Bestemmingsplan Tienvoet Heinenoord ontwerp 1
Tekst van het document
in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door Provinciale Staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. 4. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en 5 tot en met 7 zijn niet van toepassing Toetsing artikel 6.9: In dit geval is sprake van transformatie van een agrarisch gebied aansluitend aan de kern Heinenoord
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
30
naar onder andere een nieuw woongebied. Door deze ontwikkeling is het mogelijk om glastuinbouw te saneren in dit gebied. Op het aspect beeldkwaliteit en het integrale ruimtelijke ontwerp is in paragraaf 2.2 ingegaan. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Toetsing 6.10: 6.10 a: De Ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen in paragraaf 3.1.3. 6.10 b: De locatie is groter dan 3 ha en is opgenomen in het programma ruimte. Daarmee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. 3.2.3 Conclusie Het provinciaalbeleid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard De gemeenteraad Hoeksche Waard stelde de Omgevingsvisie Hoeksche Waard op 17 december 2019 vast. De omgevingsvisie is te raadplegen op www.omgevingsvisiehoekschewaard.nl/. Lange tijd nam de overheid in haar beleid het voortouw als het ging om het bepalen van kwaliteit in de leefomgeving. De Omgevingsvisie biedt handvatten en inspiratie aan iedereen die een bijdrage wil leveren aan de Hoeksche Waard. Dat noemt de gemeente Waardmaken. Bouwstenen voor de kern Heinenoord De gemeente Hoeksche waard heeft voor het opstellen van de omgevingsvisie bouwstenen voor elke kern vastgelegd. De belangrijkste elementen voor Heinenoord worden als volgt benoemd. Dijken, opwas‐ en aanwaspolder. Tweezijdige lintbebouwing aan de dijk, de Dorpstraat, kleinschalig De Kreek met de haven. Kerk, Hof van Assendelft en de Leeuwenstein herenboerderijen. Representatieve gebouwen in de opwaspolder, woningen in de aanwaspolder 1900. Planmatige 19e‐eeuwse woningbouw uitbreiding 1950 . In de jaren '60 van de vorige eeuw komen de dorpsuitbreidingen ten oosten van de Julianastraat, gesitueerd tussen de dijken, de Buitendijk en de Dorpstraat. De uitbreidingen worden volgens de dan heersende stedenbouwkundige opvattingen aangelegd. De Wouter van den Walestraat is de herkenbare groene entree van de dorpsuitbreiding.
In 2010 krijgt deze hoofdtoegang een directe aansluiting op de N217. Sportvelden in de opwaspolder ten zuiden van de Hof van Assendelft. Geen bedrijventerrein. De ruimtelijke opgaves en aandachtspunten zijn als volgt verwoord: Herontwikkeling locatie voormalige gereformeerde kerk, hoek Nassaustraat/Marijkelaan. In standhouden/versterken bestaande lintbebouwing op de dijk (zuidzijde) en de open, groene
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
31
setting van de (oude) huizen onder aan de dijk (noordzijde). Zoveel mogelijk open houden van bestaande doorzichten vanuit de openbare ruimte in de bebouwde kom (zoals de Tuinweg, Gravin Sabinastraat/Marijkelaan, Ridder van Dorplaan/Ericastraat, Margrietlaan, De Beatrixlaan/pad, De Leeuw) naar het open buitengebied.
Ruimtelijke opgaves en aandachtspunten: In standhouden/versterken bestaande karakteristieke lintbebouwing langs de Dorpstraat en de open, groene setting langs de open plekken aan de dijk. Maatschappelijke opgaven De relevante maatschappelijke opgave in de Hoeksche Waard is als volgt geformuleerd: Als de trend zich doorzet, krijgt de Hoeksche Waard te maken met krimp van de bevolking. Als gevolg van de vergrijzing raakt de verhouding tussen jongere en oudere huishoudens dusdanig uit balans dat het draagvlak voor bepaalde voorzieningen verder onder druk komt te staan. Wanneer een evenwichtig samengestelde samenstelling van de bevolking het doel is, is het nodig dat er tot 2035 circa 3.500 nieuwe huishoudens instromen in de Hoeksche Waard. Dat komt bovenop de vraag naar circa 3.100 woningen die tot 2030 nodig zijn als gevolg van gezinsverdunning. 'Dorpse Trots' Dit deelgebied omvat alle dorpen in de Hoeksche Waard. Doordat de Hoeksche Waard letterlijk een eiland is, zijn mensen op elkaar aangewezen, staat zorg voor elkaar hoog in het vaandel en bloeit het verenigingsleven. De Hoeksche Waard kent (mede daardoor) kleine, hechte gemeenschappen met veelal een geheel eigen identiteit. De combinatie van ondernemerszin en de zorg voor elkaar maakt het eiland zeer aantrekkelijk voor gezinnen. De dorpen in de Hoeksche Waard zijn nauw verbonden met de inpolderingsgeschiedenis.
