CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 ROB 14 april

Beeldvormende bijeenkomst 9 mei 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Herinrichting Hitsertse kade Zuid-Beijerland18.796 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing

Revitalisatie Hitsertse kade Gemeente Hoeksche Waard

IDN: NL.IMRO.1963.OVHitserseKadeZB22-ON01

Datum: 14 april 2023

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

2

Het initiatief

Huidige situatie Toekomstige situatie Geldend bestemmingsplan

6

6 8 14

3

Beleid

21

4

Milieu- en omgevingsaspecten

41

5

Economische uitvoerbaarheid

66

6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

67

1.1 1.2 1.3 1.4

2.1 2.2 2.3

3.1 3.2 3.3

4.1 4.2 4.3

6.1 6.2

Aanleiding Besluitgebied Doelstelling Leeswijzer

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

Inleiding Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

Vooroverleg Zienswijzen

Bijlagen

1. Quick scan ecologie Hitsertse kade te Zuid-Beijerland, Blom ecologie, 23 juni 2022 2. Ecologische voortoets Hitsertse kade te Zuid-Beijerland, Blom ecologie, 22 augustus 2022 3. Wintercheck Hitsertse Kade Zuid-Beijerland, SAB, 30 januari 2023 4. Verkennend bodemonderzoek Hitsertse kade, Econsultancy, 2 februari 2023 5. Archeologisch bureauonderzoek Hitsertsekade, Econsultancy, 6 februari 2023 6. Verkennend waterbodemonderzoek Hitstertse Kade, Econsultancy, 15 februari 2023 7. Stikstofberekening Hitsertsekade, VdZ Ruimtelijk Advies, 17 februari 2023 8. Voorontwerp Hitsertse kade, Road architecten, 3 april 2023

3 3 4 5

21 26 36

41 41 49

67 67

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Hitsertse kade in de gemeente Hoeksche Waard is een kleinschalige recreatieve voorziening gelegen (ook wel bekend als de Kaai), bestaande uit een grasveld, zwemplaats, steiger, mobiele snackbar en enkele speelgelegenheden. Het terrein maakt een verouderde indruk en zou gerevitaliseerd kunnen worden. Het terrein beschikt gezien de ligging aan het Haringvliet namelijk over voldoende recreatieve potentie en wordt gedurende met name het zomerseizoen goed gebruikt. De aantrekkingskracht heeft vooral een lokale, en deels regionale karakter. Dit heeft te maken met de matige bereikbaarheid, de kleinschaligheid en relatieve onbekendheid van het terrein. De bedoeling is dat na revitalisatie een modern recreatief product aangeboden kan worden, maar het huidige kleinschalige karakter en verzorgingsgebied behouden blijft. Er is hiertoe een plan ontwikkeld in een samenwerkingsverband tussen de gemeente Hoeksche Waard en Vogelbescherming, zie hiervoor hoofdstuk 2. Belangrijkste elementen zijn een nieuwe steiger met toren op het eind~in het Haringvliet en een nieuwe horecavoorziening. Een aantal onderdelen van dit plan is in strijd met het bestemmingsplan, zie hiervoor paragraaf 2.3. Nu het gaat om een ruimtelijk gewenste ontwikkeling, kan er medewerking worden verleend aan het plan. Dit gebeurt met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 van de Wabo.

Toepassing van dit wetsartikel vereist een “ruimtelijke onderbouwing”. Dit document voorziet daarin.

1.2

Besluitgebied Het besluitgebied is gelegen aan het Haringvliet en omvat het huidige recreatieterrein de Hitsertse kade in de gemeente Hoeksche Waard, even ten zuiden van het dorp Zuid-Beijerland en even ten noord(oosten) van het eiland Tiengemeten. Een deel van het Haringvliet is tevens opgenomen. De noordelijke grens wordt gevormd door het slootje dat hier loopt (deze valt dus niet in het plangebied). De jachthaven ten westen van het terrein, en het natuurterrein ten oosten, vallen niet onder het plangebied.

(globale) ligging plangebied 3

Plangebied exclusief toegangsweg Het plangebied meet 15.620 m2 exclusief water, maar inclusief toegangsweg en staat kadastraal bekend BEL02-K-463.

Uitsnede kadastrale kaart

1.3

Doelstelling De ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel van het besluit op basis waarvan de diverse elementen uit het plan planologisch mogelijk worden gemaakt. Voor een aantal elementen is daarnaast ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig (namelijk de nieuwe steiger met toren en de horecavoorziening). Deze worden separaat aangevraagd.

4

1.4

Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing geeft aan waaruit het plan bestaat, en geeft de resultaten van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid weer. De ruimtelijke onderbouwing zoals bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in navolging hiervan als volgt opgebouwd: hoofdstuk 1 is de inleiding. Na de beschrijving van het plan, het plangebied en de onderbouwing staat in hoofdstuk 2 de onderbouwing van het plan beschreven. In de navolgende hoofdstukken wordt getoetst of het initiatief uitvoerbaar is. Onderscheiden worden achtereenvolgens een toets aan het relevante ruimtelijke beleid van diverse overheden, milieu- en omgevingsaspecten, financieeleconomische en tot slot maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2

