aanvraag bijlage 2 BOPA-onderbouwing Tijdelijke woningen Oud-Beijerland
Tekst van het document
Figuur 5.2: Uitsnede Signaleringskaart externe veiligheid met het projectgebied zwart omcirkeld.
5.2.3 Conclusie De ontwikkeling is niet in het plaatsgebonden risico of aandachtsgebied gelegen van een risicobron. Met de ontwikkeling worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel uit het Bkl, omdat blijkt uit de beoordeling dat de veiligheid in het projectgebied is gewaarborgd.
26/76
5.3
Beschermen van de waterbelangen
5.3.1 Algemeen Een omgevingsvergunning voor een BOPA moet worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is het waterschap Hollandse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor deze BOPA onderbouwing geldt: ● Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; ● Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Aanvullende instructieregels Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: ● Bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl; ● Behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl.
Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta: ● Waterveiligheid (dijken en duinen) ● Versterkte duinen ● Meer biodiversiteit op de dijken ● Minder CO2-uitstoot, vergoten ● Meer innovatie ● Voldoende schoonwater Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur.
De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 14% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: ● Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; ● Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; ● Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.
27/76
5.3.2 Toetsing beleid waterschap Het projectgebied bevindt zich in het beheergebied van waterschap Hollandse Delta waardoor er getoetst moet worden aan de waterschapsverordening van het waterschap. Huidige situatie Momenteel is op de locatie een cultureel centrum gelegen en is daardoor bijna geheel verhard. Bodem en grondwater Het projectgebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom is het projectgebied niet gekarteerd. Ten oosten van het projectgebied bestaat de bodem uit kalkrijke poldervaaggronden; zware klei. Ten noorden van het projectgebied is sprake van grondwatertrap VIo. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 74 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op circa 152 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld is gelegen op circa 0,2 meter boven NAP. Waterkwantiteit Volgens de Legger wateren van Waterschap Hollandse Delta bevinden zich geen watergangen grenzend aan het projectgebied in beheer van het waterschap (zie figuur 5.4).
Figuur 5.4: Uitsnede Legger waterschap Hollandse Delta met het projectgebied rood omlijnd
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling bevindt zich niet in een beschermings- of kernzone van een waterkering.
28/76
Afvalwaterketen en riolering De locatie is momenteel aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden 50 tijdelijke woningen gerealiseerd. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Volgens het beleid van Waterschap Hollandse Delta dient een toename van het verhard oppervlak gecompenseerd te worden. In het kader van de Keur dient bij een toename van het verhard oppervlak van 500 m2 of meer voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning te worden aangevraagd. In de huidige situatie is het projectgebied bijna geheel verhard. Door de beoogde ontwikkeling zal het verhard oppervlak dan ook niet toenemen, waardoor water compenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Waterkwaliteit Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang gedurende de aanlegfase om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: ● Hemelwater vasthouden voor benutting, ● (In-) filtratie van afstromend hemelwater, ● Afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, ● Afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Klimaatadaptatie Uit de Atlas Leefomgeving blijkt weinig kans is op overstromingen als gevolg van bv. dijkbreuken ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. 5.3.3 Conclusie De locatie is niet in een beschermingszone van een watergang of waterkering gelegen. Er is geen sprake van een toename aan verharding van meer dan 500 m2, waardoor watercompensatie niet nodig is. Er is weinig kans op overstroming.
5.4
Beschermen van de gezondheid
5.4.1 Algemeen Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
29/76
5.4.2 Toetsing Het projectgebied bevindt zich op loopafstand van diverse voorzieningen en openbaar groen wat uitnodigt tot bewegen. Uit de voorgaande paragrafen wordt duidelijk dat binnen het projectgebied geen sprake is van een milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie vanuit de aspecten geur en omgevingsveiligheid. Sociale veiligheid Onder gezondheid valt ook een veilige leefomgeving. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere: ● Informeel toezicht op de openbare ruimte; ● Persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving; ● Het imago van het (totale) gebied. In het kader van leefbaarheid van Lindenhoeve wordt ingezet op wijkbeheer, vroegsignalering, ontmoeting en ondersteuning. De wijkbeheerder van HW Wonen bezoekt de Lindenhoeve meerdere keren per week zet in op ‘schoon, heel en veilig’ en staat in nauw contact met de huurder. Voor ieder woonblok wordt een blokbuddy geselecteerd. Een blokbuddy is een door HW Wonen uitgekozen huurder met een sociaal karakter, die graag meedenkt en helpt bij de ontwikkeling van een fijne woonomgeving. De blokbuddy’s zetten zich in voor het saamhorigheidsgevoel tussen de bewoners, organiseren activiteiten voor ontmoeting en zitten in de klankbordgroep met omwonenden.
Zij ontvangen daar ondersteuning bij van HW Wonen en de Stichting Welzijn Hoeksche Waard. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met Vluchtelingenwerk. Zij zijn verantwoordelijke voor de begeleiding van vergunninghouders tijdens hun eerste periode als huurder van een zelfstandige woning. Deze partijen hebben een signalerende taak in de wijk als het gaat om zorg. Wanneer blijkt dat er extra begeleiding nodig is, dan organiseert HW Wonen dat samen met de gemeente. 5.4.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling houdt op een passende manier rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid.
5.5
Kwaliteit van de buitenlucht
5.5.1 Algemeen Als een omgevingsvergunning voor een BOPA-betrekking heeft op een activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, dan kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 5.51 4e lid Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden, die zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl, bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen of spoorwegen en milieubelastende activiteiten daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.
Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
30/76
5.5.2 Toetsing Met de ontwikkeling wordt geen activiteit zoals genoemd in artikel 5.50 van het Bkl mogelijk gemaakt. De gemeente Hoeksche Waard is niet aangewezen als een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof op grond van artikel 5.51 van het Bkl. Verder onderzoek naar de bijdrage van de ontwikkeling aan de concentraties stikstofdioxide en fijnstof is niet noodzakelijk. 5.5.3 Conclusie De gemeente Hoeksche Waard is niet aangewezen als een aandachtsgebied. Een verder onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig. De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Geluid door activiteiten
5.6.1 Algemeen In een omgevingsplan (BOPA) wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar. Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.2 en 5.3 (instructieregel Bkl). Tabel 5.2: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
70 dB(A)
70 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
65 dB(A)
65 dB(A)
07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen
--
55 dB(A)
55 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
45 dB(A)
45 dB(A)
LAr,LT als gevolg van activiteiten
Tabel 5.3: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten LAr,LT als gevolg van activiteiten
Voor activiteiten buiten het plangebied geldt dat nieuwe ontwikkelingen met nieuwe geluidgevoelige gebouwen de activiteiten buiten het plangebied niet mogen belemmeren. De geluidregels voor bestaande activiteiten zijn in het omgevingsplan geregeld via de Bruidsschat. 5.6.2 Toetsing Aan het Laningpad 2 is muziekvereniging De Bazuin gesitueerd. De dichtstbijzijnde nieuw te realiseren woningen zijn gelegen op 7 meter afstand ten opzichte van de muziekvereniging. Door Tritium Advies zijn geluidmetingen uitgevoerd ter bepaling van het maximaal toelaatbare geluidniveau in de muziekruimte van De Bazuin, zodanig dat de woningbouw zonder belemmeringen is toegestaan. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 4. In het onderzoek is uitgegaan van de situatie dat voor muziekvereniging De Bazuin de geluidregels gelden van het omgevingsplan/Bruidsschat. Dit komt neer op 50/45/40 dB(A) in de dag-/avond-/nachtperiode. Als ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen aan deze waarden kan worden voldaan, wordt de muziekvereniging niet belemmerd en is er sprake van een aanvaardbare situatie. In artikel 22.70 van het omgevingsplan/Bruidsschat is opgenomen dat de geluidregels niet van toepassing zijn op het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
31/76
In de APV van de gemeente is opgenomen dat voor de duur van vier uur in de week onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagen avondperiode uitgezonderd is van toetsing. Dit betekent dat wanneer het aantal uren oefenen per week niet meer bedraagt dat 4 uur, de muziekvereniging niet wordt belemmerd. De voorkeur is om bij de nieuwe woningen te voldoen aan de standaardwaarde van 50/45/40 dB(A), omdat daarmee een aanvaardbare situatie wordt gerealiseerd. Uit het onderzoek van Tritium blijkt dat op basis van 50/45/40 dB(A) ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen het binnenniveau binnen de muziekvereniging niet meer mag bedragen dan 90/85/80 dB(A) in respectievelijk de dag-, avonden nachtperiode. Tijdens repetities zijn geluidniveaus gemeten van 96-101 dB(A), zodat er niet aan de grenswaarden wordt voldaan met een hoogste overschrijding van 16 dB(A) in de avondperiode. Tabel 5.4: Resultaten geluidmeting harmonie (bron: Tritium Advies).
Uit het onderzoek van Tritium blijkt dat een aantal van 5 bestaande ramen in de noordgevel van het gebouw van de muziekvereniging maatgevend zijn voor de geluidemissie. Naar verwachting (moet nog nader worden onderzocht) kan aan de standaardwaarden voor geluid worden voldaan (bij het spelen van een luid stuk) als de geluidisolatie van deze ramen wordt verbeterd (nieuwe beglazing of achterzetramen), eventueel in combinatie met het aanbrengen van een mechanisch ventilatiesysteem omdat de ramen in de zomerperiode worden gebruikt voor ventilatie en te openen ramen strijdig zijn met geluidisolatie. De exacte uitvoering van de geluidisolerende en ventilatietechnische maatregelen wordt in een later stadium onderzocht en worden op voorhand uitvoerbaar geacht. Voorgesteld wordt om aan de vergunning de voorwaarde te verbinden dat de (maatgevende) nieuwe woningen niet eerder in gebruik worden genomen dan dat de geluidreducerende maatregelen zijn uitgevoerd. Gezien de planning en bouwtijd is ook dat een realistisch uitgangspunt. 5.6.3 Conclusie Het is technisch haalbaar om een situatie te creëren waarbij geen overschrijding van het maximaal toelaatbare geluidniveau ter plaatse van de beoogde woningen plaatsvindt. Hiervoor dienen (akoestische) maatregelen verder worden uitgewerkt. In de vergunning voor de bopa wordt een voorschrift opgenomen.
Dit voorschrift borgt dat de nieuwe woningen niet eerder in gebruik worden genomen dan dat de geluidreducerende maatregelen zijn uitgevoerd. Er is hiermee sprake van een aanvaardbare situatie.
