aanvraag bijlage 2. Goede onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving
Tekst van het document
AZC ’s-Gravendeel uitbreiding Goede onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving
Centraal Orgaan opvang asielzoekers 1 november 2024
Project Opdrachtgever
AZC ’s-Gravendeel - uitbreiding Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Referentie
Goede onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving Definitief 03 1 november 2024 141383/24-015.988
Projectcode
141383
Document Status Datum
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Projectlocatie
6
1.2.1 1.2.2
Ligging AZC ‘s-Gravendeel Begrenzing
6 7
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
8
1.3.1
8
1.3
Toetsing omgevingsplan
1.4
Leeswijzer
9
2
BESCHRIJVING HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE
10
2.1
Huidige situatie
10
2.2
Toekomstige situatie
11
3
BELEIDSKADER
14
3.1
Rijksbeleid
14
3.1.1
14
3.2
3.3
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Provinciaal beleid
14
3.2.1 3.2.2
14 15
Omgevingsvisie Zuid-Holland Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)
Gemeentelijk beleid
18
3.3.1
18
Omgevingsvisie Hoeksche Waard
4
FYSIEKE LEEFOMGEVING
20
4.1
Mer-beoordeling
20
4.1.1
20
Toetsingskader
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
21
4.3
Verkeer en parkeren
21
4.3.1 4.3.2
21 23
4.4
Resultaten Conclusie
Flora en fauna
23
4.4.1
23
Toetsingskader
4.4.2 4.4.3
Resultaten Conclusie
26 28
4.5
Luchtkwaliteit
28
4.6
Toetsingskader
28
4.6.1 4.6.2
28 30
4.7
Geluid 4.7.1 4.7.2 4.7.3
4.8
4.9
4.10
Resultaten Conclusie
30 Toetsingskader Resultaten Conclusie
30 30 31
Omgevingsveiligheid
31
4.8.1 4.8.2 4.8.3
31 33 36
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Weging van het waterbelang
37
4.9.1 4.9.2 4.9.3
37 37 38
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Bodem 4.10.1 4.10.2 4.10.3
38 Toetsingskader Resultaten Conclusie
38 39 40
4.11
Ontplofbare Oorlogsresten
40
4.12
Ruimtelijke kwaliteit
40
4.13
Archeologie
40
4.13.1 4.13.2 4.13.3
41 41 41
4.14
4.15
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Landschap
42
4.14.1 4.14.2 4.14.3
42 42 42
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Bedrijven en milieuzonering
42
4.15.1 4.15.2 4.15.3
Toetsingskader Resultaten Conclusie
43 43 43
4.16
Duurzaamheid en gezondheid
43
4.17
Sociale veiligheid
44
5
UITVOERBAARHEID EN PARTICIPATIE
46
5.1
Economische uitvoerbaarheid
46
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid: participatie en adviesrecht gemeenteraad
46
6
BELANGENAFWEGING EN EINDCONCLUSIE
48
6.1
Belangenafweging
48
6.2
Eindconclusie
49
Laatste pagina
49
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Inrichtingsplan toekomstige situatie
2
II
57
III
Actualisatie Quickscan natuur, referentie 133330/22-014.884 d.d. 18 oktober 2022 Vleermuisonderzoek
IV
Stikstofdepositie onderzoek, referentie 141283/24-015.985 d.d. 1 november 2024
22
V
Verkennend bodemonderzoek, referentie 133330/23-012.723 d.d. 31 juli 2023
355
VI
Onderzoek ontplofbare oorlogsresten
78
VII
Archeologisch vooronderzoek
38
VIII
Participatieplan
9
IX
Participatieverslag
11
31
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Momenteel is er sprake van een grote instroom van asielzoekers, terwijl er een tekort is aan opvangplaatsen. Daarom moeten met urgentie extra opvangplaatsen worden gerealiseerd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is landelijk bezig om zo spoedig mogelijk tijdelijke opvangplaatsen te realiseren. In ’s-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, heeft het COA aan de Kilweg 41 een locatie in gebruik als tijdelijke opvanglocatie. Er is hier momenteel sprake van een tijdelijke omgevingsvergunning tot 15 december 2027 met een huidige vergunde opvangcapaciteit van 400 personen. Het COA is voornemens om deze opvangcapaciteit met 100 plekken uit te breiden, tot een capaciteit van in totaal 500 personen middels de plaatsing van tijdelijke units op het bestaande terrein. De gemeente Hoeksche Waard heeft het bestuurlijk besluit genomen om mee te willen werken aan het vergroten van het aantal bedden tot 500. Omdat de huidig vergunde maximale opvangcapaciteit 400 is, past de uitbreiding naar 500 personen niet binnen de bestaande omgevingsvergunning. Om deze reden wordt er een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd voor het tijdelijk afwijken van het omgevingsplan. Met deze vergunningsaanvraag worden dus 100 extra opvangplekken gerealiseerd.
In hoofdstuk 2 van deze rapportage wordt nader ingegaan op de bestaande situatie en benodigde fysieke aanpassingen op het terrein.
1.2
Projectlocatie
1.2.1
Ligging AZC ‘s-Gravendeel
De projectlocatie ligt aan de Kilweg 41 te ’s-Gravendeel in de gemeente Hoeksche Waard, in de provincie Zuid-Holland. De locatie ligt op een rustige plek aan de zuidzijde van ’s-Gravendeel en ligt nabij de rivier de Dordtsche Kil. De locatie is weergegeven op afbeelding 1.1 en is kadastraal bekend onder GVD02-K-103.
