Bijlage 3 ROB 14 april
Tekst van het document
Voorbeelden van mogelijke initiatieven zijn • Projecten die bijdragen aan een gecombineerde ontwikkeling van watersport, woningbouw, verblijfsrecreatie en landschapsontwikkeling in de Zuidrand aan de Delta, met Numansdorp als regionaal nautisch centrum en Piershil en Strijensas als locaties voor kleinschaliger toeristische voorzieningen.
37
• • •
•
•
• •
Bijzondere publieksvoorzieningen, zoals een ‘outdoorcentrum’, een ‘expositielandgoed’, een ‘Nationaal Landschapscentrum’, een ‘getijdentuin’ en een toeristische veerverbinding met Willemstad; Projecten voor natuur- en recreatieontwikkeling; o Dag- en/of verblijfsarrangementen, waarbij allerlei combinaties mogelijk zijn tussen b.v.: o natuurexpeditie (wandelen/fietsen/boottocht), o waterrecreatie o speur-/tourtocht langs materieel erfgoed (museumbezoek, molentocht, bijzondere boerderijen, beelden in de natuur, etc.), o een creatieve workshop (vilten in de buitenlucht, natuurfotografie, varkens tekenen na een workshop varkens knuffelen, etc.) o een voorstelling op maat (denk b.v. aan Verhalenkaravaan, theatersportvoorstelling, liedjesavond, meemaakmuziek, etc.) Route Zuidrand: Verken de zuidrand van de Hoeksche Waard over fiets-, wandel-, en vaarroutes. Strijk neer bij een van de vele pleisterplaatsen (horeca en rustpunten, landschap en erfgoed) voor een versnapering. Fort Events: Programma’s voor jong en oud door het hele jaar op Fort Buitensluis in samenwerking met de andere forten uit de stelling Hollandsch Diep. Te denken valt aan locatietheaterproducties, muziekoptredens, een scoutingkamp, beeldende kunst. Drijvende zonnevelden in het water. Ontwikkeling van Nationaal Park NL Delta.
Beoordeling plan en conclusie Het plan draagt bij aan het versterken van de recreatieve functie van de Hoeksche Waard, in het bijzonder binnen het deelgebied Hoeksche Delta. Tevens worden de natuur- en landschappelijke waarden ondersteunt. Het plan sluit daarom aan op het gestelde in de Omgevingsvisie. 3.3.2
Visie Vrijetijdseconomie Hoeksche Waard (2021) In de deze visie staat beschreven wat de Hoeksche Waard als toeristisch-recreatieve bestemming te bieden heeft en wat de belangrijkste doelen op dit gebied voor de toekomst zijn. Dit biedt kansen voor de vrijetijdssector waarmee ook werkgelegenheid, de aantrekkingskracht als woongemeente en het niveau van voorzieningen gebaat zijn. De gemeente Hoeksche Waard wil in overleg met betrokken ondernemers en inwoners de kansen die de vrijetijdseconomie biedt, zo goed mogelijk benutten. Recreatie en toerisme versterken de economie van de Hoeksche Waard en dragen bij aan het behoud van natuur, landschap en erfgoed. De uitgangspunten zijn: 1. De visie richt zich op eigen inwoners én bezoekers. 2. Inwoners van alle dorpen moeten in eigen omgeving kunnen wandelen en fietsen. 3. De visie richt zich op het faciliteren van initiatieven én actief uitnodigen en investeren. 4. Geen grote recreatief-toeristische toevoegingen. 5. Inzet op klein tot middelgroot verblijfsaanbod. 6. Focus op Binnenbedijkte Maas, Zuidrand en historische dorpskernen. 7. Inzet op recreatief aanbod voor kinderen en jongeren.
38
De ambitie luidt: In 2030 leveren recreatie en toerisme een belangrijke bijdrage aan de welvaart van de Hoeksche Waard en het welzijn van onze inwoners. • Gasten en inwoners beleven het eiland Hoeksche Waard, toeristisch-recreatieve ontwikkeling versterkt en bouwt voort op onze unieke kwaliteiten; • Toeristisch-recreatieve ontwikkeling gebeurt in balans met de omgeving. Ontwikkelingen passen binnen de draagkracht van natuur, landschap en samenleving; • Inwoners zijn trots op het eiland Hoeksche Waard en zijn steeds vaker ambassadeurs van al het moois dat ons eiland te bieden heeft op het gebied van landschap, natuur, water, erfgoed en innovatieve agrifood. Er worden sterktes en zwaktes genoemd. Enkele relevante zwaktes zijn: • Beperkte voorzieningen voor elektrische fietsen; • Voorzieningen beperkt toegankelijk voor mensen met een beperking; • Weinig dagattracties met bovenregionale aantrekkingskracht; • Weinig dagrecreatieve, horeca- en ‘elk weer’ –voorzieningen; • Weinig (horeca)locaties waar kinderen welkom zijn; • Cultureel aanbod is mager, historie nog weinig beleefbaar; • Strandjes zijn vrij basic, verblijfskwaliteit laat te wensen over met het oog op verschillende doelgroepen. Inwoners van Hoeksche Waard zijn met name rustzoekers (25%), stijlzoekers (18%) en inzichtzoekers (16%).
