Bevershoekstraat 2 vastgesteld 1
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
32
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.4.2 Gebiedsbescherming Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde NNN‐gebied is de waterweg Dordtsche Kil, dat ligt op 105 m afstand van het plangebied, zie figuur 4.3. De locatie ligt op circa 5,5 kilometer van Natura 2000‐gebied 'Oudeland van Strijen' en circa 4,2 kilometer van stikstofgevoelig Natura 2000‐gebied 'Biesbosch', zie figuur 4.4.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
33
Figuur 4.3 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid‐Holland).
Figuur 4.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. Natura 2000 gebieden (bron: Aerius‐calculator). Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Biesbosch zijn er voor de aanleg‐ en gebruiksfases AERIUS‐berekeningen uitgevoerd (versie 2021). De memo met de berekeningen zijn opgenomen in bijlage 2, 3 en 4 bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de aanleg‐ en gebruiksfase van de ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
34
4.4.3 Soortenbescherming Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat er één geschikte verblijfplaats voor huismussen in het plangebied aanwezig is. Er valt niet met zekerheid uit te sluiten dat deze opening in gebruik zal worden genomen. Nader onderzoek naar de functie van het plangebied als verblijfplaats voor huismussen is noodzakelijk, tenzij de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van deze soort worden uitgevoerd. De voortplantingsperiode van de huismus loopt van begin maart tot eind september. Ook heeft het plangebied een functie voor algemene broedvogels. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. 4.4.4 Conclusie Directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring is uitgesloten. Er zijn geen negatieve effecten voor de stikstofgevoelige natuurgebieden. De aanbouw vormt geen belemmering voor de aangetroffen potentiële verblijfplaats voor de huismus. Op figuur 2.1 is te zien dat er geen functioneel groen verloren gaan. Zolang de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van de huismus staat het aspect ecologie de ontwikkeling niet in de weg.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.5.2 Onderzoek en conclusie In opdracht van Rho Adviseurs is ter plaatse van de twee uitbreidingen door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd.
De overige gronden binnen het plangebied zullen enkel oppervlakkig verstoord worden en blijven in de toekomstige functie gebruikt worden als tuin. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek weergegeven. De zandige toplaag is licht verontreinigd met zink, cadmium, kwik, lood PAK en PCB. De kleiige ondergrond is licht verontreinigd met nikkel, kwik en lood. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De mogelijk aanwezig zijnde 'ophooglagen' zijn niet tot hooguit licht verontreinigd met de bovengenoemde parameters. Gelet op de onderzoeksresultaten wordt de hypothese 'verdacht' voor beide deellocaties gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
35
Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag, zijnde de Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid, om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden. Conclusie De milieukundige bodemkwaliteit staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm. Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg /m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
36
4.6.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 14 wooneenheden. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Maasdamseweg, ten noorden van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat voor de prognose in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 23,5 µg/m³ voor NO2, 18,6 µg/m³ voor PM10 en 11,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.7
Bedrijven en milieuhinder
4.7.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. 4.7.2 Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie wordt een woonzorgvilla gerealiseerd. Hiermee wordt een milieuhinderlijke en milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. In het gebied zijn voornamelijk woningen gevestigd, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'rustige woonwijk'.
Een woonzorgvilla komt niet voor in de VNG‐brochure, daarom is gekozen om te toetsen aan de richtafstanden voor een verpleeghuis. Een verpleeghuis valt volgens de VNG‐brochure in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m in een rustige woonwijk. Op circa 5 m bevinden zich ten noorden en ten zuiden woonbestemmingen. Er wordt niet aan de richtafstand voldaan. De ontwikkeling is echter relatief klein en vergelijkbaar met woningen, waardoor hinder uitgesloten kan worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
37
Daarnaast moet er ook onderzocht worden of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Ten westen bevindt zich een bedrijfsbestemming waar maximaal bedrijven uit categorie 2 zich mogen vestigen. Dit heeft een richtafstand van 30 m in een rustige woonwijk. Met een afstand van circa 35 m wordt hieraan voldaan. Daarnaast zijn er al woonbestemmingen dichter bij het bedrijf gelegen en geldt er momenteel al een woonbestemming. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven belemmerd en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Met de plaatsing van geluidsbronnen zoals airconditioning en/of afzuiginstallaties en dergelijke apparaten dient rekening gehouden te worden met de oriëntering en geluidsbelasting richting de omgeving.
4.8
Duurzaamheid
4.8.1 Toetsingskader Hoeksche Waard Energieneutraal 2040 De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten is de 'Energievisie Hoeksche Waard 2016‐2020' opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard. De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica. Waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het beperken van de energiebehoefte. Dit uit zich in 3 pijlers: 1. Energie besparen in de bebouwde omgeving (o.a. isolatie). 2. Opwekken van duurzame energie (o.a. wind, zon, biomassa, getijdenenergie). 3. Duurzame mobiliteit (o.a. elektrische auto's en fietsen, openbaar vervoer). Er zijn twee belangrijke neven effecten. Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander handelen door deze jeugd over 10 jaar.
Naast de Energievisie is er ook een 'Regionaal Uitvoeringsprogramma Energievisie 2016‐2020' opgesteld. De Energievisie is in dit Uitvoeringsprogramma uitgewerkt tot concrete activiteiten voor de jaren 2016‐2020. Een aantal van deze activiteiten is het afgelopen jaar en begin 2017 al in gang gezet. Met dit Uitvoeringsprogramma worden deze activiteiten gestructureerd en zichtbaar gemaakt. Daarnaast starten wij op basis van dit uitvoeringsprogramma diverse nieuwe activiteiten. Voor het Uitvoeringsprogramma en de Energievisie is input verzameld van het maatschappelijk middenveld en vanuit het Regionale Raadsledenoverleg (ROHW). Het Uitvoeringsprogramma wordt elk jaar opnieuw bekeken of het nodig is om het te actualiseren om op deze manier per jaar projecten uit te voeren die actueel, (financieel)haalbaar en marktgericht zijn. Elke activiteit wordt in dit uitvoeringsprogramma toegelicht en bestaat uit de onderdelen; resultaat, planning, kosten en status. Aanpasbaar bouwen Dit is bepaald in de Regionale Woonvisie 2030. In de Hoeksche Waard groeit het aantal seniorenhuishoudens bovengemiddeld sterk. Het aantal 75+ huishoudens verdubbelt de komende jaren. Van de bevolking wordt verwacht een leven lang zelfstandig te wonen. Daarnaast is de financiering voor de zorg en het wonen ontkoppeld. Hierdoor stijgt de vraag naar eenvoudig aanpasbare woningen op de woningmarkt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
38
Een aanpasbaar gebouwde woning is geschikt te maken voor meerdere doelgroepen Van belang hierbij zijn de relaties tussen ruimten en bedieningsgemak van bijvoorbeeld ramen en deuren. Ook gaat het om veiligheid. In feite kan een aanpasbaar gebouwde woning op verschillende manieren en door verschillende soorten huishoudens worden bewoond. Het gaat niet zozeer om bouwen voor een bepaalde doelgroep, maar om het bouwen van een woning die door verschillende doelgroepen kan worden bewoond en daarmee zijn toekomstwaarde behoudt. Voor de vergrijzing van de nabije toekomst én de demografische ontwikkeling die daarna volgt. Hiermee behoudt de woning zijn toekomstwaarde. SKW Certificatie WoonKeur is een eis De woonvisie verwijst naar het kwaliteitskeurmerk WoonKeur voor het aanpasbaar bouwen. Een woning met een WoonKeur certificaat kan eenvoudig en tegen beperkte kosten worden aangepast als de levensomstandigheden daar om vragen. Dit houdt in dat een bewoner in zijn woning moet kunnen blijven wonen. Ook als de gezondheid om aanpassingen aan de woning vraagt. Hiermee wordt verplicht verhuizen om een reden van een beperking voorkomen. De gemeente adviseert om SKW Certificatie in een vroeg stadium bij een nieuwbouwproject te betrekken. In dit keurmerk zijn de bouwtechnische eisen teruggebracht tot een overzichtelijk en goed toepasbaar pakket aan maatregelen.
4.8.2 Onderzoek Bij de bouw van de woning 15 jaar geleden is al gekozen voor duurzame verwarming door middel van warmte pompen en een zeer hoge isolatie graad wat nu algemeen wordt toegepast. De bestaande woning is uitgerust met 2 warmte pompen 1 voor de woning (waar 6 wooneenheden zijn voorzien), en 1 voor de verwarming van het zwembad. Er is een gasketel aanwezig voor back up voor uitval en extra verwarming bij zeer strenge vorst. De bestaande gas aansluiting blijft intact. De aanbouw wordt uitgevoerd met warmte pompen. Nu is het plan het geheel zoveel mogelijk uit te voeren met zonnepanelen, zodat een groot gedeelte van de energie zelf kan worden opgewekt. Gelet op de doelgroep worden de woningen opgeleverd met alle mogelijke aanpassingen om de bewoners het leven zo aangenaam mogelijk te maken.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
39
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. 4.9.2 Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (figuur 4.5) waarin relevante risicobronnen getoond worden, vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg of door buisleidingen.
Figuur 4.5 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied rood omcirkelt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
40
Ten oosten op een afstand van circa 189 m bevindt zich de corridor Rotterdam ‐ Moerdijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie GT3 deze bedraagt 1.070 m. Omdat het plangebied zich binnen de 200 m van de vaarweg bevindt, is inzicht in de externe veiligheidsrisico's nodig. Door AVIV is een onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Hieruit blijkt dat voor de Dordtsche Kil een PR‐plafond van 0 m geldt. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op de oever van de vaarweg niet meer mag bedragen dan 10‐6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Voor de bepaling van het groepsrisico is gebruik gemaakt van de vuistregels zoals opgenomen in bijlage 1.4.2.2 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart) voor een vaarweg van bevaarbaarheidsklasse 6. Hieruit blijkt dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Wanneer daarnaast het aantal transport van LT2 en GT3 kleiner is dan 1000 per jaar en de aanwezigheidsdichtheden kleiner zijn dan 500/ha, is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. LT2 wordt niet vervoerd over deze vaarweg en het vervoer van GT3 via binnenvaartschepen is 196 per jaar.
Daarnaast is via de BAG‐populatieservice gebleken dat het aantal personen per hectare maximaal 65 is in de nacht op de westelijke kant van de vaarweg. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico niet hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Wel dient een beknopte verantwoording te worden geschreven.
Daarnaast bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied van de risicovolle inrichtingen Standic B.V. en Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Voor beide inrichtingen is een QRA van de groepsrisico te vinden in de professionele risicokaart. Het groepsrisico van beide inrichtingen bevindt zich ruim onder de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling is relatief klein en bevindt zich op een grote afstand van de risicovolle inrichtingen. Daarnaast is het invloedsgebied van beide inrichtingen kilometers groot, waardoor verschillende dorpen hierin vallen. De toevoeging van 14 appartementen zal niet zorgen voor een significante stijging in het groepsrisico of voor een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen.
Het plangebied wordt ontsloten via de Bevershoekstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van 's‐Gravendeel. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een zorgvilla gerealiseerd worden. De aanwezige ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Er wordt echter uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers de ouderen zullen begeleiden. Er is 24 uur per dag een verzorger aanwezig. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
41
4.9.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen Standic B.V., Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en corridor Rotterdam ‐ Moerdijk waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit het onderzoek van AVIV blijkt dat het groepsrisico niet hoger is dan de oriëntatiewaarde en ook kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Kabels en leidingen
4.10.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.10.2 Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.11
Cultuurhistorie en archeologie
4.11.1 Toetsingskader Gemeente Hoeksche Waard heeft voor de periode 2019 – 2023 integraal erfgoedbeleid vastgesteld om de identiteit van het grondgebied te versterken. Dit is verwoord in de erfgoednota en de erfgoedverordening van gemeente Hoeksche Waard. De gemeente ziet ons erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en als leerbron voor toekomstige generaties. Het behoud, beleven en benutten van erfgoed ziet de gemeente als wenselijke ontwikkeling in relatie tot het behoud van diversiteit en identiteit van dorpen en streken. Het in stand houden van het erfgoed en het uitdragen (het verhaal (door)vertellen) geeft het streekeigen erfgoed een economische waarde die zich als toeristisch‐recreatief product terugbetaalt en een positieve invloed heeft op het vestigingsklimaat.
4.11.2 Cultuurhistorie De historische kern van 's‐Gravendeel heeft een zekere cultuurhistorische waarde. Deze waarden zijn dermate algemeen, dat deze niet middels het bestemmingsplan kunnen of moeten worden beschermd. In de kern van 's‐Gravendeel bevinden zich diverse Rijks‐ en gemeentelijke monumenten. De monumenten worden beschermd via de Monumentenwet. De betreffende woning is geen monument en ook om het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. 4.11.3 Archeologie In opdracht van Rho Adviseurs heeft IDDS Archeologie in februari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Bevershoekstraat 2 in 's‐Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard. De noodzaak tot het archeologisch
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
42
onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting op het bestemmingsplan. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek overgenomen. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het onduidelijk is of het plangebied op een oude stroomgordel ligt of niet en ook de diepteligging van deze mogelijke stroomgordel is onduidelijk. Indien het plangebied ligt op een stroomgordel waarvan de afzettingen, op basis van onderzoeken in de omgeving, liggen op ‐1,0 tot ‐3,0 m NAP (ofwel 1,0 tot 3,5 m ‐mv), dan heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Op deze stroomgordel kunnen nederzettingen en andere complextypen voorkomen uit deze perioden met grondsporen en vondsten zoals aardewerk, glas, metaal, (verbrand) bot en dergelijke. Uit het milieukundige bodemonderzoek blijkt dat deze stroomrug in het plangebied niet voorkomt tot een diepte van ‐2,4 m NAP (3,0 m ‐mv), maar mogelijk wel dieper.
Als het plangebied niet op een stroomgordel ligt dan komt in de ondergrond een pakket Hollandveen voor. Voor dit Hollandveen geldt een middelhoge archeologische verwachting, indien de top niet is geërodeerd door de overstromingen van de St. Elisabethsvloed, voor resten van ontginning en landbouw uit de perioden ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Resten hiervan bestaan voornamelijk uit sporen van sloten, greppels, waterputten of ‐kuilen en dergelijke. De top van het Hollandveen ligt waarschijnlijk op ‐2,5 tot ‐3,0 m NAP (ofwel 2,5 tot 3,5 m ‐mv; en dus net buiten de boordiepte van het milieukundige onderzoek). De bovenste meters van de bodemopbouw in het plangebied bestaan uit getijde‐afzettingen die zijn ontstaan bij en in de twee eeuwen na de St. Elisabethsvloed. Uit de periode 1421 tot de inpoldering in de 17e eeuw zullen geen archeologische waarden voorkomen in het plangebied. Het gebied lag toen in het water of op getijdeplaten (gorzen) en was onbruikbaar voor de mens. Vanaf de 17e tot het midden van de 20e eeuw was het plangebied onbebouwd en waarschijnlijk vooral in gebruik als boomgaard. Ook uit die periode zullen er in het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Sinds de tweede helft van de 20e eeuw is het plangebied (deels) bebouwd geweest, maar bij de vele bouw‐ en sloopwerkzaamheden zal de bovengrond van het plangebied grotendeels verstoord zijn geraakt. In deze periode was het ongebruikelijk om oude funderingen in de bodem achter te laten. Het plangebied ligt op basis van de historische kaarten ook duidelijk buiten de historische bebouwingskern van 's‐Gravendeel en heeft op basis van het bureauonderzoek dus een lage archeologische verwachting voor waarden uit de Nieuwe tijd. Veldonderzoek Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied zowel geen archeologische verwachting heeft voor een stroomgordel als voor een veenpakket. De stroomgordel is niet aanwezig en het veenpakket is geërodeerd. De afzettingen die zijn aangetroffen in een ongeveer 3,5 m dik pakket op het veen bestaan inderdaad uit getijde‐afzettingen, afgezet tussen St. Elisabethsvloed in 1421 en de inpoldering in de 17e eeuw. Het plangebied blijkt uit de boringen te zijn opgehoogd en de bodem verstoord tot ten minste een diepte van 0,8 m ‐mv. Op basis van het veldonderzoek wordt de archeologische verwachting van het plangebied bijgesteld naar zeer laag. In het plangebied komen zeer waarschijnlijk geen (intacte) archeologische waarden meer voor.
Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied slechts een zeer lage archeologische verwachting heeft en dat in het plangebied zeer waarschijnlijk geen archeologische waarden voorkomen. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Conclusie Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
43
4.12
Vormvrije m.e.r.‐ beoordeling
4.12.1 Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan‐m.e.r.‐plichtig, project‐m.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.‐beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.‐beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Voor de ontwerp‐bestemmingsplanfase moet een m.e.r‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.‐beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.‐beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.‐beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. 4.12.2 Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 14 zorgwooneenheden. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling' noodzakelijk is. Uit de bovenstaande paragrafen blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Voorafgaand aan de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan zal de gemeenteraad van gemeente Hoeksche Waard (op basis van een m.e.r. aanmeldnotitie) besluiten dat er geen MER‐procedure doorlopen hoeft te worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
44
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
45
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van BZK een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). De hoofdstukindeling van de bestemmingsplanregels bestaat uit: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs‐ en slotregels.
5.2
Artikelsgewijze toelichting
5.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt bepaald op welke manier bij de toepassing van de planregels wordt gemeten. Bij het meten van bouw‐ en goothoogtes van gebouwen is het begrip peil van belang.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
46
5.2.2 Bestemmingen en gebruik Artikel 3 Maatschappelijk Het bestemmen van een woonzorgcomplex is vooral afhankelijk van de invulling van de geboden zorg. Als het bieden van de zorg slechts een ondergeschikte functie heeft en er sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning dan past het woon‐zorgcomplex in beginsel in de bestemming 'Wonen'. Er is sprake van nagenoeg zelfstandige bewoning als de zorg bestaat uit specifieke ondersteuning voor de algemene dagelijkse levensbehoeften en de bewoners geen voortdurende zorg nodig hebben. Er is in dit geval geen sprake van nagenoeg zelfstandige bewoning vanwege de aard van de bewoners die de gehele dag begeleid worden. Dagelijks is verzorgend personeel en begeleiding aanwezig. Daarom is in dit geval de bestemming 'Maatschappelijk' passender bevonden dan 'Wonen'. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden met de aanduiding 'Wonen' zijn uitsluitend bestemd voor het realiseren van 14 zorgwoningen en hierbij behorende dagbesteding en voorzieningen. Op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de gebouwen moeten worden gebouwd, de gronden mogen tevens worden gebruikt voor parkeervoorzieningen, groen en water. De goothoogten van de gebouwen is vastgesteld op de verbeelding met een maximale dakhelling van 60%. Artikel 4 Tuin De bestaande voortuin bij de woning is in de bestemming 'Tuin' gelegd.
De gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op het aangrenzende grond gelegen hoofdgebouw. Er zijn geen gebouwen in de bestemming toegestaan. Er zijn onder voorwaarden erkers en erfafscheidingen binnen de bestemming toegestaan. Artikel 5 Waarde ‐ Archeologie ‐ 1 en Artikel 6 Waarde ‐ Archeologie ‐ 3 Op basis van het archeologische beleid van de gehele Hoeksche Waard is aan het plangebied een dubbelbestemming toegekend. Met deze dubbelbestemming wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Binnen het plangebied is er sprake van twee archeologische verwachtingswaarden, Waarde ‐ Archeologie ‐ 1 waarvoor een verstoringsoppervlakte van 30 m² geldt en ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde ‐ Archeologie ‐ 3 waarvoor een verstoringsoppervlak van 500 m² geldt wanneer archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Deze bestemmingen zijn overgenomen in het voorliggende plan om de potentiële archeologische waarde in de bodem te beschermen. Artikel 7 Waterstaat ‐ Waterkering Deze bestemming is gelegd op de beschermingszone van de waterkering. De regeling is gericht op het beschermen van de waterkering. Dit leidt onder meer tot beperkingen voor bouwen en voor werken en werkzaamheden.
5.2.3 Algemene regels Artikel 8 Antidubbeltelregel Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
47
Artikel 9 Algemene bouwregels Overschrijding bouwgrenzen De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden. Bestaande afstanden en andere maten In de planregels zijn diverse regelingen opgenomen die aangeven wat maximaal of minimaal toelaatbaar is. Deze regelingen kunnen betrekking hebben op hoogten, breedten, diepten, oppervlakten, afstanden of aantallen. Ruimtelijke overwegingen hebben bepaald welke maat als maximum of minimum is aangegeven. Lang niet alle bestaande situaties voldoen echter aan de betrokken maten. Het negeren van deze bestaande maten zou betekenen dat het betrokken gebouw onder het overgangsrecht valt, met alle gevolgen van dien (alleen gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, alleen herbouw na calamiteit etc.). Dit is uitdrukkelijk niet de bedoeling. Overgangsrecht is immers alleen aan de orde, wanneer te verwachten is dat het betrokken gebouw gedurende de looptijd van het bestemmingsplan zal worden geamoveerd. Het onder het overgangsrecht brengen zou ook tot praktische complicaties leiden, aangezien dan onduidelijk is of ‐ bijvoorbeeld ‐ het gehele gebouw onder het overgangsrecht valt of alleen dat gedeelte waarmee de betrokken maten worden overschreden.
Om dit soort verwikkelingen te voorkomen, is in artikel 17 een regeling opgenomen die voorkomt dat overgangsrecht van toepassing is, indien de gestelde maxima of minima niet met de bestaande situaties in overeenstemming is. Uiteraard geldt de betrokken regeling niet indien een bestaand bouwwerk wordt afgebroken en op een andere plek wordt herbouwd. In dat geval gelden de als maximaal of minimaal gestelde maten onverkort. Voorts is de regeling uitsluitend van toepassing ter plaatse van de reeds bestaande afwijking. Dit houdt in dat indien een gebouw dat ‐ bijvoorbeeld ‐ volgens de reguliere planregels te dicht op de zijdelingse perceelgrens is gebouwd, wordt vergroot, de regeling niet van toepassing is. Met betrekking tot de bestaande maten is als peildatum gekozen voor het moment waarop het bestemmingsplan in werking is getreden. Dit is het eerste moment waarop nog uitsluitend conform het geldende bestemmingsplan, in casu de daarin vastgelegde maxima en minima, kan worden gebouwd. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt het strijdige gebruik benadrukt. Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is een regeling opgenomen ter bescherming van de geluidszone van het industrieterrein Groote Lindt / Dordt‐West.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking. Artikel 13 Algemene wijzigingsregels In Artikel 13 Algemene wijzigingsregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van kleine overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
48
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Artikel 14 Overige regels In de overige regels is in artikel 14.1 Voldoende parkeergelegenheid geregeld dat bij een nieuw bouwwerk of verandering van een bouwwerk wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. 5.2.4 Overgangs‐ en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 14.1 lid 1 Wro. Enkele bouwmogelijkheden in afwijking van de regels blijven bestaan voor gebouwen die afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bevoegd gezag. Lid 2 betreft de overgangsregels met betrekking tot het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken die afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtsmacht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het gebruik is slechts toegestaan indien de afwijzing hierdoor niet wordt vergroot.
Artikel 16 Slotregel Het laatste artikel van de planregels betreft de slotregel van het onderliggende bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
49
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1 Participatie Op 12 oktober 2020 heeft de initiatiefnemer samen met Rho adviseurs de omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen om de woning aan de Bevershoekstraat 2 om te bouwen tot een zorgvilla. In die brief hebben wij ontvouwd hoe dat er uit zou kunnen gaan zien. De omwonenden zijn hierin uitgenodigd te reageren op deze eerste plannen en de vragen en opmerkingen kenbaar te maken. De omwonenden hebben hier goed gebruik van gemaakt. Oorspronkelijk was het de bedoeling om een bijeenkomst te organiseren, maar door de corona maatregelen leek dat geen goed idee. Daarom zijn de opmerkingen beantwoord in een tweede brief, deze is opgenomen in Bijlage 9, deze brief is toegelicht in een videobijeenkomst waarbij 6 omwonenden aanwezig waren. Hier zijn geen nieuwe aandachtspunten naar voren gekomen. De grootste zorg blijft over het parkeren en toelevering, de bouwfase en mogelijke schade hierdoor aan de gebouwen en de privacy van zowel de huidige als de nieuwe bewoners. Helaas was bij dit videogesprek de exploitant verhinderd. Daarom is nogmaals een videogesprek gehouden waarin de exploitant de dagelijkse/wekelijkse gang van zaken heeft uitgelegd en toegelicht. Op verzoek van enkele omwonenden is in een kleinere setting een vergelijkbare videobijeenkomst gehouden.
6.1.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept ontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan de overlegpartners in het kader van het wettelijk overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro. De reacties zijn in de tekst van het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. 6.1.3 Zienswijzen De formele bestemmingsplanprocedure start met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Belanghebbenden hebben binnen deze periode een zienswijze kunnen indienen. Er zijn twee belanghebbenden die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid een zienswijze in te dienen tegen het plan. Deze zienswijze zijn samengevat en beantwoord in de Nota van beantwoording, deze is opgenomen in bijlage 10. Na de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn er een aantal aanpassingen gedaan aan het vast te stellen bestemmingsplan, deze aanpassingen zijn eveneens opgenomen in bijlage 10 en verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
50
6.1.4 Vervolg Ook na de beantwoording van de vooroverlegreacties , zienswijze en het vaststellen van het bestemmingsplan zal de initiatiefnemer en exploitant contact onderhouden met de omwonenden van het plangebied. Op deze wijze kunnen aangehaalde punten in de vergunning fase en bij exploitatie worden meegenomen in het verdere traject.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling betreft een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro. Dit betekent dat in principe kosten van gemeentewege dienen te worden verhaald. Dit kan ofwel via een exploitatieplan ofwel via een anterieure overeenkomst (Zakelijke beschrijving). In dit geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten omtrent eventuele planschadeclaims en gemaakte plankosten. De gemeente zal om deze reden geen exploitatieplan vaststellen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bevershoekstraat
Rho adviseurs voor leefruimte
20200286
Hoeksche Waard Bevershoekstraat 2, ‘s‐Gravendeel onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai
Hoeksche Waard Bevershoekstraat 2, 's‐Gravendeel
onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai
identificatie
planstatus
projectnummer:
datum:
44002676.20200286
21‐07‐2020
projectleider:
opdrachtgever:
ing. W.IJ. Groenen
Vance B.V.
auteur(s):
mw. ing. P. Dijkgraaf
aangesloten bij:
Weena 505 3013 AL Rotterdam RBOI - Rotterdam (Delftsebv Poort) Verd. 35/36 Delftseplein 27b postbus 150 Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoud 1. 2.
3.
Inleiding
3
Toetsingskader
5
2.1. 2.2. 2.3.
5 6 7
Berekeningsuitgangspunten
9
3.1.
9 9 11 12
3.2.
4.
Wegverkeerslawaai 3.1.2. Verkeersgegevens 3.1.3. Ruimtelijke gegevens Industrielawaai
Resultaten
13
4.1.
13 13 13 15 15 15
4.2. 4.3. 4.4.
5.
Wegverkeerslawaai Industrielawaai Gecumuleerde geluidbelasting
Wegverkeerslawaai 4.1.1. Gezoneerde weg 4.1.2. Niet gezoneerde wegen Industrielawaai Gecumuleerde geluidbelasting Gemeentelijk geluidbeleid
Conclusie
17
Bijlagen: 1
Invoergegevens
2
Rekenmodel
3
Resultaten wegverkeer
4
Resultaten industrielawaai
5
Cumulatie
Rho Adviseurs B.V. vestiging Rotterdam
44002676.20200286
2
Inhoud
44002676.20200286
Rho Adviseurs B.V. vestiging Rotterdam
3
1. Inleiding
Aanleiding De bestaande woning op het perceel Bevershoekstraat 2 te ’s Gravendeel wordt getransformeerd naar een woonzorgvilla. Daarnaast wordt in een uitbreiding van dit pand voorzien. Voor deze uitbreiding is het noodzakelijk het bestemmingsplan te herzien. Onderzoek Voorliggend akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd omdat een woonzorgvilla op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) een geluidgevoelige functie is en het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Havenstraat en het gezoneerde industrieterrein Groote‐Lindt/ Dordt West. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient daarnaast een beschouwing te worden gegeven op het akoestisch klimaat als gevolg van de Bevershoekstraat, de Verbruggestraat en de Beneden Havendijk. Dit zijn 30 km/uur‐wegen. In figuur 1.1. is het plangebied en de relevante wegen weergegeven.