Veel nederzettingen zijn gekoppeld aan de dijken of aan het water. De dijken in de dorpen zijn van oudsher bebouwd en bewoond en hebben een functie als ontsluitingsweg. Dit heeft tot verschillende typen dorpen geleid, met een eigen stedenbouwkundige structuur. Belangrijkste hoofdgroepen zijn de voorstraatdorpen en de dijkdorpen, daarnaast zijn er nog rivierrug‐ en kreekrugdorpen. Er zijn ook combinatietypen zoals voorstraatdorpen. De gemeente gaat uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In‐ en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. In het dorpsgericht werken moeten initiatieven bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp. Bij ontwikkelingen in de dorpen kijken we niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar met name ook naar de gevolgen voor het sociale netwerk in het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin in het dorp. Daarbij geldt als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp.
Speerpunten hierbij zijn: Versterken van de onderscheidende identiteit per dorp. Versterken van de gemeenschapszin in het dorp. Versterken van de vitaliteit en leefbaarheid per dorp. Versterken van de natuurlijke overgang van het dorp naar het landelijk gebied. Bedrijvigheid met toegevoegde waarde voor de Hoeksche Waard. Sociale cohesie onder bevolking faciliteren en versterken. Versterken van de inclusieve samenleving. Levensloopbestendige woningen; zelfstandige woningen die geschikt zijn (te maken) voor bewoning in alle levensfasen. Op die manier kunnen ouderen of mensen met een lichamelijke beperking prettig en comfortabel wonen. Men hoeft niet noodgedwongen bestaande sociale contacten te verbreken en de vertrouwde sociale omgeving te verlaten.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
32
Creatieve aanpak voor het realiseren van seniorenwoningen. Groepsgewijs bouwen, dicht bij (medische) verzorging; Herbestemming van bestaande panden, waarbij je generaties samenbrengt ‐ zorg voor elkaar ‐ contacten ‐ vriendschappen: 1. Ombouwen voormalige gemeentehuizen voor o.a. studentenwoningen. 2. Leegstaande winkel‐/kantoorpanden ombouwen naar woonbestemming met sociale voorzieningen. Betaalbaar wonen voor jongeren door samen een woning te delen; denk aan Friends Wonen. Flexibel wonen voor starters. Woonvorm voor 'jonge ouderen' en 'oudere jongeren' die graag elkaar helpen en zo lang mogelijk zelfstandig willen wonen. Het concept van veilig wonen met veel privacy en tegelijkertijd alle voordelen van samenwonen met een bijvoorbeeld een gezamenlijke binnentuin. Meergeneratiewonen met een mix van jong en oud(er), die elkaar versterken en ondersteunen. Tiny Houses: Een nieuwe woonvorm met een duidelijke filosofie. Kleine volwaardige vrijstaande woningen met een zo klein mogelijke ecologische voetafdruk. Dynamische hotspots: Plekken waar creatief ondernemerschap de ruimte krijgt. Door vooral creatieve zelfstandigen in een verzamelgebouw onder te brengen, wordt niet alleen het leegstandsprobleem aangepakt, er ontstaat bovendien een broedplaats waaruit mooie dingen kunnen voortkomen.
Voordeel van samenvoegen, is dat er een smeltkroes ‐ creatieve 'fabriek' ‐ ontstaat waar mensen elkaar inspireren, ideeën uitwisselen en samenwerken, en waaruit nieuwe innovatieve ideeën kunnen ontstaan. (Buurt)cultuurhuizen ‐ theater: Karakteristieke panden, of panden die van oudsher een andere bestemming hadden, spreken tot de verbeelding van de bewoners van de Hoeksche Waard. In plaats van leegstand, of afbraak, is het zeer interessant deze panden een culturele (wijk)bestemming te geven. Behoud van historie met het oog op de toekomst. Een plek creëren waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en waar laagdrempelig culturele activiteiten kunnen plaatsvinden.
Toetsing De toevoeging van woningen voor diverse doelgroepen zal bijdragen aan de instandhouding van de lokale voorzieningen. De woningbehoefte is niet te realiseren in de kern van Heinenoord, daarom is gekozen voor een gebied aangrenzend aan de kern. Met het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het landschap en haar structuren. Conclusie Het voorliggende plan sluit aan bij de omgevingsvisie. 3.3.2 Hoeksche Waard Energieneutraal 2040 De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten, is de 'Energievisie Hoeksche Waard 2016 ‐ 2020' opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard. De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica. Waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het beperken van de energiebehoefte. Dit uit zich in 3 pijlers: 1. energie besparen in de bebouwde omgeving (o.a. isolatie); 2. opwekken van duurzame energie (o.a. wind, zon, biomassa, getijdenenergie); 3. duurzame mobiliteit (o.a. elektrische auto's en fietsen, openbaar vervoer). Tofxt slot zijn er twee belangrijke neveneffecten.
Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
33
handelen door deze jeugd over 10 jaar. Toetsing De woningen sluiten aan op dit beleid omdat ze zeer Duurzaam gebouwd worden met als uitgangspunt energieneutraal wonen.
3.3.3 Nota Ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard In de Nota Ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard zijn de samenhang in de eigenschappen van gebieden en objecten vertaald in objectieve beoordelingscriteria die de burger en de bouwplantoetser een houvast moeten bieden bij het opstellen en het beoordelen van bouwplannen. Heinenoord is in de nota volledig aangewezen als zeer waardevol welstandsgebied. Dit vanwege haar hoge cultuurhistorische waarde en de aanwezigheid van veel monumentale panden. Waardevolle welstandsgebieden zullen vanwege hun zeer hoge waarde kritisch aan welstandscriteria getoetst worden. Het welstandsbeleid is erop gericht de historische kwaliteit te behouden en waar mogelijk te versterken. Voor dit gebied is het welstandsbeleid daarom uitgewerkt tot op een klein schaalniveau. Aandachtspunten voor welstandstoezicht zijn o.a. cultuurhistorische herkenbaarheden, diversiteit in gevelwanden, positionering, massa en maatvoering, aandacht voor hoeksituaties, detaillering van gevel en dakvlak, materialen en kleuren en reclame‐uitingen. Ook voor specifieke bouwwerken is het vaststellen van het welstandsniveau van belang. Planmatige woonwijken: Planmatige woonwijken komen op kleine schaal voor bij vrijwel alle (grotere) dorpen. Voor deze uitbreidingen geldt in grote lijnen hetzelfde welstandsbeleid.
Toetsing Er is een beeldkwaliteitsplan gemaakt voor de beoogde ontwikkeling Deze is opgenomen in Bijlage 3 BKP Tienvoet Heinenoord. Dit kwaliteitskader wordt mede vastgesteld na beoordeling door de commissie welstand. Hiermee gaat het beeldkwaliteitsplan onderdeel uitmaken van het welstandsbeleid. Nadat de woonbuurt is uitgewerkt, zal de welstandscommissie van bouwplan toetsen aan het beeldkwaliteitsplan. 3.3.4 Conclusie Het gemeentelijkbeleid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
3.4
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in lijn met zowel het rijks‐ provinciaal als het gemeentelijke beleid.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
34
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
35
Hoofdstuk 4
4.1
Sectorale aspecten
Inleiding
Door nieuwe inzichten gedurende de planontwikkeling (het betrekken van het deel ten westen van de weg Tienvoet) zijn enkele onderzoeken niet plangebied dekkend, hiertoe zijn verschillende rapportages opgesteld en deze zullen in onderstaande paragrafen dan ook los van elkaar worden behandeld. Uiteindelijk wordt wel één conclusie getrokken ten aanzien van de gehele planontwikkeling. De weg Tienvoet vormt de grens tussen het oostelijk en westelijk deel van het plangebied.
4.2
Verkeer en parkeren
4.2.1 Toetsingskader De gebiedsontwikkeling bestaat uit de bouw van een woonbuurt en het verplaatsen van de vrachtwagenparkeerplaats, de parkeerplaatsen voor het sportcomplex en het verplaatsen van de volkstuinen. De volkstuinen worden verplaatst naar de locatie net ten zuiden van het tenniscomplex. Deze grond is in eigendom van de gemeente. De vrachtwagenparkeerplaats schuift een stukje op naar het zuiden en komt deels op de plek van de huidige volkstuinen. Deze grond is in eigendom van de gemeente. De parkeerplaatsen voor het sportcomplex die nu aan de oostkant van de Tienvoet liggen, schuiven naar de westkant ten zuiden van de plaatsen die daar nu al zijn. Ongeveer op de plek van de huidige vrachtwagenparkeerplaats. Deze grond is in eigendom van de gemeente. De verplaatsing van de reeds aanwezige functies zorgt niet tot een verandering in de hoeveelheid verkeer en de parkeerbehoefte. De woonbuurt met maximaal 142 woningen heeft wel gevolgen voor de hoeveelheid verkeer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid, hoeveelheid en afwikkeling van het verkeer en de parkeerbehoefte voor de nieuwe ontwikkeling. De kencijfers uit 'CROW publicatie 381' zijn toegepast voor de parkeervraag en de hoeveelheid verkeer.
Voor het bepalen van het kencijfer is uitgegaan van een 'niet stedelijke' gemeente en voor de locatie een ligging in 'rest bebouwde kom'.
