die vallen onder direct werkende wetgeving, zoals het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016, het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016, het Warenwetbesluit machines of het Warenwetbesluit explosieveilig materieel, zijn gehouden aan de in de desbetreffende direct werkende wetgeving genoemde bewaartermijnen. 5.1.56 Werkzaamheden voor aanleg, onderhoud, reiniging en reparatie worden uitgevoerd door personen die aantoonbaar deskundig zijn voor werkzaamheden aan de desbetreffende installatie. Aanleg, onderhoud, reiniging en reparatie moet plaatsvinden in overeenstemming met de aanwijzingen van de fabrikant. 5.1.57 Voldaan wordt aan de eisen voor training en opleiding van werknemers in de Arbeidsomstandighedenwet. 5.1.58 De waterstofinstallatie is voorzien van een doelmatige bliksembeveiliging en is geaard. De bliksembeveiligingsmaatregelen zijn ontworpen, geïnstalleerd, geïnspecteerd en onderhouden volgens de NEN-EN-IEC 62305- reeks. 5.1.59 Op plaatsen waar gevaar van aanrijding bestaat, zijn relevante installatieonderdelen in de aanrijdingsrichting beschermd. Toelichting: Bijvoorbeeld volgens de NEN-EN 1317-reeks. Door bij de inrichting van het terrein hiermee rekening te houden, kan gevaar voor aanrijding worden voorkomen.

Daar waar dit niet mogelijk is, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Relevante installatieonderdelen zijn ESD-afsluiters, tankzuilen, vulpunten, drukontlastingsapparatuur en de opslagtank. Installatieonderdelen zijn vaak al voorzien van bescherming door bijvoorbeeld de behuizing van de tankzuil of de bak om het vulpunt. Een aanrijdbeveiliging is bijvoorbeeld een geleiderailconstructie of een constructie met beton gevulde stalen buizen. 5.1.60 De waterstofinstallatie is niet toegankelijk voor onbevoegden. Dit geldt niet voor de tankzuil. Toelichting: Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door afgesloten ruimten, een hekwerk met een hoogte van ten minste 1,8 m of een bewaakt terrein. Als toegangsdeuren of luiken zijn voorzien van speciale vergrendelingen vanwege voorkomen toegang van onbevoegden, moeten deze op grond van Arbowet- en regelgeving en/of het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn voorzien van een panieksluiting zodat het openen van binnenuit altijd mogelijk is. De waterstofinstallatie moet op grond van artikel 19 van het WBDA 2016 toegankelijk en bereikbaar zijn voor bevoegden voor het gebruik en uitvoeren van onderhoud, onderzoek, inspectie, reparatie en keuringen.

29/60

5.1.61 Het terrein van het tankstation is overzichtelijk ingericht. Dit is uit het oogpunt van onbelemmerde toegang en uitgang en ook uit het oogpunt van veiligheid. Dit betekent in elk geval: • in tegenovergestelde richting gelegen toegangen; • vrij van obstakels, brandgevaarlijk materiaal en begroeiing; • overzicht door cameratoezicht; • toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten. Toelichting: Bij inrichting van het terrein is het zinvol om de brandweer te betrekken. Informatie kan input zijn voor het externe noodplan van de brandweer. Onderhoud van het terrein valt onder de zorgplicht. De toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten kan bijvoorbeeld met een sleutelkluis. Voor wegen geldt een adviesbreedte van 4,5 m voor hulpverleningsdiensten (3,5 m verharding, 4,5 m ruimte). Zie ook Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland. 5.1.62 De waterstofinstallatie is toegankelijk voor hulpverleningsdiensten zodat bij calamiteiten bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden. Toelichting: In het Besluit bouwwerken leefomgeving is een vergelijkbare bepaling opgenomen, maar deze ziet alleen toe op bouwwerken waar personen verblijven. Dit is bij waterstofinstallaties, zeker bij onbemande tankstations, niet altijd het geval. 5.1.63 Er gelden veiligheidsafstanden.

De minimumafstand vanaf de begrenzing van de activiteit tot: • aanvoerleiding waterstof 0,75 inch en 100 bar is 2,5 m; • opstelplaats batterijwagen 200 bar is 5,5 m; • opstelplaats batterijwagen 500 bar is 8,5 m; • waterstofinstallatie 450 bar is 2,5 m; • waterstofinstallatie 1 000 bar is 4 m. 5.1.64 Er gelden veiligheidsafstanden. De minimumafstand vanaf de waterstofinstallatie tot: • aanvoerleiding waterstof 0,75 inch en 100 bar is 2,4 m; • opstelplaats batterijwagen 200 bar is 5 m; • opstelplaats batterijwagen 500 bar is 8 m. 5.1.65 Er gelden veiligheidsafstanden. De minimumafstand vanaf een (beperkt) kwetsbaar object binnen de begrenzing van de activiteit tot: • aanvoerleiding waterstof 0,75 inch en 100 bar is 2,5 m; • opstelplaats batterijwagen 200 bar is 5 m; • opstelplaats batterijwagen 500 bar is 8 m; • waterstofinstallatie 450 bar is 2,5 m; • waterstofinstallatie 1 000 bar is 3,5 m. Toelichting: 30/60