Ook in Rotterdam – een belangrijke herkomstmarkt voor bezoekers aan Hoeksche Waard – vormen rustzoekers de grootste groep (22%), maar Rotterdammers zijn daarnaast vooral plezierzoeker en avontuurzoekers. Alhoewel Hoeksche Waard voor elke leefstijl wel wat wils heeft, blijkt uit een analyse van het aanbod dat het eiland op dit moment vooral aantrekkelijk is voor rustzoekers en harmoniezoekers. Er liggen dus kansen om aanbod te ontwikkelen voor andere doelgroepen die onder eigen inwoners en inwoners van de regio veel voorkomen. De wens wordt geuit dat op meerdere plekken aan zowel de noord- als de zuidrand zijn de natuur, het landschap en de cultuurhistorie van de Hoeksche Waard bezocht en beleefd kan worden. Aandacht wordt ook gevraagd voor de Erfgoedlijnen.
Voor specifiek waterrecreatie wordt het volgende aangegeven: • Ruimte bieden voor nieuw dagrecreatief aanbod dat past bij onze kernkwaliteiten; • Verbeteren van voorzieningen op de stranden; • Stimuleren van nieuwe concepten voor waterrecreatie; • Parkeergelegenheid verbeteren rondom waterrecreatieplekken; • Passende evenementen aantrekken, waaronder evenementen op het water; • Ruimte bieden voor horeca in recreatieve focusgebieden en op/bij de stranden, opstellen ontwikkelkader; • Ontwikkelen van cultureel aanbod; • Koppeling met streekproducten als onderdeel van de beleving; • Verkennen van mogelijkheden voor verduurzaming van het aanbod en voor verbetering van de inclusiviteit. 39
Het plangebied ligt binnen de Zuidrand. De Zuidrand is in de Omgevingsvisie aangewezen als één van de twee recreatieve focusgebieden van onze gemeente. Hier liggen kansen voor watergerichte recreatie en natuurattracties. En voor projecten die bijdragen aan een gecombineerde ontwikkeling van sport, woningbouw, verblijfsrecreatie en landschapsontwikkeling. Enkele passende initiatieven zijn: • Toegankelijkheid en bereikbaarheid van natuurgebieden en water verbeteren met goede toegangsroutes en parkeervoorzieningen; • Beleving van water en landschap versterken; • Het ontwikkelen van een strand met ligweides aan de ‘strandzone’; • Versterken van watergerichte recreatie en natuurattracties in de overgangszone, passend bij een groots, stoer en robuust waterrijk landschap; • Versterken van de beleefbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle elementen zoals grienden, het fort en de eendenkooi; • Versterken van de beleving van groenblauwe natuurgebieden met natuurlijke oevers, via routes en pleisterplaatsen en het nationale landschapscentrum; Beoordeling en conclusie Het initiatief speelt op voornoemde zwakten in. Een bestaande recreatieve voorziening wordt in kwalitatief opzicht verbeterd, passend bij de aard en schaal van het gebied. Zowel landschap als natuur worden beter beleefbaar. Voorts valt te denken aan informatievoorziening ter plaatse omtrent de ontstaansgeschiedenis.
Er komen ook plaatsen voor elektrische fietsen en oplaadpunten, en betere voorzieningen voor mindervaliden. De horecavoorziening zal ook geschikt zijn voor kinderen.
40
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.
4.2
Milieu-aspecten
4.2.1
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Wettelijk kader Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Het besluit is aangepast en de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project onder de richtwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Getoetst moet worden op: − de kenmerken van het project; − de plaats van het project; − de kenmerken van de mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1 belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk; 2 belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. en het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.
Beoordeling plan en conclusie Het plan valt niet onder de activiteit D.10.b ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van jachthavens' van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). Het aantal beoogde ligplaatsen bedraagt voorts naar verwachting maximaal 35 en ligt daarmee onder de drempelwaarde (100 ligplaatsen). Het gaat voorts niet om activiteiten die zijn genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 3. Het gaat voorts ook niet om een jachthaven maar om aanlegplaatsen voor passanten.
3 ECLI:NL:RVS:2022:2394
41
De omvang van de voorgenomen ontwikkeling brengt geen zodanige productie van afvalstoffen, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen met zich mee op basis waarvan belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. Het milieubelang wordt voorts in navolgende paragrafen voldoende mate afgewogen. Beoordeling plan en conclusie Een nadere beoordeling in een plan-MER is niet noodzakelijk. 4.2.2
Bodem Wet- en regelgeving De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen / Waboprocedures regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: − er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; − het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding; − er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders.
Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Beoordeling en conclusie Er is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, als bijlage toegevoegd 4. De bodem bestaat voornamelijk uit klei met zwak tot matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is ter plaatse van boring 13 (1,00-1,50 m mv) zwak baksteenhoudend. Verder is er geen bodemvreemde bijmenging aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kwik, zink en/of
4Verkennend bodemonderzoek Hitstertse kade, Econsultancy, 2 februari 2023
42
PCB. De ondergrond is licht verontreinigd met cadmium, kwik, lood, nikkel, zink en/of PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De aangetoond lichte verontreinigingen zijn mogelijk toe te schrijven aan het feit dat de onderzoekslocatie regelmatig is overstroomd met water uit het Haringvliet. De aangetoond lichte verontreinigingen in de ondergrond zijn waarschijnlijk gedeeltelijk toe te schrijven aan de bijmenging met baksteen. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "grootschalig onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. 4.2.3
Bedrijven en milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Nieuwe situatie Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.
Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
43
Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd, aldus de VNG-brochure. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk.
De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Beoordeling De functie steiger met ligplaatsen kan gelijk worden gesteld met een haven. Een haven (t.b.v. ligplaatsen) veroorzaakt in lichte mate geluidoverlast in verband met aan- en afvarende boten. Voor jachthavens adviseert voornoemde VNG-publicatie een richtafstand van 50 m aan te houden tot milieugevoelige functies in verband met geluid afkomstig van de boten. Hier wordt aan voldaan, bovendien produceren de boten een voor deze omgeving normaal geluid. Voor recreatieterreinen / zwembaden geldt dezelfde afstand en ook hiervoor geldt dat er binnen deze afstand geen milieugevoelige functies aanwezig zijn. Aangezien steigers met ligplaatsen, een uitkijktoren, een horecavoorziening en recreatieterrein geen milieugevoelige functies zijn, kunnen bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering gehinderd worden. Bovendien zijn op korte afstand geen bedrijven aanwezig. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.2.4
Geluid De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt
44
de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Beoordeling plan en conclusie Een steiger waar boten kunnen aanleggen is geen geluidgevoelige functie in het kader van de Wgh, een uitkijktoren en een horecavoorziening evenmin. Wel moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken worden of de nieuwe functie niet leidt tot een onacceptabele toename in wegverkeerslawaai op reeds aanwezige functies vanwege een toegenomen verkeersproductie. De verkeersproductie als gevolg van de nieuwe functie is zodanig gering (zie hoofdstuk 2), dat deze niet of nauwelijks tot een waarneembaar effect leidt. Het aspect geluid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1 er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde 2 een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit 3 een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in 4 past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen.
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit
45
dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Beoordeling plan en conclusie Om de beoogde ontwikkeling te kunnen toetsen is gebruik gemaakt van de NIBM-tool, versie 21 mei 2013. Het aantal extra voertuigbewegingen is zodanig gering (zie hoofdstuk 2). dat de bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit als NIBM is te kwalificeren.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 327 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 10,0% Maximale bijdrage extra verkeer
NO2 in μg/m3
0,57
PM10 in μg/m3
0,07
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.6
Externe veiligheid Wettelijk kader Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn voor gevaarlijke inrichtingen deze grenswaarden en oriënterende waarden vastgelegd. Voor buisleidingen is ditzelfde gedaan in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor routes gevaarlijke stoffen over (vaar)weg en spoor geldt het Besluit transportroutes externe veiligheid (Bteb).
46
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden.
In het Bevi, het Bevb en het Betb is een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeenten Hoeksche Waard 2016 De gemeente heeft de ambitie om onze inwoners een veilige omgeving te bieden. Onderhavige beleidsvisie is daar een invulling van. De gemeente streeft ernaar om op een verantwoorde wijze om te gaan met externe veiligheid. Concreet betekent dit dat we ons richten op de structurele beheersing en beperking van risico’s die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. De risico’s moeten worden beperkt tot een wettelijk vereist niveau en een aanvaardbaar niveau. Het uitgangspunt luidt: “Het gemeentelijke beleid ten aanzien van externe veiligheid is gericht op het scheppen van een meetbaar veiliger woon- en werkklimaat door de risico’s te beperken, die burgers in de gemeenten van de Hoeksche Waard lopen als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen”. Een bijzonder aandachtsgebied in het kader van de gebiedsgerichte aanpak is de aanwezigheid van infrastructuur waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Deze vervoersassen zijn niet als een afgebakend gebied te beschouwen omdat ze verschillende gebieden doorsnijden. Denk bijvoorbeeld aan woonwijken, buitengebieden en bedrijventerreinen. Hierdoor wordt het lastig om uniforme eisen te verbinden aan de mogelijkheid om ontwikkelingen te laten plaatsvinden in de nabijheid van diezelfde infrastructuur. Gebieden die in deze beleidsvisie als ‘risicovolle infrastructuur’ worden beschouwd, betreffen locaties die binnen het directe invloedsgebied van een weg, een
47
ondergrondse buisleiding of een vaarweg vallen. In onze gemeenten is het Haringvliet daar een voorbeeld van. De aanwezigheid en de belasting van de aanwezige infrastructuur (spoor, weg, water buisleidingen) is deels historisch en deels landelijk/provinciaal/regionaal bepaald. Daarbij heeft het gemeentelijk bevoegd gezag niet direct de beschikking de hieraan gekoppelde risico’s te beïnvloeden. Wel zit zij in gevolge van een calamiteit wel direct met de gevolgen. Voor bestaande situaties moet gezocht worden naar verlaging van de risico’s. Nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid moeten worden voorkomen. Beoordeling plan en conclusie Het aantal transporten van gevaarlijke stoffen op het Haringvliet is dermate gering dat geen sprake is van PR 10-6 contour op de oever. Het Haringvliet maakt -anders dan bijvoorbeeld het Hollands Diep- geen onderdeel uit van het Basisnet water vervoer gevaarlijke stoffen. Een nadere risicoanalyse voor dit plan kan daarmee achterwege blijven, onder motivering van het zeer beperkte vervoer. Ook het GR ter hoogte van het besluitgebied zal, ondanks de lichte toename van het aantal personen in het gebied, als gevolg hiervan ver onder de oriëntatiewaarde liggen.
Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving Het besluitgebied ligt in een gebied met een hoog overstromingsgevaar. Het gebied bevindt zich buitendijks.
48
Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving
Het plan betreft realisatie van een steiger met uitkijktoren en nieuwe horecavoorziening. Omdat het hier geen plekken betreft waar mensen langdurig aanwezig zijn blijft het slachtofferrisico als gevolg van een overstroming beperkt. In het geval van een (dreiging op een) overstroming zal de steiger afgesloten worden en het terrein gesloten worden. Een nadere beschouwing van het slachtofferrisico is derhalve niet noodzakelijk. Het gaat voorts niet om een nieuwe situatie, maar een upgrade van een bestaande situatie die naar verwachting niet of nauwelijks gepaard gaat met een toename van het aantal personen dat hier zal verblijven en daarmee het GR. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn ten aanzien van de gewenste ontwikkeling.
4.3
Omgevingsaspecten
4.3.1
Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland NNN) weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten (soortbescherming) is geregeld in deze wet.
49
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt deels in het Natura 2000-gebied het Haringvliet. Een Voortoets is daarom noodzakelijk om te bepalen of er significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied te verwachten zijn. Deze is uitgevoerd en als bijlage toegevoegd 5.
Uitsnede natura 2000-gebied Uit de Ecologische Voortoets blijkt dat de beoogde ruimtelijke ingreep leidt, mits Enkele mitigerende maatregelen worden getroffen, niet tot de aantasting van het Natura 2000-gebied en zijn instandhoudingsdoelen. In de aanlegfase treden mogelijk tijdelijke niet-significant effecten op welke worden ondervangen door maatregelen te treffen of buiten de kwetsbare periodes van specifieke fauna te werken. Deze mitigerende maatregelen zijn: − Mogelijk verstorende werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief 15 maart – 15 juli). E.e.a. op aanwijzing van deskundige. − De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten. In het bijzonder een eventuele nieuwe steiger met vogelkijktoren niet of minimaal verlichten. Mocht dit desondanks toch een vereiste zijn, dient hierbij een diervriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Om verdere effecten op vleermuizen en nachtelijk rustende vogels te voorkomen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Deze mitigerende maatregelen worden overgenomen, uitgevoerd en als voorwaarde aan de vergunning gekoppeld.
In de voortoets is nog geen stikstofberekening uitgevoerd (voor zowel de bouw als de gebruiksfase); deze is inmiddels wel gedaan 6. Het plangebied ligt voorts niet in NNN en van externe werking van NNN is geen sprake.
5 Ecologische voortoets Hitsertse kade te Zuid-Beijerland, Blom ecologie, 22 augustus 2022 6 Stikstofberekening Hitsertsekade, VdZ Ruimtelijk Advies, 17 februari 2023
50
Uitsnede NNN Soortenbescherming Gelet op de werkzaamheden (o.a. kap enkele bomen en verwijderen horecagebouw) is een quick scan natuur uitgevoerd, welke als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd 7. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt blijkens dit onderzoek niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Wanneer bekend is of, en zo ja welke, bomen gekapt worden dient een aanvullende boominspectie te worden uitgevoerd. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (habitatrichtlijnsoorten: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Er wordt overigens naar gestreefd zoveel mogelijk bomen te behouden. Er worden een aantal aanbevelingen gedaan om verstoring van de natuur te voorkomen: • •
• •
Voorzichtig handelen met alle voorkomende flora en fauna. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen om grondgebonden dieren de kans te geven het gebied te verlaten. Gelegenheid geven aan dieren om te vluchten of verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Planlocatie tijdens realisatie en daarna niet verlichten. Als toch moet dan diervriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel
7 Quick scan ecologie Hitsertse kade Zuid-Beijerland, Blom ecologie, 23 juni 2022
51
•
• •
•
nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Verstoring van bever voorkomen: o tussen slobbegorsje en het terrein struweel verbreden c.q. aanleggen van 10 meter breed met stevige takkenrillen. o Funderingen schroeven ipv heien, o Geen muziek tijdens het werk, o Uitsluitend bij daglicht werken Verstorende werkzaamheden zoveel mogelijk uitvoeren tussen 1 september en 30 april. Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. Eventuele kap- en rooiwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli, maar ook mogelijk buiten deze periode). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Het nadere onderzoek heeft plaatsgevonden in de vorm van een wintercheck 8. Er zijn drie bomen gevonden met holtes. Zie navolgende kaart met de locatie van deze bomen. Ook zijn de foto’s van de bomen toegevoegd die een geschikte holte hebben. Volgens de gegevens van NDFF komen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis in de omgeving voor. De ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis kunnen in bomen een verblijfplaats hebben. Het voorkomen van verblijfplaatsen van deze soorten dient dan ook onderzocht te worden als de bomen gekapt worden.
