Bijlage 3 Motivering etfal Kruisdijk 4b Strijen
Tekst van het document
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid.
Toetsing initiatief
In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde situatie getoetst aan deze rijksregels uit het Bal en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bal geen belemmeringen bestaan voor het initiatief.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Zuid-Holland Sinds 1 mei 2024 is de Provinciale Omgevingsvisie Zuid-Holland in werking getreden. In de Omgevingsvisie Zuid-Holland wordt de lange termijnvisie uitgewerkt en bevat hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie. In dit integrale beleid wordt beschreven hoe de provincie zal werken aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft met haar uitgebreide instrumentarium grote meerwaarde bij het oplossen van de maatschappelijke opgaven van vandaag en morgen. Daarom biedt de provincie ruimte en vertrouwen aan maatschappelijke initiatieven. Om dit binnen bepaalde grenzen aan te kunnen bieden, zijn een aantal principes en kaders opgesteld om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen. 1. 2. 3. 4. 5.
Opgavegericht Provinciaal belang Netwerkaanpak Maatwerk Uitgaan van passend schaalniveau 30
6. Ruimte voor differentiatie 7. Lever meerwaarde 8. Effectief en betrouwbaar De provincie zet zich in op meer biodiversiteit en verbreding van de landbouw, waarbij de nieuwe functies duidelijk bijdragen aan het toekomstbestendig maken van de landbouw. De provincie wil met deze ontwikkelingen de kwaliteit en de vitaliteit van het landelijk gebied verbeteren. Voor deze verbeteringen zijn doelstellingen opgesteld die integraal aangepakt worden. De ambitie van provincie Zuid-Holland is om in 2030 hèt toonbeeld te zijn van een hoog-innovatieve en circulaire agrarische sector en voedselketen in een stedelijke omgeving waar een goede boterham in verdiend kan worden. De sector is toekomstbestendig, levert tal van groenblauwe diensten en heeft een rijke variëteit aan ecosysteemdiensten. Dit alles in een aantrekkelijke omgeving waarin het goed wonen, werken en recreëren is en waarin voldoende en gezond voedsel geproduceerd kan worden. Deze ‘vitale landbouw’ kent een brede maatschappelijke inbedding en heeft als randvoorwaarde dat er sprake is van gezonde economische basis voor de sector, ketenpartners en afzonderlijke boerenbedrijven. Verdere kenmerken zijn: kringlooplandbouw, ruimte voor biodiversiteit, water, landschap en een lokaal voedselsysteem.
Toetsing initiatief
Het concept van Landgoed de Peerdegaerdt sluit naadloos aan op de ambities van de provincie zoals aangegeven in de omgevingsvisie. Door de basis in het natuurlijke en landschappelijke aspect is niet alleen sprake van een circulair agrarisch bedrijf, maar wordt bovendien omarmd door een brede laag van mensen die het vitale aspect verder doorzetten en spreiden (via de workshops moestuinen en permacultuur bijvoorbeeld). Het lokale voedselsysteem wordt hierdoor verder verspreid waarbij aandacht voor natuur en landschap de basis is. Landgoed de Peerdegaerdt zoekt nadrukkelijk de verbinding met het Oudeland van Strijen en laat zien dat Natuur/Natura 2000-gebieden hand in hand kunnen gaan met agrarische activiteiten. Dit doet het agrarische landgoed door de aanplant van een ecologische verbindingszone en de ontstane begroeiing via landschapsbeheer. Daardoor kan wisselwerking voor insecten, vogels en zoogdieren plaatsvinden en wordt de biodiversiteit ter plaatse van het agrarische landgoed en het Oude Land vergroot. Bewustwording is een van de grote kernwaarden van De Peerdegaerdt en daardoor in feite een ambassadeur van de kernwaarden die de provincie ook als ambitie heeft vastgelegd. De beoogde situatie draagt daarmee bij aan de principes en uitwerkingen zoals deze in de Provinciale Omgevingsvisie ZuidHolland zijn opgenomen. 4.3.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland Op 24 juli 2024 is de TAM-omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening geconsolideerd. In deze omgevingsverordening zijn alle regels over de fysieke leefomgeving opgenomen. Deze omgevingsverordening dient samen met de Omgevingsvisie Zuid-Holland gelezen te worden.
