aanvraag bijlage 2 BOPA-onderbouwing Tijdelijke woningen Oud-Beijerland
Tekst van het document
5.16.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat met het voldoen aan criteria en eenvoudige maatregelen overtredingen worden voorkomen en dat aanvullend onderzoek voor het aspect ecologie soortenbescherming niet nodig is. Indien criteria en maatregelen in acht worden genomen, draagt de ontwikkeling voor het aspect ecologie soortenbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
46/76
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID EN KOSTENVERHAAL In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaal plichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 50 tijdelijke woningen. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal Indien een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe kostenverhaal plichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. De ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als een kostenverhaalplichtige activiteit (artikel 8.13 lid a).
Tussen initiatiefnemer en de gemeente wordt een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van de tijdelijke woningen verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
47/76
7. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Het bevoegd gezag mag alleen een omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als aan de beoordelingsregels uit afdeling 8.1 van het Bkl wordt voldaan. Zo wordt de vergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit kader vindt in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing een toets aan de relevant Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. Hieruit volgt dat het project past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. In hoofdstuk 5 is er per milieuthema gemotiveerd of het project voldoet aan de geldende instructieregels en indien van toepassing vigerend beleid en/of verordeningen. Vanuit deze analyses komen geen knelpunten naar voren die het project onuitvoerbaar maken. Voor het project zijn voorschriften benodigd. Mede gelet op de voorschriften is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierna wordt ingegaan op de voorschriften: ●
●
●
●
48/76
In het kader van geluid door wegverkeerslawaai is een voorschrift benodigd om te borgen dat de geluidwering voor de woningen aan de Steenenstraat ten minste GA;k = 60 – 33 = 27 dB(A) dient te bedragen: De nieuwe woningen aan de Steenenstraat dienen een gevelgeluidwering van ten minste 27 dB(A) te hebben. In het kader van geluid door activiteiten is een voorschrift benodigd om te borgen dat als gevolg van de activiteiten in het gebouw De Bazuin geen overschrijding van het maximaal toelaatbare geluidniveau ter plaatse van de beoogde woningen plaatsvindt: De nieuwe (maatgevende) woningen mogen niet eerder in gebruik worden genomen dan dat geluidreducerende maatregelen zijn uitgevoerd die borgen dat ter plaatse van de nieuwe woningen voldaan wordt aan een geluidniveau van 30 dB(A), binnen de woning in de avondperiode. In het kader van archeologie is een voorschrift benodigd om te borgen dat er archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd conform de bepalingen in het bestemmingsplan en in overeenstemming met de wettelijke protocollen ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg: In combinatie met de ondergrondse sloopwerkzaamheden dient archeologisch onderzoek plaats te vinden.
Dit onderzoek betreft een Opgraving variant Archeologische Begeleiding, waarvoor reeds een Programma van Eisen (PvE: Versie 240619-DEFINITIEF) is opgesteld; Ter aanvulling en indien noodzakelijk, is aansluitend een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) benodigd. De eisen voor dit onderzoek zijn eveneens opgenomen in het PvE (Versie 240619-DEFINITIEF); - In het geval dat de archeologische begeleiding en/of het archeologisch proefsleuvenonderzoek aantoont dat sprake is van een behoudenswaardige archeologische vindplaats, dan dient rekening te worden gehouden met aanvullende voorwaarden teneinde het behoud van archeologische waarden in situ te waarborgen. Indien behoudenswaardige archeologische waarden niet in situ kunnen worden behouden, dan dient nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd alvorens met de herinrichting van de projectlocatie mag worden begonnen. Voor een dergelijk (definitief) archeologisch onderzoek – een archeologische opgraving (KNA Protocol 4004) dient een apart Programma van Eisen te worden opgesteld en ter accordering te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Hoeksche Waard.
In het kader van bodem is een voorschrift benodigd om te borgen dat onderzoek plaatsvindt en een eventuele bodemverontreiniging gesaneerd wordt: Het nog niet onderzochte deel van het projectgebied dient conform de richtlijn NEN-5740 te worden onderzocht; Als uit het bodemonderzoek blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging, die het voorgenomen gebruik belemmeren, dient de bodem gesaneerd te worden; 4 weken vóór aanvang van de inrichtingsplannen dient van het bevoegd gezag instemming te zijn verkregen op de resultaten van het bodemonderzoek en het eventuele plan van aanpak ten aanzien van een mogelijke bodemsanering.
BIJLAGEN
BIJLAGE 1 STEDENBOUWKUNDIG PLAN
BIJLAGE 1 STEDENBOUWKUNDIG PLAN
Stedenbouwkundig plan
Referenties nieuwe woningtypen
Schetsimpressie ooghoogtebeeld in het nieuwe hof
Schetsimpressie vogelvlucht
Schetsimpressie ooghoogtebeeld vanaf Steenenstraat
BIJLAGE 2 AANMELDNOTITIE M.E.R.-BEOORDELING
AANMELDNOTITIE MER-BEOORDELING TIJDELIJKE WONINGEN OUD-BEIJERLAND Gemeente Hoeksche Waard 17 december 2024
1/22
DATUM KENMERK
17 december 2024 20240581/153883/
PROJECT PROJECTLEIDER
BOPA tijdelijke woningen Oud-Beijerland ing. S. la Grand
OPDRACHTGEVER HW Wonen PROJECTNUMMER 20240581 AUTEUR STATUS
2/22
I. van Malsen, Msc. Definitief
DISCLAIMER © Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.
3/22
INHOUD 1.
2.
3.
4.