4.2.2 Bereikbaarheid Auto Het plangebied is gelegen aan de weg Tienvoet: de verbindingsweg tussen de N217 en Heinenoord. Hierdoor is het plangebied goed verbonden met de N217 en ben je snel in voorzieningenkern Oud‐Beijerland of op de A29 via welke je binnen een half uur in Rotterdam‐centrum bent. Openbaar vervoer Aan de noordwestkant van het plangebied langs de Tienvoet en aan de noordoostkant langs de Dorpsstraat is een bushalte aanwezig. Vanaf deze haltes kun je per bus naar de andere dorpen van de Hoeksche Waard en naar Rotterdam. Daarnaast is het busstation Heinenoord nabijgelegen; een centraal busstation in de Hoeksche Waard.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
36
Fiets Aan de noordkant grenst het plangebied aan de Dorpsstraat, waarover het regionaal fietsnetwerk van de Hoeksche Waard loopt. Langs verbindingsweg de Tienvoet loopt een fietspad tussen de kern van Heinenoord en de Oud‐Heinenoordseweg/Kreek‐kade. Ontsluiting De woonbuurt zal volledig worden ontsloten op de weg Tienvoet, dit is de ontsluitingsweg van de kern Heinenoord. De interne wegen zullen worden ingericht volgens het principe van duurzaam veilig. Naast de gebiedsontsluitingsweg komt er ook een calamiteitenontsluiting op de Oud‐Heinenoordseweg en wordt de geplande ontwikkeling tussen de dorpsstraat 1b ontsloten via de woonbuurt. De calamiteitenontsluiting aan de oostkant van het plangebied kan ook door fietsers en voetgangers worden gebruikt om van het plangebied richting de Oud‐Heinenoordseweg te gaan. 4.2.3 Verkeersgeneratie en afwikkeling Het programma ligt op hoofdlijnen vast, maar er zijn nog verschuivingen mogelijk. Daarom is het onderzoek naar de verkeersgeneratie gedaan op basis van een worst case scenario. Binnen het plangebied komen verschillende soorten woningen, van appartementen tot vrijstaande woningen. Om een indicatie te geven wordt de verkeersgeneratie bepaald aan de hand van twee‐onder‐een‐kapwoningen. Dit zal een overschatting geven van de verkeersgeneratie, maar laat een worst‐case scenario zien.
De verkeersgeneratie is berekend met de gemiddelde kencijfers van het CROW. Voor de categorie twee‐onder‐een‐kapwoningen geldt een verkeersgeneratie van 7,8 mvt/etmaal per woning. Voor maximaal 142 woningen geldt een totale verkeersgeneratie van 1.108 mvt/etmaal. De ontwikkeling heeft een (worst‐case)verkeersgeneratie van 1.108 mvt/etmaal. Het plangebied wordt via de Tienvoet op de omliggende wegenstructuur aangesloten. In het akoestisch onderzoek zijn de verkeersprognoses (jaar 2030) voor de ontsluitende wegen opgenomen. Voor de weg Tienvoet geldt een verwachtte intensiteit van 3.986 mvt/etmaal. Een gebiedsontsluitingsweg (type II) heeft doorgaans een capaciteit van 7.000 mvt/etmaal (Duurzaam veilig). Voor de toename van 1.108 mvt/etmaal is voldoende restcapaciteit op de Tienvoet aanwezig om geen belemmeringen te veroorzaken. De verkeersafwikkeling wordt beoordeeld in het drukste uur van de dag, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalwaarde wordt afgewikkeld. Met name op het drukste uur zullen de ontsluitende wegen een verkeerstoename van circa 111 mvt ondervinden. De verkeerstoename zal merkbaar zijn in de drukkere uren maar dit past binnen de capaciteit die voor deze weg nodig is en leidt niet tot onaanvaardbare gevolgen voor de doorstroom van verkeer. Duurzaam Veilig De wegen binnen het plangebied worden ingericht volgens de principes van Duurzaam Veilig.
De verkeersveiligheidsvisie Duurzaam Veilig is gebaseerd op vijf principes. Deze vijf principes betreffen de functionaliteit van wegen, de homogeniteit van massa en/of snelheid en richting, fysieke en sociale vergevingsgezindheid, herkenbaarheid en voorspelbaarheid van wegen en gedrag, en statusonderkenning. Door deze principes toe te passen in het wegontwerp wordt een zo veilig mogelijke wijk gerealiseerd. 4.2.4 Parkeren Het ontbreken van een concreet woningbouwprogramma maakt het berekenen van de parkeerbehoefte niet mogelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
37
Een voorwaarde voor het aanvragen van een omgevingsvergunning is dat de parkeerbehoefte volledig binnen het plangebied moet worden gerealiseerd (zie artikel 16.1 Voldoende parkeergelegenheid behorende bij voorliggend bestemmingsplan). Hierdoor is de parkeersituatie te allen tijde gewaarborgd. Het plangebied biedt meer dan voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte te kunnen voorzien. In de verdere planuitwerking voor de woonbuurt wordt een parkeerbalans op basis van het concrete aantal woningen en typen opgenomen. De huidige vrachtwagenparkeerplaats wordt richting het zuiden verplaatst. Hierdoor ontstaat er op deze locatie ruimte voor het realiseren van een algemene parkeerplaats. De vrachtwagenparkeerplaats wordt van de kern af verplaatst, zo wordt enkele hinder die hieruit kan voorkomen voor de bewoners van de kern tegengegaan.