6 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 1.1 Globale ligging noodopvanglocatie
1.2.2
Begrenzing
Deze GoFlo heeft betrekking op het kadastraal perceel (blauw gemarkeerde vlak) in afbeelding 1.2. De rode kaders op deze afbeelding geven de projectlocaties (units en speelvoorzieningen) weer waar een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) plaatsvindt om de voorgenomen capaciteitsuitbreiding op de bestaande opvanglocatie te kunnen realiseren.
7 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 1.2 Begrenzing kadastraal perceel (blauw) met locatie tijdelijke units en speelvoorzieningen (rode kaders)
1.3
Van bestemmingsplan naar omgevingsplan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen van de gemeenten van rechtswege onderdeel geworden van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder andere de Wro en de Wabo naar de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet spreken we niet meer van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Het afwijken van het bestemmingsplan (ook wel planologisch strijdig gebruik) valt nu onder de noemer van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit BOPA.
1.3.1
Toetsing omgevingsplan
Op dit moment is de tijdelijke opvanglocatie mogelijk gemaakt via een omgevingsvergunning tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan. Voor nu betekent het dat de locatie overeenkomstig gebruikt mag worden door de tijdelijke vergunning die is afgegeven tot 15 december 2027. De uitbreiding van het aantal opvangplaatsen en de uitbreiding van de bebouwing past niet binnen de eerder verleende vergunning. Om dit toch mogelijk te maken is een BOPA nodig. Op de projectlocatie geldt nu het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard. Dit tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de volgende voormalige bestemmingsplannen: - Landelijk Gebied Binnenmaas (d.d. 24 december 2013); - TAM-voorbereidingsbesluit bodem (d.d. 23 januari 2024).
8 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Op de projectlocatie gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen via het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hoeksche Waard, deze zijn tevens allemaal van kracht op het deel waar de units geplaatst worden: - enkelbestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie (artikel 16 planregels bestemmingsplan); - dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1 (artikel 37 planregels bestemmingsplan); - functieaanduiding Bouwvlak; - functieaanduiding specifieke vorm van recreatie - Kilweg; - diverse voorbeschermingsregels vanuit het TAM-voorbereidingsbesluit bodem (d.d. 23 januari 2024). Relatie met voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling om extra opvangplaatsen te voorzien op het bestaande terrein van de opvanglocatie middels het toevoegen van tijdelijke units past niet binnen het huidige toegestane gebruik binnen het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard in combinatie met het onderliggende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ d.d. 24 december 2013). De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is in strijd met het gebruik zoals omschreven in de enkelbestemming ‘Recreatie Verblijfsrecreatie’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - Kilweg’. Ten aanzien van het TAM-voorbereidingsbesluit bodem (d.d. 23 januari 2024) gelden diverse voorbeschermingsregels.
Op het aspect bodem wordt nader ingegaan in paragraaf 4.10 van deze rapportage. In 2021 is een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een tijdelijke opvanglocatie. In 2022 is een omgevingsvergunning verleend voor verlenging van het gebruik van de tijdelijke opvanglocatie. In het kader van deze eerder verleende omgevingsvergunningen voor de vestiging en verlenging van de tijdelijke opvanglocatie heeft reeds een afweging plaatsgevonden van de relevante effecten op de omgeving. Het Bevoegd Gezag, de gemeente Hoeksche Waard, heeft met het verlenen van de eerdere omgevingsvergunningen de tijdelijke opvanglocatie aanvaardbaar geacht. De huidige vergunde maximale opvangcapaciteit is 400 personen. De uitbreiding van de opvangcapaciteit naar 500 personen en de daarvoor te realiseren tijdelijke bebouwing passen niet binnen de eerder verleende omgevingsvergunningen. Om deze reden wordt er een BOPA aangevraagd, voor het tijdelijk afwijken van het omgevingsplan. De gevolgen van de voorgenomen uitbreiding (tot uiterlijk 15 december 2027) op het bestaande terrein van de tijdelijke opvanglocatie worden in onderhavig rapport behandeld.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een nadere beschrijving van het project gegeven. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de beoogde ontwikkeling aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van het realiseren van de uitbreiding van de opvanglocatie. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de uitbreiding van de opvanglocatie toegelicht. Hoofdstuk 6 gaat in op de financiële uitvoerbaarheid en handhaving.
9 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
2 BESCHRIJVING HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie beschreven. Eerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie.
2.1
Huidige situatie
Op het terrein aan de Kilweg 41 was eerder een asielzoekerscentrum gevestigd, van 1992 tot 2013. In 2014 is de bestemming van het terrein gewijzigd ten behoeve van het gebruik als camping. Dit gebruik is niet gerealiseerd. De projectlocatie heeft vanaf 2015 voor twee jaar als tijdelijk asielzoekerscentrum gefungeerd. Vanaf eind 2021 wordt het terrein weer ingezet voor de tijdelijke opvang van asielzoekers. De huidige vergunning voor het tijdelijk afwijken van het omgevingsplan loopt tot december 2027. In de directe omgeving van de projectlocatie ligt de binnenvaartweg Dordtsche Kil. Ter hoogte van de projectlocatie ligt een vluchthaven voor schepen waarmee risicovol transport plaatsvindt (kegelschepen). Langs de Dordtsche Kil ligt een dijk die fungeert als primaire waterkering. Achter de dijk ligt de lokale gebiedsontsluitingsweg de Kilweg. De huidige opvanglocatie bestaat uit 88 tijdelijke stacaravans, 5 wasgebouwen en de voor ondersteunende diensten van de opvang weer in gebruik genomen bestaande facilitaire gebouwen van het voormalige azc. De stacaravans bestaan uit één bouwlaag van maximaal 3 m hoog. De stacaravans zijn geplaatst op een afstand van meer dan 300 m van de inrichtingsgrens van de vluchthaven aan de Dordtsche Kil. 4 van de 5 wasgebouwen staan wel binnen die inrichtingsgrens.