Het initiatief

2.1

Huidige situatie Het ontstaan van de Hitsertse kade/ de Kaai (dit betekent simpelweg kade) moet bezien worden in de ontwikkelingsgeschiedenis van het eiland (zie verder paragraaf 4.3.4. Door de bevolkingstoename nam ook de behoefte aan recreatieve voorzieningen toe. Maar, door de rust, lage bevolkingsdichtheid en relatief matige bereikbaarheid, is het van een grootschalig op massatoerisme gerichte voorziening nooit gekomen. Het terrein is er vooral voor de lokale bevolking en kent een zeer kleinschalig en tegelijk laagdrempelig en informeel karakter. Rond 1960 wilde de Rijksoverheid een tweede Nationale luchthaven aanleggen op Tiengemeten en aan de Zuid-Beijerlands kant zou dan een grote uitbreiding van de Rotterdamse Haven komen. Door de afsluiting van het Haringvliet en de opkomende belangstelling voor natuur en recreatie ging dat niet door. Tussen Gors en Ambachtsheerlijkheid van Zuid Beijerland en de gemeente Zuid Beijerland werd vervolgens 40 jaar geleden een erfpachtovereenkomst afgesloten. Er waren géén voorzieningen maar de buurtbewoners konden er wel recreëren.

Impressie Hitsertse Kade De naam verwijst naar de oude naam voor de voormalige Ambachtsheerlijkheid van Zuid Beijerland, vroeger ook wel Ambachtsheerlijkheid van den Hitsert genoemd. Vanaf de Zuidzijdsedijk in het Noorden tot aan het Haringvliet in het Zuiden werd eeuwenlang grond ingepolderd. De ingepolderde gorzen werden verkocht. Ambachtsheren werden daarom ook wel gorsheren genoemd. Het eigendom van de dijken bleef bij de Ambachtsheerlijkheid, de nazaten en opvolgers van degenen aan wie de Rooms-Koning van het Bourgondische rijk de platen en gorzen in het Haringvliet had geschonken of verkocht. De bedoeling was de Hitsertse kade ook in te polderen Maar na het leggen van een zomerkade in de 18e eeuw heeft men hiervan afgezien. De verkaveling van de buitendijkse gebieden is daardoor bijna ongewijzigd is gebleven. Het is daarmee een van de meest oorspronkelijke stukjes van de Hoeksche Waard. De Hitsertse kade is buitendijks gelegen en dus in gebruik als dagrecreatieve voorziening en deze voorziening is vele decennia aanwezig. Er zijn aanwezig een recreatief grasveld, een zwemvoorziening met ballenlijn, een steiger, een pierebad, een horecapaviljoen, enkele speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Het gaat om 75 parkeerplaatsen en 2 parkeerplaatsen voor mindervaliden. Ook fietsenrekken 6

zijn aanwezig, alsook elektriciteit, waterleiding, riolering en een twee toiletunits. Nabij ligt de jachthaven WSV (ten westen) en ten oosten ligt het natuurgebiedje Slobbegors. De huidige bezoekers zijn vooral afkomstig uit de omliggende dorpen zoals ZuidBeijerland, Nieuwendijk en Numansdorp, maar zeker bij mooi weer heeft de locatie ook regionaal van waarde, bijvoorbeeld voor surfers die aanleggen. Er is sprake van een weids uitzicht op de Haringvliet en het eiland Tiengemeten. Op enige afstand is de Haringvlietbrug zichtbaar.

Huidige steiger, wordt verwijderd

Huidige horecavoorziening, wordt verwijderd

Overzicht Hitsertse kade

7

Foto huidige steiger

2.2

Toekomstige situatie Zoals aangegeven, bestaat de wens het huidige recreatieterrein te revitaliseren zodat er een modern recreatieterrein ontstaat, passend bij deze tijd. Daartoe wordt de verouderde steiger verwijderd en vervangen door een nieuwe, uitmondend in een uitkijktoren in het Haringvliet. Het drijvende deel van de huidige steiger wordt op dit moment naar Tiengemeten gevaren in de winterperiode. De nieuwe steiger wordt zo gebouwd dat dit niet nodig is. Verder wordt de steiger zo ontworpen dat eventuele vogelpoep niet blijft hangen in het zwemwater maar daar door stroming uit wegdrijft. De huidige mobiele horecavoorziening wordt ook verwijderd en vervangen door een moderner gebouw (‘paviljoen’), passend in de omgeving. Verder worden de huidige basaltblokken in de oever vervangen door een trap, zodat men eenvoudiger het water kan betreden. Het zwemgebied wordt wat vergroot en met het oog hierop wordt ook de ballenlijn verlegd. De doelgroep en sfeer die men voor ogen heeft zijn min of meer gelijk aan de huidige: men richt zich op jonge gezinnen, senioren, vogelaars, watersporters, natuurliefhebbers en wandelaars en fietsers. Rust, gemoedelijkheid en kleinschaligheid moeten de locatie blijven karakteriseren net als nu.

Daartoe zal: • het aantal parkeerplaatsen niet worden uitgebreid, zodat de locatie als vanzelf tegen een maximale capaciteit en daarmee verkeersaantrekkende werking aanloopt. • De oppervlakte van de horecavoorziening beperkt blijven (ca 172 m2 inclusief openbare toilet- en wasvoorziening), met ca. 160 m2 buitenterras en het aanbod gerelateerd zijn aan de openingstijden van de Hitsertse kade (het

