Bijlage 3 Bestemmingsplan-kaart
Tekst van het document
een voor autoverkeer bestemde weg die alleen toegankelijk is via knooppunten of door verkeerslichten geregelde kruispunten en waarop het is verboden te stoppen en te parkeren, of b. een weg als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Voorgenomen parallelweg is op basis van deze begripsomschrijving niet aan te merken als zijnde een autoweg. De parallelweg is het beste aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2). De omvang van het project blijft ruim onder de drempelwaarde van een 100 hectare. Dat de voorgenomen activiteit onder de drempelwaarde ligt is al een belangrijke aanwijzing voor de conclusie dat geen MER of mer-beoordeling noodzakelijk is. De toetsing aan de selectiecriteria in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling moet in dat licht worden bezien en zal dan ook met name gericht zijn op bijzondere situaties in of om het plangebied. De selectiecriteria in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling zijn: • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn in deze plantoelichting de diverse (milieu)aspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bodem, akoestiek, archeologie en cultuurhistorie, natuur, water,
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
30
luchtkwaliteit en bedrijven- en milieuzonering. Uit deze afweging volgt dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een MER niet zinvol is. Een besluit om hiervan af te zien wordt door het college genomen en dit besluit wordt genomen voordat wordt beslist over het opstarten van de formele procedure. 8.2 Bodemkwaliteit 8.2.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten.
Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 8.2.2 Onderzoek Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de aanleg van een weg. Een weg wordt niet aangemerkt als een ‘gevoelige functie’. Omdat dit bestemmingsplan niet voorziet in een ‘gevoelige’ functie of een gevoeligere functie, is bodemonderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. 8.2.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
31
8.3 Akoestische aspecten 8.3.1 Kader Het voornemen in dit plan is ten noorden van de N217 een nieuwe weg aan te leggen. Deze weg is in beginsel bedoeld voor landbouwverkeer maar kan in het geval van een ongeval als calamiteitenroute dienst doen. Vanuit de Wet geluidhinder (Wgh) bezien dient bij de aanleg van een nieuwe weg akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. 8.3.2 Onderzoek In dit geval is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk omdat in de omgeving van het tracé geen bestaande woningen zijn gelegen. Tussen het beschouwde deel van de N217, van de Maasdamseweg tot de Trambaan zijn twee bestaande woningen aanwezig, het adres Eerste Kruisweg 1a langs de gelijknamige weg. Het pand langs de Tweede Kruisweg (Tweede Kruisweg 1 heeft geen geluidsgevoelige functie). De afstand van de woning Eerste Kruisweg 1a tot de N217 is meer dan 350 m, zodat er geen noemenswaardige hinder is te verwachten. Daarnaast speelt bij deze conclusie een rol dat de aanleg van de nieuwe weg als landbouwweg niet leidt tot een toename van het verkeer maar tot een verplaatsing van het landbouwverkeer van de hoofdrijbaan van de N217 naar de parallelweg, de landbouwweg ten noorden van de N217. Een verplaatsing van een zeer klein deel van het verkeer leidt niet tot een significante verandering van de geluidsbelasting ter plaatse van de genoemde woning.
Concreet is de aanleg van deze weg ook bedoeld voor extra capaciteit ten tijde van de afsluiting van de Heinenoordtunnel. In het hoofdstuk verkeer van deze toelichting is beschreven dat tijdens deze afsluiting op dit deel van de N217 een toename van het verkeer aan de orde is van iets minder dan 30%. Vanuit akoestisch oogpunt veroorzaakt een dergelijke toename van het verkeer tot een geluidstoename van afgerond 1 dB. Omdat een geluidstoename van 1 dB niet hoorbaar is van het gemiddelde menselijk oor is deze (tijdelijke) toename van de geluidsbelasting aanvaardbaar. Een bijzondere situatie doet zich voor nabij de aantakking van deze nieuwe weg bij de aansluiting (rotonde) van de N217 op de Maasdamseweg. Op basis van de website ruimtelijkeplannen.nl is direct ten noorden van de N217 een nieuwe globale woonbestemming geprojecteerd. De aantakking van de nieuwe weg op deze aansluiting kan er toe leiden dat de bestaande weg moet worden gewijzigd. Een dergelijke wijziging dient als reconstructie in de zin van de Wgh te worden beschouwd als deze wijzigingen er toe leiden dat de geluidsbelasting met 1,5 dB of meer toeneemt. De aansluiting op de rotonde maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Deze aansluiting is onderdeel van de procedure rondom aanpassing van de rotonde dat de provincie momenteel uitvoert.