8 Wintercheck Hitsertse Kade Zuid-Beijerland, SAB, 30 januari 2023
52
Het uitgangspunt vooralsnog is dat deze bodem niet worden gekapt. Daarom staat het onderdeel soortenbescherming uitvoering van het plan niet in de weg. Aan voornoemde voorwaarden uit de voortoets zal worden voldaan. Geconcludeerd wordt dat voor het onderdeel gebiedsbescherming de Nb-wet ook niet aan uitvoering in de weg staat. Voor wat betreft stikstof wordt dit nog geverifieerd met een stikstofberekening 9. Voorts dient te allen tijden de zorgplicht in acht te worden genomen als opgenomen in artikel 1.11 van de Wet Nb. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 4.3.2
Water Inleiding In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het waterbeleid is de “watertoets”: de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem.
9Stikstofberekening Hitsertsekade, VdZ Ruimtelijk Advies, 17 februari 2023
53
Ruimtelijke plannen dienen een waterparagraaf te bevatten. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen moeten in een vroegtijdig stadium van het planvormingsproces de waterbeheerder(s) betrekken. De initiatiefnemer vraagt de waterbeheerder(s) om een wateradvies. In de waterparagraaf worden de uitkomsten van het overleg opgenomen. In het kader van dit bestemmingsplan heeft overleg met Rijkswaterstaat plaatsgevonden. De resultaten van dit overleg zijn opgenomen in paragraaf 6.1. Deze waterparagraaf geeft allereerst een beschrijving van het beleid op het gebied van water op verschillende bestuursniveaus. Europees beleid- Kaderrichtlijn Water De waterkwaliteit legt een claim op het gebruik van de ruimte. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf december 2000 van kracht en heeft als doel te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden waarin op een duurzame manier met het gebruik van water wordt omgegaan. Uitvoering geven aan de verplichtingen van de Kaderrichtlijn is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden en geldt als een resultaatsverplichting. De wateren binnen de EU moeten in 2015 aan de in de KRW gestelde eisen voldoen. Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heef te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden.
Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.
54
Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland heeft het rijksbeleid overgenomen in de herziening van de Nota Planbeoordeling. Een bestemmingsplan (lees: besluit art. 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo als in onderhavig geval) zal inzicht moeten geven in aspecten als veiligheid en waterbeheer, de huidige situatie, de volgens het waterbeleid gewenste ontwikkelingen, de wijze waarop in het ruimtelijk beleid hiermee rekening wordt gehouden, de wijze waarop dit is vertaald naar verbeelding (plankaart) en planregels en het overleg met de waterbeheerders. Deltaprogramma 2022 Nederland moet in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust zijn. Dit betekent dat de waterveiligheid, de zoetwatervoorziening en de ruimtelijke inrichting op orde moeten zijn. Alleen dan kan ons land de gevolgen van klimaatverandering goed blijven opvangen. Samen met kennisinstituten, bedrijven en maatschappelijke organisaties werkt de overheid op een nieuwe manier aan de delta: Er gelden nieuwe normen voor waterveiligheid. De overheid kijkt niet alleen naar de kans op een overstroming, maar ook naar de eventuele gevolgen van een overstroming (de risicobenadering). De omvang van de gevolgen bepaalt de hoogte van de norm. De beschikbaarheid van zoetwater voor landbouw, industrie en natuur wordt inzichtelijker. Nederland wordt weerbaar tegen zoetwatertekort.
De ruimtelijke inrichting van Nederland wordt klimaatbestendiger en waterrobuuster. Het Deltaprogramma zet een koers uit voor de toekomst. Hoe beschermen we Nederland tegen overstromingen en hoe zorgen we voor voldoende zoetwater? En hoe zorgen we voor een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting? Gemeente en waterschap Hollandse Delta De gemeente acht een duurzaam en veilig watersysteem van belang. De gemeente zoekt bij het opstellen van het ruimtelijke plannen afstemming met het waterschap Hollandse Delta. In algemene zin zijn ingrepen die significant effect kunnen hebben op
55
de waterhuishouding, zoals het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van verhardingen, niet bij recht toegestaan, maar gekoppeld aan een omgevingsvergunning. Keur De Keur is een verordening welke beoogd om de waterstaatkundige belangen te borgen binnen het beheersgebied van waterschap Hollandse Delta. Deze bevoegdheid ontleent het Waterschap aan de Waterwet. De Keur bevat geboden en verboden ten behoeve van de instandhouding van watersystemen en waterkeringen. Een en ander betekent dat voor handelingen op, aan of nabij watersystemen en waterkeringen een ontheffing van het waterschap nodig is. Artikel 4.1.1 is van toepassing op steigers en vlonders in en nabij oppervlaktewaterlichamen. De beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewaterlichamen en de daarbij behorende beschermingszones, die zijn opgenomen in de legger, behoudens de oppervlaktewaterlichamen die als vaarwegen (gebruiksgerichte functie) zijn aangewezen. 1 Een steiger of vlonder mag, met uitzondering van locaties waar varend onderhoud wordt uitgevoerd, enkel worden aangebracht als het onderhoud aan de overzijde over de gehele breedte van het oppervlaktewaterlichaam kan worden uitgevoerd. 2 De lengte en hoogte van de steiger of vlonder mag niet langer en hoger zijn dan strikt noodzakelijk voor het doel dat de steiger dient.
