bijlage 2.2 BOPA onderbouwing tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland
Tekst van het document
BOPA ONDERBOUWING TIJDELIJKE WONINGEN RANDWEG OUD-BEIJERLAND TIJDELIJKE WOBOPA-ONDERBOUWING
NINGEN OUD-BEIJERLAND GemeenteRANDWEG Hoeksche Waard 3 april 2025Hoeksche Waard Gemeente 3 april 2025
1/69
DATUM KENMERK
3 april 2025 20240900.001/178715/RvO
PROJECT PROJECTLEIDER
BOPA Tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland drs. G.M. Boiten
OPDRACHTGEVER HW Wonen PROJECTNUMMER 20240900.001 AUTEUR STATUS
2/69
Definitief
DISCLAIMER © Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.
3/69
INHOUD 1.
2.
3.
4.
4/69
Inleiding
8
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Ligging projectlocatie Te doorlopen vergunningprocedure 1.3.1 Procedure 1.3.2 Adviesrecht en verplichte participatie
8 8 9 9 9
1.4
Leeswijzer
9
Beschrijving van het project en zijn omgeving
10
2.1
Huidige situatie 2.1.1 Feitelijke situatie 2.1.2 Historie 2.1.3 Relevante regels omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard
10 10 10 10
2.2
Toekomstige situatie 2.2.1 Ontwikkeling 2.2.2 Woningbouwprogramma 2.2.3 Landschappelijke inpassing
12 12 15 15
2.3
Juridische activiteiten 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn nodig voor het project?
16 16 16
2.4
M.e.r.-beoordeling 2.4.1 Algemeen 2.4.2 Toetsing
17 17 17
Participatie
18
3.1 3.2
18 18 18 18
Algemeen Vooroverleg en participatie 3.2.1 Vooroverleg 3.2.2 Participatie
Beleidskaders
20
4.1 4.2
Inleiding Rijksbeleid 4.2.1 Nationale Omgevingsvisie 4.2.2 Toetsing en conclusie Rijksbeleid
20 20 20 20
4.3
Provinciaal beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 2025) 4.3.2 Conclusie provinciaal beleid
20 20 21
4.4
Waterschapsbeleid 4.4.1 Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) 4.4.2 Conclusie waterschapsbeleid
21 21 22
5.
5/69
4.5
Gemeente 4.5.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard 4.5.2 Mobiliteitsplan Hoeksche Waard 4.5.3 Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 (2017) 4.5.4 Welstand 4.5.5 Conclusie gemeentelijk beleid
22 22 23 24 24 25
4.6
Conclusie beleid
25
Thema’s van de fysieke leefomgeving
26
5.1
Algemeen 5.1.1 Beoordelingskader 5.1.2 Afweging instructieregels afdeling 5.1 Bkl 5.1.3 Afweging instructieregels provinciale omgevingsverordening 5.1.4 Voorbeschermingsregels 5.1.5 Projectbesluiten 5.1.6 Maatwerkregels 5.1.7 Thema’s die onder ETFAL vallen
26 26 26 27 34 34 34 35
5.2
Omgevingsveiligheid 5.2.1 Algemeen 5.2.2 Toetsing 5.2.3 Conclusie
36 36 37 38
5.3
Water 5.3.1 5.3.2 5.3.3
Algemeen Toetsing Conclusie
38 38 39 42
5.4
Luchtkwaliteit 5.4.1 Algemeen 5.4.2 Toetsing 5.4.3 Conclusie
42 42 42 43
5.5
Geluid door activiteiten 5.5.1 Algemeen 5.5.2 Toetsing 5.5.3 Conclusie
43 43 43 44
5.6
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 5.6.1 Instructieregels Bkl 5.6.2 Onderzoek 5.6.3 Conclusie
45 45 45 46
5.7
Bodemkwaliteit 5.7.1 Instructieregels 5.7.2 Toetsing 5.7.3 Conclusie
46 46 46 47
5.8
Cultureel erfgoed 5.8.1 Algemeen 5.8.2 Onderzoek 5.8.3 Conclusie
47 47 48 48
5.9
6.
7.
48 48 48 50
5.10 Mobiliteit en parkeren 5.10.1 Algemeen 5.10.2 Verkeersstructuur 5.10.3 Verkeersgeneratie 5.10.4 Parkeren 5.10.5 Conclusie
50 50 50 51 52 53
5.11 Ecologie gebiedsbescherming 5.11.1 Algemeen 5.11.2 Toetsing 5.11.3 Conclusie
53 53 54 55
5.12 Ecologie soortenbescherming 5.12.1 Algemeen 5.12.2 Toetsing 5.12.3 Conclusie
55 55 55 56
5.13 Gezondheid 5.13.1 Algemeen 5.13.2 Toetsing 5.13.3 Conclusie
56 56 56 57
5.14 Gezondheidsrisico’s spuitzones 5.14.1 Algemeen 5.14.2 Toetsing 5.14.3 Conclusie
57 57 57 57
5.15 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 5.15.1 Algemeen 5.15.2 Toetsing 5.15.3 Conclusie
57 57 58 59
Economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal
60
6.1 6.2 6.3
60 60 60
Algemeen Financiële uitvoerbaarheid Kostenverhaal
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
61
7.1 7.2 7.3
Inleiding Voorwaarden Conclusie
61 61 61
Aanmeldnotitie m.e.r. Communicatie- en participatieplan Akoestisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek
62 63 64 65
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
6/69
Ladder voor duurzame verstedelijking 5.9.1 Algemeen 5.9.2 Toetsing 5.9.3 Conclusie
Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
7/69
Archeologisch onderzoek Stikstofmemo Aerius-berekeningen Quickscan natuur
66 67 68 69
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In nagenoeg heel Nederland is een tekort aan (betaalbare) woningen. De woningmarkt is krap, ook in de gemeente Hoeksche Waard. Er is behoefte aan een flexibele woningvoorraad in de vorm van tijdelijke huisvesting voor mensen die op korte termijn een woning nodig hebben. De gemeente wil aan de Randweg in Oud-Beijerland 21 tijdelijke woningen laten exploiteren voor een periode van 15 jaar. Hiermee wordt invulling gegeven aan de behoefte van Hoeksche Waardse woningzoekenden. Het project geeft ook mede invulling aan de gemeentelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders. De ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard, omdat de activiteit ‘tijdelijk wonen’ niet past binnen de regels van het bestemmingsplan ’Buitengebied Oud-Beijerland ‘. Daarnaast past de ontsluitingsweg ook niet binnen de regels van het bestemmingsplan ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’. Deze plannen maken onderdeel van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Om het project mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA) aangevraagd om zo te kunnen afwijken van het omgevingsplan. De omgevingsvergunning wordt voor een periode van 18 jaar aangevraagd, waarbij de woningen voor een periode van 15 jaar worden geëxploiteerd.