32/76
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.7.1 Algemeen Bij het toestaan van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied dient rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en dient er in te worden voorzien dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals vastgelegd in het Bkl. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden. Onder voorwaarden kan in sommige gevallen ook een overschrijding van de grenswaarden worden geaccepteerd. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd. 5.7.2 Toetsing Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 5. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat: ● ● ● ● ●
●
●
De geluidbelasting door gemeentewegen op de bouwblokken B, C en D voldoet aan de standaardwaarde van Lden 53 dB; De geluidbelasting door gemeentewegen op bouwblok A overschrijdt de standaardwaarde, maar is niet hoger dan de grenswaarde van Lden 70 dB; Maatregelen aan de bron verlagen de geluidbelasting niet voldoende en zijn daarom niet kosteneffectief; De beoogde indeling van het perceel kan als de akoestisch optimale indeling worden gezien; Alle woningen hebben een geluidluwe gevel; De woningen van blok A hebben een geluidluwe tuin van circa 13 m2 en voldoet daarmee niet aan de eis van een geluidluwe tuin van 20 m2 uit het geluidbeleid. Omdat de tuinen wel geluidluw zijn en de woningen maximaal 10 jaar geëxploiteerd en daarmee bewoond zullen worden kan dit worden beschouwd als een gegronde reden om van deze eis af te wijken. Omdat er geen grenswaarden worden overschreden, kan het geluid aanvaardbaar worden geacht. Het gezamenlijk geluid (ten behoeve van het bepalen van de benodigde geluidwering op basis van het Bbl) kan worden afgelezen aan de hand van de resultaten uit bijlage 3 van het akoestisch onderzoek en moet worden vastgelegd in het omgevingsplan en in eerste instantie in de voorschriften van de BOPA-vergunning. De geluidwering voor de woningen aan de Steenenstraat dient ten minste GA;k = 60 – 33 = 27 dB(A) te bedragen.
Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de “1,5 dB-toets”, wat neerkomt op een verkeerstoename van 40%. Dit is voor de ontwikkeling niet aan de orde.
5.7.3 Conclusie In de vergunning wordt een voorschrift opgenomen ten behoeve van de benodigde geluidwering voor de woningen. Daarmee wordt het geluid op basis van de instructieregels van het Bkl als aanvaardbaar beoordeeld.
5.8
Trillingen
5.8.1 Algemeen In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. 5.8.2 Toetsing en conclusie Woningen zijn trillinggevoelige gebouwen. In de directe omgeving zijn er echter geen bronnen die trillinghinder veroorzaken zoals een spoorlijn. De realisatie van de tijdelijke woningen is gelet op het aspect trillingen aanvaardbaar.
33/76
5.9
Bodemkwaliteit
5.9.1 Algemeen Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: ● Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 Aanvullingsbesluit Bodem); ● Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); ● Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Aanvullingsbesluit Bodem); ● Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen (paragraaf 2.3.6a.5 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 5.9.2 Toetsing De gemeente Hoeksche Waard heeft een bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart, deze zijn opgenomen als bijlage 1 in de Nota Bodembeheer. Het projectgebied valt in de bodemfunctieklasse 'wonen' en heeft als bodemkwaliteitsklasse 'wonen' (0 tot 1 m-mv en 1 tot 2 m-mv). Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. In dit onderzoek is niet het gehele projectgebied meegenomen omdat een deel van de locatie niet toegankelijk was voor onderzoek. De resultaten uit het onderzochte deel van het projectgebied zijn als volgt: ● De bovengrond op het westelijk deel van de locatie (zand) is niet verontreinigd met één van de stoffen uit het standaardpakket; ● De bovengrond op het resterende terrein (klei) is diffuus, heterogeen licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, lood, nikkel en/of zink; ● De diepere bodem (vermoedelijk de oorspronkelijke bovengrond) is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, zink en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).
Ter plaatse van boring 09 op het oostelijk deel van het terrein is in de diepere bodem een matig verhoogd gehalte aan lood gemeten; ● Het grondwater is licht verontreinigd met barium en kwik; ● Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van een gedempte sloot zijn geen noemenswaardige hoeveelheden bodemvreemde materialen aangetroffen die als dempingmateriaal zouden kunnen zijn toegepast. De baksteenresten betreffen vermoedelijk resten van de sloop van de voormalige boerderij; ● Er zijn geen verhoogde gehalten aan organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB) of polychloor bifenylen (PCB) gemeten; ● Tijdens het veldwerk zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Gezien de historie van de bebouwing is het niet aannemelijk dat er asbesthoudende materialen zijn toegepast. Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater betreft vermoedelijk een van nature verhoogde achtergrondwaarde. Voor het licht verhoogde gehalte aan kwik is geen verklaring gevonden De lichte verontreinigingen in de grond zijn vermoedelijk toe te schrijven aan de baksteenresten. De hypothese dat de locatie verdacht is van het voorkomen van verontreinigingen, dient op basis van de voorliggende onderzoeksresultaten te worden bevestigd.