Toetsing initiatief 31
De projectlocatie is conform kaart 2 ‘Stiltegebieden’ TAMomgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, gelegen in een milieubeschermingsgebied voor stilte ofwel het stiltegebied Hoeksche Waard. Een stiltegebied is een gebied waar de geluiden van flora en fauna overheersen. Het woord 'stilte' betekent hierbij niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. De grenzen van de stiltegebieden zijn zo vastgesteld dat het geluid in de gebieden het grootste deel van de tijd de 40 decibel niet overstijgt. De aanwijzing van het stiltegebied Hoeksche Waard heeft door de provincie Zuid-Holland plaatsgevonden in de Omgevingsverordening. Om de stiltegebieden zo stil mogelijk te houden gelden er regels. Voor het stiltegebied Hoeksche Waard gelden de regels als opgenomen in bijlage 10 van de Omgevingsverordening van genoemde provincie. Zo zijn bijvoorbeeld het gebruik van toestellen, gemotoriseerd verkeer buiten de openbare weg, toertochten van motorrijtuigen of andere bronnen van lawaai verboden, tenzij van dit verbod een ontheffing is verleend. Gebiedseigen geluiden zijn wel toegestaan. Alle activiteiten waarbij weinig lawaai ontstaat zijn toegestaan. Het is goed om te beseffen dat menselijk stemgeluid hier niet onder valt.
Het is niet zo dat het feit dat Landgoed de Peerdegaerdt in het stiltegebied Hoeksche Waard ligt een belemmering oplevert voor de beoogde situatie van het agrarische landgoed, maar hier dient wel rekening mee te worden gehouden. Doordat het agrarische landgoed vooral op kleinschalig niveau de agrarische processen uitvoert en daardoor ook veel sprake is van handwerk, wordt geluiduitstraling tot een minimum beperkt. Daarnaast is het projectgebied conform kaart 8 ‘Regionale wateren – beheer’ gelegen binnen de regionale wateren van Waterschap Hollandse Delta. De beoogde situatie voorziet niet in het onttrekken van grondwater, het lozen van afvalwater en vindt niet plaats in een van de werkingsgebieden zoals opgenomen in de waterschapsverordening. Hierdoor vormt het aspect water geen belemmeringen voor de beoogde situatie. Conform kaart 9 ‘Regionale wateren – peilbesluitgebieden’ is voor oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden een peilbesluit vastgesteld. Aangezien de TAM-omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening nog niet compleet ingevuld is zijn hier nog geen voorschriften aan verbonden. Het aspect peilbesluitgebieden vormt dan ook geen belemmeringen voor de beoogde situatie. Conform kaart 11 ‘Regionale wateren – kans op overstroming’ is het projectgebied gelegen binnen regionale wateren.
In paragraaf 13.1.2 van de TAM-omgevingsverordening is er binnen het gebied kans op overstroming van regionale wateren. In de beoogde situatie vindt er geen realisatie van nieuwe bebouwing plaats waardoor de bergings- en afvoercapaciteit van het regionale water niet af zal nemen. Het aspect kans op overstromingen vormt dan ook geen belemmeringen voor de beoogde situatie.