De extra tijd (3 jaar) is nodig in verband met de levertijd van de woningen, de wachttijd op aansluitingen op nutsvoorzieningen en het nadien terugbrengen van het perceel in oorspronkelijke staat. Voor een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een BOPA is een onderbouwing nodig waarin moet worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit document voorziet in deze onderbouwing.
1.2
Ligging projectlocatie
De projectlocatie ligt aan de Randweg aan de westrand van de kern van Oud-Beijerland en maakt deel uit van het bestaande akkerland. Aan de oostzijde doorsnijdt de projectlocatie de bomenrij richting het bestaande parkeerterrein. De locatie is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging projectlocatie (bron: Rho Adviseurs)
8/69
1.3
Te doorlopen vergunningprocedure
1.3.1 Procedure Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit, inhoudende: a. Een activiteit waarvoor het in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan; b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, lid 2 Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b tot en met 8.0e Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 Bkl gelden. Voor dit project is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Dit betekent dat op de aanvraag omgevingsvergunning in beginsel binnen 8 weken moet worden beslist. 1.3.2 Adviesrecht en verplichte participatie De gemeente Hoeksche Waard heeft een lijst met gevallen waarvoor de gemeenteraad een bindend advies wenst te geven (d.d. 11 oktober 2022).
Uit het bepaalde onder artikel 1, onderdeel 1 sub b (realiseren van meer dan 3 woningen buiten bestaand stedelijk gebied) volgt dat bij het voorliggende project sprake is van adviesrecht vanuit de gemeenteraad. Uit het besluit van de gemeenteraad volgt ook dat hiervoor het houden van participatie verplicht is.
1.4
Leeswijzer
hoofdstuk 2 geeft een beeld van de huidige en toekomstige situatie van de projectlocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe vooroverleg en participatie hebben plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan het ontwerp van het project op de projectlocatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 de ontwikkeling getoetst aan het relevante beleidskaders. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de hand van de thema’s van de fysieke leefomgeving. Hierbij wordt de ontwikkeling beoordeeld op basis van de relevante beoordelingsregels en de relevante aspecten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als ETFAL) . Hoofdstuk 6 beoordeelt de economische uitvoerbaarheid van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een conclusie getrokken ten aanzien van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9/69
2. BESCHRIJVING VAN HET PROJECT EN ZIJN OMGEVING 2.1 Huidige situatie 2.1.1 Feitelijke situatie De projectlocatie ligt aan de buitengrens van Oud-Beijerland, aan de rand van de Zoomwijck. De locatie betreft een akkerland en ligt aan een bomenrij, die behouden blijft. Er is geen bebouwing, verharding en verlichting aanwezig. De belangrijke voorzieningen, zoals supermarkt de Aldi en het Medisch Centrum Molenaar, liggen op circa 10 minuten loopafstand van de locatie. Naast de locatie, aan de overkant van de Randweg, liggen woningen en middelbare scholen het Hoeksch Lyceum en de Willem van Oranje. Ook ligt hier het sportveld van korfbalvereniging Korbatjo. Ten noorden van de projectlocatie ligt een benzinestation met LPG. De bebouwing aan de overzijde van de Randweg staat met de voorzijde richting de Randweg georiënteerd. De minimale afstand tussen de voorgevels van de woningen aan het Rudolf Steinerpad en de plangrens is 55 meter. 2.1.2 Historie Op de kaart van 1925 is te zien dat de locatie destijds midden in het landschap lag. Met uitzondering van een klein aantal woningen, was het grootste deel van de bebouwing op en langs de Zinkweg toen nog afwezig. Deze situatie bleef vrijwel onveranderd tot ongeveer 1950. Rond 1965 is duidelijk zichtbaar hoe Oud-Beijerland zich verder heeft uitgebreid tot aan de Zinkweg.
Tevens zijn er nieuwe woningen verschenen op de dijk, die uitkijken op de projectlocatie. Vanaf 1994 verschijnt de Randweg op de kaart, waardoor de projectlocatie deel begint uit te maken van de dorpsrand. Op de twee middelbare scholen na blijft het gebied rondom de Randweg onbebouwd. In 2005 is pas goed te zien hoe het dorp, door de ontwikkeling van de Zoomwijck, tot aan de projectlocatie is doorgegroeid. 2.1.3 Relevante regels omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard Het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard bevat regels voor de projectlocatie. Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in: a. De besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder: 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; 2. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; 3. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; 4. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening; b. de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; c.
de bruidsschat (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet). Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor de ontwikkeling. In paragraaf 2.3.2 wordt beschreven met welke regels van het omgevingsplan de ontwikkeling in strijd is. Ad a1. Het bestemmingsplan als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Op basis van de geldende planologische regeling, het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard waarvan de bestemmingsplannen onderdeel uitmaken, geldt ter plaatse van de projectlocatie het bestemmingsplan ’Buitengebied Oud-
10/69
Beijerland’ waarin de projectlocatie de bestemming ’Agrarisch met Waarde’ heeft en geldt voor een klein deel het bestemmingsplan ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’ en geldt de bestemming ’Groen’. Figuur 2.1 laat de uitsnede van de verbeelding behorende bij de bestemmingsplannen zien.