In de reeds bestaande gebouwen zijn een gezondheidscentrum, kantoren van COA en een administratieve ruimte van Vluchtelingenwerk gehuisvest. Op de locatie waar de units geplaatst worden, is een pannakooi en een basketbalveldje aanwezig. De afmetingen van deze pannakooi bedragen ongeveer 6.30 m bij x 6.30 m, met daaromheen een hek van 90 cm hoog. Het basketbalveld kent een afmeting van circa 25 m bij 12 m met een gedeeltelijk hek van 3.5 m achter de baskets aan weerszijden. In afbeelding 2.1 zijn foto’s van deze speelvoorzieningen weergegeven. De speelvoorzieningen zullen worden verplaatst naar een andere locatie op het terrein (zie paragraaf 2.2).
10 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 2.1 Links: pannakooi, rechts: basketbalveldje
2.2
Toekomstige situatie
Gezien het dringende landelijke tekort aan opvangplaatsen is COA voornemens om de bestaande opvanglocatie aan de Kilweg 41 in ’s-Gravendeel uit te breiden naar een maximale opvangcapaciteit van 500 personen. Dit wordt mogelijk gemaakt door het plaatsen van twee tijdelijke units op het bestaande terrein in de noordwestelijke hoek van het terrein. Gezien het feit dat er een hindercontour over de locatie ligt vanwege de ligplaats van kegelschepen in de nabijgelegen vluchthaven, is er alleen in die hoek van het bestaande terrein de mogelijkheid voor het realiseren van extra verblijfsplekken buiten de hindercontour. Buiten de verplaatsing van de, in de bestaande situatie aanwezige, speelvoorzieningen (zie paragraaf 2.1) is geen sprake van andere objecten die in de weg staan voor de plaatsing van de unitgebouwen. Zo hoeven geen bomen of struiken te worden geveld. De tijdelijke units hebben twee woonlagen en hebben een technische capaciteit van 55 plekken per unit. In de units worden maximaal 50 personen gehuisvest per unit, zodat het totaal aantal opgevangen personen op de opvanglocatie maximaal 500 bedraagt. Zie voor de globale ligging van de tijdelijke units afbeelding 2.2. In afbeelding 2.3 is het inrichtingsplan voor de toekomstige situatie weergegeven. Deze is ook opgenomen in bijlage I bij deze rapportage.
De pannakooi en het basketbalveld worden in zijn geheel verplaatst naar een veld vooraan het terrein, naast de receptie (zie groene cirkel in afbeelding 2.4). De bijgewerkte situatietekening van het terrein, waarop de nieuwe locatie van de speelvoorzieningen te zien is, is tevens bijgevoegd in bijlage I bij onderhavige rapportage. De benodigde ontgraving voor de verplaatsing is minimaal, en zal niet dieper gaan dan 50 cm onder het maaiveld. Ook voor deze werkzaamheden hoeven geen houtopstanden te worden geveld. De verplaatsing van de speelvoorzieningen is strijdig met de bouwregels uit het omgevingsplan, vanwege een overschrijding van de bouwhoogte en het feit dat de speeltoestellen ten behoeve het azc worden verplaatst (en niet ten behoeve de bestemming ‘recreatie’). Vanwege deze strijdigheid wordt voor de verplaatsing van de speelvoorzieningen meegenomen in de omgevingsvergunningaanvraag voor de tijdelijke buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Tot slot wordt op het terrein een nieuwe brandweeropstelplaats gerealiseerd met brandhydrant en doorgang naar een naastgelegen sloot, deze is weergegeven in de situatietekening in bijlage I. In het kader van brandveiligheid is reeds een bestaande brandweeropstelplaats aanwezig, die in stand gehouden wordt. De brandweer heeft, naast de algemene ingang aan de oostzijde, tevens een eigen ingang tot het terrein aan de westzijde.
11 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 2.2 Globale ligging toekomstige woonunits op projectlocatie
Afbeelding 2.3 Inrichtingsplan toekomstige situatie
12 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 2.4 Toekomstige locatie speelvoorzieningen (groene cirkel)
13 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde uitbreiding op bestaand terrein van de tijdelijke opvanglocatie relevant ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie en gemeente beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het project en het beleid. Daarnaast wordt getoetst of het project in overeenstemming is met het geldende beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: a. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; b. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; c. sterke en gezonde steden en regio’s; d. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling In de NOVI staat omschreven dat de opvang van asielzoekers een taak van het Rijk is als onderdeel van het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften. Het COA voert dit als uitvoeringsorgaan uit. Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI verder geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI.
Het NOVI heeft geen consequenties voor het voornemen.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Op 1 april 2023 hebben Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland de omgevingsvisie gewijzigd vastgesteld. Met deze omgevingsvisie streeft de provincie Zuid-Holland naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Het doel en de opzet van de Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland.