4/22
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
5 5 5
Aanleiding Mer-beoordeling Leeswijzer
Plaats en kenmerken van het project
6
2.1 2.2
Plaats van het project Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie 2.2.2 Beoogde ontwikkeling
6 8 8 8
2.3
Cumulatie
10
Kenmerken van de milieueffecten
11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11
11 12 14 15 16 18 19 20 21 22 22
Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Bodem Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Duurzaamheid Aanlegwerkzaamheden
Conclusie
22
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens de voormalige locatie aan de Steenenstraat/Laningpad in Oud-Beijerland te slopen en er 50 tijdelijke woningen te realiseren. Het initiatief past niet binnen het omgevingsplan, aangezien de activiteit tijdelijk wonen ter plaatse niet is toegestaan. Er is een afwijking of wijziging van het omgevingsplan nodig om de ontwikkeling mogelijk te maken. Om de ontwikkeling mogelijk te kunnen maken, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna bopa) aangevraagd om zo te kunnen afwijken van het omgevingsplan.
1.2
Mer-beoordeling
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (vormvrij, meestal een aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige mer-procedure noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal 50 tijdelijke woningen.
Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een mer-beoordeling noodzakelijk bij de wijziging van de aanvraag van een bopa. Deze aanmeldnotitie bevat deze merbeoordeling.
1.3
Leeswijzer
Deze aanmeldingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft in hoofdstuk 4 de voorlopige conclusie weer voor de mer-beoordeling.
5/22
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het projectgebied betreft de voormalige locatie van de Lindehoeve aan de Steenenstraat/Laningpad in Oud-Beijerland. Op de locatie bevindt de voormalige locatie van het cultureel centrum aan de Steenestraat te Oud-Beijerland. De locatie komt vrij na de verhuizing van het jongerencentrum. De gebouwen op de locatie worden gesloopt waardoor ruimte ontstaat voor de tijdelijke ontwikkeling. Op figuur 2.1 is de ligging van het projectgebied weergegeven.
Figuur 2.1 Ligging projectgebied
Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu Het projectgebied is niet gelegen in een kwetsbaar gebied en/of een gebied met beschermde status, zoals grondwaterbeschermingsgebieden (zie figuur 2.2). Ook bevindt het projectgebied zich niet in een stiltegebied (zie figuur 2.3). Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland. Het projectgebied ligt op circa 13,5 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied KrammerVolkerak. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 740 meter (zie figuur 2.4).
6/22
Figuur 2.2 Grondwaterbeschermings- en waterwingebieden nabij de projectlocatie (rode cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland)
Figuur 2.3 Stiltegebieden ten opzichte van projectgebied (rode cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland)
7/22
Figuur 2.4 Natura 2000 en NNN nabij de projectlocatie (rode cirkel) (bron: Provincie Zuid-Holland)
2.2
Kenmerken van het project
2.2.1 Huidige situatie De voormalige locatie van de Lindenhoeve bestaat uit een gebouwencomplex waarin een cultureel centrum was gevestigd. Op dit moment wordt het gebouw alleen nog gebruikt als jongerensoos. Aan de westzijde van dit complex ligt het Laningpad. Het Laningpad loopt door het projectgebied heen om vervolgens aan te takken op de H.B.S. Laan. Middenin het projectgebied ligt een kleine rotonde, waarmee rechts kan worden afgeslagen naar een bijbehorend parkeerterrein. Ten zuiden van het projectgebied ligt de reformatorische basisschool de Eben-Haëzerschool en muziekvereniging De Bazuin. Het projectgebied ligt vrij centraal in de kern. Het dorpscentrum van Oud-Beijerland met dagelijkse voorzieningen ligt op circa 10 minuten loopafstand van het projectgebied. Binnen 5 minuten lopen zijn al de eerste primaire voorzieningen te bereiken langs de Oost-Voorstraat. Ook het Laningpark ligt in de directe omgeving, op circa 5 minuten loopafstand vanaf het projectgebied. Hiermee zijn belangrijke voorzieningen, zoals winkels en recreatieve mogelijkheden, goed bereikbaar vanaf de locatie. 2.2.2 Beoogde ontwikkeling De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 50 tijdelijke woningen. Er is gekozen om de 50 tijdelijke woningen binnen het bestaande bouwvlak in te passen.
Een voordeel hiervan is dat het bestaande parkeerveld voor de tijdelijke functie niet hoeft te worden verplaatst, maar slechts op enkele punten wordt aangepast aan het nieuwe programma én dat de kabels en leidingen niet hoeven worden omgelegd. Bijkomend voordeel is dat de bestaande toegang van de school kan worden gehandhaafd zodat de toegang gedurende de sloop en de uitvoering van de grond en bouwwerkzaamheden gegarandeerd blijft. Het bestaande trafo-huisje wordt opgenomen in het ontwerp en blijft intact. Het ontwerp gaat uit van de volgende principes:
8/22
● ● ● ● ● ● ●
Oostelijk straatje wordt doorgetrokken en krijgt de functie van fietspad dat aansluit op het huidige pad langs de basisschool naar H.B.S.-Laan; Behoud bestaande parkeerveld en de ontsluiting op de Steenenstraat; Besloten bouwveld met meerdere bouwblokjes rond een binnenterrein; Bebouwing binnen bestaand bouwvlak bestemmingsplan; Binnen maximale bouwhoogten bestemmingsplan (maximaal 10 meter); Bouwhoogte afstemmen op de directe omgeving; Er worden maximaal 50 woonunits in 5 typen gerealiseerd: Tweekamerwoningen 32 Studio’s 3 Grondgebonden 2-laags 6 Grondgebonden 2,5-laags 6 Grondgebonden 3-laags 3
Het ontwerp gaat uit van een ontsluiting van de woningen aan de binnenzijde via het hofje. De woningen aan de Steenenstraat hebben de voordeur aan de Steenenstraat en een achterdeur aan het binnenterrein, omdat het belangrijk is dat er voorkanten aan de Steenenstraat worden gepositioneerd. De overige woningen hebben geen deuren aan de achterzijden. De woningen zijn zo georiënteerd op een collectief binnenterrein waar ruimte is voor ontmoeten, verpozen en spelen. De buitenruimte van de woningen ligt ook aan deze zijde, in de vorm van een Delftse stoep van 1,5 meter diep. De woningen aan de Steenenstraat hebben de entree aan de Steenenstraat en een terras van 2 meter diep aan de achterzijde. Zo ontstaat een aantrekkelijke binnenzijde die wordt ingericht voor functioneel gebruik in combinatie met een groene inrichting. De buitenzijde wordt hiermee vooral een rustige achterkantsituatie zonder buitenruimten. Er wordt rekening gehouden met de bouwhoogte in relatie tot de aanliggende percelen. Aan de oostzijde worden daarom maximaal twee bouwlagen neergezet in verband met privacyoverwegingen. Aan de Steenenstraat en het parkeerterrein is een extra laag passend, gezien de afstanden tot omliggende bebouwing en de bebouwingsstructuur. De woningen krijgen een kleine inpandige bergruimte. Er worden geen losse bergingen in het gebied geplaatst.