Figuur 2.1 Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Oud-Beijerland’ en ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’ met de projectlocatie rood omkaderd (bron: Rho Adviseurs)
Buitengebied Oud-Beijerland Het grootste deel van de projectlocatie is (voor zover relevant) bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf en de bescherming van de openheid van het landschap. Er zijn geen bouwmogelijkheden opgenomen. Met daaraan ondergeschikt: extensieve dagrecreatie, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen Een klein deel van de projectlocatie is (voor zover relevant) bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen, beeldende kunst, waterlopen en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan, er zijn enkel overige bouwwerken toegestaan. Parapluplan Archeologie en Parkeren Ook geldt voor de projectlocatie het paraplubestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (vastgesteld op 9 mei 2017 en geheel onherroepelijk in werking). De gedetailleerde verwachtings- en beleidsadvieskaart zoals in 2009 vastgesteld ligt hieraan ten grondslag. Om te zorgen voor een uniforme archeologische beleidsvoering wordt met dit parapluplan een archeologische dubbelbestemming toegekend. De projectlocatie heeft grotendeels de dubbelbestemming ’Waarde -
11/69
Archeologie 4’. Ook zijn met het parapluplan de regels ten aanzien van parkeren gewijzigd. Ad a2, a3 en a4 Verordeningen Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval is alleen Erfgoedverordening 2022 gemeente Hoeksche Waard onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hieruit volgt de archeologische verwachtingswaarde voor de projectlocatie die is vertaald in het genoemde parapluplan Archeologie en Parkeren. Ad b. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart De 10 gemeenten (waaronder de gemeente Hoeksche Waard) in de regio Zuid-Holland Zuid hebben een gezamenlijke Nota bodembeheer. Onderdeel van de Nota bodembeheer is de bodemkwaliteitskaart (Bodemkwaliteitskaart Zuid-Holland Zuid 2021). Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bovengrond en de ondergrond van de locatie zijn ingedeeld in de klasse ‘Achtergrondwaarde’. In figuur 2.2 zijn de kwaliteitsklassen weergegeven.
Figuur 2.2 Uitsnede bodemkwaliteitskaart (bron: geo.ozhz.nl)
Ad c. Bruidsschat In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.
2.2 Toekomstige situatie 2.2.1 Ontwikkeling De ontwikkeling aan de Randweg betreft de realisatie van 21 tijdelijke woningen, de ontwikkeling is weergegeven in figuur 2.3. De duowoningen hebben een maximale bouwhoogte van 6,65 m en de appartementen hebben een maximale bouwhoogte van 6,30 m. De woningen zijn in een lijn met een kleine verspringing gesitueerd. De woningen zijn met de voorzijde richting de parkeerplaats georiënteerd en met de achterzijde richting het landschap. In figuur 2.4 is op de ontwerptekening indicatief weergegeven waar de functies in het openbare gebied komen. Dit gaat om de ontmoetingsplaatsen, speelplaatsen, de plaats voor afvalinzameling en de fietsenstalling. Ook zijn de toegang tot de akker en de zone voor de grondwal en versterking van de biodiversiteit aangegeven. De huidige parkeerplaats blijft grotendeels behouden. Er vervallen 4 plaatsen, deze worden teruggebracht in de projectlocatie. Binnen de projectlocatie wordt ruimte gereserveerd voor 5 extra parkeerplaatsen. Deze worden in eerste instantie niet gerealiseerd om zo veel mogelijk groen te kunnen realiseren. Er komen 2 fietsenbergingen, voor blok 1 een voor 12 fietsen en voor blok 3 een met 30 fietsen.
12/69
De projectlocatie wordt ontsloten op het bestaande parkeerterrein, hiervoor moeten enkele bomen worden gekapt (zie figuur 2.5, de kap van deze bomen is vergunningplichtig). De dikke bomen in de rij blijven behouden. Daar wordt met beleid omheen gewerkt, rekening houdend met de kroonprojectie en het ondergrondse wortelstelsel. Het parkeerterrein wordt daarnaast via een nieuw pad voor voetgangers toegankelijk voor bewoners. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast met een rand van 10 meter bloemrijk grasland met enkele wat hogere struiken (geen bomen) en een grondwal met dichte beplanting, dit dient ter compensatie van de te kappen bomen. In paragraaf 2.2.3 wordt nader ingegaan op de landschappelijke inpassing.
Figuur 2.3 De ontwikkeling, januari 2025 (bron: Rho adviseurs)
13/69
Figuur 2.4 Ontwerp met indicatief de functies (bron: Rho Adviseurs)
14/69
Figuur2.5 Te kappen bomen
2.2.2 Woningbouwprogramma Het woningbouwprogramma van de tijdelijke woningbouw aan de Randweg is als volgt: Tabel2.1 Woningbouwprogramma Randweg Oud-Beijerland
Woontype Studio’s
Aantal 8 woningen
Oppervlakte per woning in m² 32,4
Tweekamerwoningen Grondgebonden driekamerwoningen Totaal
6 woningen 7 woningen 21
45,25 65
2.2.3 Landschappelijke inpassing De projectlocatie maakt deel uit van het bestaande akkerland aan de rand van Oud-Beijerland. Hierdoor ontstaat in de nieuwe situatie een directe overgang tussen het woongebied en het omliggende landschap, een overgang die op een zorgvuldige en landschappelijk verantwoorde manier moet worden ingepast. De woningen zullen geen grote negatieve invloed hebben op de landschappelijke beleving vanaf de Ruisscheweg. Met een landschappelijke inpassing bestaande uit diverse lage en hogere beplanting, worden de woningen visueel naar de achtergrond gedrukt en gaan ze op in de natuurlijke omgeving. Hierdoor wordt het beeld van de woningen verzacht en blijven deze grotendeels uit het zicht, waardoor het landschap zijn huidige karakter behoudt. In de zuidoostelijke hoek van de projectlocatie bevindt zich een grondwal met een hoogte van maximaal 1 meter. Deze grondwal wordt voorzien van beplanting in de vorm van inheemse en deels groenblijvende struiken, die een maximale hoogte van 2,5 meter hebben. De combinatie van de grondwal en beplanting dient als een natuurlijke afscherming, met als doel het zicht van de bewoners aan de Zinkweg op de planlocatie zoveel mogelijk te beperken. Voor een fraaie overgang naar het akkerland, wordt langs de randen van de projectlocatie een strook van 10 meter vrijgehouden voor landschappelijke inpassing.