Beperkt kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld een shop of kantoor bij een tankstation. 5.1.66 Bij de aanleg van leidingen is rekening gehouden met het kunnen ontstaan van fakkelbranden en zijn waar nodig maatregelen getroffen om aanstralen van de waterstofinstallatie of kwetsbare objecten te voorkomen. 5.1.67 Van de volgende interne afstanden: • Interne afstand – Afstand vanaf de begrenzing; • Interne afstand – Afstand vanaf de waterstofinstallatie) en • Interne afstand – Afstand vanaf een (beperkt) kwetsbaar object) kan worden afgeweken op basis van een warmtestralingsberekening waarbij de warmtestraling maximaal: • 3 kW/m2 is op de begrenzing van de activiteit; • 10 kW/m2 is op kwetsbare objecten binnen de begrenzing van de activiteit en op de waterstofinstallatie. De berekening wordt uitgevoerd met een door het bevoegd gezag geaccepteerd rekenmodel. 5.1.68 De volgende interne afstanden: • Interne afstand – Afstand vanaf de begrenzing; • Interne afstand – Afstand vanaf de waterstofinstallatie) en; • Interne afstand – Afstand vanaf een (beperkt) kwetsbaar object); zijn niet van toepassing als waterstof in vloeibare vorm wordt aangeleverd. De afstanden worden dan bepaald op basis van een warmtestraling van maximaal: • 3 kW/m2 op de begrenzing van de activiteit; • 10 kW/m2 op kwetsbare objecten binnen de begrenzing van de activiteit en op de waterstofinstallatie.

De afstanden worden berekend met een door het bevoegd gezag geaccepteerd rekenmodel. 5.1.69 Als een mobiele opslag of een gasflessenpakket wordt toegepast dan worden de afstanden bepaald op basis van een warmtestraling van maximaal: • 3 kW/m2 op de begrenzing van de activiteit; • 10 kW/m2 op kwetsbare objecten binnen de begrenzing van de activiteit en op de waterstofinstallatie. De afstanden worden berekend met een door het bevoegd gezag geaccepteerd rekenmodel. 5.1.70 Er zijn voldoende brandblusmiddelen aanwezig die geschikt zijn voor de bestrijding van een beginnende brand. Brandblusmiddelen zijn voor onmiddellijk gebruik beschikbaar en kunnen onbelemmerd worden bereikt. Binnen 5 m van elke tankzuil is een poederblusser aanwezig met een inhoud van ten minste 9 kg. Toelichting: Op elk brandblusmiddel is met een symbool aangegeven voor welke soort brand dit brandblusmiddel geschikt is. De brandblusser bij de tankzuil is bedoeld voor een beginnende voertuigbrand en niet voor het bestrijden van een waterstofbrand. 31/60

5.1.71 Een brandblusser is geschikt voor de brandklassen B en C volgens NEN-EN 2 en voldoet aan de eisen van de NEN-EN 3-reeks. De eigenschappen, prestatie-eisen en beproevingsmethodes van een brandblusser zijn gebaseerd op NEN-EN 3-7, waaruit blijkt dat deze geschikt is voor bestrijding van brandklassen B en C. Brandblussers hebben een blusvermogen van ten minste 43A/233B S48 volgens NEN-EN 3-7. Toelichting: Het blusvermogen van 43A/233B is gekozen uit oogpunt van veiligheid. Het is van toepassing op zowel een brand van vaste stoffen als een vloeistofbrand, terwijl ook moet worden gerekend met het gebruik van de brandblusser door personen die daarin niet geoefend zijn. Het blusvermogen kan worden gerealiseerd door zowel een poeder- als een schuimblusser. De minimumblusduur bij dit blusvermogen is 15 s. Ook voor een ongeoefende biedt dit voldoende kans op het blussen van een brand. 5.1.72 Adequaat onderhoud van brandblussers en brandslanghaspels vindt plaats. Het onderhoud omvat in elk geval ook een controle op de goede werking van brandblussers en brandslanghaspels. Voor brandslanghaspels vindt onderhoud in elk geval elk jaar plaats. Voor brandblussers is dit elke twee jaar. Toelichting: Als wordt voldaan aan NEN 2559 betekent dat er sprake is van adequate wijze van onderhoud en controle.

5.1.73 In de directe nabijheid van de waterstofinstallatie is een bluswatervoorziening aanwezig. De capaciteit van de bluswatervoorziening is afgestemd op de aard van de activiteiten en de ligging. Toelichting: De hoeveelheid bluswater die beschikbaar moet zijn, is erop gericht dat de waterstofinstallatie kan worden gekoeld, dan wel dat de aangestraalde onderdelen voldoende worden gekoeld in het geval van brand in de omgeving. Mede afhankelijk van de openbare bluswatervoorziening, kunnen hiervoor aanvullende bluswatervoorzieningen nodig zijn. De bluswatervoorziening is afhankelijk van de aard, omvang en ligging van waterstofinstallatie en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen. In overleg met het bevoegd gezag en de brandweer behoort te worden bepaald of en in welke omvang bluswatervoorziening nodig is. 5.1.74 Brandkranen binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, zijn zo gelegen dat de blusvoertuigen de brandkranen tot op een afstand van 15 m goed kunnen benaderen. Toelichting: Onderhoud en controle is de verantwoordelijkheid van degene die de activiteiten verricht, en valt onder de zorgplicht. Mogelijk kunnen afspraken worden gemaakt met het waterleidingbedrijf. De 15 m afstand is gebaseerd op Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland.