Aan de oostzijde van het gebied wordt naast het trafohuisje een tweede afsluitbare fietsenstalling beoogd. Op deze wijze biedt het project ruimte voor circa 80-100 fietsen. Door meer ruimte in het bouwvlak groen in te richten is er minder hittestress, een betere waterafvoer en ruimte voor meer biodiversiteit. Ten aanzien van de vormgeving van de nieuwe woningen is gekozen om deze in een afwijkend materiaal ten opzichte van de bestaande omgeving vorm te geven, namelijk met een op hout gelijkend materiaal. Hierdoor wordt enerzijds een samenhangend beeld (ensemble) neergezet op het binnenterrein. Daarnaast wordt op deze manier duidelijk verschil aangebracht tussen de bestaande deels monumentale bebouwing aan de Steenenstraat en de nieuwe tijdelijke bebouwing. Om de hiërarchie in de Steenenstraat te benadrukken worden de nieuwe tijdelijke woningen op de bestaande rooilijn gebouwd. Zo blijven de woningen iets terugliggend ten opzichte van de bestaande bebouwing daarnaast. Op deze manier wordt ook het groene beeld aan de Steenenstraat behouden. Voor de benodigde vuilcontainers wordt een plek in deze groenstrook nabij de entree van het gebied gezocht.
9/22
Figuur 2.5: Stedenbouwkundig plan (bron: Rho Adviseurs).
2.3
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
10/22
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige feitelijke, legale situatie (dus passend binnen het planologisch kader) en autonome ontwikkelingen in en rondom het projectgebied. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich ook voordoen als het planvoornemen niet wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld gevolgen van vastgesteld beleid, projecten waarover al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden, andere redelijk zekere ontwikkelingen en bijvoorbeeld de autonome groei van het verkeer. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op expert judgement/diverse onderzoeksrapporten/de informatie uit de bopa die voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.
3.1
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Een plan moet vanuit verkeer uitvoerbaar zijn in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid dienen gemotiveerd te worden. Daarnaast is verkeer een onderdeel van de aspecten die in een omgevingsplan worden beoordeeld, zoals veiligheid in de breedste zin des woords. Ook zijn verkeerscijfers en routes van belang voor de onderwerpen die wel expliciet geregeld zijn en onderzocht moeten worden, zoals geluid en luchtkwaliteit. Verkeergeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt voor Oud-Beijerland conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid een stedelijkheidsgraad van ‘matig stedelijk’ aangehouden. In verband met de tijdelijkheid en het karakter van het beoogde gebruik wordt aangehouden dat het autogebruik van de bewoners naar verwachting lager is. Daarom wordt bij het bepalen van de parkeerbehoefte van de woningen het minimum van de bandbreedte gehanteerd. De ligging van het projectgebied is gedefinieerd als ‘rest bebouwde kom’.
Met behulp van de CROWkencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-381 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In de bestaande situatie is binnen het projectgebied een voormalig cultureel centrum aanwezig. Deze functie is al enige tijd beëindigd. Om deze reden wordt voor het hanteren van een worstcasebenadering geen rekening gehouden met de saldering van de te vervallen bebouwing. Desalniettemin bracht het cultureel centrum een verkeersgeneratie en parkeervraag met zich mee die door de komst van de tijdelijke woningen vervalt. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 50 tijdelijke woningen, verdeeld over 3 studio’s, 32 tweekamerwoningen en 15 grondgebonden woningen. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie behorende bij de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten bij de CROW-kencijfers voor sociale huurwoningen. Tabel 3.1 De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling
Functie
Functie CROW
Aantal
Kencijfer
Studio (30 m² bvo)
Huur appartement, sociale huur of vrije sector, <30 m² bvo Huur appartement, sociale huur, <75 m² bvo
3 woningen
32 woningen
Tweekamerwoning (46 m² bvo
11/22
1,8 per woning
Weekdag (mvt/etmaal 5,4
Werkdag (mvt/etmaal) 6
3,2 per woning
102,4
112,7
Grondgebonden 2 laags Grondgebonden 2,5 laags Grondgebonden 3 laags Totaal
Huur huis, sociale huur Huur huis, sociale huur Huur huis, sociale huur
6 woningen
4,5 per woning
27
30,0
6 woningen
4,5 per woning
27
30,0
3 woningen
4,5 per woning
13,5
15,0
175,3
194,6
50 woningen
De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 195 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeerstoename gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het maatgevende spitsuur 10% van de etmaalintensiteit wordt gegenereerd. Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een verkeerstoename van (195 x 10% =) 14 mvt/uur, wat neerkomt op 1 voertuig per 3 minuten. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Parkeren Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in juli 2024 door Rho Adviseurs een parkeerberekening opgesteld, deze is opgenomen als bijlage bij de bopa. In de berekening wordt rekening gehouden met de parkeereis vanuit de naastgelegen basisschool en muziekvereniging, aangezien deze functies gebruik maken van dezelfde parkeergelegenheid als de beoogde ontwikkeling. Daaruit blijkt dat in de beoogde situatie gedurende het maatgevende moment (vrijdagmiddag) het projectgebied een parkeerbehoefte heeft van 68 parkeerplaatsen.
