bijlage 6a. OBP Langeweg 12 Oud-Beijerland toelichting en regels versie 30-05-2023
Tekst van het document
Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. Met ingang van deze Regionale Woonvisie worden nieuwe woningbouwplannen uitsluitend nog uitgewerkt tot gasloze, energie neutrale projecten. Dit vraagt om maatwerk en flexibiliteit in de ontwerpfase. Vanuit de Energievisie worden in samenwerking met Stroomversnelling criteria uitgewerkt die kaderstellend worden voor alle nieuwe projecten. Regionaal wordt expertise georganiseerd die projectleiders op dit thema ondersteunt in de samenwerking en onderhandeling met de ontwikkelende partij. Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie.
Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van Zuid-Holland. Wateroverlast door overvloedige neerslag In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er wordt rondom het woongebouw groen aangelegd. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Overstroming In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.
Toelichting
27
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. In het plangebied is er op de Kaart Hitte geen knelpunt voor hittestress. Rondom het woongebouw worden nieuwe bomen en beplanting geplant voor meer schaduwwerking. Er zijn verder geen maatregelen nodig. Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. Het appartementengebouw daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Toetsing planinitiatief Er is onderzoek uitgevoerd naar realisatie van de gemeentelijke ambitie voor een appartementengebouw met Nul-Op-de-Meter (NOM). Uit de notitie van ZRI van 17 februari 2023 blijkt dat als naast energiezuinigheid, ook de doelmatigheid, esthetische kwaliteit en kosten meewegen bij het vaststellen van de uitgangspunten van een project, het lastig is om met een appartementengebouw NOM te realiseren. (De notitie is opgenomen in Bijlage 2.) Met het voorlopige ontwerp van het woongebouw is het de verwachting dat met het toepassen van alle wenselijke uitgangspunten, zoals beschreven in het rapport, NOM niet haalbaar is.
Dit heeft enerzijds te maken met het feit dat er bepaalde (bouwkundige) uitgangspunten gehanteerd zijn om de (financiële) haalbaarheid van het project te waarborgen. Anderzijds heeft dit te maken met de ontwerpuitgangspunten die gehanteerd zijn om het gewenste woningprogramma van goedkope en middeldure appartementen te realiseren. Partijen zijn hierna overeengekomen dat de woningen in het project gasloos en bijna energie-neutraal worden gebouwd overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Dit betekent dat de woningen een neutraal 'gebouw gebonden' energiegebruik hebben. Bovenop wat er gedaan wordt voor BENG wordt er ingezet op betere isolatie onder andere van glas en dak en daarnaast wordt het aantal zonnepanelen uitgebreid tot het maximaal mogelijke op het dak. Daarnaast wordt er ook op de andere thema's binnen duurzaamheid de nodige maatregelen uitgevoerd op het gebied van biodiversiteit, klimaatadaptatie en circulair bouwen zoals genoemd in het Beeldkwaliteitsplan. De ambitie om energieneutraal te zijn is niet haalbaar vanwege het feit dat het hoogbouw is en dat er ook voldaan moet worden aan andere eisen. Conclusie Bij uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de door de regio en gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen en klimaatadaptatie.
4.3.4 Welstandsbeleid Het welstandsbeleid van de gemeente Hoeksche Waard is vastgelegd in de 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hoeksche Waard 2020', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2020. In deze nota zijn criteria opgenomen voor de welstandsbeoordeling voor aanvragen om omgevingsvergunningen. De nota is maakt onderscheid in verschillende gebiedstypen. Oud-Beijerland maakt onderdeel uit van een voorstraatdorp. Het plangebied zelf heeft de aanduiding 'bedrijven'. De essentie van een gebiedsgericht beleid voor het uiterlijk van bouwwerken is een zorgvuldige gebiedsindeling en een hierop afgestemd selectief beleid. In de ruimtelijke analyse en visie is een beeld geschetst van de belangrijkste gebiedseigen ruimtelijke eigenschappen en beeldkwaliteit aspecten binnen de Hoeksche Waard. Op basis daarvan is het grondgebied opgedeeld in ruimtelijk/morfologisch of functioneel samenhangende deelgebieden. Afhankelijk van de waarde en de gevoeligheid van het gebied en de betekenis voor het collectieve beeld van de gemeente is voor elk deelgebied een niveau vastgesteld voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken. Het beoordelingsniveau van het plangebied is 'regulier'. Het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en de beoordeling over het uiterlijk van bouwwerken dienen gericht te zijn op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden.
Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De criteria voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken beschrijven daarom de basiskwaliteiten van deze gebieden. In de Hoeksche Waard zijn dit meer de
28
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
naoorlogse planmatige uitbreidingen bij de dorpen, sport- en recreatiegebieden en bedrijfsterreinen, mits deze niet grenzen aan het buitengebied of andere bijzondere gebieden. Voor deze zogenaamde randen zal altijd extra aandacht besteed moeten worden aan de architectonische kwaliteit van klein- en grootschalige ontwikkelingen of toevoegingen. Naast algemene beoordelingscriteria voor het uiterlijk van bouwwerken zijn ook gebiedsgerichte criteria vastgesteld. Per gebiedstype zijn beoordelingskaders uitgewerkt, waaronder voor 'bedrijven'. Het zwaartepunt met betrekking tot de beoordelingsaspecten ligt op situering en massa en vorm en het kleur- en materiaalgebruik. Het beleid uiterlijk van bouwwerken is (op de bedrijventerreinen) dan ook gericht op het kleur- en materiaalgebruik aan de randen, de afstemming van bebouwingselementen in positionering, bouwmassa en vormgeving ten opzichte van elkaar ten einde een relatief samenhangend gevelbeeld te waarborgen. Aandachtspunten voor toezicht op het uiterlijk van bouwwerken zijn onder andere de relatie met omliggende gebieden, identiteit van de individuele bebouwing, leesbaarheid/ herkenbaarheid van functie in bouwwerk, ontsluiting en oriëntatie van het gebouw, positionering, alsmede massa en maatvoering.
Conclusie Het bouwplan zal rekening houden met de welstandscriteria zoals opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hoeksche Waard 2020. Het voorlopig ontwerp zal om advies worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Door de commissie te maken opmerkingen zullen worden overgenomen.
Toelichting
29
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
30
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader rijk, provincie en Waterschap Hollandse Delta
5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Provincie Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen). Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; - Grondwaterrichtlijn; - Drinkwaterrichtlijn; - Richtlijn Overstromingsrisico’s; - Zwemwaterrichtlijn.
Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar
Toelichting
31
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. 5.2.3 Beleid Waterschap Hollandse Delta Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijven zij de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die zij in 2027 bereikt willen hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering.
De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.
5.3
Waterhuishouding
Toetsingskader Het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het binnendijkse gedeelte wordt gevoerd door Waterschap Hollandse Delta. Het waterschap beheert de waterkeringen en in het Zuid-Hollandse deel van haar beheergebied, de wegen, niet zijnde rijks- of provinciale wegen buiten de bebouwde kom. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Hoeksche Waard. In het kader van de watertoets wordt deze waterparagraaf overlegd met het waterschap, waarna de opmerkingen worden verwerkt in deze waterparagraaf. Hoogteligging en bodem In Oud-Beijerland varieert het maaiveld van NAP -0,4 m tot NAP +0,5 m. De bodem in Oud-Beijerland bestaat afwisselend uit zand en klei, met op grotere diepten een zandpakket. Veiligheid en waterkeringen In het plangebied liggen geen (regionale) waterkeringen. Delen van het plangebied liggen ook niet binnen de kern-/beschermingszone van een kering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Waterhuishoudkundige situatie. Het projectgebied maakt onderdeel uit van de Polder Oud-Beijerland. Aan de zuid- en oostzijde van het plangebied ligt een hoofdwatergang met een beschermingszone van 5 meter. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 8. Het appartementengebouw wordt ruim buiten de beschermingszone gerealiseerd, zoals weergegeven in figuur 9. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
32
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Figuur 8: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken. Plangebied zwart gestippeld omkaderd. Ruimtelijke ontwikkelingen/ waterkwantiteit Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m² in stedelijk gebied is een Watervergunning nodig. Dempingen moeten geheel worden gecompenseerd. De berekening van toename van verharding en compensatie is in tabel 5.1 opgenomen, waarin een overzicht van de bestaande en nieuwe situatie inzichtelijk is gemaakt van het verhard en onverhard oppervlak. Hieruit blijkt dat in de nieuwe situatie het verhard oppervlak met 2.715 m² toeneemt als gevolg van de woningbouwontwikkeling. Van deze toename aan verhard oppervlak dient 10%, oftewel 271 m², te worden gecompenseerd. Daarboven dient het te dempen water (250 m²) voor 100% te worden gecompenseerd, zodat totaal (271 m² + 250 m² =) 521 m² dien te worden gerealiseerd.
