CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitensluis 2008 - toelichting

Beeldvormende bijeenkomst 16 januari 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Mevrouw Schollaart spreekt in over de ontwikkeling Havenstraat 23 Numansdorp18.780 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze maatregelen zijn opgenomen in de rapportage Advies galm en geluidwering tussen woningen en supermarkt locatie Rehoboth, Numansdorp (Wolf+Dikken adviseurs, 11 januari 2006). Indien het bouwplan volgens bovengenoemde adviezen wordt uitgevoerd, zijn er geen akoestische knelpunten.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

31

4.3

Luchtkwaliteit Algemeen De Milieudienst Zuid-Holland Zuid stelt ieder jaar een rapport op met betrekking tot de luchtkwaliteit. Op dit moment is het meest recente rapport dat van 2005. Indien de rapportage over 2006 beschikbaar komt zal deze toelichting op dit punt worden geactualiseerd. In het rapport wordt de luchtkwaliteit van de gemeente Cromstrijen in de provincie ZuidHolland beschreven voor het jaar 2005. De rapportage is opgesteld om mogelijke knelpunten in kaart te brengen. De verrichte berekeningen worden uitgevoerd voor die locaties waar een vermoeden bestaat dat de luchtkwaliteitsnorm voor stikstofdioxide (NO2) en/of zwevende deeltjes (PM10) zou kunnen worden overschreden. De concentraties van veel schadelijke stoffen, zoals zwaveldioxide, koolmonoxide, lood en benzeen zijn de laatste decennia in Nederland zo ver teruggebracht dat de concentraties van deze stoffen niet significant zijn ten opzichte van de normen en zijn deze buiten beschouwing gelaten. De rapportageplicht in het Besluit luchtkwaliteit 2005 heeft betrekking op plaatsen waar naar redelijke verwachting mensen blootgesteld staan aan luchtverontreiniging. De luchtkwaliteitsnormen zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels. Indien de grenswaarde niet wordt overschreden voldoet de luchtkwaliteit vermoedelijk op tijd aan de wettelijke norm.

Indien de grenswaarde wel wordt overschreden maar de voor dat jaar geldende plandrempel niet, is de verwachting dat de luchtkwaliteit zal verbeteren door het effect van generieke maatregelen. Gemeenten hoeven dan geen lokale maatregelen te treffen maar moeten voor die locaties wel jaarlijks de luchtkwaliteit vaststellen. Bij overschrijden van plandrempels zijn lokale maatregelen nodig. Hiervoor stelt de gemeente een luchtkwaliteitsplan op, voert maatregelen uit om op termijn aan de wettelijke norm te voldoen. De voornaamste bronnen van luchtverontreiniging zijn wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw. NO2-emissie wordt voornamelijk veroorzaakt door snelrijdende en optrekkende auto’s, bussen, vrachtwagens en verbrandingsinstallaties. De bronnen voor fijn stof zijn zeer divers: o.a. verkeer, industrie en natuurlijke bronnen. Luchtverontreiniging veroorzaakt schade aan de gezondheid van mensen, dieren en schade aan planten en gebouwen. NO2 en PM10 veroorzaken gezondheidsklachten en versterken hooikoorts, allergische en astmatische problemen. Conclusie De problemen met de luchtkwaliteit concentreren zich op korte afstand, meter van de weg-as, rond de drukke doorgaande lokale wegen en de rijksweg A59 en de provinciale wegen N487 en N488.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

32

Stikstofdioxide (NO2) De plandrempel en grenswaarde uit het Besluit luchtkwaliteit voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) wordt langs geen van de beschouwde lokale wegen op korte afstand voor het jaar 2005 en 2010 overschreden. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie (40 μg/m3 in 2010) van stikstofdioxide (NO2) wordt op de Rijksstraatweg en de provinciale wegen N487 (Numansdorp, aansluiting Rijksweg A29 N488) en N488 (Numansdorp, N487 - zuidelijke komgrens) overschreden. De overschrijding doet zich voor op 5 meter van de Weg-as. Op 10 meter van de weg-as is geen overschrijding meer te zien. Voor het jaar 2005 zijn langs de A59 geen overschrijdingen van de plandrempel van de jaargemiddelde concentratie van NO2 opgetreden. Voor het jaar 2010 wordt eveneens geen overschrijding verwacht. Fijn stof (PM10) De plandrempel en de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) wordt langs lokale wegen voor het jaar 2005 en 2010 niet overschreden. Het aantal overschrijdingen van 35 keer van de grenswaarde voor de 24-uurgemiddelde concentratie van fijn stof wordt tevens voor het jaar 2005 en 2010 niet overschreden. Voor het jaar 2005 zijn langs de A59 geen overschrijdingen van de plandrempel en de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie van PM10 opgetreden.

Ook de grenswaarde van de 24-uur gemiddelde concentratie is nergens meer dan 35 maal overschreden. Voor het jaar 2010 is de verwachting dat geen overschrijding zal plaatsvinden. Blootstelling Er zijn op basis van de berekeningen geen mensen binnen de gemeente Cromstrijen blootgesteld aan grenswaarde overschrijdende concentraties zoals genoemd in het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het rapport is opgenomen in de bijlagen. Rehobothlocatie De gevolgen van verkeersemissies op de luchtkwaliteit voor de onderhavige planontwikkeling zijn berekend met het model CAR II versie 4.0. De huidige situatie en de situatie in 2010 bij autonome respectievelijk na realisatie van de geplande nieuwbouw zijn in beeld gebracht. In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit in de directe nabijheid van de projectlocatie aan de normen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005. Dit geldt ook voor de situatie in 2010 na planrealisatie. De resultaten van het onderzoek naar de luchtkwaliteit zijn opgenomen in de rapportage Luchttoets Rehoboth, Numansdorp (Grontmij, 2 september 2005).

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

33

4.4

Geur- en stofhinder van bedrijvigheid Wettelijk kader Normen op het gebied van lucht en emissie-eisen van diverse industriële bronnen zijn geregeld in diverse AMvB’s (besluiten in het kader van de Wet milieubeheer) en in de NeR, de Nederlandse emissie Richtlijn. Met betrekking tot geur van inrichtingen is binnen een straal van 25 en 50 meter bekeken of en welke bedrijven aanwezig zijn. De 50 meter grens is gehanteerd aangezien in de meeste besluiten een afstandseis vanaf het emissiepunt van o.a. een verfverwerkings- of dompelruimte tot een stankgevoelig object, zoals woningen, van ca. 50 meter is genoemd. Ligt het emissiepunt van een bedrijf binnen die 50 meter, dan is het betreffende bedrijf vergunningplichtig. De 25 meter grens is gehanteerd aangezien de afvoer van geurveroorzakende dampen op een hoogte van tenminste één meter boven de hoogste daklijn van de binnen een straal van 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen, moet uitmonden. Afhankelijk van de bedrijfsaard van de aanwezige of nieuw te ontwikkelen bedrijven kan een object van derden binnen een straal van 50 meter van dit bedrijf worden aangemerkt als een gevoelig object. Op de aanwezige bedrijven binnen en buiten (max.

100 m) het plangebied zijn, indien niet vergunningplichtig, de onderstaande besluiten van belang: - Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer; - Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer; - Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer. Binnen de invloedsfeer van inrichtingen met geur- en/of stofhinder vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats. De bestaande situatie is als uitgangspunt genomen.

4.5

Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: - rond inrichtingen waarin opslag / verwerking gevaarlijke stoffen plaatsvindt; - langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico’s verbonden aan het transport gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

34

Voor een verandering van het GR geldt een verantwoordingsplicht voor ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van: - een inrichting die valt onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI); - een transportas waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Er is sprake van knelpunten voor wat betreft het PR, indien er langs transportassen een 10-6 contour ligt. Er dient een verantwoording GR opgesteld te worden indien een bestemming gepland is binnen het invloedsgebied van de transportas. Voor zover bekend lopen er geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen door het gebied. Het Sportfondsenbad Cromstrijen N.V. Het Sportfondsenbad Cromstrijen N.V. heeft geen contouren van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, maar er zijn wel forse effectafstanden, die over beide plangebieden Middelsluis en Buitensluis vallen. Dit houdt verband met een mogelijke gaswolk die zou kunnen ontstaan. - Effectafstand 1% letatliteit: 110m. - Effectafstand gewond- ziekenhuis<24 uur: 1086m. Dit heeft geen formele gevolgen voor de bestemmingsplannen, maar kan wel gevolgen hebben voor de rampenbestrijding. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Binnen de plangebieden komen diverse kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten voor.

Er moet worden nagegaan of deze kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zich binnen de contouren van het plaatsgebonden risico 10-6 bevinden. Met name kan dit het geval zijn bij een LPG-station. Afgaande op de informatie van de provinciale risicokaart is dit niet het geval, maar een nauwgezette controle is noodzakelijk. Rehobothlocatie In de directe omgeving van de locatie blijken geen risicovolle inrichtingen en objecten te zijn. Voorts is gebleken dat geen ontsluitingswegen langs het plangebied lopen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen zou kunnen plaatsvinden. Gelet op deze constatering kan geconcludeerd dat er met de realisering van het onderhavige bouwplan geen knelpunten vanuit externe veiligheid zijn Met de realisering van het bouwplan wordt rekening gehouden met bestaande kabels en leidingen; zonodig zullen deze worden verlegd.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

35

4.6

Bodem Ondergrond Het plangebied is gelegen in een zeekleigebied. Zeekleigronden zijn opgebouwd uit materiaal dat is afgezet in een zout, brak of zoet milieu onder invloed van een getijdenbeweging. Het zijn gerijpte gronden waarvan het minerale deel tussen 0 en 80 cm voor meer dan de helft uit zavel of klei bestaat. De bodem is kalkrijk. Rehobothlocatie Voor de onderzoekslocatie Bernhardstraat bestaande uit een gedeelte van de openbare weg Bernhardstraat en een aangrenzend gedeelte van de groenvoorziening/parkeerterrein behorend bij het Woonzorgcentrum Buitensluis is een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd (Dordrecht Research, 2005). Binnen deze onderzoekslocatie bevinden zich geen bebouwingen. De openbare weg en het parkeerterrein zijn verhard met tegels en klinkers. Het overige terreindeel is onverhard. Binnen de locatie is een vijver met een oppervlakte van 600 m2, voorzien van een onderafdichting bestaande uit folie. Ter plaatse van deze locatie bevinden zich, voor zover bekend, geen ondergrondse tanks in de bodem. Uit het onderzoek is gebleken dat de zandige bovengrond een zeer licht (niet significant) verhoogd gehalte aan zink bevat. De zwak tot zeer zwak puin- en koolstofgruishoudende kleiige bovengrond is niet verontreinigd. In de fijnzandige ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Het slib in de vijver is licht verontreinigd met zink, PAK en EOX (klasse 2 slib). Het grondwater is niet verontreinigd. Op basis van deze gegevens levert de vastgestelde bodemkwaliteit geen belemmeringen op voor de voorgenomen inrichting. Bij overdracht van de gronden aan Union, geeft de gemeente Cromstrijen een schone grondverklaring af. In juni 2003 heeft Dordrecht Research BV. een bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Rehobothschool. Daarvan is een rapport opgemaakt gedateerd juni 2003, nr. CR 03.5202. Volgens dit rapport zijn in de bovengrond, in de ondergrond en in het grondwater geen significante verontreinigingen aangetroffen. Milieuhygiënisch gezien zijn er geen factoren aanwezig die de afgifte van een bouwvergunning belemmeren. Op het perceel is een ondergrondse tank van 5000 liter voor huisbrandolie aanwezig. Ook hier zijn geen verontreinigingen aangetoond. Uit milieuhygiënisch oogpunt bestaat er geen bezwaar de tankinstallatie buiten gebruik te stellen en te verwijderen. Hieruit vloeit voort dat er geen knelpunten zijn voor de realisering van het bouwplan. Voor de percelen van de zes te slopen eengezinswoningen aan de Vlielanderstraat, is (nog) geen bodemonderzoek beschikbaar. De bodemkwaliteit van deze locatie wordt na de sloop van de woningen onderzocht. Op voorhand worden geen knelpunten verwacht.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

36

4.7

Conclusies en aanbevelingen In het kader van een door de gemeente Cromstrijen op te stellen bestemmingsplan voor Buitensluis zijn door de milieuaspecten geluid, luchtkwaliteit, geur, externe veiligheid en bodem in kaart gebracht. Voor wat betreft wegverkeerslawaai dient bij de bouw van woningen binnen de 48 dB(A) contour van de relevante wegen binnen het plangebied een procedure hogere grenswaarde te worden gevolgd. Van de wegen binnen het bestemmingsplangebied is de luchtkwaliteit in kaart gebracht. Er zijn op basis van de berekeningen geen mensen binnen de gemeente Cromstrijen blootgesteld aan grenswaarde overschrijdende concentraties zoals genoemd in het Besluit luchtkwaliteit 2005. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het bestemmingsplangebied dient voor de afzonderlijke ontwikkelingen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit plaats te vinden. Uit het onderzoek naar de geur- en stofbijdrage ter plaatse van het bestemmingsplangebied volgt dat bij klachten nadere maatregelen getroffen moeten worden wat eventueel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook zijn er bedrijven die bij het plaatsen van een gevoelig object binnen 25 meter vanaf de inrichting belemmerd kunnen worden in hun werkzaamheden, doordat zij aanpassingen moeten doen die extra kosten met zich mee brengen.

Bij het houden van dieren is het helemaal niet toegestaan om gevoelige objecten te plaatsen binnen de geldende afstanden. Bedrijven moeten dan stoppen met hun activiteiten of kunnen niet meer uitbreiden.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

37

5.

Planbeschrijving

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan Buitensluis is een overwegend conserverend plan. Er is sprake van slechts enkele ontwikkelingslocaties. Daarom is deze planbeschrijving beknopt.

5.2

Doelstellingen Als algemene doelstellingen voor het plangebied geldt dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten op de vigerende bestemmingsplanregeling, de bestaande situatie en het geformuleerde beleid. Daarnaast is van belang dat de randvoorwaarden worden opgesteld voor de ontwikkelingslocaties.

5.3

Beheer Ruimtelijke structuur Voor de (toekomstige) hoofdbebouwingstructuur zijn de vigerende bestemmingsregelingen als uitgangspunt genomen. De bebouwingsstructuur is vastgelegd in ruimte bouwvlakken waarbinnen de hoofdgebouwen zich bevinden. Hierbij is een standaard diepte gehanteerd die gebaseerd is op het type woning. Aaneengesloten bebouwing heeft een diepte van 10 meter, Twee-onder-een-kapwoningen een diepte van 12 en vrijstaande woningen een diepte van 15 meter. Hierdoor ontstaat (in veel gevallen) een beperkte uitbreidingsmogelijkheid zonder dat de ruimtelijke structuur wordt aangetast. Een belangrijk kenmerk van de dorpse opzet van de woonbuurten komt terug in de vorm van voortuinen. Om bebouwing aan de straatzijde te voorkomen is een tuinaanduiding opgenomen. De grens ligt, afhankelijk van het bebouwingstype en -structuur 1 meter of drie meter achter de voorgevel. Bij verspringende voorgevellijnen is altijd de grootste maat aangehouden, tenzij de verspringing groter dan drie meter is. Bij zeer brede zijtuinen, of bij zijtuinen, grenzend aan het openbaar gebied is het wenselijk de tuin verder naar achter door te trekken waardoor het groene karakter van het straatbeeld gewaarborgd blijft. Ten aanzien van grotere, vrijstaande niet-woongebouwen is, afhankelijk van de feitelijke situatie, in principe gekozen voor een globale begrenzing.

Hierdoor krijgt de bebouwing geen strak keurslijf, maar wordt ruimte geboden voor kleine aanpassingen en ontwikkelingen zonder dat de ruimtelijke structuur daardoor wordt aangetast. Functionele structuur Woongebied In Numansdorp is de doelstelling het realiseren van voldoende, gedifferentieerde en aantrekkelijke woonmilieus. Dit betekent dat voldoende ruimte gecreëerd moet worden voor de uitbreiding en aanpassing van bestaande woningen en waar mogelijk voor ontwikkelingslocaties.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

38

In het plangebied is de woonfunctie uitgangspunt. Bestaande niet-woonfuncties mogen worden gehandhaafd, maar moeten specifiek worden bestemd. Functiewisselingen zijn daarbij mogelijk, mits er geen extra hinder ontstaat voor de woonomgeving. Zo mag bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie omgezet worden naar een andere gelijkwaardige of minder milieuhinderlijke bedrijfsfunctie en mag een school ook een gezondheidscentrum worden. Indien sprake is van een mengvorm wonen/niet woonfunctie is de belangrijkste functie bepalend voor de bestemming. Bijvoorbeeld een garagebedrijf met bovenwoning krijgt de bestemming bedrijven. Ook de aard van de functie kan een rol spelen bijvoorbeeld als de betreffende functie een grote ruimtelijke invloed op de omgeving heeft. Als leidraad daarbij dient de VNG-brochure: activiteiten met een hindercategorie 1 of 2 worden als passend binnen de woonomgeving aangemerkt. Functies met een hogere categorieën krijgen een afzonderlijke bestemmingsregeling (met een zogeheten maatbestemming).

Indien de woonfunctie als hoofdfunctie wordt aangemerkt zijn er nog twee mogelijkheden: - de niet woonfunctie valt onder de regeling voor beroepen en bedrijven aan huis, het pand krijgt een bestemming wonen: bepalend is of in het pand sprake is van overwegend een woonfunctie; - de regeling voor beroepen en bedrijven aan huis is niet van toepassing: de nietwoonfunctie krijgt, binnen de bestemming Wonen een specifieke aanduiding waarmee de bestaande situatie wordt bestemd. Omdat bij de inventarisatie vaak moeilijk te bepalen is of sprake is van een beroep of bedrijf aan huis, is hiervoor gebruik gemaakt van de volgende twee vuistregels: - bedrijven waar meer dan 2 personen werkzaam zijn worden niet aangemerkt als een beroep of bedrijf aan huis en krijgen naast de bestemming wonen een aanduiding die de bestaande functie regelt; - beroepen of bedrijven waar minder dan 3 personen werkzaam zijn worden aangemerkt als beroepsuitoefening aan huis tenzij uit de veldinventarisatie duidelijk blijkt dat sprake is van een zelfstandige functie die niet ondergeschikt is aan de woonfunctie (bijvoorbeeld een winkel op de begane grond krijgt de bestemming wonen met de aanduiding detailhandel). Winkelgebied Om het winkelapparaat een impuls te geven en in ieder geval niet te dwarsbomen wordt er volop ruimte gegeven aan uitbreidingsmogelijkheden in het winkelgebied.

De Voorstraat is als Centrumgebied aangemerkt waardoor een verscheidenheid aan functies mogelijk is. De aanliggende gebieden (Torenstraat en Burgemeester de Zeeuwstraat) zijn aangemerkt als gemengd gebied, waar de nadruk meer ligt op een mix van voorzieningen en wonen. Overige functies Voor het sportcomplex in westen is gekozen voor een bestemming Sport waarin tevens functies als een zwembad, fitnessruimte zijn toegestaan. Door bouwblokken op de kaart worden de bebouwingsmogelijkheden bepaald (op basis van de bestaande situatie). Tribunes en dergelijke worden in de voorschriften geregeld.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

39

Verkeersstructuur Het verbeteren van de ontsluiting en de bereikbaarheid, zowel het autoverkeer als het openbaar vervoer is uitgangspunt. Hoewel in dit plan daar geen directe ontwikkelingen aan gekoppeld zijn biedt het bestemmingsplan waar mogelijk de ruimte voor (kleine) aanpassingen aan de verkeersstructuur. Onderscheidt is gemaakt tussen de hoofdverkeersstructuur en de gebieden met een verblijfskarakter. Eventuele gevolgen ten aanzien van de verkeerstructuur op grotere schaal zijn nog niet bekend en daardoor niet meegenomen. Groenstructuur De begrenzing van het plan is zodanig gekozen dat het buitengebied niet binnen de plangrenzen valt. De groenstructuur in het plan blijft daardoor beperkt van omvang en tweeledig. Enerzijds is er buurtgroen. Numansdorp moet haar groene uitstraling behouden en waar mogelijk versterken. Bestaande groengebieden in de wijk worden zoveel mogelijk behouden. Groengebied zijn bestemd als "groen". Waar versterking of uitbreiding gewenst is, maakt de onderliggende bestemming dit mogelijk. Snippergroen is zoveel mogelijk in de groenbestemming meegenomen. Het echte restgroen is binnen de verblijfsbestemming geregeld. Naast het wijkgroen is de zone rond het Verloren Diep van belang. De groene zone langs deze kreek scheidt Middelsluis en Buitensluis en trekt het (kreken-)landschap naar binnen waardoor het dorpse karakter van Numansdorp wordt versterkt.

5.4

Ontwikkelingen De ontwikkelingen in het gebied zullen gedetailleerd worden bestemd. Hierdoor sluiten ze aan op de regeling voor het beheergebied.

5.5

Uitvoering Maatschappelijke uitvoerbaarheid Naast de periodieke wettelijk voorgeschreven herziening van een bestemmingsplan, is het ook uit een oogpunt van doelmatig beheer van het plangebied gewenst de vigerende regeling te herzien. Bij de voorbereiding van de herziening is gelet op de gewenste stedenbouwkundige en ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied en de daarin aanwezige functies. Bij de ontwikkeling van het plan is tevens gelet op het perspectief en betekenis die functies (kunnen) hebben. Op basis van de bekend zijnde gegevens wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

40

Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente, hoewel ook de Commissaris der Koningin op basis van artikel 63 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bevoegd is om provinciale ambtenaren aan te wijzen, die worden belast met de opsporing van feiten die in het bestemmingsplan strafbaar zijn gesteld. De gemeente heeft momenteel een handhavingsnota in voorbereiding. De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik, aanwezige flora en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij de uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende vergunningen. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft een grondige inventarisatie plaats gevonden van de feitelijke situatie. Handhaving kan plaats vinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie.

In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de bepalingen van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden. Daarnaast wordt onderscheiden de preventieve handhaving. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch zeker betekenis toegekend. Daarnaast zijn in het plan instrumenten opgenomen waarmee kan worden getoetst. Genoemd wordt de mogelijkheid vrijstellingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden te verlenen. Zodoende wordt een toetsing mogelijk gemaakt voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering. 5.6

Water Huidige waterhuishouding Geschiedenis van het water De Hoeksche Waard is ontstaan door het bedijken van land dat opslibde aan de rand van de zeearmen. In deze delen die zijn opgeslibd liepen kreken waarlangs bij vloed het water het gebied binnenstroomde en bij eb het water zich uit het gebied terugtrok. In het ingepolderde land zijn deze kreken nog terug te vinden. Het Verloren Diep in Numansdorp is een dergelijke kreek.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

41

Door inpoldering van achtereenvolgende aanwassen, kwamen de dorpen steeds verder van de zeearmen af te liggen. Daarom is er een waterverbinding gegraven die het achterland met het Hollandsch Diep verbond. Met behulp van sluizen werd het peilverschil overbrugd. De naam Buitensluis herinnert hier nog aan. In de loop van de tijd heeft de waterverbinding zijn betekenis grotendeels verloren. Oppervlaktewater In het stedelijk gebied van Buitensluis is nu weinig oppervlaktewater aanwezig. De belangrijkste natte structuur bestaat uit de waterloop die noord-zuid door het centrum van Numansdorp loopt en die aan de zuidzijde uitmondt in het Hollands Diep. Voor het overige loopt alleen aan de westzijde tussen de bebouwing en de sport-/recreatieterreinen nog een (brede) sloot. Uit berekeningen is gebleken dat in de kern Numansdorp 1.300 m2 extra open water nodig is om aan de eisen uit het Nationaal Bestuursakkoord Water te voldoen. De realisatie van deze wateropgave wordt uitgewerkt in het stedelijk waterplan. Het peil van het oppervlaktewater ligt in de gehele Hoeksche Waard lager dan het peil van het buitenwater. Overtollig water dient dan ook met behulp van gemalen te worden geloosd. De inlaat van water bij tekorten kan onder vrij verval gebeuren. Het plangebied ligt in het bemalingsgebied Cromstrijen. Overtollig water wordt geloosd via de Schuringse Haven.

Het plangebied ligt in twee verschillende peilgebieden. Ruwweg wordt in het gedeelte ten westen van de Burg. De Zeeuwstraat een zomerpeil van NAP -1,30 m en een winterpeil van NAP -1,50 m gehandhaafd. In het oostelijk deel is het zomerpeil NAP -1,55 m en het winterpeil NAP -1,75 m. Ten zuiden van de Molendijk wordt in het bemalingsgebied Molenpolder een zomerpeil gehanteerd van NAP -1,00 m en een winterpeil van NAP -1,20 m. Ten zuiden van de Schuringsedijk wordt in het bemalingsgebied Torensteepolder een zomerpeil gehanteerd van NAP -1,20 m en een winterpeil van NAP -1,40 m. Waterkwaliteit In 2008 gaan de Haringvlietsluizen op een kier, waardoor dan zowel bij eb als bij vloed zeewater het Haringvliet kan instromen en trekvissen zoals Zalm en Zeeforel de sluizen kunnen passeren. Zo ontstaat er bovendien een natuurlijk overgangsgebied van zout zeewater naar zoet rivierwater in het Haringvliet. Hierdoor schuift de grens tussen zout en zoet verder naar het oosten toe. Deze zal echter niet verder komen dan de westpunt van de Hoeksche Waard. Uit een ruimtelijk overzicht van de ecologische knelpunten en kansen in het Waterstructuurplan Hoeksche Waard wordt voor twee aangegeven punten in Buitensluis de ontwikkeling van de waterkwaliteit tussen 1994 en 2000 / 2001 weergegeven.

Het eerste punt ligt langs de historische noord-zuid lopende wateras middenin het plangebied; het tweede ligt in de buurt van de sportterreinen aan de zuidwestzijde van het plangebied. De ecologische waterkwaliteit blijkt op beide punten te zijn verbeterd; het water is op het eerste punt zelfs biologisch gezond geworden.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

42

Op het eerste punt is ook de concentratie fosfaat afgenomen tot onder het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR), terwijl op het tweede punt de fosfaatconcentratie weliswaar is afgenomen maar in 2000 / 2001 nog steeds meer dan twee keer de MTR bedroeg. De concentratie stikstof is op het eerste punt vrij constant gebleven, terwijl deze op het tweede punt is afgenomen. Op beide punten is de concentratie echter nog te hoog (tussen één en twee keer het MTR). De stikstof is waarschijnlijk vooral afkomstig van omringende landbouwgronden. Het Waterschap streeft naar biologisch gezond water. Dat is water waarin planten en dieren voorkomen die er van nature met een zekere (geringe) mate van menselijk handelen in thuishoren. Om deze kwaliteit te bereiken moeten watergangen voldoende diep zijn: hoofdwatergangen en singels minimaal 1 meter ten opzichte van het winterpeil; andere watergangen minimaal 0,5 m ten opzichte van het winterpeil. Daarnaast is de waterkwaliteit afhankelijk van de steilheid van de oevers (hoe flauwer hoe gunstiger voor de waterkwaliteit). De waterkwaliteit is ook afhankelijk van de mogelijkheden om de watergangen in een gebied door te spoelen. Wanneer die mogelijkheden gering zijn, zal de waterkwaliteit minder hoog zijn dan wanneer er meer mogelijkheden zijn voor doorspoeling.

Concluderend kan worden gesteld dat watergangen behalve een bepaalde diepte (zie boven), bij voorkeur een flauwe oever moeten hebben, terwijl ze niet doodlopend mogen zijn. Belasting met verontreinigende en eutrofiërende stoffen dient tegen te worden gegaan. Dit kan door de aanleg van natuurvriendelijke oevers (helofytenfilters), het tegengaan van overstorten en zo mogelijk van bemesting. Grondwaterstand De overheersende grondwatertrap rondom Numansdorp is grondwatertrap VI. Dat betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (voorjaar) tussen de 40 en 80 cm onder het maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand (einde van de zomer) is diep: meer dan 120 cm onder het maaiveld. In het stedelijk gebied wordt het grondwater echter vooral beïnvloed door ontwateringsmiddelen als drainage. De directe beïnvloeding van de grondwaterstand door oppervlaktewaterstanden zal minder zijn dan het effect van de ontwateringsmiddelen. Waterkeringen Na de watersnoodramp van 1953 zijn de primaire dijken verhoogd. De kans op overstroming is daardoor nu eenmaal in de 2000 jaar. Langs de zuidrand van het plangebied liggen twee secundaire waterkeringen: de Molendijk en de Schuringsedijk. Daarnaast sluit een tweetal secundaire keringen aan op de zuidelijke plangrens, te weten de Fortlaan en de Havenkade. Alle genoemde regionale keringen hebben primair een waterkerende functie.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

43

Toekomstige inrichting en gevolgen voor water In het overgrote deel van het bestemmingsplangebied wordt de bestaande waterstructuur niet aangetast. De peilen van het oppervlaktewater en de aan- en afvoer van water zullen niet veranderen. Hetzelfde geldt voor de grondwaterstanden en de grondwaterstroming. Ook met betrekking tot de riolering zijn er geen veranderingen in de huidige situatie. In het kader van (de ruimtelijke onderbouwing voor) de ontwikkeling van de Rehoboth-locaties in Buitensluis is onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de waterhuishouding. In het kader van het opstellen van de watertoets met betrekking tot deze ruimtelijke ontwikkeling is begin 2005 overleg gevoerd tussen de initiatiefnemer van het bouwplan (Union), het Waterschap en de Gemeente. Uit dit overleg is gebleken dat de locatie Rehoboth geen opvangmogelijkheden heeft voor waterberging. Daar er elders in de gemeente mogelijkheden zijn voor waterberging, ziet het Waterschap geen belemmering voor de realisering van het onderhavige bouwplan. Daarom wordt ten laste van dit bouwplan een bijdrage in het waterfonds gestort. Het huidige verharde oppervlak op de locatie (exclusief de omliggende straten Flohilstraat, Vlielandersstraat en Poortvlietstraat) bedraagt circa 1.475 m2. Het bouwplan, inclusief parkeerplaatsen, resulteert in een totaal verhard oppervlak van circa 4.470 m2.

Dit betekent een toename van 2.995 m2. Hiervan dient (10%) ofwel 300 m2 te worden gecompenseerd. Overleg met het Waterschap Er is reeds in een vroeg stadium van het planproces overleg geweest met het Waterschap. Aan de hand van dit overleg is deze waterparagraaf opgesteld. Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Buitensluis’ in het kader van Artikel 10 Bro is door het Waterschap beoordeeld. Reacties naar aanleiding daarvan zijn verwerkt in dit Bestemmingsplan. Beheer en onderhoud Het plangebied valt onder de werking van de Keur en WVO regelgeving van het Waterschap Hollandse Delta. De Gemeente zorgt voor de ontwatering van het openbaar gebied. Het Waterschap brengt (grond)waterkennis in en beheert het watersysteem zodanig (via aanpassing peilbeheer of afwatering) dat grondwaterproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen of opgelost. Onderhoud aan watergangen en de daarin liggende kunstwerken wordt door het Waterschap verricht. Beheer en onderhoud van riolering, drainage- en infiltratievoorzieningen in het openbare gebied zijn een taak voor de Gemeente. Drainage- en infiltratievoorzieningen en rioleringen op particulier terrein worden beheerd door de eigenaar van het terrein. De eigenaar zal zorg moeten dragen voor een adequaat beheer en voldoende goede controle- en inspectiepunten voor de controlerende instanties.

Vertaling naar plankaart en voorschriften De watergangen die behoren tot de hoofdwaterstructuur hebben de bestemming water gekregen. Langs hoofdwatergangen zal de bestemming waterstaatsdoeleinden worden opgenomen (strook van 5 meter breed, gemeten vanaf het water). De overige watergangen worden opgenomen in de bestemming groen: de bestemming groen mag namelijk tevens ingericht worden als water(berging).

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

44

5.7

Archeologie De Hoeksche Waard is ontstaan uit de eeuwenlange cyclus van aanslibbing van slikken, bedijking van gorzen en vervolgens opnieuw aanslibbing. De Middelsluissedijk, de noordelijke begrenzing, is een van die oude dijken. Sinds kort heeft de Middelsluissedijk geen waterkerende functie meer. Het landschap is ontstaan vanuit de Oudelandpolders, van hier uit is door een systeem van bedijkingen van de opwas- en aanwaspolders, het huidige landschap bevochten op de zee. Voor de gemeente Cromstrijen, die voornamelijk bestaat uit bedijkte aanwaspolders, heeft dit geresulteerd in langgerekte oost-west aanwaspolders, heeft dit geresulteerd in langgerekte oost-west gerichte grotendeels open polders. De ontginning heeft van noord naar zuid plaats gevonden, waarbij vanuit nieuwe boerderijen aan de zuidzijde van de bestaande dijk het nieuwe land is ontgonnen. De verkaveling is relatief kleinschalig, een uitzondering hierop vormt de Ambachtsheerlijkheid. Deze bevindt zich aan de zuidzijde van de gemeente, grenst aan het Hollandsch Diep en bestaat uit één eigendom. De oorspronkelijke kleinschalige verkaveling is vervangen door grote percelen van elkaar gescheiden door houtwallen. Zowel de IKAW als de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland kennen aan het gebied een lage archeologische verwachtingswaarde toe.

Archeologische monumenten zijn in het gebied niet aanwezig. Derhalve wordt er vooralsnog van uitgegaan dat er ter plaatse van het plangebied geen archeologische waarden zijn. Vanwege de de aanwezigheid van bebouwing in de huidige situatie en de daarvoor in het verleden uitgevoerde bouwactiviteiten is het bodemarchief al zodanig verstoord, dat niet verwacht mag worden dat hier nog enige waarden aanwezig zullen zijn. Archeologisch onderzoek is om die reden niet nodig. Mochten er niettemin bij de werkzaamheden vondsten worden gedaan, dan zal hiervan overeenkomstig het bepaalde in artikel 47 van de Monumentenwet 1988 melding worden gedaan.

5.8

Ecologie Flora- en Faunawet Op 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet van kracht geworden. Deze wet vervangt een aantal oudere wetten, zoals de Vogelwet en de Jachtwet. In de Flora- en Faunawet zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor Nederland uitgewerkt. De Flora- en Faunawet beschermt alle in het wild levende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Van deze soortgroepen zijn alleen de Huismuis, de Bruine en de Zwarte rat niet beschermd. Van de vissen, ongewervelde dieren (zoals vlinders, libellen en sprinkhanen) en planten zijn alleen bij naam in de wet genoemde soorten beschermd. De Flora- en Faunawet gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe. Dat betekent dat alleen onder bepaalde voorwaarden van de bescherming van soorten en hun leefomgeving mag worden afgeweken. Daarnaast beschermt de wet niet alleen soorten in het algemeen, maar ook het individu.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

45

Voor ruimtelijke ingrepen die gevolgen hebben voor een beschermde soort en/of zijn leefgebied is het noodzakelijk na te gaan of een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet nodig is. Voor een aantal algemeen voorkomende beschermde soorten geldt een vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing. Een aantal andere soorten is ook op Europees niveau beschermd. Voor deze soorten geldt het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit het Bestemmingsplan voortvloeien moet, indien nodig, voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd wanneer beschermde soorten gevolgen van die werkzaamheden ondervinden. Voor de goedkeuring van het Bestemmingsplan moet al duidelijk zijn of ontheffing (in beginsel) verkregen kan worden. Daarbij gaat het, eenvoudig gezegd, om de beantwoording van twee vragen: - Is er sprake van een negatieve invloed van de activiteit op de soort? - Verdwijnt de soort als gevolg van de activiteit uit het gebied? Toekomstige inrichting en gevolgen voor flora en fauna Het plangebied maakt geen deel uit van een Vogelrichtlijn- of een Habitatrichtlijngebied, evenmin maakt het deel uit van een Staats- of Beschermd Natuurmonument. In het Streekplan Zuid-Holland Zuid is het Verloren Diep aangewezen als ecologische verbindingszone. Deze oude kreek loopt dwars door Middelsluis.

Vooralsnog zijn hier geen ontwikkelingen gepland en zullen bestaande ecologische waarden daarom niet worden aangetast als gevolg van de vaststelling van het Bestemmingsplan. Dit geldt eveneens voor het overige deel van het plangebied, met uitzondering van de drie ontwikkelingslocaties. De polder direct ten zuidoosten van de bebouwing aan de Schuringsedijk is aangewezen als ganzengebied; dit gebied valt echter net buiten het plangebied. In het kader van (de ruimtelijke onderbouwing voor) ontwikkeling van de Rehoboth-locatie is onderzoek gedaan naar de aanwezige flora- en faunawaarden. -

Ruimtelijke ontwikkeling op de Rehobothlocatie (onderstaande gegevens zijn gebaseerd op informatie van het ‘Natuurloket’, aangevuld met een veldbezoek door een ecoloog van Grontmij op 9 augustus 2005): deze locatie herbergt een aantal soorten, die beschermd zijn in het kader van de Flora- en faunawet. De meeste soorten vallen echter onder de vrijstellingsregeling. Voor vogels is wel een ontheffing nodig. Wanneer echter de werkzaamheden buiten het broedseizoen (dus buiten de periode maart t/m augustus) worden uitgevoerd, is een ontheffing niet nodig. In het plangebied komt de Rode Lijstsoort Huismus voor. De Rode Lijst is in de Provincie Zuid-Holland compensatieplichtig. Mogelijk broedt de Huismus onder dakpannen van de huizen die gesloopt worden. Indien de Huismus wordt aangetroffen, dient er gecompenseerd te worden. Dit kan gebeuren door bij de bouw van de nieuwe woningen broedgelegenheid voor de Huismus te creëren, door onder andere nestkasten voor de Huismus aan de gevels op te hangen. Of de soort er daadwerkelijk zit, kan het beste worden geconstateerd in het broedseizoen, omdat dan de vogels in- en uitvliegen naar hun nesten. In geval de sloop eerder dan het broedseizoen plaatsheeft, zou een inspectie van het dak op resten van nesten moeten worden uitgevoerd.

Een andere oplossing is, uit te gaan van de aanwezigheid van de Huismus en sowieso zorg te dragen voor compensatie, op hierboven genoemde wijze.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

46

Voor de locatie geldt dat tijdens de bouwfase in ieder geval de zorgplicht in acht dient te worden genomen. De zorgplicht houdt in dat voldoende zorg in acht moet worden genomen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Dus de werkzaamheden dienen zodanig uitgevoerd te worden dat de schade zoveel mogelijk beperkt wordt. Dit betekent in ieder geval het verjagen of wegvangen van dieren voor de start van de werkzaamheden, waarbij zorg wordt gedragen voor uitwijkmogelijkheden.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

47

6.

Juridische aspecten

6.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald.

6.2

Planmethodiek Bij de opzet van het bestemmingsplan is uitgegaan van een gedetailleerde opzet van het plan. Dat wil zeggen dat op de kaart voor ieder perceel de bouwmogelijkheden zijn aangegeven: per perceel is door een bouwvlak aangegeven waar de hoofdbebouwing (het belangrijkste gebouw op een perceel zoals een woning, winkel, bedrijf e.d.) gebouwd mag worden. Per bouwvlak is vervolgens bepaald welke goot- en nokhoogte de hoofdbebouwing mag hebben. Deze regeling geldt voor alle bestemmingen in het plangebied. Naast hoofdbebouwing kent het plan ook mogelijkheden voor bijgebouwen en/of uitbreiding van woonruimte. Hoofdregel daarbij is dat bij woningen buiten het bouwvlak 75 m2 aan bijgebouwen en uitbreidingen mag worden gebouwd mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden, waarvan de belangrijkste is dat het erf voor niet meer dan 50% bebouwd mag worden. Het gedeelte voor de woning mag niet bebouwd worden. Op de kaart zijn deze gronden aangegeven met de bestemming "Tuin". Naast de bebouwingsmogelijkheden, is in het plan ook het toegestane gebruik van de gronden bepaald. Ieder perceel heeft daartoe een bestemming gekregen zoals bijvoorbeeld wonen, detailhandel, horeca of water. In de voorschiften is per bestemming bepaald welke gebruiksmogelijkheden op een perceel gelden.

In een aantal gevallen zijn per perceel bijzondere gebruiksmogelijkheden bepaald door een aanduiding op de kaart. Bijvoorbeeld binnen de bestemming "Wonen" komt de aanduiding "bedrijf" voor. Dat wil zeggen dat in het pand, naast wonen, ook een bedrijfsfunctie is toegestaan. In een aantal gevallen is de aanduiding op de kaart juist bedoeld om het gebruik ten opzichte van de algemene bestemming te beperken. Bijvoorbeeld bedrijven en instellingen in de gezondheidszorg hebben in het plan de bestemming "Bedrijven" gekregen met op de kaart de aanduiding "nutsvoorzieningen" waarbij in de voorschriften is bepaald dat deze gronden uitsluitend voor die doeleinden mag worden gebruikt. Tenslotte is in de voorschriften bij het plan nog een aantal flexibiliteitbepalingen (vrijstellingen, wijzigingen en nadere eisen) opgenomen die burgemeester en wethouders de mogelijkheid bieden om bij de uitvoering van het plan af te wijken van de algemene bestemmingsregeling. Bijvoorbeeld voor extra bebouwingsmogelijkheden of een functiewisseling op het perceel. Bij toepassing van de flexibiliteitsbepalingen moeten burgemeester en wethouders steeds afwegen of gebruikmaking van deze bevoegdheid niet leidt tot de aantasting van belangen van derden.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

48

6.3

Toelichting op de voorschriften Paragraaf I

Inleidende bepalingen

In deze paragraaf is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de voorschriften. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten opgenomen" waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Paragraaf II

Bestemmingsbepalingen

In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welke gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen. De toekenning van bestemmingen tot een bepaald perceel is gebaseerd op de in het plan opgenomen inventarisatielijst (afzonderlijke bijlage). Uitgangspunt daarbij is geweest om tenminste de bestaande situatie te bestemmen, waar dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt mogelijk is, is een ruimere regeling opgenomen. Op deze wijze wordt tegemoet gekomen aan de gemeentelijke woonvisie waar de wenselijkheid is uitgesproken ruime mogelijkheden te bieden voor de uitbreiding van bestaande bebouwing. Het openbare gebied zoals wegen, water, groenstroken zijn door afzonderlijke bestemmingen geregeld. De toekenning van deze bestemmingen is gebaseerd op het uitgangspunt dat openbaar gebied met een belangrijke functie voor de wijk (structureel groen en water) beschermd dient te worden door een specifieke bestemming. Herinrichting van deze gronden tot bijvoorbeeld parkeren of met gebouwen is dan ook uitgesloten. Bij wegen is geen onderscheid gemaakt tussen 30 km/u wegen en overige wegen met een stroomfunctie. Kleinschalige groenelementen, zoals bermen, groenstroken e.d., zijn ondergebracht in de verkeersbestemmingen.

Binnen de bestemming groen en de verkeersbestemming is de aanleg van speelvoorzieningen mogelijk. Paragraaf III

Dubbelbestemmingen

De bestemming "Leiding" en “Primair waterkering” is op de plankaart over de andere bestemmingen heen gelegd. Deze dubbelbestemmingen regelen een bijzonder belang dat eerst afgewogen dient te worden alvorens de onderliggende bestemming mag worden toegepast. Er gelden hier dus twee bestemmingen, waarbij de dubbelbestemming voor gaat op de onderliggende bestemming. Paragraaf IV

Algemene bepalingen

In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gestelde.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

49

* Antidubbeltelbepaling Het artikel "Bescherming van het plan" bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. * Uitsluiting aanvullende werking van de bouwverordening In dit artikel is bepaald dat de bouwverordening buiten toepassing blijft met uitzondering van de met name genoemde bepalingen. Hiermee kan bijvoorbeeld worden bereikt dat bij het stellen van parkeernormen en dergelijke de bouwverordening kan worden toegepast. * Algemene bouwbepalingen In dit artikel is een aantal aanvullende bouwbepalingen geregeld die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals een balkons, galerijen en kelders. * Gebruiksbepalingen Deze bepaling regelt het verbod om gronden te bebouwen of te gebruiken in strijd met de bestemming. In dit artikel is tevens een regeling opgenomen die bepaalt in welke gevallen de woning gebruikt mag worden voor praktijkruimte aan huis. * Algemene vrijstellingsbepalingen In dit artikel is in aanvulling op de vrijstellingbepalingen uit de bestemmingen nog een aantal algemene vrijstellingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.

Bijvoorbeeld een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtje) in het openbare gebied. * Algemene wijzigingsbepalingen In dit artikel is in aanvulling op de wijzigingsbevoegdheden uit de bestemmingen nog een aantal algemene vrijstellingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een vrijstelling geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. * Procedureregels Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan een in dit plan opgenomen vrijstelling of wijzigingsbepaling. Paragraaf V

Overgangs- en slotbepalingen

In deze laatste paragraaf is nog geregeld dat overtreding van de verbodsbepalingen in dit plan aangemerkt wordt als een economisch delict. In de overgangsbepalingen is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotbepaling is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

50

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

51

7.

Economische uitvoerbaarheid

Binnen het plan wordt een aantal ontwikkelingen gerealiseerd in private exploitatie. Voor de uitvoering van het plan zijn voor de gemeente geen bijzondere kosten aanwezig. Op grond van de bekend zijnde gegevens wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

52

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

53

8.

Inspraak en overleg

8.1

Inspraak Per 1 juli 2005 is artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) komen te vervallen. Als gevolg hiervan zijn gemeenten niet langer verplicht om, voorafgaand aan de start van de formele bestemmingsplanprocedure, een inspraaktraject te doorlopen. Desalniettemin heeft de gemeente Cromstrijen haar burgers hiertoe wel de gelegenheid geboden. Het voorontwerpbestemmingsplan “Buitensluis” heeft daarom, conform de gemeentelijke inspraakverordening, met ingang van 26 februari 2007 tot en met 30 maart 2007 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een reactie op het plan in te dienen. Vervolgens heeft de gemeente 6 maart 2007 een inspraakbijeenkomst in het gemeentehuis gehouden. Tijdens die bijeenkomst is het voorontwerpbestemmingsplan gepresenteerd en zijn de (stedenbouwkundige) principes toegelicht. De reacties uit de inspraak zijn in een separate bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen en voorzien van gemeentelijk commentaar. Daar waar de inspraakreacties aanleiding gaven tot het bijstellen van het bestemmingsplan, is aangegeven op welke wijze de aanpassing in het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden.

8.2

Overleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan wordt, in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985), overleg gevoerd met: - de besturen van de gemeenten van wie de belangen rechtstreeks in het geding zijn; - de diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening; - de diensten van rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn; - overige instanties die betrokken zijn bij de ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. In dat kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies worden toegezonden aan de diverse instanties. Van de volgende instanties is een reactie ontvangen: - Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (12 maart 2007) - N.V. Nederlandse Gasunie (12 maart 2007) - Milieudienst Zuid-Holland Zuid (10 april 2007) - Kamer van Koophandel Rotterdam (12 april 2007) - Waterschap Hollandse Delta (13 april 2007) - VROM Inspectie, regio Zuidwest (16 april 2007) - Evides Waterbedrijf (26 april 2007) - Provincie Zuid-Holland (7 mei 2007)

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

54

De overlegreacties zijn eveneens in een separate bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen en voorzien van gemeentelijk commentaar. Daar waar de overlegreacties aanleiding gaven tot het bijstellen van het bestemmingsplan, is aangegeven op welke wijze de aanpassing in het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden. 8.3

Vervolgprocedure Van voorontwerpbestemmingsplan naar ontwerpbestemmingsplan Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg is de bestemmingsplanprocedure voortgezet. De aanpassingen die volgden uit inspraak en vooroverleg zijn verwerkt in het voorliggende ontwerpbestemmingsplan. Dit ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het plan in te dienen. Van ontwerpbestemmingsplan naar vaststelling Het ontwerpbestemmingsplan is op 17 september 2007 gedurende zes weken terinzage gelegd. Binnen de periode zijn 18 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen vormde aanleiding het plan op enkele onderdelen aan te passen. Daarnaast bleek het gewenst het plan ambthalve nog op enkele onderdelen aan te passen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen het raadsbesluit van 15 juli 2008 en de bijbehorende staat van wijzigingen.