32
Conform kaart 17 ‘Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategoriën’ is het projectgebied gelegen in het buitengebied en in een gebied met beschermingscategorie 3. Binnen een gebied met beschermingscategorie 3 kan worden voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast (artikel 7.43h). Hierbij moet rekening gehouden worden met: - De openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; - De relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; - Het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; - De herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Aangezien het landschap reeds groen ingericht is en de rest van de grond onbebouwd blijft, blijft het open karakter van het gebied behouden. Zo wordt de herkenbaarheid van het landschap niet onevenredig aangetast en vormt het aspect ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategoriën geen belemmeringen voor de beoogde situatie. Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde situatie in lijn is met de TAM-omgevingsverordening Zuid-Holland.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Omgevingsvisie gemeente Hoeksche Waard De omgevingsvisie Hoeksche Waard is door de gemeenteraad van Hoeksche Waard op 17 december 2019 vastgesteld. In de omgevingsvisie is ervoor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. In de omgevingsvisie zijn vijf maatschappelijke opgeven opgesteld: - Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; - Vitaal economisch klimaat; - Bereikbaar, nabij en toegankelijk; - Duurzame, innovatieve landbouw; - Vitale dorpen en actieve samenleving.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie zullen meerdere activiteiten toegevoegd worden, welke maatschappelijk van belang zijn voor de omgeving. In het kader van duurzaamheid en klimaatbestendig worden er op het landgoed een aantal workshops gegeven waarbij ingegaan wordt op het duurzaam inrichten van (moes)tuinen door middel van permacultuur. Daarnaast wordt in het kader van een vitaal economisch klimaat een verbinding gelegd tussen recreatie, zorg, landbouw en natuur waardoor de beoogde situatie bijdraagt aan de versterking van het recreatieve netwerk in de omgeving. De locatie wordt hierdoor aantrekkelijker voor inwoners en toeristen die vervolgens bij De Peerdegaerdt en in de omgeving meer geld zullen uitgeven. Verder bevindt zich binnen het landgoed een dagopvang voor zorgbehoevenden. Met de dagbesteding wordt bijgedragen aan een vitale samenleving om samen voor elkaar te zorgen. De beoogde situatie draagt hiermee bij aan de beleidsuitgangspunten en 33
uitwerkingen zoals deze in de Omgevingsvisie Hoeksche Waard zijn opgenomen en is dus in lijn met het gemeentelijke beleid.
34
HOOFDSTUK 5.1
5 Fysieke leefomgeving
Leeswijzer De Omgevingswet (Ow) is sinds 1 januari 2024 in werking getreden. De
Omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. In deze wet zijn meerdere wetten en regels gebundeld. Er zijn vier AMvB's (Algemene Maatregel van Bestuur) vastgesteld: Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit over bevoegd gezag (welk orgaan is bevoegd en welke procedure is van toepassing). Omdat de onderdelen uit de fysieke leefomgeving, zoals genoemd in art. 1.2 Ow, beoordeeld dienen te worden in het kader van een vergunningsaanvraag voor een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA), worden in dit hoofdstuk de activiteiten en/of werkzaamheden van de beoogde situatie getoetst. In elke paragraaf van dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op hetgeen er over dit aspect is opgenomen in de Omgevingswet, waarna vervolgens de beoogde situatie op deze punten per aspect wordt getoetst.
5.2
Erfgoed
Het beleidskader Cultureel Erfgoed (art. 5.130 lid 1 Bkl) is opgesteld voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving en om als instrument uitvoering te geven aan het archeologiebeleid of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten.
Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: 1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); 2. Archeologische monumenten; 3. Stads- en dorpsgezichten; 4. Cultuurlandschappen; 5. Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden. Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het ontwikkelingsgebied zal een analyse worden uitgevoerd voor de mogelijkheid tot bescherming van het cultureel erfgoed.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie vinden er geen bodemingrepen plaats. Derhalve is er geen archeologisch onderzoek benodigd en vormt het aspect erfgoed geen belemmering voor de beoogde situatie. 35
5.3
Beschermen van de gezondheid
Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij spelen onder andere aspecten zoals geur, bodem, spuitzones, ligging ten opzichte van veehouderijen en externe veiligheid een belangrijke rol.
Toetsing initiatief
Uit de algehele toetsing van de fysieke leefomgevingsaspecten in het vervolg van dit hoofdstuk blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de beoogde situatie en de gezondheid hiermee niet in het geding komt.
5.4
Bodem
Het onderdeel bodem dient getoetst te worden aan de volgende paragrafen uit artikel 2.34 Bkl: • §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu; ▪ §5.1.4.5 Bodemkwaliteit; - §5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; - §5.1.4.5.2 Nazorg (in stand houden afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen om blootstelling aan bodemverontreiniging te voorkomen); - §5.1.4.5.3 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie vinden er geen bodemingrepen plaats. Derhalve is eruit planologisch-juridisch oogpunt geen bodemonderzoek benodigd en vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde situatie.