In de bestaande situatie ligt er 915 m² aan watergangen. In de nieuwe situatie wordt het water in het plangebied met 530 m² uitgebreid, zodat voldoende watercompensatie wordt gerealiseerd. Het nieuw te graven water sluit aan op de bestaande watergang welke met duikers is verbonden met het watersysteem. De demping vindt plaats in het doodlopende deel, de uitbreiding in het deel tussen de duikers. De taluds zijn 1:2 of flauwer dus gelijkwaardig aan de bestaande watergang. Voldaan zal worden aan het beleid van het waterschap voor wat betreft dimensionering. De nieuwe situatie is opgenomen in fguur 9.
Toelichting
33
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Tabel 5.1: overzicht bebouwd en onbebouwd oppervlak plangebied.
Figuur 9: Nieuwe situatie plangebied met wateropgave. Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe bebouwing zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan.
34
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Overeenkomstig het Convenant Klimaatadaptief Bouwen zal een gescheiden riolering worden aangelegd tot aan de Langeweg. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het aangrenzende oppervlaktewater. Voldaan zal worden aan de eisen van het Waterschap voor wat betreft dimensionering. Wateradvies Het waterschap heeft medegedeeld dat zij ruimtelijk geen bezwaar heeft tegen de plannen met uitzondering van het eiland. De inrichting van het plan (zoals waterdiepte, taludhellingen, waterbreedte, alsmede bereikbaarheid, beheer en onderhoud) wordt verder in detail (waterstaatkundig) beoordeeld bij de aanvraag watervergunning. Bij uitwerking van de plannen zal rekening worden gehouden met de door het waterschap gemaakte opmerkingen. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
Toelichting
35
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
36
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Hoofdstuk 6
Omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij deze ruimtelijke ontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
6.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994.
In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Plan/ besluit Dit plan voorziet in het oprichten van een appartementengebouw met 64 wooneenheden. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van milieubelastende activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde bestemmingswijziging. Plaats van het project Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2.
De bestemmingswijziging naar ligt voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. In paragraaf 6.3 wordt hierop nader ingegaan. Verder is er geen sprake van toename van stikstofdepositie. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.
Toelichting
37
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt een woningbouwontwikkeling mogelijk met 64 wooneenheden aan de Langeweg tussen een bedrijventerrein en de Groeneweg (N217). De locatie kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig woongebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd of er in de omgeving van de geplande woningbouw milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. In de directe nabijheid (100m) liggen de volgende milieubelastende bestemmingen: Tabel 6.2: overzicht milieubelastende bestemmingen Globale locatie Bedrijfsnaam MilieuRichtafstand Feitelijke categorie gemengd afstand gebied Rembrandtstraat Scherpenisse Auto's 2 10 m 25 m 1-1b B.V.