4.2.5 Conclusie Het programma ligt op hoofdlijnen vast, verschuivingen zijn mogelijk. Daarom is het niet doelmatig om de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte te bepalen. Voor de verkeersgeneratie is een worst‐case berekening gemaakt. Naar verwachting zal de toename wel merkbaar zijn in de drukkere uren, maar geen negatieve gevolgen hebben voor de ontsluitende wegen. De parkeerbehoefte wordt binnen het plangebied opgevangen. Dit wordt gewaarborgd door de regels in voorliggend bestemmingsplan. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.3
Wegverkeerslawaai
4.3.1 Beleidskader Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/h‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. 4.3.2 Onderzoek en conclusie Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt binnen de zones van de wegen N217 (beperkt deel), Tienvoet, Dorpsstraat en Oud‐Heinenoordseweg. Volgens de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek nodig indien woningen worden mogelijk gemaakt binnen de zone van een weg. Rond het plangebied liggen verder een aantal sportclubs met de velden op 70 meter afstand. Er is geen aanleiding voor onderzoek naar inrichtingslawaai. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. bij deze toelichting op het bestemmingsplan.
Bij het onderzoek is ook de geluiduitstraling van het niet gezoneerde deel van de Dorpsstraat (30 km/uur) betrokken. De resultaten en conclusies uit het onderzoek zijn: De voorkeursgrenswaarde/ richtwaarde wordt ten gevolge van de Dorpsstraat (30 km/uur) en de Oud‐Heinenoordseweg niet overschreden en ten gevolge van de N217, Tienvoet en Dorpsstraat (50 km/uur) wel en de maximale ontheffingswaarde niet. Alleen het toepassen van geluidreducerend asfalt op de Tienvoet is een effectieve maatregel gebleken om de geluidbelasting te reduceren. Het laten vaststellen van hogere waarden is nodig ten gevolge van de Tienvoet, N217 en de Dorpsstraat. De aanwezigheid van een geluidluwe gevel en buitenruimte vormt nog een aandachtspunt bij de nadere
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
38
uitwerking van de conceptverkaveling tot een definitief ontwerp. In een later stadium, bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen, zal nader onderzoek moeten aantonen of daadwerkelijk geluidluwe gevels en buitenruimten aanwezig zijn bij de woningen waarvoor een hogere waarde nodig is.
4.4
Water
4.4.1 Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgenomen ontwikkeling. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW). Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan. Provinciale omgevingsvisie. Verordening Ruimte.
Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016‐2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied, of 1500 m² of meer in landelijk gebied, dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur.
De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
39
toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename. Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied. Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. 4.4.2 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van het dorp Heinenoord aansluitend op ontsluitingsweg de Tienvoet. Het betreft een perceel met de bestemming 'agrarisch'. Momenteel bestaat het plangebied grotendeels uit grasland met in de noordoosthoek een nog te verwijderen kas en bassin. Het overgrote deel is momenteel onverhard. Bodem en grondwater Op de Bodemkaart is te zien dat de bodem van het plangebied uit zavel en lichte kleigronden met homogeen profiel bestaat (figuur 4.1). Met betrekking tot het grondwater is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap Vb= H <40 L >120 (figuur 4.2). Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) minder dan 40 centimeter onder maaiveld betreft. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op meer dan 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,5 m onder NAP.
Figuur 4.1 Overige bodemsoorten plangebied (rood omcirkeld) (bron: Bodemkaart)
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
40
Figuur 4.2 Overzicht grondwatertrappen plangebied rood omcirkeld (bron: Bodemkaart) Waterkwantiteit Conform de Legger van het waterschap Hollandse Delta bevinden zich in het plangebied enkele overige watergangen. Volgens de Legger van het waterschap Hollandse Delta kent de watergang behorende tot de categorie 'overig' een beschermingszone van 1 m. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van het waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden
Figuur 4.3 Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
41
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone of beschermingszone van de waterkering. Afvalwaterketen en riolering In een deel van het plangebied is momenteel een kas gevestigd, verder bestaat het gebied uit agrarisch grasland en is niet aangesloten op het rioolstelsel.
4.4.3 Toekomstige situatie Het plan is om een woonwijk te realiseren en de bestaande kas en bassin te verwijderen. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
42
figuur 4.4 Figuur 4.4 Inrichtingstekening ten behoeven van de waterbalans. Op basis van de inrichting van de woonbuurt zoals opgenomen in figuur 4.4 is de volgende waterbalans gemaakt:
Object wonen (tuinen) wonen (bebouwing incl bergingen) verharding wegen halfverharding parkeren
Rho adviseurs voor leefruimte
Bruto Oppervlak (m2) 25731,3 8660 11547,5 12092,8
Verhardingspercentage Netto oppervlak (m2) 50% 12865,65 100% 8660 100% 50%
11547,5 6046,4
20191930
43
huidig water Totaal Te bergen water (10%)
1652 58031,6
100%
1652 40771,55 4077,155
Nieuw groen Nieuw water
29850 11814,3
0% 0%
0 0
Totaal oppervlak gebied
99695,9
In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak met circa 4,08 ha toe. Op basis hiervan bedraagt de extra waterberging ca 4077 m². In het nieuwe plan zit 11814,3 m² water. De waterbalans is op basis van deze uitgangspunten posiitief. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in‐) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. 4.4.4 Conclusie Uit de waterbalans blijkt dat de ontwikkeling een positief effect heeft op de waterkwantiteit. Daarnaast dienen voor de werkzaamheden in de beschermingszones een watervergunning aangevraagd te worden.
Hiermee worden negatieve effecten op het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten.
4.5
Ecologie
4.5.1 Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura‐2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
44
Natura 2000‐gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
45
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.5.2 Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied de Biesbosch ligt op circa 15,4 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland.
Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 672,4 m (figuur 4.5.
Figuur 4.5 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde natuurgebieden Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Op basis van de AERIUS berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000‐gebied in de aanleg‐ en gebruiksfase uitgesloten. De AERIUS memo en berekeningen zijn bijgevoegd in bijlage 6, 7, 8 en 9. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
4.5.3 Soortenbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming dient bij ruimtelijke ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de aanwezige natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van de plannen op deze waarden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
46
In opdracht van Rho Adviseurs heeft RSK Netherlands een quickscan natuurtoets uitgevoerd ter plaatse van Tienvoet e.o. te Heinenoord (provincie Zuid‐Holland). Het doel van de quickscan is het uitsluiten/aantonen van aanwezigheid van beschermde flora en fauna en een inschatting maken van het effect van de geplande werkzaamheden op het gebied en beschermde soorten. De volledige rapportage van de quickscan natuurtoets is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting op het bestemmingsplan. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen ten aanzien van de soortenbescherming overgenomen. Beschermde soorten Op basis van het literatuuronderzoek en het veldbezoek is het volgende gesteld: Flora Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de akkerboterbloem, brede wolfsmelk, groot spiegelklokje, naaldenkervel en wilde weit voor kunnen komen op het plangebied. Mogelijke verstorende activiteiten zijn graafwerkzaamheden, betreden en berijden met een voertuig, maaien, begrazen, bemesten, bebouwen. Wanneer de geplande werkzaamheden verder uitgewerkt zijn, is het raadzaam om tijdens het groeiseizoen nader onderzoek te doen naar de eventuele negatieve effecten op beschermde planten. Advies In de NDFF database zijn voor de laatste 5 jaren geen waarnemingen van deze soorten gevonden in de gemeente Hoeksche Waard. Ook andere referenties (plantenwerkgroep van HW Landschap) zijn niet te vinden.
Het Quick scan rapport vermeld dat dergelijke soorten op 1‐5 km afstand zijn waargenomen. Er zijn inderdaad waarnemingen in akkerland aan de overkant van de Oude Maas. Een nader onderzoek is in dit geval niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd voor het uitvoeren van werkzaamheden, de werkgroep planten van het Hoeksche waard landschap het plangebied te laten 'scannen' op deze soorten. De kans op aanwezigheid is uitermate klein, maar niet geheel uitgesloten. Fauna
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
47
4.5.4 Ecologische inpassing De ambitie bestaat om het woonlandschap ecologisch en klimaatadaptief te verbinden met het omliggende gebied en een meerwaarde te creëren voor natuur en biodiversiteit. Er is derhalve een onderzoek uitgevoerd naar de ecologische inpassing van de ontwikkeling, zie Bijlage 11 Ecologische inpassing nieuwbouw Tienvoet te Heinenoord. Het doel van het rapport is om handvatten te bieden die kunnen zorgen voor een natuur inclusieve inpassing van het inrichtingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat er binnen de realisatie natuur inclusieve voorzieningen en maatregelen mogelijk zijn op verschillende locaties en niveaus. Deze voorzieningen en maatregelen zijn opgedeeld in woningen en tuinen, openbare ruimte en stedelijk water. Voor een overzicht wordt verwezen naar de bijlage. 4.5.5 Conclusie Het plangebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Uit de AERIUS berekeningen blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de aanleg‐ en gebruiksfase van de ontwikkeling.
Geconcludeerd wordt dat aanvullend onderzoek naar de akkerboterbloem, brede wolfsmelk, groot spiegelklokje, naaldenkervel en wilde weit niet noodzakelijk is. Wel wordt geadviseerd voor het uitvoeren van werkzaamheden, de werkgroep planten van het Hoeksche waard landschap het plangebied te laten 'scannen' op deze soorten. Ontheffing ten aanzien van de Wet natuurbescherming is waarschijnlijk niet aan de orde voor het uitvoeren van de werkzaamheden, mits de groene elementen zoals de bomenrij langst de weg Tienvoet en het bosje blijven behouden. Ook dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen en gebruik van verlichting tijdens de werkzaamheden. Daarnaast bestaan er veel kansen om de natuur ter plaatse te versterken.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
48
betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.
4.6.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 142 woningen. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Rijksweg A29. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 30,9 µg/m³ voor NO2, 18,8 µg/m³ voor PM10 en 11 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,7. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
Conclusie Het effect ten gevolge van het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentratie NO2 en fijn stof. Conform de Regeling NIBM wordt immers voldaan aan het begrip 'Niet in betekenende mate' (NIBM). Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.7
Bedrijven en milieuhinder
4.7.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen, waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
49
bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.7.2 Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie wordt een woonwijk gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐publicatie. In de omgeving van het plangebied zijn sportbestemmingen, maatschappelijke functies en bedrijven aanwezig. Ook bevindt het plangebied zich naast de belangrijke doorgaande weg in zuidelijke richting: de Tienvoet. Het plangebied kan zodoende worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Conform de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering is gekeken naar mogelijke verstorende bestemmingen in de omgeving van het plangebied (tabel 4.3).
Tabel 4.3 Mogelijke verstoringen van milieugevoelige functie Bestemming Adres Milieu Richtafstand catego meters rie Wonen (museum) Dorpsstraat 13 1 10 Sport (verlicht veld) Tienvoet 4 3.1 30 Sport (sporthal) Tienvoet 4 3.1 30 Verkeer Tienvoet 4 2 10 (parkeerplaats) Sport (horeca) Tienvoet 4 1 0 Maatschappelijk Tienvoet 4 2 10 Sport (ijsbaan) Dorpsstraat 26 4.2 200 Maatschappelijk Oud‐Heinenoordseweg 1 0 (begraafplaats) 2a Recreatie (volkstuin) Tienvoet 4 2 10 huidige situatie Recreatie (volkstuin) 2 10 toekomstige situatie Bedrijf Dorpsstraat 11 2 10 Vrachtwagen Tienvoet 2 10 parkeerplaats huidige situatie Vrachtwagen Tienvoet 22 10 parkeerplaats toekomstige situatie
in Werkelijke Voldoet afstand in wel/niet meters 50 Wel 69 Wel 54 Wel 23 Wel 30 45 100 9
Wel Wel Niet Wel
33
Wel
160
Wel
24 23
Wel Wel
20
Wel
Alle mogelijk verstorende bestemmingen bevinden zich op voldoende afstand om niet in functievoering te worden beperkt of het woonklimaat van de beoogde ontwikkeling te verstoren. Enkel de openlucht ijsbaan voldoet niet aan de richtafstand en zou op basis van het aspect geluid verstorend zijn voor het woonklimaat. Op aanzienlijk kortere afstand tot de ijsbaan kunnen echter percelen worden gevonden met de bestemming wonen. Daarnaast is een openlucht ijsbaan jaarlijks maar voor een korte periode functioneel. Om deze redenen kan redelijkerwijs de inschatting worden gemaakt dat de geluidshinder niet significant is en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Ook wordt de ijsbaan door deze woningen niet in zijn bedrijfsvoering beperkt. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven of andere bestemmingen aanwezig zijn die door de Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
50
voorgenomen ontwikkeling in hun functievoering worden beperkt.
4.8
Duurzaamheid
4.8.1 Toetsingskader Hoeksche Waard Energieneutraal 2040 De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten is de 'Energievisie Hoeksche Waard 2016‐2020' opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard. De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica. Tot slot zijn er twee belangrijke neveneffecten. Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander handelen door deze jeugd over 10 jaar. Naast de Energievisie is er ook een 'Regionaal Uitvoeringsprogramma Energievisie 2016‐2020' opgesteld. De Energievisie is in dit Uitvoeringsprogramma uitgewerkt tot concrete activiteiten voor de jaren 2016‐2020. Een aantal van deze activiteiten is het afgelopen jaar en begin 2017 al in gang gezet. Met dit Uitvoeringsprogramma worden deze activiteiten gestructureerd en zichtbaar gemaakt.
Daarnaast starten wij op basis van dit uitvoeringsprogramma diverse nieuwe activiteiten. Voor het Uitvoeringsprogramma en de Energievisie is input verzameld van het maatschappelijk middenveld en vanuit het Regionale Raadsledenoverleg (ROHW). Het Uitvoeringsprogramma wordt elk jaar opnieuw bekeken of het nodig is om het te actualiseren om op deze manier per jaar projecten uit te voeren die actueel, (financieel)haalbaar en marktgericht zijn. Elke activiteit wordt in dit uitvoeringsprogramma toegelicht en bestaat uit de onderdelen; resultaat, planning, kosten en status.
4.8.2 Onderzoek Klimaatadaptatie Ten aanzien van klimaatadaptatie wordt er in het plangebied voldoende oppervlaktewater gerealiseerd, en wordt daar waar mogelijk waterdoorlatende verharding toegepast. Tevens wordt gewerkt met inheemse beplanting dat genoeg schuilplaatsen en voedselbronnen voor diverse diersoorten kent. Langst de toegangsweg en de nieuw te graven watergangen in het plangebied komen bomen, deze zorgen onder andere voor schaduw en verbeteren de luchtkwaliteit. De oevers van de waterpartijen worden diervriendelijk ingericht. Ook worden er in de bebouwing neststenen en andere broed en schuilgelegenheden ingebouwd. Hierover is meer te vinden in paragraaf 4.5.4 Ecologische inpassing. Duurzaam materiaalgebruik Duurzaamheid zit ook in het bewust en slim omgaan met materialen en grondstoffen. Meten is weten en anticiperen op de levensduur van bebouwing en materialisering is daarin essentieel. De Building Circularity Index (BCI©): Met behulp van de BCI (zie Schema 1) zijn wij in staat de circulariteit van de bebouwde omgeving van de wijk Tienvoet te meten. Hierbij onderscheiden wij drie aspecten: de verantwoorde herkomst, het toekomstscenario en de losmaakbaarheid van materialen en producten. Deze drie aspecten bepalen of een gebouw een circulaire waarde heeft en daarmee ook een restwaarde (voor toekomstig hergebruik) vertegenwoordigt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
51
Bij het maken van keuzes voor duurzaamheid of circulariteit in het ontwerp‐, bouw‐ en onderhoudsproces maken wij gebruik van de Layers of Brand (zie Schema 2). Brand maakt onderscheid in 6 systeemlagen van een gebouw op basis van verschillen in technische levensduur. Voor lang cyclische lagen (constructie) loont het om te investeren in een verantwoorde herkomst van materialen. Hierdoor worden materialen en grondstoffen efficiënt gebruikt en zetten wij in op een maximale functionele én technische levensduur en behoud van restwaarde. Voor de kort cyclische lagen, denk aan kozijnen, keukens en badkamers bij de huurwoningen, loont het om te investeren in losmaakbaarheid en restwaardebepaling. Zo hoeft niet 100% van een gebouw te worden afgeschreven in de gebruiksduur, maar kan worden onderzocht welke restwaarde deze vertegenwoordigt. Novaform zet dan ook bewust in op Modulariteit, registratie en materiaalspecificatie (te denken aan Materiaalschaarste materiaalpaspoorten). In de verdere planuitwerking Financieel/restwaarde geven we een specificatie van het grondstofgebruik, Imago de waardering daarvan, alsmede de mogelijkheden. Schema 4.1: Building Circularity Index (BC!)
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
52
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
4.9.2
Onderzoek
Figuur 4.6 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied rood omkaderd
Rho adviseurs voor leefruimte
20191930
53
Overeenkomstig de professionele risicokaart, waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.6). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor. Wel vindt er ten zuiden van het plangebied vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N217. Het invloedsgebied van deze weg wordt bepaald door de maatgevende stofcategorie GF3 en bedraagt 355 m. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 278 m. Een deel van het plangebied valt daarmee binnen het invloedsgebied. Omdat de afstand groter dan 200 m bedraagt, worden er in principe geen beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik. Wel moet vanwege de ligging in het invloedsgebied een beknopte verantwoording worden opgesteld. Ook ligt het plangebied nabij de Rijksweg A29. Het invloedsgebied van deze weg wordt ook bepaald door de maatgevende stofcategorie GF3 en bedraagt 355 m. Gezien het plangebied circa 850 m van de A29 verwijderd is, valt de beoogde ontwikkeling niet binnen het invloedsgebied. Op circa 650 meter van de weg Tienvoet is een buisleidingenstraat gelegen van Shell Nederland Raffinaderij. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze buisleidingenstraat.
Verder bevindt een klein deel van het plangebied zich binnen het invloedsgebied van de vaarroute Oude Maas (tot Dordtsche Kil). Het invloedsgebied van deze vaarroute wordt bepaald door de stofcategorie GT3 en bedraagt 1.070 m. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 1.040 m. Een deel van het plangebied valt daarmee binnen het invloedsgebied. Ook hier is de afstand groter dan 200 m, waardoor er aan het ruimtegebruik in principe geen beperkingen worden gesteld. Wel moet het groepsrisico in een beknopte verantwoording inzichtelijk worden gemaakt.
4.9.3 Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Tienvoet en een calamiteitenontsluiting aan de oostzijde op de Oud‐Heinenoordseweg. Deze wegen sluiten aan op de provinciale weg N217 en de A29. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een woonwijk gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden.