Ontwerp omgevingsvergunning waterstoftankstation
Tekst van het document
ONTWERP OMGEVINGSVERGUNNING voor het oprichten van een waterstof tankstation en het realiseren van in/uitritten op het adres Sectie G perceelnummer 1956, Reedijk 7S in Heinenoord
Besluit: Wij verlenen op ---- de omgevingsvergunning Op grond van artikel 2.1 en 2.2 (verbodsbepaling Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, hierna: Wabo) in combinatie met artikel 2.10 (weigeringsgronden bouwen), artikel 2.14 (weigeringsgronden oprichten van een inrichting), artikel 2.18 (weigeringsgronden gemeentelijke verordening) en in combinatie met artikel 3.30 (coördinatieregeling Wet ruimtelijke ordening, hierna Wro) en de coördinatieverordening Wro gemeente Hoeksche Waard 2020, verlenen wij de omgevingsvergunning met kenmerk Z/21/086745 voor de volgende activiteiten: • het (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1.1.a Wabo) • een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen (artikel 2.2.1.e Wabo) • het oprichten, veranderen of in werking hebben van een vergunningsplichtige milieu-inrichting of mijnbouwwerk (artikel 2.1.1.e Wabo) Coördinatieregeling Met de gelijktijdige terinzagelegging van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning wordt toepassing gegeven aan de coördinatieregeling van paragraaf 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Hiermee is het mogelijk dat diverse procedures gezamenlijk worden doorlopen.
Met toepassing van artikel 3.30 WRO en coördinatieverordening Wro gemeente Hoeksche Waard 2020 (coördinatieregeling) heeft de voorbereiding en de bekendmaking van dit besluit gecoördineerd plaatsgevonden; Overwegingen die tot dit besluit hebben geleid Dit besluit is voorbereid volgens de gemeentelijke coördinatieregeling van paragraaf 3.6.1. van de Wro. Bij het nemen van dit besluit hebben wij de volgende zaken overwogen: • De aanvraag is niet in strijd met het ontwerp bestemmingsplan “Waterstoftankstation Heinenoord”; • Het plan is niet in strijd met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid; • Het is aannemelijk dat het bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit (2.10 lid 1a Wabo); • Het is aannemelijk dat het bouwwerk voldoet aan de bouwverordening (2.10 lid 1b Wabo); • Op 13 april 2021 hebben wij advies ingewonnen bij de Stichting Dorp, Stad & Land (welstandscommissie). Zij hebben geadviseerd dat het plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. (2.10 lid 1d Wabo); • De aanvraag omgevingsvergunning heeft ook betrekking op de activiteit het maken van een uitweg als bedoeld in artikel 2.2.1 lid e van de Wabo; 1/60
• • •
De uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd in gevallen als genoemd in artikel 2:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hoeksche Waard; In verband met de daarin genoemde weigeringsgronden is advies uitgebracht op het gebied van verkeer, beheer en inrichting van de openbare ruimte. Het advies is dat er geen bezwaren zijn. De aangevraagde uitweg zal volgens dit advies geen onaanvaardbare gevolgen hebben ten a anzien van de bruikbaarheid, veiligheid en doelmatigheid van de weg, de uitweg gaat niet ten koste van een openbare parkeerplaats of groenvoorziening en heeft geen onaanvaardbaar gevolg voor het uiterlijk van de omgeving.
U mag de uitweg niet zelf aanleggen Het deel van de uitweg dat over gemeentegrond gaat, mag alleen aangelegd worden door een erkend en gecertificeerd stratenmakersbedrijf. U zorgt en draagt de kosten voor deze opdracht. Zodra bekend is wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd meldt u dit bij de toezichthouder. U kunt hiervoor contact opnemen met Gerard van Antwerpen via gerard.vanantwerpen@gemeentehw.nl. Inwerkingtreding Het besluit treedt in werking na afloop van de beroepstermijn, wanneer er geen voorlopige voorziening is gevraagd. Voorwaarden Milieu • De voorschriften opgenomen in Bijlage A verbinden wij aan deze vergunning (in geval van eventuele strijdigheden tussen aanvraag en voorschriften preval eren de voorschriften). Bijlage B bevat de inhoudelijke overwegingen. In Bijlage C treft u de begrippenlijst aan. Brandveiligheid • Voor inwerkingtreden van de inrichting moet een brandveiligheidsplan te worden opgesteld voor de gehele inrichting. Dit brandveiligheidsplan moet zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, in samenspraak met de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.
In het brandveiligheidsplan dienen onder meer de volgende onderwerpen beschreven te worden: - Een kwalitatieve beschrijving van de aanwezige gevaren; - Preventieve maatregelen en voorzieningen (Dit zijn maatregelen en voorzieningen die getroffen worden ter voorkoming van brand en het vrijkomen van brandbare en /of toxische stoffen); - Preparatieven maatregelen en voorzieningen (Dit zijn maatregelen en voorzieningen die getroffen moeten worden om een goede bestrijding van het incident te bevorderen); - Repressieve maatregelen en voorzieningen (Dit zijn maatregelen en voorzieningen ten aanzien van de bestrijding van het incident. Te denken valt aan de binnen het bedrijf aanwezige/te realiseren bluswatervoorzieningen); - Een overzichtstekening (op schaal) en een beschrijving van de bluswatervoorzieningen moeten deel uitmaken van het brandveiligheidsplan; - Een beschrijving van het beheer, testen en inspectie en onderhoud. Binnen dit aandachtsgebied vallen de aspecten die te maken hebben met het naar behoren laten functioneren van de maatregelen en voorzieningen in het kader van brandpreventie en brandbestrijding; 2/60
-
Een kwantitatieve beschrijving van de maximale brandscenario’s en de daarbij behorende hittebelasting (1, 3 en 10 kW/m2 stralingscontour); Een operationeel plan voor de blussing van de risicovolle objecten binnen de inrichting met mobiele middelen, inclusief een overzicht van benodigde middelen en de bereikbaarheid; De grafische weergave van de positionering van de middelen en de verdeling van de taken tussen noodorganisatie (BHV) en Brandweer.
De uitwerking in het brandveiligheidsplan omvat in ieder geval de volgende aandachtspunten: - Bij incidenten dient de schade zo klein mogelijk gehouden te worden. De wijze waarop dit wordt beheerst en de daarvoor getroffen voorzieningen zijn beschreven; - Detectie van het incident (wijze, soort, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en snelheid van detecteren); - Motiveer de gekozen middelen; - Alarmering, organisatie en wijze van alarmeren; - Identificatie van de gevaren: scenariokeuze gebaseerd op een gedegen identificatie van de gevaren en bijbehorende risicoanalyse; - Beheers/bestrijdingstactiek voor de incidentscenario’s, motiveer de gekozen tactiek; - Technische beschrijving van de aanwezige voorzieningen en in te zetten middelen (mobiel en stationair, soort, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, capaciteit etc.), motiveer de gekozen middelen; - Beschrijving van de organisatie voor de te onderscheiden fasen bij de beheersing van incidenten; - Beheersing van de organisatie, borging van kennis en kunde (oefencyclus, proces- en stofkennis); - Systeem beschrijving: Plan, Do, Check, Act-cyclus voor de inrichting (gerelateerd aan de beheersing van de noodsituatie en voorzieningen); - Beschrijving van eventuele uitbestede taken; - Duidelijke tekeningen/grafische weergaven.