In de beoogde situatie wordt rekening gehouden met een parkeeraanbod van 75 parkeerplaatsen, bestaande uit 61 parkeerplaatsen op het parkeerveld en 14 parkeerplaatsen achter de Bazuin voor gebruik door personeel van de school en docenten en gebruikers van de muziekschool. Hiermee wordt de parkeerbehoefte (ruim) binnen het projectgebied opgevangen. Effectbeoordeling De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 195 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van de omliggende wegen verwaarloosbaar is. In de beoogde situatie bedraagt de parkeerbehoefte van het projectgebied 68 parkeerplaatsen. Er worden 61 parkeerplaatsen op het parkeerveld in het projectgebied uitgevoerd en nog 14 parkeerplaatsen achter de Bazuin voor gebruik door personeel van de school en docenten en gebruikers van de muziekschool. Hiermee wordt de parkeerbehoefte (ruim) binnen het projectgebied opgevangen. Het aspect verkeer en parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie Er is vanuit het aspect verkeer en parkeren geen sprake van negatieve effecten.
3.2
Geluid
Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor de beoordeling van geluid, dit betreft standaardwaarden, grenswaarden op de gevel en grenswaarden voor het binnengeluid. In de bruidsschat zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten. Huidige situatie Bij een cultureel centrum is er sprake van geluidhinder, zowel vanwege verkeersaantrekkende werking als activiteiten. In de huidige situatie wordt er geen gebruikgemaakt van de locatie en is er geen sprake van geluidproducerende activiteiten.
12/22
Voorgenomen plan Een woonfunctie is geluidgevoelig. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het geluid van de omliggende gemeentewegen en daarnaast naar de relevante geluidsbronnen, zie bijlagen van de bopa. Wegverkeerslawaai Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlagen bij de bopa. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat: ● ● ● ● ●
●
●
De geluidbelasting door gemeentewegen op de bouwblokken B, C en D voldoet aan de standaardwaarde van Lden 53 dB; De geluidbelasting door gemeentewegen op bouwblok A overschrijdt de standaardwaarde, maar is niet hoger dan de grenswaarde van Lden 70 dB; Maatregelen aan de bron verlagen de geluidbelasting niet voldoende en zijn daarom niet kosteneffectief; De beoogde indeling van het perceel kan als de akoestisch optimale indeling worden gezien; Alle woningen hebben een geluidluwe gevel; De woningen van blok A hebben een geluidluwe tuin van circa 13 m2 en voldoet daarmee niet aan de eis van een geluidluwe tuin van 20 m2 uit het geluidbeleid. Omdat de tuinen wel geluidluw zijn en de woningen maximaal 10 jaar geëxploiteerd en daarmee bewoond zullen worden kan dit worden beschouwd als een gegronde reden om van deze eis af te wijken. Omdat er geen grenswaarden worden overschreden, kan het geluid aanvaardbaar worden geacht. Het gezamenlijk geluid (ten behoeve van het bepalen van de benodigde geluidwering op basis van het Bbl) kan worden afgelezen aan de hand van de resultaten uit bijlage 3 van het akoestisch onderzoek en moet worden vastgelegd in het omgevingsplan en in eerste instantie in de voorschriften van de bopa-vergunning. De geluidwering voor de woningen aan de Steenenstraat dient ten minste GA;k = 60 – 33 = 27 dB(A) te bedragen.
Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de “1,5 dB-toets”, wat neerkomt op een verkeerstoename van 40%. Dit is voor de ontwikkeling niet aan de orde.
In de vergunning wordt een voorschrift opgenomen ten behoeve van de benodigde geluidwering voor de woningen. Het aspect geluid door wegen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Omgevingslawaai Aan het Laningpad 2 is muziekvereniging De Bazuin gesitueerd. De dichtstbijzijnde nieuw te realiseren woningen zijn gelegen op 7 meter afstand ten opzichte van de muziekvereniging. Door Tritium Advies zijn geluidmetingen uitgevoerd ter bepaling van het maximaal toelaatbare geluidniveau in de muziekruimte van De Bazuin, zodanig dat de woningbouw zonder belemmeringen is toegestaan. Het onderzoek is opgenomen als bijlagen bij de bopa. In het onderzoek is uitgegaan van de situatie dat voor muziekvereniging De Bazuin de geluidregels gelden van het omgevingsplan/Bruidsschat. Dit komt neer op 50/45/40 dB(A) in de dag-/avond-/nachtperiode. Als ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen aan deze waarden kan worden voldaan, wordt de muziekvereniging niet belemmerd en is er sprake van een aanvaardbare situatie. In artikel 22.70 van het omgevingsplan/Bruidsschat is opgenomen dat de geluidregels niet van toepassing zijn op het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
In de APV van de gemeente is opgenomen dat voor de duur van vier uur in de week onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagen avondperiode uitgezonderd is van toetsing. Dit betekent dat wanneer het aantal uren oefenen per week niet meer bedraagt dat 4 uur, de muziekvereniging niet wordt belemmerd.
