CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2.2 BOPA onderbouwing tijdelijke woningen Randweg Oud-Beijerland

Oordeelsvormende vergadering 13 mei 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van 21 tijdelijke woningen22.316 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Tabel 5.7 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling

Woontype Studio’s Tweekamerwoningen Grondgebonden driekamerwoningen

Functie Aantal Huur, appartement, soci- 8 woningen ale huur, <75 m² bvo Huur, appartement, soci- 6 woningen ale huur, <75 m² bvo Huur, huis, sociale huur 7 woningen

Parkeernorm 0,7 per woning

Parkeerbehoefte (p.p.) 5,6

0,7 per woning

4,2

0,7 per woning

4,9

Totaal

14,7

De parkeerbehoefte van de ontwikkeling bedraagt 15 parkeerplaatsen. De planlocatie is gelegen aan een parkeerterrein bestaande uit 57 parkeerplaatsen die met name worden gebruikt door bezoekers van middelbare school de Willem van Oranje. In de avonduren en het weekend worden deze plaatsen met name gebruikt door bezoekers van de korfbalvereniging. De parkeerplaats is via de Randweg ontsloten en door middel van een fietsoversteekplaats toegankelijk voor voetgangers. Als onderdeel van de ontwikkeling komen er 4 parkeerplaatsen op het terrein te vervallen, de parkeercapaciteit van het parkeerterrein daalt daarmee naar 53 parkeerplaatsen. Hiervoor4 parkeerplaatsen daarvoor in de plaats op eigen terrein worden gerealiseerd. Daarnaast wordt op eigen terrein ruimte gereserveerd voor de aanleg van 5 aanvullende parkeerplaatsen indien nodig. Om te bepalen hoeveel restcapaciteit beschikbaar is op het parkeerterrein zijn parkeerdruktellingen uitgevoerd in de periode van 7 t/m 21 september 2024. Op basis van de omliggende functies is hierbij gekozen om de parkeerdruk in beeld te brengen gedurende de maatgevende momenten voor sport en onderwijsactiviteiten conform het ASVV. Voor het bepalen van de beschikbare restcapaciteit bij openbare parkeergelegenheden wordt op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid een maximaal acceptabele parkeerdruk van 80% aangehouden.

Bij een hogere bezetting ontstaat het risico op ongewenst zoekgedrag. In tabel 5.8 is de bezetting per meetperiode weergegeven, inclusief de beschikbare restcapaciteit. Tabel 5.8 Parkeerdruk parkeerterrein Randweg

Datum

Tijd

Capaciteit (p.p.)

Bezetting (p.p.)

Zaterdag 7 september Maandag 9

13:00-15:00

57

10:00-12:00

57

52/69

20

Bezettingsgraad 35%

Restcapaciteit tot 80% bezetting (p.p.) 25

14

25%

31

september Woensdag 11 sep- 10:00-12:00 tember

57

14

25%

31

Vrijdag 13 septem- 10:00-12:00 ber Zaterdag 14 sep13:00-15:00 tember Dinsdag 17 sep10:00-12:00 tember

57

6

11%

39

57

3

5%

42

57

16

28%

29

Donderdag 19 sep- 10:00-12:00 tember

57

14

25%

31

Zaterdag 21 september

57

17

30%

28

13:00-15:00

Uit de resultaten van de parkeerdrukmetingen blijkt dat zelfs gedurende de drukste meetperiode er een restcapaciteit beschikbaar is van 25 parkeerplaatsen op het parkeerterrein. Rekening houdende met het vervallen van 4 openbare parkeerplaatsen als gevolg van de ontwikkeling is in de toekomstige situatie sprake van een restcapaciteit van 21 parkeerplaatsen. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling worden 4 parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein. Voor het opvangen van de resterende parkeerbehoefte de ontwikkeling van (15 - 4 =) 11 parkeerplaatsen is voldoende restcapaciteit beschikbaar op het parkeerterrein. 5.10.5 Conclusie De ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 94 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Het is echter voor het waarborgen van de verkeersveiligheid van de voetgangers vanuit de planlocatie wenselijk dat een voetgangersoversteekplaats wordt gerealiseerd op de Randweg ten hoogte van de planlocatie. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een parkeerbehoefte van 15 parkeerplaatsen. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte kan deels gebruik worden gemaakt van de beschikbare restcapaciteit van het naastgelegen openbare parkeerterrein.

Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat het aspect verkeer en parkeren geen knelpunt vormt voor de ontwikkeling.

5.11 Ecologie gebiedsbescherming 5.11.1 Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan

53/69

hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet significant zal aantasten. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. De Natura 2000-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele Natura 2000-vergunningplicht, onder andere aan de hand van een Aerius-berekening. Of een Natura 2000-activiteit vergunbaar is wordt beoordeeld in de daarvoor geldende procedure bij GS als bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. 5.11.2 Toetsing In opdracht van Rho Adviseurs is door Blom ecologie in december 2024 een Quickscan Natuur uitgevoerd.

De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze onderbouwing. De conclusies ten aanzien van gebiedsbescherming en houtopstanden zijn hierna beschreven. Natura 2000 Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied ligt op een afstand van circa 13,1 km en betreft het Natura 2000-gebied ‘Krammer-Volkerak’. De ontwikkeling wordt buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd, Er kunnen nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Gezien de grote afstand (13,1 km) tussen de projectlocatie en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden.

Een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator hoeft slechts zekerheidshalve uitgevoerd te worden. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn door Rho Adviseurs AERIUS-berekeningen uitgevoerd. De memo is opgenomen in bijlage 6, de berekeningen zijn opgenomen in bijlage 7. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr. voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Provinciaal aangewezen gebieden De projectlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 920 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 5,7 km ligt Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 1,2 km ligt de Groene buffer.

54/69

5.11.3 Conclusie De ontwikkeling is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast. Vanuit het aspect gebiedsbescherming is voor de ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Ecologie soortenbescherming 5.12.1 Algemeen Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA is het nodig om te onderzoeken of aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de BOPA-activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. De vergunningplicht is in het Bal geregeld in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die kort samengevat erop neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). 5.12.2 Toetsing In opdracht van Rho Adviseurs is door Blom ecologie in december 2024 een Quickscan Natuur uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze onderbouwing. De conclusies ten aanzien van soortenbescherming zijn hierna beschreven.

De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortenbescherming ). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Algemene zorgplicht ● Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Specifieke zorgplicht ● Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ● Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten. ● Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. ● De projectlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

● Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. ● De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als

55/69

werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Aanbeveling Daarnaast wordt ambtshalve aanbevolen omook in de nieuwe situatie aangepaste verlichting toe te passen (amberkleurig of verlichting laag bij de grond). Het advies is om zeker de groenstructuren donker te houden en gevels ook niet verlichten. 5.12.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde Quickscan Natuur wordt geconcludeerd dat met het voldoen aan criteria en eenvoudige maatregelen overtredingen worden voorkomen en dat aanvullend onderzoek voor het aspect soortenbescherming niet nodig is. Indien criteria en maatregelen in acht worden genomen, draagt de ontwikkeling voor het aspect ecologie soortenbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.13 Gezondheid 5.13.1 Algemeen Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. 5.13.2 Toetsing De projectlocatie bevindt zich op loopafstand van diverse voorzieningen en openbaar groen wat uitnodigt tot bewegen. Uit de voorgaande paragrafen wordt duidelijk dat binnen de projectlocatie geen sprake is van een milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie vanuit de aspecten geur en omgevingsveiligheid. Sociale veiligheid Onder gezondheid valt ook een veilige leefomgeving. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn.

Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere: ● informeel toezicht op de openbare ruimte; ● persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; ● het imago van het (totale) gebied. In het kader van leefbaarheid van de ontwikkeling wordt ingezet op wijkbeheer, vroeg signalering, ontmoeting en ondersteuning. De wijkbeheerder van HW Wonen bezoekt de wijk meerdere keren per week, zet in op ‘schoon, heel en veilig’ en staat in nauw contact met de huurder. Voor ieder woonblok wordt een blokbuddy geselecteerd. Een blokbuddy is een door HW Wonen uitgekozen huurder met een sociaal karakter, die graag meedenkt en helpt bij de ontwikkeling van een fijne woonomgeving. De blokbuddy’s zetten zich in voor het saamhorigheidsgevoel tussen de bewoners, organiseren activiteiten voor ontmoeting en zitten in de klankbordgroep met omwonenden. Zij ontvangen daar ondersteuning bij van HW Wonen en de Stichting Welzijn Hoeksche Waard. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met Vluchtelingenwerk. Zij zijn verantwoordelijke voor de begeleiding van vergunninghouders tijdens hun eerste periode als huurder van een zelfstandige woning. Deze partijen hebben een signalerende

56/69

taak in de wijk als het gaat om zorg. Wanneer blijkt dat er extra begeleiding nodig is, dan organiseert HW Wonen dat samen met de gemeente. 5.13.3 Conclusie De ontwikkeling houdt op een passende manier rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid.

5.14 Gezondheidsrisico’s spuitzones 5.14.1 Algemeen In het kader van de ontwikkeling is het gebruik van de aangrenzende agrarische percelen in kaart gebracht. Deze percelen worden gebruikt voor de teelt van bieten, tarwe en aardappelen. Agrarische gronden kunnen worden bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te waarborgen, dient bij ontwikkelingen nabij agrarische gronden te worden aangetoond dat er geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s optreden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er geen specifieke instructieregels voor dit aspect gelden, geldt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies, zoals woningen, en agrarische gronden waarbij gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt. Deze afstand kan op basis van een locatiespecifieke onderbouwing worden verkleind. 5.14.2 Toetsing Woningen worden aangemerkt als gevoelige functies die bescherming behoeven tegen de drift van gewasbeschermingsmiddelen. De aangrenzende agrarische gronden worden gebruikt voor akkerbouw en hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De afstand tussen de woningen en deze agrarische gronden varieert van 10 tot 20 meter.

Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan, waar het bestemmingsplan deel van uitmaakt, mogen deze gronden niet worden gebruikt voor sierteelt, fruitteelt, boomteelt of andere opgaande meerjarige teelten. Bij dergelijke hoge teelten is de drift van gewasbeschermingsmiddelen over het algemeen aanzienlijk groter dan bij akkerbouw. Daarnaast zijn ook de middelen die in de akkerbouw worden gebruikt vaak minder belastend dan middelen die bijvoorbeeld bij boomteelt worden ingezet. Hoewel in theorie gewasbeschermingsmiddelen op de naastgelegen gronden kunnen worden toegepast. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet gebeuren conform de geldende wetgeving. Deze wetgeving stelt eisen aan het gebruik, zoals de zorgplicht voor mens, dier, plant en water, en verplicht het gebruik van driftarme apparatuur. Bovendien stelt het Bal strikte voorwaarden, zoals het vermijden van toepassing bij ongunstige weersomstandigheden (bijvoorbeeld hoge windkracht). Daarnaast dragen moderne driftreducerende spuittechnieken bij aan een verdere beperking van risico’s voor de omgeving. 5.14.3 Conclusie Gelet op het ontbreken van intensieve teelten zoals sierteelt, fruitteelt en boomteelt, de wettelijke eisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en de afstand van de woningen tot het akkerbouwperceel, is het risico in het kader van spuitzonering beperkt.

De ontwikkeling kan worden gerealiseerd zonder onaanvaardbare gezondheidsrisico’s of belemmeringen voor de agrarische bedrijvigheid.

5.15 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 5.15.1 Algemeen Programmaplan Duurzaamheid In het programmaplan Duurzaamheid staan de doelen en inspanningen beschreven, die bijdragen aan en duurzame toekomst. Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het programmaplan goedgekeurd. Het plan is tot stand gekomen met input van inwoners van Hoeksche Waard. Een duurzame relatie tussen mens en natuur vereist een dynamische en vernieuwde kijk op de inrichting van de samenleving. Een nieuwe blik op het energieverbruik, waar het vandaan komt, en op het inrichten en beheren van de openbare