Voor deze rotonde is op basis van een eerste schetsontwerp een geluidsonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de nieuwe woningen. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de maximale geluidbelasting de eerder verleende hogere waarde van 56 dB en 60 dB niet overschrijdt. Er zijn geen aanvullende maatregelen of procedures nodig om dit te vergunnen. 8.3.3 Conclusie De aanleg van de nieuwe (landbouw)weg ten noorden van de N217 leidt niet tot belemmeringen voor de bestaande woning die ten noorden van deze weg is gelegen. Ook leidt dit plan niet tot
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
32
belemmeringen voor de geprojecteerde woningen binnen de globale woonbestemming ten noorden van de rotonde van de N217 met de Maasdamseweg.
8.4 Luchtkwaliteit 8.4.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 8.4.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
33
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een parallelweg om de hoofdweg te ontlasten. In beginsel wordt geen extra verkeer toegevoegd aan het wegvak en is geen sprake van effecten op de luchtkwaliteit. Ten tijde van piekmomenten zal het wegvak drukker worden bereden. Dit is tijdelijk van aard en zal geen structurele effecten op de luchtkwaliteit hebben. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn echter wel de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 8.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de omliggende N217, en omliggende wegen weergegeven voor het peiljaar 2020.
Afbeelding 8.1: NSL-monitoringstool 2020 ter plaatse van het plangebied en omliggende wegen.
Uit afbeelding 8.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 22,07 μg/m3, 19,8 μg/m3 en 12,0 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Gezien de grote marge tussen de jaargemiddelde achtergrondconcentraties en de jaargemiddelde grenswaarden is bij een tijdelijke piekmoment en een grotere intensiteit op de N217 geen overschrijding van de grenswaarden te verwachten. 8.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
34
8.5 Externe veiligheid 8.5.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 8.5.2 Onderzoek Uit de risicokaart blijkt dat de N217 niet is aangemerkt als route waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voorgenomen ontwikkeling voorziet dan ook niet in de realisatie van een nieuwe of verplaatsing van een bestaande transportroute van gevaarlijke stoffen. 8.5.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 8.6 Bedrijven en milieuzonering 8.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen.
Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
35
8.6.2 Analyse omgeving Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een bedrijf of een inrichting. Het aspect bedrijven en milieuzonering is daarom niet relevant voor voorgenomen ontwikkeling. Eventuele hinder wordt in het kader van andere aspecten inzichtelijk gemaakt. 8.6.3. Conclusies Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
36
9
Uitvoerbaarheid
9.1
Economische uitvoerbaarheid
Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarbij een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt en waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze kosten moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. De gronden, waarop de realisatie van de weg is voorzien, worden voor vaststelling van het plan verworven waardoor een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De kosten voor de aanleg worden door de overheid (gemeente en provincie) gedragen. Daarmee is het kostenverhaal verzekerd. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht. 9.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Plan(vormings)proces Het wettelijk vooroverleg is tegelijkertijd met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gehouden. De opmerkingen van deze instanties zijn verwerkt in het bestemmingsplan. In het kader van de raadpleging van belanghebbende en omwonenden is een online bijeenkomst gehouden. De relevante reacties zijn verwerkt in het bestemmingsplan. 9.3
Handhavingsaspecten
Inleidend Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
37
Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De verbeelding, de regels en de toelichting zijn, tot slot, zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
38
10
Juridische plantoelichting
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opgestelde regels en de verbeelding. In tegenstelling tot de toelichting, zijn de regels en de verbeelding de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan. 10.1 Planmethodiek Voorliggend bestemmingsplan is ontwikkelgericht van aard en heeft als doel voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Dit bestemmingsplan vervangt het geldende bestemmingsplan voor het plangebied. Bestemmingsregeling Bij de opzet van dit bestemmingplan is gekozen voor een globale bestemmingsregeling. Hierdoor bestaat flexibiliteit om veranderingen, in het wegontwerp, binnen het bestemmingsplan op te vangen. Bij de bestemmingsregelingen is zo veel mogelijk aangesloten bij de vigerende bestemmingen om de leesbaarheid en uniformiteit te vergroten. 10.2 Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1); • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); • Algemene regels (hoofdstuk 3); • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). De regels worden opgesteld conform de SVBP 2012. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.
Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: ‘Verkeer’ De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, wandel- en fietspaden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Binnen deze bestemmingen mogen alleen verwijsborden, lichtmasten en overige bouwwerken worden gerealiseerd. Overige bebouwing is niet toegestaan.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
39
‘Leiding – Olie’ Voor de aanwezige olieleiding is de dubbelbestemming ‘Leiding – Olie’ opgenomen. Deze dubbelbestemming waarborgt een ongestoorde ligging van de leiding. ‘Leiding – Water’ Voor de aanwezige waterleiding is de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ opgenomen. Deze dubbelbestemming waarborgt een ongestoorde ligging van de leiding. ‘Waarde – Archeologische verwachting hoog 1’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 1’ De verschillende dubbelbestemmingen voor archeologie zijn opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor de verschillende verwachtingswaarden zijn verschillende bestemmingen opgenomen. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist, zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarden en gedifferentieerd in de verschillende dubbelbestemmingen. Hoofdstuk 3 Algemene regels In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.
Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn een aantal regelingen opgenomen met betrekking tot bestaande afmetingen, bestaande afstanden en bestaande percentages. Bestaande maten die rechtmatig in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrechts tot stand zijn gekomen, zijn als maximaal toegestaan. Algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen In dit artikel is een algemene regeling met betrekking tot ondergrond bouwen opgenomen die de maximale verticale diepte regelt. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen, en wordt een aantal voorbeelden genoemd wat in ieder geval als strijdig gebruik wordt beschouwd.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
40
Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is een regeling opgenomen die het verblijfsklimaat ter plaatse van de aanwezige leidingstrook moet borgen en nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten uitsluit. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied. Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels is een regeling met betrekking tot archeologie opgenomen waarmee het mogelijk is om aan gronden een archeologische dubbelbestemming toe te kennen. Daarnaast zijn nog wijzigingsregels met voorwaarden opgenomen ten behoeve van zendmasten en het verleggen van rioolleidingen. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn een aantal voorwaarden aan de procedure ter voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eis gesteld.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 10.3 Geometrische plaatsbepaling Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
41
11
Procedure
11.1 Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een procedure van een bestemmingsplan waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties. 11.2 Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn 6 zienswijzen en 1 vooroverlegreactie ontvangen. Deze zijn samengevat en van reactie voorzien in de Nota beantwoording zienswijzen. De Nota beantwoording zienswijzen is opgenomen als bijlage 2. 11.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.
Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.
Bestemmingsplan ‘Parallelweg N217’ Toelichting Vast te stellen d.d. - 11 augustus 2021
Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 1: Flora- en faunaonderzoek Hoeksche Waard N217 tussen rotonde Maasdam-N489 en rotonde ’s-Gravendel
FLORA- EN FAUNAONDERZOEK HOEKSCHE WAARD N217 TUSSEN ROTONDE MAASDAM-N489 EN DE ROTONDE ’S-GRAVENDEEL
Opdrachtgever
:
KuiperCompagnons T.a.v. L. Schaerlaeckens Postbus 13042 3004 HA Rotterdam
Vestiging
:
ABO-Milieuconsult B.V. Amundsenweg 29 4462 GP Goes tel. +31 (0)113 362280
Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage
: : :
ANL19-4739 December 2019 24 december 2019
Veldmedewerkers:
De heer R. Eisenga (Ecoloog)
Projectadviseur:
De heer D.D.C.A. Bijl
Handtekening:
Dhr. R.J. van der Helm Team Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doel van het onderzoek .................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ....................................................................................................................................... 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................................ 4 2.1 Bureaustudie ................................................................................................................................... 4 2.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 4 2.3 Effectenbeoordeling ........................................................................................................................ 4 3.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................... 5 3.1 Ligging plangebied.......................................................................................................................... 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied .................................................................................... 6 4. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................. 7 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten .................................................................................. 7 4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland ...................................................... 8 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING .................................................................................. 9 5.1 Vleermuizen .................................................................................................................................... 9 5.2 Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................................... 10 5.3 Vaatplanten ...................................................................................................................................