8

• •

•

• •

wordt dus geen zelfstandig restaurant). Het gaat om lichte horeca 1. Het vloerniveau van de horecagelegenheid en daarmee ook de openbare sanitaire voorziening heeft vrijwel dezelfde hoogte als pierebad. Dit betekent dat het vloerniveau circa +700mm tov het huidige maaiveld ligt. Grote boten en waterscooters worden niet toegelaten; de steiger zal zodanig ontworpen worden dat deze hier niet voor geschikt is; Er komt geen hellingbaan, zodat er ter plaatse geen boten te water gelaten kunnen worden; het gaat slechts om het afmeren van bootjes, afkomstig van elders. Er worden geen aanpassingen in de infrastructuur aangebracht om de locatie beter bereikbaar te maken, noch komen er in de omgeving aanvullende informatieborden, noch zal er extra reclame voor het terrein worden gemaakt. Het gebruik van het terrein zal naar verwachting buiten het zomerseizoen zich kenmerken door een lage intensiteit. De toren wordt 12 m hoog en door het deels transparante ontwerp vanaf het Haringvliet geen negatief significante effecten op de beleving van de openheid hebben. Vanaf de polder zal er nauwelijks zicht zijn op de toren, hooguit het bovenste deel. Dit komt omdat het terrein met een vrij hoge dijken hoge bosschages is afgeschermd richting de polder. Er mag niet van de toren het water in gesprongen worden.

Tot het moment dat er een definitief horecagebouw met exploitant er is wordt een tijdelijke voorziening aangeboden. Die bestaat eruit dat een klein deel van het gebouw (het openbare toilet en de douche) er al komt, met daarnaast aansluitingen op water, riool en elektra om het tijdelijk laten plaatsen van voorzieningen zoals foodtrucks mogelijk te maken. De planelementen zijn in een voorontwerp vervat, als bijlage toegevoegd 2. Het ontwerp bestaat uit een eenduidige landschappelijk ingreep die de plek organiseert en een aantal gewenste functies koppelt. Deze ingreep bestaat uit een lange steiger die over het terrein het water loopt en alle gewenste bouwkundige ingrepen en voornoemde voorzieningen koppelt. De steiger verdeelt het terrein in tweeën, zodat de zonneweide afgescheiden wordt van het parkeerterrein. Langs de steiger komt een afscheiding die ook dienst doet als speel- en sporttoestellen. De horeca is ondergeschikt aan de plek en staat achter op het terrein. Het is een eenvoudig gebouw van 1 laag. Wat betreft de materialisering wordt aangesloten

1 •

'lichte horeca’: bedrijven die, gelet op hun activiteiten en de aard van de omgeving, overwegend overdag en 's avonds zijn geopend en in hoofdzaak etenswaren en maaltijden verstrekken. Zij veroorzaken hierdoor slechts beperkte hinder voor omwonenden: restaurants, cafetaria's, ijssalons en dergelijke. In deze categorie zijn de volgende subcategorieën onderscheiden:

•

1a. qua exploitatie aan detailhandelsfunctie verwante horeca die in de praktijk nauwelijks van de eigenlijke detailhandel kunnen worden onderscheiden zoals ijssalons, cafetaria's, snackbars en dergelijke;

• •

1b. overige lichte horeca: restaurants, pensions en dergelijke; 1c. bedrijven met een relatief grote verkeer aantrekkende werking: grotere restaurants, restaurant met bezorg- en/of afhaalservice (o.a. pizza, chinees, drive-in);

2Voorontwerp Hitsertse kade, Road architecten, 3 april 2023

9

bij een aantal andere objecten in en rond het Haringvliet (Tij, Bliek, De Zeemol). Dat betekent dat alles wordt uitgevoerd in tweedehands Azobé steenschotten. Dus de dekken van de steigers, de gevels van de toren, de terrassen en gevels van de horeca worden allemaal hierin uitgevoerd. Om goed weg te kunnen komen vanaf de surfplaats loopt de huidige ballenlijn schuin weg richting zuidoosten. Dit is nodig om bij wind vanuit het zuiden het water op te kunnen komen. De steiger doorbreekt deze lijn en maakt dit helaas lastiger. Als de wind uit andere richtingen komt kan de surfplaats nog goed gebruikt worden. In de komende periode zal het projectteam onderzoeken of er een mogelijkheid is om de surfplaats iets richting het westen te verplaatsen. Zie navolgende situatieschets, impressies en plattegronden.

Situatieschets nieuwe situatie, Road architecten

10

Impressies nieuwe situatie, Road architecten

11

Impressies, Road architecten

12

Plattegrond paviljoen, Road architecten

Verkeer en parkeren Hoewel de insteek zoals aangegeven is de kleinschalig te behouden, kan op voorhand beredeneerd worden dat als gevolg van de opwaardering en de kwalitatief hoogwaardige(r) horecavoorziening, de aantrekkingskracht van het gebied groter wordt en als gevolg daarvan een hoger bezoekersaantal met dus een hogere verkeersgeneratie. Om hoeveel verkeersbewegingen het exact gaat, is op voorhand alleen in te schatten. Het gaat om een zeer specifieke locatie en functie, die bovendien niet benoemd zijn in de publicatie VNG-publicatie CROW Publicatie Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen (publicatie 381, 2018) (benoemd zijn wel restaurants doch voor restaurants in het buitengebied worden geen kengetallen voor verkeer gegeven). Voor wat betreft parkeren is de reële verwachting dat er voldoende capaciteit is om ook in de nieuwe situatie te voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Zie verder paragraaf 4.3.5. Er komt net als in de huidige situatie een duidelijke scheiding tussen het verkeer/parkeerdeel en het recreatiedeel. Dit komt de belevingswaarde (rust) ten goede. Diverse verouderde elementen, zoals de fietsenrekken, afvalbakken en speelvoorzieningen worden vervangen en er worden enkele aan toegevoegd. Meest in het oog springend is een nieuwe horecavoorziening met terras, een nieuwe steiger met uitkijktoren en een zwemtrap in de oever.