5.5
Water(systemen)
Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een wijziging of afwijking van het planologisch regime rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen die de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgen opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is 36
verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen. Aangezien het projectgebied niet in de nabijheid ligt van een van deze waterhuishoudkundige elementen is een nadere toetsing niet aan de orde. Waterschapsverordening Waterschap Hollandse Delta Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Hollandse Delta. Dit waterschap heeft, net zoals alle andere waterschappen in Nederland, een waterschapsverordening opgesteld, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld. De waterschapsverordening bevat regels over wat wel en niet mag binnen het werkingsgebied van het waterschap. Deze regels hebben als doel om de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden te beschermen. De regels uit de waterschapsverordening hebben betrekking op het uitvoeren van activiteiten bij oppervlaktewateren en waterkeringen of activiteiten die betrekking hebben tot het grondwater. Het projectgebied is gelegen in de nabijheid van een oppervlaktewater of waterkering, echter heeft de beoogde situatie geen effect op deze wateren. Voor de beoogde situatie gelden derhalve geen aanvullende regels met betrekking tot oppervlaktewateren en waterkeringen.
In de beoogde situatie wordt niet voorzien in het onttrekken van grondwater, het lozen van afvalwater en vindt niet plaats in een van de werkingsgebieden zoals opgenomen in de waterschapsverordening. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie niet in strijd is met de regels zoals opgenomen in de Waterschapsverordening Waterschap Hollandse Delta. 5.5.1
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater.
Grondwater
In het projectgebied zal geen grondwater worden onttrokken. Daarnaast zullen er geen activiteiten plaats vinden die het grondwater mogelijk kunnen vervuilen. Er worden ten aanzien van grondwater dan ook geen belemmeringen verwacht.
Oppervlaktewater
In de directe omgeving is oppervlaktewater aanwezig, maar zullen geen werkzaamheden plaatsvinden die belemmerend kunnen zijn voor het oppervlaktewater. In de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd.
37
Afvalwater
Het huidige afvalwater wordt middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd. In de beoogde situatie zal de hoeveelheid afvalwater per saldo niet toenemen.
Hemelwater
Aangezien de hoeveelheid verharding en bebouwing binnen het projectgebied niet toeneemt zal de hoeveelheid te verwerken hemelwater niet toenemen. Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde situatie geen belemmering vormt voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water.
5.6
Ecologie
5.6.1
Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht.
De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologie kent dan ook twee subcategorieën: Natura 2000-gebieden en (beschermde) flora en fauna.
In hoofdstuk 11 van het Bal is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, lid 1, en onder e Ow verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Het verbod geldt: 1. Niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen die zijn aangewezen in een omgevingsverordening. 2. In gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Er is sprake van een algemene zorgplicht voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht.
Toetsing initiatief
Het projectgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Haringvliet’, ‘Krammer Volkerak’, ‘Hollands Diep’, ‘Biesbosch’ en ‘Oudeland van Strijen’. In onderstaande tabel is de afstand opgenomen van het projectgebied tot de 38
betreffende Natura 2000-gebieden opgenomen. Daarnaast is kort onderzocht of de gebieden gevoelig zijn voor stikstofdepositie en of de KDW overschreden wordt.
5
4 1
3 2
Figuur 8 Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied
Nummer in figuur
Naam Natura Afstand tot Gevoelig voor Overschrijding van 3 2000-gebied plangebied stikstofdepositie? KDW in de huidige situatie Haringvliet 8,17 kilometer Niet Nee stikstofgevoelig Krammer 9,34 kilometer Wel Matige overbelasting Volkerak stikstofgevoelig KDW (>70 mol boven KDW maar <2x KDW) Hollands Diep 2,4 kilometer Niet Nee stikstofgevoelig Biesbosch 7,25 kilometer Wel Matige overbelasting stikstofgevoelig KDW (>70 mol boven KDW maar <2x KDW) Oudeland van 60 meter Niet Nee Strijen stikstofgevoelig
1 2
3 4
5
3
Kritische Depositie Waarde/overbelasting stikstof
39
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de ‘Krammer Volkerak’ en de ‘Biesbosch’ Natura 2000-gebieden zijn welke een matige KDW hebben (bijlage II). Echter zijn de punten die het dichtst bij het projectgebied zijn gelegen niet overbelast. Daarnaast zullen er geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden en blijft de toename van de verkeersbewegingen zeer beperkt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen onevenredige effecten heeft voor de beoogde situatie. 5.6.2
Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal), verplicht is: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.
Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Toetsing initiatief
Aangezien er binnen het projectgebied geen gebouwen gesloopt of gebouwd zullen worden, zal het voornemen naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten.
5.7
Geluid
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene 40
regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk omgevingsplan; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid, zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard- en grenswaarden vastgelegd. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Dit ‘gemeentelijk geluidsbeleid’ kan zij dan opnemen in het gemeentelijke omgevingsplan overeenkomstig de vereisten uit de instructieregels van het Bkl. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarden toestaan als ze voldoet aan de voorwaarden die daartoe in (de artikelen 3, 5 en 8 van) het Bkl zijn opgenomen. Tenslotte kan het bevoegd gezag in een aantal specifieke situaties ook een overschrijding van de grenswaarden toelaten.
Deze specifieke situaties en de daarbij behorende randvoorwaarden zijn eveneens terug te vinden in (de artikelen 3 en 5 van) het Bkl.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie is er geen sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geluid. Verder worden er geen geluidsgevoelige functies gerealiseerd, cliënten en gasten blijven bovendien niet overnachten. Derhalve is er geen akoestisch onderzoek benodigd en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde situatie.
5.8
Kwaliteit van de buitenlucht
Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: 41
a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl).). d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen. Ter plaatse van de te realiseren ontwikkeling dient sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen de rijksomgevingswaarden zijn (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²)), maar gemeenten kunnen ook strengere waarden hanteren. Hiervan zijn drie varianten: • Een scherpere norm, bijvoorbeeld voor fijnstof; • Een resultaatsverplichting voor een rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt; • Voor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de rijksomgevingswaarde niet geldt.
Toetsing initiatief
De gemeente Hoeksche Waard hanteert een maximum van 40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²) als grenswaarden. Het projectgebied is, op basis van de concentratiekaarten van het RIVM, getoetst aan de gestelde omgevingswaarden voor fijnstof en stikstof.
Fijnstof
De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 13,8 μg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarden.
Stikstofdioxide
Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 13,02 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden ligt. Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied beneden de gestelde grenswaarden ligt waardoor de kwaliteit van de buitenlucht door de beoogde situatie niet in het geding zal komen. Daarnaast heeft de beoogde situatie geen onevenredig negatief effect op de omgeving. Hierdoor levert de luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de beoogde situatie.
42
5.9
Geur
De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.
Individuele geurhinder
In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie is er geen sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geur. Verder worden er geen geurgevoelige functies gerealiseerd. Derhalve is er geen geur onderzoek benodigd en vormt het aspect geur geen belemmering voor de beoogde situatie.
5.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; 43
• • •
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
Binnen het beleidskader voor activiteiten staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied; • Explosieaandachtsgebied; • Gifwolkaandachtsgebied.
Overige wet- en regelgeving
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een manier waarop omgegaan kan worden met het groepsrisico. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, 44
kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In principe dient een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Toetsing initiatief
Met behulp van de EV-Signaleringskaart (figuur 9) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen.
Figuur 9 EV-Signaleringskaart projectgebied aangegeven met marker
Transport van gevaarlijke stoffen
Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn 45
opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening vallen onder de Omgevingswet. • Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen plaats. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de beoogde situatie. • Risicovol transport over water- en autowegen Op circa 3,6 kilometer afstand van het projectgebied bevindt zich transport van gevaarlijke stoffen over de waterweg de Westerschelde-Rijn. De risicocontour van deze waterweg komt niet buiten de oevers. Daarnaast vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over autowegen plaats in de omgeving. Dit aspect vormt geen belemmering ten aanzien van de beoogde situatie.