10 5.4 Vogels ........................................................................................................................................... 11 5.5 Amfibieën en reptielen .................................................................................................................. 13 5.7 Overige beschermde soorten ....................................................................................................... 15 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL ............................................................... 16 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 .......................................................................... 16 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 .......................................................................... 16 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ............... 16 7. AANBEVELINGEN .............................................................................................................................. 17 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ................................................................................................ 18
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
2/17
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van KuiperCompagnons is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd ten noorden van de N217 tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel in de gemeente Hoeksche Waard. Aanleiding voor het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot de aanleg van een parallelweg voor landbouwverkeer ten noorden van het bestaande traject en fietspad. Dit is het enige deel van de N217 waar zich nog geen parallelweg bevindt voor landbouwverkeer. Dit maakt het netwerk kwetsbaar in geval van calamiteiten en draagt verminderd bij aan de verkeersveiligheid van de verschillende weggebruikers. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. Indien overtreding niet kan worden vermeden, is in het onderhavige rapport aangegeven voor welke soorten en met welke onderbouwing ontheffing dient te worden aangevraagd. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, kan op basis van de quickscan een gedegen planning daarvan worden gemaakt.
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot worden in hoofdstuk 7 aanbevelingen en in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.
Fig. 1: Overzicht plangebied in het landschap, het plangebied strekt zich uit tussen de twee ‘rode’ rotondes, ten noorden van de N217
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
3/17
2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 17 december 2019 in de middag bij half bewolkt weer en circa 15 graden Celsius. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd.
Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet Natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.
Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
4/17
3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen ten noorden van de drukke N217 tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel in de gemeente Hoeksche Waard. Binnen een straal van 10 kilometer liggen een aantal Natura 2000-gebieden, zie hieronder met erachter de gevoeligheid van deze gebieden voor stikstof. Oudeland van Strijen - 2 km Oude Maas - 4 km Biesbosch - 7 km Hollands Diep - 8 km
Minder gevoelig Minder gevoelig Minder gevoelig tot gevoelig Minder gevoelig
Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied (tussen de paarse lijnen) het Natuurnetwerk Nederland gebied Middelvliet kruist (in de rode cirkel). Het gebied maakt geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur.
Ligging plangebied de -i- tussen de paarse lijnen. De rode cirkel geeft het NNN gebied Middelvliet aan. Verder zijn zichtbaar de Natura 2000 gebieden Oude Maas, Oude land van Strijen en Biesbosch. Het betreft hier een straal van circa 8km ten opzichte van omgeving. Bron: calculator aerius.
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
5/17
3.2 Algemene beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een strook land van 2,8km zonder opstallen. Het plangebied bestaat voor 90% uit een strook groen (met op een aantal plekken een rij bomen) naast het fietspad, een sloot en vervolgens akkerland. Het plangebied kruist het Natuurreservaat Middelvliet, dit is een NNN-gebied. Waar dit NNN gebied wordt gekruist is het 140 meter breed. Hier geldt dezelfde opbouw, maar maakt het akkerland plaats voor jong bos (zie fig. 2). Het gebied is in een strook van ruim 20 meter ten noorden van het fietspad onderzocht.
Fig. 2: Links de ‘doorsnee’ van 90% van het plangebied
Rechts de ‘doorsnee’ ter hoogte van het NNN gebied
Halverwege het plangebied gaat de weg verdiept onder de spoorlijn door (fig. 3).