14 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
De provincie heeft 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat en dienen als stip op de horizon: 1 Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2 Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3 Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4 Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5 Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6 Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7 Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling Het betreft een zodanig specifieke ontwikkeling dat hier in de Omgevingsvisie Zuid-Holland geen beleidslijnen voor zijn vastgelegd. Gezien het abstractieniveau waarop deze ambities geformuleerd zijn, worden er geen belemmeringen gezien in relatie tot de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
3.2.2
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)
De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) geldt per 1 januari 2024 en is het meest recentelijk gewijzigd op 24 juli 2024. Deze verordening beschrijft de gebieden en begrenzing van de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving in de provincie Zuid-Holland. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is rekening te houden met de waarden zoals opgenomen in de ZHOV. Ook bij voorliggend project is rekening gehouden met de diverse beleidsonderwerpen waarvoor regels zijn opgesteld in de omgevingsverordening en die van toepassing zijn op onderhavige locatie. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De TAM-omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (geconsolideerd d.d. 24 juli 2024) is geraadpleegd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet.
Op basis hiervan blijkt dat op de locatie van de tijdelijke units de volgende provinciale (gebieds)regels van toepassing zijn: - Aanwijzing ‘Zuid-Holland’: dit betreft een afbakening van het plangebied waarop de omgevingsverordening ziet, en heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling; - Aanwijzing ‘Waterschap Hollandse Delta’: dit betreft een afbakening van het beheergebied van Waterschap Hollandse Delta en heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling; - Aanwijzing ‘peilbesluitgebied’: dit betreft een aanwijzing van regionale wateren waarvoor het waterschap een peilbesluit dient te nemen. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen effecten op het lokale waterpeil. Op het aspect water wordt nader ingegaan in paragraaf 4.9 van deze rapportage; - Aanwijzing ‘regionale wateren’: dit betreft een aanwijzing met betrekking tot overstromingskansen voor regionale wateren. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen effecten op het lokale waterpeil en/of waterkeringen. Op het aspect water wordt nader ingegaan in paragraaf 4.9 van deze rapportage; - Aanwijzingen ‘gebied met beschermingscategorie 3’ en ‘cat.3 buitengebied’: dit betreft een aanwijzing ‘buitengebied’, waarvoor regels gelden met betrekking tot de borging van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.
In de omgevingsverordening wordt gesteld dat een omgevingsplan enkel een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling toelaat indien de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Voor gebieden met beschermingscategorie 3 geldt dat een ruimtelijke ontwikkeling enkel mogelijk is indien het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast. In onderstaande alinea wordt hier nader op ingegaan.
15 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Beschermingscategorie 3 - buitengebied In algemeenheid geldt op basis van de instructieregels uit paragraaf 7.3.7 van de ZHOV dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit geborgd moet worden. Op basis van artikel 7.43a van de ZHOV geldt dat een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling enkel toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van 3 soorten met verschillende maten van ingrijpendheid: 1 inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; 2 aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; 3 transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling ligt daarnaast binnen een gebied met de specifieke beschermingscategorie 3 - buitengebied. Binnen dit gebiedstype geldt op basis van artikel 7.43h van de ZHOV dat een ruimtelijke ontwikkeling enkel mogelijk is indien het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast.
Op basis van artikel 7.43h, lid 2 van de ZHOV moet op een aantal aspecten worden ingegaan: - de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; - de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; - het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. In onderstaande alinea’s wordt per van toepassing zijnde instructieregel uit paragraaf 7.3.7 van de ZHOV gemotiveerd waarom hier binnen de voorgenomen ontwikkeling aan wordt voldaan. Motivering artikel 7.43a: borgen ruimtelijke kwaliteit (in combinatie met 7.43c randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) Dit artikel beschrijft het volgende: 1 een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft; 2 in een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: · de beschermingscategorie en het gebiedstype; · het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; · de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A; 3 voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar
belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat. In het kader van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling wordt voldaan aan de instructieregels uit artikel 7.43a. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van een opvanglocatie die plaatsvindt op het terrein van een reeds in gebruik zijnde opvanglocatie. Op de gronden waar de uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie wordt voorzien, zijn in de bestaande situatie speelvoorzieningen aanwezig, die gebruikt worden door de huidige bewoners. De uitbreiding van de opvanglocatie vindt plaats door middel van plaatsing van tijdelijke units van twee bouwlagen. De units kennen hiermee een maximale bouwhoogte van 6,12 m. De speelvoorzieningen worden verplaatst naar een andere locatie op eigen terrein. Doordat de uitbreiding en de verplaatsing van de speelvoorzieningen geheel op het terrein van de opvanglocatie zelf plaatsvinden, is geen sprake van een nieuwe ruimteclaim in de omgeving. Het terrein is gelegen in een groene omgeving, met bosschages en watergangen. De voorgenomen ontwikkeling wijzigt dit ruimtelijke karakter niet, er worden geen bomen gekapt of watergangen gedempt. De ontwikkeling is bovendien tijdelijk van aard. De mate van ingrijpendheid van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling kan op basis van artikel 7.43 en 7.43c worden gekwalificeerd als ‘inpassen’.
De voorgenomen tijdelijke ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, aangezien het perceel reeds in gebruik is als opvanglocatie voor asielzoekers en geen structurele wijzigingen aanbrengt aan de ruimtelijke kenmerken op het terrein.