Rembrandtstraat 1a Woord en Daad 1 0m > 25 m kringloopwinkel Rembrandtstraat 1b Buschman Tandtechniek 1 0m > 25 m & tandprothetiek
38
Nader onderzoek Nee Nee Nee
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Rembrandtstraat 3
Sport Paramedisch 2 Centrum Rembrandtstraat 5k De Vensterbanken 1 Specialist (detailhandel) Rembrandtstraat 5m Goedegebuur Archief 3.1 Vernietiging Bedrijventerrein De Diverse bedrijven in 3.1 Hoogerwerf categorie 3.1 en kantoren (bedrijven) in categorie 1
10 m
39 m
Nee
0m
64 m
Nee
30 m
60 m
Nee
30 m
Bedrijven 85 m Nee Kantoren 60 m
Vanwege de nabij gelegen bedrijven is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om te kunnen motiveren dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uit dit akoestisch onderzoek van M+P te Aalsmeer (rapport van 9 mei 2023, rapportnummer M+P.INTROV.2201.2, Bijlage 3) is op grond van de richtafstanden uit de VNG-publicatie gebleken dat de realisatie van woningen niet zal leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van de bedrijven en in de directe omgeving. Ook is geen sprake van een verhoogde geluidbelasting vanwege de omliggende bedrijven. Garagebedrijf Scherpenisse Auto's B.V. Het naastgelegen garagebedrijf valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied. Het appartementengebouw aan de Langeweg 12 wordt op minimaal 25 meter afstand gesitueerd. Uit het akoestisch onderzoek kan worden afgeleid dat de bedrijfsvoering niet extra wordt belemmerd door de woningbouw, temeer daar in de directe nabijheid al woningen staan dan wel worden gerealiseerd. Gesteld kan worden dat er voor de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, omdat het bedrijf al rekening moet houden met de bestaande en in aanbouw zijnde woningen. Andersom geredeneerd wordt het bedrijf niet beperkt in haar bedrijfsvoering.
Conclusie Uit de inventarisatie en de resultaten van het akoestisch onderzoek is gebleken dat de bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven door de komst van een appartementengebouw niet wordt beperkt. Verder zijn er geen relevante bedrijven in de nabijheid van het plangebied gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen het oprichten van een appartementengebouw. 6.1.3
Geluid
6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de Langeweg, Groeneweg, Rembrandtstraat en de wegen op het bedrijventerrein 'De Hoogerwerf' met een maximum snelheid van 50 km/uur. Deze wegen hebben een zonebreedte van 200 meter. Daarnaast liggen er rondom het bouwplan 30-km/uur-wegen.
Deze wegen hebben volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone, maar zijn voor beoordeling van een goede ruimtelijke ordening wel meegenomen in het akoestisch onderzoek.
Toelichting
39
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
In deze situatie is sprake van bestaande wegen en 64 nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden in binnenstedelijk gebied. Indien de berekende belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. Op basis van het door M+P te Aalsmeer uitgevoerde akoestisch onderzoek (rapport van 9 mei 2023, rapportnummer M+P.INTROV.2201.2, Bijlage 3) kan het volgende worden vastgesteld. De geluidbelasting vanwege de Groeneweg (N217) bedraagt maximaal 56 dB. Vanwege de Langeweg bedraagt de geluidsbelasting maximaal 55dB. Voor deze geluidsbelasting is ontheffing mogelijk. Omdat het plan meer dan 10 woningen omvat, dient in eerste instantie beoordeeld worden of maatregelen bij de bron of in de overdracht mogelijk zijn. Overdrachtsmaatregelen Ten zuiden is reeds een geluidscherm aanwezig langs de Groeneweg (N217) met een hoogte van 2 meter, dat ten behoeve van de Tiny houses is opgetrokken. Het scherm heeft een beperkt effect vanwege de hoogte van het hier te realiseren appartementengebouw. Het verder doortrekken van het scherm is onwenselijk zoals gesteld door de gemeente Hoekse Waard bij de hogere waarde procedure ten behoeve van dit plan.