In deze strook wordt diverse lage beplanting aangebracht, die wordt vormgegeven
15/69
als een bloemrijke akkerrand met uitsluitend inheemse soorten. Om het uitzicht richting het landschap vanuit de woningen te waarborgen, krijgt de beplanting een gemiddelde hoogte van 1,5 meter. Voor afwisseling zullen hogere struiken worden toegevoegd, met een maximale hoogte van 2,5 meter. Er worden geen bomen aan deze zijde geplant in verband met de tijdelijkheid van deze ontwikkeling. Voorbeelden van streekeigen/ inheemse beplanting die passen op de locatie zijn: ● Eenzijdige Meidoorn - Crateagus monogyna ● Zwarte bes - Ribes rubrum ● Sleedoorn - Prunus spinosa (aan de randen) ● Kornoelje - Cornus sanguinea (aan de randen) ● Gelderse roos - Viburnum opulus Daarnaast draagt een bloemrijke akkerrand bij aan de bevordering van de lokale biodiversiteit. Zo dienen de verschillende soorten, zoals de meidoorn en de zwarte bes, als voedingsbronnen voor vogels. Andere soorten, zoals de sleedoorn en kornoelje, trekken een diversiteit aan soorten insecten aan. De landschappelijke structuur van de projectlocatie moet goed aansluiten op die van het naastgelegen parkeerterrein en bijbehorend trapveldje. In de huidige situatie worden deze gebieden afgeschermd door een rij bomen met laagbeplanting, wat zorgt voor een duidelijke scheiding en natuurlijke begrenzing.
De nieuwe woningen zullen binnen dezelfde structuur worden ingepast, maar zullen dus in plaats van een bomenrij worden begrensd door lage beplanting. Dit zorgt voor een subtiele afscherming die de samenhang tussen de verschillende delen van het gebied behoudt en versterkt, zodat het geheel als één aaneengesloten en harmonisch gebied aanvoelt.
2.3
Juridische activiteiten
2.3.1 Inleiding Een project kan uit meerdere juridische activiteiten bestaan. De juridische activiteiten zijn onder te verdelen in 3 categorieën: I. Activiteiten die niet in strijd zijn met het omgevingsplan, omgevingsplanactiviteiten waarvoor geen BOPA nodig is; II. Activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan, omgevingsplanactiviteiten waarvoor de aanvraag voor de BOPA wordt ingediend; III. Activiteiten die niet in het omgevingsplan worden geregeld en geen omgevingsplanactiviteit zijn; Deze onderbouwing heeft alleen betrekking op de juridische activiteiten in categorie II, de omgevingsplanactiviteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan. Dit zijn de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. 2.3.2 Welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn nodig voor het project? De activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan (bestemmingen ‘Agrarische met waarde’ en ‘Groen’) en die door middel van een omgevingsvergunning voor de BOPA zijn aangevraagd, worden onderzocht en onderbouwd in deze onderbouwing.
In dit geval gaat het om de volgende buitenplanse omgevingsplanactiviteiten: ● Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken/ werkzaamheden; ● Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bouwwerken en in stand houden van bouwwerken; ● Omgevingsplanactiviteit voor de gebruiksverandering van de projectlocatie naar tijdelijk wonen en het gebruiken van de bouwwerken en gronden ten behoeve van 21 tijdelijke woningen; ● Omgevingsplanactiviteit voor het benutten van de openbare ruimte. In de voorliggende onderbouwing is onderzocht of ten aanzien van deze buitenplanse omgevingsplanactiviteiten wordt voldaan aan de instructieregels en of dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
16/69
2.4
M.e.r.-beoordeling
2.4.1 Algemeen De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r.-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven voor welk besluit de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Als hierin het omgevingsplan wordt genoemd, is dit ook van toepassing op de omgevingsvergunningsaanvraag voor een BOPA. Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning. 2.4.2 Toetsing De ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd, betreft de realisatie van 21 tijdelijke woningen. Dit is een activiteit uit de kolom van Bijlage V van het Ob, namelijk activiteit J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Hiervoor is een m.e.r-beoordeling noodzakelijk. Uit de informatie in de aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze onderbouwing blijkt dat de projectlocatie niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
17/69
3. PARTICIPATIE 3.1
Algemeen
De gemeenteraad stelde op 11 oktober 2022 gevallen vast waarvoor het houden van participatie verplicht is (artikel 16.55, lid 7 Omgevingswet). Voor het realiseren van 21 tijdelijke woningen moet participatie plaatsvinden.
3.2
Vooroverleg en participatie
3.2.1 Vooroverleg In het kader van informeel vooroverleg is contact geweest met de volgende instanties:
Waterschap Hollandse Delta: Er is met name overleg gevoerd over de te realiseren waterberging; Provincie Zuid-Holland: Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit zijn de opmerkingen van de provincie verwerkt in het ontwerp. Er dient een voorschrift opgenomen te worden in de omgevingsvergunning dat het perceel in originele staat wordt teruggebracht na beëindiging van de activiteiten; nutsbedrijven (Stedin/Evides/KPN/eFiber): Er is contact over de benodigde aansluitingen voor de projectlocatie.
3.2.2 Participatie Er is een communicatie- en participatieplan opgesteld voor de ontwikkeling, deze is opgenomen als bijlage 2 bij deze onderbouwing. Het document heeft betrekking op de interne en externe communicatie en participatie met omwonenden en belanghebbenden. Voor de tijdelijke woningen aan de Randweg is participatie verplicht (Omgevingswet, artikel 16.55 lid 7). Gemeente Hoeksche Waard en HW Wonen baseren de participatie van haar ruimtelijke projecten op de Participatievisie en gebruiken hiervoor de handreiking participatie. Het plan voor de tijdelijke huisvesting op locatie Randweg heeft gevolgen voor de hieronder vermelde stakeholders uit het omliggende gebied van de Randweg Oud-Beijerland. Resultaten per stakeholder uit de participatie Inwoners Initiatiefnemers informeerden 339 adressen uit het verspreidingsgebied rondom de Randweg in Oud-Beijerland per brief over de informatieavond op 20 november 2024. En berichtgeving in het Kompas van 13 en 20 november 2024. Deze adressen zijn direct betrokkenen, denk aan buren, buurtbewoners en omwonenden. Vanaf het moment van informeren tot aan de tweede informatieavond hebben inwoners géén gebruik gemaakt van de mogelijkheid voor het inplannen van losse gesprekken met de gemeente. Wel is er met enkele buurtbewoners intensiever contact geweest per e-mail. In deze contacten zijn onderdelen van het plan toegelicht.