13/22
De voorkeur is om bij de nieuwe woningen te voldoen aan de standaardwaarde van 50/45/40 dB(A), omdat daarmee een aanvaardbare situatie wordt gerealiseerd. Uit het onderzoek van Tritium blijkt dat op basis van 50/45/40 dB(A) ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen het binnenniveau binnen de muziekvereniging niet meer mag bedragen dan 90/85/80 dB(A) in respectievelijk de dag-, avonden nachtperiode. Tijdens repetities zijn geluidniveaus gemeten van 96-101 dB(A), zodat er niet aan de grenswaarden wordt voldaan met een hoogste overschrijding van 16 dB(A) in de avondperiode. Uit het onderzoek van Tritium blijkt dat een aantal van 5 bestaande ramen in de noordgevel van het gebouw van de muziekvereniging maatgevend zijn voor de geluidemissie. Naar verwachting (moet nog nader worden onderzocht) kan aan de standaardwaarden voor geluid worden voldaan (bij het spelen van een luid stuk) als de geluidisolatie van deze ramen wordt verbeterd (nieuwe beglazing of achterzetramen), eventueel in combinatie met het aanbrengen van een mechanisch ventilatiesysteem omdat de ramen in de zomerperiode worden gebruikt voor ventilatie en te openen ramen strijdig zijn met geluidisolatie. De exacte uitvoering van de geluidisolerende en ventilatietechnische maatregelen wordt in een later stadium onderzocht en worden op voorhand uitvoerbaar geacht.
Voorgesteld wordt om aan de vergunning de voorwaarde te verbinden dat de (maatgevende) nieuwe woningen niet eerder in gebruik worden genomen dan dat de geluidreducerende maatregelen zijn uitgevoerd. Gezien de planning en bouwtijd is ook dat een realistisch uitgangspunt. Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid door wegen wordt een voorschrift opgenomen in de vergunning ten behoeve van de benodigde geluidwering voor de woningen. In het kader van geluid door activiteiten is een voorschrift benodigd om te borgen dat als gevolg van de activiteiten in het gebouw De Bazuin geen overschrijding van het maximaal toelaatbare geluidniveau ter plaatse van de beoogde woningen plaatsvindt. Er zijn geen negatieve geluidseffecten te verwachten van de planontwikkeling.
3.3
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Onder de omgevingswet zijn er rondom aangewezen agglomeraties aandachtgebieden van toepassing, waarbinnen getoetst moet worden aan de rijksomgevingswaarden. Buiten deze agglomeraties is er alleen een beoordelingsplicht als er een snelweg of tunnel wordt aangelegd. Een gemeente kan in een omgevingsplan een lokale omgevingswaarde opnemen, die ook strenger kan zijn dan de rijksomgevingswaarden. Indien een lokale omgevingswaarde wordt vastgesteld, geldt automatisch ook een monitoringsplicht. Het toepasbaarheidsbeginsel, het blootstellingscriterium en het NIBM-criterium blijven wel gehandhaafd bij de beoordeling van luchtkwaliteit: als hieraan wordt voldaan hoeft geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden. Bij een mer-beoordeling blijft het in het kader van de gezondheidsbeoordeling belangrijk de effecten op luchtkwaliteit inzichtelijk te maken en te beoordelen. Huidige situatie In de CIMLK viewer is het dichtstbijzijnde relevante toetspunt, de Koninginneweg, geraadpleegd. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022; 20,2 µg/m³ voor NO2, 17,4µg/m³ voor PM10 en 9,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.
Voorgenomen plan De beoogde activiteit omvat de realisatie van 50 woningen en valt daarmee onder de grenswaarde van 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Op voorhand is daarom vast te stellen dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de achtergrondconcentraties.
14/22
Effectbeoordeling De concentraties luchtverontreinigende stoffen overschrijden de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
3.4
Omgevingsveiligheid
Toetsingskader Bij een mer-beoordeling wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende risicobronnen gekeken, namelijk bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Rondom deze bronnen kan sprake zijn van aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. De aandachtsgebieden zijn: ● Het brandaandachtsgebied (BAG) ● Het explosieaandachtsgebied (EAG) ● Het gifwolkaandachtsgebied (GAG) Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe categorie te beschermen gebouwen geïntroduceerd: de zeer kwetsbare objecten, dit zijn gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Hieronder vallen bijvoorbeeld basisscholen en ziekenhuizen.
15/22
Huidige situatie
Figuur 3.1 Uitsnede kaart Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2023)
In de omgeving van het projectgebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het projectgebied bevindt zich niet in een PR-contour of een aandachtsgebied van een van de omliggende risicobronnen, zie figuur 3.1. Voorgenomen plan Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. De ontwikkeling vindt niet plaats binnen een aandachtsgebied. Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen negatieve milieueffecten.
3.5
Bodem
Toetsingskader In het Bkl worden de regels voor bodem onder de Omgevingswet opgenomen. De regels zij gericht op drie pijlers: ● Voorkomen van nieuwe verontreinigingen (zorgplicht) ● Meewegen van bodemkwaliteit bij toedelen functies (in Omgevingsvisie en Omgevingsplan) ● Beheren van historische verontreinigen
16/22
De regels gaan over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie en de nazorg na saneren. De milieubelastende activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Milieubelastende activiteiten ten aanzien van bodem zijn onder andere het graven in de bodem met een kwaliteit onder, gelijk aan of boven de interventiewaarde, het op of in de bodem brengen van meststoffen, saneren van bodem en het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Huidige situatie De gemeente Hoeksche Waard heeft een bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen als bijlage 1 in de Nota Bodembeheer. Het projectgebied valt in de bodemfunctieklasse 'wonen' en heeft als bodemkwaliteitsklasse 'wonen' (0 tot 1 m-mv en 1 tot 2 m-mv). Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie de bijlagen bij de bopa. In dit onderzoek is niet het gehele projectgebied meegenomen, omdat een deel van de locatie niet toegankelijk was voor onderzoek.
