aanvraag bijlage 2 BOPA-onderbouwing Tijdelijke woningen Oud-Beijerland
Tekst van het document
BOPA TIJDELIJKE WONINGEN OUD-BEIJERLAND Gemeente Hoeksche Waard 17 december 2024
1/76
DATUM KENMERK
17 december 2024 20240581/151486/RvO
PROJECT PROJECTLEIDER
BOPA tijdelijke woningen Oud-Beijerland ing. S. la Grand
OPDRACHTGEVER HW Wonen PROJECTNUMMER 20240581 AUTEUR STATUS
2/76
I. van Malsen, Msc. Definitief
DISCLAIMER
© Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.
3/76
INHOUD 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding
6
1.1 1.2 1.3 1.4
6 6 7 7
Aanleiding Ligging projectgebied Procedure Leeswijzer
Beschrijving van het project en zijn omgeving
8
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
8 8 10 12 12
Huidige situatie Mogelijkheden omgevingsplan Toekomstige situatie Strijdigheden omgevingsplan M.e.r.-beoordeling
Participatie
14
3.1 3.2
Algemeen Vooroverleg en participatie
14 14
Beleidskader en toetsing daaraan
16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
16 16 16 21 24
Inleiding Rijk Provinciaal beleid Gemeente Conclusie
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
25
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14 5.15 5.16
25 25 27 29 30 31 33 33 34 35 35 38 39 40 43 44
Inleiding Waarborgen van de veiligheid Beschermen van de waterbelangen Beschermen van de gezondheid Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Trillingen Bodemkwaliteit Geur Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Ladder voor duurzame verstedelijking Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Verkeer en parkeren Ecologie gebiedsbescherming Ecologie soortenbescherming
6.
Economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal
47
7.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
48
4/76
BIJLAGEN Bijlage 1 stedenbouwkundig plan bijlage 2 Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Bijlage 3 Communicatie- en participatieplan Bijlage 4 Akoestisch onderzoek (activiteiten) Bijlage 5 Akoestisch onderzoek (wegverkeerslawaai) bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8 archeologisch bureauonderzoek Bijlage 9 Archeologisch Programma van eisen Bijlage 10 Parkeerberekening Bijlage 11 Stikstofmemo Bijlage 12 Stikstofberekeningen (aanleg- en gebruiksfase) Bijlage 13 Quickscan ecologie
5/76
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In nagenoeg heel Nederland is een tekort aan (betaalbare) woningen. De woningmarkt is krap, ook in de gemeente Hoeksche Waard. Er is behoefte aan een flexibele woningvoorraad in de vorm van tijdelijke huisvesting voor mensen die op korte termijn een woning nodig hebben. De gemeente wil in de kern Oud-Beijerland 50 tijdelijke woningen realiseren. De woningen worden voor 10 jaar geëxploiteerd. Hiermee wordt invulling gegeven aan de behoefte van Hoeksche Waardse woningzoekenden. Het project geeft ook mede invulling aan de gemeentelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders. Het project is in strijd met het omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard, omdat de activiteit ‘tijdelijk wonen’ niet past binnen de regels van het bestemmingsplan ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Om het project mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna BOPA) aangevraagd om zo te kunnen afwijken van het omgevingsplan. De omgevingsvergunning wordt voor een periode van 13 jaar aangevraagd, waarbij de woningen voor een periode van 10 jaar geëxploiteerd worden. De extra tijd (3 jaar) is nodig in verband met de levertijd van de woningen en de wachttijd op aansluitingen op nutsvoorzieningen.
Deze aanvraag moet getoetst worden aan het vigerende beleid en de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl), waaronder een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorliggende onderbouwing voorziet daarin en is onderdeel van het besluit.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied betreft de voormalige locatie van de Lindenhoeve aan de Steenenstraat/Laningpad in Oud-Beijerland. Het projectgebied waarbinnen de beoogde ontwikkeling is voorzien, bestaat uit een deel van het perceel kadastraal bekend als sectie D perceel 6988 en heeft een oppervlakte van circa 7.035 m2. In figuur 1.1 is de ligging van het projectgebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging projectgebied.
6/76
Het projectgebied wordt in het noorden begrensd door de Steenenstraat. Aan de overzijde van deze weg zijn woningen gelegen. Ook in het oosten wordt het projectgebied begrensd door verschillende woningen. In het zuiden en in het westen zijn verder woningen, maatschappelijke functies en dienstverlenende bedrijven gelegen. De Steenenstraat heeft een aftakking ten hoogte van het projectgebied. Dit is het Laningpad en deze weg loopt door het projectgebied heen. Zowel vanaf deze weg en de Steenenstraat is het projectgebied bereikbaar.
1.3
Procedure
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor het in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan; b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, lid 2 Bkl); b. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b en 8.0e Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 Bkl gelden. Voor dit project is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Dit betekent dat op de aanvraag omgevingsvergunning in beginsel binnen 8 weken moet worden beslist. Adviesrecht en verplichte participatie De gemeente Hoeksche Waard heeft een lijst met gevallen waarvoor de gemeenteraad een bindend advies wenst te geven (d.d. 11 oktober 2022). Uit het bepaalde onder artikel 1, onderdeel 1 sub a (realiseren van meer dan 12 woningen binnen bestaand stedelijk gebied) volgt dat bij het voorliggende project sprake is van adviesrecht vanuit de gemeenteraad.
Uit het besluit van de gemeenteraad volgt ook dat hiervoor het houden van participatie verplicht is.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van het bestaande gebruik en aanwezige bebouwing in het projectgebied. Ook wordt hier nader ingegaan op de invloed van de locatie op de omgeving en vice versa. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor het projectgebied en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe is geparticipeerd en hoe dit heeft bijgedragen aan het project. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 het project getoetst aan het relevante beleidskader en aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7/76
2. BESCHRIJVING VAN HET PROJECT EN ZIJN OMGEVING 2.1 Huidige situatie
2.1.1 Projectgebied Het projectgebied betreft de voormalige locatie van het cultureel centrum de Lindenhoeve aan de Steenenstraat/Laningpad te Oud-Beijerland, zoals weergegeven in figuur 1.1. De voormalige locatie van de Lindenhoeve bestaat uit een gebouwencomplex waarin een cultureel centrum was gevestigd. Op dit moment wordt het gebouw alleen nog gebruikt als jongerensoos. Aan de westzijde van dit complex ligt het Laningpad. Het Laningpad loopt door het projectgebied heen om vervolgens aan te takken op de H.B.S. Laan. Middenin het projectgebied ligt een kleine rotonde, waarmee rechts kan worden afgeslagen naar een bijbehorend parkeerterrein. De locatie komt vrij na de verhuizing van de jongerensoos. Het gebouwencomplex op de locatie wordt gesloopt, waardoor ruimte ontstaat voor de tijdelijke woningbouwlocatie. Er wordt voor de sloopwerkzaamheden een aparte toestemming aangevraagd. Dit loopt vooruit op het voorliggende project. 2.1.2 De omgeving Het projectgebied ligt aan de rand van het oude centrum van Oud-Beijerland. Op de kaart van 1925 is al bebouwing te zien in het gebied. Opvallend is dat die als lintbebouwing op de Steenenstraat en Oost-Voorstraat is georiënteerd. Deze structuur met de historische lintbebouwing is in de huidige situatie nog steeds herkenbaar. Aan de Steenenstraat staan verschillende historische gebouwen.
Ten zuiden van het projectgebied ligt de reformatorische basisschool de Eben-Haëzerschool en muziekvereniging De Bazuin. Het projectgebied ligt vrij centraal in de kern. Het dorpscentrum van Oud-Beijerland met dagelijkse voorzieningen ligt op circa 10 minuten loopafstand van het projectgebied. Binnen 5 minuten lopen zijn al de eerste primaire voorzieningen te bereiken langs de Oost-Voorstraat. Ook het Laningpark ligt in de directe omgeving, op circa 5 minuten loopafstand vanaf het projectgebied. Hiermee zijn belangrijke voorzieningen, zoals winkels en recreatieve mogelijkheden, goed bereikbaar vanaf de locatie.
2.2
Mogelijkheden omgevingsplan
2.2.1 Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard Er is sprake van een omgevingsplan van rechtswege (tijdelijk omgevingsplan). De regels voor de onderhavige locatie zijn opgenomen in de volgende onderdelen van het tijdelijke omgevingsplan (artikel 22.1 Omgevingswet): ● De besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en tevens de volgende verordeningen: een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening; ● De kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; ● De Bruidsschat. Hierna wordt kort ingegaan op deze onderdelen uit het (tijdelijk) omgevingsplan die van belang zijn voor het voorliggende project. In paragraaf 2.4 wordt getoetst aan dit toetsingskader en ingegaan op de strijdigheden die ontstaan met het omgevingsplan.
8/76
2.2.2 Bestemmingsplan Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen Op basis van de geldende planologische regeling, het tijdelijk omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Hoeksche Waard waarvan het bestemmingsplan ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’ (vastgesteld 8 juli 2014 en geheel onherroepelijk in werking) onderdeel uitmaakt, geldt ter plaatse van het projectgebied de bestemming ‘Maatschappelijk’. Er is een bouwvlak ingetekend waarbinnen een gebouw van maximaal 10 meter hoog is toegestaan. De uitsnede van het bestemmingsplan is weergegeven in figuur 3. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn maatschappelijke voorzieningen met ondergeschikte detailhandel en ondersteunende horeca toegestaan, met de daarbij behorende tuinen en erven, wegen en paden, parkeervoorzieningen, verkeersvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. 2.2.3 Parapluplan Archeologie en Parkeren Ook geldt voor het projectgebied het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (vastgesteld op 9 mei 2017 en geheel onherroepelijk in werking). De gedetailleerde verwachtings- en beleidsadvieskaart zoals in 2009 vastgesteld ligt hieraan ten grondslag. Om te zorgen voor een uniforme archeologische beleidsvoering wordt met dit parapluplan een archeologische dubbelbestemming toegekend.
Het projectgebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3’. Ook zijn met het parapluplan de regels ten aanzien van parkeren gewijzigd.
Figuur 2.1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Correctieve herziening bestemmingsplan Wonen’, projectgebied aangeduid met rood kader
2.2.4 TAM-voorbereidingsbesluit bodem en Bodemkwaliteitskaart TAM-voorbereidingsbesluit bodem Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard heeft op 23 januari 2024 het voorbereidingsbesluit bodem genomen om ervoor te zorgen dat in de overgangsperiode tussen nu en het vaststellen van nieuwe bodemregels in het omgevingsplan wordt voorkomen dat activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met in voorbereiding zijnde bodemregels.
9/76
Bodemkwaliteitskaart De 10 gemeenten (waaronder de gemeente Hoeksche Waard) in de regio Zuid-Holland Zuid hebben een gezamenlijke Nota bodembeheer. Onderdeel van de Nota bodembeheer is de bodemkwaliteitskaart (Bodemkwaliteitskaart Zuid-Holland Zuid 2021). 2.2.5 Verordeningen Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater (art. 4.6 Invoeringswet Omgevingswet), mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval is alleen Erfgoedverordening 2022 gemeente Hoeksche Waard onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. 2.2.6 Bruidsschat In de Bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De Bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.
2.3 Toekomstige situatie
Het voorliggende project bestaat uit de realisatie van 50 tijdelijke woningen. Er is gekozen om de 50 tijdelijke woningen binnen het bestaande bouwvlak in te passen. Een voordeel hiervan is dat het bestaande parkeerveld voor de tijdelijke functie niet hoeft te worden verplaatst, maar slechts op enkele punten wordt aangepast aan het nieuwe programma én dat de kabels en leidingen niet hoeven worden omgelegd. Bijkomend voordeel is dat de bestaande toegang van de school kan worden gehandhaafd zodat de toegang gedurende de sloop en de uitvoering van de grond en bouwwerkzaamheden gegarandeerd blijft. Het bestaande trafo-huisje wordt opgenomen in het ontwerp en blijft intact.
Het ontwerp gaat uit van de volgende principes: ● Oostelijk straatje wordt doorgetrokken en krijgt de functie van fietspad dat aansluit op het huidige pad langs de basisschool naar H.B.S.-Laan; ● Behoud bestaande parkeerveld en de ontsluiting op de Steenenstraat; ● Besloten bouwveld met meerdere bouwblokjes rond een binnenterrein; ● Bebouwing binnen bestaand bouwvlak bestemmingsplan; ● Binnen maximale bouwhoogten bestemmingsplan (maximaal 10 meter); ● Bouwhoogte afstemmen op de directe omgeving; ● Er worden maximaal 50 woonunits in 5 typen gerealiseerd: Tweekamerwoningen 32 Studio’s 3 Grondgebonden 2-laags 6 Grondgebonden 2,5-laags 6 Grondgebonden 3-laags 3 Het ontwerp gaat uit van een ontsluiting van de woningen aan de binnenzijde via het hofje. De woningen aan de Steenenstraat hebben de voordeur aan de Steenenstraat en een achterdeur aan het binnenterrein, omdat het belangrijk is dat er voorkanten aan de Steenenstraat worden gepositioneerd. De overige woningen hebben geen deuren aan de achterzijden. De woningen zijn zo georiënteerd op een collectief binnenterrein waar ruimte is voor ontmoeten, verpozen en spelen. De buitenruimte van de woningen ligt ook aan deze zijde, in de vorm van een Delftse stoep van 1,5 meter diep. De woningen aan de Steenenstraat hebben de entree aan de Steenenstraat en een terras van 2 meter diep aan de achterzijde.
Zo ontstaat een aantrekkelijke binnenzijde die wordt ingericht voor functioneel gebruik in combinatie met een groene inrichting. De buitenzijde wordt hiermee vooral een rustige achterkantsituatie zonder buitenruimten.
10/76
Er wordt rekening gehouden met de bouwhoogte in relatie tot de aanliggende percelen. Aan de oostzijde worden daarom maximaal twee bouwlagen neergezet in verband met privacyoverwegingen. Aan de Steenenstraat en het parkeerterrein is een extra laag passend, gezien de afstanden tot omliggende bebouwing en de bebouwingsstructuur. De woningen krijgen een kleine inpandige bergruimte. Er worden geen losse bergingen in het gebied geplaatst. Aan de oostzijde van het gebied wordt naast het trafohuisje een tweede afsluitbare fietsenstalling beoogd. Op deze wijze biedt het project ruimte voor circa 80-100 fietsen. Door meer ruimte in het bouwvlak groen in te richten is er minder hittestress, een betere waterafvoer en ruimte voor meer biodiversiteit. Ten aanzien van de vormgeving van de nieuwe woningen is gekozen om deze in een afwijkend materiaal ten opzichte van de bestaande omgeving vorm te geven, namelijk met een op hout gelijkend materiaal. Hierdoor wordt enerzijds een samenhangend beeld (ensemble) neergezet op het binnenterrein. Daarnaast wordt op deze manier duidelijk verschil aangebracht tussen de bestaande deels monumentale bebouwing aan de Steenenstraat en de nieuwe tijdelijke bebouwing. Om de hiërarchie in de Steenenstraat te benadrukken worden de nieuwe tijdelijke woningen op de bestaande rooilijn gebouwd.
Zo blijven de woningen iets terugliggend ten opzichte van de bestaande bebouwing daarnaast. Op deze manier wordt ook het groene beeld aan de Steenenstraat behouden. Voor de benodigde vuilcontainers wordt een plek in deze groenstrook nabij de entree van het gebied gezocht.
Figuur 2.2: Stedenbouwkundig plan (bron: Rho Adviseurs).
11/76
2.4
Strijdigheden omgevingsplan
2.4.1 Strijdigheden Het project is op een aantal onderdelen in strijd met het omgevingsplan. Deze strijdigheden zijn hiernavolgend benoemd: Uitvoeren van werken / werkzaamheden ● De activiteit werk of bouwwerk aanleggen ten behoeve van het bouwrijp maken van de locatie is in strijd met de bestemming ‘Maatschappelijk’ omdat de activiteiten niet ten behoeve van maatschappelijke functies worden uitgevoerd, maar ten behoeve van het realiseren van tijdelijke woningen. Gebruik ● De activiteit tijdelijk wonen past niet binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’. Het project is hiermee in strijd (gebruiksactiviteit wonen, artikel 14.1). Ruimtelijk bouwen ● De tijdelijke woningen zijn voorzien binnen het bouwvlak behorende bij de bestemming ‘Maatschappelijk’. Per bouwvlak mag maximaal één hoofdgebouw worden gebouwd en mag de bouwhoogte maximaal 10 meter bedragen. Het project is hiermee in strijd, omdat er meer dan één hoofdgebouw wordt gebouwd binnen het bouwvlak en delen van de gebouwen hoger zijn dan 10 meter (bouwactiviteit, artikel 14.2). 2.4.2 De omgevingsvergunning voor de BOPA ziet op het mogelijk maken van de volgende activiteiten: De activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan en die door middel van een omgevingsvergunning voor de BOPA worden aangevraagd, zijn onderzocht en gemotiveerd in deze onderbouwing.
Dit betreffen de volgende activiteiten: ● Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken / werkzaamheden; ● Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bouwwerken en in stand houden van bouwwerken; ● Omgevingsplanactiviteit voor de gebruiksverandering van het projectgebied naar tijdelijk wonen en het gebruiken van de bouwwerken en gronden ten behoeve van tijdelijk wonen.
2.5
M.e.r.-beoordeling
2.5.1 Algemeen De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-mer plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven voor welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hierin het omgevingsplan wordt genoemd, is dit ook van toepassing op de omgevingsvergunningsaanvraag voor een BOPA. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.).
Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
12/76
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning. 2.5.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd, betreft de realisatie van 50 tijdelijke woningen. Dit is een activiteit uit de kolom van Bijlage V van het Ob, namelijk activiteit J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Hiervoor is een m.e.r-beoordeling noodzakelijk. Uit de informatie in de aanmeldnotitie zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze onderbouwing blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de ontwikkeling zijn geen mitigerende maatregelen bekend. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk. 2.5.3 Conclusie Er is geen sprake van een m.e.r.- plicht.
13/76
3. PARTICIPATIE 3.1
Algemeen
3.2
Vooroverleg en participatie
De gemeenteraad van Hoeksche Waard stelde op 11 oktober 2022 gevallen vast waarvoor het houden van participatie verplicht is (artikel 16.55, lid 7 Omgevingswet). Voor het realiseren van 50 tijdelijke woningen moet participatie plaatsvinden.
Vooroverleg De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid is om advies gevraagd inzake de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid bij een incident binnen het projectgebied. De Veiligheidsregio heeft een aantal eisen gedeeld die vervolgens zijn verwerkt in het ontwerp. De eisen vanuit de brandweer zijn meegenomen in het ontwerp zoals wegbreedten en een extra bluspunt. Participatie omgeving Voor het project is een communicatie- en participatieplan opgesteld. Dit document is opgenomen in bijlage 3. Er is uitvoerig participatie gevoerd. Het doel van de participatie is om bewustwording te creëren over de noodzaak van een flexibele woningvoorraad in de Hoeksche Waard, en om de inwoners en stakeholders te informeren over de locatie Lindenhoeve waar deze tijdelijke woningen zouden kunnen komen. De participatie is onderverdeeld in verschillende fases. Per fase is aangegeven op welke wijze de participatie is vormgegeven. ●
●
●
●
●
● ● ●
14/76
Fase 1: In deze fase informeren we (de gemeente) de raad over de stand van zaken binnen het project en informeren we de raad over het moment van informeren van de projectomgeving via een raadsinformatiebrief (d.d. 28 mei 2024). We informeren en raadplegen de raad dus. Nadat het college ingestemd heeft met het collegevoorstel brengen we dit ter informatie naar de raad en vragen wij hen om hun vertrouwelijkheid tot informatie openbaar is. Fase 2: We betrekken de omgeving bij de tijdelijke huisvesting op locatie Lindenhoeve. In deze fase informeren we de stakeholders door ze schriftelijk op de hoogte te stellen van de plannen. De stakeholders als de inwoners zijn middels een brief uitgenodigd om de inloopbijeenkomst te bezoeken welke gaat over de visie van de gemeente op de tijdelijke woningbouw plek. Met name de inwoners moeten weten wat ze kunnen verwachten tijdens die bijeenkomst. In de periode tot aan de bijeenkomst staan we ervoor open om alvast in gesprek te gaan met mensen die zich zorgen maken. Fase 3a: Op de eerste bijeenkomst op woensdag 12 juni 2024 informeren we hen over de voorziene locatie en we laten de stedenbouwkundige schetsen zien. De ruimte voor inbreng voor inwoners is raadplegen als het gaat om de inrichting van de openbare ruimte en groenvoorzieningen.
Hierover kunnen inwoners ideeën aandragen, hun wensen uitspreken en meedenken over de beste inrichting van de openbare ruimte. Denk aan de ontsluiting van de nieuwe wijk, de aanleg van speelplaatsen, ontmoeting, parkeren, klimaatadaptatie, biodiversiteit en over de beste route voor wandelingen. Het gaat dus om hoe de nieuwe openbare ruimte als aanvullende toevoeging voor de bewoner wordt gebruikt. We geven van tevoren wel aan dat we afwegen in hoeverre we wensen kunnen meenemen in de plannen. We halen dus zoveel mogelijk informatie op en we vragen wie interesse heeft om deel te nemen aan een klankbordgroep. We roepen ook de woningzoekenden op om zich aan te melden voor de klankbordgroep. De bijeenkomst van 12 juni heeft de vorm van een inloopavond waarbij mensen hun vragen en ideeën uiten bij verschillende thematafels. Er is geen plenaire presentatie. Na de informatieavond is er ook weer de mogelijkheid voor de projectomgeving om 1-op-1 met het project aan tafel te gaan (keukentafel gesprekken). Fase 3b: Op de 2e bijeenkomst op woensdag 3 juli 2024 tonen we de plannen van de tijdelijke woningen en laten we de omgeving weten wat we met de eerdere inbreng hebben gedaan. Informeren en toetsen. Ook deze bijeenkomst heeft de vorm van een inloopavond waar mensen terecht kunnen met hun vragen bij verschillende thematafels. Ook deze bijeenkomst heeft geen plenaire presentatie.
Fase 3c: We bieden omwonenden ook de mogelijkheid voor een persoonlijk gesprek. Dit heeft voor sommige mensen de voorkeur boven een grote (inloop)bijeenkomst. Fase 4a: Start sloop en fase 4b start bouwrijp maken: informeren. Fase 5: Start woningbouw: informeren.
● ●
Fase 6: Start verhuurprocedure: informeren. Fase 7: Na realisatie aanspreekpunt en indien gewenst klankbordgroep behouden.
Uitkomsten De uitkomsten uit de gevoerde participatie zijn opgenomen in het communicatie- en participatieplan. Op onderdelen is het plan aangepast. Zo is naar aanleiding van het gesprek met de Eben-Haëzer school in het plan rekening gehouden met de wensen van de school zoals toegankelijke parkeerplaatsen, verkeersruimte voor naar schoolgaande kinderen, calamiteiten en aandacht voor verkeersveiligheid. Naar aanleiding van het gesprek met muziekschool De Bazuin is in het plan rekening gehouden met de wensen van de muziekschool zoals het delen van de parkeergelegenheid. Ook zijn er naar aanleiding van reacties op de informatieavonden en aar aanleiding van de gevoerde keukentafelgesprekken wijzigingen doorgevoerd in het ontwerp, bijvoorbeeld het verplaatsen van de fietsenstalling, het plaatsen van hekjes tussen het fietspad en de groenvlakken en het verplaatsen van de beoogde ondergrondse containers. Een volledig overzicht is opgenomen in bijlage 9 van het communicatie- en participatieplan.
15/76
4. BELEIDSKADER EN TOETSING DAARAAN 4.1
Inleiding
4.2
Rijk
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien voor ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3. Tot slot wordt in paragraaf 4.5 de ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
4.2.1 Nationale Omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficient en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Toetsing Bij het project zijn geen nationale belangen in het geding. Met de ontwikkeling wordt een locatie binnen bestaand stedelijk gebied herontwikkeld naar 50 tijdelijke woningen. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd aan de urgente behoefte aan tijdelijke woningen binnen de gemeente. 4.2.2 Conclusie Het realiseren van tijdelijke woningen in Oud-Beijerland is niet in strijd met het rijksbeleid.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 2023) De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.
16/76
De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: ● Bouw naar behoefte; ● Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; ● Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties ● Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; ● Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving. Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang. Flexwonen (waaronder het realiseren van tijdelijke woningen valt) is specifiek benoemd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. In Zuid-Holland is een enorme druk op de woningmarkt. Flexwonen kan als flexibele schil de bestaande druk op de woningvoorraad verminderen en kan fungeren als ‘ventiel’ voor de druk op een gespannen woningmarkt. Flexwonen kan bijdragen aan een snelle verlichting voor de woonvraag. Gebouwen voor Flexwonen worden beschouwd als stedelijke functie die in beginsel in bestaand stads- en dorpsgebied moeten worden gerealiseerd. Toetsing In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Het project is in overeenstemming met de omgevingsvisie.
4.3.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (geconsolideerd 26 maart 2024) In samenhang met de omgevingsvisie is de omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in het gemeentelijke omgevingsplan. Het project is hieronder getoetst aan de relevante instructieregels. Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen. 2. De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: a. de risico’s van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d.
de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.
17/76
Toetsing art. 7.41a en 7.41aa In het project wordt minder bebouwing neergezet dan in de huidige situatie. Het binnenterrein wordt voor een deel groen ingericht. Hiermee wordt invulling gegeven aan klimaatadaptatie en biodiversiteit. De tijdelijke woningen worden duurzaam en toekomstbestendig. Hergebruik op een volgende locatie is ook mogelijk. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. 3. n.v.t. Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Toetsing art. 7.43a en 7.43c Het projectgebied valt niet in een gebied dat is aangemerkt als een bijzondere beschermingscategorie. Het toevoegen van woningen binnen bestaand stads- en dorpsgebied wordt beschouwd als 'inpassen'. De gebiedsidentiteit of structuur van het gebied wordt niet aangepast. Het betreft een aanpassing en betere benutting op kavelniveau. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedelijke omgeving en wordt zorgvuldig ingepast op de locatie.
Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. Toetsing De behoefte aan tijdelijke woningen is onderbouwd in paragraaf 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking. Met dit project wordt mede invulling gegeven aan gemeentelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders. Tevens past het project binnen de regionaal gemaakte afspraken ten aanzien van tijdelijke woningen.
18/76
Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Toetsing De ladderonderbouwing is opgenomen in paragraaf 5.1 van deze onderbouwing. Hieruit blijkt dat behoefte is aan tijdelijke woningen in Oud-Beijerland. Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw) 1. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Toetsing Er is met het plan gestreefd naar een zo hoog mogelijke aantal woningen met behoud van de leefkwaliteit.
Er zijn verschillende typen tijdelijke woningen in het plan verwerkt om zo meerdere doelgroepen te kunnen huisvesten. Artikel 7.45c (bereikbaarheid) Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Toetsing In paragraaf 5.4 is ingegaan op de verkeersontsluiting van het projectgebied. Hieruit blijkt dat de locatie voor zowel langzaam- als gemotoriseerd verkeer goed bereikbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten op de bereikbaarheid in de omgeving heeft. Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit. Toetsing In het plan is sprake van minder bebouwd oppervlakte dan in de huidige situatie. Het binnenterrein wordt voor een groot deel groen ingericht. Daarbij zijn expliciet kansen voor versterking van de biodiversiteit door bijvoorbeeld een juiste soortenkeuze. Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld.
Toetsing In dit geval is voor een lokale op de situatie afgestemde parkeernorm gekozen. Zie paragraaf 5.4.
19/76
Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik) Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik Toetsing Gelet op de grote behoefte aan tijdelijke woningen is in dit geval voor gekozen om alleen wonen mogelijk te maken. Wel is sprake van meervoudig ruimtegebruik en functiemenging bij de bestaande parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen kunnen namelijk ook worden ingezet ten behoeve van andere functies (anders dan wonen). Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44. 2. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op: a.
welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente; b. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel; en c. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel. 3. Als over het aandeel sociale huurwoningen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Toetsing In het voorliggende project worden alle woningen onder de betreffende grens verhuurd, gelet op de tijdelijkheid zullen de woningen echter niet voor 25 jaar in stand worden gelaten. De woningen zijn demontabel en na het verstrijken van de termijn van 13 jaar kunnen de sociale woningen wel elders gebruikt worden. 4.3.3 Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 (2017) De vijf voormalige gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma vastgesteld. De visie kwam tot stand in samenwerking met diverse partijen.
De visie speelt in op de veranderingen in de woningmarkt en kansen die er liggen om toekomstige krimp tegen te gaan. De Woonvisie is ook in de nieuwe gemeente Hoeksche Waard geldend. In de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 staat de vitaliteit van de Hoeksche Waard centraal. In de Woonvisie zet de gemeente het beleid gebaseerd op de gevolgen van vergrijzing en mogelijke krimp van de bevolking voort. Dit is echter niet voldoende om een vitale regio te blijven. Om die reden zet de Woonvisie in op het aantrekken van jonge huishoudens naar de Hoeksche Waard. De uitdaging ligt daarnaast in het tijdig voldoende woningen realiseren die aansluiten bij de kwantitatieve ven kwalitatieve behoeften van de doelgroep. Dit vraagt om een ander soort woningbouwprogramma. Een programma dat de lat in kwalitatieve zin hoog legt en flexibel is in kwantiteit zodat ingespeeld kan worden op de ontwikkeling van de instroom. Gemeente Hoeksche Waard monitort de uit voering van de Woonvisie om ervoor te zorgen dat er voldoende woningen zijn die aansluit bij de behoefte. Uit de Woonvisie en de monitoring blijkt dat er de komende jaren sprake is van een groei van het aantal inwoners en het aantal huishoudens (door onder andere gezinsverdunning).
20/76
Daarnaast nam de behoefte aan het huisvesten van jongeren en het realiseren van tijdelijke huisvesting toe. Deze behoefte is nog groter geworden door de toename van statushouders en de oorlog in Oekraïne. Vitaliteit vraagt ook om een toekomstbestendige woningvoorraad. Naast meer kwantiteit is er ook veel aandacht voor kwaliteit. De gemeente zet in op de volgende kwaliteitscriteria: ● Op energie omdat we op weg zijn een energie neutrale regio te vormen; ● Op geschiktheid vanwege het groenend aantal (oudere) huishoudens; ● Op bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer; ● Op de ruimtelijke kwaliteit die ons onderscheidt van de grote stad. De gemeente kijkt daarbij niet alleen naar nieuwbouw, maar ook naar de bestaande woningvoorraad. Om de regionale economie en vitaliteit, de omgevingskwaliteit en het welzijn van de inwoners te verbeteren spraken gemeente en provincie uit dat zij de samenwerking willen intensiveren in een integraal gebiedsprogramma. Het programma speelt in op de toekomst van de Hoeksche Waard. Hierbij staan vijf thema’s centraal: duurzame landbouw, energie, bereikbaarheid, natuur en recreatie en demografische ontwikkelingen. Toetsing Het toevoegen van tijdelijke woningen in Oud-Beijerland draagt bij aan de doelen van de Woonvisie 2030 en het verlagen van de acute druk op de woningmarkt. Het project is in overeenstemming met de regionale woonvisie.
4.3.4 Conclusie De beoogde ontwikkeling van 50 tijdelijke woningen in de kern van Oud-Beijerland is in lijn met het provinciaal- en regionaal beleid. Gelet op de voorgaande toetsing aan relevante artikelen van de Omgevingsverordening (geconsolideerde versie 26 maart 2024), wordt geconcludeerd dat het project voldoet aan de instructieregels in deze verordening.
4.4
Gemeente
4.4.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard In de Omgevingsvisie is ervoor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. ● De Omgevingsvisie richt zich op de gewenste koers van de gemeente; ● De Programmaplannen richten zich erop hoe daar te komen; ● Het Omgevingsplan geeft aan binnen welke regels dit gaat gebeuren. In de Omgevingsvisie is onder andere aangegeven dat er gestreefd wordt naar een krachtige en vitale participatiesamenleving waarin inwoners zelfbewust en in samenwerking met maatschappelijke organisaties en de gemeente regie voeren op het eigen bestaan, waarin voldoende vangnetten zijn ingericht en waarin preventie een grote rol speelt. Inzet is dat er voor alle inwoners een duurzaam veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit aanwezig is. Partijen worden uitgenodigd om vooral zelf met concrete uitwerkingen te komen. Daarbij is het van belang om de Hoeksche Werken (opgaven) te noemen, waaraan het initiatief een bijdrage levert. Daarnaast moet worden gekeken naar het gebied waar het initiatief aan de orde is. Hier zijn de Hoeksche Waarden (kwaliteit) van belang, die met het initiatief behouden of versterkt worden. Hoeksche Werken Bij de Hoeksche Werken zijn er diverse maatschappelijke opgaven die de aandacht vragen de komende jaren.
De bijdrage van het project tot het realiseren van de tijdelijke woningen draagt op de volgende manieren bij: ● Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; ● Vitale dorpen en actieve samenleving.
21/76
Toetsing Hoeksche werken De nieuwe woningen zijn gasloos en zullen zo veel mogelijk eigen energie opwekken middels bijvoorbeeld zonnepanelen voor elektriciteit. Het projectgebied ligt in de kern van Oud-Beijerland. De intensivering van woonbebouwing levert een positief effect op het gebruik van de voorzieningen in de woonkern. Hoeksche Waarden Het projectgebied valt binnen het gebied ‘Dorpse Trots’. Een belangrijk uitgangspunt bij ‘Dorpse Trots’ is dat voor wat betreft de verdere ontwikkeling van de woonbebouwing in woonkernen, eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Toetsing Hoeksche waarden In dit geval is sprake van inbreiding/herontwikkeling binnen de kern van Oud-Beijerland. In het kader van de wens om het bouwplan in goed overleg met omwonenden te realiseren, zijn omwonenden vooraf geïnformeerd over het plan (zie hiervoor de paragraaf participatie). Conclusie Het voorliggende project sluit aan bij de uitgangspunten in de Omgevingsvisie Hoeksche Waard. 4.4.2 Welstandsbeleid Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen.
In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard, oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard).
Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b van het Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken, zijn uitgesloten van deze welstandstoets. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de Nota ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard 2020. Deze nota is vastgesteld op 15 december 2020 door de gemeenteraad. 4.4.3 Toetsing Volgens de Nota ruimtelijke Kwaliteit Hoeksche Waard 2020 maakt het projectgebied onderdeel uit van het zeer waardevolle welstandsgebied ‘Voorstraatdorpen’, wat valt onder de historische dorpskernen en -structuren. De kwaliteit van deze structuur zal dan ook behouden moeten blijven. Tijdelijke bouwwerken zijn echter uitgesloten van welstandstoetsing. Volledigheidshalve wordt hierna ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten in de vormgeving van het ontwerp.
Er is bewust gekozen voor een afwijkende vormgeving (platte daken) en materialisering (houtlook), zodat de kwaliteiten van de monumentale omgeving behouden blijven en duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn. Overigens wordt de structuur niet zozeer aangepast, er wordt namelijk binnen het bestaande bouwvlak gebouwd. De bebouwing wordt dan ook niet dichter op de Steenenstraat gezet. Door de iets naar achterliggende rooilijn blijft de bestaande monumentale structuur en bebouwing volledig intact. 4.4.4 Conclusie Tijdelijke bouwwerken zijn uitgesloten van welstandstoetsing. Desondanks wordt het project ter beoordeling voorgelegd aan de ambtelijke adviescommissie.
22/76
4.4.5 Duurzaamheidsbeleid In het programmaplan Duurzaamheid staan de doelen en inspanningen beschreven, die bijdragen aan en duurzame toekomst. Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het programmaplan goedgekeurd. Het plan is tot stand gekomen met input van inwoners van Hoeksche Waard. Een duurzame relatie tussen mens en natuur vereist een dynamische en vernieuwde kijk op de inrichting van de samenleving. Een nieuwe blik op het energieverbruik, waar het vandaan komt, en op het inrichten en beheren van de openbare ruimte. Ook wil de gemeente toewerken naar een circulaire economie, waarbinnen grondstoffen hun waarde behouden en afval drastisch wordt verminderd. Bovendien draagt een dergelijke economie bij aan de CO2-vermindering. Daarnaast moet verder worden gebouwd aan de balans tussen de voedselproductie en de natuur op de korte en lange termijn. En aan het waterbeheer door de klimaatverandering, de inrichting en mogelijke uitbreidingen van de dorpen en de manier waarop we ons van A naar B verplaatsen. Verduurzaming raakt alle sectoren, beleidsterreinen en daarmee onze inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Uitvoeringsprogramma ’Hoeksche Waard richting energieneutraal’ Het programmaplan Duurzaamheid is een kader met de ambities en doelen voor de middellange en lange termijn. Voor de korte termijn zijn er op basis van dit plan uitvoeringsplannen gemaakt.
In deze uitvoeringsplannen staat beschreven wat we in de periode 2021 tot en met 2026 concreet gaan doen om deze doelen te bereiken. De uitvoeringsprogramma’s ‘Hoeksche Waard richting energieneutraal’, ‘Circulaire economie’ en ‘Klimaatadaptatie’ zijn op 15 juli 2021 vastgesteld door de raad. De raad is toen ook geïnformeerd over de gezamenlijke uitvoeringsagenda ‘Hoeksche Waard klimaatbestendig’ van gemeente Hoeksche Waard, waterschap Hollandse Delta en de provincie Zuid-Holland. Voor de uitvoeringsagenda Biodiversiteit was meer tijd nodig om tot een goed en gedragen uitvoeringsagenda te komen. De uitvoeringsagenda Biodiversiteit is op 20 december 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. De uitvoeringsprogramma’s klimaatadaptatie en biodiversiteit zijn van belang voor de beoogde ontwikkeling. Hoeksche Waard klimaat adaptief De gemeente heeft het convenant klimaat adaptief bouwen onderschreven en ondertekend. Dit heeft gevolgen voor de nieuwbouwprojecten in de Hoeksche Waard. Zo is in het convenant aangegeven aan welke normen een nieuwbouwplan moet voldoen om de effecten van klimaatverandering aan te kunnen. In 2030 hebben alle hittestressgevoelige locaties in de dorpen koeling door schaduw van bomen of anderszins. Het toevoegen van de juiste flora in hittegevoelige locaties vervult meerdere doelen.
Het zorgt voor de gewenste verkoeling (schaduw) tijdens warme zomers, kan bij hevige regenval zorgen voor een waterbuffer en een bijdrage leveren aan meer biodiversiteit in de openbare ruimte. Wel heeft het toevoegen van groen grote financiële gevolgen voor het beheer. Daarom is het streven eerst locaties aan te pakken waar de meest kwetsbare groepen wonen. In de jaren daarna komen ook de andere hittestressgevoelige locaties aan bod. In 2030 zijn zoveel mogelijk ‘wateroverlastgevoelige’ locaties voorzien van oplossingen. Het systeem om water op te vangen is vaak niet toegerust op heftige regenval in een kortere periode. Deze hoosbuien komen door de klimaatverandering echter steeds meer voor. De verwachting is dat dit de komende jaren snel verder toeneemt. De grootste overlast vindt vooral plaats in de versteende dorpen. Biodiversiteit Variatie in soorten planten en dieren is belangrijk voor het evenwicht in de natuur. Die variatie wordt ook wel biodiversiteit genoemd. ‘De wereld kan niet zonder biodiversiteit. De mens is van deze ecosystemen en levende wezens afhankelijk voor bijvoorbeeld de productie van zuurstof, afbraak van dode dieren en planten, bestuiving van planten (waaronder landbouwgewassen), waterzuivering en het beheersen van plagen.
Biodiversiteit betekent voor de mens voedsel, bouwmateriaal, brandstof (hout) en grondstoffen voor kleding (zoals katoen) en medicijnen.
23/76
4.4.6 Toetsing en conclusie In het project wordt meer ruimte gegeven voor groen, doordat het bebouwd oppervlak verminderd ten opzichte van de huidige bebouwing. In de stedenbouwkundige opzet wordt in het nieuwe bouwblok groen aangelegd. Door een gerichte beplantingskeuze kan de biodiversiteit in dit gebied worden versterkt. Ook ten aanzien van klimaatadaptatie worden op het terrein maatregelen genomen. Het aandeel verhard oppervlak neemt af door minder bebouwing. Door minder verharding en meer groen worden de kansen voor biodiversiteit op de locatie vergroot en worden hittestress en wateroverlast beperkt. 4.4.7 Conclusie De ontwikkeling van 50 tijdelijke woningen in de kern van Oud-Beijerland is in lijn met het gemeentelijke beleid.
4.5
Conclusie
Het beoogde project past binnen de beleidskaders zoals omschreven in de paragrafen 4.1 tot en met 4.3.
24/76
5. GEVOLGEN VOOR DE FYSIEKE LEEFOMGEVING 5.1
Inleiding
Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de BOPA gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Bkl. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening (aan de instructieregels van de provincie is al getoetst in het voorgaande hoofdstuk). In de paragrafen 5.2 tot en met 5.12 zijn de relevante instructieregels en de daarbij behorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot een aantal (ruimtelijk) relevante aspecten. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) wel aandacht aan deze aspecten te worden besteed. Dit zijn de aspecten verkeer en parkeren en ecologie (soorten- en gebiedsbescherming). In de paragrafen 5.13 tot en met 5.15 wordt ingegaan op deze aspecten in relatie tot het project.
5.2
Waarborgen van de veiligheid
5.2.1 Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl, deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden In artikel 5.12 in het Bkl zijn er brand- explosie en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico, deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl).
Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
25/76
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 5.2.2 Toetsing In de omgeving van het projectgebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het projectgebied bevindt zich niet in een PR-contour of een aandachtsgebied van een van de omliggende risicobronnen, zie figuur 5.2.