Fig. 3: de verdiepte weg onder het spoor
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
6/17
4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
7/17
4.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: -a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; -(b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander , Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
8/17
5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek Gebouwbewonende soorten: de meest voorkomende gebouwbewonende vleermuissoort is de gewone dwergvleermuis (pipistrelllus pipistrelllus). Andere soorten die voorkomen in de Hoeksche Waard die gebruik kunnen maken van gebouwen zijn de ruige dwergvleermuis (pipistrelllus nathusii), gewone grootoorvleermuis (plecotus auritus), meervleermuis (myotis dasycneme) en laatvlieger (eptesicus serotinus). Het plangebied heeft echter geen opstallen en grenst ook niet direct aan een opstal waarin vleermuizen kunnen verblijven die onder de invloedsfeer van de gepande werkzaamheden vallen. De aanwezigheid van gebouwbewonende soorten vleermuizen kan hierdoor bij voorbaat worden uitgesloten. Bomen van voldoende dikte zijn in het plangebied aanwezig, waardoor de aanwezigheid van boombewonende soorten zoals bijvoorbeeld watervleermuis (myotis daubentonii) en rosse vleermuis (nyctalus noctula) niet bij voorbaat kan worden uitgesloten. De bomen in het plangebied moeten worden onderzocht op holtes die voor vleermuizen geschikt zijn om in te verblijven, zoals ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Resultaten veldbezoek De meeste bomen in het plangebied zijn van onvoldoende dikte om holtes te hebben. Ook is bij deze bomen geen losse schors geconstateerd. De dikkere bomen betreffen merendeels eiken.
Deze bomen zijn geïnspecteerd, op een aantal plaatsen vormde het litteken van een eerder afgezaagde tak een opening, deze waren echter stuk voor stuk te ondiep en leiden niet naar een achterliggende holte. Eén geknotte boom is ingescheurd, deze scheur zit echter te laag. Van vleermuizen is bekend dat zij hun verblijfplaatsen op >3m hebben. Er zijn geen holtes en/of los zittende schors en ingescheurde takken aangetroffen die geschikt zijn als verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen (fig. 4).
Fig. 4: Links een boom van voldoende dikte met close up van een litteken dat geen achterliggende holte bevat. Rechts een geknotte boom die is ingescheurd. De opening zit te laag
De bomen langs het fietspad in het plangebied vormen een lijnvormig element en kunnen daardoor een vliegroute voor vleermuizen vormen. Als foerageergebied heeft het plangebied waarschijnlijk een functie. De bomen zullen echter grotendeels behouden blijven tijdens en na de voorgenomen werkzaamheden waardoor zowel de mogelijke vliegroute als het foerageergebied in stand blijft. Conclusie vleermuizen In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor vleermuizen om te verblijven aangetroffen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Een lijnelement is aanwezig waardoor deze gebruikt kan worden als vliegroute van vleermuizen. Echter de bomen blijven grotendeels behouden. Als foerageergebied heeft het plangebied waarschijnlijk een functie, ook deze functie blijft tijdens en na de werkzaamheden behouden. Belangrijk is tijdens de werkzaamheden geen gebruik te maken van fel kunstlicht dat schijnt op het water, dit heeft een sterk verstorende werking op vleermuizen. Op basis van het bovenstaande is het uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
9/17
5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kunnen bunzing (mustela putorius), wezel (mustela nivalis), hermelijn (mustela erminea) en steenmarter (martes foina) voorkomen in het plangebied. Ze zijn niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar hebben een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soorten komen ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen. Voor bunzing, hermelijn en wezel hoeft in Zuid-Holland geen ontheffing te worden aangevraagd. De steenmarter (martes foina) is bezig met een opmars naar het westen van Nederland. Tijdens het veldbezoek moet worden vastgesteld of het biotoop in het plangebied geschikt is voor deze soort. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van beschermde zoogdieren waargenomen. De aanwezige struiken zijn niet dicht genoeg en liggen te dicht bij de verstorende invloed van de N217.Het NNN gebied heeft een kleine strook met bosschage waar kleine zoogdieren als de egel hun verblijfplaats kunnen hebben (fig. 4 rechts). Ook voor twee andere locaties kan dit gelden (fig. 8). In de het openbare groen zijn meerdere mollen aangetroffen.