De resultaten uit het onderzochte deel van het projectgebied zijn als volgt: ● De bovengrond op het westelijk deel van de locatie (zand) is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket; ● De bovengrond op het resterende terrein (klei) is diffuus, heterogeen licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, lood, nikkel en/of zink; ● De diepere bodem (vermoedelijk de oorspronkelijke bovengrond) is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, zink en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Ter plaatse van boring 09 op het oostelijk deel van het terrein is in de diepere bodem een matig verhoogd gehalte aan lood gemeten; ● Het grondwater is licht verontreinigd met barium en kwik; ● Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van een gedempte sloot zijn geen noemenswaardige hoeveelheden bodemvreemde materialen aangetroffen die als dempingmateriaal zouden kunnen zijn toegepast. De baksteenresten betreffen vermoedelijk resten van de sloop van de voormalige boerderij; ● Er zijn geen verhoogde gehalten aan organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB) of polychloor bifenylen (PCB) gemeten; ● Tijdens het veldwerk zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Gezien de historie van de bebouwing is het niet aannemelijk dat er asbesthoudende materialen zijn toegepast.
Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater betreft vermoedelijk een van nature verhoogde achtergrondwaarde. Voor het licht verhoogde gehalte aan kwik is geen verklaring gevonden. De lichte verontreinigingen in de grond zijn vermoedelijk toe te schrijven aan de baksteenresten. De hypothese dat de locatie verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de voorliggende onderzoeksresultaten te worden bevestigd. De lichte verontreinigingen in de grond passen in het beeld van de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid en kunnen als lokaal verhoogde achtergrondwaarden worden aangemerkt. De lichte verontreinigingen aan zware metalen geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. Het matig verhoogde gehalte aan lood in de diepere bodem ter plaatse van boring 09, geeft gezien de (extra) analyseresultaten van de overige grondmonsters en de spreiding van de monsters geen aanleiding tot nader onderzoek. TAM-voorbereidingsbesluit bodem In aanvulling op het verkennend bodemonderzoek is overeenkomstig het voorbereidingsbesluit bodem van de gemeente Hoeksche Waard aanvullend laboratoriumonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) in de bovengrond.
Voor het aanvullend onderzoek zijn in het laboratorium twee mengmonsters samengesteld uit de bovengrondmonsters die tijdens het verkennend bodemonderzoek verkregen zijn. Het addendum is opgenomen als bijlagen bij de bopa. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de gemeten gehalten aan perfluoroctaanzuur (PFOA) in beide grondmengmonsters beneden de toepassingswaarden ‘Wonen of industrie’ (7 μg/kg ds) van het op 1 december 2019 geactualiseerde handelingskader PFAS liggen.
17/22
Uit de toetsing blijkt voorts dat de gemeten gehalten aan PFOA voldoen aan de gebruiksfuncties landbouw/natuur, Wonen en Industrie (0,060 mg/kg ds) zoals opgenomen in tabel 24.3 van het omgevingsplan Hoeksche Waard. Voorgenomen plan Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik, wonen met openbaar groen. Het verkennend bodemonderzoek voldoet nog niet aan de NEN-5725/NEN-5740 richtlijnen omdat een deel van de locatie niet toegankelijk was voor onderzoek. Hierdoor is niet bekend of er sprake is van een bodemverontreiniging, welke eventueel gesaneerd dient te worden. Dit is geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de BOPA, aangezien de locatie naar verwachting door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. Er worden daarom aantal voorschriften in de vergunning opgenomen. Met inachtneming van deze voorschriften draagt de ontwikkeling voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit het aspect bodemkwaliteit worden geen negatieve effecten verwacht.
3.6
Water
Toetsingskader In het Bkl zijn omgevingswaarden vastgesteld voor onder andere de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en zwemwaterkwaliteit. Aangezien deze omgevingswaarden voortkomen uit Europese normen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn, kan een afwijkende omgevingswaarde daarom alleen strenger zijn. De waterschapsverordening bevat algemene regels over het watersysteem (waterkeringen, watergangen en grondwater) binnen het beheergebied van waterschap De Dommel. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterkwaliteit; ● Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● Effecten op waterketen; Huidige situatie Het projectgebied is in beheer van waterschap Hollandse Delta. Momenteel is op de locatie een cultureel centrum gelegen en is daardoor bijna geheel verhard. Er bevinden zich geen watergangen of waterkeringen grenzend aan het projectgebied. Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen er ook geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Voorgenomen plan Volgens het beleid van Waterschap Hollandse Delta dient een toename van het verhard oppervlak gecompenseerd te worden.
In het kader van de Keur dient bij een toename van het verhard oppervlak van 500 m2 of meer voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning te worden aangevraagd. In de huidige situatie is het projectgebied bijna geheel verhard. Door de beoogde ontwikkeling zal het verhard oppervlak dan ook niet toenemen, waardoor water compenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. De locatie is reeds aangesloten op het rioolstelsel. Er is geen oppervlaktewater in de omgeving aanwezig, zodat het plangebied geen invloed heeft op de waterkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Er worden geen bodemverzakkingen verwacht. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
18/22
3.7
Ecologie
Toetsingskader In de omgevingswet zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten bepaald. Deze zijn implementeert vanuit diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Omgevingswet kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: ● Natura-2000 gebieden; ● Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natura-2000 gebieden Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Na-tuurnetwerk. Een groot deel van de Natura 2000-gebieden is inmiddels definitief aangewezen. Dat gebeurt in de vorm van een aanwijzingsbesluit. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de Wet natuurbescherming is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Verdere uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland; ● soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden. Huidige situatie gebiedsbescherming Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde natura 2000 gebied betreft Oude-Maas op circa 1 km afstand, dit gebied is niet stikstof gevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak ligt op circa 13,5 kilometer. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 740 meter.