Het gaat om een lichte horeca voorziening. Het zal niet worden toegestaan van de toren het water in te springen. De steiger wordt breder en langer dan de bestaande en mede met het oog hierop wordt de ballenlijn ook verlegd. De steiger wordt geschikt als visserplaats en aanlegplaats voor kleine bootjes. Een aantal bomen is verouderd maar geven wel 13

schaduw en dragen dus bij aan de recreatieve waarde. Er zal een verjongingsstrategie worden gehanteerd teneinde gericht enkele bomen te vervangen, indien nodig. Hoewel het natuurgebiedje de Slobbegors niet bij het plan wordt betrokken en onaangetast blijft, doet zich wel nadrukkelijk de mogelijkheid voor vanuit de Hitsertse kade educatieve activiteiten te ontplooien met betrekking tot het natuurgebiedje. Met de voorgestelde maatregelen wordt het voorbestaan van een waardevolle recreatieve voorziening bestendigd. Bovendien wordt een betere basis gelegd te genieten van de natuur. Niet alleen door de uitkijktoren, die bijvoorbeeld door vogelspotters gebruikt kan/ zal worden, maar ook de belevingswaarde van het Haringvliet de Slobbegors zal toenemen. De natuur- en landschapswaarden blijven c.q. worden herkenbaar(der) en in het algemeen kan gesteld worden dat de erkenning van bepaalde waarden leidt tot een grotere zekerheid omtrent behoud en onderhoud er van. Op die manier houdt het plan dus een positieve invloed in op zowel recreatieve, natuur als landschapswaarden. Voorts blijft de kleinschalig zoals aangegeven behouden en worden de kernkwaliteiten van de Hoeksche Waard (rust, openheid, dijkenpatroon) niet aangetast. In het bijzonder kan daarover worden aangegeven dat het terrein schuil gaat achter vrij dikke, hoogopgaande beplanting en het dijklichaam.

Vanaf de polders zal het terrein niet of nauwelijks zichtbaar blijven, dat geldt ook goeddeels voor de uitkijktoren. Deze wordt zorgvuldig ontworpen, zodat deze een niet al te robuust maar eerder een slank voorkomen krijgt. De revitalisatie past voorts in de door de regio geformuleerde doelstellingen. De ambitie is immers gesteld om de buitendijkse natuurgebieden langs de randen van de Hoeksche Waard aan elkaar te koppelen tot een doorgaande natuurlijke oeverzone met een belangrijke ecologische betekenis, die ook voor recreatie en toerisme veel mogelijkheden biedt (zie verder hoofdstuk 3). Het plan is verder afgestemd met de waterbeheerder, Rijkswaterstaat, alsook het waterschap Hollandse Delta en de provincie Zuid-Holland. Er spelen vanwege deze instanties meerdere belangen, waarover meer in -met name – de waterparagraaf 4.3.2, lijken er op voorhand geen belemmeringen te bestaan die met gedegen onderzoek niet weggenomen kunnen worden. De meeste belangen en overwegingen moeten uiteindelijk beslag krijgen in een watervergunning (gecombineerd verleend door Rijkswaterstaat met advies van het waterschap). Voor het ruimtelijke spoor is de haalbaarheid daarmee voldoende aangetoond en kan er daarom medewerking worden verleend. In navolgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op ruimtelijk relevant beleid van diverse overheden en milieu- en omgevingsaspecten.

2.3

Geldend bestemmingsplan Primair geldt het bestemmingsplan Buitengebied Korendijk, vastgesteld op 25 juni 2013. Voor het deel op het vasteland is een bestemming Recreatie – Dagrecreatie met een aanduiding specifiek vorm van recreatie -1 van toepassing. Er gelden ook dubbelbestemmingen te weten Waarde- Archeologie 2, Waarde-Archeologie 3 en Waterstaat-Waterstaatsdoeleinden. Voor het deel dat in het Haringvliet valt geldt een bestemming Water met aanduiding natuur- en landschapswaarden en een dubbelbestemming Waterstaat-Waterstaatsdoeleinden.

14

De voor ‘Recreatie - Dagrecreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. recreatieve voorzieningen zoals genoemd in de Tabel Recreatie Dagrecreatie, waarbij niet meer dan één recreatiebedrijf aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak; b. evenementen; c. (..) d. voorzieningen, zoals groen, tuinen, terras, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, (onverharde) paden, wegen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Voor de Hitsertse kade is qua bouwen het volgende toegestaan:

15

16

Uitsneden geldend bestemmingsplan Buitengebied Korendijk

17

De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bouwen is niet toegestaan tenzij het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Voor gronden met de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 geldt dezelfde regeling, met dien verstande dat de uitzondering als hierboven vermeld onder c2 10 ha bedraagt. De voor ‘Waterstaat – Waterstaatsdoeleinden’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de afvoer en doorstroming van water. a. In of op de als zodanig bestemde gronden mag uitsluitend ten behoeve van de in sub b genoemde riviergebonden en de in sub c genoemde nietriviergebonden activiteiten worden gebouwd, mits de andere aan deze gronden gegeven bestemmingen dit toelaten. b. De riviergebonden activiteiten zijn: 1.

