CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 15 TAMplan Torensteepolder Motivering - Ontwerp wijziging omgevingsplan Torensteepolder Veld 1D Num

Besluitvormende raad 9 december 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Raadvoorstel Vaststelling wijziging omgevingsplan 'Torensteepolder Veld 1D Numansdorp'23.459 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de overgangszone is het agrarisch gebruik de belangrijkste functie en dat blijft ook zo. We zien kansen voor watergerichte recreatie en natuurattracties. Toetsing De ontwikkeling van Numansdorp in zuidelijke richting is reeds ingezet. In de onderliggende ruimtelijke plannen is hierbij rekening gehouden of dit passend is in schaal en maat van het dorp. Voorliggend omgevingsplanwijziging voorziet in de afronding van de Torensteepolder en leidt niet tot een andere beleidsmatige afweging. De ontwikkeling sluit namelijk aan bij de ambities uit de omgevingsvisie Hoeksche Waard. De ontwikkeling speelt in op de ambitie voor het realiseren van vitale dorpen door verschillende woningtypes te realiseren, wat bijdraagt aan sociale diversiteit en betaalbaarheid voor verschillende bevolkingsgroepen. Ook respecteert de ontwikkeling het unieke agrarische en open polderlandschap dat kenmerkend is voor de Hoeksche Waard. Het behoud van het kleinschalige en dorpse karakter van Numansdorp wordt gewaarborgd door een zorgvuldige ruimtelijke inrichting van de nieuwe woonwijk. De landschappelijke kenmerken en waarden, zoals openheid, dijken en kreken, worden meegenomen in de plannen, waarmee het gebied aansluit op de "Hoeksche Delta", een onderdeel van de Hoeksche waarden. Ook wordt rekening gehouden met de maat en schaal van het dorp, zoals vereist door de visie op ‘Dorpse Trots’.

4.3.2 Masterplan Numansdorp-Zuid Met het Masterplan Numansdorp-Zuid heeft de toenmalige gemeente Cromstrijen een ontwikkelingsplan voor Numansdorp-Zuid vastgesteld waarin de nadruk wordt gelegd op ruimtelijke en landschappelijke aspecten. In het Masterplan worden ook andere doelstellingen dan woningbouw geformuleerd en uitgewerkt in een programma van eisen en ruimtelijk ontwerp. Het programma behelst inmiddels het in onderlinge samenhang ontwikkelen van landgoederen, woningen en recreatieve voorzieningen. Het ontwikkelingsplan ligt in de Molenen Torensteepolder. De planonderdelen zijn:

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

26

• een gebied met een nog nader te bepalen -maar minder dan 2000- aantal permanente woningen; • 650 woningen voor verblijfsrecreatie; • een hotel en 7 appartementengebouwen; • de uitbreiding van de jachthaven met ca. 125 ligplaatsen; • 15 landgoederen. Het Masterplan Numansdorp-Zuid kan gezien worden als richtinggevend beleidsinstrument voor de gefaseerde ontwikkeling van Numansdorp-Zuid. 4.3.3 Nota Ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard 2020 Op 15 december 2020 is de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hoeksche Waard 2020 vastgesteld, waardoor de gemeente Hoeksche Waard beschikt over een actuele nota voor het adviseren over ruimtelijke kwaliteit van initiatieven in de omgeving. Op basis van deze nota wordt gekeken of een bouwplan voldoende bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en hier geen afbreuk aan doet. In de nota valt het plangebied binnen het reguliere welstandsgebied en is getypeerd als ‘Thematische woonwijk’. Voor dit gebied geldt een regulier beleid voor het uiterlijk van bouwwerken. Het belangrijkste doel van dit beleid is het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit. Bij verdere uitwerking van de plannen zal hier aandacht aan moeten worden besteed. 4.4

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, provinciaal beleid en regionaal beleid. Gelet op het bovenstaande wordt de voorliggende ontwikkeling passend geacht binnen de kaders van het ruimtelijk beleid.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

27

5 Aspecten van de fysieke leefomgeving 5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1 Kader Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht voor plannen of programma’s die kaderstellend zijn voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een plan of programma wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. Een omgevingsplan kan een plan zijn waarvoor een plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Om te kunnen spreken van een plan dat kaderstellend is, is echter wel vereist dat het plan een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Daarbij moet het gaan om voldoende gedetailleerde regels over de inhoud, voorbereiding en uitvoering van m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten. Bij kaderstellende normering gaat het met name om de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden van projecten.