16 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
De tijdelijke ontwikkeling past binnen de schaal en aard van het gebied, vanwege de beperkte bouwhoogte en functionele relatie met het bestaande vergunde gebruik op het terrein. De ruimtelijke kwaliteit van het gebied blijft per saldo ten minste gelijk. Er is tevens getoetst aan de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX onder A van de ZHOV. Deze bijlage verwijst naar de ‘Beleidskeuze Landschap bij de Omgevingsvisie Zuid-Holland. In dit document zijn richtpunten opgenomen voor specifieke landschappen. Op basis van de Kwaliteitskaart van provincie ZuidHolland ligt de tijdelijke opvanglocatie geheel binnen het ‘Rivierdeltacomplex - Jonge Zeeklei’. Binnen deze aanduiding geldt het volgende richtpunt: ‘Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.’ De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft een beperkte ruimteclaim, enkel op eigen terrein, waardoor voldoende ruimte behouden wordt voor dynamische natuurlijke processen. Op het behoud van het groene karakter en op welke manier rekening wordt gehouden met de beschermingscategorie en het gebiedstype wordt nader ingegaan in de motivering onder artikel 7.43h.
Motivering artikel 7.43b: aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie In dit artikel staat omschreven dat: - een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h. In hoeverre overeenstemming is met artikel 7.43h wordt nader toegelicht in de motivering onder artikel 7.43 hieronder. Motivering artikel 7.43h: gebiedstype 3 - beschermingscategorie 3 buitengebied Dit artikel beschrijft het volgende: 1 een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied; 2 in de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: · de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; · de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; · het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; · de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap; 3 het eerste lid is niet van toepassing
op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46. In het kader van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling wordt voldaan aan de instructieregels uit artikel 7.43h. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van een opvanglocatie die plaatsvindt op het terrein van een reeds in gebruik zijnde opvanglocatie. Voor de plaatsing van de units hoeven geen houtopstanden geveld te worden, waardoor geen significante wijziging plaatsvindt van het groene karakter. De locatie van de units wordt vanaf de buitenzijde van het terrein omringd door bomen met een hoogte van 6 m of meer. Met name aan de noordzijde van het perceel is veel bebossing aanwezig. Tussen de locatie van de units en het openbaar gebied aan de zuid- en oostzijde van het perceel ligt ruime afstand, met reeds aanwezige bebouwing. Hiermee wordt, gezien de beperkte bouwhoogte van de units van circa 6 m, geen afbreuk gedaan aan de openheid van het landschap en eventuele vergezichten. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft daarnaast geen negatieve invloed op de relatie tussen stad en buitengebied. De locatie van de tijdelijke uitbreiding vindt logischerwijs plaats op eigen terrein, zodat deze direct functioneel verbonden is met de reeds aanwezige opvanglocatie.
Een keuze voor een locatie binnen een stads- of dorpsgebied zou vanwege deze functionele verbondenheid minder geschikt zijn. Daarnaast geldt dat geen kenmerkende landschapsstructuren (zoals sloten, groenpartijen, bomenrijen, houtwallen, poelen, etc.) gewijzigd worden. De herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis blijft hiermee geborgd, de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft hier geen negatieve invloed op (zie ook de toetsing aan de relevante richtpunten uit de Beleidskeuze Landschap bij de Omgevingsvisie Zuid-Holland in de motivering van artikel 7.43a).
17 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Ten slotte vindt geen functiewijziging plaats ten opzichte van de bestaande, vergunde situatie. Om deze reden wordt voldaan aan de instructieregels uit artikel 7.43h van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Hoeksche Waard
Op 17 december 2019 heeft de gemeente Hoeksche Waard de Omgevingsvisie ‘Kom Waard maken’ vastgesteld. In de visie is de gewenste koers van de gemeente vastgelegd en het is niet de bedoeling geweest om een allesomvattend beleid te schrijven. Daarbij moet de visie inwoners, ondernemers, investeerders maatschappelijke organisaties en anderen uitnodigen om een bijdrage te leveren aan een aantrekkelijke Hoeksche Waard. Hoeksche werken Binnen de visie zijn er 5 maatschappelijke opgaven (de zogenaamde Hoeksche Werken) die specifiek vragen om gemeentelijke aandacht: - duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; - vitaal economisch klimaat; - bereikbaar, nabij en toegankelijk; - duurzame, innovatieve landbouw; - vitale dorpen en actieve samenleving. Onder het laatste punt ‘vitale dorpen en actieve samenleving’ wil de gemeente Hoeksche Waard inzetten op het versterken en faciliteren van de sociale cohesie onder de bevolking en daarnaast het versterken van de inclusieve samenleving, waarbij voldoende vangnetten zijn ingericht en waarin preventie een grote rol speelt. Daarnaast beoogt de gemeente een duurzaam veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Hoeksche waarden Naast de 'Hoeksche Werken' zijn er 'Hoeksche Waarden' geformuleerd. De Hoeksche Waard is sterk verweven met de regio.
Het maakt deel uit van de Delta, waarbinnen elk eiland zijn eigen kenmerken en kwaliteiten heeft. Als eiland heeft de Hoeksche Waard een directe relatie met de stedelijke agglomeratie van Rotterdam en ook Dordrecht. Omgekeerd vormt de Hoeksche Waard vanuit het stedelijk gebied ook de toegang tot de Delta. Veel recreanten en toeristen maken hier gebruik van. De verwevenheid met haar omgeving biedt de Hoeksche Waard kansen. Het eiland is dan ook ingedeeld in vijf karakteristieke deelgebieden. De projectlocatie ligt in het deelgebied 'Natuurlijk! Verbonden'. Dit is het grootste deelgebied binnen de Hoeksche Waard. Het betreft het grote, relatief open agrarische landschap. Het landschap is rationeel en doelmatig ingericht voor de agrarische sector. De openheid geeft lange zichtlijnen en vergezichten. Binnen dit deelgebied liggen ook buurtschappen en lintbebouwing. De dijken in de buurtschappen en linten zijn van oudsher bebouwd en bewoond en hebben een functie als ontsluitingsweg. Ontwikkelingen daar moeten aansluiten op de identiteit van het buurtschap of het lint. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De uitbreiding wordt gerealiseerd op een terrein dat reeds in gebruik is als een opvanglocatie. Er wordt binnen het bestaande terrein enkel op een beperkt gebied tijdelijke bebouwing toegevoegd. De groenstructuur rondom het terrein blijft gehandhaafd.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebiedskenmerken van het deelgebied uit de Omgevingsvisie Hoeksche Waard. De tijdelijke uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie op het bestaande terrein zorgt niet voor een inbreuk op het agrarisch landschap en de bestaande stedenbouwkundige of landschapshistorische kenmerken blijven behouden.
18 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Daarnaast draagt de uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie bij aan het Hoeksche Werk ‘vitale dorpen en actieve samenleving’, omdat de gemeente met de uitbreiding van deze tijdelijke opvanglocatie bijdraagt aan het oplossen van een maatschappelijke opgave waarin personen die hulp nodig hebben een plek zoeken binnen de samenleving. Deze personen worden op het terrein van de reeds bestaande opvanglocatie opgevangen, wat door COA specifiek is ingericht op het creëren van een veilig en gezonde fysieke leefomgeving voor deze bewoners. De speelvoorzieningen worden verplaatst binnen het terrein, waardoor als gevolg van de tijdelijke uitbreiding geen afbreuk wordt gedaan aan de gezonde fysieke leefomgeving. De veiligheid van bewoners wordt gewaarborgd door 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie. De voorgenomen tijdelijke uitbreiding is in lijn met de Omgevingsvisie Hoeksche Waard.
19 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
4 FYSIEKE LEEFOMGEVING In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Het Bevoegd Gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het beginsel van de Omgevingswet, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van deze BOPA aangetoond. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - mer-beoordeling; - ladder voor duurzame verstedelijking; - verkeer en parkeren; - flora en fauna; - luchtkwaliteit; - geluid; - omgevingsveiligheid; - weging van het waterbelang; - bodem; - ontplofbare oorlogsresten; - ruimtelijke kwaliteit; - archeologie; - landschap; - bedrijven en milieuzonering; - duurzaamheid en gezondheid; - sociale veiligheid.
4.1
Mer-beoordeling
4.1.1
Toetsingskader
Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is de toetsing aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.4.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of de activiteit is mer-beoordelingsplichtig wanneer het is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan. Een opvanglocatie zoals van het COA staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Jurisprudentie laat echter zien dat in specifieke gevallen een opvanglocatie gezien kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit is voornamelijk afhankelijk van de duur van de opvang, de omvang van het aantal op te vangen personen en de aard van de locatie.
20 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Voorbeelden van jurisprudentie waarin opvang van asielzoekers niet is aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject en van een project waarbij ondanks toevoeging van bouwwerken geen sprake was van verstening of urbanisatie en tevens niet werd aangewezen als stedelijk ontwikkelingsproject: - Rb. Overijssel 14 januari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:90, r.o. 2.10: · uit deze uitspraak volgt dat de opvang van 230 personen voor de duur van twee jaar niet werd gezien als stedelijk ontwikkelingsproject; - AbRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770, r.o. 3.3: · uit deze uitspraak volgt dat voor de realisatie van een zonnepark van 4,3 ha geen sprake was een stedelijk ontwikkelingsproject. De afdeling overwoog dat er geen sprake was van een verstening of urbanisatie van een gebied en dat de milieugevolgen van het project beperkt waren tot visuele hinder en landschappelijke aanpassing. Van een stedelijk ontwikkelingsproject was geen sprake. Omdat het project enkel een uitbreiding van de bestaande opvanglocatie omvat, de projectlocatie al lange tijd heeft gediend als azc en daarnaast tijdelijk van aard is, is het project niet aan te duiden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit volgt de lijn van bovenstaande jurisprudentie. Daarmee geldt er geen mer-beoordelingsplicht.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuw stedelijk ontwikkelingsproject. Het project veroorzaakt geen ontwikkeling of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling. Omdat het project enkel een uitbreiding van de bestaande tijdelijke opvanglocatie op bestaand terrein van de opvanglocatie omvat en de projectlocatie ook al lange tijd heeft gediend als AZC, wordt gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zie hiervoor ook de genoemde jurisprudentie in paragraaf 4.1.1.
De realisatie van de uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie geeft daarom geen aanleiding tot het doorlopen van de laddertoets.
4.3
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf worden de effecten van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling op de verkeersgeneratie en het parkeren besproken. Eerst komt aan bod wat het effect van de beoogde capaciteitsuitbreiding is op de ontsluiting van het terrein en de verkeersgeneratie. Daarna worden de parkeerbehoefte en -capaciteit behandeld.
4.3.1
Resultaten
Verkeersontsluiting De verkeersontsluiting van de tijdelijke opvanglocatie vindt plaats via de bestaande ontsluiting van het terrein. Deze heeft een verbinding met de Kilweg, die aansluit op de N217 en vervolgens de A16. Aan de Kilweg zijn enkele woningen en bedrijven gevestigd. Hierdoor wordt de weg hoofdzakelijk gebruikt door gemotoriseerd bestemmingsverkeer en recreatieve fietsers. Op afbeelding 4.1 zijn de ontsluitingen van het terrein weergegeven. De beoogde tijdelijke uitbreiding heeft geen verandering in de ontsluiting tot gevolg.
21 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Afbeelding 4.1 Ontsluiting projectlocatie
Door de uitbreiding van de bestaande tijdelijke opvang is er in de toekomstige situatie sprake van maximaal 100 extra bewoners. De bewoners beschikken niet over een eigen auto. Zij verplaatsen zich hoofdzakelijk te voet, per fiets of met het openbaar vervoer. In de huidige situatie zijn er circa 30 personen werkzaam op de opvanglocatie, die niet allemaal gelijktijdig aanwezig zijn. Dit aantal medewerkers zal toenemen met maximaal 5 personen, waarvoor niet geldt dat zij allemaal dagelijks op de locatie aanwezig zijn. Daarnaast is sprake van een beperkte toename van het aantal voertuigen van ondersteunende diensten en/of levering van goederen, waarbij het aannemelijk is dat deze toename procentueel gelijk is aan de toename van het aantal bewoners. De extra verkeersgeneratie door de uitbreiding, in vergelijking met de huidige situatie, is al met al relatief beperkt. Er is een inschatting gemaakt van de te verwachten toename in het aantal voertuigen en verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding van 100 opvangplekken. Deze is weergegeven in tabel 4.1. Deze inschatting is gedaan met behulp van een rekentool van Witteveen+Bos die is gebaseerd op feitelijke tellingen van de verkeersgeneratie van opvanglocaties van COA.
Met deze rekentool wordt de verwachte verkeersgeneratie voor nieuwe opvanglocaties of voor uitbreiding van bestaande opvanglocaties ingeschat middels een vergelijking van de opvangcapaciteit van locaties. Deze rekentool wordt geregeld herijkt wanneer nieuwe feitelijke waarnemingen zijn gedaan door het COA, zodat de inschatting van de verwachte verkeersgeneratie altijd actueel is. Uit deze herijking blijkt dat de inschattingen met de rekentool realistisch en vaak worst-case zijn, waardoor er in ieder geval geen sprake is van een onderschatting van de verkeersgeneratie.
22 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Tabel 4.1 Toename in aantal vervoersbewegingen en voertuigen azc ’s-Gravendeel als gevolg van tijdelijke uitbreiding Voertuigen per jaar
Voertuigen per gemiddelde weekdag
Vervoersbewegingen per jaar
Vervoersbewegingen per gemiddelde weekdag
licht
2.767
8
5.534
16
middel
1.314
4
2.628
8
zwaar
127
1
254
2
totaal
4.208
13
8.416
26
De Kilweg is een relatief rustige gebiedsontsluitingsweg, die voldoende capaciteit kent om deze zeer beperkte toename in aantal voertuigen (gemiddeld circa 13 extra voertuigen per dag) eenvoudig lokaal te kunnen verwerken. Via de Kilweg is directe aansluiting met de N217 en vervolgens de A16. Tot op heden heeft opvang op deze locatie niet tot ontsluitingsproblemen geleid. Parkeren Bewoners van de opvanglocatie beschikken niet over een eigen auto. Op het terrein is voldoende fietsparkeergelegenheid. Het parkeren voor medewerkers, leveranciers en eventuele bezoekers vindt plaats op eigen terrein. In de huidige situatie zijn er circa 30 personen werkzaam, die niet allemaal gelijktijdig aanwezig zijn. Dit aantal medewerkers zal toenemen met circa 5 personen, waarvoor tevens geldt dat deze niet allemaal dagelijks op de locatie aanwezig zijn. Op het terrein zijn meer dan 50 parkeerplekken beschikbaar waarmee ook na de uitbreiding er ruim voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein is.
4.3.2
Conclusie
De uitbreiding van de tijdelijke opvanglocatie zorgt voor een beperkte toename van de verkeersgeneratie. De capaciteit van de omliggende wegen is zodanig dat deze toename zonder problemen afgewikkeld kan worden. Ook de parkeergelegenheid op het eigen terrein voldoet nog ruimschoots na de voorgenomen uitbreiding. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen uitbreiding.
4.4
Flora en fauna
4.4.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht is ongewijzigd gebleven. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Omgevingswet onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.
23 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels, waarvan soms de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) en anders de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000.
Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Natura 2000-activiteit Activiteiten die invloed hebben op Natura 2000-gebieden worden onder de Omgevingswet Natura 2000-activiteiten genoemd. Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Natura 2000-activiteiten zijn vergunningplichtig op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow. Dit artikel vormt de Nederlandse implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Het is voorts verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.5 lid 2 onder f Ow). Activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn niet vergunningplichtig. Daarnaast zijn er in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) nog andere gevallen aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.
Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als deze effecten significant zijn dan is er vanwege de ‘externe werking van een Natura 2000-gebied’ ook sprake van een Natura 2000-activiteit. Passende Beoordeling In paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het toetsingskader voor een Natura 2000-activiteit opgenomen. Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de Passende Beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Stikstofdepositie Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20191 de ecologische gevolgen van iedere depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een project of activiteit.
1
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.
24 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied1. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren project/activiteit of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden.
De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten2; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft3. Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten.
Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m 3 bedraagt. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het Bevoegd Gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl). Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is onderdeel van de Omgevingswet. Houtopstanden worden in de Omgevingswet gedefinieerd als een ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend’. De regels uit de Omgevingswet gelden als er sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden.