de aanleg of wijziging van waterstaatkundige (kunst)werken; 2. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart; 3. de bouw of wijziging van scheepswerven; 4. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier; 5. de aanleg of wijziging van scheepswerven; 6. de realisatie van natuur; 7. de uitbreiding van bestaande steenfabrieken; 8. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden, of 9. de winning van oppervlaktedelfstoffen. c. De niet-riviergebonden activiteiten betreffen: 1. een groot openbaar belang en de activiteit kan redelijkerwijs niet buiten het rivierbed worden gerealiseerd; 2. een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en de activiteit kan redelijkerwijs niet buiten het rivierbed worden gerealiseerd; 3. een functieverandering binnen de bestaande bebouwing; of 4. een activiteit die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie. De activiteiten genoemd in sub b en c zijn toegestaan als het veilig functioneren va het waterstaatwerk gewaarborgd blijft; er mag geen sprake zijn van een 18

feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit en er moet sprake zijn van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is In afwijking is een aantal kleine, tijdelijke of voor het rivierbeheer noodzakelijke activiteiten toegestaan. Deze betreffen: 1. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10% van de bestaande bebouwing; 2. overige activiteiten van, vanuit rivierkundig opzicht, ondergeschikt belang; 3. activiteiten ten behoeve van rivierbeheer- of -verruiming; 4. tijdelijke activiteiten, Medewerking kan slechts worden verleend na het bereiken van overeenstemming met de rivierbeheerder. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. Het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen. b. Het uitvoeren van graafwerkzaamheden. c. Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem. d. Het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen. e. Het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water ten behoeve van de waterhuishouding; b.

behoud, herstel en ontwikkeling van natuur– en landschapswaarden ter plaatse van de aanduiding ‘natuur- en landschapswaarden’; c. (..) Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en aanlegsteigers worden gebouwd. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding ‘natuur- en landschapswaarden’: a. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins wijzigen van wateren; b. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds; c. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;

19

e. het aanleggen van boven– of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het verwijderen van oevervegetaties. Voor een deel van het plangebied geldt een 1e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Korendijk is vastgesteld op 17 maart 2015. Relevant voor dit plan is dat de regeling voor de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3 is aangepast in die zin, dat de uitzondering voor het verrichten van archeologisch onderzoek is bijgesteld van 10ha naar 500 m2. Nu er ter plaatse van de Hitsertse kade ter plaatse van de bestemming Recreatie – Dagrecreatie niet gebouwd mag worden, is het realiseren van een horecavoorziening in strijd met deze bestemming. De steiger betreft geen gebouw, maar een bouwwerk, geen gebouw zijnde, wordt niet hoger dan 3 m en is dus passend binnen de bestemming. Wel ontstaat strijd met de dubbelbestemming Waterstaat-Waterkering, nu het realiseren van recreatieve voorzieningen niet expliciet is benoemd als (niet) gebonden rivieractiviteit die is toegestaan. Er is met het oog hierop afstemming gezocht met de beheerder, in dit geval Rijkswaterstaat. Zie hiervoor hoofdstuk 6. Het realiseren van een steiger is wel toegestaan binnen de bestemming Water, maar een uitkijktoren niet.

De dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 2 en 3 leveren geen strijd op omdat het te realiseren horecagebouw en de uitkijktoren beiden alsook cumulatief onder de ‘vrijstellingsgrens’ van 500 m2 blijven en voor de steiger geen grondroerende werkzaamheden dieper dan 50 cm vereist zijn.

20

3

Beleid

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.

sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemd in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna. Relevant voor dit plan zijn belang 14 Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) en 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Situatie plangebied Het Haringvliet betreft geen Rijksvaarweg maar is in het Barro wel opgenomen in het werkingsgebied Grote rivieren, zie paragraaf hierna. Voor de waterbeheerder Rijkswaterstaat zijn er meerdere belangen, maar deze zijn niet als landelijk belang

21

aan te merken, er wordt daarom in de waterparagraaf 4.3.2 nader op ingegaan. Het plan is niet in strijd met de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de NOVI te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Beoordeling en conclusie Het plan valt zoals aangegeven binnen het werkingsgebied Grote Rivieren.

In het plangebied is slechts sprake van een rivierbed, niet van een stroomvoerend deel, zie navolgende kaart. Om die reden zijn de regels uit het Barro met betrekking tot het stroomvoerend deel hierna niet benoemd; wel relevant is het volgende: Artikel 2.4.3 (rivierbed) 1. Een bestemmingsplan wijst ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van: • een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; • geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; • een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en • een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.

22

2. Bij toepassing van het eerste lid worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen gecompenseerd. In een bestemmingsplan wordt vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd. Artikel 2.4.4 (stroomvoerend deel rivierbed) (..) Artikel 2.4.5 (stroomvoerend deel rivierbed, niet riviergebonden activiteiten met per saldo meer ruimte voor de rivier) (..) Artikel 2.4.6 (aanwijzing en begrenzing gebiedsreserveringen voor de lange termijn) (..) Artikel 2.4.7 (geen grootschalige en kapitaalintensieve ontwikkelingen in bestemmingsplannen) Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op reservering van een gebied voor de lange termijn bevat geen wijziging van de bestemming die ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan kan leiden tot grootschalige of kapitaalintensieve ontwikkelingen die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen belemmeren. Beoordeling en conclusie De ontwikkeling voorziet niet in de wijziging van de bestemming, deze is en blijft recreatie-dagrecreatie. Wel kan worden aangegeven dat de veiligheid een belangrijk aandachtspunt is. Het Haringvliet is geen hoofdwaterloop maar kent wel een vaargeul waar de ontwikkeling buiten blijft. In het water is de vaargeul zichtbaar door de rode en groene boeien.

Grofweg moet het plan buiten het havenhoofd van de jachthaven en de uiterste punt van de kribbe ten oosten van de kade blijven, zie blauwe lijn hieronder. De steiger wordt ca. 55 m en zal daarom buiten deze zone blijven.