3 De steiger of vlonder moet zodanig zijn dat deze voldoende standvastig en sterk is, in relatie tot de optredende krachten. Constructie en uitvoering Steigers en vlonders hebben, mits voldaan wordt aan de criteria, niet of nauwelijks effect op het oppervlaktewatersysteem. Verder zijn eisen ten aanzien van de maximale breedte en minimale hoogte ten opzichte van het vigerende peil gebaseerd op de doorstroming in het oppervlaktewaterlichaam. Het moet wordt voorkomen dat de doorstroming onder een steiger nadelig wordt beïnvloedt, door bijvoorbeeld ophoping van vuil of peilstijgingen. De materiaalkeuze van de steiger en vlonder is van belang om de watersysteembelangen te waarborgen. Als gevolg van het falen van de steiger of vlonder, door bijvoorbeeld verzakking, onvoldoende sterkte of korte levensduur wordt de doorstroming belemmerd. Om dit te voorkomen moet gebruik gemaakt worden van het juiste materiaal. Voorzieningen moeten voldoende sterk zijn voor het doel wat ze dienen. Onderhoud Bij het aanbrengen van steigers en vlonders in en nabij oppervlaktewaterlichamen moet rekening worden gehouden met de wijze waarop onderhoud wordt uitgevoerd. In sommige gevallen worden de oppervlaktewaterlichamen varend onderhouden, wat tot gevolg heeft dat de hoogte van de steiger en vlonder ten aanzien van het hoogst vigerende peil van belang is.
In dit geval betreft een oever die niet in eigendom en beheer is bij het Waterschap, maar bij Rijkswaterstaat. Voorts is de waterkering verder landinwaarts gelegen. Er is 56
overleg gevoerd met zowel RWS en Waterschap Hollandse Delta. Er is een watervergunning nodig, die waarschijnlijk gecombineerd wordt verleend (RWS als verguninngverlener, het waterschap adviseert). Er vindt met het oog hierop doorlopend overleg plaats. Er is reeds een aantal aspecten onderscheidden. • •
•
• •
•
Alle werkzaamheden moeten 1 meter buiten de sloot blijven. In principe is het waterschap niet tegen bouwen in de beschermingszone mits de stabiliteit niet in gevaar komt en het profiel van de vrije ruimte niet in het geding is; dit moet worden aangetoond met stabiliteitsberekeningen. Het gaat niet alleen om de stabiliteit. Andere zaken zoals profiel van vrije ruimte spelen ook een rol. Voor WSHD maakt de omvang van het gebouw niet uit, aangezien de versnelde afvoer van hemelwater zal afstromen naar het Haringvliet, buiten de peilgrenzen van het waterschap). Het gaat vooral om de hoeveelheid heipalen (als die nodig zijn) en hoe die aangebracht worden; Voor het bouwen op de kering (= gebouw en terras) is een watervergunning nodig. Formeel gezien bevindt de WSDH beheergrens zich wat waterkeringen betreft niet bij de werken, de grens loopt tot circa de as van de kering, maar de werken kunnen effect hebben op de waterkering en zijn daarom vergunningsplichtig. Daarnaast bevindt de sloot bevindt zich buiten de beheergrenzen, maar zijn wel vermeld in de legger van het waterschap en daarmee kan een mogelijke vergunningsplicht ontstaan). Bomen zijn niet toegestaan op de kruin of talud van de dijk, deze moeten 5 meter buiten de teen van het profiel van de vrije ruimte blijven. Ook moet rekening worden gehouden met de ontgrondingskuil (fictieve schijf van 4 m).
Verder mogen er geen bomen op de kruin en in het talud komen.
Verkennend waterbodemonderzoek Gelet op de wens tot aanleg van de zwemsteiger is tevens verkennend waterbodemonderzoek verricht 10. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden bevond de waterbodem zich op een diepte variërend van circa 1,9 tot 3,1 m waterspiegel. Er is geen sliblaag aangetroffen op de waterbodem. De vaste waterbodem bestaat uit matig siltig, matig fijn zand. Daarnaast zijn alle monsters zwak tot sterk schelphoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. In de zandige waterbodem zijn lichte verontreinigingen aangetoond met cadmium, kwik, zink, minerale olie en PCB. Getoetst aan Besluit bodemkwaliteit (voor toepassing onder water), en heeft toepassingsklasse A, hetgeen betekend dat de kwaliteit toepasbaar is. De waterbodem vormt zodoende geen belemmering voor het plan.
10 Verkennend waterbodemonderzoek Hitstertse Kade, Econsultancy, 15 februari 2023
57
Conclusie Voornoemde aandachtspunten bevinden zich voornamelijk op het vlak van uitvoering. Er zal nog een watervergunning zal worden aangevraagd. Ten aanzien van de genoemde beleidsdocumenten en de hierin geformuleerde doelstellingen wordt ook geen belemmering gezien. Specifiek kan ook nog worden aangegeven, dat de doorvaarbaarheid van het Haringvliet niet in het geding is en het gebied als bergingsgebied bij overstromingen beschikbaar blijft. 4.3.3
Archeologie Wettelijk kader Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag van Malta in 1998 goedgekeurd. Het verdrag ziet toe op de bescherming van het Europees archeologisch erfgoed. Inmiddels is de Erfgoedwet. Een belangrijk uitgangspunt van het verdrag, en de nieuwe wet, is dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in de bodem (“in situ”) bewaard blijft. Alleen als het ongestoord bewaard blij-en van de archeologische resten in de bodem niet mogelijk is, moet de in de bodem aanwezige informatie door middel van opgravingen worden veiliggesteld. Een belangrijk uitgangspunt van het verdrag is de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening. In de wet is onder meer opgenomen dat de gemeenteraad bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Voor zover deze verplichting voor de gemeente leidt tot kosten als gevolg van het doen van opgravingen, kunnen deze kosten worden verhaald op degenen ten behoeve van wie medewerking wordt verleend (“deveroorzaker-betaalt”).