5.1.75 De relevante onderdelen van de waterstofinstallatie zijn voorzien van een: • potentiaalvereffening ter voorkoming van statische elektriciteit of zwerfstromen volgens NENEN-IEC 60079- 14; • aansluitpunt voor een vereffeningsleiding volgens NPR-CLC-IEC/TR 60079-32-1. 32/60

Toelichting: Deze eisen zijn vanwege de lage ontstekingsenergie van waterstof essentieel.

5.1.76 Bij het verbinden van de vulkoppeling met de brandstoftank v an het voertuig of werktuig en gedurende het afleveren vindt potentiaalvereffening plaats tussen het voertuig of werktuig en de waterstofinstallatie. Toelichting: Deze maatregel vloeit voort uit ATEX, maar is opgenomen om de lage ontstekingsenergie van waterstof te benadrukken. 5.1.77 Een vulpunt heeft een technische voorziening zodat vanaf de tankwagen via het vulpunt een potentiaalvereffening (aarding) kan worden aangebracht. Dit om het verschil in elektrostatische oplading tussen de tankwagen en de waterstofopslagtank op te heffen. De installatie is zo uitgevoerd dat het lossen niet mogelijk is wanneer er geen goede equipotentiaalverbinding tussen een tankwagen en een waterstofinstallatie is aangebracht. De maximumweerstand in de equipotentiaalverbinding is 10 Ohm volgens NPR-CLC-IEC/TR 60079-32-1. 5.1.78 Voldaan is aan de eisen voor een gevarenzone-indeling in het Arbeidsomstandighedenbesluit. 5.1.79 In gevarenzones is explosieveilige apparatuur (elektrisch en mechanisch) in gebruik die geschikt is voor de desbetreffende zone. Toelichting: Deze maatregel staat ook in het Arbeidsomstandighedenbesluit 2016. 5.1.80 Een actueel noodplan is aanwezig. Het noodplan is gericht op het beperken en beheersen van calamiteiten en ongevallen, en op bescherming van w erknemers en de leefomgeving.

In het noodplan staat in elk geval een beschrijving van: • reële scenario’s van ongewone voorvallen, de te nemen maatregelen en de beschikbare hulpmiddelen; • het gebouw, de technische installaties, de locaties van gevaarlijke stoffen en de beschikbare hulpmiddelen; • de manier van melden en doormelden van het ongewoon voorval, zowel binnen als buiten de organisatie; • de interne organisatie en taken en verantwoordelijkheden. Personen die ter plaatse van de waterstofafleverinstallatie werkzaam zijn, zijn op de hoogte van de inhoud van het noodplan en de noodprocedures. Het noodplan is onmiddellijk beschikbaar en onbelemmerd toegankelijk voor het personeel. Toelichting: 33/60

De interne organisatie omvat in elk geval de organisatie van de bedrijfshulpverlening en het ontruimingsplan. Hieronder valt ook de opleiding van werknemers. Ook de coördinatie met en steun aan externe hulpdiensten is onderdeel van de interne organisatie. Sommige bedrijven moeten op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit een noodplan hebben. Dit zijn de ARIE-bedrijven. Ook voor Sevesohogedrempelinrichtingen geldt de eis van een noodplan. Voor die bedrijven overlapt deze maatregel met die andere wet- en regelgeving. 5.1.81 Het noodplan is afgestemd met het bevoegd gezag en de Veiligheidsregio. Afstemming vindt plaats bij relevante wijzigingen in het noodplan of de alarmopvolging, en in elk geval elke drie jaar. Toelichting: Voor de driejaarlijkse afstemming is aangesloten bij het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dit bepaalt dat een intern noodplan ten minste eenmaal per drie jaar moet worden beproefd, geëvalueerd en indien nodig gewijzigd. 5.1.82 Het noodplan wordt in elk geval elke drie jaar beoordeeld en beproefd en indien nodig bijgewerkt. Als het noodplan wordt bijgewerkt, wordt rekening gehouden met: • toegepaste werk- en productiemethodes; • veranderingen van technische en organisatorische aard bij de hulpverleningsdiensten; • veranderingen in het veiligheidsinzicht die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risico’s van ongevallen.

Toelichting: Voor de driejaarlijkse beoordeling en beproeving is aangesloten bij het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dit bepaalt dat het noodplan ten minste eenmaal per drie jaar moet worden beproefd, geëvalueerd en indien nodig gewijzigd. 5.1.83 Na het activeren van de noodstopvoorziening (ESD) mag de installatie pas in bedrijf worden gesteld als: • de reden van het bedienen van de noodstop bekend is, en • de aanleiding voor het activeren van de noodstopvoorziening is opgeheven. De installatie kan en mag alleen terug in werking worden gezet na een volledige controle en diagnose. 5.1.84 Borden en pictogrammen voldoen aan de eisen van de Alle Arbeidsomstandighedenregeling. 5.1.85 Op elke tankzuil is goed zichtbaar en leesbaar een bedieningsvoorschrift aangebracht. 5.1.86 Bij elke tankzuil is een goed zichtbare en leesbare instructie aangebracht over de te nemen maatregelen bij ongewone voorvallen. Hierop staan in elk geval vermeld: • het activeren van de noodstopvoorziening; • namen en telefoonnummers van hulpverleningsdiensten; • naam en telefoonnummer van de beheerder. 5.2

