aanvraag bijlage 2. Goede onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving
Tekst van het document
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
1.2
Doel
Het doel van deze actualisatie van de eerder uitgevoerde quickscan is om te toetsen: - welke effecten de nieuw voorgenomen werkzaamheden hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 3 wordt verkend of er effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden en soorten die vallen binnen de Wnb en worden de conclusies van de eerdere natuurtoets (2021) waar nodig geactualiseerd en aangevuld. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de benodigde vervolgstappen in het kader van de natuurwetgeving. In hoofdstuk 5 zijn geraadpleegde bronnen weergegeven. De volledige natuurtoets uit 2021 is opgenomen in bijlage I.
2
PLANGEBIED EN WERKZAAMHEDEN
2.1
Plangebied
Het plangebied betreft de bestaande noodopvanglocatie voor asielzoekers aan de Kilweg 41 te ’s-Gravendeel. Binnen het plangebied worden in de bestaande situatie asielzoekers opgevangen in stacaravans. Zie Hoofdstuk 2 in bijlage I voor een uitgebreide beschrijving van het plangebied.
2.2
Werkzaamheden
De nieuwe voorgenomen werkzaamheden betreffen de volgende onderdelen: - uitbreiding capaciteit van de opvanglocatie; - werkzaamheden aan de bedrijfsgebouwen. Uitbreiding capaciteit opvanglocatie Ten behoeve van de uitbreiding van de capaciteit van de opvanglocatie zullen 25 extra stacaravans worden bijgeplaatst ten oosten van de bestaande caravans. Om deze uitbreiding mogelijk te maken is het noodzakelijk (1) enkele bomen te kappen en vegetatie te verwijderen, (2) een bestaande woning te slopen, en (3) kleinere inrichtingselementen (containers, sportveld, bankjes, en dergelijke) te verwijderen. Werkzaamheden aan de bedrijfsgebouwen Het COA is voornemens de bestaande bedrijfsgebouwen aan de zuidzijde van het terrein te vernieuwen. Dit zal gebeuren middels renovatie van de gebouwen, of middels volledige sloop en nieuwbouw. Het is momenteel nog niet bekend welke werkwijze gehanteerd zal worden. Afbeelding 2.1 geeft een overzicht van de geplande werkzaamheden op het AZC Hoeksche Waard. Afbeeldingen 2.2 - 2.5 geven een impressie van de locaties waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden.
2 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Afbeelding 2.1 Voorgenomen werkzaamheden AZC Hoeksche Waard. In rood (bovenste afbeelding) zijn te verwijderen elementen weergegeven, in blauw (onderste afbeelding) de nieuw te realiseren elementen.
3 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Afbeelding 2.2 Impressie te slopen woning
4 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Afbeelding 2.3 Impressie te verwijderen bomen en vegetatie
Afbeelding 2.4 Impressie overige delen van het plangebied
5 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Afbeelding 2.5 Impressie bestaande bedrijfsgebouw
3
ACTUALISATIE NATUURTOETS O.B.V. NIEUWE WERKZAAMHEDEN
3.1
Gebiedsbescherming
Het voornemen heeft in het kader van gebiedsbescherming (Natura 2000, NNN) naar verwachting geen andere effecten dan reeds beschreven in de eerder uitgevoerde natuurtoets (zie ook bijlage I, hoofdstuk 4). Wel is het noodzakelijk wederom de effecten van stikstofdepositie als gevolg van het voornemen te toetsen.
3.1.1
Natura 2000
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden bij het plangebied (‘Biesbosch’, ‘Hollands Diep’ en ‘Oudeland van Strijen) bevinden zich respectievelijk op 2,8, 4,0 en 5,2 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is van directe effecten als oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. De kans op fysieke effecten als gevolg van verstoring door geluid, licht en/of trillingen neemt toe ten opzichte van de toetsing in 2021, aangezien de werkzaamheden in de uitvoeringsfase naar verwachting meer geluid en trillingen produceren. De verstoringscontour van deze effecten reikt echter alsnog niet tot in de Natura 2000-gebieden vanwege de afstand tot deze gebieden en de tussenliggende barrières. Van negatieve directe effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden is dus geen sprake.
6 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Met betrekking tot stikstofdepositie geldt momenteel nog steeds de partiële vrijstelling van de Natura 2000vergunningsplicht op grond van artikel 2.9a (art. 2.5 Bnb), voor de volgende activiteiten: - het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; - het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Aangezien de uitvoeringsfase van de hier beschouwde werkzaamheden onder deze activiteiten valt, is hiervoor geen stikstoftoetsing nodig. De vrijstelling staat echter momenteel ter discussie en de mogelijkheid bestaat dat deze binnenkort vervalt. In dat geval is een nieuwe AERIUS-berekening noodzakelijk om de effecten van stikstofuitstoot in de uitvoeringsfase in beeld te brengen. Ook voor de toekomstige gebruiksfase is het noodzakelijk de eerder uitgevoerde stikstoftoetsing te actualiseren op basis van het nieuwe voornemen en met de nieuwste versie van de AERIUS Calculator.
3.1.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Omdat het plangebied net als in 2021 buiten de grenzen van het NNN ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Zuid-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.
3.2
Soortbescherming
3.2.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen zijn de eerder uitgevoerde bureaustudie en het veldbezoek geactualiseerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 1]. Deze gegevens zijn geactualiseerd op 6 oktober 2022. Daarnaast is ter aanvulling op het eerdere veldbezoek op 31 augustus 2022 een nieuw veldbezoek uitgevoerd door een ecoloog van Witteveen+Bos.
3.2.2
Beschrijving per soortgroep
Flora Op basis van de locatie van het plangebied, de gebiedskenmerken en gegevens over waarnemingen en verspreiding van beschermde flora, is het voorkomen van deze soorten binnen het plangebied uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soortgroep niet aan de orde. De conclusie ten aanzien van beschermde flora wijzigt daarmee niet ten opzichte van de toetsing in 2021. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Grondgebonden zoogdieren De aanwezigheid van grondgebonden zoogdiersoorten beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ (art. 3.10 Wnb), zoals kleine marterachtigen, egel, haas en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten, kan binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag en/of mitigerende dan wel compenserende maatregelen zijn voor deze soorten niet nodig. In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ grondgebonden zoogdieren, en deze worden hier op basis van het aanwezige biotoop en verspreidingsgegevens ook niet verwacht.
7 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Bever en noordse woelmuis komen op basis van verspreidingsgegevens wel voor in de omgeving van het plangebied. Deze soorten zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (art. 3.5 Wnb). Het is op basis van het biotoop echter uitgesloten dat het plangebied een belangrijke functie vervult voor deze soorten (zie ook bijlage I, par. 5.2.2). Significante negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden zijn op voorhand uitgesloten. De conclusie ten aanzien van beschermde grondgebonden zoogdieren wijzigt daarmee niet ten opzichte van de toetsing in 2021; Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Op basis van verspreidingsgegevens komen mogelijk zes soorten vleermuizen voor in de directe omgeving van het plangebied. Het betreft gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis. De werkzaamheden in het plangebied kunnen negatieve effecten op deze soortgroep hebben door aantasting/vernietiging van verblijfplaatsen en/of het verstoren van individuen.
Aantasten/vernietigen verblijfplaatsen In 2021 werd geconcludeerd dat de voorgenomen plannen niet leiden tot een wezenlijke verandering van het plangebied waardoor eventueel aanwezige verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van deze dieren dezelfde functie blijven vervullen. Deze conclusie gaat echter niet op voor de nieuwe voorgenomen werkzaamheden, gezien de sloop/renovatie/kap kan leiden tot een aantasting/vernietiging van een verblijfplaats. Het te slopen pand biedt geschikte verblijfplaatsen aan gebouw bewonende vleermuissoorten in de vorm van onder andere openingen onder dakranden en kantpannen (afbeelding 3.1). Alvorens het pand gesloopt mag worden is het daarom noodzakelijk de hier aanwezige functie(s) voor vleermuizen nader te onderzoeken.
8 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Afbeelding 3.1 Voorbeeld van mogelijk vleermuisgeschikte openingen in de woning.
Ook de te verwijderen vegetatie vervult mogelijk een belangrijke functie voor vleermuizen, zowel als foerageergebied als verblijfplaats. In 1 van de te kappen bomen (schietwilg, zie afbeelding 3.2) zijn verschillende voor vleermuizen geschikte boomholtes aanwezig, die boom bewonende vleermuissoorten als verblijfplaats kunnen gebruiken. Daarnaast fungeert de vegetatie mogelijk als essentieel onderdeel van het foerageergebied voor vleermuizen. Alvorens de vegetatie mag worden verwijderd en bomen mogen worden gekapt, is het noodzakelijk de functie(s) voor vleermuizen nader te onderzoeken.
9 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Afbeelding 3.2 Vleermuisgeschikte holten in schietwilg
Het onderzoek naar de functie(s) van de woning en de vegetatie voor vleermuizen dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol (2021). Op basis van het protocol zijn hiervoor 6 gerichte veldbezoeken nodig verspreid over de periode 15 mei - eind september. Indien uit het onderzoek blijkt dat vaste verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van vleermuizen aanwezig zijn, is voor de werkzaamheden een ontheffing nodig in het kader van de Wnb en dienen tevens mitigerende en compenserende maatregelen getroffen te worden. De kantoorgebouwen zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen openingen aangetroffen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Het is daarmee uitgesloten dat werkzaamheden aan de bedrijfsgebouwen leiden tot de vernietiging van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Vervolgonderzoek voor deze gebouwen is niet nodig.
10 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Verstoring Net als in 2021 geconcludeerd kunnen de werkzaamheden leiden tot tijdelijke negatieve effecten op vleermuizen. In de omgeving verblijvende, foeragerende en/of overvliegende vleermuizen kunnen tijdens de werkzaamheden worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor geluid, licht of trillingen. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden uitsluitend uit te voeren buiten de actieve periode van vleermuizen: bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) of bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari). Waar (bouw)verlichting nodig is dient gebruik gemaakt te worden van efficiënt lichtbeheer.
Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel 1 bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/de vliegroute) richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Daarnaast dienen werkzaamheden waarbij trillingen of hard puls-geluid (>80 dB(A)) worden geproduceerd, zoals heiwerkzaamheden, vermeden te worden. Indien dergelijke ingrijpende werkzaamheden worden uitgevoerd, is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de verstoringscontour van deze werkzaamheden noodzakelijk. Indien uit het onderzoek volgt dat er binnen de verstoringscontour van werkzaamheden verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, is voor de uitvoering van verstorende werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.
Vogels Vogels met een jaarrond beschermd nest In de toets van 2021 werd geconcludeerd dat er mogelijk jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in de bomen en gebouwen van het plangebied, maar dat de werkzaamheden deze ongemoeid laten. Deze conclusie gaat echter niet op voor de nieuwe voorgenomen werkzaamheden. Hier worden immers bomen gekapt en gebouwen gesloopt en gerenoveerd. Tijdens het recente veldbezoek zijn binnen het plangebied geen in gebruik zijnde jaarrond beschermde nesten aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in bomen of vegetatie binnen het plangebied kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Ten aanzien van de voorgenomen kapwerkzaamheden zijn dan ook geen vervolgstappen nodig met betrekking tot jaarrond beschermde nesten. In de kantoorgebouwen werden geen geschikte openingen aangetroffen waar gierzwaluw of huismus gebruik van kunnen maken, waardoor de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in deze gebouwen ook op voorhand is uitgesloten en hier geen verdere maatregelen of vervolgstappen nodig zijn voor deze soorten. De te slopen woning kan echter geschikt zijn voor de gebouw bewonende soorten gierzwaluw en huismus. Beide soorten kunnen onder andere ruimtes onder dakpannen gebruiken als nestplaats. Alvorens de sloopwerkzaamheden plaats mogen vinden, moet onderzocht worden welke functie(s) het gebouw voor deze soorten vervult.
Het gebruik van de woning door huismussen kan worden onderzocht middels tenminste twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april - 15 mei. Het onderzoek naar gierzwaluw kan worden uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei - 15 juli. Dit onderzoek kan deels in combinatie met vleermuisonderzoek worden uitgevoerd.
11 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Algemene broedvogels Net als in de toets van 2021 geldt voor algemeen voorkomende broedvogels dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe 3 mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Amfibieën en reptielen Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende ‘Andere soorten’ amfibieën (art. 3.10 Wnb) zoals gewone pad en bruine kikker niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling in het kader van ruimtelijke ingrepen.
Een ontheffingsaanvraag en/of mitigerende dan wel compenserende maatregelen zijn voor deze soorten niet nodig. Het plangebied heeft geen waarde voor niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ amfibieën en reptielen of soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (art. 3.5 Wnb). Dit vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor deze soorten en de ligging van het plangebied buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de meeste van deze soorten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. De conclusie ten aanzien van beschermde amfibieën en reptielen wijzigt daarmee niet ten opzichte van de toetsing in 2021; Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Vissen Binnen het gedeelte van het plangebied waar gewerkt zal worden is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid en de verstoring van beschermde vissoorten is daarmee uitgesloten. De conclusie ten aanzien van beschermde vissen wijzigt daarmee niet ten opzichte van de toetsing in 2021. Nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Vlinders, libellen en andere ongewervelden Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten kan worden uitgesloten dat beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn.
Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. De conclusie ten aanzien van beschermde ongewervelden wijzigt daarmee niet ten opzichte van de toetsing in 2021. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
3.2.3
Overzicht conclusies beschermde soorten
De onderstaande tabel geeft een overzicht van gevolgen van de geplande werkzaamheden op soorten die zijn beschermd onder de Wnb.
12 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Tabel 3.1 Samenvattende tabel soortbescherming. Werkzaamheden/ soortgroep
Uitbreiding capaciteit opvanglocatie
flora
beschermde soorten afwezig, geen effecten
grondgebonden zoogdieren
algemeen voorkomende soorten zijn vrijgesteld in provincie Zuid-Holland
Kappen bomen en verwijderen vegetatie
Slopen bestaande woning
Verwijderen kleine ruimtelijke elementen
Renovatie kantoorgebouwen
negatieve effecten op niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ en Habitatrichtlijnsoorten uitgesloten vleermuizen
verstoring/vernietiging verblijfplaatsen in boomholtes en foerageergebied niet uit te sluiten, aanvullend onderzoek nodig
vernietiging verblijfplaatsen in bebouwing niet uit te sluiten, aanvullend onderzoek nodig
geen effecten, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen: buiten actieve periode werken vleermuisvriendelijk lichtbeheer vermijden pulsgeluiden
geen effecten, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen: buiten actieve periode werken vleermuisvriendelijk lichtbeheer vermijden pulsgeluiden
vogels met een jaarrond beschermd nest
jaarrond beschermde nesten in bomen afwezig, geen effecten
Vernietiging nestplaatsen huismus en gierzwaluw niet uit te sluiten, aanvullend onderzoek nodig
Jaarrond beschermde nesten afwezig, geen effecten
Jaarrond beschermde nesten afwezig, geen effecten
algemene broedvogels
geen effecten, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen: werken buiten het broedseizoen; en/of de werkzaamheden vóór het broedseizoen inzetten en continu doorwerken; en/of het plangebied vóór aanvang van het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels
amfibieën en reptielen
algemeen voorkomende soorten zijn vrijgesteld in provincie Zuid-Holland beschermde soorten afwezig, geen effecten
vissen
beschermde soorten afwezig, geen effecten
vlinders, libellen en andere ongewervelden
beschermde soorten afwezig, geen effecten
Let op: voor alle soorten geldt wel te allen tijde de zorgplicht (art. 1.11 Wnb).
3.3
Bomenbeleid
Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig die in het kader van de werkzaamheden worden gekapt. Aangezien het plangebied zich in de gemeente Hoeksche Waard bevindt en is gelegen buiten de bebouwde kom, is op de desbetreffende bomen zowel de Wet natuurbescherming als het gemeentelijk bomenbeleid van gemeente Hoeksche Waard van toepassing. Wet natuurbescherming - houtopstanden Indien men bomen wenst te kappen die buiten de bebouwde kom liggen, is de nationale Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De Wnb heeft betrekking op houtopstanden met een oppervlakte van meer dan 10 are (1000 m2), of meer dan 20 bomen in rijplanting. Hierbij is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen. Indien toch gekapt wordt, dient een kapmelding te worden ingediend bij de provincie. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in art. 4.1 van de Wnb.
13 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
Aangezien de te kappen bomen een totale oppervlakte van minder dan 10 are bestrijken en niet bestaan uit meer dan 20 bomen in rijbeplanting, is het beschermingsregime houtopstanden uit de Wnb in dit geval niet van toepassing. Er gelden vanuit de Wet natuurbescherming geen restricties voor de voorgenomen kapwerkzaamheden. Gemeentelijk bomenbeleid De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Hoeksche Waard [lit. 2] stelt: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de […] Bomenlijst’ (art. 4.11, lid 2). Onder de te kappen bomen is geen sprake van bomen die op deze lijst van de gemeente staan. Daarmee geldt voor het voornemen vanuit gemeentelijk bomenbeleid geen verplichtingen.
4
OVERZICHT
Op basis van deze natuurtoets actualisatie blijkt dat voor de nieuwe werkzaamheden aan het AZC Hoeksche Waard maatregelen en/of vervolgstappen nodig zijn ten aanzien van: - Natura 2000 · Actualisatie stikstofberekeningen voor tenminste de gebruiksfase en mogelijk ook de uitvoeringsfase op basis van nieuwe voornemen en laatste versie AERIUS Calculator; - vleermuizen en vogels: · sloop woning, kap bomen en verwijderen vegetatie kan pas plaatsvinden nadat een aanvullend onderzoek is uitgevoerd naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw en is vastgesteld dat geen belangrijke functies voor deze soorten aanwezig zijn of nadat ontheffing is verkregen in het kader van de Wnb; · werkzaamheden aan de bedrijfsgebouwen mogen plaatsvinden met inachtneming van mitigerende maatregelen ten aanzien van vleermuizen en vogels (zie tabel 3.1). Verder geldt voor alle werkzaamheden de algemene zorgplicht (Wnb. art. 1.11).
5 1 2
LITERATUUR NDFF-ecogrid database (ndff.nl), geraadpleegd op 6 oktober 2022. Gemeente Hoeksche Waard (2019). Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent plaatselijke verordening (Algemene Plaatselijke Verordening Hoeksche Waard 2019). In: Gemeenteblad nr. 125697, 23 mei 2019. Geraadpleegd via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2019-125697.html
14 | 14
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Concept 01014.884 | Concept 01
I BIJLAGE: QUICKSCAN FLORA EN FAUNA NOODOPVANG HOEKSCHE WAARD (2021)
Witteveen+Bos | 133330/22-014.884 | Bijlage I | Concept 01
Noodopvang Hoeksche Waard Quickscan flora en fauna
Centraal Orgaan opvang Asielzoekers 11 oktober 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Noodopvang Hoeksche Waard Centraal Orgaan opvang Asielzoekers
Quickscan flora en fauna Definitief 11 oktober 2021 128312/21-015.220
128312 drs. T. Klumper drs. M.J. Schilt
V.A. van Os MSc ir. W.B. Roosen drs. T. Klumper
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Leeswijzer
5
2
PLANGEBIED
6
2.1
Beschrijving
6
2.2
Werkzaamheden
8
3
TOETSINGSKADER
10
3.1
Wet natuurbescherming
10
3.1.1 3.1.2
10 10
Gebiedsbescherming Soortenbescherming
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
12
4
GEBIEDSBESCHERMING
14
4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
14
4.1.1 4.1.2
14 15
4.2
Gegevens Effecten en conclusie
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
16
4.2.1 4.2.2
16 17
Gegevens Effecten & conclusie
5
SOORTENBESCHERMING
18
5.1
Methode
18
5.2
Beschrijving per soortgroep
18
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6
18 20 21 25 28 29
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen
5.2.7 5.2.8
Vis Vlinders, libellen en andere ongewervelden
30 30
6
SAMENVATTING
32
6.1
Gebiedsbescherming
32
6.2
Soortenbescherming
32
7
LITERATUUR
35
Laatste pagina
35
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Instandhoudingsdoelstellingen Biesbosch
3
II
Instandhoudingsdoelstellingen Hollands Diep
2
III
Instandhoudingsdoelstellingen Oudeland van Strijen
1
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Momenteel (3e kwartaal 2021) is er sprake van een grote instroom van asielzoekers, terwijl er een tekort is aan opvangplaatsen. Daarom moeten met urgentie extra opvangplaatsen worden gerealiseerd. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is landelijk bezig om zo spoedig mogelijk tijdelijke opvangplaatsen te realiseren. In ’s-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, heeft COA aan de Kilweg 41 een locatie in eigendom die in het verleden 20 jaar in gebruik is geweest als asielzoekerscentrum en tevens in 2015 als tijdelijke noodopvanglocatie heeft gediend. COA wil deze locatie zo spoedig mogelijk weer in gebruik nemen als noodopvanglocatie door hier opvangplaatsen in stacaravans te realiseren. De gemeente Hoeksche Waard en COA zijn overeengekomen dat op de locatie maximaal 375 bewoners mogen worden opgevangen voor een duur van 6 maanden met een mogelijkheid tot verlening met nog eens 6 maanden. De tijdelijke noodopvanglocatie is strijdig met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om de noodopvang mogelijk te maken, is een omgevingsvergunning voor tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan benodigd, zo is met de gemeente afgestemd. Het voornemen kan effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied.
In deze quickscan worden mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden door de geplande ingebruikname van de noodopvanglocatie beoordeeld en getoetst. Naast het bepalen van de effecten van het voornemen op beschermde gebieden en soorten, worden ook de juridische consequenties en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen, inzichtelijk gemaakt.
1.2
Doel
Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden aan de sloop van de bedrijfspanden hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wnb. Hoofdstuk 5 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten Wnb zijn. Hoofdstuk 6 geeft de conclusie middels een overzichtelijke samenvatting van de bevindingen in de vorm van een tabel weer. In hoofdstuk 7 is de geraadpleegde literatuur weergegeven.
5 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
2 PLANGEBIED 2.1
Beschrijving
Het plangebied betreft een in het verleden reeds als zodanig gebruikte noodopvanglocatie en asielzoekerscentrum aan de Kilweg 41 te ’s-Gravendeel gelegen in de gemeente Hoeksche Waard in de provincie Zuid-Holland. De locatie bevindt zich op ongeveer 2 km afstand ten zuiden van de kern van ’s-Gravendeel. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door een klein natuurgebied (Trekdambos), aan de oostzijde door de Kilweg, een dijk en de Dordtse Kil, en aan de zuid- en oostzijde door agrarisch gebied (afbeelding 2.1-2.2). Binnen het plangebied bevinden zich in de huidige situatie enkele gebouwen, voornamelijk aan de oostzijde van het terrein, grasland, bomen en bomenrijen en verschillende watergangen. Het plangebied is voor een klein deel geasfalteerd. Rondom alle watergangen en langs de buitengrens van het terrein bevinden zich hekken (afbeelding 2.3). Het voornemen zal uitsluitend plaatsvinden in het oostelijke gedeelte van het plangebied.
Afbeelding 2.1 Ligging van het plangebied ten zuiden van ’s-Gravendeel
6 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Afbeelding 2.2 Plangebied in detail
7 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Afbeelding 2.3 Impressie van het plangebied (oostzijde)
2.2
Werkzaamheden
De werkzaamheden zullen bestaan uit het plaatsen van 88 stacaravans, voor het overgrote deel op plekken waar voorheen ook stacaravans en portocabins hebben gestaan, en een klein deel op een grasveld ernaast. Kleine werkzaamheden die hiervoor noodzakelijk zijn betreffen onder andere het verleggen van enkele tegelpaadjes, het opvullen van eerder uitgegraven funderingen voor portocabins, het afvlakken van een stuk grond en het aanleggen van riolering en elektra voor zover dat er nog niet is. Er is geen sprake van kap- of snoeiwerkzaamheden anders dan het regulier onderhoud en bestaande watergangen en bebouwing op het terrein zullen behouden blijven en niet worden aangetast. Afbeelding 2.4 geeft een impressie van de voorgenomen plaatsing van stacaravans.
8 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Afbeelding 2.4 Inrichtingsplan toekomstige situatie
9 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
3 TOETSINGSKADER 3.1
Wet natuurbescherming
3.1.1
Gebiedsbescherming
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. Kunnen dergelijke significante effecten wel worden uitgesloten, maar kan er wel enige verslechtering plaatsvinden, dan is een verslechteringtoets vereist.
In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.
3.1.2
Soortenbescherming
Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit 3 beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht. Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese
10 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen.
Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil).
Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern. Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. ‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende
11 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of - te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Natuurnetwerk Zuid-Holland Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur; EHS, genoemd) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. Begrenzing en wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied zijn van belang bij het bepalen of ruimtelijke initiatieven doorgang kunnen vinden. In beginsel geldt de regel dat geen bestemmingswijzigingen mogelijk zijn als daardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied (per saldo) significant worden aangetast. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken heeft de provincie de te behouden wezenlijke kenmerken en waarden per gebied gespecificeerd in het Natuurbeheerplan. De begrenzing van het gebied behorende tot het Natuurnetwerk provincie Zuid-Holland is vastgelegd op de interactieve NNN atlas van de provincie.
Nee -tenzij principe De provincie heeft in de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland invulling gegeven aan enkele provinciale bevoegdheden op het gebied van schadebestrijding. Daarnaast bevat de Verordening regels voor het faunabeheer. De Beleidsvisie Groen geeft aan hoe de provincie Zuid-Holland omgaat met het aanwijzen van het Natuurnetwerk Nederland. De gebieden die hieronder moeten vallen zijn inmiddels aangewezen en/of zoekgebieden zijn benoemd. Dit is vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014, waarin ook de regels zijn opgenomen ter bescherming van het NNN. Naast de bestaande kaders zal geen aanvullend beleid worden ontwikkeld op grond van de Wnb. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde 'nee, tenzij'-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke
12 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is een ontheffing van deze verordening van Gedeputeerde Staten vereist. Een verzoek om ontheffing op basis van het 'nee, tenzij'-regime dient vergezeld te gaan van een compensatieplan waaruit blijkt hoe, waar en wanneer de mitigerende en compenserende maatregelen zullen worden getroffen, wat de begrenzing van het compensatiegebied is en op welke wijze de compensatie duurzaam verzekerd is. De besluiten over een bestemmingsplan dat een ingreep in het NNN mogelijk maakt en over de uitvoering van het daarmee samenhangende compensatieplan dienen gelijktijdig genomen te worden.
13 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
4.1.1
Gegevens
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de ‘Biesbosch’, gelegen op circa 2,8 km ten zuidoosten van het plangebied. Dit gebied heeft de status van Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied [lit. 1]. Op iets grotere afstand liggen het ‘Hollands Diep’ (circa 4 km ten zuiden van het plangebied) en het ‘Oudeland van Strijen’ (circa 5,2 km ten westen van het plangebied). Het Hollands Diep heeft de status van Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied [lit. 1]. Het Oudeland van Strijen is uitsluitend aangewezen als Vogelrichtlijngebied [lit. 1] (afbeelding 4.1). Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op ruim grotere afstand van het plangebied (> 8 km).
Afbeelding 4.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden [lit. 1]
Hieronder wordt voor de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden een korte beschrijving gegeven van het gebied en van relevante aandachtspunten met betrekking tot het gebied.
14 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Biesbosch De Biesbosch bestaat uit een groot aantal eilanden en kreken, die grotendeels zijn begroeid met wilgenbos, in afwisseling met struwelen, ruigten, rietlanden en graslanden. Het gebied stond bekend als het grootste zoetwater getijdengebied van Europa, maar veel van deze faam is teloorgegaan door de uitvoering van de Deltawerken. Wat zich sindsdien gevormd heeft, is een ondoordringbare wil dernis die, vooral door haar uitgestrektheid, nog steeds van groot belang is voor een heel scala aan habitattypen en moerassoorten, waaronder Bever, IJsvogel, Blauwborst, Noordse woelmuis, Fint en Grote modderkruiper. Ook is het gebied rijk aan bijzondere epifytische mossen. Aan de noordoostkant van het gebied ligt een polder- en uiterwaardenlandschap met enkele van de beste voorbeelden van stroomdalgrasland en Weidekervelhooiland in ons land. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor in totaal 9 habitat(sub)typen, 14 habitatrichtlijnsoorten, 8 broedvogels en 22 niet-broedvogels. Een overzicht van deze habitattypen en doelsoorten en hun instandhoudingsdoelstellingen staat in bijlage I. Hollands Diep Het Hollands Diep is een voormalig estuarium dat deel uitmaakt van de delta van Rijn en Maas, die respectievelijk via de Boven-Merwede en de Amer hun water afvoeren naar het Hollands Diep.
Het laatste traject naar de zee wordt gevormd door het Haringvliet, dat in november 1970 zijn open verbinding met de zee verloor door sluiting van de Haringvlietdam. Het peil op het Hollands Diep wordt beïnvloed door de Haringvlietsluizen en de bovenstroomse stuwen. Na afsluiting van het Haringvliet is het Hollands Diep snel zoet geworden. Midden in het Hollands Diep ligt een baggerspeciedepot met bosschages. Het gedeelte van het gebied dat onder de Habitatrichtlijn is aangewezen, betreft een aantal platen en gorzen op de noordoever van het Hollands Diep. De Esscheplaat, Zeehondenplaat en Sasseplaat bestaan voor het grootste deel uit getijdengrienden en vloedbossen (doorgeschoten grienden), die in het verleden onder invloed stonden van het getij. De Oosterse slobbengorzen zijn voormalige slikken en platen, riet- en grasgorzen en grienden. De Hoogezandsche Gorzen zijn buitendijkse grasgorzen. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor in totaal 4 habitattypen, 10 habitatrichtlijnsoorten, 2 broedvogels en 8 niet-broedvogels. Een overzicht van deze habitattypen en doelsoorten en hun instandhoudingsdoelstellingen staat in bijlage II. Oudeland van Strijen Het gebied Oudeland van Strijen kan worden beschouwd als een stuk voorland (buitendijks gebied) van de voormalige Groote of Zuidhollandse Waard.
De Zuidhollandse Waard was een bedijkt gebied dat globaal gelegen was tussen Dordrecht, Werkendam, Heusden en Geertruidenberg. Deze Waard is na de overstromingen in 1421/22 (St. Elizabethsvloed) verloren gegaan. Later is de polder opnieuw bedijkt. Het Oudeland van Strijen, dat vooral bestaat uit grasland- en akkerbouwpercelen, heeft een zeer open karakter. Er is nauwelijks bebouwing en opgaande begroeiing in het gebied aanwezig. Boerderijen staan langs de dijken aan de rand van het gebied. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor de 4 niet-broedvogels kolgans, dwerggans, brandgans en smient. Een overzicht van deze soorten en hun instandhoudingsdoelstellingen staat in bijlage III.
4.1.2
Effecten en conclusie
Fysieke en indirecte effecten Het plangebied bevindt zich op 2,8 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en op ruim 4 km afstand van andere Natura 2000-gebieden in de omgeving. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden is van directe effecten als oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Ook fysieke negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden als verstoring door geluid, licht, trilling of optische verstoring zijn uitgesloten vanwege de relatief grote afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebieden en de tussenliggende barrières (onder andere Dordtse Kil, uitgestrekte landbouwgebieden, snelweg A16 en andere wegen). Van negatieve directe effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake.
15 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Stikstofdepositie Op 1 juli 2021 zijn de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Bnb) op onderdelen gewijzigd. Eén van deze onderdelen is de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningsplicht op grond van artikel 2.9 a, Wnb, welke geldt voor de volgende activiteiten (art. 2.5 Bnb): - het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; - het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De werkzaamheden voor de realisatie van stacaravans vallen onder ‘het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen’. Concreet betekent dit dat de werkzaamheden onder de vrijstelling vallen en de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden niet vergunningplichtig zijn. Deze gevolgen hoeven om deze reden ook niet verder onderzocht te worden. De vrijstelling geldt echter niet voor de gebruiksfase. In de toekomstige gebruiksfase kunnen emissies optreden van met name stikstofoxiden (NOx). Deze komen onder meer vrij uit de verbrandingsmotoren van (vracht)verkeer en bij verwarming van huishoudens.
Het voornemen heeft naar verwachting een verkeersaantrekkende werking. De emissies kunnen resulteren in stikstofdeposities in nabijgelegen beschermde Natura 2000-gebieden. Binnen het bereik van deze deposities bevindt zich een aantal Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen die in de huidige situatie reeds te kampen hebben met een (sterke) overbelasting door stikstof. Bij een (tijdelijke) toename in stikstofdepositie kan al snel sprake zijn van significante negatieve effecten op de kwaliteit van deze habitattypen. Het zal dus van belang zijn de (tijdelijke) stikstofuitstoot tot een minimum te beperken. Om in beeld te brengen of in de gebruiksfase sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat in Natura 2000-gebied en om uit te sluiten of dit een belemmering is voor de ontwikkeling, is aanvullend op voorliggende natuurtoets een stikstofdepositieberekening met AERIUS (versie 2020) uitgevoerd. Uit deze berekening volgt dat er geen depositieresultaten groter dan 0,00 mol/ha/jaar te verwachten zijn als gevolg van het voornemen. Indirecte effecten Indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals vernatting, verdroging of verzilting kunnen als gevolg van de aard van de werkzaamheden en de relatief grote tussenliggende afstand worden uitgesloten.
Van negatieve indirecte effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is dus geen sprake. Vervolgstappen in het kader van de Wnb onderdeel Gebiedsbescherming zijn dan ook niet nodig.
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
4.2.1
Gegevens
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde perceel van het NNN-netwerk is gelegen op een afstand van 300 m ten zuiden van het plangebied (afbeelding 4.2). Het betreft een gedeelte van een ecologische verbinding in de vorm van een watergang en de directe oeverzone. De dichtstbijzijnde percelen die zijn aangewezen onder ‘bestaande en nieuwe natuur’ bevinden zich op ruim 3 km afstand ten noordoosten en noordwesten van het plangebied.
16 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Afbeelding 4.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) [lit. 2]
4.2.2
Effecten & conclusie
Het plangebied grenst niet aan een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop een ‘ecologische verbinding’ aanwezig is ligt op circa 300 m ten zuiden van het plangebied. Omdat het plangebied buiten de grenzen van het NNN ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Zuid-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.
17 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
5 SOORTENBESCHERMING 5.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 3]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 28 september 2021 door een ecoloog van Witteveen+Bos. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.
5.2
Beschrijving per soortgroep
5.2.1
Planten
Bureaustudie Uit de NDFF [lit. 3] blijkt dat er in de afgelopen 5 jaar binnen 3 km van het plangebied 1 waarneming bekend is van wilde ridderspoor. Deze soort is beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb. De waarneming werd gedaan in 2019 in de Dordtse nieuwbouwwijk Wilgenwende, op circa 2,5 km afstand ten oosten van het plangebied (afbeelding 5.1).
18 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Afbeelding 5.1 Waarnemingen in de afgelopen 5 jaar van onder de Wnb beschermde plantensoorten in de omgeving van het plangebied [lit. 3]
De biotoopeisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven. Wilde ridderspoor Wilde ridderspoor is te vinden op zonnige en vochtige, matig voedselrijke kalkhoudende zandige klein in wintergraanakkers en op omgewerkte terreinen op kalkgrond. Ook rondom graansilo’s en graanoverslagbedrijven wordt deze soort aangetroffen [lit. 4].
Er zijn geen waarnemingen bekend van andere onder de Wnb beschermde soorten vaatplanten en mossen in de omgeving van het plangebied, en deze zijn hier op basis van verspreidingsgegevens en/of biotoopvereisten ook niet te verwachten. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren [lit. 4]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantsoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit kortgemaaid gras, bomen en struiken, waaronder soorten als zwarte els, wilg, wilde lijsterbes en liguster. Ook groeien er enkele algemene vaatplanten zoals hondsdraf, grote brandnetel en robertskruid.
Het plangebied en de directe omgeving bieden geen geschikt biotoop aan de beschermde (vaat)planten. Dit is geverifieerd tijdens het veldbezoek van 28 september 2021. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Op basis van de ligging en de
19 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
aard van het plangebied (voornamelijk grasveld, voedselrijk) is het aldus uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde plantsoorten voorkomen. Effecten en conclusie Op basis van de locatie van het plangebied, de gebiedskenmerken en gegevens over waarnemingen en verspreiding van beschermde plantsoorten, is het voorkomen van deze soorten binnen het plangebied uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soortgroep niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 5] zijn in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de planlocaties (3 km) waarnemingen bekend van enkele ‘Andere soorten’ (bijlage A van de Wnb) zoogdieren zoals bunzing, egel, ree en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Deze soorten zijn in de provincie Zuid-Holland vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ingrepen. Tevens zijn waarnemingen bekend van de Habitatrichlijnsoort bever. Het voorkomen van deze soort is bekend in en in de directe nabijheid van een groot aantal watergangen in Dordrecht, ’s-Gravendeel en ook elders in de Hoeksche Waard (afbeelding 5.2). Er zijn geen waarnemingen bekend van andere onder de Wnb beschermde soorten grondgebonden zoogdieren. Echter kan op basis van verspreidingsgegevens de aanwezigheid van de noordse woelmuis in de wijdere omgeving van het plangebied niet worden uitgesloten. Ook deze soort is beschermd onder het beschermingsregime ‘Habitatrichtlijn’ van de Wnb.
Afbeelding 5.2 Waarnemingen in de afgelopen 10 jaar van niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren in de omgeving van het plangebied [lit. 3]
De biotoopeisen van deze soorten worden in onderstaand kader beschreven.
20 | 35
Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief
Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en els. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; open of rotsige oevers worden gemeden [lit 5].
Noordse woelmuis De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, leeft de soort veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Doordat de noordse woelmuis geen watervrees heeft, kan hij goed eilandjes bereiken, waar hij dan vaak als enige woelmuis voorkomt. In gebieden waar geen andere woelmuizen leven, wordt hij ook wel aangetroffen in drogere gedeelten, zoals in wegbermen of zelfs droog naaldbos. De noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen. Hij wordt daardoor naar natte terreinen verdreven waar hij zich prima heeft aangepast [lit. 5].
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het plangebied biedt wel geschikt biotoop aan verschillende algemeen voorkomende soorten van bijlage A van de Wnb zoals egel en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. De watergangen binnen het plangebied bieden mogelijk (suboptimaal) biotoop voor bever. Aanwezigheid van de soort binnen het plangebied kan daarom niet geheel worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek werden geen sporen van bever aangetroffen zoals vraatsporen of beveropgangen. Het voorkomen van noordse woelmuis binnen het plangebied is uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor deze soort in de vorm van hoge vegetaties en natte terreinen. Effecten en conclusie De aanwezigheid van algemeen voorkomende zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) zoals egel en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van de beschikbare gegevens in het plangebied niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling voor artikel 3.10 (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van bestendig beheer en onderhoud bij ruimtelijk ingrepen. Een ontheffingsaanvraag en/of aanvullende mitigerende, dan wel compenserende maatregelen zijn voor deze soorten niet nodig.