Risicovolle inrichtingen
In de omgeving van het projectgebied is een risicovolle inrichting (Shell Chemie (Moerdijk)) aanwezig. De risicocontour van deze risicovolle inrichting is circa 20 kilometer. Het projectgebied is gelegen binnen de risicocontour van een inrichting op een afstand van circa 6 kilometer afstand. Het projectgebied kent vluchtmogelijkheden bedrijfsmedewerkers en gasten zijn zelfredzaam c.q. kunnen vanuit zorgoogpunt geholpen worden bij eventuele evacuatie. Hierbij wordt nog opgemerkt dat het enkel om toxische scenario's gaat waarbij zelfredzaamheid ook behaald kan worden door deuren en ramen te sluiten en de mechanische ventilatie af te schakelen. Om deze reden is er geen strijd met veiligheidsrisico’s ten gevolge van Shell Chemie.
Buisleidingen
Ten oosten van het projectgebied zijn op een afstand van circa 500 meter een aantal buisleidingen aanwezig. Deze buisleidingen hebben een risicocontour van circa 200 meter. Het projectgebied is hiermee buiten de risicocontour gelegen van deze buisleidingen. Daarnaast zijn er ten westen tevens een aantal buisleidingen gelegen op 750 meter afstand. Deze buisleidingen hebben een risicocontour van circa 175 meter. Het projectgebied valt hiermee ook buiten de risicocontour van deze buisleidingen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde situatie. Het aspect externe planvoornemen.
5.11
veiligheid
vormt
geen
belemmering
voor
het
Milieubelastende activiteiten
Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die
nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in
hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en 46
industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. Om e.e.a. hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer.
• Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.
Toetsing initiatief
Het projectgebied is gelegen in het buitengebied bestaande uit agrarische bedrijven, verschillende woningen en enkele bedrijven. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom niet met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen het projectgebied en de grens van het bouwvlak van omliggende bedrijven.
Adres
Soort bedrijf
Weelsedijk 61
Agrarisch afzetbedrijf Caravanstalling
Buitendijk 21
Categorie Richtafstand Werkelijke afstand 2 30 meter 180 meter
Voldaan?
2
Ja
30 meter
260 meter
Ja
47
Aan de richtafstanden kan worden voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelmogelijkheden worden beperkt. Activiteiten Akkerbouw en fruitteelt Manege Zorgboerderij
Categorie 2 3.1 1
Richtafstand 30 meter 50 meter 10 meter
Werkelijke afstand 76 meter 76 meter 76 meter
Voldaan? Ja Ja Ja
In bovenstaande tabel zijn de beoogde activiteiten of activiteiten die enigszins vergelijkbaar zijn met de gewenste activiteiten, weergeven die binnen het projectgebied uitgevoerd zullen worden met een richtafstand tot de dichtstbijzijnde gevoelige objecten. Uit de tabel blijkt dat voor de beoogde activiteiten voldoende afstand gehouden kan worden tot omliggende woningen. In de tabel zijn de activiteiten verwerking van eigen geteelde producten en de verkoop van deze producten niet meegenomen aangezien deze rechtstreeks binnen de agrarische bestemming toegestaan zijn. Hiermee kan voor de omliggende woningen geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is en het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmering vormt voor de beoogde situatie.
5.12
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving.
Toetsing initiatief
Conform de VEO bommenkaart is er voor de hele gemeente een vooronderzoek uitgevoerd. Conform de BeoBOM Ruimingskaart hebben er in de omgeving op een aantal plekken munitieruimingen plaatsgevonden door de EODD. Aangezien er geen ruimingen binnen het projectgebied zijn geweest, ter plaatse wel vooronderzoek heeft plaatsgevonden en geen bodemwerkzaamheden plaats zullen vinden, kan daarom gesteld worden dat de locatie als niet verdacht aangemerkt wordt.
5.13
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen
5.13.1
Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en
Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of erdoor of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.
48
leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn.
Toetsing initiatief
Ten oosten van het projectgebied zijn op een afstand van circa 500 meter een aantal buisleidingen aanwezig. Deze buisleidingen hebben een risicocontour van circa 200 meter. Het projectgebied is hiermee buiten de risicocontour gelegen van deze buisleidingen. Daarnaast zijn er ten westen tevens een aantal buisleidingen gelegen op 750 meter afstand. Deze buisleidingen hebben een risicocontour van circa 175 meter. Het projectgebied valt hiermee ook buiten de risicocontour van deze buisleidingen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde situatie.