Sp ecifieke voorschriften leveren en gebruik waterstof 34/60

5.2.1 De doorzet aan waterstof via de 350 bar dispensers bedraagt maximaal 610 kg per dag. 5.2.2 De gerealiseerde doorzet aan waterstof (in kg) wordt per kalenderjaar geregistreerd. Registratie kan zowel op de inrichting als middels een centraal elektronisch registratiesysteem plaats vinden. Deze gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard en worden aan toezichthouders op eerste verzoek ter inzage gegeven. 5.2.3 De 450 bar(g) bufferopslag bestaat uit zeven tubes van 1170 l. 5.2.4 Aflevering van waterstof vindt plaats via maximaal drie aanwezige tubetrailers. Elke tubetrailer is voorzien van maximaal 129 cilinders met een inhoud v an elk 350 liter een druk van 380 bar(g). Per tubetrailer wordt maximaal 1135 kg waterstof aangevoerd. 5.2.5 Indien de afstand van de (buffer)tanks en compressor tot de grens van de inrichting minder bedraagt dan 5 meter, moet de WBDBO op de inrichtingsgrens ten minste 30 minuten bedragen. Indien de afstand van deze onderdelen tot de grens van de inrichting minder bedraagt dan 3 meter, moet de WBDBO op de inrichtingsgrens ten minste 60 minuten bedragen. 5.3 Brandbestrijding 5.3.1 Procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen met gevaarlijke stoffen die zich aan een terreingedeelte bevinden waar gemotoriseerd verkeer kan plaatsvinden, moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.

5.3.2 Uiterlijk zes maanden na het in werking treden van deze vergunning moet bij het bevoegd gezag een brandveiligheidsplan voor de gehele worden ingediend. Dit brandveiligheidsplan moet zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, in samenspraak met de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. De installatie(-delen) mag (mogen) pas in werking worden gesteld, indien de beschreven maatregelen en voorzieningen zijn geïnstalleerd en naar behoren functioneren, hetgeen moet blijken uit een opleveringstest. 5.3.3 In het brandveiligheidsplan zoals bedoeld in voorschrift 5.3.2, dienen onder meer de volgende onderwerpen beschreven te worden: • Een kwalitatieve beschrijving van de aanwezige gevaren; • Preventieve maatregelen en voorzieningen (Dit zijn maatregelen en voorzieningen die getroffen worden ter voorkoming van brand en het vrijkomen van brandbare en /of toxische stoffen); • Preparatieve maatregelen en voorzieningen (Dit zijn maatregelen en voorzieningen die getroffen moeten worden om een goede bestrijding van het incident te bevorderen); • Repressieve maatregelen en voorzieningen (Dit zijn maatregelen en voorzieningen ten aanzien van de bestrijding van het incident.

Te denken valt aan de binnen het bedrijf aanwezige/te realiseren bluswatervoorzieningen); • Een overzichtstekening (op schaal) en een beschrijving v an de bluswatervoorzieningen moeten deel uitmaken van het brandveiligheidsplan; 35/60

•

• • •

Een beschrijving van het beheer, testen en inspectie en onderhoud. Binnen dit aandachtsgebied vallen de aspecten die te maken hebben met het naar behoren laten functioneren van de maatregelen en voorzieningen in het kader van brandpreventie en brandbestrijding; Een kwantitatieve beschrijving van de maximale brandscenario’s en de daarbij behorende hittebelasting (1, 3 en 10 kW/m2 stralingscontour); Een operationeel plan voor de blussing van de risicovolle objecten binnen de inrichting met mobiele middelen, inclusief een overzicht van benodigde middelen en de bereikbaarheid; De grafische weergave van de positionering van de middelen en de verdeling van de taken tussen noodorganisatie (BHV) en Brandweer.

5.3.4 De uitwerking in het brandveiligheidsplan zoals bedoeld in voorschrift 5.3.2omvat in ieder geval de volgende aandachtspunten: • Bij incidenten dient de schade zo klein mogelijk gehouden te worden. De wijze waarop dit wordt beheerst en de daarvoor getroffen voorzieningen zijn beschreven; • Detectie van het incident (wijze, soort, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en snelheid van detecteren); • Motiveer de gekozen middelen; • Alarmering, organisatie en wijze van alarmeren; • Identificatie van de gevaren: scenariokeuze gebaseerd op een gedegen identificatie van de gevaren en bijbehorende risicoanalyse; • Beheers/bestrijdingstactiek voor de incidentscenario’s, motiveer de gekozen tactiek; • Technische beschrijving van de aanwezige voorzieningen en in te zetten middelen (mobiel en stationair, soort, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, capaciteit etc.), motiveer de gekozen middelen; • Beschrijving van de organisatie voor de te onderscheiden fasen bij de beheersing van incidenten; • Beheersing van de organisatie, borging van kennis en kunde (oefencyclus, proces- en stofkennis); • Systeem beschrijving: Plan, Do, Check, Act-cyclus voor de inrichting (gerelateerd aan de beheersing van de noodsituatie en voorzieningen); • Beschrijving van eventuele uitbestede taken; • Duidelijke tekeningen/grafische weergaven.