Van de aanvrager van een aanlegvergunning, een reguliere bouwvergunning, ontheffingsbesluit of bestemmingsplanherziening wordt verlangd dat hij/zij een rapport overlegt, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord, wordt vastgesteld en waarin duidelijk wordt gemaakt wat de gevolgen van de geplande bodemingreep zullen zijn voor het eventueel aanwezige bodemarchief. Dit advies dient te worden opgesteld door een gecertificeerd archeologisch bureau. Dat bureau dient zich te conformeren aan de Kwaliteitsnorm Archeologie (KNA). De aanvrager mag daarvoor zelf een keuze maken uit de erkende marktpartijen. Conform het veroorzakerprincipe zijn de kosten voor de bodemverstoorder c.q. aanvrager van vergunning, ontheffingsbesluit of bestemmingsplanherziening. In zijn algemeenheid geldt dat het bevoegd gezag bepaalt of met het rapport voldoende informatie is verzameld om een afgewogen oordeel te nemen over het vervolgtraject. Dit oordeel kan zijn dat geen verder onderzoek nodig is (vergunning kan worden verleend), behoud van archeologische waarde in situ (geen vergunning of aanpassing van het bouwplan) of verder onderzoek middels proefsleuven/boringen en/of opgraving. Beoordeling en conclusie In hoofdstuk 2 is ingegaan op de archeologische dubbelbestemmingen die ter plaatse gelden en of het plan hiermee strijd oplevert.
Dat is niet het geval, zodat geconcludeerd mag worden dat het niet aannemelijk is dat archeologische relicten in
58
het geding zijn. Er is desalniettemin een archeologisch bureauonderzoek verricht, als bijlage toegevoegd 11. Uit het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat er in het plangebied getijdenafzettingen van het Wormer Laagpakket worden verwacht, met daarop getijdenafzettingen van het Walcheren Laagpakket. Deze afzettingen hebben een lage verwachting voor archeologische resten uit respectievelijk het Mesolithicum/Neolithicum en de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. In het noorden van het plangebied liggen wel een aantal historische elementen uit de Nieuwe tijd (na 1653) met een archeologische waarde, namelijk de Buitendijk, de dijk van de Eendragtpolder met in het noordwesten van het plangebied mogelijk resten van historische bebouwing en een gedempt spuiwater met mogelijk resten van watergerelateerde zaken als beschoeiingen en duikers en ook resten van een dijk die aan de zuidkant heeft gelegen. Resten gerelateerd aan deze historische elementen zijn relatief jong, zijn mogelijk deels aangetast door inrichtingswerkzaamheden in het plangebied en worden naar verwachting minimaal aangetast door de voorgenomen ingrepen.
Vanwege de lage archeologische verwachting voor resten ouder dan de Nieuwe tijd en de beperkte waarde van resten uit de Nieuwe tijd in combinatie met de beperkte aantasting van deze resten, wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden. Hierbij is tevens gekeken naar onder andere de bommenkaart in verband met de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. De gemeente neemt dit advies over en geeft het terrein vrij. Archeologie werpt geen belemmeringen op voor wat betreft de uitvoering van het initiatief. Wel geldt altijd de zorgplicht, zoals vastgelegd in de Erfgoedwet, ofwel ‘meldingsplicht’, zoals vastgelegd in Artikel 5.10. Archeologische toevalsvondst: 1 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2 De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. 4.3.4
Cultuurhistorie Wettelijk kader Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
11 Bureauonderzoek archeologie Hitsertsekade, Econsultancy, 6 februari 2023
59
De locatie ligt binnen het polderlandschap van de Hoeksche Waard. De Hoeksche Waard is een eiland dat omringd wordt door brede voormalige zeearmen aan de zuidzijde en smallere rivierarmen aan de noordzijde. Deze vier wateren hebben allen een eigen karakteristiek. Langs de randen van het eiland, tegen de buitendijk aan, liggen de buitendijkse gebieden. Dit zijn veelal natuurgebieden. Ze staan met hun natuurlijke karakter in sterk contrast met de strak verkavelde, agrarische polders binnendijks. Op de randen van het eiland komen de twee werelden bij elkaar. De buitendijk vormt hier een belangrijke structuurdrager vanwaar beide werelden beleefbaar zijn. Ontstaansgeschiedenis Uit recente archeologische vondsten is gebleken dat de Hoeksche Waard in de Romeinse tijd (omstreeks 1e tot 4e eeuw na Chr.) een belangrijke positie innam door de ligging in een streek waar grote Europese rivieren samenkwamen. Transport over water was toen nog belangrijker dan nu, zowel voor de handel als in militair opzicht. Hierdoor was de streek dichtbevolkt en welvarend. De loop van de rivieren was heel anders dan nu. De Maas stroomde van het tegenwoordige ’s Gravendeel via Maasdam en Westmaas naar de oostpunt van het eiland Putten, om samen te vloeien met de Waal.