34/76
De lichte verontreinigingen in de grond passen in het beeld van de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst ZuidHolland Zuid en kunnen als lokaal verhoogde achtergrondwaarden worden aangemerkt. De lichte verontreinigingen aan zware metalen geven geen aanleiding tot nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. Het matig verhoogde gehalte aan lood in de diepere bodem ter plaatse van boring 09, geeft gezien de (extra) analyseresultaten van de overige grondmonsters en de spreiding van de monsters geen aanleiding tot nader onderzoek. TAM-voorbereidingsbesluit bodem In aanvulling op het verkennend bodemonderzoek is overeenkomstig het voorbereidingsbesluit bodem van de gemeente Hoeksche Waard aanvullend laboratoriumonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) in de bovengrond. Voor het aanvullend onderzoek zijn in het laboratorium twee mengmonsters samengesteld uit de bovengrondmonsters die tijdens het verkennend bodemonderzoek verkregen zijn. Het addendum is opgenomen als bijlage 7. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat de gemeten gehalten aan perfluoroctaanzuur (PFOA) in beide grondmengmonsters beneden de toepassingswaarden ‘Wonen of industrie’ (7 μg/kg ds) van het op 1 december 2019 geactualiseerde handelingskader PFAS liggen.
Uit de toetsing blijkt voorts dat de gemeten gehalten aan PFOA voldoen aan de gebruiksfuncties landbouw/natuur, Wonen en Industrie (0,060 mg/kg ds) zoals opgenomen in tabel 24.3 van het omgevingsplan Hoeksche Waard. 5.9.3 Conclusie De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik, wonen met openbaar groen. Het verkennend bodemonderzoek voldoet nog niet aan de NEN-5725/NEN-5740 richtlijnen omdat een deel van de locatie niet toegankelijk was voor onderzoek. Hierdoor is niet bekend of er sprake is van een bodemverontreiniging, welke eventueel gesaneerd dient te worden. Dit is geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de BOPA, aangezien de locatie naar verwachting door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. Er worden daarom aantal voorschriften in de vergunning opgenomen. Met inachtneming van deze voorschriften draagt de ontwikkeling voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10 Geur
5.10.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van artikel 5.92 lid 1 van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: ● Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; ● Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. 5.10.2 Toetsing en conclusie Er is geen sprake van geur veroorzakende bedrijven in de nabijheid van het projectgebied. Met de ontwikkeling worden ook geen geurhinderlijke activiteiten mogelijk gemaakt. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met de instructieregel in artikel 5.92 van het Bkl. De realisatie van de tijdelijke woningen is gelet op het aspect geur aanvaardbaar.
5.11 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
5.11.1 Algemeen Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
35/76
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 5.11.2 Onderzoek Archeologie In het parapluplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' zoals vastgesteld op 9 mei 2017, heeft het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. In de regels behorende bij deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod tenzij: 1.
reeds uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn; of, 2. het bouwwerken betreffen die vergunningsvrij op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kunnen worden gebouwd; of, 'Waarde - Archeologie 'Waarde - Archeologie 3
1. niet dieper reiken dan 0,5 m
2. Planomvang kleiner dan 100 m²
Met de voorgenomen functiewijziging vinden er bodemroerende werkzaamheden plaats, derhalve is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de vergunningprocedure voor de sloop van het gebouwencomplex. De rapportage van dit archeologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 8 bij deze onderbouwing. Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: ● Ter plaatse van het projectgebied is een bodemopbouw aanwezig met een verstoorde bovenlaag, op (kom-) Afzettingen van Duinkerke Illb, op Hollandveen, op (kom-) Afzettingen van Calais IV. Het maaiveld ligt op een hoogte van circa 0.0 - 0.2 meter +NAP. ● Over de daadwerkelijke aanwezigheid of de omvang van de hier mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen op dit moment nog geen uitspraken worden gedaan. Er zijn aanwijzingen voor bodemverstoringen ter plaatse van het projectgebied, als gevolg van de bouw van het Sociaal Cultureel Centrum De Lindenhoeve in 1978. Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten.
Als gevolg van de voor de planrealisatie noodzakelijke graafwerkzaamheden in het kader van de sloop van het Sociaal Cultureel Centrum zullen de mogelijk nog aanwezige cultuurlagen uit de nieuwe Tijd en de top van de Afzettingen van Duinkerke Mb worden verstoord. Op en in deze horizonten kunnen archeologische resten uit de Nieuwe Tijd worden aangetroffen, gerelateerd aan de bebouwing die hier in de Nieuwe Tijd aanwezig is geweest.
36/76
Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom noodzakelijk geacht. Voor wat betreft de uitvoering van de Archeologische Begeleiding (AB) heeft overleg plaatsgevonden met de archeoloog van de Gemeente Hoeksche Waard. Op basis van dat overleg is een Programma van Eisen opgesteld (PvE), waarin de eisen en de randvoorwaarden voor de uitvoering van de AB zijn vastgelegd en dat ter goedkeuring is voorgelegd aan de Gemeente Hoeksche Waard. Dit PvE is opgenomen als bijlage 9 bij deze onderbouwing. Het door de gemeente goedgekeurde PvE vormt de basis voor het combineren van het archeologisch onderzoek met de ondergrondse sloopwerkzaamheden en civieltechnische graafwerkzaamheden. Allereerst dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd in combinatie met de ondergrondse sloopwerkzaamheden. Dit onderzoek betreft een Opgraving variant Archeologische Begeleiding, waarvoor reeds een Programma van Eisen (PvE) is opgesteld. Ter aanvulling en indien noodzakelijk, wordt aansluitend een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd; de eisen voor dit onderzoek zijn eveneens opgenomen in het bestaande en door het bevoegd gezag goedgekeurde PvE. Met betrekking tot de voor de ontwikkeling uit te voeren, civieltechnische graafwerkzaamheden, kunnen nog geen specifieke voorwaarden worden geformuleerd.