5.3.5 De inrichting moet na het goedkeuren van het brandveiligheidsplan alle voorzieningen en maatregelen als genoemd in het brandveiligheidsplan hebben gerealiseerd, binnen de daarin opgenomen termijn. 5.3.6 Er dient een bluswatervoorziening aanwezig te zijn nabij het open water. Deze voorziening dient te zijn uitgevoerd als bestrate opstelplaats voor een tankautospuit van de brandweer. De exacte uitvoering en locatie dient te worden afgestemd met de afdeling Risicobeheersing van de Veiligheidsregio Zuid -Holland Zuid. 5.3.7 De bluswatervoorziening, zoals bedoeld in voorschrift 5.3.6, dient bedrijfszeker, voor onmiddellijk gebruik gereed, onbelemmerd bereikbaar en tegen aanrijding beschermd te zijn. De voorziening dient doelmatig te worden onderhouden.

36/60

5.3.8 In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan. 5.3.9 Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn. 5.3.10 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds: a. voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; b. goed bereikbaar zijn; c. als zodanig herkenbaar zijn; d. geschikt zijn voor de beheersing of de blussing van een bepaald type brand.

5.3.11 Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken. 6 6.1

G ELUID Al gemeen

6.1.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mag op de gevels van omliggende woningen niet meer bedragen dan: • 40 dB(A) in de dagperiode tussen 07.00 en 19.00 uur; • 35 dB(A) in de avondperiode tussen 19.00 en 23.00 uur; • 30 dB(A) in de nachtperiode tussen 23.00 en 07.00 uur. 6.1.2 Het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, mag op de gevel van omliggende woningen in de dag, avond- en nachtperiode niet meer bedragen dan 51 dB(A). 6.1.3 De metingen, berekeningen en beoordeling van de geluidniveaus dienen plaats te vinden overeenkomstig de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’ (1999).

37/60

Bijlage B

Deze bijlage is onderdeel van de beschikking op de aanvraag die is geregistreerd onder nummer: Z-21-388154

Inhoudelijke overwegingen Toetsingskader milieu De aanvraag heeft betrekking op het oprichtten van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo. Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo: • de bestaande toestand van het milieu betrokken; • met het milieubeleidsplan rekening gehouden; • de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt. Binnen het bedrijf vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Er moet worden voldaan aan paragraaf 3.1.3 'Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening' uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de oprichting/verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. Best beschikbare technieken (BBT) In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het 38/60

milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT -conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is: • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie. • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met: • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening(nr.

1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen; • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie; • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT -conclusies. Concrete bepaling beste beschikbare technieken 39/60

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor: • NRB 2012: Nederlandse richtlijn bodembescherming, maart 2021; • PGS 35: Waterstof: Afleverinstallaties van waterstof voor wegvoertuigen, Afleverinstallaties van waterstof voor wegvoertuigen, april 2015. Inmiddels is er een nieuwe versies van de PGS35:2020 versie 0.2 (april 2020) vastgesteld. Aangezien wij rekening houden met de meest actuele vastgestelde versies van de PGS hebben wij met deze versies rekening gehouden. Verder hebben wij bij het bepalen van de BBT rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde specifieke literatuur: • Nationaal milieubeleidsplan 4 (NMP 4); • Bestuurlijke handreiking vergunningverlening waterstoftankstations, Instituut fysieke veiligheid, 19 juni 2019 • Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029; • Circulaire Energie in de milieuvergunning (Ministerie van VROM en het Ministerie van EZ, 1999); • Handleiding Risicoberekeningen Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Handreiking meten en rekenen industrielawaai (1999). Conclusie BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Afvalstoffen Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen in de bijbehorende hoeveelheden in kg/jaar: Afvalstof Bedrijfsafval Papier en karton

Ho eveelheid ca. (Kg/jaar) 200 100 40/60

Afvalstof Plastic

Ho eveelheid ca. (Kg/jaar) 200

Gezien de beperkte hoeveelheid afvalstoffen welke binnen de inrichting ontstaan concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen. Afvalscheiding Bedrijven hebben vaak relatief homogene en schone afvalstoffen die meestal in grote hoeveelheden en geconcentreerd vrijkomen. In die gevallen is afvalscheiding redelijk. Wat minder eenduidig ligt het voor afvalstoffen die diffuus en in kleine hoeveelheden ontstaan. Tabel 2 uit paragaaf B.3.5.2 (zogenaamde bekertjes tabel) van het LAP geeft voor de meest voorkomende van die afvalstoffen een indicatie wanneer het redelijk is dat afvalscheiding plaatsvindt. Afhankelijk van de omstandigheden kan afvalscheiding onder de waarden van deze tabel ook redelijk worden geacht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de afvalstroom geconcentreerd vrijkomt en het dus eenvoudig is deze gescheiden te houden en gescheiden af te voeren. Daarnaast kan het ook zo zijn dat hogere hoeveelheden dan genoemd in de tabel 2 het toch niet redelijk is om afvalscheiding te verlangen. Dit kan het geval zijn bij onevenredige belasting.

Van een onevenredige belasting kan sprake zijn in het geval de kosten per ton voor de gescheiden inzameling en afvoer van de betreffende afvalstof meer dan 45 euro hoger liggen dan de kosten per ton voor de inzameling en afvoer (transport en verwerking) van het ongescheiden (rest)afval. Op de internetsite van Rijkswaterstaat Leefomgeving is de ‘meerkostentoets’ opgenomen, een instrument waarmee afzonderlijke bedrijven kunnen bepalen wat voor hen de meerkosten zijn van de scheiding van bepaalde afvalstoffen. In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. Voor een aantal die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen.

Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en nietgevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen o f met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. In het LAP is aangegeven dat voor de afvalstoffen bedrijfsafval en papier en karton die vrijkomen binnen een inrichting scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd. Wij achten het in de voorliggende situatie dan ook redelijk om afvalscheiding voor te schrijven voor deze afvalstoffen. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie 41/60

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van 1 jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In d e vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is. Afvalwater en waterbesparing Afvalwater Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten: • huishoudelijk afvalwater afkomstig van sanitair; • hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Waterbesparing De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de WABO. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is.

Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Gelet op de aanvraag bedraagt het drinkwaterverbruik enkele 100 m 3 per jaar. Gelet op dit beperkte verbruik is het niet noodzakelijk om voorschriften met betrekking tot beperken van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen. Bodem Activiteitenbesluit Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf gedeeltelijk onder het Activiteitenbesluit. Het betreft de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. Deze activiteiten hoeven daarom in deze vergunning niet te worden beoordeeld. Voor het koelmiddel en de olie in onderdelen van de waterstofinstallatie zijn niet in het Activiteitenbesluit geregeld. Voor deze activiteiten geldt het navolgende. Het kader voor de bescherming van de bodem Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.

Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt 42/60

de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld. De bodembedreigende activiteiten Binnen de inrichting vinden de volgende bodembedreigende activiteit plaats: a) Koelmiddel en olie in onderdelen van de waterstofinstallatie. Beoordeling en conclusie Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen is in de vergunning een voorschrift opgenomen die voorziet in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen in een adequate instructie en training van het personeel. Nulsituatieonderzoek Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt.

Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: b) De bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt; c) de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; d) de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; e) de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties. De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Voor de inrichting is zoals in de aanvraag staat vermeld het volgende bodemonderzoek uitgevoerd: RPS, Bodemonderzoek Kadastraal perceel G1927, kenmerk NL202009546-R20-774 en datum 25 september 2020. 43/60

De voor dit onderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit zijn uitgevoerd door RPS. Dit is een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee is de kwaliteit van het bodemonderzoek geborgd en zijn de resultaten betrouwbaar. Dit onderzoek van RPS geeft ons overigens geen aanleiding tot het stellen van nadere maatregelen of eisen en beschouwen wij daarom als nulsituatie onderzoek. Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat is (in combinatie met de gestelde voorschriften) verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd, tenzij er een redelijk vermoeden van bodemverontreiniging is ontstaan. Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning opgenomen. Energie Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting. Er wordt circa 500.00 kWh per jaar gebruik en geen aardgas.

De elektriciteit wordt met name verbruikt door compressoren en koeling. In het landelijke beleid zoals vastgelegd in de circulaire "Energie in de milieuvergunning" (Ministerie van VROM en het Ministerie van EZ, 1999) worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van hoger dan 75.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van hoger dan 200.000 kWh elektriciteit namelijk als grootverbruiker en energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een verantwoord zuinig energiegebruik te komen. Met behulp van de erkende maatregelenlijsten en overige industrie specifieke maatregelenlijsten kan voldoende worden vastgesteld welke rendabele energiebesparende maatregelen voor de inrichting gelden. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden waarin van de inrichting wordt verplicht om rendabele energiebesparende maatregelen uit te voeren. De bepalingen uit het Activiteitenbesluit met betrekking tot een zuinig gebruik van energie gelden niet voor type C inrichtingen, daarom hebben wij aan deze vergunning voorschriften verbonden. Bij het stellen van deze voorschriften hebben wij, zo veel mogelijk, aangesloten bij het Activiteitenbesluit.

Duurzame keurmerken en certificeringen Een groot aantal ondernemingen bezit een keurmerk, een aantal van deze keurmerken besteden aandacht aan energiezorg. Keurmerken of certificering in het kader van energiezorg kunnen worden gezien als invulling of gedeeltelijk invulling van de verplichting om een energiebesparingsonderzoek op te stellen. De certificeringen en keurmerken in het kader van energiezorg zijn bijvoorbeeld: • ISO 14001+ ISO 14051; • ISO 50001; • Green Key Hotel; • BREEAM in Use; • CO2 Prestatieladder; • Erkend Duurzaam; 44/60

• Lean – Green; • LEED; • Milieuthermometer zorg. Deze lijst is niet uitputtend en kan worden aangevuld met nieuwe keurmerken of certificeringen, de inrichting kan een keurmerk of certificering ter goedkeuring voorleggen aan het bevoegd gezag. Ex terne Veiligheid Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: • het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd; • de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico). Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel 10 -6 per jaar (d.w.z.

een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken. Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vra ag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is. Waterstof Gezien de effectafstand (letaliteit) als gevolg van deze activiteit buiten de inrichtingsgrens ligt sluiten wij in onze beoordeling van deze activiteit aan bij het Bevi. Dit betekent dat voor de activiteiten een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) moet worden uitgevoerd waarmee het PR en GR berekend kunnen worden.