Al ver voor de Sint-Elisabethsvloed van 1421, zeker al vanaf 2000 voor Christus, waren de hogere oeverwallen langs de rivieren en kreken bewoond. De Binnenbedijkte Maas is nu nog het enig zichtbare restant van het oorspronkelijke rivierensysteem. In de ondergrond zijn echter nog veel meer sporen terug te vinden. De oude oeverwallen hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde. Tot ongeveer 400 voor Christus werden tussen de rivierarmen grote veenpakketten gevormd die al vroeg bewoond en ontgonnen werden. Later werden bij rivier- en zeeinbraken kleilagen op het veen afgezet.
Historische kaart Hoeksche Waard De Sint-Elisabethsvloed in 1421 is een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de Hoeksche Waard. Een groot deel van het toen al ingepolderde land rond Dordrecht kwam onder water te staan. De Groote Waard, een samenvoeging van kleine inpolderingen rondom Dordrecht verdween. De Keizersdijk tussen Strijen en Maasdam doorstond de vloed en ook de Sint Anthonypolder bleef gespaard. Na de 60
vloedgolf moest een groot deel van de Hoeksche Waard opnieuw worden bedijkt. Men begon met het bedijken van droogvallende zandplaten. Deze vaak ovale en ronde zandplaten ontstonden op plekken waar geen of weinig stroming was. Zodra zich hier vegetatie ontwikkelde, werden deze platen voorzien van een kade. Zo ontstonden de opwaspolders van Oude Korendijk, Oud-Piershil en Oud-Heinenoord. Aan de randen van deze opwassen ontstonden aanwaspolders. Deze langgerekte polders zijn ontstaan door aanslibbing van zand en klei tegen de zeewerende dijk van een bestaande polder. Een aanwaspolder ligt als een halfronde schil tegen een opwas en loopt evenwijdig aan de getijdengeul. Het eiland is dus niet ontstaan vanuit één kern maar vanuit meerdere kernen (opwassen) tegelijk. Door de verschillende aanwassen zijn de kernen aan elkaar gegroeid tot één eiland, de Hoeksche Waard. De structuur van op- en aanwaspolders is duidelijk afleesbaar door de dijken, al dan niet beplant met meerdere rijen bomen. De dijken zijn zeer kenmerkend voor het landschap van de Hoeksche Waard.
Karakteristieke dijk Hoeksche Waard De bodem van de Hoeksche Waard bestaat uit een bovenlaag van zeeklei of zandige klei op een ondergrond van veen. De dikte van zowel de kleilaag als de veenlaag verschilt, soms ligt het veen aan de oppervlakte. In de oude opwaspolders ligt er een dunne laag klei op een dik veen pakket. In de jongere aanwaspolders is door de overstroming tijdens de Sint-Elisabethsvloed meer klei afgezet. De eerste bewoning ontstond rondom de dijken. Boerderijen werden aan de voormalige zeezijde van de dijk gebouwd. In het hoogste gedeelte van een nieuwe polder waren de risico’s bij een overstroming het kleinst. Toen de bedijkingen en de waterbeheersing beter werden, durfden de boeren zich ook in de lagere delen van de polder te vestigen. De boerderijen werden dan bij voorkeur langs een geul of kreek gebouwd, zodat vervoer over water mogelijk was als de onverharde kleiwegen door heftige regenval niet begaanbaar waren. In navolging van de boerderijen vestigden nieuwe bewoners zich langs de dijken, aan de rand van de lager gelegen polders. Een aantal van deze kleinere dijkdorpen groeide door tot zogenaamde voorstraatdorpen. Er werd dan een kerk in de polder gebouwd op enige honderden meters afstand van de dijk. Tussen de dijk en de kerk werd een brede voorstraat aangelegd, hierlangs kwamen de grootste huizen van het dorp te staan.
De voorstraat- en dijkdorpen zijn 61
zeer kenmerkend voor het bedijkingenlandschap van de Hoeksche Waard. Daarnaast zijn er enkele rivierrug-en kreekrugdorpen, deze dorpen zijn ontstaan op de oeverwallen van een kreek (Goudswaard en Strijen Sas) of rivierarm. Daarnaast ontstonden er dorpen vanuit een Middeleeuwse terp (Strijen) of een dam (Maasdam en Westmaas). De relatie met het water is door de eeuwen heen veranderd. Van oorsprong lagen bijna alle dorpen in de Hoeksche Waard aan het open water. Dit zorgde immers voor handel en werkgelegenheid. Als gevolg van de inpolderingen van nieuwe aanwassen dreigden de dorpen echter van het open water te worden afgesloten. Door het nieuw gewonnen land groef men dan een kanaal als verbinding tussen het oude dorp en de zee, een zogenaamd havenkanaal of havengeul. In 1953 werd de Hoeksche Waard echter getroffen door de Watersnoodramp waarbij vooral het zuidelijke en westelijke deel werden getroffen. De Ambachtsheerlijkheid Cromstrijen en Numansdorp werden het zwaarst getroffen. De rivierdijk werd verhoogd om het eiland te beschermen. Als gevolg hiervan raakten de dorpen afgesneden van het water. De laatste jaren wordt het water echter weer opgezocht. Buitendijkse milieus zijn erg in trek vanwege de grote ruimtelijke kwaliteit. De Hoeksche Waard is door de geïsoleerde ligging en de dreiging van het water lang een dunbevolkt gebied gebleven.