Deze zullen in belangrijke mate bepaald worden door de bevindingen van het archeologisch onderzoek tijdens/rond de sloopwerkzaamheden. In het geval dat de archeologische begeleiding en/of het archeologisch proefsleuvenonderzoek aantoont dat sprake is van een behoudenswaardige archeologische vindplaats, dan dient rekening te worden gehouden met aanvullende voorwaarden teneinde het behoud van archeologische waarden in situ te waarborgen. Indien behoudenswaardige archeologische waarden niet in situ kunnen worden behouden, dan dient nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd alvorens met de herinrichting van de projectlocatie mag worden begonnen. Voor een dergelijk (definitief) archeologisch onderzoek dient een apart Programma van Eisen te worden opgesteld en ter accordering te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Er dient eveneens rekening te worden gehouden met afdoende beschikbare tijd om, na beëindiging van de sloop van de bestaande bebouwing en voordat de herinrichting aanvangt, eventueel noodzakelijk archeologisch vervolgonderzoek uit te kunnen voeren en/of benodigde maatregelen te treffen om behoud in situ van aanwezige archeologische waarden te kunnen realiseren. Cultuurhistorie Het projectgebied ligt aan de Steenenstraat. In deze straat staan veel historische gebouwen.
De foto’s in figuur 6 tonen de veelzijdigheid van bouwjaren en uitstraling van de bebouwing aan de Steenenstraat. Direct ten oosten van het projectgebied staat een gebouw uit 1880. Tegenover het projectgebied staan jaren dertig woningen. Aan de westkant is het naastgelegen gebouw afkomstig uit 1959, met daarnaast weer een statige villa uit 1880 (Rijksmonument). Het oudste gebouw van de straat staat op de hoek met de Oost-Voorstraat en stamt ook uit 1800. Dit pand staat geregistreerd als Rijksmonument. Naast Rijksmonumenten staan er ook twee gemeentelijke monumenten in de straat, beide gebouwd in het begin van de 20e eeuw. Bij de ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de uitstraling van de bebouwing langs de Steenenstraat. Qua plaatsing en rooilijn kan op de bestaande lintstructuur worden ingespeeld. Ten aanzien van de vormgeving van de nieuwe woningen is daarom gekozen om deze in een afwijkend materiaal vorm te geven, namelijk hout. Hierdoor wordt enerzijds een samenhangend beeld (ensemble) neergezet op het binnenterrein. Anderzijds wordt op deze manier duidelijk verschil aangebracht tussen de bestaande deels monumentale bebouwing aan de Steenenstraat en de nieuwe tijdelijke bebouwing. Om de hiërarchie te benadrukken worden de nieuwe tijdelijke woningen iets teruggelegd ten opzichte van de bestaande bebouwing daarnaast.
Op deze manier wordt ook het groene beeld ter plaatse van de ontwikkeling aan de Steenenstraat behouden.
37/76
5.12 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.12.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b, eerste lid onder a van het Bkl bepaalt dat hoofdstuk 5 van het Bkl ook geldt voor een BOPA. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moeten de mogelijkheden worden bezien om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Voor wonen is de lijn dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Bij andere stedelijke functies is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2. Voor tijdelijke functiewijzigingen was de ladder voorheen niet van toepassing. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestaan de zogenoemde kruimelgevallen niet meer. 5.12.2 Toetsing In dit geval gaat het om een tijdelijke functiewijziging van een cultureel centrum naar tijdelijke woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Er is daarbij geen sprake van een groter ruimtebeslag of substantiële effecten op de leefomgeving. De effecten op de leefomgeving worden opgeheven na beëindiging van het tijdelijke gebruik. De ontwikkeling is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking, gelet op de tijdelijkheid en de omkeerbare effecten. Volledigheidshalve is hierna ingegaan op de behoefte en de keuze voor voorliggende locatie, gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beschrijving woningbehoefte Behoefte Flexwonen De jongeren en starters die graag op zichzelf willen wonen in de Hoeksche Waard, kunnen lastig een betaalbaar huis vinden. Hoeksche Waarders, die door persoonlijke omstandigheden snel woonruimte nodig hebben, zoeken vaak tevergeefs door de grote druk op de woningmarkt. Ook mensen met een verblijfsvergunning die recht hebben op een woning moeten lang wachten voor ze aan de beurt zijn.
Daardoor stokt de doorstroming vanuit (nood)opvangplekken en ontstaan er op tal van plekken zeer onwenselijke situaties. De gemeente zet volop in op de bouw van nieuwe woningen, maar de ontwikkeling van nieuwe wijken vraagt jaren van voorbereiding en procedures. En die tijd hebben deze groepen woningzoekenden niet. De nood is hoog en de behoefte is er nu. Daarom is ervoor gekozen om woningen te realiseren op gemeentegrond. In de Regionale Realisatie Agenda Wonen Samenwerkende regio's Alblasserwaard, Drechtsteden, Goeree-Overflakkee en Hoeksche Waard (7 maart 2023) is gelet op de grote woningbehoefte afgesproken dat de Hoeksche Waard vasthoudt aan de eigen ambitie om 500 woningen per jaar te blijven bouwen. Van deze nog te bouwen woningen moet 2/3 in de betaalbare prijsklasse vallen. Met het realiseren van de tijdelijke woningen kan de gemeente op korte termijn voor een deel aan deze behoefte voldoen.