De mol is geen beschermde diersoort, maar er geldt hiervoor wel een zorgplicht. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren aangetroffen. Het plangebied biedt, op het NNN gebied na, geen geschikte biotoop voor beschermde zoogdieren om te foerageren. Er komen mollen voor in het openbaar groen en de ondergroei van het NNN gebied kan egels en andere kleine zoogdieren onderdak bieden. Foerageergebied en dekking zijn voor deze soorten in het plangebied aanwezig. Voor deze aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1). Waarbij hier de aanbeveling geldt het verwijderen van struiken handmatig te doen, niet in de richting van de weg of water, zodat dieren die zich hierin verschuilen zichzelf in veiligheid kunnen brengen. 5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens en biotoop kan de aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten worden uitgesloten. Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De meeste beschermde planten zijn afhankelijk van een zeer specialistisch biotoop. De zware kleigrond van de akkers die bespoten worden, begrensd door sloten met hoge oevers zijn hiervoor niet geschikt. Met speciale aandacht is het deel van het plangebied dat deels bestaat uit NNN gebied onderzocht.
Hiervoor geldt dat de omstandigheden de eerste 15 meter vergelijkbaar zijn met hierboven beschreven. De overgang van gras naar bosschage is abrupt. Er is direct schaduw en overwoekering waardoor beschermde vaatplanten geen kans krijgen. Geconstateerd is dat het biotoop ook in dit deel van het plangebied niet geschikt is (fig. 5). Conclusie vaatplanten Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan.
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
10/17
Fig. 5: de overgang van gras naar NNN gebied is abrupt
5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Het gaat met name om watervogels en akkervogels. Ook bijvoorbeeld de buizerd, waarvan het nest jaarrond beschermd is, wordt gemeld. De bomen in het plangebied moeten worden onderzocht op jaarrond beschermde nesten. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn verschillende soorten vogels in of nabij het plangebied waargenomen. Onder andere grote gele kwikstaart, wilde eend, krakeend, slobeend, smient, grote zilverreiger, houtduif, ekster, zwarte kraai, torenvalk en buizerd werden gezien (fig. 6).
Fig. 6: Links een torenvalk, rechts een buizerd
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
11/17
Voor de soortgroep watervogels zijn de watergangen in het plangebied ongeschikt om in te broeden. De hoge steile oevers en het ontbreken van riet maken het als broedlocatie voor deze soortgroep ongeschikt. Akkervogels kunnen in principe op de akkers hun nest hebben, echter de drukke N217, de nabijheid van hoge bomen (uitkijkpost roofvogels) en de bewerking van de akkers maakt het broeden binnen het plangebied en de invloedsfeer zeer onwaarschijnlijk. Alle bomen in het plangebied en in de directe invloedsfeer zijn onderzocht op jaarrond beschermde nesten. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. In het NNN gebied Middelvliet, is buiten het plangebied een nest van een ekster (pica pica) aangetroffen (fig. 7). Nesten van eksters zijn niet standaard het gehele jaar beschermd, ook blijft het nest behouden. De ekster kan, indien nodig, uitwijken naar bomen verder van het plangebied.
Fig. 7: nest van een ekster
Het valt niet uit te sluiten dat in het plangebied soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is gaan broeden. Conclusie vogels Het plangebied heeft geen functie voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn geen (overblijfselen van) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Het is het niet uit te sluiten dat in het aanwezige groen in de vorm van bosschages en bomen algemene soorten gaan broeden. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere in gebruik zijnd nest is beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half augustus. Aanbevolen wordt om de bosschages die direct in het plangebied liggen te verwijderen voor het broedseizoen begint, om zo te voorkomen dat algemene broedvogels hier tot broeden komen (fig. 8).
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
12/17
Fig. 8: twee locaties met bosschages in het plangebied waar algemene vogelsoorten tot broeden kunnen komen
5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek Beschermde amfibieën en reptielen kunnen worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. Algemeen voorkomende kikkers en gewone pad kunnen wel in het plangebied voorkomen. Resultaten veldbezoek In het plangebied zijn vanwege de tijd van het jaar geen amfibieën waargenomen. Het plangebied beschikt over watergang. De sloten door het plangebied hebben geen natuurlijke, maar zeer hoge steile oevers. Ook is er geen begroeiing langs en nauwelijks begroeiing in de sloten (fig. 2). Poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan wat dienst kan doen als voortplantingswater zijn niet aanwezig in het plangebied. Los zand voor amfibieën om zich in te graven voor de winter is niet aanwezig, de bodem bestaat uit klei. Dit maakt het plangebied geen geschikte biotoop voor beschermde soorten amfibieën en reptielen. In de bosschages in het NNN gebied kunnen algemeen voorkomende kikkers en padden voorkomen. Dit gebied is voor deze soorten te bereiken vanuit het water buiten het plangebied, wat wel natuurlijke oevers heeft. Conclusie amfibieën en reptielen Beschermde amfibieën en reptielen kunnen op basis van verspreidingsgegevens en biotoop worden uitgesloten. Binnen het plangebied worden algemene soorten (m.u.v.