Onder de Omgevingswet geldt een project-m.e.r.-plicht wanneer sprake is van een project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet. Kort samengevat, dient daarbij te worden beoordeeld of sprake is van een besluit genoemd in Kolom 4 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit dat een project genoemd in Kolom I van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, en dat als m.e.r.-(beoordelings)plichtig is aangewezen in Kolom 2 of 3 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 5.1.2 Toetsing In het voorliggende omgevingsplan wordt een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit mogelijk gemaakt. In dit geval kan het omgevingsplan echter niet worden aangemerkt als een plan of programma dat kaderstellend is voor een m.e.r.-beoordelingsplichtig project als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet. De voorliggende omgevingsplanwijziging maakt weliswaar de realisatie van het stedelijk ontwikkelingsproject niet zonder meer bij recht mogelijk, aangezien er verschillende omgevingsvergunningplichten zijn opgenomen in de regels van het plan, maar die vergunningplichten relateren in het bijzonder aan de bouw van de woningen. Die vergunningplicht relateert slechts zeer beperkt aan de milieugevolgen die in het kader van een m.e.r.-beoordeling dienen te worden onderzocht.

Het gebruik van gronden ten behoeve van woningen is in beginsel op grond van het omgevingsplan immers toegestaan. Van een groot pakket aan criteria en modaliteiten voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, is daarom geen sprake. Wel is in dit geval sprake van een project-m.e.r.-beoordelingsplicht. In dit geval is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in Kolom 1, categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast is het (besluit tot wijziging van het) omgevingsplan een besluit genoemd in Kolom 4 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op grond van Kolom 3 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In dit geval wordt daarom een project-m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van Bijlage III bij de mer-richtlijn. Deze mer-beoordeling is opgenomen in een zogenaamde aanmeldnotitie, welke is opgenomen als bijlage 22 bij deze onderbouwing. De mogelijke milieueffecten zijn hierin weloverwogen beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

28 kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht worden. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit te nemen. De merbeoordelingsbeslissing vormt uiteindelijk een bijlage bij het omgevingsplan. De inhoud van de aanmeldnotitie is hieronder beknopt toegelicht. Kenmerken van het project De ontwikkeling ziet op de realisatie van maximaal 250 woningen in Numansdorp, bestaande uit een mix van grondgebonden en gestapelde woningen. De openbare ruimte van het plan wordt groenblauw ingericht. Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In dit hoofdstuk wordt beknopt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. In de volgende paragrafen in dit hoofdstuk (hoofdstuk 5) komen deze onderwerpen uitgebreider aan bod. Hierin wordt ook ingegaan op de ligging van het plangebied ten opzichte van kwetsbare of gevoelige gebieden. Kenmerken van de effecten en relevante gebieden Cumulatie met andere projecten Voorgenomen ontwikkeling staat planologisch en beleidsmatig los van werkzaamheden, plannen en ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied.

Ook is de financiering van de woningbouwontwikkeling niet afhankelijk van andere projecten. Er wordt hierom dan ook geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid. Effecten op gebieden De effecten die optreden zijn lokaal en beperkt van aard. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken en kwetsbaarheid van het gebied of omliggend gebieden. Het projectgebied grenst aan bestaand bebouwd gebied van Numansdorp. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals benoemd in bijlage lll van de mer--Richtlijn, komen niet in de directe nabijheid van de projectlocatie voor. Gelet op de aard en omvang van het project zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten voor wat betreft het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico’s voor de menselijke gezondheid. Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In de aanmeldnotitie (bijlage xx) wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. 5.1.3 Conclusie Uit het bovenstaande blijkt dat diverse mogelijke milieueffecten weloverwogen zijn beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen in het plan om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken.

Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht worden. Er kan worden geconstateerd dat de mogelijke nadelige effecten te reguleren zijn en dat het opstellen van een milieueffectrapport in dit geval niet zinvol is. Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten en er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

29

5.2

Laddertoets

5.2.1 Kader Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.2.2 Onderzoek Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet in circa 250 woningen, en is daarmee ladderplichtig. Locatiekeuze De keuze voor de Torensteepolder als locatie voor woningbouw is gebaseerd op de structuurvisie 'Numansdorp Zuid', waarin wordt ingezet op een nieuwe zuidelijke uitbreiding van Numansdorp. Dit plan richt zich op een groen, landelijk woonmilieu dat natuur en recreatie combineert, met als doel de verbinding met het Hollands Diep te versterken.

De woningbouw in de Torensteepolder ondersteunt dit integrale plan voor wonen, recreatie en natuurontwikkeling. Deze locatie past goed in de bredere ruimtelijke strategie voor Numansdorp en is afgestemd op de provinciale woningbouwprogrammering. Onderbouwing behoefte De woningbehoefte in de gemeente Hoeksche Waard is aanzienlijk, op basis van de meest recente provinciale trendraming is de autonome behoefte 4.150 woningen voor de Hoeksche Waard tot en met 2032. De Torensteepolder speelt hierin een belangrijke rol, aangezien het bijdraagt aan de realisatie van de regionale woningbouwdoelen. In 2024 heeft de gemeente Hoeksche Waard een woningbehoefteonderzoek laten

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

30 uitvoeren. Uit dit onderzoek blijkt dat er voor Numansdorp 265 woningen tot en met 2032 nodig zijn. De woningen in fase D van de Torensteepolder sluiten dus aan bij deze behoefte en helpen deze te vervullen. Daarnaast blijkt uit het Woningbehoefteonderzoek dat er een sterke vraag is naar woningen in diverse prijsklassen en typen. De grootste vraag betreft appartementen, zowel koop als sociaal als middeldure huur. Dit sluit aan bij de verwachte vergrijzing. Door voor deze doelgroep te bouwen, komen er woningen vrij voor gezinnen. De Torensteepolder voorziet in een gevarieerd woningaanbod, waaronder appartementen, rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en bijzondere woonvormen. Dit aanbod speelt in op de huidige lokale woningbehoeften en zorgt ervoor dat er ruimte is voor starters, gezinnen, senioren en alleenstaanden. De voorgestelde verdeling van 2/3 betaalbaar en 30% sociaal sluit aan bij de woondeal en maakt het mogelijk om diverse doelgroepen te bedienen en tegemoet te komen aan de woningbehoefte van de regio. 5.2.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Kader De luchtkwaliteit in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling moet in het kader van ‘beschermen van de fysieke leefomgeving’ onderzocht worden. Het gaat dan zowel om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit als om de aanvaardbaarheid van de luchtkwaliteit ter plekke van het projectgebied. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de aangewezen agglomeraties, moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. 5.3.2 Onderzoek Het projectgebied is niet gelegen binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 250 woningen. Het plan behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof.

Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 µg/m3 bedraagt. De realisatie van het project is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht. Een aparte toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is niet nodig. 5.3.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

31

5.4

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.4.1 Kader Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij deze omgevingsplanwijziging moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. 5.4.2 Onderzoek Het omgevingsplan Torensteepolder fase D maakt de realisatie van 250 woningen en nieuwe wegen mogelijk. Daarom is onderzoek naar het geluid noodzakelijk bij de nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen ‘Torensteepolder fase D’ en de bestaande en geprojecteerde geluidgevoelige gebouwen in de directe omgeving. De uitgangspunten voor het geluidsonderzoek zijn gebaseerd op de intensiteiten (motorvoertuigen/weekdag) op de interne en externe wegen in de Torensteepolder. Deze cijfers zijn opgenomen in een aparte notitie genaamd ‘Extern en intern verkeer Torensteepolder’ en is opgenomen in bijlage 8. Het geluidsonderzoek, gebaseerd op deze gegevens, is uitgevoerd door KuiperCompagnons en opgenomen in bijlage 9. De resultaten worden hieronder toegelicht. Uitgangspunten Het omgevingsplan Torensteepolder fase 1D is een globaal plan.

Dit betekent dat nog niet (overal) bekend is hoe de woningbouw in het gebied zal plaatsvinden. Wel is er stedenbouwkundige verkaveling voor het gebied beschikbaar. Conform het gemeentelijk geluidsbeleid dient het geluid in beeld te worden gebracht ten gevolge van de wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsmede ten gevolge van scheepvaartlawaai en individuele inrichtingen. Het omgevingsplan Torensteepolder fase D is niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied van een hoofd- of lokale spoorweg of een industrieterrein. Daarnaast is er geen sprake van een overschrijding van de 55 dB ten gevolge van scheepvaartlawaai (het midden van het Hollandsch Diep ligt op ca. 1.2 kilometer afstand) en een relevant geluid van individuele inrichtingen. Genoemde geluidsbronnen zijn daarom in het onderzoek niet meegenomen. Voor de gemeente- en waterschapswegen zijn nog geen geluidaandachtsgebieden vastgesteld. Het tijdelijke geluidaandachtsgebied van de gemeente- en waterschapswegen bedraagt maximaal 200 meter. De Torensteepolder fase D bevindt zich buiten het geluidaandachtsgebied van de waterschapswegen, zodat in dit onderzoek alleen het geluid van de gemeentewegen wordt gepresenteerd.

Geluid binnen Torensteepolder fase D Het geluid ten gevolge van gemeentewegen is bepaald voor de ontwikkeling fase D, ter plaatse van de functiegrens ‘WG-1 - Woongebied-1’ en ter plaatse van de gevels van de woningen opgenomen in het verkavelingsplan. Daarnaast is het geluid bepaald ter plaatse van de gevels van bestaande woningen voor de situatie zonder en met de ontwikkeling van Torensteepolder fase D. Het geluid van de gemeentewegen bij de nieuw te realiseren woningen binnen fase D, op basis van het verkavelingsplan, voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het geluid is daarmee aanvaardbaar. Effecten voor de omgeving

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

32 Uit het verkeersonderzoek zorgt volgt een extra verkeersgeneratie van gemiddeld 1.594 motorvoertuigen per weekdag (1.769 per werkdag). Het verkeer verlaat de Torensteepolder via de Torensteelaan (ca. 1.490 motorvoertuigen per weekdag) en de Ambachtsheerenlaan (ca. 20 motorvoertuigen per weekdag). Het overige verkeer (ca. 90 motorvoertuigen per weekdag) blijft binnen de Torensteepolder. De aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg, tussen de Ambachtsheerenlaan en de Torensteelaan, zorgt voor een verschuiving van het verkeer binnen de Torensteepolder. Met name verkeer van/naar het zuidelijk deel van de Torensteelaan gaat gebruik maken van de nieuwe oostelijke ontsluitingsweg. Dit zorgt voor een forse toename van verkeer op de Ambachtsheerenlaan, tussen de Torensteelaan en de nieuwe oostelijke ontsluitingsweg. Daar tegenover staat een forse afname van verkeer op de Torensteelaan tussen de Ambachtheerenlaan en de nieuwe oostelijke ontsluitingsweg. Het indirecte akoestische effect van veranderend verkeer bedraagt maximaal 1,42 dB (wegvak Torensteelaan tussen de nieuwe ontsluitingsweg in fase D en de Schuringsedijk) en is daarmee niet hoger dan 1,50 dB. De toename leidt daarmee op grond van het Bkl niet tot een verplichting om aanvullende geluidsreducerende of geluidsbeperkende maatregelen te treffen.

Gecombineerd indirect akoestisch effect Het gecombineerde indirecte akoestische effect van veranderend verkeer en wijzigingen in het geluidaandachtsgebied samen zorgt voor een maximale afname van het geluid met 12 dB. Daar tegenover staat een maximale toename van het geluid met 6 dB. De grootste toenames treden op bij woningen waar het geluid ondanks de toename nog steeds ver onder de standaardwaarde van 53 dB blijft. Er is slechts één woning (Torensteelaan 24) waar het geluid met meer dan 1,50 dB toeneemt en daardoor de standaardwaarde van 53 dB met maximaal 1 dB overschrijdt. Voor de betreffende woning is in het verleden een hogere waarde vastgesteld van 58 dB (= 63 dB zonder aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder). In het verleden is voor de betrokken woning een hoger geluidsniveau acceptabel geacht dan nu optreedt na realisatie van Torensteepolder fase D. De geluidwering van de woning (bouwjaar 2023) is vastgesteld op basis van de hogere geluidsniveaus in het verleden. Ondanks dat de realisatie van Torensteepolder fase D zorgt voor een toename van het geluid > 1,50 dB bij de betrokken woning is hierdoor nog steeds sprake van een aanvaardbare toename en leidt deze toename niet tot een overschrijding van de binnenwaarde.

5.4.3 Conclusie Op basis van de conclusies uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voor wat betreft het aspect ‘geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen’ geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

33

5.5

Geur

5.5.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In een omgevingsplanwijziging moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelplangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen, die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. 5.5.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘geur’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6

Trillingen

5.6.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; de omgevingsplanwijziging moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 5.6.2 Onderzoek Met deze omgevingsplanwijziging worden geen trillingen veroorzakende activiteiten toegestaan. Ook de overige activiteiten die deze omgevingsplanwijziging worden toegestaan, zullen bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan deze standaardwaarden kunnen voldoen. 5.6.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘trillingen’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7

Bodemkwaliteit

5.7.1 Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van de omgevingsplanwijziging.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

34

5.7.2 Onderzoek Door Hopman en Peters is een verkennend bodemonderzoek (bijlage 6) uitgevoerd In verband met de voorgenomen nieuwbouw. Doel van het onderzoek is het bepalen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het perceel zodat kan worden vastgesteld of de bodem geschikt is voor het huidige en/of toekomstige gebruik. De onderzoeksresultaten kunnen als volgt puntsgewijs worden samengevat: • • • • • •

Op basis van de verzamelde actuele en historische gegevens is de locatie als verdacht aangemerkt en als zodanig onderzocht conform paragraaf 5.6 (VED-HE) van de NEN 5740. Zintuiglijk zijn in de opgeboorde grond geen afwijkingen gevonden die wijzen op het voorkomen van een potentiële verontreiniging in de bodem van de onderzoekslocatie. In de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn analytisch geen verhoogde gehalten vastgesteld. Plaatselijk is in de ondergrond (0,2-1,0 m-mv) een licht verhoogd gehalte aan koper vastgesteld. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium vastgesteld.

Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek blijkt dat in zowel de bovengrond als de ondergrond op de locatie Torensteepolder fase D te Numansdorp geen gehalten zijn vastgesteld die duiden op bodemverontreiniging. In de ondergrond (0,2–1,0 m-mv) is op één locatie een licht verhoogd gehalte aan koper aangetroffen. Deze waarde overschrijdt de achtergrondwaarde, maar blijft onder de interventiewaarde en vormt geen aanleiding voor milieuhygiënische maatregelen of nader onderzoek. In meerdere grondwatermonsters is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. Dergelijke concentraties komen vaker voor in kleigebieden en worden doorgaans toegeschreven aan natuurlijke achtergrondwaarden. Ook hier is geen sprake van overschrijding van interventiewaarden en is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Er zijn geen verontreinigingen vastgesteld. De licht verhoogde gehalten aan koper en barium zijn beperkt in omvang en aard, en leveren geen belemmering op voor het voorgenomen gebruik van de locatie. Vanuit milieuhygiënisch perspectief bestaan er dan ook geen bezwaren tegen de geplande nieuwbouw. 5.7.3 Conclusie Op basis van de conclusies uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voor wat betreft het aspect ‘bodemkwaliteit’ geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.8

Omgevingsveiligheid

5.8.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het plangebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

35 onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. 5.8.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn volgens de EV-signaleringskaart diverse risicobronnen aanwezig. Het betreft de risicobronnen: • Transportroute gevaarlijke stoffen over de binnenvaartroute Hollands Diep, onderdeel van de Corridor Westerschelde – Rijn; • Transportroute gevaarlijke stoffen over de A29; • Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V.; • Van der Vlist Terminal Moerdijk B.V. Over de rijksweg A29 en het Hollands Diep worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is buiten de aandachtsgebieden van deze transportroutes gelegen, waardoor deze risicobronnen geen invloed hebben op het plan. Wel is het plangebied geheel gelegen binnen twee gifwolkaandachtsgebieden van bedrijven op het industrieterrein Moerdijk. Deze bedrijven zijn op zeer grote afstand van het plangebied gelegen, namelijk circa 10 km, waardoor de ontwikkeling geen significant effect heeft op het groepsrisico. Een gifwolkaandachtsgebied kan niet worden omgezet in een voorschriftengebied. De bouwkundige maatregel van afsluitbare mechanische ventilatie is een algemene eis die voor alle nieuwbouw geldt.

Aanwezigen in het plangebied kunnen in het geval van een incident het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een NL-Alert wordt ingezet. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Bij het toetreden tot de woning kan kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Hierbij is het van belang dat zij ook weten hoe daarbij te handelen. De gemeente Hoeksche Waard heeft in dit kader een informatieplicht. 5.8.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9

Geluid door activiteiten

5.9.1 Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen. De gemeente dient ervoor te zorgen dat in een omgevingsplanwijziging in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar (bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf); - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen).

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

36 Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke omgevingsplanwijziging houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen.

De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde. Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Hierop gelet is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor zijn geïntegreerd. Onder de Omgevingswet is het daarom gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. 5.9.2 Onderzoek Van oorsprong had het gehele gebied een agrarische bestemming.

Met de voorgenomen omgevingsplanwijziging wordt op de gronden een woningbouwlocatie mogelijk gemaakt, waarbij agrarische activiteiten in het plangebied zelf niet langer toegestaan zullen zijn. Noordzijde: bestaande woonwijken Aan de noordzijde van het plangebied bevinden zich de bestaande woonwijken ‘De Meent’, ‘De Lommert’ en ‘De Havenmeester’. Binnen deze woonwijken vinden geen milieubelastende activiteiten plaats die een belemmering vormen voor de woningbouwontwikkeling van Torensteepolder fase D. Evenmin zal de nieuwe woonwijk een belemmering opleveren voor de bestaande woonfunctie in deze gebieden. Westzijde: woonwijk De Dreef Aan de westzijde grenst het plangebied aan de woonwijk ‘De Dreef’. Ook hier is sprake van een woonfunctie zonder bedrijvigheid van milieubelastende aard. Er zijn geen belemmeringen tussen de bestaande wijk en de beoogde woningbouwontwikkeling. Beide functies zijn goed verenigbaar.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

37 Oostzijde: landgoederen en agrarisch perceel De oostzijde van het plangebied grenst aan gronden met de bestemming ‘Landelijk Gebied 2013’. Een deel daarvan betreft de noordelijke en zuidelijke landgoederen. Volgens het geldende bestemmingsplan zijn hier uitsluitend kleinschalige, niet-agrarische en niet-industriële functies toegestaan (milieucategorie 1, bewust licht). Er is geen sprake van milieuhinder. Deze activiteiten vormen dan ook geen belemmering voor woningbouw in de directe nabijheid. Zuidzijde plangebied: Landgoederen 2e fase Daarnaast bevindt zich aan de zuidzijde van het plangebied het perceel ‘Landgoederen 2e fase’, met een agrarische bestemming. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend reguliere grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan, zonder aanvullende functieaanduiding (zoals intensieve veehouderij of fruitteelt). Momenteel wordt het perceel echter niet gebruikt ten behoeven van agrarische activiteiten. Indien het perceel in de toekomst toch agrarisch wordt benut (bijvoorbeeld als veehouderij of fruitteeltbedrijf), kunnen er op milieutechnische gronden afstanden in acht genomen moeten worden. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. In dit geval is echter sprake van een fysieke scheiding bestaande uit een bomenrij, een sloot en de Ambachtsherenlaan – samen goed voor een strook van circa 55 meter. Deze strook vormt een robuuste buffer.

De Ambachtsherenlaan is een belangrijke ontsluitingsweg in het gebied, terwijl de bomenrij en sloot bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit en beeldwaarde van de omgeving. Het is daarom niet aannemelijk dat deze buffer in de toekomst verdwijnt of bebouwd wordt met agrarische functies. Bovendien wordt het betreffende agrarische perceel op dit moment niet agrarisch gebruikt. Bedrijventerrein op grotere afstand Op een afstand van circa 300 meter bevindt zich een perceel met een bedrijfsbestemming, waar bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 zijn toegestaan conform het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2013’. Gezien de afstand tot het plangebied is er geen sprake van een belemmering voor woningbouw. Sterker nog, binnen een kleinere afstand tot dit bedrijventerrein zijn reeds bestaande woningen gerealiseerd, wat de aanvaardbaarheid van deze afstand in de praktijk bevestigt. Overige omgeving In de verdere omgeving van het plangebied bevinden zich geen andere bedrijvigheden of functies die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de toekomstige woningen of die door de woningbouwontwikkeling in hun bedrijfsvoering zouden kunnen worden belemmerd.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

38

Afbeelding 9.2: Gebiedsindeling omgeving plangebied

5.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘geluid door activiteiten’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.10

Water en klimaatadaptatie

5.10.1 Kader Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij een omgevingsplanwijziging rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moeten de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

39 Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Beleid waterbeheerder Waterschapsverordening waterschap Hollandse Delta In de waterschapverordening van waterschap Hollandse Delta staat hoe het waterschap activiteiten mogelijk maakt. Daarnaast heeft het Waterschap Hollandse Delta ene water en wegenbeheerprogramma. Hierin staat het meerjarige beleid en de doelen van waterschap Hollandse Delta. Het water en beheerprogramma heeft betrekking op vier kerntaken: TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

40 1. 2. 3. 4.

Veilige dijken en duinen Voldoende en schoon water Het schoonmaken van afvalwater Wegen en fietspaden

Beleid gemeente Uitvoeringsagenda Hoeksche Waard klimaatbestendig De gemeente Hoeksche Waard heeft in eerste instantie de zorgplicht voor het inzamelen van afval- en hemelwater. De klimaatambities kwamen de laatste jaren daarbovenop. De gemeente heeft zich aangesloten bij het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. De gemeente Hoeksche Waard, Waterschap Hollandse Delta en de Provincie Zuid-Holland werken vanuit een uitvoeringsagenda ‘Hoeksche Waard klimaatbestendig’. Hierin staat wat men in de komende jaren samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties gaat doen om de Hoeksche Waard klimaatbestendig te maken. In 2050 wil de Hoeksche Waard klaar zijn voor een ander klimaat met extremer weer. Om de komende decennia gericht te kunnen werken, is een visie nodig. De Hoeksche Waard heeft daarom de Hoeksche 4 geïntroduceerd: 1. Alle nieuwbouw doen we klimaatbestendig: Vanaf 2021 ontwerpen en bouwen we klimaatbestendig. 2. Bestaand bebouwd gebied maken we klimaatbestendig: In 2022 hebben we een actieplan voor alle droogte, hitte- en wateroverlast knelpunten in bebouwd gebied. In 2030 zijn deze acties uitgevoerd. 3. Het buitengebied maken we klimaatbestendig: In 2040 kunnen landbouw en natuur ook bij langere periodes van droogte over voldoende zoet water beschikken. 4.

De essentiële infrastructuur maken we klimaatbestendig: In 2022 hebben we alle verantwoordelijkheden helder, zodat we toe kunnen werken naar een klimaat robuuste infrastructuur in 2050. 5.10.2 Onderzoek In het kader van ontwikkelingen in Torensteepolder is in 2009 het Waterhuishoudingsplan Torensteepolder opgesteld in overleg met de waterbeheerder. In dit plan is aandacht voor veiligheid, het huidige watersysteem, het toekomstige watersysteem, veiligheid en landschappelijk inpassing, natuurwaarden en waterkwaliteit, wateroverlast, riolering, bodemdaling, grondwateroverlast, oppervlaktewater- en grondwaterkwaliteit, verdroging, natte natuur, overstromingsrisico, beheer en onderhoud en waterstaatdoeleinden in het bestemmingsplan. Voor een uitgebreide toelichting op het watersysteem wordt verwezen naar het bestemmingsplan ‘Torensteepolder 2015’. De beschreven uitgangspunten en de eisen aan de uitwerking van de inrichting worden ook in het kader van deze omgevingsplanwijziging gehanteerd. Huidig watersysteem Het plangebied wordt globaal begrensd door de Torensteelaan en de Ambachtsheerenlaan. Aan de westzijde is woningbouw van fase 1c aanwezig. Aan de noordzijde ligt een brede watergang met diverse groene eilanden. Aan de oost- en zuidzijde grenst het plan aan de landgoederenzone. Het plangebied is in de huidige situatie onverhard.

De watergang in het midden van het plangebed is reeds gedempt met een vergunning van het WSHD. Rond het plangebied zijn diverse watergangen gelegen.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

41

Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken Waterschap Hollandse Delta Waterkwantiteit Het plangebied wordt aan de west, noord en oostzijde begrensd door een aantal secundaire watergangen. Het onderhoud van deze watergangen wordt uitgevoerd door de eigenaar van de aanliggende percelen. Voor deze watergangen is bepaald dat het onderhoud varend kan worden uitgevoerd. Het onderhoud van de primaire watergang ten zuiden van het plangebied (evenwijdig aan de Ambachtsherenlaan) ligt bij het waterschap. Voor deze watergang is bepaald dat het onderhoud varend kan worden uitgevoerd en vanaf de Ambachtsherenlaan een beschermingszone van 5 meter geldt. Veiligheid en waterkeringen In of in directe nabijheid van het plangebied zijn geen regionale waterkering aanwezig. Daarmee is ook geen sprake van een eventuele beschermingszone.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

42

Afbeelding 5.2: Uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland ter hoogte van het plangebied. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Op de Bodemkaart is te zien dat de bodem van het plangebied uit een kalkrijke poldervaaggronden met lichte klei bestaat. Het plangebied is gelegen in het peilbesluit Torensteepolder. Er is sprake van een zomerpeil van -1,20 m en een winterpeil van -1,40 m. Het peil ten behoeve van de landgoederen en vrije woonkavels is verhoogd naar NAP -0,60 m. Er is geen grondwateroverlast in het plangebied bekend. Bij het bouwen van de huizen dient rekening te worden gehouden met het eventueel opzetten van het peil in de toekomst, omdat hierdoor de hoogte van de grondwaterstand ook toeneemt. Bestaande kavels in en rondom het plangebied mogen geen hinder ondervinden van het eventueel opzetten van het peil. Toekomstig watersysteem Deze omgevingsplanwijziging voorziet in een passende regeling voor de laatste fase van de ontwikkeling van de Torensteepolder. De nieuwe woningen worden ingepast tussen de bestaande groenblauwe structuur aan de noordzijde, aan de Torensteelaan, en de bestaande watergang aan de oost-, west- en zuidzijde van het plangebied. Daarmee krijgt het plan een groen-blauwe omlijsting (afbeelding 5.13).

Aan de westzijde van de locatie wordt een nieuwe, 10 meter brede, watergang gerealiseerd. Dit water vormt een extra verbinding tussen het water rond de eilanden zone aan de noordzijde en de hoofdwatergang aan de zuidzijde van het plan. Het nieuw te graven water versterkt het waterrijke karakter van de buurt en is onderdeel van de watercompensatie opgave. De ambitie in dit bouwveld is dat er zoveel mogelijk regenwater wordt afgekoppeld, geïnfiltreerd en vastgehouden. Zo worden de straten aan de noord en oostzijde op één oor” gelegd. Hierdoor wordt het mogelijk om het hemelwater van de wegen direct af te voeren op het oppervlaktewater. Zo hoeft het water niet te worden afgevoerd en bijkomend voordeel is dat er minder kolken hoeven te worden aangelegd. Ook het hemelwater van het dakvlak van de aangrenzende woningen wordt afgekoppeld en via de straat afgevoerd naar het oppervlaktewater. In de groene driesprong is de ambitie om het hemelwater van het dakvlak TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

43 van de voorzijde van de aangrenzende woningen af te koppelen en in de groenzone te laten infiltreren. De hier gelegen paden en overige verharding water ook af op het groen (er wordt nog nader onderzocht of dit mogelijk is in verband met voldoende capaciteit etc.). In de overige straten binnen de wijk wordt regenwater afgevoerd middels kolken en indien mogelijk geïnfiltreerd in de bodem middels kratten (indien technisch mogelijk). Het hemelwater van de dakvlakken van de woningen welke met de achtertuin direct grenzen aan het water wordt afgekoppeld naar de aangrenzende watergangen.

Afbeelding 5.13: Plankaart – afwateringsstructuur Watercompensatie Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. In 2024 is door Imago een watertoets uitgevoerd. Uit deze toets blijkt dat er een toename van 46.310 m² aan verharding plaatsvindt binnen het plangebied, waarvan 10% gecompenseerd moet worden. Dit betekent dat er 4.631 m² nieuw wateroppervlak moet worden gerealiseerd. In het huidige plan is 2.921 m² aan water opgenomen, bestaande uit een nieuwe watergang en het verwijderen van twee dammen. Voor de ontsluiting aan zowel de noord- als zuidzijde wordt echter 514 m² water gedempt, wat inhoudt dat er nog 2.224 m² gecompenseerd moet worden. In overleg met het waterschap wordt middels een vergunning van een van de landgoederen gecompenseerd. De exacte invulling van de compensatie is nog niet bekend. Voor de watertoets zal een watervergunning worden aangevraagd. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het graven van nieuw oppervlaktewater moeten doodlopende watergangen worden voorkomen. Watergangen waarbij geen doorstroming plaatsvindt, zal een slechte waterkwaliteit ontstaan. Ter voorkoming TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

44 van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige woningbouw is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 5.10.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit omgevingsplan geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding.

In het kader van het vooroverleg wordt een concept van deze omgevingsplanwijziging aan het Waterschap Hollandse Delta voorgelegd. 5.11

Natuur en ecologie

5.11.1 Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplanwijzigingen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. De gemeenten moeten dan bij het opstellen van een omgevingsplanwijziging deze instructieregels in acht nemen. TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

45

5.11.2 Onderzoek Soortenbescherming Bureau ATKB heeft een quickscan uitgevoerd om te onderzoeken of de voorgenomen werkzaamheden mogelijk in strijd zijn met de omgevingswet. De quickscan (bijlage 3) richt zich op een globale beoordeling van beschermde soorten binnen het plangebied, gebaseerd op literatuur- en veldonderzoek. Hieronder worden de resultaten per soortengroep weergegeven. Flora Uit het veldonderzoek blijkt dat er geen beschermde flora in het plangebied aanwezig zijn. Broedvogels Categorie 1 t/m 4 Er zijn geen beschermde broedvogels (categorie 1 t/m 4) binnen het plangebied aangetroffen. De bomenrij aan de zuidzijde kan mogelijk als nestlocatie dienen, met uitzondering van soorten die afhankelijk zijn van bebouwing. Deze bomen blijven onaangetast, waardoor geen overtreding van de omgevingswet (Ow) plaatsvindt. Broedvogels Categorie 5 Het plangebied biedt geen geschikt broedbiotoop voor categorie 5-broedvogels vanwege de afwezigheid van bomen, struwelen en bebouwing. Het plangebied is niet van ecologisch hoog belang voor deze soorten, en alternatieve nestlocaties zijn in de omgeving aanwezig. Tijdens het broedseizoen zijn de nesten wel beschermd. Overige broedvogels De grauwe gans gebruikt het plangebied mogelijk als broedgebied, en de meerkoet kan de oevers benutten als nestlocatie.

Zonder voorzorgsmaatregelen kunnen nesten worden verstoord of vernield, wat een overtreding van artikel 11.37 van het Bal kan opleveren. Deze verstoring heeft echter geen wezenlijke invloed op de instandhouding. Vleermuizen Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied, omdat er voldoende alternatieve groenelementen aanwezig zijn. Vleermuizen kunnen wel tijdelijk worden verstoord, wat een overtreding van artikel 11.46, lid 1b van het Bal is. De werkzaamheden dienen in de periode 1 april – 1 november overdag uitgevoerd te worden om verstoring van foeragerende vleermuizen binnen het foerageergebied te voorkomen. Grondgebonden zoogdieren De randen van het plangebied zijn mogelijk geschikt voor bever en noordse woelmuis, maar tijdens het onderzoek zijn geen sporen aangetroffen. Soorten zoals boommarter, damhert, wolf en gewone zeehond worden niet in het plangebied verwacht. Er is aanvullend onderzoek nodig naar essentieel leefgebied van de noordse woelmuis. Amfibieën Het plangebied is geschikt voor soorten zoals de bruine kikker, meerkikker, kleine watersalamander en gewone pad. De rugstreeppad wordt niet verwacht door natuurlijke barrières. Hoewel de bouwactiviteiten een overtreding van artikel 11.54, lid 1 van het Bal kunnen opleveren, is nader onderzoek niet noodzakelijk omdat deze soorten vrijgesteld zijn van vergunningsplicht.

Reptielen Hoewel het plangebied geschikt lijkt voor de ringslang, sluit het onderzoek de aanwezigheid van deze soort uit door het gebrek aan waarnemingen in de omgeving.

TAM Omgevingsplan “Torensteepolder fase D’’ Motivering

46

Vissen De grote modderkruiper kan in watergangen langs het plangebied voorkomen, maar het plangebied zelf is ongeschikt. Tijdelijke verstoring door werkzaamheden, zoals heien, is toegestaan en vereist geen nader onderzoek. Vlinders, libellen en overige ongewervelden De grote vos en teunisbloempijlstaart kunnen mogelijk in het plangebied voorkomen. Hoewel geschikte waardplanten aanwezig zijn, is tijdens het veldonderzoek geen bewijs gevonden van de teunisbloempijlstaart. Verstoringen of verlies van voortplantingsplaatsen kunnen overtredingen van artikelen 11.46, lid 1 en 11.54, lid 1 van het Bal opleveren. Het is noodzakelijk aanvullend ecologisch onderzoek naar de teunisbloempijlstaart uit te voeren. Dit onderzoek zal gericht worden op het inventariseren van eventueel aanwezige voortplantingsplaatsen. Gebiedsbescherming In de quickscan is ook onderzocht of aanvullende toetsing met betrekking tot gebiedenbescherming (zoals stikstofberekeningen en/of een passende beoordeling) en een vergunningsaanvraag nodig zijn. NNN-gebieden Het plangebied ligt niet in het NNN of overige planologisch beschermde gebieden (weidevogelgebieden, gebieden met strategische reserveringen voor natuur, groene ontwikkelingszones e.d.). Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16151881/1