Voorgenomen plan gebiedsbescherming Directe negatieve effecten van dit project op de beschermde natuurgebieden zijn niet te verwachten, vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit
19/22
project een stikstofberekening uitgevoerd, zie de bijlagen van de bopa. Uit de berekening met AERIUS Calculator voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. Huidige situatie soortenbescherming Voor de ontwikkeling heeft een quickscan flora en fauna plaatsgevonden, zie bijlagen van de bopa. Hieruit blijkt dat er geen geschikte verblijfplaatsen, foerageergebieden of vliegroutes voor vleermuizen zijn aangetroffen. Ook zijn er geen beschermde zoogdieren, vogels met een vaste verblijfplaats, reptielen of flora aangetroffen. Voor alle plant- en diersoorten geldt de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Conclusie Vanuit de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming worden geen negatieve effecten verwacht.
3.8
Cultuurhistorie en archeologie
Toetsingskader Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, die zijn opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Beoordeling effecten Archeologie In het parapluplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' zoals vastgesteld op 9 mei 2017, heeft het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Met de voorgenomen functiewijziging vinden er bodemroerende werkzaamheden plaats, derhalve is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de vergunningprocedure voor de sloop van het gebouwencomplex, zie de bijlagen bij de bopa. Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: ● Ter plaatse van het projectgebied is een bodemopbouw aanwezig met een verstoorde bovenlaag, op (kom-) Afzettingen van Duinkerke Illb, op Hollandveen, op (kom-) Afzettingen van Calais IV. Het maaiveld ligt op een hoogte van circa 0.0 - 0.2 meter +NAP.
● Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen op dit moment nog geen uitspraken worden gedaan. Er zijn aanwijzingen voor bodemverstoringen ter plaatse van het projectgebied, als gevolg van de bouw van het Sociaal Cultureel Centrum De Lindenhoeve in 1978. Op basis van het uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Als gevolg van de voor de planrealisatie noodzakelijke graafwerkzaamheden in het kader van de sloop van het Sociaal Cultureel Centrum zullen de mogelijk nog aanwezige cultuurlagen uit de nieuwe Tijd en de top van de Afzettingen van Duinkerke Mb worden verstoord. Op en in deze horizonten kunnen archeologische resten uit de Nieuwe Tijd worden aangetroffen, gerelateerd aan de bebouwing die hier in de Nieuwe Tijd aanwezig is geweest. Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom noodzakelijk geacht. Voor wat betreft de uitvoering van de Archeologische Begeleiding (AB) heeft overleg plaatsgevonden met de archeoloog van de Gemeente Hoeksche Waard. Op basis van dat overleg is een Programma van Eisen opgesteld (PvE), waarin de eisen en de randvoorwaarden voor de uitvoering van de AB
20/22
zijn vastgelegd en dat ter goedkeuring is voorgelegd aan de Gemeente Hoeksche Waard. Dit PvE is opgenomen als bijlagen bij de bopa. Het door de gemeente goedgekeurde PvE vormt de basis voor het combineren van het archeologisch onderzoek met de ondergrondse sloopwerkzaamheden en civieltechnische graafwerkzaamheden. Cultuurhistorie Het projectgebied ligt aan de Steenenstraat. In deze straat staan veel historische gebouwen. Direct ten oosten van het projectgebied staat een gebouw uit 1880. Tegenover het projectgebied staan jaren dertig woningen. Aan de westkant is het naastgelegen gebouw afkomstig uit 1959, met daarnaast weer een statige villa uit 1880 (Rijksmonument). Het oudste gebouw van de straat staat op de hoek met de Oost-Voorstraat en stamt ook uit 1800. Dit pand staat geregistreerd als Rijksmonument. Naast Rijksmonumenten staan er ook twee gemeentelijke monumenten in de straat, beide gebouwd in het begin van de 20e eeuw. Naast Rijksmonumenten staan er ook twee gemeentelijke monumenten in de straat, beide gebouwd in het begin van de 20e eeuw. Bij de ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de uitstraling van de bebouwing langs de Steenenstraat. Qua plaatsing en rooilijn kan op de bestaande lintstructuur worden ingespeeld. Ten aanzien van de vormgeving van de nieuwe woningen is daarom gekozen om deze in een afwijkend materiaal vorm te geven, namelijk hout.
Hierdoor wordt enerzijds een samenhangend beeld (ensemble) neergezet op het binnenterrein. Anderzijds wordt op deze manier duidelijk verschil aangebracht tussen de bestaande deels monumentale bebouwing aan de Steenenstraat en de nieuwe tijdelijke bebouwing. Om de hiërarchie te benadrukken worden de nieuwe tijdelijke woningen iets teruggelegd ten opzichte van de bestaande bebouwing daarnaast. Op deze manier wordt ook het groene beeld ter plaatse van de ontwikkeling aan de Steenenstraat behouden. Conclusie In het kader van archeologie is een voorschrift bij de omgevingsvergunnign voor de BOPA nodig om te borgen dat het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd conform de bepalingen in het bestemmingsplan en in overeenstemming met de wettelijke protocollen ten behoeve van de Archeologische Monumentenzorg. Vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie zijn er, met inachtneming van dit voorschrift, geen negatieve effecten.
3.9
Gezondheid
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Het project voorziet in woningen voor verschillende doelgroepen op relatief korte afstand van de nodige voorzieningen. De ligging kort bij deze voorzieningen nodigt uit om met de fiets (of te voet) van deze voorzieningen gebruik te maken en zodoende te bewegen. Daarnaast is in het project aandacht voor sociale veiligheid. Er wordt ingezet op wijkbeheer, vroegsignalering, ontmoeting en ondersteuning. De wijkbeheerder van HW Wonen bezoekt de Lindenhoeve meerdere keren per week zet in op ‘schoon, heel en veilig’ en staat in nauw contact met de huurder. Voor ieder woonblok wordt een blokbuddy geselecteerd. Een blokbuddy is een door HW Wonen uitgekozen huurder met een sociaal karakter, die graag meedenkt en helpt bij de ontwikkeling van een fijne woonomgeving. De blokbuddy’s zetten zich in voor het saamhorigheidsgevoel tussen de bewoners, organiseren activiteiten voor ontmoeting en zitten in de klankbordgroep met omwonenden. Zij ontvangen daar ondersteuning bij van HW Wonen en de Stichting Welzijn Hoeksche Waard. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met Vluchtelingenwerk.