Aanpassen van dit scherm is niet realistisch. Een scherm ter reductie van het verkeerslawaai vanwege de Langeweg is slechts effectief indien deze dicht op de weg wordt geplaatst. In dit geval in de berm tussen rijweg en fietspad. Dit heeft een groot effect op overzicht richting de rotonde en dit wordt als ongewenst ingeschat. Bovendien vindt ontsluiting van dit plan plaats op de Langeweg en is de ruimte voor het scherm beperkt. Onderzocht is het effect van een laag scherm van 1 meter inclusief diffractor op de top van dit scherm. Voor de Groeneweg is eveneens onderzocht wat het effect is indien een laag scherm wordt toegepast inclusief plaatsing van een diffractor op het scherm. De werking van een diffractor is afhankelijk van de uitvoering en de CS,d i f f varieert per fabrikant. Bronmaatregelen Het toepassen van een geluidreducerend asfalt is in dit geval technisch wel mogelijk voor beide wegen. De te halen reductie in de praktijk bedraagt circa 2 à 3 dB en is daarmee niet voldoende om de volledige verhoogde waarde te reduceren. Voor de N217 is de provincie de wegbeheerder. Hier zou minimaal circa 200 meter stil asfalt aangebracht moeten worden om enig effect te hebben. Opgemerkt wordt dat het ongewenst is om binnen een wegvak meerdere asfaltsoorten toe te passen vanuit zowel organisatorisch (in verband met onderhoud) als civieltechnisch (vanwege de extra overgang) oogpunt.
Voor de Langeweg zou het wegvak tussen beide rotondes voorzien moeten worden van stil asfalt. Dit betreft dan een lengte van circa 230 meter. Om te toetsen of deze maatregel doelmatig is, is gebruik gemaakt van de DMC tool van Antea. De toetsing vindt plaats per weg. Uit de doelmatigheidstoets van Antea blijkt dat voor beide wegen de aanleg van stil asfalt doelmatig is. In de doelmatigheidstoets is ook een scherm ingevoerd van 1 meter hoogte. De tool heeft nog niet de mogelijkheid om ook de combinatie scherm en diffractor te toetsen en daarmee worden de kosten onderschat en de doelmatigheid van het scherm overschat. Met de plaatsing van het scherm van 1 meter langs zowel de Groeneweg als de Langeweg in combinatie met stil asfalt geeft de toets aan dat dit doelmatig is, maar dit zal nader getoetst moeten worden Voor de Langeweg blijkt dat een stil wegdek effectiever is dan een minischerm met diffractor. Ook bij de combinatie geeft het scherm een relatief kleine verbetering. Qua maatregel gaat de voorkeur uit naar aanleg van stil asfalt. Voor de Groeneweg zijn beide maatregelen qua effectiviteit vergelijkbaar. De overweging tot aanleg van stil asfalt ligt bij de gemeente en provincie maar is niet strikt noodzakelijk om aan de voorwaarden uit het gemeentelijk beleid en het Bouwbesluit te kunnen voldoen. Maatregelen kunnen ook worden getroffen bij het appartementengebouw zelf.
De toepassing van bron- of overdrachtmaatregelen leidt niet in alle gevallen tot andere maatregelen bij het appartementengebouw. In hoofdstuk 7 van het akoestisch onderzoek zijn de maatregelen die kunnen worden getroffen bij de balkons en dakterrassen omschreven. Er is van uitgegaan dat bij de balkons volledig sluitbare balkonbeglazing wordt toegepast. Bij de noordgevel waar het geluid scherend invalt kan een zijscherm worden toegepast in combinatie met een absorberend plafond. Op de bovenste verdieping is de gevel verder terug gelegen en kan worden volstaan met de afscherming van een borstwering. De maatregelen zijn nader beschreven in hoofdstuk 7 van het akoestisch rapport. Het gemeentelijk beleid stelt dat alle woningen moeten zijn voorzien van een geluidsluwe gevel en een
40
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
geluidsluwe buitenruimte. Aan het aspect geluidsluwe gevel wordt voor alle woningen voldaan, omdat de gevels ter plaatse van de galerijen geluidsluw zijn. De buitenruimten bevinden zich aan de geluidsbelaste gevels. Voor de 1e t/m 3e verdieping zijn dit balkons, de woningen op de 4e verdieping hebben een dakterras. Er moeten maatregelen worden getroffen om deze buitenruimten geluidsluw te kunnen maken overeenkomstig de maatregelen zoals genoemd in tabel VIII van hoofdstuk 7 van het akoestisch rapport. Cumulatie Er is alleen sprake van cumulatie vanwege wegverkeerslawaai. De cumulatieve geluidsbelasting Lcum vanwege beide wegen bedraagt 59 dB. Voor de woningen waar dit van toepassing is kan van deze geluidbelasting worden uitgegaan voor het bepalen van de geluidwerende maatregelen. Voor de overige woningen geldt de geluidbelasting per weg echter zonder de wettelijke aftrek artikel 110 g Wgh. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen deze planontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, nadat een procedure hogere grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai is doorlopen. Het ontwerpbesluit hogere waarden geluid is opgenomen in Bijlage 4. In het kader van het Bouwbesluit zal een onderzoek plaatsvinden naar de geluidwering van de gevels van de woningen.