Oeverlijn Haringvliet (Vuile Gat)

23

In de vaargeul en daarbuiten kan snel gevaren worden, de steiger moet dus bestand zijn tegen golfslag veroorzaakt door snelvaren en die golfslag is verschillend per type boot. Maatregelen zijn bijvoorbeeld een houten plank aan de onderzijde van de steiger en zorgen dat boten alleen aan de binnenzijde (aan de landzijde) kunnen afmeren. Naast die golfslag van varen kan het ook flink stormen op het Haringvliet en ook daar moet de constructie tegen bestand zijn. Er moet ook rekening gehouden worden met (kruiend) ijs. Het Haringvliet kan dichtvriezen, RWS houdt het niet open. Hiertoe wordt onderzocht of (delen van) de steiger in de winter uit het water kunnen worden gehaald; een andere mogelijkheid is het afsluiten van de steiger gedurende de winter middels een hekwerk. Net voorbij de jachthaven en tot het traject van de pont loopt een testroute voor diverse soorten boten. Hier wordt bij nieuw in de vaart genomen boten getest of zij daadwerkelijk voldoen aan de specificaties. Ook dit veroorzaakt golfslag. Over de waterbergende functie kan worden aangegeven dat deze niet wordt aangetast als gevolg van het plan. Oftewel bij overstroming kan het terrein net als nu onder water komen te staan, er worden hiertoe in het plan geen belemmeringen opgeworpen.

Mogelijk zal een nautisch onderzoek worden overlegd als RWS dit eist als onderdeel van de benodigde watervergunning, teneinde dieper in te gaan op voornoemde aspecten. Voor het ruimtelijk spoor is de haalbaarheid voldoende aangetoond.

24

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de 25

ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Beoordeling en conclusie Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder.

Uit enkele uitspraken (zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4) blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Een uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 400 m² wordt ook niet gezien als geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442) en dat geldt ook voor de uitbreiding van een kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319). Gelet hierop valt de ontwikkeling zoals vervat in dit plan niet als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder aan te merken; de diverse functies zijn immers reeds aanwezig en de toename aan gebouwen blijft ruimschoots onder de grenswaarden voor uitbreiding van bedrijfsgebouwen en kantoren.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019) Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn er operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

26

De ruimtelijke koers die men wil varen laat zich als volgt omschrijven: een sterk ZuidHolland is een slim en schoon Zuid-Holland. Er moet ruimte voor ontwikkeling zijn met waarborg kwaliteit. Daarbij zijn zes ambities benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid sluiten we aan op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Omgevingskwaliteit is het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Het gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. De basis hiervoor is gelegd in de volgende onderdelen van ‘omgevingskwaliteit’: - Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken. - Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, waarin ook aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling.

Hiertoe implementeren we een integrale beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit voor toekomstige kwaliteitsverbetering. - Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. In de bijlage zijn de ‘kwaliteitskaart’ en de ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’ opgenomen, behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen: 1. Laag van de ondergrond 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen 3. Laag van de stedelijke occupatie 4. Laag van de beleving

27

Op de ruimtelijk kwaliteitskaart ligt het plangebied op de kaart van cultuur- en natuurlandschappen in het rivierenlandschap..

Ruimtelijke kwaliteitskaart Relevant zijn voorts de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt binnen het gebiedsprofiel Hoeksche Waard en daarbinnen binnen onderscheidend riviergebied.

Gebiedsprofiel Hoeksche Waard

28

Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Drie soorten ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: - De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. - Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.

Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling; inpassing, aanpassing en transformatie.

Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet, zoals bij de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed. Aanpassing is sterk gericht op het vergroten van de gebruikswaarde van een gebied. Bewoners en gebruikers uit de bestaande

29

omgeving merken duidelijk de invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied, een nieuwe gebiedsidentiteit, gebaseerd op nieuwe kwaliteiten, structuren en kenmerken. De impact van deze plannen op een gebied is enorm. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is de rol van de provincie groot omdat bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding is. De betrokkenheid van de provincie zal gericht zijn op een actieve behartiging van die doelen en op een kwalitatief zo goed mogelijk resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat.

In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Beschermingscategorieën De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, waardeert de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Er wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar ook onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Beoordeling en conclusie Via de aan het plangebied toegekende aanduiding ‘Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit’ wordt verwezen naar de ‘kwaliteitskaart’, die een aantal lagen kent.

Aan het plangebied is een beschermingscategorie 3 toegekend.

30

Uitsnede Omgevingsverordening: beschermingscategorie 3 Het gaat hier om het buitengebied. In de Omgevingsverordening zijn hieromtrent regels opgenomen, die in feite het provinciaal beleid samenvatten: Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1 Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2 In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Hier is op ingegaan in hoofdstuk 2, waarbij bovendien is aangegeven dat de openheid en groene karakter niet onevenredig worden aangetast. De ontwikkeling valt aan te merken als ‘inpassing’, de lichtste categorie en draagt bij aan een ruimtelijke kwalitatieve verbetering, zie hoofdstuk 2. De schaal en aard van het gebouw/ gebruik passen bij het landschap.

Immers de functies zijn reeds aanwezig, het gaat slechts om de opwaardering van het terrein, waarbij er naar de omgeving toe geen of nauwelijks aanvullende ruimtelijke effecten te verwachten zijn. De uitkijktoren van 10 meter+ heeft op deze locatie mogelijk impact op het landschap. In de omgevingsvisie staat over hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) aangegeven dat deze zoveel mogelijk samen vallen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Zie hoofdstuk 2 over hoe hiermee omgegaan is/ welke overwegingen gemaakt zijn. Het plan is gelet op bovenstaande in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie.

