aanvraag bijlage 2. Goede onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving
Tekst van het document
27 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Houtopstanden Ter voorbereiding op de voorgenomen plaatsing van de tijdelijke units is een aantal bomen gekapt begin 2024. Dit is gedaan voorafgaand aan het broedseizoen van vogels. Deze bomen waren onderdeel van de reeds uitgevoerde Quickscan en actualisatie. Hieruit was gebleken dat zich alleen in één van deze bomen op basis van de Quickscan verblijfplaatsen van vleermuizen zouden kunnen bevinden. Gezien de resultaten van het uitgevoerde vleermuisonderzoek kan gezien de aangetroffen soorten en hoeveelheid vleermuizen worden uitgesloten dat de boom gebruikt werd als verblijfplaats.
4.4.3
Conclusie
Geen van de getoetste aspecten binnen het thema natuur vormt een belemmering voor de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie.
4.5
Luchtkwaliteit
4.6
Toetsingskader
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl.
De grenzen voor ‘niet in betekende mate bijdragen’ aan de luchtkwaliteit wanneer de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 µg/m2 volgen uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl.
4.6.1
Resultaten
De projectlocatie ligt niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. De huidige achtergrondwaarden PM 10 en NO2 zijn zichtbaar op afbeeldingen 4.3 en 4.4 met de projectlocatie binnen het rode kader weergegeven. Voor de hele projectlocatie ligt de hoeveelheid PM10 tussen de 18-20 µg/m3 en de hoeveelheid NO2 ligt voor de hele projectlocatie tussen de 16 - 20 µg/m3. Beide vallen ruim onder de omgevingswaarden van 40 µg/m3.
28 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 4.3 Luchtkwaliteit fijnstof PM10 2022 (Atlasleefomgeving, d.d. 13 juni 2024)
Afbeelding 4.4 Luchtkwaliteit fijnstof NO2 2022 (Atlasleefomgeving, d.d. 13 juni 2024)
Tevens is de NIBM-tool geraadpleegd. Hierin zijn de totale verwachte verkeersbewegingen van de opvanglocatie na uitbreiding van de opvangcapaciteit ingevuld. Uit het invullen van de NIBM-tool blijkt dat de uitbreiding niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en dat geen nader onderzoek benodigd is. De resultaten van de NIBM-tool zijn opgenomen in afbeelding 4.5.
29 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 4.5 Resultaten NIBM-tool
4.6.2
Conclusie
De huidige achtergrondconcentraties voor PM10 en NO2 liggen ruim onder de wettelijke omgevingswaarden, waardoor sprake is van een gezond klimaat voor mensen. Daarnaast draagt de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen opvang.
4.7
Geluid
4.7.1
Toetsingskader
In het kader van een BOPA dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere make van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke Omgevingsplan, het Besluit kwaliteit leefomgeving (en onderliggende besluiten en regelingen. Conform artikel 22.54 lid 2 onder Bbl van het omgevingsplan hoeft er in het kader van een BOPA voor een periode korter dan 10 jaar niet getoetst te worden aan de bepalingen over geluid in paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan, mits het niet een geluidsgevoelig gebouw betreft. Gezien het project een tijdelijke afwijking betreft voor een periode van minder de 10 jaar, hoeft voor het aspect geluid geen formele toetsing plaats te vinden. Daarnaast is een opvanglocatie niet aangewezen als geluidgevoelige functie. Wel moet er beoordeeld worden of het voornemen voldoet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.7.2
Resultaten
Afbeelding 4.5 geeft de indicatieve cumulatieve geluidsbelasting weer op de projectlocatie van al het geluid in de omgeving. De projectlocatie heeft een indicatieve cumulatieve geluidbelasting van minder dan 45 tot 50 dB wat kwalificeert als zeer goed tot goed. Ook is het terrein waar de uitbreiding op gerealiseerd wordt reeds ingericht voor het verblijf van personen. Daarnaast is de opvang tijdelijk van aard. Het woon- en leefklimaat kan daarmee als aanvaardbaar worden beschouwd.
30 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 4.6 Indicatieve cumulatieve geluidbelasting (Atlasleefomgeving, d.d. 13 juni 2024)
4.7.3
Conclusie
Voor het aspect geluid is formele toetsing aan het Bbl niet aan de orde, gezien de BOPA voor een periode van minder dan 10 jaar is en een opvanglocatie niet is aangemerkt als geluidgevoelige locatie/functie. Wel is getoetst of er sprake is van aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op de locatie is sprake van een indicatieve cumulatieve geluidbelasting die kwalificeert als zeer goed tot goed. Het aspect geluid vormt daarom geen belemmering voor het project.
4.8
Omgevingsveiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke stoffen vrij kunnen komen. De discipline omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij omgevingsveiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: 1 de bescherming van personen middels het borgen van voldoende afstand tussen risico-ontvangers (zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties/gebouwen) en risicobronnen; 2 het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen.
4.8.1
Toetsingskader
Kwetsbare gebouwen en locaties In het omgevingsplan houdt de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening met het belang van een veilige leefomgeving.
31 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
De gemeente moet onder andere regels opnemen om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen. In artikel 5.3 juncto bijlage VI Bkl worden gebouwen en locaties ingedeeld in drie categorieën: 1 zeer kwetsbaar (alleen gebouwen). Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een basisschool, ziekenhuis, kinderopvang of gevangenis; 2 kwetsbaar (gebouwen en locaties). Kwetsbare gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn (dat wil zeggen meer dan 50 personen gedurende 8 uur per dag). Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan een gebouw met een kantoorfunctie, sportfunctie of bijeenkomstfunctie; 3 beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties); De overige gebouwen en locaties die zijn aangewezen in bijlage VI onder A Bkl zijn beperkt kwetsbaar. Risicobronnen Activiteiten met risico’s op het gebied van omgevingsveiligheid worden risicobronnen genoemd. De gemeente moet in het omgevingsplan regels opnemen over omgevingsveiligheid als nieuwe risicobronnen worden toegestaan. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is: ‘de kans op overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit’ (artikel 5.6 Bkl). De grenswaarde voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is 1 op de 1.000.000 per jaar: PR10-6 (artikel 5.7 Bkl). Deze grenswaarde wordt ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR 10 -6 contour van een activiteit komen (artikel 5.8 Bkl). In het Bkl staan voorwaarden waaronder een gemeente bij kwetsbare gebouwen en locaties tijdelijk kan afwijken van de grenswaarden, voor een periode van maximaal 3 jaar (artikel 5.10 Bkl). Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat een gemeente rekening moet houden met de PR 10-6-contour. De gemeente kan hierbij, binnen de voorwaarden van de instructieregel, een eigen afweging maken (artikel 5.11 Bkl). Bepaling PR Voor het toelaten of vergunnen van de activiteiten uit bijlage VII bij het Bkl gelden regels over het plaatsgebonden risico. De volgende categorieën worden in bijlage VII genoemd: - categorie A: activiteiten zonder vergunningplicht met vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico.
Het gaat hier om veel voorkomende, uniforme activiteiten (bijvoorbeeld het opslaan van propaan in relatief kleine boven- of ondergrondse opslagtanks); - categorie B: activiteiten met vergunningplicht met vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico (bijvoorbeeld het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen); - categorie C: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); - categorie D: activiteiten zonder vergunningplicht waarvoor het plaatsgebonden risico berekend moet worden (enkelvoudige windturbines en buisleidingen met gevaarlijke stoffen); - categorie E: activiteiten met vergunningplicht waarvoor het plaatsgebonden risico berekend moet worden (bedrijven met grote hoeveelheden (zeer) gevaarlijke stoffen of bedrijven waar veel handelingen met gevaarlijke stoffen plaatsvinden). Voor categorieën A-C gelden vaste afstanden. Deze staan genoemd in bijlage VII Bkl. De afstanden voor categorie D en E dienen berekend te worden, aan de hand van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid van het Handboek Omgevingsveiligheid van het RIVM.
32 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het bepalen van het GR worden aandachtsgebieden aangewezen. Het Bevoegd Gezag weegt binnen deze aandachtsgebieden af of extra maatregelen nodig zijn ter bescherming tegen de gevolgen van een ongeval. Voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met de volgende aandachtsgebieden: - brandaandachtsgebied; - explosieaandachtsgebied; - gifwolkaandachtsgebied. Artikel 5.15 Bkl is niet van toepassing als voorgenoemde kwetsbare gebouwen en locaties op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan (artikel 5.15a Bkl). Bepaling GR Voor aandachtsgebieden gelden voor categorieën A-C net zoals voor het PR vaste afstanden. Voor categorieën D en E dienen deze te worden berekend met behulp van de software Safeti-NL, aan de hand van invoergegevens zoals de hoeveelheid gevaarlijke stof, de procescondities en de scenario’s (Bkl artikelen 5.12 en 5.13). Het aandachtsgebied hoeft niet in het omgevingsplan te worden opgenomen, maar geldt vanaf het moment dat de activiteit wordt ondernomen.
Het Bevoegd Gezag kan in het omgevingsplan een locatie waar een brand- of explosieaandachtsgebied geldt, aanwijzen als een brand- of explosievoorschriftengebied. Hiervoor gelden dan bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken boven op de standaardeisen. Het voorschriftengebied is verplicht als op die locatie ook zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten.
4.8.2
Resultaten
Aanwezige risicobronnen De voorgenomen uitbreiding leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron. Om de aanwezige risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van de projectlocatie in kaart te brengen is de EV-signaleringskaart geraadpleegd. Op afbeelding 4.6 is een uitsnede van deze kaart te zien.
Afbeelding 4.6 Uitsnede EV-signaleringskaart (d.d. 13 juni 2024)
33 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Uit de risicokaart blijkt dat er 3 relevante risicobronnen in de buurt van de projectlocatie aanwezig zijn: 1 basisnet-zeevaartroutes Corridor Rotterdam-Moerdijk, gedeelte Dordtsche Kil en Hollands Diep (oversteken naar havens Moerdijk); 2 kegelligplaats Rijkswaterstaat; 3 buisleiding (gasleiding) in het beheer van Air Liquide, getypeerd als ‘overige leiding’. In tabel 4.2 zijn de verschillende risicobronnen en de daarbij behorende risicoafstanden opgenomen. De afstand is opgenomen vanaf de plek waar de tijdelijke units worden geplaatst.
Tabel 4.2 Aanwezige risicobronnen EV-Signaleringskaart Nummer
Risicobron
Specifieke informatieinstallatie
Risicoafstand PR 10-6 (m)
Risicoafstand GR (m)
Overige aandachtsgebieden
1
corridor RotterdamMoerdijk (basisnet water)
basisnet zeevaartroutes
0
bij transport over water is er geen GRplafond
brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied
2
vluchthaven kegelschepen RWS
overnachtingshaven kegelschepen RWS
-
-
veiligheidszone
3
buisleiding (gas)
overige leiding
0
-
-
Op ruim 7 km van de projectlocatie bevindt zich de haven van Moerdijk. Deze haven kenmerkt zich door een aanwezigheid van een groot aantal bedrijven waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. De projectlocatie ligt binnen het invloedsgebied van twee van deze inrichtingen, te weten: 1. Shell Chemie Nederland BV. Invloedsgebied van ruim 10,5 km; 2. Afvalstoffen Terminal Moerdijk BV. Invloedsgebied van ruim 9,5 km. Analyse risicobronnen In onderstaande subparagrafen wordt bepaald of de risicobronnen leiden tot een onacceptabel risico voor de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie. Geen van de risicobronnen heeft een plaatsgebonden risicocontour op de projectlocatie. Daarom is nergens sprake van een overschrijding van het plaatsgebonden risicoplafond. In onderstaande subparagrafen wordt de beoordeling van het groepsrisico uitgevoerd. Corridor Rotterdam-Moerdijk Voor de zeevaartroute geldt een plaatsgebonden risicocontour van 0 m, de projectlocatie ligt buiten deze zone. In de Regeling Basisnet zijn de maximale vervoersaantallen per jaar opgenomen per categorie gevaarlijke stof. De maatgevende categorie die op dit tracé van toepassing is betreft GT3, Toxisch gas. Gezien het zeer geringe aantal vervoerbewegingen GT3 per jaar (maximaal 196) is geen groepsrisicoplafond vastgesteld.
34 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
De voorgenomen uitbreiding bevindt zich binnen het gifwolkaandachtsgebied van de Basisnetroute. Voor de beoordeling van het groepsrisico worden de vuistregels uit paragraaf 1.4 van de bijlagen bij de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) toegepast, zijnde de vuistregels voor vervoer over de binnenwateren. Ingevolge tabel 1-30 is sprake van een CEMT-klasse 6 vaarweg, dus de vuistregels voor het groepsrisico uit paragraaf 1.4.2.2 worden toegepast. Toetsing oriëntatiewaarde, vuistregel 1: Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Deze vuistregel geldt voor de gemiddelde vaarwegsituatie. In een nautisch complexe situatie (kruisend verkeer, stroom, bocht en dergelijke) is een vuistregel mogelijk niet geschikt. De projectlocatie bevindt zich niet in of nabij een nautisch complexe situatie, dus bovenstaande vuistregel is van toepassing. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Toetsing 10 % van de oriëntatiewaarde, vuistregel 1: langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10 % van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 m van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500/ha en LT2+GT3>1000 per jaar. Deze vuistregel geldt voor de gemiddelde vaarwegsituatie.
In een nautisch complexe situatie (kruisend verkeer, stroom, bocht een dergelijke) is een vuistregel mogelijk niet geschikt. De projectlocatie bevindt zich niet in of nabij een nautisch complexe situatie, dus deze vuistregel is van toepassing. De hoeveelheid LT2+GT3 per jaar is minder dan 1.000, dus 10 % van de oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. De vaarweg is geen belemmering voor de uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie. Uiteindelijk dient het Bevoegd Gezag de aanvaardbaarheid te beoordelen. Het Bevoegd Gezag kan het extra voorschriften voorschrijven in het gifwolkaandachtsgebied. Vluchthaven kegelschepen RWS Aan de noordzijde van de tijdelijke opvanglocatie ligt een vlucht- en overnachtingshaven voor de binnenvaart, zie afbeelding 4.7. Deze haven dient schippers de gelegenheid te geven om te kunnen voldoen aan de vaar- en rusttijdenregeling uit de Binnenvaartwet. Omdat hier schepen kunnen aanleggen die gevaarlijke stoffen vervoeren, zijn er bepaalde afstanden tot woonfuncties die gewaarborgd dienen te worden. De hoeveelheid en soort gevaarlijke stoffen die een schip bij zich heeft, wordt aangeduid met het aantal kegels. In deze binnenhaven kunnen schepen met 1 of 2 kegels aanmeren.
Conform artikel 7.1.5.4.3 van de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN, 2021) moet tussen schepen met 2 kegels en woongebieden minstens 300 m afstand zitten. Voor schepen met 1 kegel geldt een afstand van 100 m. In afbeelding 4.7 zijn de kegelafstanden van aanmerende schepen ten opzichte van de projectlocatie opgenomen.
35 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 4.7 Hindercirkel 2 kegels (bron: Risicoanalyse Externe veiligheid, 17 september 2014, AVIV)
De uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie vindt plaats door het plaatsen van tijdelijke units. Deze worden zo gesitueerd dat deze buiten de hindercirkel van 300 m liggen. De hindercirkels vormen geen belemmering voor deze voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. De speelvoorzieningen worden verplaatst naar een veld nabij de entree van het terrein (zie bijlage I voor de bijgewerkte situatietekening van het terrein). Deze locatie is gesitueerd binnen de hindercirkel 2 kegels. Dit betreft echter een speelvoorziening waar bewoners gedurende een relatief korte tijd verblijven en betreft geen woonfunctie. Gezien deze tijdelijkheid van het verblijf vormt de hindercirkel 2 kegels geen belemmering voor de verplaatsing van de speelvoorzieningen. Buisleiding De projectlocatie bevindt zich op een afstand van meer dan 300 m van de buisleiding. Hiermee ligt de tijdelijke voorgenomen ontwikkeling niet binnen de aandachtsgebieden van de buisleiding. Inrichtingen In het vigerende tijdelijk deel van het omgevingsplan is realisatie van een camping voor het verblijf van maximaal 500 gasten toegestaan. De voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie leidt tot maximaal 500 bewoners. Dit komt overeen met hetgeen in het vigerend omgevingsplan is toegestaan aan campinggasten op deze locatie. Er is daarom geen sprake van een toename van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde.
4.8.3
Conclusie
De aanwezige risicobronnen in de omgeving van de projectlocatie leiden niet tot een belemmering voor de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie. Het voorgenomen project leidt niet tot realisatie van een nieuwe risicobron. Daarnaast heeft de Veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid in oktober 2021 positief geadviseerd op de paragraaf externe veiligheid uit de ruimtelijke onderbouwing voor de vestiging van de tijdelijke opvang in 2021. Sindsdien zijn er geen nieuwe risicobronnen in de omgeving bijgekomen. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie.
36 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
4.9
Weging van het waterbelang
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effect hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In deze paragraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.
4.9.1
Toetsingskader
In de Omgevingswet wordt het functioneren van het landelijk watersysteem beschreven en wordt de waterveiligheid geregeld. Bovendien regelt de Omgevingswet lozingen op oppervlaktewateren en de bodem. Daarnaast zijn bepaalde wateractiviteiten op grond van de Omgevingswet en het Bal vergunningplichtig: a. lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk; b. een wateronttrekkingsactiviteit; c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk. De watertoets vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in de ruimtelijke plannen. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (paragraaf 5.1.3 Besluit kwaliteit leefomgeving).
4.9.2
Resultaten
Oppervlaktewater De projectlocatie wordt omgeven door verscheidene watergangen. Het is verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen te vervoeren of te laten liggen. Met de voorgenomen ontwikkeling, zijnde een uitbreiding op een bestaande tijdelijke opvanglocatie, worden er geen handelingen of wijzigingen aangebracht in de watergangen die binnen de projectlocatie liggen. Waterkeringen Het terrein van de opvanglocatie in ’s-Gravendeel bevindt zich deels in een beschermingszone van een primaire waterkering zoals aangegeven in de Legger Waterkeringen van waterschap Hollandse Delta. De locatie waar de werkzaamheden voor de tijdelijke uitbreiding plaatsvinden bevindt zich daar niet in. Afvalwater en hemelwater De tijdelijke units worden voorzien van een gescheiden afvalwaterafvoer en hemelwaterafvoer. De afvalwaterstroom wordt door de bestaande riolering en deels nieuw aan te leggen riolering aangeboden op het bestaande gemeentelijke stelsel. Eventuele afstemming met Waterschap Hollandse Delta hierover zal verlopen via de reguliere kanalen.
Gezien de hoge grondwaterstanden in de polder waarin het besluitgebied ligt, is infiltratie van hemelwater nauwelijks mogelijk. Het hemelwater van de woonunits zal worden geloosd op het maaiveld en via de aanwezige terreinriolering afgevoerd worden naar de omliggende poldersloten. Toename verhard oppervlak Door het realiseren van de uitbreiding middels de te plaatsen woonunits neemt het verhard oppervlak in beperkte mate toe. Wanneer de toename van verhard oppervlak in landelijk gebied meer bedraagt dan 500 m2 is een omgevingsvergunning voor het versneld afvoeren van hemelwater nodig. Bij minder dan 500 m2 kan gebruik worden gemaakt van de vrijstelling uit de waterschapsverordening en moet er een melding worden gedaan.
37 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Voor de uitbreiding van de opvanglocatie wordt er ongeveer 470 m 2 aan verharding toegevoegd. Hier vallen zowel de verharding tussen de units (een middenplein) en het pad rondom de units onder. De verharding als onderdeel van de speelvoorzieningen wordt niet vergroot, deze wordt enkel verplaatst naar een andere locatie. Met betrekking tot de toename van verhard oppervlak is afgestemd met Waterschap Hollandse Delta. Het waterschap heeft aangegeven dat de vrijstelling van 500 m 2 bezien moet worden over het gehele terrein en rekening houdend met eerder aangebrachte verhardingen. Eerder is op dit terrein 95 m 2 verharding toegevoegd in het kader van de aanleg van wasgebouwen en enkele tegelpaden. Samen met de huidige toename in verharding van 470 m2 is dus in totaal 565 m2 aan verharding toegevoegd. De grens van 500 m2 is daarmee overschreden. Er geldt een omgevingsvergunningplicht voor de toename van verhard oppervlak, met een compensatieopgave van 14 % (conform beleidsregel 11 van Waterschap Hollandse Delta). Er dient in totaal 79,1 m2 aan oppervlaktewatercompensatie plaats te vinden. Het maken van compenserend water zal worden uitgevoerd door het graven van open water, waarvan de dimensioneringen voldoen aan het beleid van het waterschap.
In afstemming met Waterschap Hollandse Delta wordt hiervoor een compensatieplan opgesteld, waarin rekening wordt gehouden met de aanwezige stuw. Het beheer en de bediening van deze stuw zullen als gevolg van de compensatiemaatregelen niet worden belemmerd. Op basis van het, met waterschap Hollandse Delta afgestemde, compensatieplan wordt separaat een omgevingsvergunning voor de wateractiviteit bij waterschap Hollandse Delta aangevraagd.
4.9.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor het project. Er is weliswaar sprake van een toename in verhard oppervlak, maar hiervoor wordt een passende compensatiemaatregel getroffen, die tevens wordt afgestemd met Waterschap Hollandse Delta. Verder is geen sprake van wijzigingen die een significante impact hebben op de waterhuishouding.
4.10
Bodem
Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde activiteiten? Is er bodemverontreiniging is die de activiteitsdoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid kent specifiek beleid met betrekking tot PFAS/PFOA. De regels in de regio Zuid-Holland Zuid wijken hiermee af van de landelijke regels. Dat komt doordat er in delen van de regio Zuid-Holland Zuid veel meer PFOA in de grond zit dan ergens anders in Nederland. In de ‘Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid’.
4.10.1 Toetsingskader In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
38 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: a. regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerk voorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); b. regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22; Bal); c. regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). Vanuit de Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid’ gelden aanvullende regels ten aanzien van het toepassen van grond. De volgende stappen dienen te worden gevolgd: - bepaal de kwaliteit van de vrijkomende grond via bodemonderzoek; - bepaal aan de hand van een vergelijking van de onderzoeksresultaten met de toepassingskaart (bijlage 1b bij de handreiking) in welke zones de partij grond toe te passen is; - zoek een geschikte bestemming. Aannemers, adviesbureaus en grondbanken kunnen hierbij assisteren.
Voor toepassen van grond is altijd instemming van de perceeleigenaar nodig; - meld de toepassing minimaal vijf werkdagen voor uitvoering bij de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid via www.meldpuntbodemkwaliteit.nl (optie ‘toepassen partij’); - pas de grond toe. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en waterbodemkwaliteit. In 2023 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het gehele terrein van de tijdelijke opvanglocatie. Dit is opgenomen in bijlage V. Op de projectlocatie geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan Hoeksche Waard in combinatie met het ‘TAM-voorbereidingsbesluit bodem’ (d.d. 23 januari 2024) Hierin staan aanvullende regels op het gebied van bodem(werkzaamheden), met betrekking tot het bouwen op een verontreinigde bodem, het graven in de bodem, het saneren van de bodem en het toepassen van bouwstoffen.
4.10.2 Resultaten Het voornemen bestaat uit de uitbreiding van het aantal opvangplaatsen middels tijdelijke units op een bestaande tijdelijke opvanglocatie, waarbij de te gebruiken gronden dezelfde gebruiksfunctie (opvanglocatie) heeft als in de huidige situatie. In de periode van ingebruikneming als tijdelijke opvanglocatie zijn er geen bedrijfsmatige functies uitgeoefend die mogelijk invloed hebben gehad op de kwaliteit van de bodem. In 2023 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het gehele terrein van de tijdelijke opvanglocatie. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld, waarbij is vastgesteld dat deze voldoet aan het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Risico’s voor de volksgezondheid en/of het milieu worden niet aannemelijk geacht. Met betrekking tot PFAS/PFOA is tevens getoetst aan de regels uit de ‘Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid’. De projectlocatie ligt op basis van de toepassingskaart in zone B waar de maximale toegestane concentratie PFOA in toe te passen grond 10 µg/kg d.s. mag bedragen. Op basis van het bodemonderzoek blijkt dat geen hogere concentraties PFOA aanwezig zijn in het projectgebied.
39 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Daarnaast is aanvullend getoetst aan het ‘TAM-voorbereidingsbesluit bodem’ (d.d. 23 januari 2024). Ten tijde van de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek in bijlage V van deze rapportage, was dit voorbereidingsbesluit nog niet van kracht. De resultaten van het bodemonderzoek zijn echter aanvullend getoetst aan de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor PFOA. Op basis van artikel 24.3 van het TAM-voorbereidingsbesluit bodem geldt een maximale waarde toelaatbare kwaliteit van 0,060 mg/kg PFOA. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat deze waarden niet worden overschreden, De hoogst gemeten waarde (monstercode I - mm4) betreft 0,0083 mg/kg. Er zijn, vanuit milieuhygiënisch perspectief bezien, geen belemmeringen om de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren.
4.10.3 Conclusie Het voorgenomen project is vanuit het aspect bodem gelijk aan de bestaande functie op de projectlocatie. Op de gehele opvanglocatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoet aan het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Het aspect bodem levert geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
4.11
Ontplofbare Oorlogsresten
Voor de projectlocatie heeft de gemeente Hoeksche Waard in 2021 een onderzoek laten uitvoeren voor het aspect Ontplofbare Oorlogsresten (OO), ten behoeve van de vestiging van de opvanglocatie. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage VI van dit rapport. Hieruit volgt de verwachting dat er binnen de projectlocatie geen OO worden verwacht. Er hoeven geen verdere maatregelen getroffen de worden. Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor de voorgenomen uitbreiding op het bestaande terrein van de tijdelijke opvanglocatie.
4.12
Ruimtelijke kwaliteit
Het aspect ruimtelijke kwaliteit ziet toe op de coherentie en esthetische waarden van de gebouwde omgeving. Een BOPA kan enkel verleend worden wanneer het te bouwen bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van ‘welstand’. De voorgenomen ontwikkeling ziet op de tijdelijke plaatsing en ingebruikneming van modulaire units op terrein dat reeds in gebruik is als tijdelijke opvanglocatie. Er worden geen permanente bouwwerken gebouwd waarvoor een eventueel welstandsregime van toepassing zou kunnen zijn. Het aspect ruimtelijke kwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
4.13
Archeologie
Bij het aanvragen van een BOPA dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden op de projectlocatie en de omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject rekening gehouden dient te worden.
40 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
4.13.1 Toetsingskader Om te kunnen garanderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijke archeologische monumenten aantast dient er onderzocht te worden of er archeologische monumenten in de bodem aanwezig zijn. De gemeente kan lokale regels hierover stellen (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Het onderzoek kan verschillende vormen aannemen, zoals archeologische begeleiding van baggerwerkzaamheden of het graven van proefsleuven. In 2023 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gehele terrein van de tijdelijke opvanglocatie1. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage VII.
4.13.2 Resultaten In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van gemeente Hoeksche Waard geldt er op de projectlocatie de ‘Waarde - Archeologie - Middelhoog - 1’. Op grond van het omgevingsplan geldt dat er op deze gronden niet mag worden gebouwd, tenzij er is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden in de grond bevinden. Daarnaast zijn verstoringen tot 50 cm onder maaiveld conform het geldend archeologisch beleid in het huidige tijdelijke deel van het omgevingsplan zonder meer toegestaan. In 2023 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gehele terrein van de tijdelijke opvanglocatie. Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het projectgebied een middelhoge archeologische verwachting. Dit is een vrij generieke verwachting die voor het overgrote deel van de Hoeksche Waard wordt gehanteerd, uitgaande van mogelijke resten in de top van het veen uit de IJzertijd tot aan resten in de Nieuwe tijd. Op basis van de resultaten van dit uitgevoerde vooronderzoek wordt de kans dat bij de voorgenomen ontwikkelingen een intacte archeologische vindplaats wordt aangetroffen uit de periode IJzertijd/Romeinse tijd - Late Middeleeuwen, als zeer laag ingeschat.
Er is alleen nog een hoge verwachting in de uiterste noordwest hoek van de opvanglocatie op het aantreffen van de resten van een 19e eeuw stoomgemaal, dat in de jaren 30 van de vorige eeuw is vervangen door een dieselgemaal, die inmiddels ook is gesloopt. Dergelijke resten, voor zover nog aanwezig na de sloop, zijn niet heel zeldzaam of behoudenswaardig; er zijn meerdere voorbeelden bekend. Er is daarom geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en om het projectgebied vrij te geven. Het Bevoegd Gezag, de gemeente Hoeksche Waard, heeft ingestemd met de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Er blijft altijd een wettelijke meldingsplicht geleden voor een archeologische toevalsvondst of waarneming tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Het aspect archeologie vormt gezien de resultaten van het uitgevoerde onderzoek geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
4.13.3 Conclusie Op het gehele terrein van de tijdelijke opvanglocatie is in 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is het projectgebied vrijgegeven. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen uitbreiding van de opvanglocatie.
1
N.b. In dit vooronderzoek is het gehele terrein van de tijdelijke opvanglocatie onderzocht. De inrichtingsschetsen zoals opgenomen in het onderzoek zijn geen actuele inrichtingstekeningen. Voor de volledigheid en duidelijkheid wordt benadrukt dat onderhavige GoFlo alleen betrekking op de voorgenomen tijdelijke uitbreiding zoals weergegeven in de situatietekening in afbeelding 2.2 en bijlage I bij dit rapport.
41 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
4.14
Landschap
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet rekening gehouden worden met het aspect landschap. Hierbij gaat het onder ander om kenmerkende ruimtelijke patronen en structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en de natuurwaarden in de omgeving.
4.14.1 Toetsingskader Gemeentes, provincies en het Rijk kunnen beschermde stads- en dorpsgezichten aanwijzen. Deze staan respectievelijk in het (gemeentelijke) omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening of zijn (op Rijksniveau) aangewezen middels een instructiebesluit. Voor bouwen en woningen in een beschermd stads- of dorpsgezicht gelden er voor bepaalde bouwactiviteiten extra voorwaarden. De activiteiten zijn in de regel minder vaak vergunningvrij. Deze regels staan in art. 2.29 en 2.30 Bbl.
4.14.2 Resultaten De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling ligt niet binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, waardoor geen instructieregels op dit gebied van toepassing zijn. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is een kaart opgenomen met verschillende beschermingsregimes wat betreft ruimtelijke kwaliteit. De projectlocatie bevindt zich in het ‘gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied’. Binnen deze aangewezen gebieden kan een ruimtelijke ontwikkeling worden voorzien mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast en de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. De uitbreiding vindt plaats binnen het bestaande terrein van de reeds aanwezige tijdelijke opvanglocatie en de groenstructuren rondom de tijdelijke opvanglocatie blijven bestaan. Er is sprake van het inpassen van een tijdelijke ruimtelijke ontwikkeling (op basis van artikel 7.43 ZHOV), waarbij de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk blijft (zie ook paragraaf 3.2.2 van dit rapport). Een uitgebreide motivering ten aanzien van het behoud van de ruimtelijke kwaliteit is opgenomen in paragraaf 3.2.2 van deze rapportage.
4.14.3 Conclusie Het aspect landschap vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
4.15
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft 2 doelen: - het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten.
42 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
4.15.1 Toetsingskader De voormalige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt niet meer door de VNG geactualiseerd en Milieuzonering Nieuwe Stijl 2019 biedt een nieuwe aanpak van hoe je bedrijfsmatige activiteiten evenwichtig kunt toedelen aan locaties. In de voormalige VNG-uitgave (2009) is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing passend zijn. In de publicatie is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld kan worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand.
4.15.2 Resultaten Een opvanglocatie wordt niet genoemd in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De huidige en toekomstige tijdelijke vorm van gebruik zijn vergelijkbaar met de functie ‘wonen’. Deze functie kent geen zonering op grond van de VNG publicatie. De tijdelijke opvanglocatie is bovendien reeds aanwezig en leidt niet tot onevenredige milieuhinder in de omgeving. De voorgenomen uitbreiding vindt plaats op bestaand terrein van de tijdelijke opvanglocatie en geeft geen aanleiding voor een andere verwachting hieromtrent. De tijdelijke opvanglocatie zelf kan hinder ondervinden van functies in de omgeving. Ten oosten van de projectlocatie (aan de overzijde van het water) ligt het bedrijventerrein Dordtsche Kil. Op het bedrijventerrein Dordtsche Kil is bedrijvigheid toegestaan tot een maximale milieucategorie 4.2. De bijbehorende aan te houden grootste afstand betreft 300 m. De tijdelijke opvanglocatie ligt op een afstand van meer dan 300 m van de gronden waarop een milieucategorie 4.2 toegestaan is. Ten westen van de projectlocatie is volgens het onderliggende omgevingsplan een caravanstalling en kampeerterrein aan de Platte Schenkel 1a gevestigd. Hiervoor geldt een richtafstand van maximaal 50 m. Met een afstand van meer dan 400 m tot aan de projectlocatie wordt ook aan deze afstand ruimschoots voldaan.
In de huidige situatie is de tijdelijke opvanglocatie reeds in gebruik en wordt geen onevenredige hinder van functies uit de omgeving ervaren. De uitbreiding van de opvanglocatie vindt plaats binnen het bestaande terrein van de opvanglocatie en er is dan ook geen aanleiding voor een andere verwachting hieromtrent.
4.15.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie.
4.16
Duurzaamheid en gezondheid
Toetsingskader Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid bij een BOPA-aanvraag is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. Er is geen algemeen toetsingskader. Per gemeente moet vastgesteld worden of en hoe er getoetst dient te worden. Binnen de gemeente Hoeksche Waard moet bij nieuwe voorstellen in het kader van duurzaamheid worden aangegeven op welke gebieden het project bijdraagt aan circulariteit, biodiversiteit, energieneutraliteit, klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit.
43 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Resultaten Duurzaamheid De uitbreiding vindt plaats op het terrein van een bestaande tijdelijke opvanglocatie. De bebouwing die wordt geplaatst is tijdelijk van aard. De units worden ontwikkeld en geplaatst door Daiwa House Modular Europa Jan Snel Holding B.V (hierna: Jan Snel B.V.). Dit bedrijf beschikt over een CO2-bewust certificaat niveau 5 voor het ‘ontwerpen, verkopen, verhuren, fabriceren, monteren, demonteren, plaatsen en verplaatsen van flexibele systemen. Transport behandeling van ferro en non-ferrometalen en flexibele systemen’ en een certificaat voor duurzaam ondernemen van de Stichting Samen Duurzaam Ondernemen. De units van Jan Snel B.V. zijn zo ontwikkeld dat deze modulair, duurzaam en verplaatsbaar zijn. Modulair bouwen is een vooruitstrevende bouwtechniek waarbij volledig uitgeruste modules in de Jan Snel-fabrieken worden geproduceerd en op locatie tot één gebouw worden samengevoegd. Dit modulaire karakter van de units is uitermate geschikt voor het tijdelijke gebruik als opvanglocatie. Na dit gebruik kunnen de units gedemonteerd en opnieuw elders ingezet worden, waardoor de inzet van deze units bijdraagt aan circulariteit. De tijdelijke uitbreiding van de opvanglocatie heeft daarnaast geen negatieve impact op de lokale biodiversiteit. Op basis van de Quickscan ecologie blijkt dat geen beschermde natuurwaarden worden aangetast.
De projectlocatie bevindt zich verder in een groene omgeving, maar doet hier geen afbreuk aan. De units worden namelijk geplaatst op terrein dat momenteel in gebruik is als (reeds deels verharde) speelvoorziening. Met betrekking tot klimaatadaptatie worden compenserende maatregelen getroffen in het kader van de toename in verharding (zie paragraaf 4.9 ‘Weging van het waterbelang’). Hiermee wordt geborgd dat voldoende ruimte is voor afvoer van regenwater bij extreme neerslag en draagt het project tevens bij aan doelstellingen met betrekking tot klimaatadaptatie. Gezondheid In het omgevingsplan van rechtswege van gemeente Hoeksche Waard (1 januari 2024), gebaseerd op de Bruidsschat, zijn nog geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema gezondheid. Desondanks zijn in dit rapport alle relevante milieu- en omgevingsaspecten die in deze situatie impact kunnen hebben op het aspect gezondheid beoordeeld. De resultaten hiervan zijn in onderhavig hoofdstuk te vinden en daaruit blijkt dat er uit de desbetreffende relevante milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering naar voren komt. Voor het thema gezondheid is ten aanzien van de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvang op deze locatie voldoende gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor de bewoners van de tijdelijke opvanglocatie en de omgeving.
Ook wordt ingezet op een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, door behoud van de speelvoorzieningen op het terrein van het AZC. Het terrein is daarnaast ruim opgezet in een groene omgeving, waardoor voldoende ruimte is voor de bewoners om buiten te kunnen bewegen. Conclusie Voor de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvang vormen de aspecten gezondheid en duurzaamheid geen belemmering.
4.17
Sociale veiligheid
Naast een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving moet een leefomgeving vooral ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere: - informeel toezicht op de openbare ruimte; - persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; - het imago van het (totale) gebied.
44 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Maatregelen die het COA neemt voor beheer in en rond de opvang zijn onder andere: - 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie; - aanwezigheid van COA-medewerkers op de locatie; - huisregels hanteren en toezien op naleving, op locatie en in de omgeving; - eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken; - dagbesteding verzorgen; - informeren over gedragsregels in Nederland; - wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie en/of bereikbaarheidsdienst; - deelname aan structureel veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen; - informeren klankbordgroep en omwonenden via nieuwsbrief en andere vormen van contact indien nodig. Samen met gemeente en politie is het COA verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de opvanglocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de tijdelijke opvanglocatie in de omgeving en kan zo nodig in overleg met het COA en de politie (aanvullende) maatregelen treffen. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie.
45 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
5 UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan. Participatie is onderdeel van de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Er is geen sprake van verwerving van grond of vastgoed. De grond is eigendom van het COA en al in gebruik als tijdelijke opvanglocatie. De uitbreiding middels de tijdelijke units is efficiënt te realiseren. Het COA is verantwoordelijk voor de financiering van de uitvoering en de exploitatieduur. Bijzondere onvoorziene kosten zijn niet te verwachten en het COA is niet afhankelijk van financiële bijdragen van derden, maar wordt gefinancierd vanuit het Rijk.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid: participatie en adviesrecht gemeenteraad
Een BOPA moet maatschappelijk uitvoerbaar zijn. Bij een aanvraag van een BOPA is de aanvrager verplicht om aan te geven of en hoe er aan participatie is gedaan (art. 7.4 Omgevingsregeling). Wanneer de aanvrager aan participatie heeft gedaan, moet de aanvrager aangeven wat de resultaten zijn van de uitgevoerde participatie. Dit aanvraagvereiste omvat in beginsel geen verplichting om aan participatie te doen. Hier geldt één uitzondering op: de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is én het college het Bevoegd Gezag is (art. 16.55, lid 7, Omgevingswet). Gemeente Hoeksche Waard heeft in een besluit (Besluit adviesrecht en verplichte participatie, in werking vanaf 1 januari 2024) vastgelegd bij welke afwijkingen van het omgevingsplan adviesrecht van de gemeenteraad en een participatieverplichting geldt. Uit dit besluit volgt dat het adviesrecht en de participatieplicht geldt voor het verbouwen of aanpassen van maatschappelijke, recreatieve, culturele- of sportvoorzieningen (of een combinatie daarvan) waarbij de toename van het bebouwd oppervlak: a. minimaal 20 % bedraagt ten opzichte van hetgeen maximaal in het omgevingsplan is toegestaan én; b. minimaal 150 m2 bedraagt. Omdat hier sprake is van een maatschappelijke voorziening en het project onder genoemde voorwaarden valt, zijn het adviesrecht en de participatieverplichting van toepassing.
Dit betekent dat de gemeenteraad een bindend advies uitbrengt. In het kader van de participatieverplichting voor de tijdelijke uitbreiding van de opvanglocatie stelde COA een participatieplan op. Dit is opgenomen in bijlage VIII. In dit participatieplan is opgenomen op welke wijze de omgeving wordt betrokken in de voorbereiding van de voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie.
46 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Zoals opgenomen in het participatieplan zet COA in op verschillende communicatiemiddelen met de omgeving, zoals: - een klankbordgroep. er vindt periodiek overleg (klankbordgroep) plaats met de omgeving over het AZC. Hierbij zijn de gemeente, COA en de omgeving (bewoners/nabijgelegen bedrijven, sportverenigingen en ondernemersverenigingen) vertegenwoordigd. In deze klankbordgroep zal de uitbreiding worden toegelicht door het COA; - een informatiebericht: Er wordt een informatiebericht verstuurd via de kanalen van de gemeente en naar lokale pers. Het informatiebericht is bijgevoegd in het participatieplan in bijlage VIII; - een informatieavond (d.d. 16 mei 2024) waarbij nadere informatie is verstrekt over zowel de tijdelijke opvanglocatie op het schip Sans Vitesse, als de tijdelijke uitbreiding van de bestaande opvanglocatie door middel van plaatsing van units; - een informatieavond (d.d. 26 augustus 2024) specifiek gericht op de tijdelijke uitbreiding van de bestaande opvanglocatie. Tijdens deze informatieavond hebben de inwoners van ’s Gravendeel de mogelijkheid gehad om vragen te stellen over de tijdelijke uitbreiding van de opvanglocatie.
Het participatieverslag van deze bijeenkomst is bijgevoegd in bijlage IX bij deze rapportage; - digitale communicatie op de website van COA; - projectpagina gemeentewebsite: door de gemeente Hoeksche Waard wordt een projectpagina ingericht waar informatie over het plan komt te staan.
47 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
6 BELANGENAFWEGING EN EINDCONCLUSIE 6.1
Belangenafweging
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie hoofdstuk 4). Hierbij is getoetst aan de geldende instructieregels. Artikel 8.0b, eerste lid onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat bij een aanvraag om een BOPA de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving het beoordelingskader vormen van een BOPA.
Afdeling 5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving bevat over de volgende onderwerpen instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: - waarborgen veiligheid; - beschermen van waterbelangen; - beschermen van gezondheid en milieu; - beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; - behoud van ruimte voor toekomstige functies; - behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; - bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de aspecten mer-beoordeling, ladder voor duurzame verstedelijking, verkeer en parkeren, flora en fauna, luchtkwaliteit, geluid, omgevingsveiligheid, weging van het waterbelang, bodem, ontplofbare oorlogsresten, ruimtelijke kwaliteit, archeologie, landschap, bedrijven en milieuzonering en duurzaamheid & gezondheid geen belemmering vormen voor voorgenomen uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie. De uitbreiding van de opvanglocatie vindt geheel plaats op terrein van de opvanglocatie zelf, waardoor geen aanvullende ruimte wordt ingenomen die momenteel behoort tot een andere functie. Er is voldoende behoud van ruimte voor toekomstige functies.
Op het terrein is verder voldoende buitenruimte beschikbaar voor bewoners, de speelvoorzieningen die op de locatie van de uitbreiding aanwezig zijn worden op het terrein zelf verplaatst en daarmee gewaarborgd.
48 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
6.2
Eindconclusie
Gezien de nut en noodzaak en gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt voldaan aan de geldende instructieregels met betrekking tot effecten op de fysieke leefomgeving. Alles overwegende wordt de voorgenomen ontwikkeling (uitbreiding tijdelijke opvanglocatie) aanvaardbaar geacht.
49 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Bijlage(n)
I BIJLAGE: INRICHTINGSPLAN TOEKOMSTIGE SITUATIE EN BIJGEWERKTE SITUATIETEKENING TERREIN
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Bijlage I | Definitief 03
-0.394
-0.466
-0.726
-0.894
-0.964
-0.531
-0.611
-0.62 -0.65
-0.62 -0.65
-0.771
-0.535
-0.833
-0.62 -0.65
-0.812
-0.923
-0.824
-0.904
-0.676
-0.662
-0.818 -0.741 -0.738 BP -0.650 NAP
-0.721
200mm boven bestaand asfalt
-0.750
-0.675
-0.900
-1.529
-0.767
-0.703
-0.65 -0.762
03473 -01..9 --1.077
-0.727
-0.704
-0.57
-0.52
-0.52
-0.493
-0.549
-0.79
2%
-0.923
1.93
-0.65
-0.687
12.398
2%
-0.694
-0.724
2%
-0.958
-0.65 -0.702
-0.745
-0.474
-0.714
-0.717
-0.65 -0.775
-0.430
-0.782
-0.711 -0.683
-0.716 -0.695
-0.746
-0.751
-0.719
0.90
-0.773
-0.742
-0.713
-0.8-004.805
1 20 -1.-003.9
-0.787 -0.788
-0.550 -0.546
6.17
-0.65
-0.802
-0.65 -0.721
-0.77
2% -0.570
-0.614
-0.474 -0.52
-0.590
BP -0.650 NAP 200mm boven bestaand asfalt
-0.73
-0.725 -0.738
-0.720 -0.737
-0.719
-0.729
--1.00.81093 -0.981
-0.740
-0.720 -0.810
-0.65
-0.65 -0.53
-0.832 -0.810
-0.888
-0.79
-0.857
-0-.906.9561
-0.906
-0.890
Wasruimte 6x3m -0.631
-0.871
-0.809
-0.785 -0.37
-1.003
-0.921
-0.974
-0.802
-0.850
-0.885
-0.881
-0.483
-0.882 -0.835
-0.534
-0.899 -0.84
6366 -0-.90.9
-0.889 -0.74
-0.98-21.052 -0.980
-0.973 -0.974
-0.6-604.669
-0.921 -0.933
-0.8736 -0.88
-0.76
-0.68 -0.616 -0.614
-0-.905.8083
-0.953
-0.544 -0.546 -0.550 -0.539
--00.9.83735
-0.830
-0.839
-0.782
-0.800
-0.545
-0.905
-0.530
-0.858
-0.818
-0.839 -0.818
-0.796
0
-0.782 18 --00.8 .817
2.0
4.0
6.0
8.0m
schaal 1:200
-0.726
LEGENDA
Opdrachtgever:
Centraal Orgaan opvang Asielzoekers
Inrichting Opsluitbanden 100x200mm kleur grijs, stellen in beton en voorzien van steunrug Betontegels 300x300x60mm Zand voor zandbed 300mm dik
Project:
Uitbereiding AZC Kilweg 41 's-Gravendeel Onderwerp:
Afwerken bermen en inzaaien met graszaad, type n.t.b. Lichtmast, paaltop 4m hoog, armatuur n.t.b. Camera mast, type n.t.b.
Inrichtingsontwerp Getekend:
M. Schoenman
Datum:
12-07-2024
Goedgekeurd:
M. Janssen
Datum:
12-07-2024
Schaal:
1:200
Status:
CONCEPT
Formaat:
A2
Versie:
01
Projectcode:
P07346
Soort document:
TEKENING
Tekeningnummer:
P07346-WE-IN-01-C01
...jecten\P07346\CT ONTWERP\5 WE\P7346-WE-IN.dwg
-0.459
-0.887
-0.78
Discipline
Terrein
Code Datum
Omschrijving
Gewijzigd
Status
Revisie
F
07-03-24
Wijz. pannakooi
NR
Formaat
A0
Schaal
G
24-05-24
Wijziging B009/B010
RS
Getekend
H.H.
Datum 01-02-08
H
29-10-24
Wijz. veiligheid tbv B009 en B010
LBO
Project
20618311
Adres
Kilweg 41
1:500
Omschrijving
Plattegrond Situatie
3295 KC , 's-Gravendeel Object
0140T001 ,
Bouwlaag
Terrein
Tekeningnummer
20618311_T001_T_90_TE_SIT_001 Bestandsnaam 20618311_T001_T_90_TE_SIT.dwg Deze tekening is in beheer bij PeoplePower. Voor vragen kunt u contact opnemen via coa@peoplepower.nl
II BIJLAGE: ACTUALISATIE QUICKSCAN NATUUR, REFERENTIE 133330/22-014.884 D.D. 18 OKTOBER 2022
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Bijlage II | Definitief 03
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Update quickscan ecologie AZC Hoeksche Waard Centraal Orgaan opvang asielzoekers 133330 Concept 01 18 oktober 2022 133330/22-014.884 V.A. van Os MSc L. Bovend’aerde MSc Drs. T. Klumper
Paraaf
Bijlage(n)
I Quickscan flora en fauna noodopvang Hoeksche Waard
Aan
COA -
Kopie
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
N. Wilmink -
Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is voornemens de bestaande noodopvanglocatie aan de Kilweg 41 te ’s-Gravendeel uit te breiden. Deze locatie is in het verleden reeds in gebruik geweest als asielzoekerscentrum (AZC) en sinds eind 2021 weer in gebruik genomen. De werkzaamheden voor de ingebruikname in 2021 waren beperkt; het slopen van bebouwing en het verwijderen van vegetatie en bomen maakten hiervan geen onderdeel uit. Uit een in oktober 2021 uitgevoerde quickscan natuur blijkt dat deze werkzaamheden geen overtreding vormden van de Wet natuurbescherming, mits enkele mitigerende maatregelen ten aanzien van vleermuizen en broedvogels in acht genomen werden (zie bijlage I). De huidige voorgenomen werkzaamheden betreffen echter onder meer de sloop van een bestaande woning, de renovatie, dan wel sloop en nieuwbouw van bestaande kantoorpanden, het verwijderen van vegetatie en het kappen van enkele bomen. Deze werkzaamheden kunnen andere effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied dan uit de eerdere natuurtoets naar voren zijn gekomen. Een actualisatie van de reeds uitgevoerde quickscan is daarom noodzakelijk.