Toelichting Bestemmingsplan "Buitensluis" 15 juli 2008

BIJLAGE(N)

Luchtkwaliteit 2005 gemeente Cromstrijen

Kader

: Besluit luchtkwaliteit 2005

Projectcode

: RB 06.4501-3

Opdrachtgever

: Gemeente Cromstrijen Buttervliet 1 3281 LK Numansdorp Contactpersoon : Mevr. Aleid Rotscheid

Opdrachtnemer

: Milieudienst Zuid-Holland Zuid Afdeling Milieu & Ruimte Postbus 550 3300 AN Dordrecht Contactpersoon : ing. M. Sel / H. de Bruin Datum

: 14 september 2006

Luchtkwaliteit 2005 gemeente Cromstrijen

Inhoudsopgave Inhoudsopgave........................................................................................................................2 1

Inleiding...........................................................................................................................3 1.1 Regelgeving luchtkwaliteit ....................................................................................... 3 1.2 Algemene gegevens over de gemeente en haar omgeving .................................... 4

2

Luchtkwaliteit Cromstrijen ...............................................................................................6 2.1 Bronnen van luchtverontreiniging............................................................................ 6 2.2 Luchtkwaliteit 2005 en 2010 bij ongewijzigd lokaal beleid ...................................... 7

3

Conclusies.......................................................................................................................8

Bijlage 1: CAR II 5.0 prints 2005 en 2010

14 september 2006 Versie: definitief

Pagina 2 van 9

Luchtkwaliteit 2005 gemeente Cromstrijen

1 Inleiding In dit rapport wordt de luchtkwaliteit van de gemeente Cromstrijen in de provincie ZuidHolland beschreven voor het jaar 2005. Deze rapportage is opgesteld om mogelijke knelpunten in kaart te brengen. De verrichte berekeningen worden uitgevoerd voor die locaties waar een vermoeden bestaat dat de luchtkwaliteitsnorm voor stikstofdioxide (NO2) en/of zwevende deeltjes (PM10) zou kunnen worden overschreden. De concentraties van veel schadelijke stoffen, zoals zwaveldioxide, koolmonoxide, lood en benzeen zijn de laatste decennia in Nederland zo ver teruggebracht dat de concentraties van deze stoffen niet significant zijn ten opzichte van de normen en zijn deze buiten beschouwing gelaten. De rapportageplicht in het Besluit luchtkwaliteit 2005 heeft betrekking op plaatsen waar naar redelijke verwachting mensen blootgesteld staan aan luchtverontreiniging. De luchtkwaliteitsnormen zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels. Indien de grenswaarde niet wordt overschreden voldoet de luchtkwaliteit vermoedelijk op tijd aan de wettelijke norm. Indien de grenswaarde wel wordt overschreden maar de voor dat jaar geldende plandrempel niet, is de verwachting dat de luchtkwaliteit zal verbeteren door het effect van generieke maatregelen.

Gemeenten hoeven dan geen lokale maatregelen te treffen maar moeten voor die locaties wel jaarlijks de luchtkwaliteit vaststellen. Bij overschrijden van plandrempels zijn lokale maatregelen nodig. Hiervoor stelt de gemeente een luchtkwaliteitsplan op, voert maatregelen uit om op termijn aan de wettelijke norm te voldoen. De voornaamste bronnen van luchtverontreiniging zijn wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw. NO2-emissie wordt voornamelijk veroorzaakt door snelrijdende en optrekkende auto’s, bussen, vrachtwagens en verbrandingsinstallaties. De bronnen voor fijn stof zijn zeer divers: o.a. verkeer, industrie en natuurlijke bronnen. Luchtverontreiniging veroorzaakt schade aan de gezondheid van mensen, dieren en schade aan planten en gebouwen. NO2 en PM10 veroorzaken gezondheidsklachten en versterken hooikoorts, allergische en astmatische problemen.

1.1

Regelgeving luchtkwaliteit

Op 27 september 1996 is de Europese Kaderrichtlijn luchtkwaliteit in werking getreden. In deze richtlijn staan de grondbeginselen van het Europese luchtkwaliteitsbeleid. De Europese regelgeving is op nationaal niveau vertaald in het Besluit luchtkwaliteit dat van kracht is sinds 19 juli 2001. In het Besluit is bepaald dat gemeenten en provincies de lokale luchtkwaliteit in kaart brengen en daarover aan de provincie rapporteren. In Nederland is de regelgeving voor lucht gekoppeld aan die van ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen getoetst moet worden aan de normen (grenswaarden) uit het Besluit luchtkwaliteit. Het Besluit kent daarbij geen onderscheid tussen gevoelige en niet-gevoelige bestemmingen. Momenteel is de Wet Luchtkwaliteit in behandeling in de Tweede Kamer. Op 5 augustus 2005 is het nieuw Besluit luchtkwaliteit in werking getreden (Besluit luchtkwaliteit 2005). Het Rijk werkt hard aan de totstandkoming van een Wet luchtkwaliteit. In deze wet wordt gekozen voor een programmatische aanpak. Deze aanpak houdt in dat er een nationaal programma met maatregelen wordt opgesteld onder de regie van het Rijk. Gebieden met knelpunten worden dan nadrukkelijk aangewezen. Rijk, provincie en gemeenten moeten voor deze gebieden aanvullende maatregelen nemen.

Het gemeentelijke plan van aanpak luchtkwaliteit gaat daarom een essentiële rol spelen bij het toetsen van de toelaatbaarheid van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. 14 september 2006 Versie: definitief

Pagina 3 van 9

Luchtkwaliteit 2005 gemeente Cromstrijen

Het wettelijke kader aangaande luchtkwaliteit is opgenomen in het “Besluit luchtkwaliteit 2005”. De luchtkwaliteitsniveaus zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels. Voor stikstofdioxide (NO2) bedraagt de grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens 40 μg/m3 als jaargemiddelde, uiterlijk op 1 januari 2010. De plandrempel voor stikstofdioxide (NO2) voor de bescherming van de gezondheid van de mens is gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties waarbij geldt in: - 2005, 50 μg/m3; - 2006, 48 μg/m3; - 2007, 46 μg/m3; - 2008, 44 μg/m3; - 2009, 42 μg/m3. Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden sinds 2005 de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens: - 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie; - 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per jaar mag worden overschreden.

1.2

Algemene gegevens over de gemeente en haar omgeving

Met ruim 13.000 inwoners ligt de gemeente Cromstrijen in de groene Hoeksche Waard. Gemeente Cromstrijen is ontstaan door samenvoeging van de plaatsen (gemeenten) Klaaswaal en Numansdorp. De afstand tussen Klaaswaal en Numansdorp is ongeveer 5 kilometer. Beide kernen worden verbonden door de Rijksstraatweg die dwars door het polderlandschap loopt. De belangrijkste hoofdwegen langs woongebieden (op korte afstand) zijn de provinciale wegen N487, N217 en de rijksweg A29. De meeste ondernemingen bevinden zich op de bedrijvenparken van Klaaswaal en Numansdorp. Deze terreinen bieden plaats aan ondernemingen uit verschillende sectoren als industrie, bouw, handel en transport. Daarnaast zijn er een aantal bedrijven gevestigd in en rond de centra van beide kernen. Het gaat daarbij vooral om detailhandel, dienstverlening, horeca en recreatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13701713/1