Figuur 1.1 Plangebied en relevante wegen
Rho Adviseurs B.V. vestiging Rotterdam
44002676.20200286
4
Inleiding
Planbeschrijving Het plan is om de woning op het adres Bevershoekstraat 2 om te bouwen tot woonzorgvilla , hiertoe wordt de woning uitpandig en inpandig verbouwd. Het nieuwe gebied biedt ruimte aan 15 wooneenheden. Friso Woudstra architecten bna heeft hiervoor een bouwplan opgesteld. In figuur 1.2 is dit bouwplan opgenomen. De donkerbruine bebouwing op het perceel geeft de bestaande bebouwing weer. De licht bruin gekleurde bebouwing betreft de uitbreiding. De uitbreiding langs de Verbruggestraat gaat om 2 nieuwe studio’s en de uitbreiding op het achterterrein om 5 studio’s. In het bestaande pand komen zowel studio’s als zorgvoorzieningen.
Figuur 1.2 Situering bouwplan
44002676.20200286
Rho Adviseurs B.V. vestiging Rotterdam
5
2. Toetsingskader
2.1.
Wegverkeerslawaai
2.1.1. Normstelling Wettelijke geluidzone Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/uur‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidhinder aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de stedelijke‐ of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 2.1 weergegeven. Tabel 2.1 Schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh Aantal rijstroken Breedte van de geluidzone (in meters) Buitenstedelijk gebied Stedelijk gebied 5 of meer 600 350 3 of 4 400 350 1 of 2 250 200 De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de binnenzijde van de kant van de weg (aan weerszijden van de weg). In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van binnenstedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: ‐ stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; ‐ buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom, alsmede het gebied binnen de bebouwde kom voor zover gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. De Havenstraat heeft maximaal 2 rijstroken en is stedelijk gelegen. De geluidzone bedraagt derhalve 200 meter.
Dosismaat Lden De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal. Artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels betreffen waarden inclusief artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Van deze aftrek is gebruik gemaakt. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh, zoals in onderhavige situatie het geval is. De aftrek die gehanteerd is, is 5 dB. Bij binnenwaardenberekeningen dient te worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting exclusief de aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken‐ en Meetvoorschrift Geluid 2012.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
44002676.20200286
6
Toetsingskader
2.1.2. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan. De relevante grenswaarden uit de Wgh zijn in onderstaande tabel 2.2 opgenomen. Op basis van een ligging binnen de bebouwde kom van ‘s Gravendeel bedraagt de maximale ontheffingswaarde voor de geluidbelasting als gevolg van de Havenstraat 63 dB. Tabel 2.2 Relevante grenswaarden Wgh Geluidbron Voorkeursgrenswaarde Gezoneerde wegen 48 dB
Maximale ontheffingswaarde 63 dB
De geluidwaarde binnen de geluidgevoelige bestemmingen dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. 2.1.3. 30 km/uur wegen Zoals aangegeven bij de normstellingen (paragraaf 2.1) zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of lager op basis van de Wgh niet‐gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. De Bevershoekstraat, Verbruggestraat en Beneden Havendijk grenzen aan het plangebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn deze wegen meegenomen in het betreffende onderzoek. De bijbehorende richtwaarden zijn opgenomen in onderstaande tabel 2.3.
Op basis van een ligging binnen de bebouwde kom van ‘s Gravendeel bedraagt de maximaal aanvaardbare waarde voor de geluidbelasting als gevolg van deze wegen 63 dB. Tabel 2.3 Relevante grenswaarden Wgh Geluidbron Richtwaarde Niet gezoneerde wegen 48 dB
2.2.
Maximaal aanvaardbare waarde 63 dB
Industrielawaai
De woningen worden geprojecteerd binnen de geluidzone van industrieterrein Groote‐Lindt/DordtWest. Volgens de Wet geluidhinder mag de geluidbelasting van alle bedrijven op een gezoneerd industrieterrein, buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Voor nieuwe woningen in de zone is akoestisch onderzoek nodig. Voor nieuwe woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Bij een geluidbelasting hoger dan 50 dB(A) kan, onder voorwaarden, door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot, behoudens enkele uitzonderingen, maximaal 55 dB(A).