• De inrichting moet na het goedkeuren van het brandveiligheidsplan alle voorzieningen en maatregelen als genoemd in het brandveiligheidsplan hebben gerealiseerd, binnen de daarin opgenomen termijn. Voorwaarden Archeologie • Er is een hoge trefkans op archeologische waarden. Tijdens de graafwerkzaamheden op het perceel moet toezicht worden gehouden door een archeoloog. U moet uiterlijk twee weken voor start- en/of graafwerkzaamheden de gemeente hierover informeren. Hiervoor vragen wij u contact op te nemen met: Gemeentelijke archeoloog Channa Cohen Stuart via email channa.cohenstuart@gemeentehw.nl of telefonisch via 06-45059916 en Adviseur omgeving Alex Brand via email alex.brand@gemeentehw.nl of telefonisch via 088-6471748. Voorwaarden bestemmingsplan • Buitenopslag van goederen binnen het gebied met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf ‐ buitenopslag beperkt toegestaan 3' is toegestaan tot een hoogte van maximaal 5 m; Onder buitenopslag moet worden verstaan: opslag van waterstof, voorafgaand aan- of aansluitend op transport, in een mobiele opslagvoorziening 3/60
• Parkeren, laden en lossen is uitsluitend op eigen terrein toegestaan. Parkeren, laden en lossen binnen de bestemming Verkeer wordt aangemerkt als strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7 van de regels van het geldende bestemmingsplan. Aa ndachtspunten aandachtspunten bodem: • Hergebruik grond. In de regio Zuid-Holland Zuid is de bodem verdacht op aanwezigheid van perfluoroctaanzuur (PFOA) en perfluoroctaansulfonaat (PFOS). PFOA en PFOS maken onderdeel uit van de stoffenfamilie poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS). De locatie is naast de reguliere parameters ook onderzocht op perfluoroctaanzuur (PFOA). Er is PFOA aangetoond tot een maximale waarde van 1,5 μg/kg.ds. Dit gehalte aan PFOA is gelegen onder het niveau van de achtergrondbelasting, en vormt geen bezwaar om de omgevingsvergunning te verlenen. Het gehalte vormt ook geen bezwaar voor hergebruik van eventueel vrijkomende grond in de regio Zuid-Holland Zuid. • Grond die tijdens de bouwwerkzaamheden vrijkomt kan op de locatie worden hergebruikt. Bij hergebruik van deze grond elders dienen de eisen in acht te worden genomen, zoals gesteld binnen het Besluit bodemkwaliteit, de bodembeheernota regio Zuid-Holland Zuid en de "Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond regio Zuid-Holland Zuid".
Het landelijke beleid ten aanzien van PFAS is weergegeven in het "Tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond en baggerspecie" van 2 juli 2020. • Indien u met betrekking tot het voorgaande nog vragen heeft, kunt u contact opnemen met de heer T.W. Bosman via telefoonnummer 078-7703271. Bij afwezigheid kan contact opgenomen worden met mevrouw C.M.H. Jonker-Kooijman via telefoonnummer 078-7703357. aandachtspunt constructie: • Wanneer voor het palenplan voor het diepe inheiniveau gekozen wordt zijn de meeste sonderingen niet diep genoeg. aandachtspunt tijdelijke bouwwerken •
Een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor en bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop de activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd kunnen vergunningsvrij worden geplaatst.
Verkeer • Ter hoogte van de in- en uitritten dienen een verkeersspiegel langs het fietspad te komen. Het afbuigend verkeer ziet anders de fietser/ brommer niet aankomen.
Nog in te dienen gegevens Ten minste drie weken voor aanvang van de werkzaamheden dienen alle constructietekeningen en berekeningen ter controle bij de gemeente (bij voorkeur via www.omgevingsloketonline.nl te zijn ingediend. Voor aanvang van de werkzaamheden dienen deze gegevens door bouw- en woningtoezicht te zijn goedgekeurd. U mag pas met de werkzaamheden beginnen nadat u schriftelijke goedkeuring heeft ontvangen op deze ingediende gegevens. 4/60
Uiterlijk 5 werkdagen na uitvoering van de werkzaamheden moeten de volgende gegevens bij ons worden aangeleverd: • na het uitzetten van het bouwwerk: het meetrapport met de gps-coördinaten; • indien het bouwwerk onderheid wordt: de kalenderstaten. Deze gegevens kunt u mailen naar: teamtoezichtenhandhaving@gemeentehw.nl Toekennen huisnummer Voor het pand kennen wij het volgende adres en huisnummer toe: - Reedijk 7s Heinenoord. Op de situatietekening in het seperaat besluit tot het vaststellen van een nummeraanduiding “Huisnummerbesluit” en op document “tekening- situatietekening huisnummerbesluit”ziet u de precieze locatie. Algemene regels Voorschriften die rechtstreeks uit wetten volgen moeten ook worden nageleefd. Enkele belangrijke regels vindt u terug in de bijlage.
Bijgevoegde documenten De volgende documenten maken onderdeel uit van het besluit en zijn als gewaarmerkt stuk bijgevoegd: • 41889G01___20201208_pdf 8 dec 2020 • 2016_emergency_responce_NEL_pdf dec 2016 • F_22038-3-RA_pdf 4 dec 2020 • 21172_0023_00_-_PGS35_checklist_pdf • list_-_Global_March_2020_pptx_rev_01_pdf • MEC-100216_pdf • MEC-100236_pdf • 2517264_pdf • 2517393_pdf • 2517466_pdf • GM0046349_pdf 1 feb 2012 • NL202009546-R20-774_pdf 25 sep 2020 • LP_20O027196_1_pdf • ment_Waterstofstation_Hoeksche_Waard_pdf 19 feb 2021 • 21172_0021_00_-_Planning_pdf • 2-02_1400_00_Brandveiligheidsconcept_pdf 18 dec 2021 • 21172_0022_00_BRZO_en_PGS15-toets_II_pdf • Motivatie_bestemmingsplan_pdf 23 jan 2021 • PID-100099_pdf • MEC-100406_pdf • SE011-MEC-0001_pdf • 2517278_pdf • 2522164_pdf • 2525569_pdf 5/60
• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
Rap204318versie20201218_pdf R1902687-01_pdf LI_20O027196_1_pdf 21172_0024_00_VGM_plan_template_pdf 21172_3001_03_-_Noodplan_pdf 21172_3000_00_-_Atex_Zoneringsplan_pdf 21172_0020_pdf Waterstof tankstation Heinenoord 01_Terreintekening_bestaand_20210309_pdf 21172-02_1110_00_Palenplan_20210120_pdf Advertising_sign_pdf Flagpole_pdf reactie op vragen 01_02_Terreintekening_nieuw_20210318_pdf ouwbesluittoetsingstekening_20210318_pdf 72-02_1121_02_OW_aanzichten_20210318_pdf 1172-02_1112_02_Plattegrond_20210318_pdf 172-02_1140_02_3D_Overzicht_20210318_pdf 72-02_1120_02_NZ_aanzichten_20210318_pdf 002_01_Bouwplaatsinrichting_20210318_pdf 172-02_1141_02_3D_Overzicht_20210318_pdf 3_Kabels_en_leidingtekening_20210318_pdf
18 dec 2021 22 okt 2019 17 mrt 2021 21 dec 2020 18 feb 2021 18 feb 2021 19 feb 2021 11 mrt 2021 25 jan 2021
18 mrt 2021 25 jan 2021 18 mrt 2021 18 mrt 2021 25 jan 2021 22 mrt 2021 18 mrt 2021 22 mrt 2021 22 mrt 2021 22 mrt 2021
U en andere belanghebbenden kunnen beroep instellen tegen ons besluit Is onze beslissing niet duidelijk of bent u het er niet mee eens? Of heeft u informatie waar wij geen rekening mee hebben gehouden? Bel dan met Miranda Notenboom-Bendanon. U bereikt haar op 088 647 12 31 en via miranda.notenboom@gemeentehw.nl. Als u belt, houd dan het kenmerk van deze brief bij de hand zodat wij u beter van dienst kunnen zijn. Indien u het niet eens bent met de inhoud van dit besluit, heeft u op basis van de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid om binnen zes weken na de dag van terinzagelegging van dit besluit daartegen een beroepschrift in te dienen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State In uw beroepschrift moet u in ieder geval de volgende gegevens vermelden: • naam en adres van de indiener; • de datum waarop u de brief verzendt (de dagtekening); • omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht; • de gronden van het beroep; • een ondertekening met naam en handtekening. Voor het in behandeling nemen van het beroepschrift is griffierecht verschuldigd.