5.13.2
Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.
Toetsing initiatief
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde situatie dan ook geen belemmeringen vormen.
5.14
Mobiliteit
Het bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de Rijks infrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
49
Verkeersgeneratie
Op basis van werkelijke cijfers is berekend hoeveel verkeersbewegingen afkomstig zijn van de locatie. Aan de hand van de verkeersbewegingen kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie worden, naast de reeds bestaande agrarische activiteiten, in de overige bebouwing diverse nevenactiviteiten uitgevoerd zoals workshops, rondleidingen, paardencoaching en een zorgfunctie. Uit tabel 1 blijkt hoeveel bezoekers, begeleiders, cliënten, werknemers en vrijwilligers er dagelijks aanwezig zijn op het landgoed. De cliënten en begeleiders van de dagbesteding, de cliënten en begeleiders voor de individuele paardencoaching, de dierenmederwerker, dierenvrijwilliger, klusjesmedewerker, moestuinmedewerker, moestuinvrijwilliger, groenmedewerker, groenvrijwilliger, vrijwillige keukenchef, vrijwilliger workshop varkensknuffelen en begeleiding workshop voedsel be- en verwerking komen ieder met eigen vervoer. Voor bezoekers welke mee doen aan een workshop moestuinier/permacultuur of een rondleiding, paardencoaching voor groepen, workshop varkensknuffelen, workshop voedsel be- en verwerking en de vrijwilligersdagen wordt uitgegaan dat de meeste personen met gemiddeld 2 personen per voertuig naar het landgoed komen. Hier rekening mee houdend zijn er per werkdag (maandag tot en met zaterdag) circa (49 bezoekers per werkdag * 2 verkeersbewegingen per werkdag =) 98 verkeersbewegingen afkomstig van het landgoed.
Gelet op het feit dat deze activiteiten al langere tijd uitgevoerd worden en de huidige infrastructuur het aantal verkeersbewegingen ruimschoots kan verwerken, worden er geen problemen verwacht. Derhalve behoeft de huidige infrastructuur geen aanpassingen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde situatie.
Parkeren Op basis van werkelijke cijfers is berekend hoeveel parkeerplaatsen noodzakelijk zijn voor de locatie. Aan de hand van de benodigde parkeerplaatsen kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.
Toetsing initiatief
De cliënten voor de dagbesteding worden ieder individueel of met een busje gebracht en opgehaald. Per dagdeel zijn er 8 cliënten aanwezig. Het halen en brengen van de cliënten duurt circa een kwartier. Aangezien de cliënten niet allemaal tegelijkertijd aan zullen komen kan voldaan worden met (8 * 0,25 =) twee parkeerplaatsen welke dus vaker dan 1 keer per dag gebruikt zullen worden. Daarnaast zijn meerdere parkeerplaatsen die kort gebruikt kunnen worden voor het halen en brengen van de cliënten. De begeleiders van de dagbesteding (8 personen) komen ieder met eigen vervoer. Hierdoor is het noodzakelijk voor iedere begeleider een eigen parkeerplaats te hebben. 50
Voor de workshop permacultuur en moestuinieren of de rondleidingen wordt ervan uitgegaan dat bezoekers met gemiddeld 2 personen per voertuig komen. Voor de 8 bezoekers per dag dient dan uitgegaan te worden van 4 parkeerplaatsen. Dagelijks komen er 4 cliënten voor individuele paardencoaching met eigen vervoer en 1 keer per week komt een groep van circa 10 personen voor paardencoaching. Voor de groep wordt uitgegaan dat zij met gemiddeld 2 personen per voertuig komen. Daarnaast komt de begeleiding van de paardencoaching ook ieder met eigen vervoer. In totaal zijn er voor de paardencoaching (1 + 5 + 2 =) 8 parkeerplaatsen noodzakelijk. De dagelijkse werkzaamheden worden door de dierenmedewerker, dierenvrijwilliger, klusjesmedewerker, moestuinmedewerker, moestuinvrijwilliger, groenmedewerker, groenvrijwilliger en vrijwillige keukenchef uitgevoerd. Zij komen iedere dag met eigen vervoer waardoor er 8 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn voor hen. Voor de workshop varkensknuffelen is er 1 vrijwilliger aanwezig welke de workshop begeleid en kunnen er maximaal 10 bezoekers deelnemen. Voor de bezoekers wordt uitgegaan dat zij met gemiddeld 2 personen per voertuig komen. Hierdoor zijn er (1+5=) 6 parkeerplaatsen noodzakelijk voor de workshop varkensknuffelen. Voor de workshop voedsel be- en verwerking komt 1 keer per week een groep van 8 personen waarbij 1 persoon de workshop begeleidt.