57/69

ruimte. Ook wil de gemeente toewerken naar een circulaire economie, waarbinnen grondstoffen hun waarde behouden en afval drastisch wordt verminderd. Bovendien draagt een dergelijke economie bij aan de CO2-vermindering. Daarnaast moet verder worden gebouwd aan de balans tussen de voedselproductie en de natuur op de korte en lange termijn. En aan het waterbeheer door de klimaatverandering, de inrichting en mogelijke uitbreidingen van de dorpen en de manier waarop we ons van A naar B verplaatsen. Verduurzaming raakt alle sectoren, beleidsterreinen en daarmee onze inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Uitvoeringsprogramma ’Hoeksche Waard richting energieneutraal’ Het programmaplan Duurzaamheid is een kader met de ambities en doelen voor de middellange en lange termijn. Voor de korte termijn zijn er op basis van dit plan uitvoeringsplannen en uitvoeringsagenda’s gemaakt. In deze uitvoeringsplannen en uitvoeringsagenda’s staat beschreven wat we in de periode 2021 tot en met 2026 concreet gaan doen om deze doelen te bereiken. De uitvoeringsprogramma’s ‘Hoeksche Waard richting energieneutraal’, ‘Circulaire economie’ en ‘Klimaatadaptatie’ zijn op 15 juli 2021 vastgesteld door de raad.

De raad is toen ook geïnformeerd over de gezamenlijke uitvoeringsagenda ‘Hoeksche Waard klimaatbestendig’ van gemeente Hoeksche Waard, waterschap Hollandse Delta en de provincie Zuid-Holland. Voor de uitvoeringsagenda Biodiversiteit was meer tijd nodig om tot een goed en gedragen uitvoeringsagenda te komen. De uitvoeringsagenda Biodiversiteit is op 20 december 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. De uitvoeringsprogramma’s zoals deze in 2021 zijn vastgesteld zijn, tegelijkertijd met de vaststelling van de uitvoeringsagenda Biodiversiteit opnieuw bekrachtigd. De uitvoeringsprogramma’s klimaatadaptatie en biodiversiteit zijn van belang voor de ontwikkeling. Hoeksche Waard klimaat adaptief De gemeente heeft het convenant klimaat adaptief bouwen onderschreven en ondertekend. Dit heeft gevolgen voor de nieuwbouwprojecten in de Hoeksche Waard. Zo is in het convenant aangegeven aan welke normen een nieuwbouwplan moet voldoen om de effecten van klimaatverandering aan te kunnen. In 2030 hebben alle hittestressgevoelige locaties in de dorpen koeling door schaduw van bomen of anderszins. Het toevoegen van de juiste flora in hittegevoelige locaties vervult meerdere doelen. Het zorgt voor de gewenste verkoeling (schaduw) tijdens warme zomers, kan bij hevige regenval zorgen voor een waterbuffer en een bijdrage leveren aan meer biodiversiteit in de openbare ruimte.

Wel heeft het toevoegen van groen grote financiële gevolgen voor het beheer. Daarom is het streven eerst locaties aan te pakken waar de meest kwetsbare groepen wonen. In de jaren daarna komen ook de andere hittestressgevoelige locaties aan bod. In 2030 zijn zoveel mogelijk ‘wateroverlastgevoelige’ locaties voorzien van oplossingen. Het systeem om water op te vangen is vaak niet toegerust op heftige regenval in een kortere periode. Deze hoosbuien komen door de klimaatverandering echter steeds meer voor. De verwachting is dat dit de komende jaren snel verder toeneemt. De grootste overlast vindt vooral plaats in de versteende dorpen. Biodiversiteit Variatie in soorten planten en dieren is belangrijk voor het evenwicht in de natuur. Die variatie wordt ook wel biodiversiteit genoemd. ‘De wereld kan niet zonder biodiversiteit. De mens is van deze ecosystemen en levende wezens afhankelijk voor bijvoorbeeld de productie van zuurstof, afbraak van dode dieren en planten, bestuiving van planten (waaronder landbouwgewassen), waterzuivering en het beheersen van plagen. Biodiversiteit betekent voor de mens voedsel, bouwmateriaal, brandstof (hout) en grondstoffen voor kleding (zoals katoen) en medicijnen. 5.15.2 Toetsing Duurzaamheid en klimaatadaptatie zijn onderverdeeld in de volgende toetsingscriteria:

58/69

● ● ● ●

energieverbruik; circulariteit; klimaatadaptatie; biodiversiteit.