In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) is aangegeven dat de daarin v oorgeschreven Rekenmethodiek Bevi moet worden gebruikt voor het berekenen van deze risico’s met toepassing van het softwareprogramma Safeti-NL en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi. In de Handleiding Risicoberekeningen Bevi is vastgelegd op welke wijze het PR (middels een kaart met contouren) en GR (een FN-curve) dienen te worden gepresenteerd. Vaststellen BBT (PGS 35)

45/60

Voor wat betreft de waterstofinstallatie is aangesloten bij de PGS 35 0.2 (april 2020) als zijnde BBT document. Veel van de maatregelen uit deze richtlijnen zijn van invloed op de invoerparameters van het rekenmodel en daarmee ook van invloed op de uitkomsten. Naast de maatregelen die voortvloeien uit de PGS 35 zijn aanvullend de uitgangspunten van de berekening vastgelegd in deze vergunning. Toetsing QRA Als onderdeel van de aanvraag is een kwantitatieve risicoanalyse aangeleverd. De QRA is opgesteld door AVIV, projectnummer 204318, dd. 18 december 2020. Deze QRA maakt deel uit van de vergunning. De maatgevende uitgangspunten van deze QRA zijn vastgelegd in de voorschriften behorende bij deze vergunning. Toetsing plaatsgebonden risico (PR) De toegestane grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) ter plaatse van een (geprojecteerd) kwetsbaar object is 10-6 per jaar. Dit is eveneens de richtwaarde voor een (geprojecteerd) beperkt kwetsbaar object. De PR 10-6 contour valt grotendeels binnen de inrichting, alleen aan de oostzijde valt een klein deel buiten de inrichting. Hierbinnen komen geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten voor. Daarmee voldoet het risico van de aangevraagde activiteit aan de grens- en richtwaarde van het Bevi.

Uit de QRA blijkt dat de volgende scenario's bepalend zijn voor het plaatsgebonden risico: f) H2 Trailer (continu lekkage); g) H2 buffer (continue lekkage). Om deze reden zijn de maatgevende uitgangspunten van deze scenario‘s in de voorschriften van deze vergunning vastgelegd. Op basis van bovenstaande vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het verlenen van de vergunning. Groepsrisico Binnen het invloedsgebied en de effectafstand van de inrichting bevinden zich geen andere bestemmingen en/of personen. De berekening toont dan ook dat er geen sprake is van een groepsrisico (geen slachtoffers). Het groepsrisico is dan ook geen belemmering voor de activiteiten. Omgevingswet Binnen de Omgevingswet en de onderliggende besluiten zijn straks vaste afstanden opgenomen voor waterstoftankstations. Deze afstanden voor het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden zijn opgenomen in bijlage VII onderdeel B5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hieruit volgt dat dat het plaats gebonden risico 35 meter bedraagt (vanaf het vulpunt). Het brandaandachtsgebied bedraagt van 55 meter. Binnen deze beide contouren is geen bebouwing van derden gelegen. Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart Het Registratiebesluit externe veiligheid geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister.

Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. De inrichting 46/60

valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling; na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd. Advies Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid Op 4 maart 2021 hebben wij aan de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid advies over deze aanvraag gevraagd. Op 29 maart 2021 hebben wij advies ontvangen van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Het advies luidt als volgt: Wettelijke kader De inrichting valt niet onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo) of het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader voor de aanvraag. Brand is één van de aspecten die tot nadelige gevolgen voor het milieu kunnen leiden als bedoeld in artikel 2.14 van de Wabo en valt dus in beginsel onder de reikwijdte van de Wet milieubeheer (Wm) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het criterium voor het stellen van brandveiligheidseisen is of de nadelige gevolgen voor het milieu door brand zich tot buiten de inrichting kunnen uitstrekken. In het kader van een integrale invulling van de brandveiligheidsvoorschriften in de beschikking Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is door het bevoegde gezag advies aan de brandweer gevraagd.

Gelet op de expertise en taak van de veiligheidsregio op dit vlak, wordt door ons invulling gegeven aan de uitvoering van dit aspect van het milieu hygiënische toetsingskader. QRA Op de QRA hebben wij geen op- of aanmerkingen, de standaardafstand van 55 meter voor waterstof wordt toegepast. In de huidige QRA zijn de gevolgen van de komst van de omgevingswet niet opgenomen: PR en de consequenties voor de omgeving van het aandachtsgebied (zie BKL, Bijlage VII B.5.). Preventieve maatregelen Ter voorkoming van incidenten en escalatie van incidenten met gevaarlijke stoffen dient het opslag en gebruik van waterstof en gevaarlijke stoffen te voldoen aan de best beschikbare technieken en meest recente voorschriften. In dit geval betreft het een groot aantal relevante artikelen PGS 35. Brandveiligheidsplan Gezien de toepassing van waterstof is er sprake van brandveiligheidsrisico’s. Ten behoeve van het reduceren van de risico's op brand tot een aanvaardbaar niveau dient de inrichting een brandveiligheidsplan op te stellen en ter goedkeuring in te dienen bij het Bevoegd gezag. In het brandveiligheidsplan moeten de brandveiligheidsrisico's in beeld gebracht worden en worden geëvalueerd. Er dienen maatregelen en voorzieningen te worden voorgesteld om de brandveiligheidsrisico’s op de inrichting te minimaliseren.