38/76
Behoefte huisvesting statushouders De huisvesting van statushouders betreft een bovenregionale behoefte (nationale opgave). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de huisvesting van statushouders. Het Rijk legt ze hiervoor een taakstelling op. De taakstelling wordt twee keer per jaar bijgesteld en maandelijks gemonitord. Ver vooruitkijken en ver vooruitlopen op de taakstelling is niet zinvol, omdat de instroom een zeer grillig verloop kent. De instroom is onder meer afhankelijk van Europese afspraken, de uitvoering daarvan, de situatie in de landen van herkomst en de snelheid van gezinshereniging. In veel gevallen is in huishoudensprognoses en regionale woningbouwafspraken nog geen rekening gehouden met de instroom van statushouders. De door het Rijk opgelegde taakstelling kan daarom als plus op de regionale woningbehoefte worden gezien. In de eerste zes maanden van 2024 moeten gemeenten 18.750 statushouders huisvesten. Het gaat om asielzoekers die in Nederland een verblijfsvergunning hebben gekregen omdat zij bijvoorbeeld zijn gevlucht voor oorlog, geweld of vervolging. Uit het overzicht huisvesting vergunninghouders 1 juni 2024 blijkt dat de taakstelling (inclusief achterstand) voor de gemeente 189 wooneenheden betreft.
Dit zorgt ervoor dat de gemeente relatief veel woningen uit de reguliere voorraad moeten onttrekken, waardoor de wachttijden verder oplopen en de woningproblematiek vergroot. Conclusie woningbehoefte Er is een grote behoefte aan woningen voor mensen die in een dringende situatie zitten. Met oplossingen als flexwonen kan deze groep mensen sneller een dak boven hun hoofd aangeboden worden als opstap of tussenstap. In de tussentijd werkt de gemeente aan het mogelijk maken van permanente woningen. Omdat dit proces vaak langer duurt, wil de gemeente ook graag tijdelijke oplossingen bieden. De tijdelijke woningen worden onder andere gebouwd voor Hoeksche Waardse woningzoekenden. Van de 50 woningen zijn er 25 woningen bestemd voor jongeren tot 28 jaar en o.a. voor andere Hoeksche Waardse woningzoekenden die door persoonlijke omstandigheden snel tijdelijk woonruimte zoeken. De andere 25 woningen worden gebouwd voor woningzoekende met een verblijfsvergunning. 5.12.3 Conclusie De ontwikkeling is gelet op de tijdelijkheid niet aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Volledigheidshalve is wel de behoefte aan de huisvesting voor de twee doelgroepen in het project beschreven, gelet op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hieruit volgt dat invulling wordt gegeven aan een grote behoefte aan tijdelijke woningen voor mensen die dringend huisvesting nodig hebben.
5.13 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen 5.13.1 Algemeen Artikel 5.162 uit het Bkl regelt dat bij een nieuwe ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. 5.13.2 Toetsing en conclusie In dit project wordt de openbare buitenruimte heringericht. De voetpaden in het projectgebied zijn breed opgezet en bevatten zo min mogelijk opstapjes en hoogteverschillen. Daarmee is op een passende wijze rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van het gebied voor personen met een functiebeperking.
39/76
Figuur 5.3: Cultuurhistorische gebouwen in de omgeving van het projectgebied (bron: stedenbouwkundig plan).
5.13.3 Conclusie Met inachtneming van de voorschriften die bij de omgevingsvergunning worden opgenomen is in voldoende mate rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl.
5.14 Verkeer en parkeren
5.14.1 Algemeen Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow en het Bkl stellen geen specifieke regels op dit gebied. Het beleid van de provincie en de gemeente gaan wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid zijn de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat een eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. 5.14.2 Verkeersstructuur Langzaam verkeer Het projectgebied is gelegen aan de Steenenstraat/Laningpad. Op de Steenenstraat zijn aan weerszijden van de rijbaan voetpaden aanwezig, met een voetgangersoversteekplaats ten hoogte van het projectgebied. Voor fietsers is op de Steenenstraat aan de noordzijde van de rijbaan een fietssuggestiestrook aanwezig. Voor fietsers in de tegenovergestelde richting zijn geen voorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer.
40/76
Door middel van de lage maximumsnelheid en de beperkte rijbaanbreedte worden de snelheidsverschillen tussen de verschillende weggebruikers geminimaliseerd, waarmee de verkeersveiligheid van de fietsers wordt geborgd. In oostelijke richting komt de Steenenstraat uit op de Koninginneweg. Op de Koninginneweg zijn aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende voet- en fietspaden aanwezig, met een oversteekplaats voor voetgangers aan de zuidzijde van de kruising tussen de Steenenstraat en de Koninginneweg. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte is de bushalte gelegen direct ten noorden van het projectgebied aan de Steenenstraat. Bij deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijnen 711 en 712 binnen Oud-Beijerland. De eerstvolgende OV-halte is gelegen op circa 300 meter loopafstand vanaf het projectgebied aan de Koninginneweg, vanaf waar gebruik kan worden gemaakt van buslijnen 160, 171 en 663, die rijden tussen Rotterdam en Goudswaard. Gemotoriseerd verkeer Het projectgebied is bereikbaar voor het gemotoriseerde verkeer vanaf de Steenenstraat. De Steenenstraat is ingericht als een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u en een eenrichtingsregime in oostelijke richting naar de Koninginneweg. De Koninginneweg is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u.
In zuidelijke richting leidt de Koninginneweg naar de N217, tussen Nieuw-Beijerland en Dordrecht. In noordelijke richting loopt de Koninginneweg over in de Beneden-Oostdijk. De Beneden-Oostdijk is tevens ingericht als een gebiedsontsluitingsweg en verbindt het centrumgebied van Oud-Beijerland met de N217. 5.14.3 Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt voor Oud-Beijerland conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid een stedelijkheidsgraad van ‘matig stedelijk’ aangehouden. In verband met de tijdelijkheid en het karakter van het beoogde gebruik wordt aangehouden dat het autogebruik van de bewoners naar verwachting lager is. Daarom wordt bij het bepalen van de parkeerbehoefte van de woningen het minimum van de bandbreedte gehanteerd. De ligging van het projectgebied is gedefinieerd als ‘rest bebouwde kom’. Met behulp van de CROWkencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-381 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast.
In de bestaande situatie is binnen het projectgebied een voormalig cultureel centrum aanwezig. Deze functie is al enige tijd beëindigd. Om deze reden wordt voor het hanteren van een worstcasebenadering geen rekening gehouden met de saldering van de te vervallen bebouwing. Desalniettemin bracht het cultureel centrum een verkeersgeneratie en parkeervraag met zich mee die door de komst van de tijdelijke woningen vervalt. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 50 tijdelijke woningen, verdeeld over 3 studio’s, 32 tweekamerwoningen en 15 grondgebonden woningen. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie behorende bij de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten bij de CROW-kencijfers voor sociale huurwoningen.
41/76
Tabel 5.1: De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling
Functie
Functie CROW
Aantal
Kencijfer
Studio (30 m² bvo)
Huur appartement, sociale huur of vrije sector, <30 m² bvo Huur appartement, sociale huur, <75 m² bvo Huur huis, sociale huur Huur huis, sociale huur Huur huis, sociale huur
3 woningen
Tweekamerwoning (46 m² bvo) Grondgebonden 2 laags Grondgebonden 2,5 laags Grondgebonden 3 laags Totaal
1,8 per woning
Weekdag (mvt/etmaal 5,4
Werkdag (mvt/etmaal) 6
32 woningen
3,2 per woning
102,4
112,7
6 woningen
4,5 per woning
27
30,0
6 woningen
4,5 per woning
27
30,0
3 woningen
4,5 per woning
13,5
15,0
175,3
194,6
50 woningen
De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 195 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeerstoename gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het maatgevende spitsuur 10% van de etmaalintensiteit wordt gegenereerd. Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een verkeerstoename van (195 x 10% =) 14 mvt/uur, wat neerkomt op 1 voertuig per 3 minuten. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. 5.14.4 Parkeren Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in juli 2024 door Rho Adviseurs een parkeerberekening opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 10 bij deze onderbouwing. In de berekening wordt rekening gehouden met de parkeereis vanuit de naastgelegen basisschool en muziekvereniging, aangezien deze functies gebruik maken van dezelfde parkeergelegenheid als de beoogde ontwikkeling. Daaruit blijkt dat in de beoogde situatie gedurende het maatgevende moment (vrijdagmiddag) het projectgebied een parkeerbehoefte heeft van 68 parkeerplaatsen.
In de beoogde situatie wordt rekening gehouden met een parkeeraanbod van 75 parkeerplaatsen, bestaande uit 61 parkeerplaatsen op het parkeerveld en 14 parkeerplaatsen achter de Bazuin voor gebruik door personeel van de school en docenten en gebruikers van de muziekschool. Hiermee wordt de parkeerbehoefte (ruim) binnen het projectgebied opgevangen. 5.14.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 195 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van de omliggende wegen verwaarloosbaar is. In de beoogde situatie bedraagt de parkeerbehoefte van het projectgebied 68 parkeerplaatsen. Er worden 61 parkeerplaatsen op het parkeerveld in het projectgebied uitgevoerd en nog 14 parkeerplaatsen achter de Bazuin voor gebruik door personeel van de school en docenten en gebruikers van de muziekschool. Hiermee wordt de parkeerbehoefte (ruim) binnen het projectgebied opgevangen. Vanuit het aspect verkeer en parkeren is voor de ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
42/76
5.15 Ecologie gebiedsbescherming
5.15.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. 5.15.2 Toetsing Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde natura 2000-gebied betreft Oude-Maas op circa 1 km afstand, dit gebied is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak ligt op circa 13,5 kilometer. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het NNN. De dichtstbijzijnde onderdelen van het NNN bevinden zich op circa 740 meter (zie figuur 4).
Figuur 5.1: Projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van NNN.
Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 11, de berekeningen zijn te vinden in bijlage 12. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr. voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling.
43/76
5.15.3 Conclusie De ontwikkeling is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast. Vanuit het aspect gebiedsbescherming is voor de ontwikkeling sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.16 Ecologie soortenbescherming
5.16.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Hieronder worden de bevindingen van de quickscan beschreven. 5.16.2 Toetsing Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd op de locatie en geadviseerd omtrent de relevante natuurwetgeving. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 13 bij deze onderbouwing. De effecten en aanbevelingen zijn als volgt: Vleermuizen Binnen het projectgebied zijn géén geschikte locaties die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als verblijfplaatsen aangetroffen. Het perceel waar sloop en nieuwbouw voor gepland is, is niet geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De parkeerplaats vormt wel potentieel foerageergebied, maar kan door de aanwezigheid van ander geschikt foerageergebied in de omgeving uitgesloten worden als essentieel foerageergebied.
In het gehele projectgebied bevinden zich geen (onderdelen van) een mogelijke vliegroute. Door de voorgenomen plannen kan verstoring van vleermuizen optreden op de parkeerplaats, wanneer deze door vleermuizen als foerageergebied gebruikt wordt en tijdens de werkzaamheden ’s nachts verlicht wordt. Aangezien de werkzaamheden overdag plaats zullen vinden, kan dit effect op voorhand uitgesloten worden. Ook worden er geen andere (significant) negatieve effecten op vleermuizen verwacht. Grondgebonden zoogdieren Binnen het projectgebied zijn géén geschikte verblijfplaatsen of gaten gevonden die door grondgebonden zoogdieren gebruikt kunnen worden. Er zijn géén sporen van aanwezigheid van deze soorten aangetroffen. Er wordt daarom geen negatief effect door de voorgenomen plannen op deze soortgroep verwacht. Vogels met een vaste verblijfplaats Binnen het projectgebied zijn géén geschikte locaties gevonden waar vogels met vaste verblijfplaatsen een nest zouden kunnen maken. Gezien de aard van de werkzaamheden worden er daarom geen negatieve effecten op deze soortgroep verwacht. Voor de Huismus bevindt zich enkel niet-essentieel leefgebied, in de vorm van foerageergebied en schuilplaatsen, in het plangebied. Deze zijn in de directe omgeving ook voldoende aanwezig om negatieve effecten door de werkzaamheden op de Huismus te verwachten.
Algemene broedvogels Onder de Omgevingswet zijn alle vogelnesten beschermd wanneer deze actief in gebruikt zijn (van het moment van nestbouw tot het moment van uitvliegen). Op de randen van het perceel waar sloop en nieuwbouw plaats zal gaan vinden, alsook op de parkeerplaats, bevinden zich struiken en bomen. Voornamelijk de hoge populieren op de parkeerplaats kunnen door algemene broedvogels gebruikt worden om nesten in te bouwen. Indien er werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels (15 maart t/m 15 augustus) plaatsvinden, kan dan verstoring van de broedvogels optreden.
44/76
Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn géén geschikte plaatsen gevonden voor reptielen. Er worden daarom door de voorgenomen werkzaamheden geen negatieve effecten op deze soortengroep verwacht. Flora Er zijn tijdens het veldwerk géén waardplanten, beschermde of pionierssoorten waargenomen. De stukken vegetatie rondom het gebouw bestaan uit kleine stukken laag struweel. Er worden geen negatieve effecten verwacht. Verplichtingen Vleermuizen Voor de vleermuizen geldt volgens de Omgevingswet enkel de algemene zorgplicht, indien de werkzaamheden aan de parkeerplaats overdag (of zonder extra verlichting dan er normaal aanwezig is tussen zonsondergang en zonsopkomst) plaats zullen vinden. Grondgebonden zoogdieren Voor de grondgebonden zoogdieren geldt volgens de Omgevingswet enkel de algemene zorgplicht. Vogels met vaste verblijfplaats Voor de vogels met vaste verblijfplaats geldt volgens de Omgevingswet enkel de algemene zorgplicht. Algemene broedvogels Op en rondom het projectgebied bevinden zich enkele bomen waar algemene broedvogels hun nest kunnen bouwen. Omdat actief bezette nesten van elke vogelsoort onder de Omgevingswet beschermd zijn, mag er geen activiteit plaatsvinden die het nest verstoort. Om deze reden wordt er aangeraden om een broedvogelcheck uit te laten voeren, maximaal twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden.
Dit heeft voornamelijk betrekking op de populieren bij de parkeerplaats, indien er direct naast de bomen gewerkt zal worden. Indien er redelijkerwijs vanuit gegaan kan worden dat broedende vogels niet verstoord zullen worden (geen geluidsoverlast/trillingen in de buurt van het nest, en voldoende mogelijkheid voor vogels om ‘ongezien’ het nest te benaderen), dan kan een broedvogelcheck achterwege gelaten worden. Amfibieën en reptielen Voor amfibieën en reptielen geldt volgens de Omgevingswet enkel de algemene zorgplicht. Flora Voor de flora geldt volgens de Wet natuurbescherming enkel de zorgplicht. Aanbevelingen Voor de nieuwbouw wordt aangeraden zo veel mogelijk natuurinclusief te bouwen. Voorbeelden van manieren waarop natuurinclusief gebouwd kan worden, is door het verwerken van inbouwkasten voor Gierzwaluw, Huismus of vleermuizen in de ontwerpplannen en/of door het installeren van groene daken. Ook wordt er aangeraden om na de realisatie van de nieuwbouw zo veel mogelijk vegetatie op het perceel terug te brengen. In paragraaf 2.3 is aangegeven wat wordt gedaan op gebied van natuurinclusiviteit.
45/76
Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: ● Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; ● In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd; ● In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli) uitgevoerd; ● In verband met verstoring van aanwezige dieren wordt er zo min mogelijk verlichting gebruikt, wordt er gebruik gemaakt van rode verlichting en zijn de lichtbronnen naar beneden gericht; ● Waar nodig kan er gebruik gemaakt worden van ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden voor bijvoorbeeld het herkennen van een beschermde plant, het aanwijzen van een exacte locatie van een nest, groei-, of rustplaats, het op juiste wijze plaatsen of verwijderen van amfibieschermen, nestkasten, etc..