Bij dit onderzoek zal worden uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit onderzoek zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning om advies worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Binnen de aangewezen zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Onderzoek/ beoordeling In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorwegen. Vanuit oogpunt van spoorweglawaai zijn er geen beperkingen. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorwegweglawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. Spoorweglawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden.
Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde in het bestemmingsplan voor realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone voor industrielawaai. Onderzoek/ beoordeling In de directe omgeving van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. In paragraaf 6.1.2 is toegelicht dat vanuit oogpunt van geluid geen belemmeringen zijn in verband met nabijgelegen bedrijven. Andersom geredeneerd is er voor de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Toelichting
41
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling Mede ten behoeve van dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd door IDDS te Noordwijk (rapport van 19 augustus 2022, kenmerk A2792-06/PDI/rap1, Bijlage 5). Op basis van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport).
Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater), dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden aanvaard. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Uitgezondering hierop betreft de aangetroffen concentratie MTBE in het grondwater ter plaatse van de noordelijke terreingrens, welk naar verwachting afkomstig is van een naburig terreindeel. De aanwezigheid van MTBE in het grondwater duidt op een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’, hetgeen ingevolge de Wet bodembescherming onverwijld dient te worden gesaneerd. Beperkingen ten aanzien van het voorgenomen gebruik, zijnde wonen met tuin, worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. In potentie kunnen wel beperkingen worden verwacht inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. De onderzoekslocatie is ter plaatse van het appartementengebouw geschikt voor het voorgenomen gebruik.
Voorafgaand aan het bouwrijpmaken van het terrein en aanvraag omgevingsvergunning zal in overleg met het bevoegd gezag aanvullend onderzoek worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van MTBE in het grondwater. Binnen de grondexploitatie is hiervoor een budget gereserveerd. Met inachtneming hiervan is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit.
42
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde 3 NO2 40 µg/m 200 µg/m3
PM2,5 PM10
25 µg/m3 40 µg/m3
n.v.t. n.v.t.
24-uursgemiddelde Opmerkingen n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. n.v.t. 50 µg/m3 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden
Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek/ beoordeling Voor de toetsing of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit is van belang met welke functies het plangebied wordt uitgebreid. In het gebied al aanwezige functies worden niet meegerekend bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van het plan. Ten opzichte van de bestaande situatie is er sprake van een herontwikkeling naar wonen met 64 appartementen. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate (NIBM), omdat sprake is van een woningbouwlocatie, die netto niet meer dan 1.500 woningen omvat.
Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. In verband met deze planontwikkeling is nog de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Langeweg en Groeneweg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden, zoals aangetoond in figuur 10. Hieruit blijkt dat dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 19,1 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 15,9 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,3 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Toelichting
43
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
Conclusie Voor de planontwikkeling is de NSL monitoringtool geraadpleegd. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10 en PM2,5 op de rekenpunten onder de grenswaarden, zodat er geen negatieve gevolgen zijn voor deze gevoelige bestemming. De herontwikkeling van het plangebied naar een woningbouwplan met 64 woningen valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Voor Externe Veiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt binnen een zone van 200 meter de Groeneweg (N217).