het strookje NNN gebied), vanwege het biotoop, schuilmogelijkheden rondom de sloten zijn niet aanwezig, evenmin verwacht. Voor eventueel aanwezige algemene soorten in het NNN gebied geldt de zorgplicht, zie § 6.1. 5.6 Vissen Resultaten bureauonderzoek De volgende vissen en amfibieën zijn in Nederland beschermd: beekdonderpad, beekprik, elrits, Europese rivierkreeft, gestippelde alver, grote modderkruiper en kwabaal, Op basis van verspreidingsgegevens en kwaliteit van habitat kan aanwezigheid van op één na elk van deze soorten in het plangebied worden uitgesloten. De grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) kan volgens de verspreidingsgegevens in het gebied voorkomen. Resultaten veldbezoek De sloten in het plangebied hebben geen natuurlijke, maar juist steile onbegroeide oevers. Ook zijn er nauwelijks waterplanten aanwezig. Het water is ondiep. Dit is voor de grote modderkruiper geen geschikte habitat. NNN gebied de Middelvliet biedt de juiste omstandigheden voor de grote modderkruiper om er te kunnen leven. Echter het deel van de Middelvliet wat binnen het plangebied valt heeft juist weer steile oevers zonder oeverbeplanting (fig. 9). Het voorkomen van beschermde soorten vissen in het plangebied is hiermee uitgesloten.
Flora- en faunaonderzoek, parallelweg tussen de rotonde Maasdam-N489 en de rotonde ’s Gravendeel, ANL19-4739
13/17
Fig. 9: Links de westzijde, rechts de oostzijde. Voor beide watergangen geldt, hoge oevers en geen oeverbeplanting
Conclusie vissen Beschermde soorten vissen komen door het ontbreken van geschikte biotoop niet in het plangebied voor. Voor algemene soorten vissen (en amfibieën) geldt de zorgplicht. Conform die zorgplicht, worden alle vissen en amfibieën weggevangen en overgeplaatst. Bij het gedeeltelijk dempen van watergangen wordt naar open water toe gewerkt, zodat vissen en overige soorten in de richting van open water kunnen ontsnappen; Bij het dempen van een watergang waarbij vissen ingesloten raken moeten de volgende maatregelen worden genomen: • • • • • • •
•
Afhankelijk van de lengte van de te dempen watergang is het nodig om deze op te delen in compartimenten van maximaal 50 meter lengte door middel van aarden dammen of plaatsing van een damwand. Het waterpeil moet door middel van leegpompen tot 20 à 30 cm verlaagd worden, waarna de watergang wordt leeggevist en verder leeggepompt. Zodanig dempen/droogleggen van sloten dat vissen en andere waterdieren niet ingesloten worden. Dit kan door dieren voorafgaand weg te vangen. Verder tijdens het dempen/droogleggen één kant op werken en richting open water. De weggevangen vissen en amfibieën worden uitgezet in een watergang in de directe omgeving van het projectgebied waar geen werkzaamheden (meer) plaatsvinden, in voor de soort geschikte biotopen, dit dient zo snel mogelijk te gebeuren. Het materieel dat gebruikt wordt bij de werkzaamheden aan de watergang moet zodanig gekozen worden dat de hoeveelheid slachtoffers zo beperkt mogelijk zal zijn. Werkzaamheden in de watergangen dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden in de maanden september en oktober (na de voortplantingsperiode en vóór de winterrust van vissen en amfibieën). Bagger/grond/maaisel dat vrijkomt tijdens werkzaamheden dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van dieren (amfibieën en vissen).