bijlage 2.2 BOPA onderbouwing tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland
Tekst van het document
Dit is vastgelegd in de overeenkomst en de kenmerkende verschijningsvor- met de grondeigenaar. men van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3. N.v.t Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke De behoefte aan tijdelijke woningen is onderbouwd ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of in paragraaf 5.9 Ladder voor duurzame verstedelijkantoren mogelijk maakt houdt rekening met de king. Met deze ontwikkeling wordt mede invulling op de behoefteramingen van gedeputeerde sta- gegeven aan de gemeentelijke taakstelling voor de ten gebaseerde regionale afgestemde behoefte huisvesting van statushouders. Tevens past het proaan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde ject binnen de regionaal gemaakte afspraken ten behoefte kan blijken uit een geheel of gedeelte- aanzien van tijdelijke woningen. lijke instemming met regionale bestuurlijke
afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. Artikel 7.45 1. (ladder voor duurzame verstedelijking)
Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw)
Artikel 7.45c (bereikbaarheid)
Een omgevingsplan dat een nieuwe stede- De ladderonderbouwing is opgenomen in paragraaf lijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de 5.9. motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Bkl. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Bkl, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwik- Er is met de ontwikkeling gestreefd naar een zo hoog keling met de functie wonen houdt rekening mogelijk aantal woningen met behoud van de leefmet een zo hoog mogelijke woningdichtheid en kwaliteit. Er zijn verschillende typen tijdelijke wonindraagt bij aan een goede woon- en leefomgegen in het plan verwerkt om zo meerdere doelgroeving. pen te kunnen huisvesten. 1. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke In paragraaf 5.4 is ingegaan op de verkeersontontwikkeling houdt rekening met de gevolgen sluiting van de projectlocatie. van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.
Artikel 7.45ca Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke In paragraaf 5.15 wordt ingegaan op het thema bio(kansen voor ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de diversiteit. biodiversiteit) mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit. Artikel 7.45f 1. (parkeernorm sociale huur)
Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe Zie paragraaf 5.10. sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld. Artikel 7.45h Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe Gelet op de grote behoefte aan tijdelijke woningen is (functiemen- stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen er in dit geval voor gekozen om alleen wonen mogeging en meer- of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkhe- lijk te maken. voudig ruimte- den voor functiemenging en meervoudig ruimgebruik) tegebruik.
32/69
Artikel 7.47a 1. (voldoende sociale huurwoningen)
2.
3.
Artikel 7.47b 1. (voldoende betaalbare woningbouw)
2.
33/69
Een omgevingsplan dat een nieuwe stede- Bij deze ontwikkeling worden alle woningen onder lijke ontwikkeling met 12 woningen of de betreffende grens verhuurd. Gelet op de tijdelijkmeer mogelijk maakt voorziet in voldoende heid zullen de woningen echter niet voor 25 jaar op sociale huurwoningen, zijnde huurwonindeze plek in stand worden gelaten. De woningen zijn gen met een aanvangsprijs onder de grens, demontabel en na het verstrijken van de termijn van bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, 18 jaar kunnen de woningen wel elders gebruikt worvan de Wet op de huurtoeslag, die miniden. maal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op: a. welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente; b. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel; en c.
het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel. Als over het aandeel sociale huurwoningen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Een omgevingsplan dat een nieuwe stede- In dit geval vallen alle woningen in de categorie belijke ontwikkeling voor wonen mogelijk taalbaar. maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare
3.
woningbouw en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw. Als over het aandeel betaalbare woningbouw regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.
Artikel Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe De projectlocatie is gelegen nabij de Ruisscheweg. 7.79b Behoud ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met het De Ruisscheweg is aangewezen als een hoofdfietsen verbetering belang van de instandhouding en zo mogelijk de netwerk. De ontwikkeling heeft geen nadelige inhoofdfietsnet- verbetering van het hoofdfietsnetwerk en de vloed op de instandhouding van het hoofdfietsnetwerk en lange lange-afstands-wandelpaden. werk en de lange-afstands-wandelpaden. afstands wandelpaden
5.1.4 Voorbeschermingsregels Met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan voorkomt de gemeente, de provincie of het Rijk activiteiten die (mogelijk) strijdig zijn met nieuwe regels in het omgevingsplan, nieuwe instructieregels of instructies of projectbesluiten die in voorbereiding zijn. Relevante voorbeschermingsregels in het omgevingsplan zijn beschreven in paragraaf 2.1.2. De omgevingsvergunning wordt geweigerd voor de aangevraagde omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan. TAM-voorbereidingsbesluit bodem Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard heeft op 23 januari 2024 het voorbereidingsbesluit bodem genomen om ervoor te zorgen dat in de overgangsperiode tussen nu en het vaststellen van nieuwe bodemregels in het omgevingsplan wordt voorkomen dat activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met in voorbereiding zijnde bodemregels. Bij de uitvoering van het bodemonderzoek zoals opgenomen in bijlage 4 zijn de regels uit dit voorbereidingsbesluit in acht genomen. 5.1.5 Projectbesluiten Het projectbesluit is een instrument voor waterschappen, provincies en het Rijk voor het mogelijk maken van vaak complexe projecten met een publiek belang.