6/60
Voorlopige voorziening Het indienen van een beroepschrift stelt het besluit niet uit. Een beroepschrift heeft namelijk geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit nu al geldt. Wilt u het besluit vanwege de spoedeisendheid laten uitstellen, dan kunt u een zogenaamde ‘voorlopige voorziening’ vragen. Het verzoek om voorlopige voorziening stuurt u naar de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een voorlopige voorziening kan alleen worden gevraagd als u ook een beroepschrift bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ingediend. Voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening brengt de Afdeling rechtbank kosten (griffierecht) in rekening. Met vriendelijke groet, Namens burgemeester en wethouders, Miranda Notenboom-Bendanon Senior vergunningverlener Wabo Deze beschikking is digitaal goedgekeurd en daarom niet persoonlijk ondertekend.
L et op: Als u na een jaar nieuwe bijlage(n) toevoegt aan uw Omgevingsloket zaak, dan komen deze niet meer binnen bij de gemeente Hoeksche Waard. De bijlage(n) dienen dan per email verzonden te worden aan: toezichtenhandhaving@gemeentehw.nl
7/60
Bijlage: Algemene regels • Laat ons schriftelijk en minimaal twee dagen voor aanvang weten dat u met de werkzaamheden begint. U kunt gebruikmaken van het bij deze vergunning gevoegde formulier. Voor het keuren van wapening vragen wij u contact op te nemen met het team Toezicht, via teamtoezichtenhandhaving@gemeentehw.nl of telefonisch 088 – 647 25 55. •
Laat ons ook schriftelijk weten wanneer u met de werkzaamheden stopt. Doe dit uiterlijk op de dag waarop de werkzaamheden worden beëindigd. Het gebouw of deel van het gebouw mag pas in gebruik worden genomen nadat burgemeester en wethouders hier toestemming voor hebben gegeven. Betreft het een woning? Dan kunt u zich pas inschrijven op het adres als het bouwwerk gereed gemeld is.
•
Geluidsoverlast: U gaat bouwen in de directe omgeving van bestaande panden. Daarom wijzen wij u op de regelgeving over geluidsoverlast bij heien (artikel 8.3 van het Bouwbesluit). In onderstaande tabel staan de grenswaarden voor geluidsproductie door bouw-en sloopwerkzaamheden. Deze grenswaarden mogen niet worden overschreden. Wij adviseren u dringend hiermee rekening te houden bij de keuze van het heisysteem. Doet u dat niet dan loopt u het risico dat de bouw wordt stilgelegd als niet aan de grenswaarden wordt voldaan. Treedt met ons in overleg bij twijfel.
•
Bouwbesluit artikel 8.3 Bouw- of sloopwerkzaamheden die een geluidniveau veroorzaken van ten minste 60 dB(A) op de gevel van een aangrenzende woonfunctie of van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel, worden op werkdagen en zaterdag tussen 7:00 uur en 19:00 uur uitgevoerd. Bij het uitvoeren van die werkzaamheden worden de in tabel 8.3 aangegeven dagwaarden en de bij die dagwaarden aangegeven maximale blootstellingsduur in dagen dat de dagwaarde is bereikt niet overschreden. •
Tabel 8.3
•
dagwaarde
•
≤ 60 dB(A)
•
maximale blootstellingsduur
•
onbeperkt
•
> 60 • dB(A)
> 65 • dB(A)
> 70 • dB(A)
> 75 – ≤ 80 dB(A)
•
50 • dagen
30 • dagen
15 • dagen
5 dagen
•
Zolang de bouwwerkzaamheden niet afgerond zijn, moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen worden toegestaan die de gemeentelijke toezichthouder in het kader van de controle op de naleving van de bouwverordening en het Bouwbesluit nodig vindt.
•
Als u gebruik wilt maken van de openbare weg, trottoirs, paden of openbaar groen (bijv. tijdelijke wegafsluitingen), moet u dit vooraf melden bij de gemeente. U kunt hiervoor contact opnemen met Andre Elsenaar van het team Verkeer. U kunt hem bereiken via andre.elsenaar@gemeentehw.nl. De melding is niet nodig als u deze plaatsen alleen gebruikt voor het kort laden en lossen van goederen.
•
Om te voorkomen dat leidingen en kabels worden beschadigd, is het verstandig tijdig contact op te nemen met de nutsbedrijven. Ook kunt u gebruikmaken van de diensten van het 'Kabels en Leidingen Informatie 8/60
Centrum' (KLIC), telefoonnummer (0800) 0080, om informatie in te winnen over mogelijke kabels en leidingen op de plaats waar u gaat graven. •
Het is nooit volledig uit te sluiten dat bij grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan. Op grond van artikel 5.10 van de erfgoedwet bent u verplicht deze vondsten te melden. U kunt dit melden bij het Team Toezicht via teamtoezichtenhandhaving@gemeentehw.nl of telefonisch 088 – 647 25 55.