Zij zijn verantwoordelijke voor de begeleiding van vergunninghouders tijdens hun eerste periode als huurder van een zelfstandige woning. Deze partijen hebben een signalerende taak in de wijk als het gaat om zorg. Wanneer blijkt dat er extra begeleiding nodig is, dan organiseert HW Wonen dat samen met de gemeente.
21/22
Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt gezondheid is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.
3.10 Duurzaamheid In het project wordt meer ruimte gegeven voor groen, doordat het bebouwd oppervlak verminderd ten opzichte van de huidige bebouwing. In de stedenbouwkundige opzet wordt in het nieuwe bouwblok groen aangelegd. Door een gerichte beplantingskeuze kan de biodiversiteit in dit gebied worden versterkt. Ook ten aanzien van klimaatadaptatie worden op het terrein maatregelen genomen. Het aandeel verhard oppervlak neemt af door minder bebouwing. Door minder verharding en meer groen worden de kansen voor biodiversiteit op de locatie vergroot en worden hittestress en wateroverlast beperkt.
3.11 Aanlegwerkzaamheden Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze aanmeldnotitie blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de ontwikkeling zijn geen mitigerende maatregelen bekend. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
22/22
BIJLAGE 3 COMMUNICATIE- EN PARTICIPATIEPLAN
Communicatie- en participatieplan Tijdelijke woningen locatie Lindenhoeve
Juli 2024
Inhoud
1.Inleiding ................................................................................................................................................ 3 2.Aanleiding en communicatievraag ....................................................................................................... 3 2.1. Aanleiding .......................................................................................................................................................... 3 2.2. Communicatievraag ......................................................................................................................................... 3
3.Communicatiedoelgroepen en communicatiedoelen.......................................................................... 3 4.Communicatieboodschap..................................................................................................................... 5 5.Communicatieaanpak........................................................................................................................... 5 6.Communicatiemiddelen ....................................................................................................................... 6 7.Participatie ........................................................................................................................................... 7 7.1 Waarom in gesprek? .......................................................................................................................................... 8 7.2 Waarover en wanneer gaan we in gesprek? .................................................................................................. 8 7.3 Wie gaat met wie in gesprek? (Publiek & afzender) ......................................................................................9 7.4 Resultaten uit de participatie ........................................................................................................................
10 Bijlage 1: Toelichting op de ruimtes voor inbreng ............................................................................................. 12 Bijlage 2: Verspreidingsgebied .............................................................................................................................. 13 Bijlage 3: Communicatie inwoners ...................................................................................................................... 13 Bijlage 4: Informatieavonden Lindenhoeve ........................................................................................................ 16 Bijlage 5: Posters informatieavonden Lindenhoeve .......................................................................................... 18 Bijlage 6: Q & A informatieavonden Lindenhoeve ............................................................................................. 21
2
1.
Inleiding
De krapte op de woningmarkt loopt steeds verder op. Er is behoefte aan een flexibele woningvoorraad in de vorm van tijdelijke huisvesting voor mensen die op korte termijn een woning nodig hebben. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de doelgroep van flexwonen HW, spoedzoekers (jongeren/starters die echt niet meer thuis kunnen blijven wonen, gescheiden ouders die snel een woning nodig hebben) en mensen met een verbljifsvergunning. Een flexibele woningvoorraad zorgt er daarnaast voor dat we ook goed kunnen inspelen op ontwikkelingen in de wereld, zoals bijvoorbeeld met de vluchtelingencrisis vanuit Oekraïne. Tijdelijk woningen locatie Lindenhoeve Naast de opdracht om 100 tot 150 tijdelijke woningen in de Hoeksche Waard te realiseren, werkten we met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) aan afspraken voor het realiseren van 50 extra tijdelijke woningen. Deze 50 extra woningen voorzien we op de locatie van het voormalig cultureel centrum De Lindenhoeve (Laningpad) in Oud-Beijerland. Dit plan heeft betrekking op de communicatie en participatie voor deze locatie. De doelgroep voor deze woningen zijn de Hoeksche Waardse woningzoekenden en statushouders.
2.
Aanleiding en communicatievraag
2.1. Aanleiding We krijgen een kans om op basis van een aanvullende aparte subsidiestroom vanuit het COA 50 extra tijdelijke woningen te realiseren waardoor we enerzijds meer woningen hebben voor de bestaande inwoners en anderzijds onze bestaande woonvoorraad minder hoeven te belasten met het huisvesten van statushouders. Het COA wil met deze subsidie de uitstroom uit opvanglocaties bevorderen. Op de locatie Lindenhoeve is ruimte voor deze woningen, zo blijkt uit de ruimtelijke analyse. De afspraken met het COA voor deze locatie zijn vastgelegd in een Bestuursovereenkomst. Deze extra woningen komen bovenop de initiële opdracht voor tijdelijke huisvesting (100 tot150 tijdelijke woningen). Op 14 mei 2024 besloot het college van B&W om de voorbereidingen te starten voor het realiseren van 50 extra tijdelijke woningen voor een periode van maximaal 10 jaar (verhuurde staat) op de locatie van de voormalige Lindenhoeve.
2.2. Communicatievraag Hoe kunnen we de interne en externe doelgroepen informeren en betrekken bij dit project in de Hoeksche Waard, zodat zij weten wat er in hun leefomgeving gaat gebeuren en zo positief mogelijk betrokken zijn bij deze ontwikkeling. Intern De interne doelgroepen dragen bij aan het bewerkstelligen van deze (woningbouw)ontwikkeling. Extern Met dit plan beogen we de externe doelgroepen via verschillende kanalen te bereiken. We willen ze met name informeren en in beperkte mate betrekken en laten meedenken.