Onder vellen wordt verstaan het ‘rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben’. Op grond van artikel 11.126 Bal is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Bij vellen hoort tevens een herbeplantingsplicht. Daarnaast kan de gemeente in het omgevingsplan regels opnemen voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. 1
Artikel 5.1 Omgevingswet
2
Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.
3
Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.
25 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
De gemeente kan ook regels stellen over houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap, als het andere doelen dient dan de doelen uit de Omgevingswet. Bijvoorbeeld ten behoeve van behoud van cultureel erfgoed of veiligheid of als er geen rijksregels gelden.
4.4.2
Resultaten
Soortenbescherming In 2021 is er een Quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de vestiging van de tijdelijke opvanglocatie. Deze is in 2022 geactualiseerd, waarbij de eventuele uitbreiding al is meegenomen in het onderzoek. In 2023 heeft vleermuisonderzoek plaatsgevonden. In de actualisatie van de Quickscan en in het vleermuisonderzoek is ook de sloop van één gebouw op het terrein meegenomen. Dit gebouw is inmiddels al gesloopt. De resultaten die hier besproken worden, hebben dan ook alleen betrekking op de voorgenomen uitbreiding. De actualisatie Quickscan flora en fauna uit 2022 inclusief de Quickscan flora en fauna uit 2021 is toegevoegd als bijlage II en het vleermuisonderzoek als bijlage III. Op grond van de Omgevingswet en Omgevingsregeling mogen rapporten en onderliggende gegevens niet te oud zijn. Voor ecologisch onderzoek geldt op basis van artikel 197j omgevingsregeling een houdbaarheid van 3 jaar. Omdat de jongste gegevens niet ouder zijn dan 3 jaar, zijn deze nog bruikbaar. Voor alle soorten planten en grondgebonden zoogdieren zijn geen vervolgstappen in het kader van soortenbescherming benodigd. Vleermuizen In 2023 is er een aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek wijst uit dat het projectgebied een regelmatig gebruikt foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis vormt.
Het is echter geen essentieel foerageergebied. Tijdens de aanlegfase is verstoring eenvoudig te voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen en/of bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang). In de gebruiksfase zullen beperkt geluid en trillingen worden geproduceerd, enkel afkomstig van dagelijkse menselijke activiteiten, waarbij relevant is dat het gehele terrein al in gebruik is als opvanglocatie waardoor er in de huidige situatie reeds menselijke activiteit plaatsvindt. Negatieve effecten als gevolg van verstoring door geluid of trillingen in de gebruiksfase zijn daarmee uitgesloten. Wel kunnen aanwezige vleermuizen worden verstoord door licht. Daarom wordt waar verlichting nodig is tijdens zowel de aanleg- als gebruiksfase gebruik gemaakt van efficiënt lichtbeheer. Algemeen voorkomende broedvogels Voor algemeen voorkomende broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid.
In dit geval zullen de werkzaamheden aanvangen buiten het broedseizoen en zal er in het geval deze nog doorlopen tot in het broedseizoen tijdens het broedseizoen sprake zijn van een continu gelijkblijvende mate van verstoring als gevolg van menselijke activiteiten mede doordat er ook reeds sprake is van een in gebruik zijnde opvanglocatie. Van vogels die mogelijke gaan broeden op de projectlocatie mag derhalve worden aangenomen dat deze niet significant verstoord worden door activiteiten binnen de opvang. Negatieve effecten op algemene broedvogelsoorten als gevolg van de voorgenomen uitbreiding zijn daarmee uitgesloten. Vogels met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek in 2022 zijn binnen het projectgebied geen in gebruik zijnde jaarrond beschermde nesten aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in bomen of vegetatie binnen het projectgebied kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Ook in de kantoorgebouwen werden geen geschikte openingen aangetroffen waar de gierzwaluw of de huismus gebruik van kan maken, waardoor de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in deze gebouwen ook op voorhand is uitgesloten.
26 | 49
Witteveen+Bos | 141383/24-015.988 | Definitief 03
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Biesbosch, gelegen op minimaal 3 km van de projectlocatie (zie afbeelding 4.2). Het optreden van directe effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, trilling of optische verstoring door de voorgenomen uitbreiding op de bestaande opvanglocatie kan als gevolg van de afstand (2,8 km) tussen de projectlocatie en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een voortoets om directe effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden te toetsen is niet nodig.
Afbeelding 4.2 Projectlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’
Stikstofdepositie Gedurende de aanleg- en gebruiksfase van de voorgenomen uitbreiding op de tijdelijke opvanglocatie komen stikstofemissies vrij, die kunnen leiden tot stikstofdepositietoename op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor het project is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd naar zowel de aanleg- als gebruiksfase van de voorziene opvanguitbreiding. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage IV. Het uitgevoerde onderzoek wijst uit dat er in zowel de aanleg- als gebruiksfase geen stikstofdepositietoename optreedt van meer dan 0,00 mol/ha/jr op omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van dit resultaat zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase op voorhand uit te sluiten. Hiermee wordt geconcludeerd dat voor de beoogde aanleg en het beoogde gebruik van de uitbreiding op de opvanglocatie geen vergunningplicht geldt voor de bescherming van Natura 2000 in het kader van de Omgevingswet. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In of in de nabijheid van de projectlocatie is geen NNN aanwezig. Gezien de beperkte aard van het project (uitbreiding binnen bestaande opvanglocatie) en aangezien er geen NNN in de nabijheid van de projectlocatie aanwezig is, is aantasting of beschadiging aan het NNN op voorhand uit te sluiten.