9/60
Di t formulier ten minste twee d agen voor aanvang van de
FORMULIER AANVANG WERKZAAMHEDEN DOSSIERNUMMER: 2021-00416
w e rkzaamheden terugsturen naar: Gemeente Hoeksche Waard Team Toezicht en Handhaving Postbus 2003 2360 EA Oud-Beijerland Of per mail naar: toezichtenhandhaving@gemeentehw.nl
Aa nvrager: naam en voornamen straatnaam en huisnummer postcode en plaatsnaam telefoonnummer G egevens van het bouwwerk: omschrijving werkzaamheden adres bouwlocatie datum start bouw
: : : :
Everfuel NL 2020-I B.V. Van Heuven Goedhartlaan 13 D 1181 LE Amstelveen
: : :
het oprichten van een waterstof tankstation Sectie G perceelnummer 1956 in Heinenoord
Onderstaande alleen invullen als dit van toepassing is Uitzetten peil Uitzetten rooilijnen/bebouwingsgrenzen Moeten de erfgrenzen nog worden aangewezen? (dit geldt alleen als de gemeente grond aan u heef t verkocht) Start heiwerkzaamheden Wanneer wordt het beton van de fundering gestort? Op welke datum kan de wapening door Bouwen woningtoezicht worden gekeurd?
Datum: …………………… Tijdstip: ………………….. Datum:……………………. Tijdstip:…………………… ja nee
Datum: …………………… Tijdstip: ………………….. Datum: …………………… Tijdstip: ………………….. Datum: …………………… Tijdstip: …………………..
O ndertekening:
(plaatsnaam)
(datum)
(handtekening)
10/60
FORMULIER GEREEDMELDING DOSSIERNUMMER: 2021-00416
Di t formulier ten minste twee d agen voor afronding van de w e rkzaamheden terugsturen naar: Gemeente Hoeksche Waard Team Toezicht en Handhaving Postbus 2003 2360 EA Oud-Beijerland Of per mail naar: toezichtenhandhaving@gemeentehw.nl
Aa nvrager: naam en voornamen straatnaam en huisnummer postcode en plaatsnaam telefoonnummer
G egevens van het bouwwerk: omschrijving werkzaamheden adres bouwlocatie datum voltooiing werkzaamheden
: : : :
Everfuel NL 2020-I B.V. Van Heuven Goedhartlaan 13 D 1181 LE Amstelveen
: : :
het oprichten van een waterstof tankstation Sectie G perceelnummer 1956 in Heinenoord
Ondertekening:
(plaatsnaam)
(datum)
(handtekening)
11/60
Bijlage A
Deze bijlage is onderdeel van de beschikking op de aanvraag die is geregistreerd onder nummer: Z-21-388154
V oorschriften 1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN.............................................................................................. 13 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
2
AFVALSTOFFEN ................................................................................................................ 14 2.1
3
ENERGIEBESPARING ............................................................................................................................................ 16
EXTERNE VEILIGHEID ......................................................................................................... 18 5.1 5.2 5.3
6
DOELVOORSCHRIFT............................................................................................................................................ 15 BODEMONDERZOEK........................................................................................................................................... 15
ENERGIE .......................................................................................................................... 16 4.1
5
BEWAREN VAN AFVALSTOFFEN........................................................................................................................... 14
BODEM............................................................................................................................ 15 3.1 3.2
4
TERREIN VAN DE INRICHTING EN TOEGANKELIJKHEID........................................................................................... 13 INSTRUCTIES ....................................................................................................................................................... 13 MELDING EN WIJZIGING VERGUNNINGHOUDER.................................................................................................... 13 REGISTRATIE ....................................................................................................................................................... 14 BEDRIJFSBEËINDIGING ........................................................................................................................................ 14
OPSLAG EN AFLEVERING WATERSTOF.................................................................................................................. 18 SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN LEVEREN EN GEBRUIK WATERSTOF.......................................................................... 34 BRANDBESTRIJDING ........................................................................................................................................... 35
GELUID ............................................................................................................................ 37 T OETSING QRA................................................................................................................................................................ 46
12/60
1
AL GEMENE VOORSCHRIFTEN
1.1 T errein van de inrichting en toegankelijkheid 1.1.1 Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: a. alle gebouwen, installaties en leidingen met hun functies; b. alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid. c. alle opslagen van gevaarlijke stoffen met vermelding van de aard van de stof overeenkomstig de ADR/CLP classificatie-indeling en de maximale hoeveelheden. 1.1.2 De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. 1.1.3 Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen. 1.1.4 De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting en de uit te voeren werkzaamheden moeten zodanig zijn afgeschermd, dat geen directe lichtstraling op gevoelige objecten plaatsvindt die buiten de inrichting gelegen zijn.
1.2 Instructies 1.2.1 De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen. 1.3 M elding en wijziging vergunninghouder 1.3.1 De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag. 1.3.2 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar of gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld. 1.3.3 Indien zich binnen de inrichting een ongewoon voorval voordoet als bedoeld in artikel 17.1 Wet milieubeheer dient hiervan conform artikel 17.2 Wet milieubeheer zo spoedig mogelijk mededeling te 13/60
worden gedaan aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17.2 Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld schriftelijk te bevestigen. 1.4 Registratie 1.4.1 Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: a. alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen; b. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; c. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; d. de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik; e. de registratie van bedrijfsafvalstoffen. De documenten genoemd onder c en onder d moeten ten minste vijf jaar worden bewaard. 1.4.2 Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
1.5 Bedrijfsbeëindiging 1.5.1 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd. 1.5.2 Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
2
AFVALSTOFFEN
2.1 Bewaren van afvalstoffen 2.1.1 Het bewaren en het afvoeren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze geschieden; van afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden. 2.1.2 Het bewaren en afvoeren van afvalstoffen moet zodanig geschieden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. 2.1.3 Het in de inrichting vrijkomende bedrijfsafval moet worden bewaard in doelmatige, goed gesloten afvalcontainers.
14/60
2.1.4 Gevaarlijke afvalstoffen moeten, in afwachting van vervoer uit de inrichting, gescheiden naar soort worden bewaard in een goed gesloten doelmatige verpakking. In de inrichting ontstane gevaarlijke afvalstoffen mogen niet met andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere stoffen worden vermengd of gemengd. 2.1.5 Gevaarlijke afvalstoffen moeten zo vaak als nodig en ten minste éénmaal per jaar uit de inrichting worden afgevoerd. 2.1.6 De in de inrichting vrijkomende afvalstoffen moeten met het oog op nuttige toepassing zoveel mogelijk naar soort worden gescheiden, verzameld, bewaard en afgevoerd. Dit geldt in ieder geval voor de volgende afvalstoffen: • papier en karton; • overige bedrijfsafvalstoffen; • overige gevaarlijke afvalstoffen (waaronder klein gevaarlijke afval (KGA)). Hiervan mag worden afgeweken als onvoldoende afzetmogelijkheden voorhanden zijn ofwel als afvoer alleen mogelijk is tegen onevenredig hoge kosten. Een verzoek hiertoe kan ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. 2.1.7 De vergunninghouder is verplicht voor de in voorschrift 2.1.6 genoemde stromen binnen de inrichting een structuur van inzamelmiddelen in te richten waarmee een optimaal scheidingsresultaat kan worden behaald. 2.1.8 De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen.