Energieverbruik: Omdat het hier tijdelijke woningen betreft, zullen de woningen, voor wat energie aangaat (installaties ten behoeve van energie), voldoen aan het Bbl. Daarbij wordt ervoor gezorgd dat er koeling in de woonkamer wordt toegepast. Dit in verband met het leefklimaat voor de bewoners. Voor deze koeling worden er pv-panelen op de daken aangebracht. Circulariteit: De Units zijn volledig houtbouw en demontabel en zijn herbruikbaar op een andere locatie. Omdat de units in de fabriek worden gemaakt kan worden gewerkt met meer elektrisch materieel en zijn de omstandigheden beter te reguleren. Enkel in het transport is sprake van uitstoot. Klimaatadaptatie: Uit kaarten van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) blijkt dat de projectlocatie en de directe omgeving momenteel een kleine plaatsgebonden overstromingskans van <1/300 tot 1/3.000 per jaar kennen. LIWO biedt daarnaast prognoses voor de jaren 2050 en 2100, waaruit blijkt dat deze overstromingskans afneemt naar een zeer kleine kans. Wel wordt de toename aan verharding gecompenseerd door de uitbreiding van een waterpartij in de omgeving. Biodiversiteit: Met het realiseren van de landschappelijke inpassing wordt gestreefd naar een zo breed mogelijke diversiteit van zowel planten als dieren. De bloemrijke akkerrand draagt bij aan de bevordering van de lokale biodiversiteit.

Zo dienen de verschillende soorten, zoals de meidoorn en de zwarte bes, als voedingsbronnen voor vogels. Andere soorten, zoals de sleedoorn en kornoelje, trekken een diversiteit aan soorten insecten aan. 5.15.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor duurzaamheid en klimaatadaptatie.

59/69

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID EN KOSTENVERHAAL 6.1

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: ● de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en ● als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 21 tijdelijke woningen. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

6.3

Kostenverhaal

Indien een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe kostenverhaal plichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. De ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als een kostenverhaalplichtige activiteit (artikel 8.13 lid a). Tussen initiatiefnemer en de gemeente wordt een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van de tijdelijke woningen is verzekerd. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan.

60/69

7. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES 7.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4 en 5 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven.

7.2

Voorwaarden

Uit de toetsing is gebleken dat de ontwikkeling/de activiteit in overeenstemming is met het beleidskader en de beoordelingsregels, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. De vergunningverlening kan plaatsvinden onder de volgende voorwaarden: ● In het kader van geluid door wegverkeerslawaai is een voorschrift nodig om het gezamenlijk geluid vast te leggen. ● In het kader van archeologie is een voorschrift nodig om te borgen dat er archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd conform de bepalingen in het bestemmingsplan en in overeenstemming met de wettelijke protocollen ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg. ● Er is een voorschrift nodig om te waarborgen dat de landschappelijke inpassing van 10 meter breed met inheemse soorten wordt gerealiseerd (ten behoeve van zowel het ontnemen van de woningen uit het zicht als in het kader van biodiversiteit). ● Er is een voorschrift nodig dat het perceel in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. ● Er is een omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen noodzakelijk, dit doorloopt een eigen procedure; ● De watercompensatie is geborgd door middel van de instructieregels van het waterschap, dit doorloopt een eigen procedure. Indien wordt voldaan aan deze voorwaarden, draagt de ontwikkeling bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.3

Conclusie

De aangevraagde activiteiten kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en voldoen aan het beoordelingskader voor de BOPA, mits de hierboven beschreven voorwaarden in acht worden genomen.

61/69

Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r.

62/69

Bijlage 2 Communicatie- en participatieplan

63/69

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek

64/69

Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek

65/69

Bijlage 5 Archeologisch onderzoek

66/69

Bijlage 6 Stikstofmemo

67/69

Bijlage 7 Aerius-berekeningen

68/69

Bijlage 8 Quickscan natuur

69/69

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15447054/1