Het projectbesluit vervangt het Tracébesluit uit de Tracéwet, het inpassingsplan uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het projectplan uit de Waterwet. Als voor de locatie van het project of de omgeving daarvan een projectbesluit geldt, wordt dat hier beschreven. De omgevingsvergunning wordt geweigerd voor de aangevraagde omgevingsplanactiviteit die het uitvoeren van een project, waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk, belemmert. Voor deze ontwikkeling zijn geen relevante projectbesluiten. 5.1.6 Maatwerkregels Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel in het omgevingsplan, wordt bij de beoordeling of wordt voldaan aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de regels die gelden voor het stellen van die maatwerkregel. Het gaat dus om de regels die gelden voor het stellen van maatwerkregels, als het gaat om een omgevingsvergunning
34/69
die betrekking heeft op een maatwerkregel. Denk hierbij aan een maatwerkregel die op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) kan worden gesteld voor een locatie specifieke situatie waarbij wordt afgeweken van de algemene rijksregel in het Bal. Voor deze ontwikkeling zijn er geen relevante maatwerkregels. 5.1.7 Thema’s die onder ETFAL vallen Daarnaast zijn er thema’s die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema’s komen terug in tabel 5.3. Tabel 5.3 Thema’s in het kader van ETFAL
Thema
Wettelijk kader
Relevant voor de ontwikkeling
Mobiliteit en parkeren Geen onderdeel van Bkl, maar wet- en regelge- Ja, zie paragraaf 5.10. ving op lagere overheidsniveaus. Daarom in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. Natuurbescherming NNN
Afdeling 7.3 van het Bal.
Ecologie: gebiedsbescherming Ecologie: soortenbescherming Ecologie: houtopstanden Bezonning / schaduwhinder (niet zijnde slagschaduw windturbines)
Afdeling 11.1 van het Bal.
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 5.11. Ja, zie paragraaf 5.11.
Afdeling 11.2 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 5.6.
Afdeling 11.3 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 5.11.
Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en regelgeving, maar in het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.
De bebouwing is niet dermate hoog dat bezonning/schaduwhinderrelevant is.
Windhinder
Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en regelgeving, maar in het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken. Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en regelgeving, maar in het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.
De bebouwing is niet dermate hoog dat windhinder relevant is.
Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en regelgeving, maar in het kader van ETFAL wel in
Ja, paragraaf 5.14.
Lichthinder
Gezondheid
Gezondheidsrisico’s spuitzones
35/69
Nee, binnen de projectlocatie worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling (bijvoorbeeld bedrijfsterrein, sportveld of glastuinbouw met assimilatieverlichting), anders dan reguliere straat- en erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen. § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema’s in het ka- Ja, paragraaf 5.13. der van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.
de belangenafweging betrokken. Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Geen onderdeel van Bkl of andere wet- en regelgeving, maar in het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.
Ontplofbare oorlogsresten
Geen onderdeel van Bkl, maar kan nodig zijn ge- Nee, de projectlocatie ligt niet in een zone let op grond van artikel 4.10 Arbobesluit. met een concrete verwachting voor het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten.
5.2
Ja, paragraaf 5.15.
Omgevingsveiligheid
5.2.1 Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.2). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Bal zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico / aandachtsgebieden Het groepsrisico (GR) betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het GR legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het GR, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.
Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Bbl (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinder-dagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico’s wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen,
36/69
kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan 5.2.2 Toetsing Met de ontwikkeling wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt.
Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico’s. Met behulp van de PAV-kaarten van het REV is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectlocatie bevinden. Daarbij is gekeken naar activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 5.2 Uitsnede PAV-risicokaart, projectlocatie in rood aangegeven.
Uit figuur 5.2 is af te lezen dat er nabij de projectlocatie 2 relevante risicovolle bronnen zijn gesitueerd. De projectlocatie ligt ruim buiten de PR-contouren en aandachtsgebieden van deze bronnen. Overige plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden vanuit de omgeving liggen op grote afstand tot de projectlocatie. Op basis van deze informatie is nader onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk. Risico's anders dan gevaarlijke stoffen Uit de kaarten en data van het Interprovinciaal Overleg (IPO) 2023 blijkt dat er in en rondom de projectlocatie kwetsbare natuurgebieden aanwezig zijn die gevoelig zijn voor natuurbrand. Gezien deze ligging is het belangrijk om bij de verdere uitwerking van het project aandacht te besteden aan brandveiligheidsmaatregelen. Aangezien de natuurbrandkans als laag wordt gezien, is het voor de ontwikkeling niet noodzakelijk om voor op dit aspect nader onderzoek te verrichten.