Ook hierbij wordt ervan uitgegaan de bezoekers met gemiddeld 2 personen per voertuig komen. Hierdoor zijn er (4 + 1 =) 5 parkeerplaatsen noodzakelijk voor de workshop voedsel be- en verwerking. Ten slotte wordt 2 keer per maand een vrijwilligersdag georganiseerd. Voor deze 15 personen die hier aan mee doen, wordt ervan uitgegaan dat zij met gemiddeld 2 personen per voertuig komen. Hierdoor zouden er 8 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Wanneer deze vrijwilligersdagen zijn worden de workshops moestuinieren en permacultuur/ rondleidingen niet georganiseerd. Hierdoor kunnen de parkeerplaatsen die noodzakelijk zijn voor deze workshops en rondleidingen gebruikt worden. Daarnaast vinden de vrijwilligersdagen enkel op zaterdag plaats daardoor de benodigde parkeerplaatsen voor de paardencoaching ook niet gebruikt zullen worden. Hierdoor zijn er in totaal (4+8=) 12 reeds benodigde parkeerplaatsen beschikbaar voor de vrijwilligers waar er slechts 8 van worden gebruikt. In totaal is er op de locatie dan behoefte aan (2 + 8 + 4 + 8 + 8 + 6 + 5 =) 41 parkeerplaatsen. In onderstaande tekening (figuur 10) zijn deze benodigde parkeerplaatsen ingetekend aan de zuidoostzijde van het landgoed. Hieruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn binnen het landgoed en het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde situatie.
51
Figuur 10 Parkeervoorstel
5.15
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Zo is het uitgangspunt dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever worden.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie vindt geen toename plaats van het verhard oppervlak en zal geen duurzame energie opgewekt worden. Verder is het projectgebied wel groen ingedeeld waarmee hittestress ter plaatse voorkomen kan worden. Daarnaast worden ter plaatse workshops gegeven om mensen kennis bij te 52
brengen over permacultuur. Permacultuur is een ontwerpmethode die gericht is op het vormgeven van de leefomgeving op een manier die zo duurzaam mogelijk is. Zo is het projectgebied reeds duurzaam ingedeeld en zal het projectgebied bijdragen aan het duurzaam inrichten van tuinen van de cursisten die meedoen aan de workshops. Derhalve kan worden gesteld dat de beoogde situatie bestand is tegen de effecten van klimaatverandering en bijdraagt aan de duurzaamheid van de omgeving.
5.16
Trillingen
Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.
De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie worden geen trilgevoelige ruimten toegevoegd. Er zullen daarnaast ook geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. Het aspect trillingen zal voor de beoogde situatie geen belemmeringen vormen.
5.17
Energietransitie
In navolging van de hogere overheden, werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijksen/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. 53
De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5.1.7.3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie, maar daarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden.
Toetsing initiatief
Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde situatie.
5.18
Lichthinder
Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: - hinder voor de mens; - hinder langs wegen; - verstoring van de natuur; - horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
Toetsing initiatief
Aangezien geen verlichting wordt toegevoegd in of op het projectgebied is het aspect lichthinder echter niet van toepassing.
5.19
Bezonning
Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de 54
fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden.
Toetsing initiatief
Aangezien in de toekomstige situatie geen hoge bebouwing en/of hoogopgaand groen zal worden geplaatst en er geen sprake is van een ruime afstand ten opzichte van omliggende woningen, zal het woongenot van omwonenden niet worden aangetast. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.
5.20
Slagschaduw
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).
Toetsing initiatief
In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor de beoogde situatie.