31

Hoeksche Waard Versterken van het deltakarakter en vergroten van de diversiteit van karakters van de eilanden draagt bij aan het behoud van diversiteit in de Delta. Een opgave is het om de recreatieve gebruikswaarde van de eilanden te vergroten in combinatie met een gebiedsspecifieke, in de omgeving passende inrichting. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren. Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in Voorne-Putten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het rivierdelta landschap van de Hoeksche waard. De provincie zet hier in op het versterken van het deltakarakter en het vergroten van de recreatieve gebruikswaarde. Het plan voorziet in het aanleggen van een steiger met uitkijktoren en opwaardering van een bestaand recreatieterrein. Door de realisatie hiervan wordt het recreatieve netwerk verbeterd, het deltakarakter benadrukt en er de mogelijkheid geboden voor meer recreanten om met dit deel van Zuid-Holland kennis te maken. Het plan sluit daarmee naadloos aan op het gestelde in de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening (2019) De provincie Zuid-Holland kiest ervoor om in aanloop naar de komst van de Omgevingswet twee belangrijke kerninstrumenten van deze wet – de omgevingsvisie en de omgevingsverordening – op basis van huidig recht vast te stellen. Deze verordening integreert achttien verordeningen met het oog op het vereenvoudigen en harmoniseren van de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Beoordeling Primair is artikel 6.9 van toepassing. Hier is in vorige paragraaf op ingegaan. Andere beschermingscategorieën zijn niet opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt tevens aangetoond dat het gebied niet in weidevogelleefgebied of Natuur Netwerk Nederland ligt. In dit hoofdstuk is ingegaan op de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. In Hoofdstuk 2 is gelet op de verordening de ontstaansgeschiedenis beschreven, de kenmerkende structuur en principes en de wijze waarop het plan daarbinnen past. Het plan past binnen de omgevingsverordening. De provinciale ruimtelijke verordening stelt algemene regels aan ruimtelijke ontwikkelingen met als doel het veilig stellen van provinciale belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De mogelijkheid voor het vaststellen van een verordening vloeit voort uit artikel 4.1 van de Wro. De verordening heeft o.a. betrekking op ruimtelijke onderbouwingen.

In bepaalde gevallen bestaat de mogelijkheid tot ontheffing van een bepaald verbod, te verlenen door Gedeputeerde Staten. De volgende regels zijn van belang voor deze ruimtelijke onderbouwing (bestemmingsplan worden gelijk geschakeld aan ruimtelijke onderbouwing/ buitenplanse afwijkingen). Het Haringvliet ligt voorts binnen het werkingsgebied veiligheid. In de Omgevingsverordening zijn hier geen verdere regels voor opgenomen. De veiligheid

32

en bescherming komt verder tot uiting vanwege de ligging binnen Grote Rivieren, zie eerder dit hoofdstuk.

Uitsnede Omgevingsverordening: veiligheid Het Haringvliet, alsook de kade, liggen ook binnen het werkingsgebied stiltegebied.

De volgende artikelen zijn van toepassing: Artikel 3.31 Verbod toertocht motorrijtuigen • Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied een toertocht voor motorrijtuigen te houden. • Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied deel te nemen aan een toertocht voor motorrijtuigen. Artikel 3.32 Verbod waterscooter en snelle motorboot

33

• •

Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een waterscooter te varen. Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een snelle motorboot sneller te varen dan 9 km/h.

Deze verboden gelden niet voor motorrijtuigen, waterscooters of snelle motorboten die elektrisch worden aangedreven. Er geldt voor een zorgplicht: eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de rust op significante wijze kan worden verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verstoring te voorkomen of te beperken. Artikel 3.29 Verbod toestellen Het is verboden zonder ontheffing een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord. Tot een toestel behoren in ieder geval: • een airgun en andere knalapparatuur; • een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen, waaronder een muziekinstrument en een omroepinstallatie; • een modelvliegtuig, modelboot en een modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en • een schietwapen. Het besluitgebied ligt buitendijks. In buitendijkse gebieden van de grote rivieren neemt de druk op de ruimte toe.

De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden, ook gezien de klimaatverandering, een goede afweging maken van de hoogwaterrisico’s. Gemeenten worden gevraagd om bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het gebied ligt niet binnen een gebied met waterkwaliteitsnorm.

34

Beoordeling plan en conclusie: De verantwoording van het hoogwaterrisico is verwoord in paragraaf 4.2.6. Er zullen voorts geen waterscooters of snelle motorboten worden toegelaten, noch installaties voor versterkte muziek. De geluidproductie wordt tot een minimum beperkt, zal vergelijkbaar zijn met de huidige situatie en wegvallen tegen de achtergrondconcentratie. 3.2.3

Erfgoedlijn Historisch Haringvliet De provincie Zuid-Holland heeft Historisch Haringvliet aangewezen als één van zeven Erfgoedlijnen. Deze erfgoedlijn bestrijkt het gebied van de brede ‘oeverzone’ van de eilanden: de noordrand van Goeree-Overflakkee en de zuidrand van zowel de Hoeksche Waard (inclusief Tiengemeten) als Voorne-Putten. Ook de Bernisse, de historische oude rivierarm van betekenis die de voormalige eilanden Voorne en Putten markeert, valt onder de erfgoedlijn. De provincie maakt het - samen met anderen mogelijk om het erfgoed in Zuid-Holland te bezoeken, ervan te genieten en te leren over onze geschiedenis. Zo blijft het erfgoed voor de toekomst behouden.

Erfgoedlijnen Zuid-Holland

Binnen de erfgoedtafel zijn een zestal kansrijke erfgoedthema’s benoemd: 1. De havenkanalen en het maritieme verleden; 2. De karakteristieke dorpen die in verbinding staan met het Haringvliet, Hollandsch Diep en Bernisse; 3. Dijken; 4. Kreken incl. de Bernisse; de historische oude rivierarm van betekenis die de voormalige eilanden Voorne en Putten markeert; 5. De Watersnoodramp 1953 en de deltawerken Haringvlietdam en de Volkerakdam; 6. De waterlinies: de Stelling van het Hollandsch Diep en het Volkerak en de Stelling van de Monden van de Maas en het Haringvliet, inclusief de vestingsteden Brielle en Hellevoetsluis. Beoordeling en conclusie Met het plan blijft een gebied ook in de toekomst geschikt voor bezoekers, die kennis kunnen nemen van het landschap en de historie. Het plan staat uitvoering van het beleid niet in de weg.

35

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Hoeksche Waard (2019) Deze Omgevingsvisie nodigt inwoners, ondernemers, investeerders, maatschappelijke organisaties en anderen uit om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de Hoeksche Waard. Vijf maatschappelijke opgaven vragen specifiek onze aandacht de komende jaren (de ‘Hoeksche Werken’). Daarbij gaat het om de volgende opgaven: 1. Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; 2. Vitaal economisch klimaat; 3. Bereikbaar, nabij en toegankelijk; 4. Duurzame, innovatieve landbouw; 5. Vitale dorpen en actieve samenleving. Relevant is onder meer opgave 2, waarbij de gemeente streeft naar een toename van de economische betekenis van de vrijetijdseconomie in de vorm van hogere bestedingen en meer arbeidsplaatsen, tenminste op het peil van de ons omringende eilanden. De gemeente wil de economische betekenis van natuur en water vergroten. De Zuid-Hollandse Delta met zijn kusten en verbinding met het water, is een ijzersterke trekker. De recreatieve ontwikkelingen leveren daarnaast bijdragen aan versterking van het woonklimaat voor jonge gezinnen en de bereikbaarheid en omgevingskwaliteit. In de Omgevingsvisie worden ook Hoeksche Waarden benoemd, zie mede navolgende afbeelding. Te ontwikkelen waarden zijn: • Versterken en in stand houden van het patroon van groene dijken en kreken.

• Versterken van het recreatieve netwerk, gekoppeld aan de groenblauwe structuur van kreken en dijken. • Versterken van het duurzame en innovatieve karakter van de landbouw. • Versterken van de herkenbaarheid van cultuurhistorisch landschap en haar iconen. • Versterken van het contrast tussen grote open ruimten en groene randen en groene gebieden binnen de open ruimtes. Hierbij rekening houden met de lange zichtlijnen ‘van dijk tot dijk’. • Agrarische bedrijven blijven of worden groene parels in het landschap. Daarbij is er aandacht voor biodiversiteit. • Versterken van de landschappelijke en natuurlijke inpassing van de bedrijfsbebouwing. Het bouwvlak moet hierin niet bepalend zijn, maar juist de kwalitatieve versterking. Akkerranden benutten voor versterking van de biodiversiteit. • We stimuleren het circulair ondernemen in de landbouw (kringlooplandbouw). • Het creëren van openheid door het saneren van verspreid liggend glas Het plangebied ligt binnen het deelgebied Hoeksche Delta. De Hoeksche Delta vormt de natuurlijke buitenrand van de Hoeksche Waard. Voor deze buitenrand zijn de rivieren rond het eiland bepalend. Naast de Hoeksche Waard zelf speelt hier ook het water en het gebied aan de overkant van het water een rol.

De Hoeksche Delta bestaat uit bestaande buitendijkse natuurgebieden en een overgangszone aan de zuidzijde van het eiland waar vormen van intensieve recreatie voorkomen, zoals de golfbaan. In de overgangszone is het agrarisch gebruik de belangrijkste functie en dat

36

blijft ook zo. De gemeente ziet kansen voor watergerichte recreatie en natuurattracties.

Indeling in deelgebieden De buitendijkse gebieden zijn veelal natuurgebieden (grienden, (gras)gorzen, moerasbossen etc.) met hoge natuurwaarden waar natuurlijke processen het beeld bepalen. Het betreft grootschalige en stoere natuur. Ze staan in sterk contrast met de strak verkavelde, agrarische polders binnendijks. Vroeger waren deze in gebruik voor de teelt van biezen, riet en wilgentenen. Deze oorspronkelijke functie is verloren gegaan. De hoger gelegen buitendijkse gronden, die slechts incidenteel onder water lopen, werden vroeger beweid. Dit zijn de grasgorzen. Deze zijn typerend voor de Hoeksche Waard. Vanaf de dijk bieden de open gorzen weidse vergezichten op het deltalandschap. De toegankelijkheid van de natuurgebieden laat op sommige plekken nog te wensen over. Ook de beleefbaarheid van het (buiten)water kan nog worden versterkt. De gemeente wil: • de beleefbaarheid van natuurlijke processen, weidsheid en ongereptheid vergroten. • van het uitzicht op de rivier en de cultuurhistorische waarde • van de grasgorzen versterken • van watergerichte recreatie en natuurattracties in de overgangszone, passend bij een groots, stoer en robuust Deltalandschap versterken. • van de beleefbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle • elementen zoals grienden, het fort en de eendenkooi versterken • van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de natuurgebieden versterken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12656064/1