37/69
Uit kaarten van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) blijkt dat de projectlocatie en de directe omgeving momenteel een kleine plaatsgebonden overstromingskans van <1/300 tot 1/3.000 per jaar kennen. LIWO biedt daarnaast prognoses voor de jaren 2050 en 2100, waaruit blijkt dat deze overstromingskans afneemt naar een zeer kleine kans. De kans op overstromingen is zodanig gering dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Bovendien voorziet de ontwikkeling niet in activiteiten die invloed hebben op de plaatsgebonden overstromingskans. Verdere stappen of aanvullend onderzoek naar waterveiligheid zijn dan ook niet vereist. Overige risico's van branden, rampen en crisis zijn niet relevant voor het project. 5.2.3 Conclusie De ontwikkeling maakt geen nieuwe risicobron mogelijk en het projectlocatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het project is niet in strijd met instructieregels voor omgevingsveiligheid en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Gelet op het voorgaande is het project in overeenstemming met instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid.
5.3
Water
5.3.1 Algemeen Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Een gemeente moet daarom in de ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het begrip ‘weging van het waterbelang‘ de watertoets vervangen. Het doel blijft hetzelfde, namelijk het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Deze instructieregel is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een BOPA via artikel 8.0b Bkl. Meer informatie is te vinden op: ● Water | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl); ● Water en ruimte | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl); ● Omgevingsplan water en ruimte algemeen | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl). Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de weging van het waterbelang. Een ruimtelijke ontwikkeling of nieuwbouwplan moet ook worden getoetst aan de instructieregels uit het Bkl en de provinciale instructieregels. De waterbeheerder voor deze locatie is waterschap Hollandse Delta.
De gemeente of initiatiefnemer is echter verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. Er gelden geen exacte regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. De gemeente kan strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij het tot stand komen van dit plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota’s verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectlocatie relevante nota’s, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europees: ● Kaderrichtlijn Water (KRW).
38/69
Nationaal: ● Nationaal Water Programma 2022-2027; ● Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); ● Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); ● Omgevingswet. Provinciaal: ● Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027; ● Omgevingsvisie Zuid-Holland; ● Zuid-Hollandse omgevingsverordening. 5.3.2 Toetsing Huidige situatie Op basis van gegevens uit dinoloket.nl bestaat de bodem tot circa 0,70 m-mv uit klei met daaronder tot circa 2,00 m-mv een laag zand. Tussen 2,00 m-mv en 3,00 m-mv bevindt er zich een veenlaag met daar onder tot 5,30 m-mv een kleilaag waaronder de bodem weer uit zand bestaat. In de projectlocatie is er sprake van grondwatertrap VIIo Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand 85 cm-mv en de gemiddelde laagste grondwatertrap 160 cm-mv. De maaiveldhoogte in de projectlocatie -0,4 onder NAP. De projectlocatie is gelegen in het peilgebied H02.004. De projectlocatie heeft een oppervlakte van 5.279,69 m2 en wordt nagenoeg volledig gebruikt voor akkerbouw (onverhard en onbebouwd). Uit de legger van de Hollandse Delta blijkt dat er binnen het projectlocatie geen watergangen of -lichamen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde watergangen betreffen sloten ten noordoosten en noordwesten, zie figuur 5.3.
Figuur 5.3 Uitsnede legger WSHD
Beschermingszones en/of onderhoudsstroken van deze sloten liggen op ruime afstand van de projectlocatie. Ook ligt de projectlocatie niet nabij een beschermingszone of keurzone van een waterkering. Toekomstige situatie De ontwikkeling voorziet in een toename van verhard oppervlak, dit is weergegeven in figuur 5.4. Vanuit het waterschap
39/69
gelden er verplichtingen ten aanzien van watercompensatie. De toename aan verharding is cijfermatig weergegeven in tabel 5.4.
Figuur 5.4 Toename aan verharding projectlocatie BOPA Tabel 5.4 Toename aan verharding
Soort: Openbaar verhard Verhard (bebouwing) Parkeren half verhard Onverhard Totaal projectlocatie:
m² 876,51 681,7 112,50 3.608,95 5.279,69
Met het waterschap is afgesproken de toename aan verharding in het naastgelegen peilgebied (ten oosten van de Zinkweg, vijver Frans Halsstraat/Groeneweg) te compenseren door verbreding van de bestaande vijver, zie figuur 5.5. De oever van de watercompensatie wordt flauwer aangelegd waardoor het zorgt voor een zoveel mogelijk plas-dras situatie. Dit komt ten goede aan de biodiversiteit van de waterpartij. Er dient hiervoor een omgevingsvergunning bij het waterschap te worden aangevraagd. Deze vergunningaanvraag doorloopt een eigen procedure.
40/69
Figuur 5.5 Locatie watercompensatie (bron: gemeente Hoeksche Waard)
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: ● hemelwater vasthouden voor benutting; ● (in-) filtratie van afstromend hemelwater; ● afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; ● afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
41/69
Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "waterschapsverordening". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 5.3.3 Conclusie Ten behoeve van de watercompensatie wordt een omgevingsvergunning aangevraagd bij het waterschap. Er zijn geen verdere belemmeringen of aandachtspunten voor het aspect water. De ontwikkeling voldoet aan de relevante instructieregels en er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan ETFAL.
5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1 Algemeen Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
5.4.2 Toetsing Het project voorziet in de realisatie van 21 woningen aan een of meerdere bestaande ontsluitingsweg(en). In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: ● 1 ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen; of ● 2 ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen. Vanwege de omvang van het project kan deze worden aangemerkt als ‘niet in betekenende mate bijdragend’. De projectlocatie is niet gelegen binnen een aandachtsgebied die wordt gemonitord voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de concentratie van luchtverontreinigende
42/69
stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Ruisscheweg. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023: 13,82 µg/m³ voor NO2, 14,25 µg/m³ voor PM10 en 7,20 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te kennen. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 μg/m³ voor NO2, 15 μg/m³ voor PM10 en 5 μg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. De concentraties ter hoogte van het projectlocatie zijn, met uitzondering van PM10, hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor de projectlocatie, maar voor de hele regio).
De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. 5.4.3 Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
5.5
Geluid door activiteiten
5.5.1 Algemeen Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten. Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk: ● geluidhinder afkomstig van één of meerdere activiteiten op een locatie (directe hinder); ● maximale geluidhinder; dit zijn de piekniveaus die optreden als gevolg van activiteiten op een locatie. In artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluidbelastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluidbelastende activiteit. De relevante bedrijfsactiviteiten in de omgeving worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Vervolgens wordt er link gelegd tussen de relevante (geluid)regels van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan en de daarbij behorende regels vanuit de bruidsschat. Tevens zal worden nagegaan of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of de bedrijfsruimte van een activiteiten niet in geding komen. 5.5.2 Toetsing Met de ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Woningen hebben geen milieuhinder tot gevolg. Om te bepalen of de woningen mogelijk een belemmering vormen voor bedrijven in de nabijheid van de projectlocatie, is gebruikgemaakt van
43/69
het tijdelijke deel van het omgevingsplan dat onder meer bestaat uit de bestemmingsplannen Buitengebied Oud-Beijerland, vastgesteld op 6 november 2013 en correctieve herziening Wonen, vastgesteld op 7 augustus 2024. Nabij de projectlocatie doen zich enkele relevante bedrijfsactiviteiten voor. Als er geen wettelijke geluidszones zijn vastgesteld, wordt er voor de inschatting of de woningen een belemmering vormen voor nabijgelegen bedrijven gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Worden hierbij de richtafstanden voor 'gemengd gebied' aangehouden, dan is dit een goede indicatie dat de bedrijven kunnen voldoen aan de geluidnorm die is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de bruidsschat). Deze norm geldt voor het geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen. In dat geval vormen de te bouwen woningen geen belemmering voor de bedrijven. Worden de richtafstanden niet in acht genomen, dan is dit een indicatie dat het bedrijf mogelijk niet aan de geluidnorm kan voldoen. Het bedrijf zal dan mogelijk geluidbeperkende maatregelen moeten nemen. Dit kan leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering.
Bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving Aan de Randweg, ten noorden van de projectlocatie, bevindt zich een bedrijventerrein met diverse functies, waaronder een tankstation, een schoonheidssalon en een autobedrijf. Dit terrein ligt op een afstand van circa 200 meter van de projectlocatie. Conform het tijdelijke deel van het omgevingsplan heeft dit terrein de enkelbestemming ‘Bedrijf’, waarbij bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. Voor milieucategorie 2 gelden richtafstanden van 30 meter voor het aspect geluid. Aangezien de afstand tussen het bedrijventerrein en de projectlocatie ruim voldoet aan deze richtafstand, is geluidhinder aan de woningen uitgesloten. Daarnaast ondervindt het bedrijventerrein geen beperking in de milieuruimte of ontwikkelruimte door de geplande woningbouw. Ten noordoosten van de projectlocatie bevindt zich op ongeveer 65 meter afstand een onderwijsinstelling. Hoewel onversterkt stemgeluid niet valt onder de geluidwaarden van de instructieregels in het Bkl en de regels van het omgevingsplan, kan dit type geluidbron niet volledig buiten beschouwing worden gelaten. Het schoolplein van de onderwijsinstelling, gelegen op circa 110 meter van het projectgebied, wordt uitsluitend gedurende de dagperiode gebruikt.
Tussen het schoolplein en het projectgebied bevinden zich een weg (Randweg) en hoog opschietende begroeiing, die fungeren als geluidsbarrières. Gezien de ruime afstand en de aanwezigheid van deze barrières, wordt de akoestische situatie als aanvaardbaar beschouwd. De onderwijsinstelling heeft in het tijdelijke deel van het omgevingsplan de bestemming ‘Maatschappelijk’, die maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en horeca toestaat. Volgens de VNG-brochure valt een onderwijsfunctie binnen milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt in een rustige woonwijk. De afstand tot de projectlocatie voldoet ruimschoots aan deze richtafstand. Hierdoor is geluidhinder vanuit de onderwijsinstelling zeer onwaarschijnlijk, en wordt de milieuruimte van de instelling niet beperkt door de ontwikkeling. 5.5.3 Conclusie De ontwikkeling maakt geen nieuwe activiteit met mogelijke geluiduitstraling mogelijk. De akoestische situatie vanwege activiteiten in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. De realisatie van de woningen leidt niet tot akoestische beperkingen voor omliggende activiteiten.
44/69
5.6
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.6.1 Instructieregels Bkl In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 5.5. Bij geluidniveaus tussen de standaardwaarde en de grenswaarde op de gevel maakt het bevoegd gezag een afweging. In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; bij een niet-geluidgevoelige gevel. Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt.
Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. In tabel 5.5 zijn de standaard- en grenswaarden per bronsoort weergegeven. Tabel 5.5 Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
Geluidbronsoort
Standaardwaarde Lden Grenswaarde Lden[dB] [dB]2,3 Vaststellen geluidproduc eplafonds
Grenswaarde Lden[dB] Nieuw geluidgevoelig gebouw
Aanleg/wijziging wegen/lokale spoorwegen zonder geluidproduc eplafonds 50
651
60
Gemeentewegen 53 Waterschapswegen
70
70
Lokale spoorwegen 55
70
65
60 Lden/50 Lnight
55 Lden/45 Lnigh
Provinciale wegen Rijkswegen
Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
50 Lden/40 Lnight
5.6.2 Onderzoek De woningen vallen onder geluidgevoelige gebouwen conform artikel 3.21 van het Bkl. Omdat de projectlocatie binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen ligt, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit is opgenomen in bijlage 3. De resultaten uit het onderzoek zijn als volgt: Het geluid is hoger dan de standaardwaarde van 53 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden.
45/69
Maatregelen om de geluidbelasting reduceren zijn om financiële, verkeerskundige en landschappelijke reden niet mogelijk. Het gecumuleerde geluid wordt aan de hoog belaste kant als redelijk beoordeeld. Aan de laag belaste zijde wordt de geluidbelasting als zeer goed beoordeeld. Hier is sprake van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Het geluid wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld. Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten.
5.6.3 Conclusie Het geluid wordt als aanvaardbaar beoordeeld. Omdat de standaardwaarde wordt overschreden, dient het gezamenlijk geluid te worden vastgelegd in de voorschriften van de BOPA. Het aspect geluid van wegen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling en is in overeenstemming met de instructieregels. De ontwikkeling draagt vanuit het aspect geluid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Bodemkwaliteit
5.7.1 Instructieregels Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Bal: ● regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 Aanvullingsbesluit Bodem); ● regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); ● regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Aanvullingsbesluit Bodem); ● maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen (paragraaf 2.3.6a.5 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het gebruik.
Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 5.7.2 Toetsing In opdracht van Rho Adviseurs is door DS milieu-consult een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4 bij deze onderbouwing. Uit het onderzoek blijkt dat: ● De locatie is gelegen in PFOA toepassingszone A en in principe niet verdacht van het voorkomen van PFAS. ● De bovengrond voldoet aan de klasse landbouw/natuur. ● De diepere bodem voldoet aan de klasse landbouw/natuur. ● De puinhoudende zandlaag ter plaatse van het voormalige pad is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, lood, molybdeen, nikkel en zink. De grond wordt aangemerkt als klasse industrie. ● In het vrijgekomen puinhoudende zand zijn visueel geen asbestverachte materialen waargenomen. Analytisch is geen asbest aangetoond.
46/69
● ●
Het grondwater is niet verontreinigd met één van de onderzochte stoffen. De licht verhoogde gehalten aan poly- en per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) liggen beneden de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie.
Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater betreft vermoedelijk een van nature verhoogde achtergrondwaarde. De hypothese dat de locatie verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de onderzoeksresultaten (deels) te worden bevestigd, met dien verstande dat ter plaatse van het voormalige pad geen asbest is aangetoond, in de gedempte sloten geen bodemvreemde materialen zijn aangetroffen en dat de bovengrond niet verontreinigd is met organochloor bestrijdingsmiddelen. 5.7.3 Conclusie De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. De projectlocatie wordt geschikt geacht voor het gebruik, wonen met openbaar groen. De ontwikkeling draagt voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Cultureel erfgoed
5.8.1 Algemeen Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.
Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan Archeologie In het paraplubestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' zoals vastgesteld op 9 mei 2017, heeft de projectlocatie grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. In de regels behorende bij deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod, tenzij: ● reeds uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn; of, ● het bouwwerken betreffen die vergunningsvrij op basis van het (voormalige) Besluit omgevingsrecht (Bor) kunnen worden gebouwd; of, ● het bouwwerken betreffen die niet dieper reiken dan 0,5 m onder het maaiveld; of, ● een planomvang hebben kleiner dan 500 m². Met de ontwikkeling vinden bodemroerende werkzaamheden plaats, derhalve is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
47/69
5.8.2 Onderzoek In opdracht van Rho adviseurs is in december 2024 door SOB Research een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze onderbouwing. Op basis van het archeologisch bureau- en booronderzoek moet worden geconcludeerd dat de ontwikkeling zou kunnen leiden tot verstoring van de archeologische resten ter plaatse van die locaties waar bodemverstoringen plaatsvinden tot een diepte van meer dan 1.4 meter beneden maaiveld (de top van het Hollandveen minus de door de gemeente Hoeksche Waard gehanteerde bufferzone van 0.3 meter). Voor de aanleg van het rioolstelsel worden de grenzen overschreden. Daarom is nader onderzoek nodig naar de archeologische waarde in de bodem. Het vervolgonderzoek dient uitgevoerd en afgerond te zijn voordat grondwerkzaamheden kunnen plaatsvinden. Hiertoe wordt een voorwaarde in de omgevingsvergunning aanbevolen. Het vervolgonderzoek is reeds opgestart en in uitvoering. De resultaten hiervan worden voorafgaand aan de verlening van de vergunning verwacht. 5.8.3 Conclusie Er dient een voorwaarde opgenomen te worden om te waarborgen dat het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd conform de bepalingen in het bestemmingsplan en in overeenstemming met de wettelijke protocollen ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg.
5.9
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.9.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b, eerste lid onder a van het Bkl bepaalt dat hoofdstuk 5 van het Bkl ook geldt voor een BOPA. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moeten de mogelijkheden worden bezien om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Voor wonen is de lijn dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2.
Voor tijdelijke functiewijzigingen tot 10 jaar was de ladder voorheen niet van toepassing. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestaan de zogenoemde kruimelgevallen niet meer. 5.9.2 Toetsing In dit geval gaat het om een tijdelijke functiewijziging van agrarische gronden naar tijdelijke woningen buiten bestaand stedelijk gebied. Er is daarbij geen sprake van substantiële effecten op de leefomgeving. De effecten op de leefomgeving worden opgeheven na beëindiging van het tijdelijke gebruik. Omdat de tijdelijkheid langer duurt dan 10 jaar, is de ontwikkeling ondanks de tijdelijkheid en de omkeerbare effecten aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarom is hierna de behoefte beschreven en de keuze voor de voorliggende locatie, gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
48/69
Beschrijving woningbehoefte Behoefte Flexwonen De jongeren en starters die graag op zichzelf willen wonen in de Hoeksche Waard, kunnen lastig een betaalbaar huis vinden. Hoeksche Waarders, die door persoonlijke omstandigheden snel woonruimte nodig hebben, zoeken vaak tevergeefs door de grote druk op de woningmarkt. Ook mensen met een verblijfsvergunning die recht hebben op een woning moeten lang wachten voor ze aan de beurt zijn. Daardoor stokt de doorstroming vanuit (nood)opvangplekken en ontstaan er op tal van plekken zeer onwenselijke situaties. De gemeente zet volop in op de bouw van nieuwe woningen, maar de ontwikkeling van nieuwe wijken vraagt jaren van voorbereiding en procedures. En die tijd hebben deze groepen woningzoekenden niet. De nood is hoog en de behoefte is er nu. In de Regionale Realisatie Agenda Wonen Samenwerkende regio's Alblasserwaard, Drechtsteden, Goeree-Overflakkee en Hoeksche Waard (7 maart 2023) is gelet op de grote woningbehoefte afgesproken dat de Hoeksche Waard vasthoudt aan de eigen ambitie om 500 woningen per jaar te blijven bouwen. Van deze nog te bouwen woningen moet 2/3 in de betaalbare prijsklasse vallen. Met het realiseren van de tijdelijke woningen kan de gemeente op korte termijn voor een deel aan deze behoefte voldoen.
Behoefte huisvesting statushouders De huisvesting van statushouders betreft een bovenregionale behoefte (nationale opgave). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de huisvesting van statushouders. Het Rijk legt ze hiervoor een taakstelling op. De taakstelling wordt twee keer per jaar bijgesteld en maandelijks gemonitord. Ver vooruitkijken en ver vooruitlopen op de taakstelling is niet zinvol, omdat de instroom een zeer grillig verloop kent. De instroom is onder meer afhankelijk van Europese afspraken, de uitvoering daarvan, de situatie in de landen van herkomst en de snelheid van gezinshereniging. In veel gevallen is in huishoudensprognoses en regionale woningbouwafspraken nog geen rekening gehouden met de instroom van statushouders. De door het Rijk opgelegde taakstelling kan daarom als plus op de regionale woningbehoefte worden gezien. In 2025 veranderen de plannen voor asiel en migratie. Uit het overzicht huisvesting vergunninghouders 1 januari 2025 blijkt dat de taakstelling (inclusief achterstand) voor de gemeente 212 te huisvesten statushouders betreft. Dit zorgt ervoor dat de gemeente relatief veel woningen uit de reguliere voorraad moeten onttrekken, waardoor de wachttijden verder oplopen en de woningproblematiek vergroot. Conclusie woningbehoefte Er is een grote behoefte aan woningen voor mensen die in een dringende situatie zitten.
Met oplossingen als tijdelijke woningen kan deze groep mensen sneller een dak boven hun hoofd aangeboden worden als opstap of tussenstap. In de tussentijd werkt de gemeente aan het mogelijk maken van permanente woningen. Omdat dit proces vaak langer duurt, wil de gemeente ook graag tijdelijke oplossingen bieden. De tijdelijke woningen worden onder andere gebouwd voor Hoeksche Waardse woningzoekenden. Beschrijving locatiekeuze Om de druk op de woningmarkt te laten afnemen onderzochten gemeente Hoeksche Waard en Stichting HW Wonen de mogelijkheden om -naast alle reguliere woningbouw- op korte termijn 100-150 tijdelijke woningen te realiseren. Het aantal van 100-150 woningen wordt over verschillende dorpen verspreid. Hiervoor werden meer dan 30 locaties in de Hoeksche Waard onderzocht op potentie voor het ontwikkelen van tijdelijke woningen. Belangrijke criteria waren: ● Is woningbouw op de betreffende locatie gewenst (geeft dit bijvoorbeeld beperkingen voor omliggende (bedrijfs)percelen); ● Kan realisatie op deze locatie snel? Of wordt voorzien dat het realiseren van tijdelijke huisvesting op die locatie te lang duurt? ● Op locaties waar initiatieven zijn voor permanente bouw, wordt ingezet op permanente bouw.
49/69
● ●
Kan de grond op korte termijn verkregen worden? Kan de grond voor een reële prijs verkregen worden?
Uit dit onderzoek bleven 18 potentiële locaties voor het realiseren van tijdelijke woningen over. Deze locaties werden nader beoordeeld op de volgende criteria: ● Wat is de eigendomspositie? ● Is er al een initiatief voor deze locatie? ● Is er een hogere waarde archeologie? ● Is de grond geschikt voor realisatie (civiel)? ● Zijn er scholen in de buurt/goed bereikbaar? ● Zijn er winkels in de buurt? ● Is er openbaar vervoer in de buurt? ● Hoe schatten we het draagvlak van de omgeving in? ● Ligt de locatie binnen of buiten Beschermd stads -en dorpsgezicht (BSD)? ● Hoe is de landschappelijke inpassing? ● Hoe is de verkeerstechnische inpassing? ● Zijn er aandachtspunten vanuit milieu? ● Is realisatie op deze locatie binnen 12 maanden mogelijk? Hieruit kwamen drie voorkeurs- en drie terugvallocaties naar voren. Met deze locaties zijn de gemeente Hoeksche Waard en Stichting HW Wonen aan de slag gegaan om de haalbaarheid verder te onderzoeken. Er worden in Oud-Beijerland twee locaties ontwikkeld. De locatie aan de Randweg is één van deze twee locaties en is geschikt en beschikbaar voor het realiseren van tijdelijke woningen. 5.9.3 Conclusie De ontwikkeling is aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is de behoefte aan de huisvesting voor de doelgroepen in het project beschreven, gelet op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hieruit volgt dat invulling wordt gegeven aan een grote behoefte aan tijdelijke woningen voor mensen die dringend huisvesting nodig hebben. Hiervoor is binnenstedelijk niet snel ruimte beschikbaar.
5.10 Mobiliteit en parkeren 5.10.1 Algemeen Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow en het Bkl stellen geen specifieke regels op dit gebied. Het beleid van de provincie en de gemeente gaan wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid zijn de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangetoond dient te worden dat een eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet en dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de parkeerbehoefte. 5.10.2 Verkeersstructuur Langzaam verkeer De planlocatie is gelegen aan de Randweg, De Randweg is een gebiedsontsluitingsweg, met een vrijliggend tweerichtingsfietspad aan de noordzijde van de rijbaan. Ook voor voetgangers is er een vrijliggend voetpad aanwezig aan de noordzijde van de rijbaan. Ten hoogte van het parkeerterrein aan de zuidzijde van de Randweg is een oversteekplaats voor fietsers ingericht waarbij fietsers voorrang dienen te verlenen aan het gemotoriseerde verkeer. Voor voetgangers is in de huidige situatie geen specifieke oversteekplaats ingericht wegens het beperkte aantal oversteekbewegingen.
Wanneer de tijdelijke woningen worden gerealiseerd komen er meer structurele oversteekbewegingen. In deze situatie is het wenselijk dat een voetgangersoversteekplaats wordt ingericht, bij voorkeur op een verhoging voor extra attentiewaarde.
50/69
De belangrijkste bestemmingen op loopafstand van de planlocatie zijn de middelbare school aan de overzijde van de Randweg, het Hoeksch Lyceum op circa 350 meter loopafstand, de Aldi supermarkt op circa 700 meter loopafstand en de bushaltes aan de Helen Parkhurstweg en de Zinkweg. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de projectlocatie is de bushalte Scholengemeenschap, gelegen op circa 150 meter loopafstand aan de Helen Parkhurstweg. Deze halte is echter ten behoeve van een scholierenlijn, wat betekent dat hier enkel bussen halteren aan het begin en einde van de schooldag. Voor de ontwikkeling is daarom de eerstvolgende halte meer relevant, namelijk de halte aan de Zinkweg gelegen op circa 250 meter loopafstand vanaf de projectlocatie. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van diverse buslijnen richting Goudswaard, Rotterdam Zuidplein en Rotterdam Lombardijen. Gemotoriseerd verkeer De Randweg is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In oostelijke richting kruist de Randweg de Zinkweg deze leidt vervolgens naar de N217 die de hoofdader vormt naar het rijkswegennet. De Zinkweg is eveneens ingericht als een gebiedsontsluitingsweg en leidt vervolgens in noordelijke richting naar het winkelcentrum van Oud-Beijerland.
5.10.3 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is bepaald op basis van de kencijfers uit CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt aangesloten bij het gemeentelijk parkeerbeleid van de gemeente Hoeksche Waard, waarin een stedelijkheidsgraad van ‘matig stedelijk’ wordt aangehouden voor Oud-Beijerland. De ligging van de planlocatie is gedefinieerd als ‘rest bebouwde kom’. Tenslotte wordt conform het gemeentelijke parkeerbeleid per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW-kencijfers wordt de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-744 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In tabel 5.6 is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald. Tabel 5.6 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling
Woontype Studio’s
Functie Aantal Huur, apparte8 woningen ment, sociale huur, <75 m² bvo Tweekamerwonin- Huur, apparte6 woningen gen ment, sociale huur, <75 m² bvo Grondgebonden Huur, huis, sociale 7 woningen driekamerwonin- huur gen Totaal
Kencijfer 3,6 per woning
Weekdag (mvt/etmaal) Werkdag (mvt/etmaal) 28,8 32,0
3,6 per woning
21,6
24,0
4,9 per woning
34,3
38,1
84,7
94,0
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 85 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag, wat neerkomt op 94 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Voor het bepalen van de autonome verkeersintensiteit op de Randweg zijn vanuit de gemeente geprognotiseerde verkeersgegevens aangeleverd afkomstig uit de Verkeersmilieukaart Hoekse Waard 2022 voor een gemiddelde weekdag in 2033. Op basis van de aangeleverde gegevens is de verkeersintensiteit op de Randweg bepaald voor een gemiddelde werkdag in het toekomstjaar 2035. Voor het doorrekenen van 2033 naar 2035 is een standaard autonome groei toegepast van 1% per jaar. Voor het omrekenen van weekdag naar
51/69
werkdag is op basis van ervaringscijfers een omrekenfactor van 1,07 toegepast. De Randweg heeft een gebiedsontsluitende functie met een snelheidsregime van 50km/h. De intensiteit die deze weg kan verwerken op basis van functie en vormgeving is 10.000 motorvoertuigen per etmaal. Na omrekening van de aangeleverde intensiteiten bedraagt de verkeersintensiteit op de Randweg in 2035 op het drukste punt tussen de projectlocatie en de Zinkweg circa 7.700 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De beoogde ontwikkeling leidt tot een procentuele toename van minder dan 1% ten opzichte van de autonome situatie. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling op de Randweg direct opgaat in het heersend verkeersbeeld. Het effect op de N217 richting de A29 is verwaarloosbaar. Het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet is dan ook verwaarloosbaar. 5.10.4 Parkeren De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling dient in eerste instantie te worden bepaald op basis van het gemeentelijke parkeerbeleid van de gemeente Hoeksche Waard. Uitzondering hierbij zijn de sociale huurwoningen, waarvoor conform de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland (artikel 7.45f) een parkeernorm van maximaal 0,7 parkeerplaatsen per woning dient te worden gehanteerd.