Het aangeleverde brandveiligheidsplan is nog in ontwikkeling en dient nog op de nodige punten te worden aangevuld. Hierdoor is het nog niet duidelijk hoe branden worden voorkomen en/of worden beheerst of bestreden. Het brandveiligheidsplan zal voor advies worden voorgelegd aan de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Dit advies zal bij ons besluit tot goedkeuring betrokken worden. Vervolgens moet de inrichting voldoen aan de realisatie van alle voorzieningen en maatregelen als genoemd het goedgekeurde brandveiligheidsplan. 47/60

Bouwkundige veiligheid Op de inrichting wordt een bouwwerk, geen gebouw zijnde geplaatst waarin/om de activiteiten plaatsvinden. Op basis van het bouwbesluit kunnen geen eisen gesteld worden. Bij een explosie met waterstof kan tot 140 meter ruitbreuk ontstaan in glaspartijen met letsel en schade met scherfwerking tot gevolg, bedrijven met glaspartijen in dit gebied dienen aanvullende bescherming te nemen om scherfwerking te voorkomen.

48/60

Bluswater en bereikbaarheid Op het terrein zelf zijn geen bluswatervoorzieningen aanwezig. Wel liggen er in de buurt brandkranen en is er ook open water beschikbaar. Wel adviseren wij om in overleg met de veiligheidsregio een opstelplaats bij open water te realiseren conform Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Voor meer informatie verwijs ik graag naar paragraaf 4.4.3 'Opstelplaatsen voor bluswaterwinning' van de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Voor deze inrichting volgt het advies dat de inrichting goed bereikbaar dient te zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten de inrichting bovenwinds bereikbaar is. Advies Naar aanleiding van de analyse en de daaruit getrokken conclusies komen d e volgende aanbevelingen naar voren. a) De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid adviseert een nieuwe QRA, waarin rekening wordt gehouden met de aandachtsgebieden, op te vragen bij de aanvrager. Ad a) Wij hebben de afstanden uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving voor waterstoftankstations in de QRA geprojecteerd (plaats gebonden risico 35 meter vanaf het vulpunt en het brandaandachtsgebied van 55 meter. Binnen deze beide contouren is geen bebouwing van derden gelegen. Na telefonische afstemming met u is besloten dat een nieuwe QRA niet noodzakelijk is.

b) Het brandveiligheidsplan is nog niet voldoende en wij adviseren u hier niet mee akkoord te gaan. Geadviseerd wordt om hiervoor voorschriften op te nemen. Ad b) Deze voorschriften hebben wij in deze beschikking overgenomen. G eluid en trillingen Wettelijk kader geluid Bij de vergunningaanvraag is een rapport gevoegd waarin zowel geluidimmissie, luchtkwaliteit als de stikstofdepositie is onderzocht. Het rapport "Waterstoftankstation te Heienoord" is van 4 december 2020 met het kenmerk F 22038-3-RA en is opgesteld door Adviesbureau Peutz. De akoestische informatie is opgenomen in hoofdstuk 3. Teven zijn in de bijlagen van dit rapport de door de adviseur gebruikte rekenmodel gegevens opgenomen. Het rapport is beoordeeld en het akoestische deel is in orde bevonden. Voor het vaststellen van de normstelling voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus wordt uitgegaan van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 1998 (verder Handreiking genoemd). De aard van de woonomgeving ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning kan volgens tabel 4 van de Handreiking omschreven worden als “landelijke woonomgeving”. Bij een dergelijke omgeving past 49/60

een richtwaarde van 40 dB(A)-etmaalwaarde. Voor de normstelling wordt derhalve uitgegaan van deze richtwaarde welke gelijk is gelijk aan 40 dB(A) gedurende de dagperiode, 35 dB(A) gedurende de avondperiode en 30 dB(A) gedurende de nachtperiode). Op basis van de Handreiking is de streefwaarde voor het maximale geluidniveau het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau + 10 dB met als maximum 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avonden nachtperiode. Omgeving Waterstoftankstation te Heienoord is gevestigd op het bedrijventerrein Reedijk te Heinenoord. De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op circa 210 meter ten noordoosten van de inrichting. Bedrijfssituatie In het rapport is de beoogde bedrijfsvoering beschreven. Het Waterstoftankstation te Heienoord is bedoeld voor het tanken van de lijnbussen met groen gecertificeerde waterstof. Op het tankstation bevinden zich een tweetal station modules. Deze station modules omvatten onder andere waterstofcompressors. Alsmede wordt op het terrein voorzien van een opslagruimte, welke elektrisch verwarmd zal worden. Op het terrein zal ruimte voor een aantal waterstofbuisaanhangers worden ingericht. Deze aanhangers worden om de dag verwisseld. De geluidemissie wordt vooral bepaald door transportbewegingen voor de bevoorrading, het tanken van de lijnbussen en de technische installatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10443773/1