Ook gaven deze buurtbewoners signalen af over verkeersveiligheid buiten het de projectlocatie. Deze signalen zijn binnen de gemeente aan de orde gesteld bij de desbetreffende afdelingen. Binnen het project tijdelijke huisvesting kunnen deze issues namelijk niet worden opgelost. De buurtbewoners zijn op de hoogte gesteld van deze aanpak. Voor de eerste informatieavond meldden 65 inwoners zich aan en zijn er naar schatting 100 inwoners aanwezig geweest. Onder de aanwezigen waren ook veel woningzoekenden. Tijdens deze avond konden de aanwezigen op posters deelaspecten (zoals schetsen, het stedenbouwkundig plan en het omgaan met verkeer en parkeren) van het plan bekijken en ter plekke vragen stellen aan medewerkers van de gemeente en HW Wonen. Inwoners participeerden actief door hun ideeën, vragen en meningen te delen via persoonlijke gesprekken, post-its op de posters en via vraagkaartjes. Deze zijn verwerkt in een Q&A. De opmerkingen ter verbetering van het plan zijn waar mogelijk meegenomen in de besluitvorming. Op woensdag 11 december 2024 presenteerden de initiatiefnemers het uiteindelijke resultaat tijdens de tweede inloopavond. Het eindresultaat werd laten zien met nieuwe posters. De Q&A is online zichtbaar via de website van de gemeente. Op de tweede avond waren circa 20 mensen aanwezig.
Deze uitnodiging verliep via de digitale nieuwsbrief, de website en via het Kompas op 4 en 11 december 2024.
18/69
Er hebben géén bewoners gebruik gemaakt van een persoonlijk gesprek. Grondeigenaar Met de grondeigenaar zijn de uitgangspunten van de huur- en opstalovereenkomst besproken. Inmiddels is er een concept huur-en opstalovereenkomst naar de grondeigenaar gestuurd. Scholengemeenschappen, verenigingen en bedrijven Deze zijn schriftelijk geïnformeerd over het plan en uitgenodigd voor de informatieavonden. Er is met scholen en verenigingen contact geweest om af te stemmen in hoeverre het nodig is om ouders te informeren over het plan. Dit vanwege de schoolgaande kinderen en de jeugdleden in relatie tot de fietsroutes langs de projectlocatie. Uit deze afstemming volgde dat eerst reacties van ouders zouden worden afgewacht, om op basis daarvan eventueel gerichte communicatie daarover aan te gaan. Daaraan was echter geen behoefte aangezien er geen signalen van ouders bekend zijn geworden bij de gemeente noch bij HW Wonen.
19/69
4. BELEIDSKADERS 4.1
Inleiding
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het Rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. Tot slot wordt in paragraaf 4.4 de ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1 Nationale Omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficient en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 4.2.2 Toetsing en conclusie Rijksbeleid Met de ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding. Met de ontwikkeling wordt een locatie buiten bestaand stedelijk gebied ontwikkeld naar 21 tijdelijke woningen. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd aan de urgente behoefte aan tijdelijke woningen binnen de gemeente. Het realiseren van tijdelijke woningen aan de Randweg te Oud-Beijerland is niet in strijd met het Rijksbeleid.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 2025) De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.
20/69
De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: ● bouw naar behoefte; ● bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; ● bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; ● versterk de langzaam vervoersrelaties; ● benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; ● bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving. Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang. Flexwonen (waaronder het realiseren van tijdelijke woningen valt) is specifiek benoemd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. In Zuid-Holland is een enorme druk op de woningmarkt. Flexwonen kan als flexibele schil de bestaande druk op de woningvoorraad verminderen en kan fungeren als ‘ventiel’ voor de druk op een gespannen woningmarkt. Flexwonen kan bijdragen aan een snelle verlichting voor de woonvraag. Gebouwen voor Flexwonen worden beschouwd als stedelijke functie die in beginsel in bestaand stads- en dorpsgebied moeten worden gerealiseerd. Toetsing In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stads- en dorpsgebied, de projectlocatie grenst wel aan de kern van Oud-Beijerland.
Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking inclusief een onderbouwing van de locatiekeuze is opgenomen in paragraaf 5.9 van de voorliggende onderbouwing. De tijdelijke woningen zijn op een andere locatie te hergebruiken na afloop van de vergunningperiode, dit maakt de woningen toekomstbestendig en duurzaam. De ontwikkeling is in overeenstemming met de provincialeomgevingsvisie. 4.3.2 Conclusie provinciaal beleid De ontwikkeling van 21 tijdelijke woningen aan de rand van de kern van Oud-Beijerland is in lijn met het provinciaal beleid. Toetsing aan de provinciale instructieregels vindt plaats in hoofdstuk .1.5.2
4.4
Waterschapsbeleid
4.4.1 Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) De waterbeheerder voor de projectlocatie is Waterschap Hollandse Delta. In het Waterbeheerprogramma (WBP) (20222027) staan de doelen van het waterschap, de doelen zijn: ● waterveiligheid (dijken en duinen); ● versterkte duinen; ● meer biodiversiteit op de dijken; ● minder CO2-uitstoot; ● meer innovatie; ● voldoende schoon water. Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Doelen en hoe om te gaan met hemelwater staan beschreven in het hemelwaterbeleid. Door het herstel van de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Daarbij wordt er ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren maar ook op sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren. Vasthouden van water in het gebied is een belangrijk doel, maar bepaalde omstandigheden kunnen er voor zorgen dat toch een bepaalde mate van afvoer van hemelwater nodig is.
21/69
De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de waterschapsverordening en is compensatie nodig. Bij zeer grote werkzaamheden met een verhard oppervlak vanaf 5 hectare (10 voetbalvelden) geldt een speciale regel van het waterschap. In dat geval mogen waterbergingsgebieden of -kelders maximaal 20% zijn van de totale compensatie. De overige 80% bestaat uit open water zoals sloten en plassen. Bij ontwikkelingen kleiner dan 5 hectare geldt deze speciale regel van maximaal 20% niet. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 14% van de toename van verharding.
Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: ● nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename; ● nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; ● nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. 4.4.2 Conclusie waterschapsbeleid In paragraaf 5.2 wordt uitgebreid ingegaan op de waterbelangen die spelen in en om de projectlocatie. Het schone hemelwater wordt direct geloosd op oppervlaktewater. Met het waterschap is afgesproken de toename aan verharding in het naastgelegen peilgebied (ten oosten van de Zinkweg, vijver Frans Halsstraat/Groeneweg) te compenseren door verbreding van de bestaande vijver. Er dient hiervoor een omgevingsvergunning bij het waterschap te worden aangevraagd. Deze vergunningaanvraag doorloopt een eigen procedure.
4.5
Gemeente
4.5.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard In de Omgevingsvisie is ervoor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. ● De Omgevingsvisie richt zich op de gewenste koers van de gemeente. ● De Programma’s richten zich erop hoe daar te komen. ● Het Omgevingsplan geeft aan binnen welke regels dit gaat gebeuren. In de Omgevingsvisie Hoeksche Waard staat dat de gemeente meewerkt aan een plan, als dat plan bijdraagt aan de Hoeksche Waard. Een plan moet bijdragen aan de maatschappelijke opgaven van de Hoeksche Waard (Hoeksche Werken) en het behoud en verbeteren van de omgevingskwaliteit (Hoeksche Waarden). Hoeksche Werken Bij de Hoeksche Werken zijn er diverse maatschappelijke opgaven die de aandacht vragen de komende jaren. De bijdrage van het project tot het realiseren van de tijdelijke woningen draagt op de volgende manieren bij: ● duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; ● vitale dorpen en actieve samenleving. Toetsing Hoeksche werken Ten aanzien van duurzaam, energieneutraal en toekomstbestendig: De nieuwe woningen zijn gasloos en zullen zo veel mogelijk eigen energie opwekken door middel van bijvoorbeeld zonnepanelen voor elektriciteit. De units zijn volledig houtbouw en demontabel en zijn herbruikbaar op een andere locatie.
Ten aanzien van vitale dorpen en actieve samenleving: De gemeente streeft naar een evenwichtig samengestelde bevolking
22/69
waarin alle leeftijdsgroepen vertegenwoordigd zijn. Daarnaast streeft de gemeente naar behoud van de eigen identiteit van dorpen en buurtschappen. Voor kleine buurtschappen ligt de nadruk op herstructurering van de bestaande woningvoorraad, voor de dorpen is er ruimte voor uitbreiding, passend bij de kernkwaliteiten van het landschap en de structuur van het dorp. De projectlocatie ligt aan de rand van de kern van Oud-Beijerland. De toevoeging van 21 tijdelijke woningen voor een brede doelgroep levert een positief effect op het gebruik van de voorzieningen in de woonkern. Daarbij draagt het bij aan de maatschappelijke opgave om de woningmarkt uit te breiden. Hoeksche Waarden De Hoeksche Waarden zien op de omgevingskwaliteit. In de Omgevingsvisie geeft de gemeente per gebied aan wat de belangrijkste waarden zijn. Hierbij kan worden gedacht aan natuur, landschap, erfgoed, voedsel, energie, klimaat en gezondheid. Om de waarden te bepalen is de Hoeksche Waard ingedeeld in vijf gebieden te weten ‘Natuurlijk! Verbonden’, ‘Oudste Landen’, ‘Hoeksche Delta’, ‘Binnenpret’ en ‘Dorpse Trots’. De projectlocatie ligt in het gebied ‘Natuurlijk! Verbonden’. Dit betreft het grote, relatief open agrarische landschap. Het landschap is vooral ingericht voor de agrarische sector. De openheid geeft lange zichtlijnen en vergezichten.
Het open agrarische landschap wordt doorsneden door een fijnmazig systeem van kreken en dijken. De open ruimten vormen de tegenhanger van de meer verdichte dijklinten en dorpen. Uit de Omgevingsvisie Hoeksche Waard volgt niet dat er geen ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk zijn. Uitbreiding aan de randen van het dorp is mogelijk wanneer inbreiding en herstructurering binnen de dorpen onvoldoende mogelijkheden geeft. Dit past bij de ladder van duurzame verstedelijking waaruit volgt dat bij stedelijke ontwikkelingen (>12 woningen) moet worden gekeken naar inbreiding en herstructurering. Dergelijke uitbreidingen moet passen bij de identiteit van het dorp. De te ontwikkelen waarde voor het voorliggende project betreft het versterken van het contrast tussen grote open ruimten en groene randen en groene gebieden binnen de open ruimtes. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lange zichtlijnen ‘van dijk tot dijk’. Daarnaast heeft het project raakvlak met ‘Dorpse Trots’. Een belangrijk uitgangspunt bij ‘Dorpse Trots’ is dat, voor wat betreft de verdere ontwikkeling van de woonbebouwing in woonkernen, eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd.
Toetsing Hoeksche waarden De projectlocatie ligt aan de rand van Oud-Beijerland, de bouw van 21 tijdelijke woningen is niet mogelijk binnen de kern van Oud-Beijerland. De beschikbare ruimte in het dorp is reeds benut. Aan de Randweg is relatief weinig zicht op het achterliggende open landschap door de reeds aanwezige functies en beplanting. De impact op het zicht zal daarom beperkt zijn. Rondom het project wordt een landschappelijke inpassing aangelegd tussen het landelijke gebied en de nieuwe bebouwing. Conclusie De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Hoeksche Waard. 4.5.2 Mobiliteitsplan Hoeksche Waard De gemeenteraad stelde op 18 februari 2025 het Mobiliteitsplan Hoeksche Waard vast. Dit is een nadere uitwerking van het thema mobiliteit uit de Omgevingsvisie Hoeksche Waard. Uitgangspunten hierbij zijn: ontwikkelingen maken zoveel als mogelijk gebruik van het bestaande wegennet; ontwikkelingen waar het wegennet vol zit, worden niet toegestaan; meer ruimte voor fietser en voetganger.
23/69
Toetsing en conclusie In paragraaf 5.10 wordt ingegaan op het aspect mobiliteit. De ontwikkeling maakt gebruik van het bestaande wegennet. Wel worden er aanbevelingen gedaan om de bereikbaarheid van fiets/voetgangers te bevorderen. 4.5.3 Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 (2017) De 5 voormalige gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma vastgesteld. De visie kwam tot stand in samenwerking met diverse partijen. De visie speelt in op de veranderingen in de woningmarkt en kansen die er liggen om toekomstige krimp tegen te gaan. De Woonvisie is ook in de nieuwe gemeente Hoeksche Waard geldend. In de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 staat de vitaliteit van de Hoeksche Waard centraal. In de Woonvisie zet de gemeente het beleid gebaseerd op de gevolgen van vergrijzing en mogelijke krimp van de bevolking voort. Dit is echter niet voldoende om een vitale regio te blijven. Om die reden zet de Woonvisie in op het aantrekken van jonge huishoudens naar de Hoeksche Waard. De uitdaging ligt daarnaast in het tijdig voldoende woningen realiseren die aansluiten bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften van de doelgroep. Dit vraagt om een ander soort woningbouwprogramma. Een programma dat de lat in kwalitatieve zin hoog legt en flexibel is in kwantiteit zodat ingespeeld kan worden op de ontwikkeling van de instroom.
Gemeente Hoeksche Waard monitort de uitvoering van de Woonvisie om ervoor te zorgen dat er voldoende woningen zijn die aansluiten bij de behoefte. Uit de Woonvisie en de monitoring blijkt dat er de komende jaren sprake is van een groei van het aantal inwoners en het aantal huishoudens (door onder andere gezinsverdunning). Daarnaast nam de behoefte aan het huisvesten van jongeren en het realiseren van tijdelijke huisvesting toe. Deze behoefte is nog groter geworden door de toename van statushouders en de oorlog in Oekraïne. Vitaliteit vraagt ook om een toekomstbestendige woningvoorraad. Naast meer kwantiteit is er ook veel aandacht voor kwaliteit. De gemeente zet in op de volgende kwaliteitscriteria: ● op energie omdat we op weg zijn een energie neutrale regio te vormen; ● op geschiktheid vanwege het groeiend aantal (oudere) huishoudens; ● op bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer; ● op de ruimtelijke kwaliteit die ons onderscheidt van de grote stad. De gemeente kijkt daarbij niet alleen naar nieuwbouw, maar ook naar de bestaande woningvoorraad. Om de regionale economie en vitaliteit, de omgevingskwaliteit en het welzijn van de inwoners te verbeteren spraken gemeente en provincie uit dat zij de samenwerking willen intensiveren in een integraal gebiedsprogramma. Het programma speelt in op de toekomst van de Hoeksche Waard.
Hierbij staan vijf thema’s centraal: duurzame landbouw, energie, bereikbaarheid, natuur en recreatie en demografische ontwikkelingen. Toetsing Het toevoegen van tijdelijke woningen aan de rand van de kern van Oud-Beijerland draagt bij aan de doelen van de Woonvisie 2030 en het verlagen van de acute druk op de woningmarkt. Het project is in overeenstemming met de regionale woonvisie. 4.5.4 Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard).
24/69
Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b van het Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken, zijn uitgesloten van deze welstandstoets. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de Nota ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard 2020. Deze nota is vastgesteld op 15 december 2020 door de gemeenteraad. Toetsing Tijdelijke bouwwerken zijn uitgesloten van welstandstoetsing. 4.5.5 Conclusie gemeentelijk beleid De ontwikkeling van 21 tijdelijke woningen aan de rand van de kern van Oud-Beijerland is in lijn met het gemeentelijk beleid.
4.6
Conclusie beleid
De ontwikkeling van 21 tijdelijke woningen en de bijbehorende openbare ruimte past binnen de beleidskaders zoals omschreven in hoofdstuk 4.
25/69
5. THEMA’S VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING 5.1
Algemeen
5.1.1 Beoordelingskader Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de BOPA gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. De beoordelingsregels zijn in tabel 5.1 opgenomen. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Daarnaast gelden de volgende beoordelingsregels: a. instructieregels rijk ; b. instructieregels provincie; c. instructies rijk en instructies provincie; d. voorbereidingsbesluiten; e. projectbesluiten; f. maatwerkregels. De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gelden voor omgevingsplannen en zijn van overeenkomstige toepassing op de BOPA. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Hieronder wordt de toetsing van de ontwikkeling aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan.
5.1.2 Afweging instructieregels afdeling 5.1 Bkl De volgende thema’s zijn voor de ontwikkeling relevant en worden in tabel 5.1 genoemd: Tabel 5.1 Instructieregels Bkl
Thema
Afdelingen en paragrafen Bkl
Dienstenrichtlijn
§ 5.1.1. Algemene bepalingen artikel 5.1a.
Omgevingsveiligheid Water Luchtkwaliteit Geluid door activiteiten Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens Trillingen
26/69
Relevant voor de ontwikkeling
Nee, het project voorziet niet in (de huisvesting van) diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan. § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid Ja, zie paragraaf 5.2. § 5.1.3. Beschermen van de waterbe- Ja, zie paragraaf 5.3. langen § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht Ja, zie paragraaf 5.4. § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten Ja, zie paragraaf 5.5. § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoor- Ja, zie paragraaf 5.6. wegen en industrieterreinen § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens Nee, de projectlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven. § 5.1.4.4. Trillingen Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen
vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in. Zie paragraaf 5.10. Slagschaduw van windturbines
§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windtur- Nee, in de omgeving van de projectlocatie kobines men geen windturbines voor.
Bodemkwaliteit Geur
§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit § 5.1.4.6. Geur
Cultureel erfgoed (aardkunde, § 5.1.5. Beschermen van landschaparcheologie en cultuurhistopelijke of stedenbouwkundige waarrie) den en cultureel erfgoed
Ja, zie paragraaf 5.7. Nee, geen bedrijfsactiviteiten waar geurhinder aan kan worden ondervonden. Ja, zie paragraaf 5.8.
Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied
§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Ladder voor duurzame verstedelijking Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving
§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame ver- Ja, zie paragraaf 5.9. stedelijking § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toe- Nee, er spelen op deze locatie geen nationale komstige functies; belangen. § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken Nee, voor deze ontwikkeling is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen. § 5.1.8. Bevorderen van de toeganke- Ja, zie paragraaf 5.13. lijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Aanwijzing woningbouwcategorieën Toegankelijkheid openbare buitenruimte
Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied.
5.1.3 Afweging instructieregels provinciale omgevingsverordening De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels, zie tabel 5.2. In tegenstelling tot de vorige tabel worden in deze tabel alleen de voor het project relevante instructieregels opgenomen. Daarnaast wordt in de tabel aangegeven in welke paragraaf deze instructieregels worden behandeld.
27/69
Relevante kaartlagen
Figuur 5.1 Kaartlagen provinciale omgevingsverordening (bron: Rho Adviseurs)
28/69
Tabel 5.2 Instructieregels provinciale omgevingsverordening
Artikel ZHOV
Inhoud van het artikel
Toetsing van de ontwikkeling
Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering)
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden In paragraaf 5.15 wordt ingegaan op het thema met de risico’s van klimaatverandering, waaron- Duurzaamheid en klimaatadaptatie. der in ieder geval de te verwachten gevolgen van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.
Artikel 7.41aa 1. (toekomstbestendig bouwen van woningen) 2.
29/69
Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen. De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: a. de risico’s van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouwen gebruiksfase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.
a. Uit kaarten van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) blijkt dat de projectlocatie en de directe omgeving momenteel een kleine plaatsgebonden overstromingskans van <1/300 tot 1/3.000 per jaar kennen. LIWO biedt daarnaast prognoses voor de jaren 2050 en 2100, waaruit blijkt dat deze overstromingskans afneemt naar een zeer kleine kans. Wel wordt de toename aan verharding gecompenseerd door de uitbreiding van een waterpartij in de omgeving. b. Omdat het hier tijdelijke woningen betreft, zullen de woningen, voor wat energie betreft (installaties ten behoeve van energie), voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarbij wordt ervoor gezorgd dat er koeling in de woonkamer wordt toegepast. Dit in verband met het leefklimaat voor de bewoners. Voor deze koeling worden er pv-panelen op de daken aangebracht. c. De units zijn volledig houtbouw en demontabel en zijn herbruikbaar op een andere locatie. d. Omdat de units in de fabriek worden gemaakt kan worden gewerkt met meer elektrisch materieel en zijn de omstandigheden beter te reguleren. Enkel in het transport is sprake van uitstoot.
e. de woningen worden voorzien van waterbesparende kranen en douchekoppen. f. Met het realiseren van de landschappelijke inpassing wordt gestreefd naar een zo breed mogelijke diversiteit van zowel planten als voor diersoorten. g. In hoofdstuk 5 van deze onderbouwing wordt uitgebreid ingegaan op de thema’s die bijdragen aan een gezonde en veilige leefomgeving. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)
Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke Toetsing vindt plaats bij artikel 7.43c. ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 1. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten, genoemd in bijlage IX, onder A. Artikel 7.43b 1. Een omgevingsplan voor een locatie met De projectlocatie is gelegen in beschermingscatego(aanvaardbeschermingscategorie 3 als bedoeld in ar- rie 3 Buitengebied (figuur 5.1). Toetsing vindt plaats baarheid soort tikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen bij artikel 7.43h. ruimtelijke mogelijk maken die kunnen vallen onder ontwikkeling soort inpassen, aanpassen of transformeper bescherren en die in overeenstemming zijn met armingscategotikel 7.43h. rie) Artikel 7.43c 1. (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling)
30/69
Een omgevingsplan kan voorzien in een De projectlocatie is gelegen in beschermingscategonieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het rie 3 Buitengebied (figuur 5.1). In dit geval is sprake soort inpassen als deze rekening houdt met van ‘aanpassen’, in paragraaf 2.2 is de landschappede relevante richtpunten ruimtelijke kwali- lijke inpassing van woningen behandeld. teit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per
2.
3.
Artikel 7.43h 1. (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied)
Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte)
31/69
saldo ten minste gelijk blijft. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
Een omgevingsplan voor een locatie in het In paragraaf 2.2 is de landschappelijke inpassing van buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, woningen behandeld. zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke De tijdelijke woningen worden geplaatst in de rand ontwikkeling mits de openheid en het van de kern. Om de woningen in een aangename groene karakter van het landschap niet on- omgeving te plaatsen en om het buurtje landschapevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit pelijk in te passen wordt rondom de locatie opeen afdoende motivering die ook ingaat op gaande begroeiing geplant. Aan de rand van de locade keuze voor een locatie buiten bestaand tie worden ruime zones voor landschappelijke inpasstads- en dorpsgebied. sing aangehouden. Deze zones worden voorzien van 2. In de motivering worden de volgende kwa- beplanting om het beeld op de tijdelijke woningen liteiten betrokken: vanuit het open landschap deels te ontnemen én a. de openheid en de structuur van het ruimte te laten voor enkele doorzichten. De openlandschap en de vergezichten daarin; heid wordt geborgd door gebruik van gebiedseigen b. de relatie tussen stad en buitengebied lage beplanting. Na afloop van de vergunningperien het onderscheid daartussen; ode wordt het agrarische perceel in originele staat c. het groene karakter, het type functies teruggebracht.