De weg maakt geen deel uit van het Basisnet transport, maar er vindt in beperkte mate transport van gevaarlijke stoffen plaats over deze weg. Het invloedsgebied van deze weg wordt bepaald door de maatgevende stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 120 meter. Vanwege de ligging in het invloedsgebied dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld. Hiervoor is een beperkte kwalitatieve onderbouwing voldoende. In paragraaf 6.1.6.1 wordt hierop ingegaan. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Bij de beoordeling hiervan dient te worden uitgegaan van de risico-afstanden zoals aangegeven in dit Besluit. In de omgeving van het plangebied liggen geen gasleidingen. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de planontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst
44
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 10) zijn in de omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven en/of activiteiten vermeld.
Figuur 10: Uitsnede Signaleringskaart EV (plangebied met zwarte lijn aangeduid). 6.1.6.1 Verantwoording groepsrisico Beperkte verantwoording van het groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van de N217. Het vervoer van gevaarlijke stoffen zal in dit geval met name bestaan uit het vervoer van gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) ten behoeve van de bevoorrading van de aan de weg gelegen tankstations (GF 3: brandbaar gas, is in dit geval de groepsrisicobepalende stof). Het gaat ter plaatse van het plangebied om een weg met eenzijdige bebouwing (enkel aan de noordzijde). Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het groepsrisico ten gevolge van de nieuwbouw nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobron is voldoende.
Via de voorzijde van het appartementengebouw kan in noordelijke richting worden ontvlucht. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. De Langeweg is goed bereikbaar en de bluswatervoorziening ter plaatse is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden. Er kan vanuit de meerdere aanwezige sloten water worden verkregen voor de bestrijding van een incident. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied. Plaatsgebonden risico
Toelichting
45
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Ook ligt het plangebied niet binnen een veiligheidszone en een plasbrandaandachtsgebied. Verantwoordingsplicht groepsrisico Over de N217 ten zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit eerdere tellingen bleek dat over de weg 48 GF3 transporten per jaar plaatsvonden. Pas bij 500 transporten of meer is sprake van een PR10-6 risicocontour. Hiervan was destijds bij deze weg dus geen sprake. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat hierin een significante verandering is opgetreden. De hoeveelheid transporten van GF3 is daarnaast dusdanig laag vergeleken met de drempelwaarden uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Ministerie van infrastructuur en milieu, d.d. 11 januari 2017) dat er ook geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Zelfredzaamheid De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. Er wordt een woning gerealiseerd waar zelfredzame personen wonen. Het wijzigingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Advies Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) Per e-mail van 29 december 2022 heeft de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) medegedeeld dat zij zich kan vinden in de paragraaf 6.1.6 Externe veiligheid van hoofdstuk 6 Omgevingsaspecten van voorontwerp bestemmingsplan Langeweg 12 in Oud-Beijerland.
De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Deze verplichting is naar aanleiding van het advies toegevoegd in artikel Artikel 6, lid 6.3.3 (specifieke gebruiksregels). Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Verantwoording De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders van de Hoeksche Waard hebben kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de N217. Met de voorgenomen herontwikkeling is de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar.
Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
46
Toelichting
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
6.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. 6.2.1 CultuurhistorischeHoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid.
Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. Het plangebied ligt in stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld. De plankaart laat zien dat hier dieper dan 5 m maaiveld hoge archeologische waarden zijn te verwachten (figuur 11).
Figuur 11: Uitsnede Cultuurhistorische atlas provincie Zuid-Holland.
Toelichting
47
bestemmingsplan Langeweg 12, Oud-Beijerland
6.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie Op 19 januari 2010 stelde de Commissie Hoeksche Waard de archeologische verwachtingenkaart voor de Hoeksche Waard vast. Op grond van de archeologische verwachtingskaart (figuur 12) heeft het gebied een middelhoge verwachting, waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 0,5m –Mv en een plangebied groter dan 500 m². In de nadien op 2 april 2019 vastgestelde Erfgoedverordening 2019 is een vangnet opgenomen dat het verboden is de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij is aangetoond dat het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met de gemeentelijke verwachtingen- en beleidsadvieskaart op basis van het gemeentelijk vastgestelde archeologiebeleid. In verband hiermee is een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd.