CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

aanvraag bijlage 2. Goede onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving

Besluitvormende raad 28 januari 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Tijdelijk uitbreiden van de opvanglocatie -AZC- op het perceel Kilweg 41 in s-Gravendeel30.702 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Wel geldt te allen tijde de zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Het plangebied heeft geen waarde voor noordse woelmuis. Een aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied van deze Habitatrichtlijnsoort als gevolg van het voornemen, en daarmee een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb, is dan ook niet aan de orde. Het voorkomen van bever binnen het plangebied kan op basis van bekende waarnemingen en het aanwezige biotoop niet geheel worden uitgesloten. De soort zal echter hooguit sporadisch gebruik maken van delen van het plangebied, en het plangebied vormt geen essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving, aangezien het ontbreekt aan waarnemingen van individuen of sporen. Ook bevinden zich in of in de directe omgeving van het plangebied geen bekende burchten. Het voornemen leidt niet tot verstoring of vernietiging van leefgebied voor deze soort; bestaande watergangen en oevers blijven behouden en bevinden zich grotendeels buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Vanwege de kleinschalige en tijdelijke aard van het voornemen, in combinatie met het hooguit sporadisch gebruik door bever, kan worden uitgesloten dat er significante verstoring van individuen of onderdelen van de functionele leefomgeving plaatsvindt. Vervolgstappen en/of een ontheffingsaanvraag ten aanzien van beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn niet nodig.

Wel geldt de algemene zorgplicht.

5.2.3

Vleermuizen

Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de habitat richtlijn (HR). Volgens de NDFF [lit. 3] komen er tenminste 3 soorten vleermuizen voor in de directe

21 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

omgeving van het plangebied. Het betreft waarnemingen van overvliegende en/ of foeragerende individuen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en (gewone) grootoorvleermuis (afbeelding 5.3). Op basis van verspreidingsgegevens kan tevens het voorkomen van laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis in de omgeving van het plangebied niet worden uitgesloten. De waarnemingen van vleermuizen concentreren zich met name binnen de bebouwde kom van Dordrecht en ’s-Gravendeel en langs de Rijksstraatweg te Dordrecht (afbeelding 5.3).

Afbeelding 5.3 Waarnemingen van vleermuizen in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van het plangebied [lit. 3]

De biotoopeisen van deze soorten staan in onderstaand kader beschreven. Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 6].

Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland een zeldzaamheid. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Ze verhuizen vaak. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders [ lit. 6].

22 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 6].

Meervleermuis Kolonies van meervleermuizen bevinden zich vrijwel altijd in gebouwen zoals op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen. In de winter verdwijnen de meeste meervleermuizen op mysterieuze wijze. In Nederland worden in de winter totaal ongeveer 400 meervleermuizen waargenomen. Voor zover we weten overwinteren meervleermuizen in Nederland in mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken en kelders. Ook worden af en toe dieren waargenomen in gebouwen. De vleermuis vliegt na zonsondergang uit, waarbij afstanden tot zo’n 10 km worden overbrugd [lit. 6].

Ruige dwergvleermuis Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Vele solitaire mannetjes of kleine groepen zijn gevonden in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors en in kasten. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend [lit. 6].

Watervleermuis De watervleermuis is een boombewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland, en de bossen op de hogere zandgronden en het krijtlandschap in het oosten en zuiden van Nederland. Desondanks komt de soort ook voor in het laagland op plaatsen waar oudere bossen of parken aanwezig zijn. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden [lit. 6].

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van (sporen van) vleermuizen. Het plangebied vormt wel een geschikt foerageergebied voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van opgaande groenstructuren en watergangen. Het plangebied is hiermee duidelijk geschikter als foerageergebied dan een groot deel van de directe omgeving, waardoor het aannemelijk is dat in de omgeving verblijvende vleermuizen foerageren in het plangebied. Daarnaast dienen de bomenrijen en watergangen mogelijk als (onderdelen van) vliegroutes. Binnen het plangebied bevinden zich enkele potentiële verblijfplaatsen voor zowel boombewonende als gebouwbewonende vleermuissoorten. Het betreft tenminste 2 vleermuisgeschikte boomholtes in verschillende bomen binnen het plangebied (afbeelding 5.4) en vleermuisgeschikte openingen in de bestaande bebouwing. Het daadwerkelijk aantal vleermuisgeschikte boomholtes binnen het plangebied ligt vermoedelijk hoger, aangezien ten tijde van het veldbezoek de bomen in blad stonden en daardoor niet alle bomen volledig geïnspecteerd konden worden.

23 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

Afbeelding 5.4 Vleermuisgeschikte boomholtes binnen het plangebied

Effecten en conclusie Foerageergebied en vliegroutes Het kan niet worden uitgesloten dat er zich binnen het plangebied essentiële foerageergebieden of vliegroutes voor vleermuizen bevinden. Vanwege de relatief grote aanwezigheid van hiervoor geschikte groenstructuren en watergangen binnen het plangebied ten opzichte van de directe omgeving is het aannemelijk dat het plangebied als zodanig wordt gebruikt. Omdat de voorgenomen plannen niet leiden tot een wezenlijke verandering van het plangebied, kunnen bestaande foerageergebieden en vliegroutes in de toekomstige situatie dezelfde functie blijven vervullen. Het is hierbij wel van belang dat met name lichtverstoring wordt voorkomen (zie onder ‘Tijdelijke negatieve effecten’). Met inachtneming van mitigerende maatregelen kan worden uitgesloten dat het voornemen leidt tot verstoring van essentiële (onderdelen van) foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Nader onderzoek en/of een ontheffing zijn dan niet nodig. Verblijfplaatsen Binnen het plangebied bevinden zich verschillende potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. De voorgenomen plannen leiden niet tot een directe aantasting of vernietiging van deze verblijfplaatsen, waardoor deze in de toekomstige situatie dezelfde functie kunnen blijven vervullen.

Er kan echter wel sprake zijn van indirecte (tijdelijke) negatieve effecten wanneer vleermuizen die gebruik maken van verblijfplaatsen in (de omgeving van) het plangebied worden verstoord. In de bestaande situatie wordt uitsluitend verstoring veroorzaakt door menselijke aanwezigheid op het terrein en verkeer over de Kilweg. In de omgeving verblijvende vleermuizen ondervinden hier naar verwachting geen hinder van en/of zijn hier tot op zekere hoogte aan gewend en hebben zich aangepast. Negatieve effecten als gevolg van een bijkomende vergelijkbare mate van verstoring kunnen worden uitgesloten. Gezien de weinig verstorende aard van de ingreep is verstoring van (in verblijfplaatsen aanwezige) vleermuizen daarom in dit geval uitgesloten. Indien ingrijpendere werkzaamheden worden uitgevoerd, zoals bomenkap, renovatie, sloop, bouw, en/of werkzaamheden waarbij trillingen of hard geluid (> 80 dB(A)) worden veroorzaakt, is aanvullend vleermuisonderzoek volgens het vleermuisprotocol 2021 noodzakelijk. Indien uit het onderzoek volgt dat er

24 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

binnen de verstoringscontour van werkzaamheden verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, is voor de uitvoering van verstorende werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Tijdelijke negatieve effecten Tijdelijke negatieve effecten op vleermuizen als gevolg van de werkzaamheden in de aanlegfase en de gebruiksfase kunnen op voorhand niet geheel worden uitgesloten. In de omgeving verblijvende, foeragerende en overvliegende vleermuizen kunnen worden verstoord, wanneer de werkzaamheden en/of het gebruik van de noodopvanglocatie zorgen voor geluid, licht of trillingen in het gebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Tijdens de werkzaamheden is deze vorm van verstoring echter eenvoudig te voorkomen door deze uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen en/of bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang). In de gebruiksfase zullen beperkt geluid en trillingen worden geproduceerd, enkel afkomstig van dagelijkse menselijke activiteiten. Negatieve effecten als gevolg van verstoring door geluid of trillingen in de gebruiksfase zijn daarmee uitgesloten. Wel kunnen aanwezige vleermuizen worden verstoord door licht. Daarom dient waar verlichting nodig is tijdens zowel de aanleg- als gebruiksfase gebruik gemaakt te worden van efficiënt lichtbeheer.

Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel 1 bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/de vliegroute) richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties.

5.2.4

Vogels

Bureaustudie In de afgelopen 5 jaar werden in de wijdere omgeving van de planlocaties verschillende vogelsoorten regelmatig waargenomen zoals blauwe reiger, ekster, houtduif, koolmees en merel [lit. 3]. Voor deze soorten gelden buiten het broedseizoen geen belemmeringen in het kader van de Wnb. Daarnaast werden in de omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief. Van de meeste soorten werden enkel foeragerende of overvliegende individuen waargenomen. Een klein aantal waarnemingen duidt op de aanwezigheid van nesten. Dit is het geval wanneer een territorium is vastgesteld, of een nestplaats of ander nest-indicerend gedrag is waargenomen. Van boomvalk, buizerd, huismus, ooievaar en slechtvalk bevinden zich (vermoedelijk) territoria en nestplaatsen in de wijdere omgeving (afbeelding 5.5). Deze bevinden zich allemaal op geruime afstand van het plangebied.

25 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

Afbeelding 5.5 Nest-indicerende waarnemingen in de afgelopen 5 jaar van vogels met een jaarrond beschermd nest in de wijdere omgeving van het plangebied [lit. 3]

De biotopeneisen van de soorten die vermoedelijk nestelen in de omgeving van het plangebied staan in onderstaand kader beschreven. Boomvalk Broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen; bijna overal waar kraaien en eksters broeden. Dus ook regelmatig in populierensingels, op erven en in hoogspanningsmasten en in stadsparken. Concentraties boomvalken vaak waar veel libellen zijn [lit. 7].

Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 7].

Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft 2 tot 3 legsels per broedseizoen met elk 4-6 eieren. Broedduur: 11-12 dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 7].

Ooievaar Het leefgebied bestaat uit extensief beheerde weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden met een hoge waterstand. Voor een broedplek maakt de ooievaar gebruik van kunstmatige nestgelegenheden op daken en wagenwielen, maar hij broedt ook in zelfgemaakte nesten in bomen [lit. 7].

Slechtvalk Broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. Steeds vaker in nestkasten. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels. Buiten de broedtijd meestal in open

26 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders en dergelijke. Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal [lit. 7].

Veldbezoek Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan verschillende algemene vogelsoorten. Tijdens het veldbezoek werden onder meer ekster, houtduif, meerkoet, pimpelmees roodborst, spreeuw en zwarte kraai waargenomen. Het relatief grote aanbod aan bomen, watergangen en andere vegetatie binnen het plangebied maakt het tevens geschikt als broedbiotoop voor deze en andere algemene broedvogels. Het is aannemelijk dat tenminste enkele van deze soorten hier broeden. Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Wel bevindt zich binnen het plangebied tenminste 1 nest in een grove den (afbeelding 5.6). Dit nest is vermoedelijk van zwarte kraaien maar kan ook worden uitgebouwd en gebruikt door bijvoorbeeld buizerd, ransuil of sperwer. Vanwege de timing van het veldbezoek buiten de bladloze periode kan niet worden uitgesloten dat er nesten over het hoofd gezien zijn. De bestaande bebouwing binnen het plangebied biedt geschikte nestplekken aan gebouwbewonende soorten als huismus en gierzwaluw.

Afbeelding 5.6 Nest in grove den

Effecten en conclusie Het is volgens de Wnb verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (art. 3.1.2. VR). Binnen het plangebied bevinden zich mogelijke 1 of meer jaarrond beschermde nesten. Het betreft boomnesten die in gebruik kunnen zijn bij buizerd, ransuil en sperwer, en geschikte nestplaatsen voor huismus en gierzwaluw in de bestaande bebouwing. Daarnaast vormt het plangebied mogelijk een essentieel onderdeel van het leefgebied van 1 of meer van deze soorten. Gezien de kleinschalige en tijdelijke aard van het voornemen kunnen significante negatieve effecten op potentieel aanwezige jaarrond beschermde nesten echter worden uitgesloten. Er is geen sprake van bomenkap en/of sloop, waardoor vernietiging van nestplaatsen is uitgesloten. De

27 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

bestaande bebouwing bevindt zich op circa 100 m afstand van de werklocatie, waardoor een effect van (de beperkte) geluidbelasting en/of trillingen als gevolg van het voornemen op eventueel aanwezige nestplaatsen van gebouwbewonende soorten is uitgesloten. Van verstoring van nesten in bomen is geen sprake wanneer de werkzaamheden in de aanlegfase plaatsvinden buiten het broedseizoen. Voor algemeen voorkomende broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe 3 mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels.

Als werkzaamheden of andere potentieel verstorende activiteiten plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden. In dit geval zullen de werkzaamheden aanvangen buiten het broedseizoen, en zal er tijdens het broedseizoen sprake zijn van een continu gelijkblijvende mate van verstoring als gevolg van menselijke activiteiten na ingebruikname van de noodopvang. Van vogels die gaan broeden in het plangebied mag derhalve worden aangenomen dat deze niet significant verstoord worden door activiteiten binnen de noodopvang. Negatieve effecten op algemene broedvogelsoorten zijn daarmee uitgesloten.

5.2.5

Amfibieën

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 5] zijn in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de amfibiesoorten gewone pad, kleine watersalamander en bruine kikker (‘Andere soorten’ van de Wnb). Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijk ingrepen. Er zijn geen waarnemingen bekend van amfibiesoorten vallende onder de niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ of Habitatrichtlijnsoorten in de wijdere omgeving van het plangebied, en deze zijn op basis van verspreidingsgegevens ook niet te verwachten. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen (sporen van) amfibieën aangetroffen. Het plangebied biedt mogelijk geschikt biotoop aan algemeen voorkomende amfibiesoorten. Deze kunnen gebruik maken van de watergangen en de aangrenzende oevers. De aanwezigheid van onder de Wnb beschermde (nietvrijgestelde) amfibiesoorten kan worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens en habitatvereisten. Effecten en conclusie Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende ‘Andere soorten’ amfibieën zoals de gewone pad, kleine watersalamander en bruine kikker niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten geldt het kader van ruimtelijke ingrepen een algemene vrijstelling.

Het plangebied heeft geen waarde voor niet-vrijgestelde amfibiesoorten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor deze soorten en de ligging van het plangebied buiten het verspreidingsgebied van deze soorten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

28 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

5.2.6

Reptielen

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 3] is in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van het plangebied 1 waarneming gedaan van muurhagedis (niet wild) (afbeelding 5.7). Deze waarneming werd gedaan in het buurtschap Schenkeldijk, op circa 2 km afstand ten zuidwesten van het plangebied. Ook op het eiland van Dordrecht is een niet-wilde populatie bekend van deze soort. Muurhagedis is beschermd onder de Habitatrichtlijn. Er zijn geen andere waarnemingen bekend van niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’ reptielen of soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn in de wijdere omgeving van het plangebied, en deze zijn op basis van verspreidingsgegevens ook niet te verwachten [lit. 10].

Afbeelding 5.7 Waarnemingen van beschermde reptielsoorten in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van het plangebied [lit 3]

De biotoopeisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven. Muurhagedis De muurhagedis komt in ons land uitsluitend in Maastricht voor. De muurhagedis is een warmte minnende soort, die in het noorden van zijn verspreidingsgebied alleen voorkomt in rivierdalen, omdat daar gunstigere klimatologische omstandigheden heersen. De soort kwam hier oorspronkelijk voor op warme, stenige plekken, zoals rotswanden. Met de bouw van stadsmuren kreeg de soort ook de gelegenheid om zich op muren te vestigen, zoals in Maastricht, en nog recenter kwamen daar spoortrajecten bij [lit. 8].

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, reptielsoorten aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde reptielsoorten. Het plangebied en de directe omgeving liggen volledig buiten het verspreidingsgebied van reptielsoorten in Nederland. Bovendien vinden ze er geen geschikt leefgebied. Zo komen deze soorten bijvoorbeeld voor in zandige terreinen en voldoende open, zonnige plekken (zandhagedis, adder), waterrijke gebieden op

29 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden (ringslang), heide (gladde slang, levendbarende hagedis) en houtwallen en spoorbermen (hazelworm). Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielsoorten en de ligging buiten het verspreidingsgebied van beschermde soorten reptielen, kan worden uitgesloten dat beschermde reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

5.2.7

Vis

Bureaustudie Binnen het gedeelte van het plangebied waar gewerkt zal worden is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid en de verstoring van beschermde vissoorten is daarmee uitgesloten. Nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.

5.2.8

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 3] is in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de planlocatie 1 waarneming bekend van rivierrombout (afbeelding 5.8). Deze waarneming werd gedaan langs de Dordtse Kil, op circa 1 km afstand ten zuiden van het plangebied. Ook in de andere grotere wateren rondom Dordrecht zijn waarnemingen bekend van de soort. Rivierrombout is beschermd onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb.

Afbeelding 5.8 Waarnemingen in de afgelopen 3 jaar van de bosbeekjuffer in de omgeving van het plangebied [lit. 3]

30 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

De biotoopeisen van rivierrombout worden in onderstaand kader beschreven. Rivierrombout In Nederland wordt de Rivierrombout vooral langs grote rivieren aangetroffen. Bij meer door de mens beïnvloede rivieren (zoals in Nederland) bestaat de biotoop uit ondiep water met een glooiende, zandige oever tussen kribben. De kribben zorgen voor een plaatselijk lagere stroomsnelheid [lit. 9].

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Het plangebied en de directe omgeving voldoen niet aan de (hoge) eisen van rivierrombout of van andere beschermde soorten vlinders, libellen en ongewervelden zoals heide, plantenrijke vennen, zuurstofrijke beken, verlandingsvegetaties met krabbescheer, zandstrandjes langs de grote rivieren, bloem- en/of kruidenrijke graslanden, blauwgraslanden, moerassen, bos en stromend water. Daarnaast komen de waardplanten van de soorten binnen het plangebied niet voor [lit. 9]. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

31 | 35

Witteveen+Bos | 128312/21-015.220 | Definitief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14947542/1