In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
3
BODEM
3.1 Do elvoorschrift 3.1.1 Het bodemrisico van de in paragraaf 7.1 van het Rapport "vergunningstraject waterstoftankstation te Heinenoord, Viro, kenmerk 21172_0020 en datum 21-12-2020 beschreven bodembedreigende activiteiten moet door het treffen van een combinatie van maatregelen en voorzieningen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico zoals gedefinieerd in de NRB. 3.2 Bodemonderzoek 3.2.1 Een tussentijds onderzoek ter vaststelling van de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd op aanwijzing van het bevoegd gezag nadat een redelijk vermoeden van bodemverontreiniging is ontstaan. 3.2.2 Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het tussentijds onderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek, mits dat onderzoek correct is uitgevoerd. Als het nulsituatie onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het tussentijdsonderzoek 15/60
betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden. 3.2.3 Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen – binnen drie maanden nadat voornoemde rapportage is overgelegd – nadere eisen worden gesteld door het bevoegd gezag; inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt. 3.2.4 Binnen drie maanden na beëindiging van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resul taten moeten uiterlijk 1 maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek, mits dat onderzoek correct is uitgevoerd. Als het nulsituatie onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het eindonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. 3.2.5 Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.
3.2.6 Indien uit het onderzoek, bedoeld in de voorschriften 3.3.1 en 3.3.4 dat de bodem a ls gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na toezending van dat rapport danwel binnen een met het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie zoals vastgelegd in het onderzoek als bedoeld in rapport RPS, Bodemonderzoek Kadastraal perceel G1927, kenmerk NL202009546-R20-774 en datum 25 september 2020. 3.2.7 Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. 4
ENERGIE
4.1 Energiebesparing 4.1.1 Vergunninghouder neemt ten minste alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Toelichting: Met energiebesparende maatregelen wordt in ieder geval bedoeld, die maatregelen die zijn genoemd in de erkende maatregelenlijsten en de doelmatige beheer en onderhoud maatregelenlijsten. Deze zijn te vinden op de site van infomil. Energiebesparende maatregelen kunnen worden genomen op een zelfstandig vervangingsmoment of een natuurlijk vervangingsmoment. Zelfstandig vervangingsmoment: het moment van vervangen van een installatie op een onafhankelijk moment. De terugverdientijd wordt berekend op basis van de totale investering. Natuurlijk vervangingsmoment: het moment van vervangen van een installatie wanneer 16/60
deze kapot of afgeschreven is, of bij een grootschalige renovatie of verbouwing. Hierbij wordt de terugverdientijd berekend op basis van meerkosten van de investering van een energiezuinig alternatief. 4.1.2 Energiebesparende maatregelen kunnen worden uitgewisseld tegen een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Toelichting: Onder gelijkwaardig alternatief wordt verstaan dat de maatregel minstens evenveel bijdraagt aan verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting groter dan die van de vervangen maatregel. 4.1.3 Binnen zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden, moet een rapportage van een energiebesparingsonderzoek aan het bevoegd gezag worden aangeboden. Het onderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren.
4.1.4 De rapportage moet ten minste de volgende gegevens bevatten: a) een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (eventueel per bedrijfsonderdeel); b) een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van het totale object met een toedeling van ten minste 90% van het totale energiegebruik aan individuele installaties en (deel)processen; c) een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) ook op het gebied van de toepassing van duurzame energie, die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn, vastgesteld voor de installaties en (deel)processen die volgens de energiehuishouding tezamen ten minste een 90% bijdrage in het totale verbruik hebben.
Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd; d) per maatregel (techniek/voorziening): • de jaarlijkse energiebesparing; • de besparing CO2 emissie; • de (meer) investeringskosten; • de verwachte economische levensduur; • de jaarlijkse besparing op de energiekosten op basis van de energietarieven die tijdens het onderzoek gelden; • een schatting van eventuele bijkomende kosten en baten anders dan samenhangende met energiebesparing; • de onderbouwing en de conclusie dat de maatregel rendabel of niet rendabel is; e) een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en goodhousekeeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing. f) een energie uitvoeringsplan voor de energiebesparende maatregelen. In het energie uitvoeringsplan is een planning opgenomen, waarin ten minste voor alle rendabele maatregelen (technieken en voorzieningen) is aangegeven wanneer die zullen worden getroffen. Als er rendabele maatregelen zijn die niet zullen worden uitgevoerd, dan wordt dat in het plan gemotiveerd. 17/60
Toelichting: Ondergenoemde gevallen kunnen invulling geven aan de in voorschrift 4.1.3 bedoelde rapportage van het energiebesparingsonderzoek: Inrichting heeft een energie-audit1 verslag ter beschikking gesteld die minder dan vier jaar geleden is opgesteld. Inrichting heeft door het bevoegd gezag goedgekeurd energiebesparingsonderzoek ter beschikking die minder dan vier jaar geleden in opgesteld. Inrichting is gecertificeerd of heeft een duurzaam keurmerk dat door het bevoegd gezag is goedgekeurd. Het bevoegd gezag van de WABO beoordeeld of bovenstaande gegevens in voldoende mate invulling geven aan de in voorschrift 4.1.3 bedoelde rapportage. Met energie-audit verslag wordt bedoeld: het verslag opgesteld vanuit de verplichting Tijdelijke Regeling Implementatie artikel 8 en 14 Richtlijn Energie Efficiency, ook wel EED genoemd. 'Rendabele maatregelen' zijn tenminste de maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of m inder. 4.1.5 Vierjaarlijks dient het energiebesparingsonderzoek of het document ter invulling van het energiebesparingsonderzoek te worden geactualiseerd en ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
4.1.6 Bij de aanschaf van energieverbruikers (verwarmingstoestellen, verlichting, machines, apparaten, transportmiddelen en dergelijke), de wijze van bedrijfsvoering, de opzet en/of het wijzigen van processen, dient zorg te worden gedragen aan het zuinig omgaan met energie. 4.1.7 Het energiegebruik van de inrichting dient elk jaar te worden geregistreerd. Uit de registratie dient te blijken wat het elektriciteitsgebruik is (in kWh), het aardgasgebruik (in m 3 ) en het gebruik van eventuele andere energiedragers. 5
EXTERNE VEILIGHEID
5.1
Opslag en aflevering waterstof
5.1.1 De waterstof installatie moet voldoen aan de paragrafen: 7.4, 7.5.1 t/m 7.5.4, 7.5.6, 7.5.7, 7.6, 7.7 en 7.8 van de PGS 35 (PGS35:2020 versie 0.2 (april 2020). Deze paragrafen zijn hieronder tekstueel vermeld. 5.1.2 Er is een basisveiligheidsniveau aanwezig dat bestaat uit: a. alle beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn; b. maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen; c. good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Toelichting Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet; 18/60
d.
maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.
Toelichting: De scenario’s in deze PGS zijn gebaseerd op deze basisveiligheid. Deze maatregelen zijn een eerste ‘line of defense’ om te voorkomen dat relatief kleine incidenten zich ontwikkelen tot grote incidenten. 5.1.3 Bij stroomuitval bevinden afsluiters zich in de veilige stand. 5.1.4 De waterstofinstallatie moet voldoen aan de relevante essentiële eisen uit bijlage 1 van de Richtlijn drukapparatuur (PED). Toelichting: De fabrikant toont aan dat de waterstofinstallatie voldoet aan de essentiële eisen van de PED door: • het aanbrengen van CE-markering op de installatie of op de kenplaat, • het opstellen van een EG-verklaring van overeenstemming waarin de fabrikant verklaart dat de installatie voldoet aan de PED 97/23/EG voor installaties die zijn geleverd vóór 19-07- 2016, óf een EUconformiteitsverklaring waarin de fabrikant verklaart dat de installatie voldoet aan de PED 2014/68/EU voor installaties die zijn geleverd ná 19 juli 2016, en • het meeleveren van een gebruikershandleiding met daarin instructies en informatie aangaande de veiligheid. Deze handleiding is opgesteld in de Nederlandse taal. 5.1.5 Voordat een nieuwe waterstofinstallatie in gebruik wordt genomen wordt de aangewezen drukapparatuur gekeurd door een NL-CBI. Bij goedkeuring wordt een verklaring van ingebruikneming (VVI) afgegeven. Niet-aangewezen drukapparatuur wordt gekeurd door een deskundige.
Toelichting: Dit betreft het gebruik van de waterstofinstallatie, zie ook 7.2. Bij de Keuring voor Ingebruikneming controleert de NL-CBI: • of de waterstofinstallatie overeenkomt met de documentatie van de fabrikant en de gegevens op de kenplaat; • de uitwendige toestand van de waterstofinstallatie; • de werking van de veiligheidsappendages en onder druk staande appendages; • de plaats van opstelling van de waterstofinstallatie. Daar waar in deze maatregel de NL-CBI wordt genoemd, kan ook de NL-KVG (keuringsdienst van gebruikers) worden gelezen. 5.1.6 De waterstofinstallatie wordt tijdens normale bedrijfsvoering belast binnen de ontwerpgrenzen. Als de ontwerpgrenzen worden overschreden, wordt de waterstofinstallatie automatisch in een veilige toestand gebracht.
19/60
5.1.7 Een compressor voldoet aan NEN-EN 1012-3. Een compressor heeft in elk geval een voorziening die de compressor uitschakelt zodra de druk aan de zuigzijde daalt tot onder de minimale aanvoerdruk. Een compressor heeft een voorziening die tijdens de startprocedure, de stopprocedure, onder normale bedrijfsomstandigheden en gedurende de stand-by-opstelling waarborgt dat een waterstofdruk tussen de inlaatafsluiter en de zuigzijde van de compressor wordt gehandhaafd die hoger is dan de atmosferische druk. Bij een te lage aanvoerdruk moet de compressor automatisch stoppen. Toelichting: De fabrikant van de compressor behoort in zijn risicoanalyse alle risico’s in het pakket van de compressor te behandelen. Dit is vermeld in 5.1 en 5.4.1 van NEN-EN 1012-3:2013. 5.1.8 Onderdelen van de waterstofinstallatie zijn voorzien van een doelmatige fundering. Toelichting: De mate van fundering is sterk afhankelijk van de bodemgesteldheid ter plaatse en het risico op verzakking. 5.1.9 De waterstofinstallatie is zo uitgevoerd dat het binnendringen van zuurstof in waterstofvoerende delen niet mogelijk is. Toelichting: In het ontwerp is het binnendringen van zuurstof in waterstofvoerende delen al beoordeeld. Het overleggen van het bewijs van het ontwerp door een EU-CBI is hierbij voldoende. 5.1.10 Maatregelen om het ophopen van waterstof te voorkomen zijn toegepast.
Toelichting: Als explosieve atmosferen kunnen voorkomen, behoort op grond van ATEX een gevarenzone-indeling te worden gemaakt. Het risico op ophoping is relevant in kruipruimtes, serviceruimtes en onder overkappingen van de waterstofinstallatie. Dak- en kapconstructies waaronder zich vrijgekomen waterstof kan ophopen, behoren te worden voorkomen. Natuurlijke of geforceerde (mechanische) ventilatie (zie NEN EN-IEC 60079-10-1 of NPR 7910-1) heeft invloed op de ATEX-zone. Op plaatsen waar ventilatie moeilijk is of niet voldoende kan worden gegarandeerd, behoort een detectiesysteem te worden aangebracht op grond van M41 (Gasdetectie – Locaties in afwezigheid van personeel). 5.1.11 Op de opslag van waterstof zijn de eisen uit het WBDA 2016 van toepassing. Voor de verrijdbare eenheden die de waterstof aanleveren, gelden de ADR-voorschriften. Ook als deze worden gebruikt als mobiele opslag. 5.1.12 De draagconstructie van de waterstofopslag bezwijkt tijdens een normale brand niet binnen 60 min, bepaald volgens NEN-EN 1363-1. Toelichting: De brandwerendheidsklasse voor draagconstructies wordt uitgedrukt met letter R gevolgd door een waarde. Een waarde van R60 houdt in dat de constructie zijn draagvermogen een uur lang weet te behouden tijdens 20/60
een normale brand. Geadviseerd wordt om ook ISO 22899-1 te hanteren, voor de bepaling van de bestendigheid van passieve brandbescherming van materialen, tegen invloeden van fakkelbranden. 5.1.13 De opslagtank voor vloeibare waterstof is geplaatst op een ondergrond die is vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Toelichting: De reden voor deze eis is dat de kans bestaat dat er gecondenseerd zuurstof op de ondergrond kan komen tijdens het afblaas- en/of het vulproces. Beton of straatklinkers zijn voorbeelden van een onbrandbare ondergrond. Asfalt is niet geschikt omdat dit niet als onbrandbaar geldt, vooral in situaties waar zuurstofverrijking zou kunnen optreden. 5.1.14 De waterstofinstallatie wordt tijdens normale bedrijfsvoering belast binnen de ontwerpgrenzen. Als de ontwerpgrenzen worden overschreden, wordt de waterstofinstallatie automatisch in een veilige toestand gebracht. Toelichting: Een vermoeden van overeenstemming met het WBDA 2016 kan worden verkregen als de opslagtank voldoet aan NEN-EN 13458-1 en NEN-EN 13458-2. 5.1.15 De opslagtank is bestand tegen de omgevingstemperatuur volgens het WBDA 2016. Toelichting: Een opslagtank voor de opslag van waterstof is bestand tegen een omgevingstemperatuur die ligt tussen –20 °C en +40 °C. In het ontwerp behoort rekening te worden gehouden met eventuele directe zonnestraling.
5.1.16 De veiligheidseisen aan een tankwagen of batterijwagen zijn vastgelegd in het ADR. Op grond van het ADR gebeurt het vullen van de waterstofopslag onder verantwoordelijkheid van de chauffeur. Als het voertuig langer dan nodig voor het aanleveren op het tankstation aanwezig is, dan volgt uit het ADR dat het voertuig niet onbeheerd mag worden achtergelaten. 5.1.17 De losplaats voor het aanleveren van vloeibare waterstof is voorzien van een onbrandbare ondergrond Toelichting: Beton of straatklinkers zijn voorbeelden van een onbrandbare ondergrond. Asfalt is niet geschikt omdat dit brandbaar is. 5.1.18 Bij het vulpunt is een noodstopvoorziening aanwezig. De noodstopvoorziening zorgt ervoor dat na activeren de installatie wordt geblokkeerd en het vullen wordt gestopt. 5.1.19 Bij een tankzuil is een noodstopvoorziening aanwezig. De noodstopvoorziening zorgt ervoor dat na activeren de installatie wordt geblokkeerd en het tanken wordt gestopt. De noodstopvoorziening zit zo dicht mogelijk bij de tankzuil en nooit verder dan op 10 m afstand van de tankzuil. 21/60
5.1.20 Elke afleverslang is voorzien van een breekkoppeling. Deze breekkoppeling onderbreekt de uitstroom van waterstof automatisch als een voertuig of werktuig wegrijdt met aangekoppelde afleverslang. De breekkoppeling voldoet aan de volgende eisen: • de elektrische weerstand tussen de delen van de losbreekkoppeling in gekoppelde toestand is niet meer dan 1000 ohm; • de trekkracht om de losbreekkoppeling te activeren mag maximaal 1000 N (100 kg) bedragen, gemeten onder de meest ongunstige hoek en in elke mogelijke richting waarin deze trekkracht op de slang kan worden uitgeoefend; • de minimumtrekkracht is 250 N (25 kg); • de vulslang en de slangverbindingen moeten een minimumtreksterkte in de lengterichting hebben van driemaal de verbreekkracht van de losbreekkoppeling. 5.1.21 Leidingen en verbindingselementen vallen onder het WBDA 2016. In deze paragraaf staan alleen aanvullende maatregelen. Op grond van het WBDA 2016 moeten leidingen zijn gemarkeerd, waarbij in elk geval het te transporteren product en de stromingsrichting leesbaar zijn aangegeven. Het valt onder goed vakmanschap dat de instructie van leveranciers van materialen wordt gevolgd en dat leidingen vrij zijn van barsten, plooien, scheuren, zwellingen, kronkels en andere defecten.
5.1.22 Leidingen en verbindingselementen zijn lekdicht voor waterstof en naadloos uitgevoerd en bestaan uit materiaal dat geschikt is voor waterstof volgens het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Toelichting: De lekdichtheid van leidingen kan worden aangetoond met bijvoorbeeld een heliumlektest of een gasmengsel van waterstof en stikstof. 5.1.23 Ondergrondse leidingen zijn: • van corrosiebestendig materiaal of beschermd tegen corrosie; • gelegd in een laag schoon zand van ten minste 10 cm dikte; • ingegraven met een gronddekking van ten minste 60 cm; • bovengronds gemarkeerd; • doelmatig beschermd tegen mechanische invloeden. Toelichting: Schoon zand is vrij van stenen en andere harde voorwerpen. Bescherming tegen corrosie is niet nodig als de leidingen bestaan uit corrosiebestendig materiaal. Bescherming tegen corrosie kan met een kathodische bescherming, coating of kunststof mantel. Waterstof is niet bodembedreigend. Aan de eisen is voldaan als de ondergrondse leidingen zijn geïnstalleerd volgens BRL-K901 en de uitwendige bekleding tijdens het aanvullen van de leidingsleuven is gecontroleerd met een stroommeting volgens BRL-K901. Bovengronds geplaatste massa's, zoals auto’s of stempels van een mobiele kraan, zijn van invloed op de mechanische belasting.
22/60
5.1.24 Ondergrondse leidingen voor transport van vloeibare waterstof zijn zo aangelegd dat thermische rek en krimp mogelijk zijn. Een mantelbuis is grondwaterdicht en aan de uiteinden open en regenwerend uitgevoerd. Een goot of betonnen bak is droog en toegankelijk voor visuele inspectie. Toelichting: Bij ondergrondse leidingen voor vloeibare waterstof kunnen bevriezingsverschijnselen van de bodem een effect hebben op de beperking van de thermische krimp van de leiding. Dit betekent dat een leiding nooit rechtstreeks in de grond mag worden gelegd. Een leiding wordt in een mantelbuis of goot of betonnen bak gelegd. In het ontwerp behoort hiermee rekening te worden gehouden. 5.1.25 De afzonderlijke insluitsystemen van een waterstofinstallatie, waarin een druk kan ontstaan die hoger is dan de ontwerpdruk van die onderdelen, moeten zijn voorzien van een doelmatige overdrukbeveiliging. Toelichting: De afblaasveiligheidsvoorziening voor beveiliging tegen overdruk, evenals de overige leidingen en appendages waaruit waterstof kan ontsnappen, kunnen elk zijn voorzien van een afblaasleiding mits van voldoende capaciteit. Het WBDA 2016 stelt eisen aan de veiligheidsappendages, waaronder de drukontlastvoorzieningen. Dit wordt gecontroleerd door de EU-CBI tijdens de fabricage. Zie ook MW3 (Eisen drukapparatuur).
Deze eisen zijn een invulling van de eisen in artikel 4, lid 1 van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. 5.1.26 Een afblaasvoorzieningen is uitgevoerd volgens het WBDA 2016. Een afblaasvoorziening: • heeft voldoende capaciteit; • kan niet worden afgesloten; • is tegen weersinvloeden en inregenen beschermd; • is van een materiaal dat geschikt is voor de toepassing en condities (druk en temperatuur); • is verankerd en tegen mechanische beschadiging beschermd; • is voorzien van een mogelijkheid om gecondenseerd water te kunnen aftappen; • blaast af op een veilige locatie. Toelichting: Deze eisen geven invulling aan de eisen in artikel 4, lid 1 van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. 5.1.27 Een drukontlastingsklep heeft een certificaat. Op dit certificaat staat het volgende vermeld: merk, type, fabricagenummer, testdatum en ingestelde druk. Toelichting: De PED stelt eisen aan de veiligheidsappendages. Dit wordt gecontroleerd door de EU-CBI tijdens de fabricage. Deze eisen zijn een invulling van de eisen in artikel 4, lid 1 van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. 5.1.28 Drukontlastingskleppen en afblaasvoorzieningen zijn zo geplaatst dat ze zonder hinder kunnen afblazen naar de buitenlucht. Voorkomen wordt dat vloeibare of gasvormige waterstof kan neerslaan op de waterstofopslag en op belendende percelen of op personen.
Drukontlastingskleppen en afblaasvoorzieningen zijn zo geplaatst dat er geen vochtophoping kan ontstaan. 23/60
Toelichting: De PED stelt eisen aan de veiligheidsappendages. Dit wordt gecontroleerd door de EU-CBI tijdens de fabricage. Deze eisen zijn een invulling van de eisen in artikel 8 van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. 5.1.29 Voor een voertuig dat waterstof aanlevert, is voldoende ruimte aanwezig om af en aan te rijden, te manoeuvreren en te parkeren. Toelichting: Het valt onder de verantwoordelijkheid van de chauffeur om zich te houden aan de werkinstructie voor het aanleveren en om de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen. 5.1.30 Het aanleveren van waterstof is vastgelegd in een werkinstructie. Deze werkinstructie omvat in elk geval: • de te volgen stappen voor het veilig aanleveren van waterstof; • hoe wordt voorkomen dat het voertuig tijdens het aanleveren kan wegrijden; • het opstellen in de wegrijrichting; • maatregelen bij het aan- en afkoppelen; • het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen; • het afzetten van de locatie. De werkinstructie is altijd beschikbaar tijdens het aanleveren van waterstof. Toelichting: Het valt onder de verantwoordelijkheid van de chauffeur om zich te houden aan de werkinstructie voor het aanleveren en om de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen. 5.1.31 Tussen vulpunt en tankwagen of batterijwagen zijn geen belemmeringen aanwezig. 5.1.32 De maximumslanglengte tussen vulpunt en de aansluiting op de tankwagen of batterijwagen is 5 m.
Als de losslangen op het terrein blijven, zijn deze weggeborgen zodat er geen vuil in kan binnendringen. 5.1.33 De koppeling van de losslang is geschikt voor de koppeling van het vulpunt. Toelichting: Deze maatregel is opgenomen omdat koppelingen van de losslang kunnen verschillen per leverancier van waterstof. Bij niet-passende koppelingen mag niet worden gelost. 5.1.34 De voorwaarden voor temperatuur en druk van de af te leveren waterstof staan in een protocol. Als de af te leveren waterstof niet voldoet aan deze voorwaarden wordt de levering automatisch stopgezet. Toelichting: SAE J2601 is het hiervoor in de praktijk toegepaste protocol. In het protocol staan voorwaarden zoals brandstoftemperatuur, de maximale brandstoftoevoer en de snelheid van de drukverhoging en einddruk. 24/60
Deze worden beïnvloed door factoren zoals omgevingstemperatuur, brandstofleveringstemperatuur en begindruk in de brandstoftank van het voertuig of werktuig. Als bij gebruik van waterstofbundels sprake is van een lagere druk dan de maximaal toegestane druk van de brandstoftank, dan is het automatisch stopzetten van de levering geen noodzaak, omdat het systeem nooit over de maximaal toegestane druk kan komen. In het hiervoor te hanteren protocol staat beschreven dat de maximumdruk van de waterstofbundel nooit de maximaal toegestane druk van de brandstoftank overschrijdt. 5.1.35 Het inpandig afleveren van waterstof is alleen toegelaten voor het afleveren aan werktuigen. 5.1.36 Het is niet toegelaten om gasflessen en wisselreservoirs te vullen met waterstof. 5.1.37 De waterstofinstallatie moet goed toegankelijk en bereikbaar zijn voor het gebruik en uitvoeren van onderhoud, onderzoek, inspectie, reparatie en keuringen. 5.1.38 Voldaan is aan de eisen in het Arbobesluit voor de beheersing van gevaar vanwege explosieve atmosferen 5.1.39 Het beheer van de waterstofinstallatie wordt uitgevoerd door een persoon die aantoonbaar deskundig is. 5.1.40 Op locaties waar de kans bestaat op lekkage en ophoping van waterstof waardoor ontoelaatbare concentraties waterstof kunnen ontstaan, zijn gasdetectoren aanwezig die continu de concentratie waterstof meten.
Gasdetectoren zijn in elk geval aanwezig in de tankzuil. Bij 10 % LEL ontvangt degene die de activiteit verricht, een automatische waarschuwing. Bij 20 % LEL wordt de noodstopvoorziening zoals bedoeld in M46 (ESD-voorziening) geactiveerd. Toelichting: Deze maatregel is alleen van toepassing op onbemande situaties. Voor situaties waarbij werknemers aanwezig zijn, gelden de eisen voor gevaar voor brand en explosie die staan in het Arbobesluit, artikel 3.5g: Gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie. De uitgangspunten van het ontwerp bepalen de praktische uitvoering van de installatie en het type detectie. NPR 7910-1 beschrijft op welke locaties de kans op lekkage het grootst is. Welke locaties dit zijn, moet blijken uit de risicoanalyse. Werknemers worden optisch of akoestisch gewaarschuwd bij 10 % LEL. De detectie kan bijvoorbeeld een ventilator activeren of een hoofdafsluiter laten sluiten, waarmee wordt voorkomen dat er een concentratie boven de LEL ontstaat. Met het aanbrengen van gasdetectie vervalt niet de plicht tot ATEX-zonering. Ook passieve detectie, bijvoorbeeld door verkleuring van de laklaag op een leiding, kan een indicatie zijn van een lekkage. Dergelijke vormen van detectie kunnen alleen functioneren door routinematige controles van de desbetreffende leidingen uit te voeren.
5.1.41 Het gasdetectiesysteem wordt geïnstalleerd, geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een deskundige op het gebied van gasdetectiesystemen.
25/60
5.1.42 Op locaties waar hoge temperaturen kunnen worden verwacht, worden continu temperatuurmetingen verricht. Temperatuurdetectie is in elk geval aanwezig nabij de waterstofopslag en nabij de tankzuil. Bij meting van een temperatuur boven de 70 °C worden de volgende maatregelen genomen: • automatische activering van de ESD-voorziening; • onmiddellijk stoppen met de aflevering van waterstof; • akoestische en optische signalering; • automatische doormelding naar de beheerder van de waterstofinstallatie. Toelichting: Hoge temperaturen kunnen bijvoorbeeld ontstaan door brand van lekkend waterstofgas of brand in de directe omgeving. 5.1.43 Het temperatuurdetectiesysteem wordt geïnstalleerd, geïnspecteerd, onderhouden en getest volgens de voorschriften van de fabrikant, met inachtneming van de aanwijzingen in de toepasselijke onderhoudsnormen (indien beschikbaar). Een controle wordt uitgevoerd door een deskundige op het gebied van temperatuurdetectiesystemen. 5.1.44 Er is 24/7 een deskundig persoon bereikbaar. Deze persoon: • is aantoonbaar deskundig op het gebied van de installatie; • wordt gealarmeerd bij storingen en calamiteiten; • kan storingen en calamiteiten interpreteren; • kan noodzakelijke acties in gang zetten.
Op een veilig toegankelijke plaats nabij de waterstofinstallatie zijn instructies aangebracht (eventueel in de sleutelkluis) met het telefoonnummer waarop de desbetreffende deskundige persoon bereikbaar is. Toelichting: De noodzakelijke acties zijn het alarmeren van de juiste hulpdiensten of technische ondersteuning. De deskundige persoon kan deze hulpdiensten de informatie verstrekken die nodig is voor de inschatting van het gevaar en benodigde inzet. Leden van hulpverleningsdiensten verrichten geen bedieningshandelingen aan de waterstofinstallatie (behalve het indrukken van de noodstop). 5.1.45 De waterstofinstallatie is voorzien van een ESD-voorziening. De ESD-voorziening zorgt ervoor dat: • de aflevering van waterstofgas onmiddellijk wordt stopgezet door het automatisch sluiten van de • toevoerklep in de tankzuil, en; • de compressor en bijbehorende leidingen naar de tankzuil worden afgesloten. Toelichting: Deze voorzieningen zijn noodzakelijk om in noodgevallen de tankzuil automatisch uit te schakelen. 5.1.46 Alle ESD-afsluiters zijn voorzien van een open-en-dichtstandaanwijzer en sluiten automatisch binnen maximaal 5 s na het wegvallen van de bekrachtiging of na activering van de ESD- voorziening.