aangepast bestemmingsplan waarin memo is verwerkt
Tekst van het document
Veel nederzettingen zijn gekoppeld aan de dijken of aan het water. De dijken in de dorpen zijn van oudsher bebouwd en bewoond en hebben een functie als ontsluitingsweg. Dit heeft tot verschillende typen dorpen geleid, met een eigen stedenbouwkundige structuur. Belangrijkste hoofdgroepen zijn de voorstraatdorpen en de dijkdorpen, daarnaast zijn er nog rivier rug‐ en kreekrugdorpen. Er zijn ook combinatietypen zoals voorstraatdorpen. De gemeente gaat uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In‐ en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. In het dorpsgericht werken moeten initiatieven bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp. Bij ontwikkelingen in de dorpen kijkt de gemeente niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar met name ook naar de gevolgen voor het sociale netwerk in het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin in het dorp. Daarbij geldt als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp.
Versterken van de onderscheidende identiteit per dorp. Versterken van de gemeenschapszin in het dorp. Versterken van de vitaliteit en leefbaarheid per dorp. Versterken van de natuurlijke overgang van het dorp naar het landelijk gebied. Sociale cohesie onder bevolking faciliteren en versterken. Versterken van de inclusieve samenleving. Levensloopbestendige woningen; zelfstandige woningen die geschikt zijn (te maken) voor bewoning in alle levensfasen. Op die manier kunnen ouderen of mensen met een lichamelijke beperking prettig en comfortabel wonen. Men hoeft niet noodgedwongen bestaande sociale contacten te verbreken en de vertrouwde sociale omgeving te verlaten. Creatieve aanpak voor het realiseren van seniorenwoningen. Groepsgewijs bouwen, dicht bij (medische) verzorging. Prijsvraag uitschrijven! Herbestemming van bestaande panden, waarbij je generaties samenbrengt – zorg voor elkaar – contacten – vriendschappen; Betaalbaar wonen voor jongeren door samen een woning te delen; denk aan Friendswonen. Flexibel wonen voor starters.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
34
Woonvorm voor “jonge ouderen” en “oudere jongeren” die graag elkaar helpen en zo lang mogelijk zelfstandig willen wonen. Het concept van veilig wonen met veel privacy en tegelijkertijd alle voordelen van samenwonen met een bijvoorbeeld een gezamenlijke binnentuin. Meergeneratiewonen met een mix van jong en oud(er), die elkaar versterken en ondersteunen. Tiny Houses; Een nieuwe woonvorm met een duidelijke filosofie. Kleine volwaardige vrijstaande woningen met een zo klein mogelijke ecologische voetafdruk Dynamische hotspots: Plekken waar creatief ondernemerschap de ruimte krijgt. Door vooral creatieve zelfstandigen in een verzamelgebouw onder te brengen, wordt niet alleen het leegstandsprobleem aangepakt, er ontstaat bovendien een broedplaats waaruit mooie dingen kunnen voortkomen. Voordeel van samenvoegen, is dat er een smeltkroes – creatieve 'fabriek' – ontstaat waar mensen elkaar inspireren, ideeën uitwisselen en samenwerken, en waaruit nieuwe innovatieve ideeën kunnen ontstaan. (Buurt)cultuurhuizen – theater Karakteristieke panden, of panden die van oudsher een andere bestemming hadden, spreken tot de verbeelding van de bewoners van de Hoeksche Waard. In plaats van leegstand, of afbraak, is het zeer interessant deze panden een culturele (wijk)bestemming te geven. Behoud van historie met het oog op de toekomst.
Een plek creëren waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en waar laagdrempelig culturele activiteiten kunnen plaatsvinden.
3.3.1.3 Toetsing De toevoeging van woningen voor diverse doelgroepen zal bijdragen aan de instandhouding van de lokale voorzieningen. De woningbehoefte is niet te realiseren in de kern van Strijen daarom is gekozen voor een gebied aangrenzend aan de kern. Met het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het landschap en haar structuren. 3.3.1.4 Conclusie Het voorliggende plan sluit aan bij de omgevingsvisie. 3.3.2 Hoeksche Waard Energieneutraal 2040 De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten is de'Energievisie Hoeksche Waard 2016‐2020'opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard. De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica. Waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het beperken van de energiebehoefte. Dit uit zich in 3 pijlers: 1. energie besparen in de bebouwde omgeving (o.a. isolatie) 2. opwekken van duurzame energie (o.a. wind, zon, biomassa, getijdenenergie) 3. duurzame mobiliteit (o.a. elektrische auto's en fietsen, openbaar vervoer) Tot slot zijn er twee belangrijke neveneffecten.
Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander handelen door deze jeugd over 10 jaar.
3.4
Conclusie
Het beoogde plan past binnen de beleidskaders zoals omschreven in paragraaf 3.1 tot en met 3.3.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
35
Hoofdstuk 4
4.1
Sectorale aspecten
Verkeer en parkeren
4.1.1 Toetsingskader Aan de Sportlaan wordt een nieuwe woonwijk ontwikkeld. Het bouwplan omvat 89 woningen. Voor de buurt is in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken naar de bereikbaarheid, verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. 4.1.2 Bereikbaarheid Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Sportlaan. De wegen binnen het plangebied worden aangewezen als erftoegangsweg met een maximum toegestane snelheid van 30 km/uur. De wegen binnen het plangebied worden ingericht conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig. De bebouwde kom grens van Strijen ligt net voorbij het plangebied. De Sportlaan is eveneens een erftoegangsweg en conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig ingericht. Op het gedeelte binnen de bebouwde kom geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. Buiten de bebouwde kom is de snelheid maximaal 60 km/uur. In het zuidwesten is via de Sportlaan en Oranjestraat het centrum van Strijen te bereiken. De Oranjestraat gaat uiteindelijk over in de Boompjesstraat en Weelsedijk. De Weelsedijk voert in zuidwestelijke richting naar de kernen Numansdorp en Zuid‐Beijerland. Ter hoogte van Numansdorp is een aansluiting op de A29 richting Zierikzee en Rotterdam. In het Noordwesten sluit de Sportlaan aan op de randweg van Strijen (Moricaanseweg). De randweg sluit in het noorden van Strijen aan op de N491.
De N491 is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h vanaf de bebouwde komgrens tot aan de 'Strijense golfclub'. Vanaf de golfclub geldt een maximum snelheid van 80 km/h. De N491 voert in noordelijke richting naar de kernen Maasdam en Puttershoek. Tevens wordt via de N491 de N217 bereikt. Deze provinciale gebiedsontsluitingsweg verbindt Dordrecht en 's‐Gravendeel met Oud‐Beijerland en de A29 richting Rotterdam. De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer is derhalve goed te noemen. Langzaam verkeer Binnen het plangebied maakt het fietsverkeer gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerde verkeer. Het plangebied krijgt een eigen aansluiting op de Sportlaan. Binnen de bebouwde kom van Strijen wordt het fietsverkeer conform het principe van Duurzaam Veilig gemengd met het gemotoriseerd verkeer afgewikkeld. Langs de gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom liggen vrijliggende fietspaden. Op de erftoegangswegen buiten de bebouwde kom delen fietsverkeer en gemotoriseerd verkeer de rijbaan. De ontsluiting en bereikbaarheid van het plangebied voor het fietsverkeer is goed.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
36
Openbaar vervoer Op de Julianastraat nabij het kruispunt Sportlaan – Oranjestraat is een bushalte aanwezig. Deze halte ligt op circa 500 meter van het plangebied. Bij deze halte halteren diverse lijnbussen van Connexxion. Deze lijnbussen zorgen voor een verbinding tussen Strijen, Maasdam, Heinenoord, Rotterdam Zuidplein, Oud‐Beijerland en Numansdorp. De bereikbaarheid van het plangebied met het openbaar vervoer is goed te noemen. 4.1.3 Verkeersgeneratie en afwikkeling In totaal worden in het plangebied 89 woningen gerealiseerd. Deze ontwikkeling genereert nieuw verkeer. De verkeersgeneratie is gebaseerd op CROW‐richtlijnen. Er is gebruik gemaakt van de meest actuele publicatie, CROW publicati 381 , 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', In deze publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen minimale en maximale kencijfers en verschillende gebiedstypes. Het plangebied is gelegen in rest bebouwde kom. Op basis van de stedelijkheidgraad van de gemeente (bron: CBS) is het plangebied gelegen in weinig stedelijk gebied. Het gemiddelde autobezit per inwoner in de Strijen is vrijwel gelijk aan het landelijke gemiddelde, daarom is het gemiddelde kencijfer toegepast. Binnen het plangebied worden verschillende woningsoorten mogelijk gemaakt, In de onderstaande tabel 4.1 is per woningtype de verkeersgeneratie weergegeven. Tabel 4.1 ‐ Verkeersgeneratie
Het plangebied zorgt voor een verkeersgeneratie van circa 530 mvt/etmaal op een weekdag. Verkeersafwikkeling Conform verkeerstellingen uit 2016 van de Strijen is de gemiddelde intensiteit op de gemeente Sportlaan op een weekdag 507 mvt/etmaal. Op een werkdag is de gemiddelde intensiteit op de Sportlaan 520 mvt/etmaal. Op basis van een autonome groei van 1% per jaar van het huidige verkeer op de Sportlaan, bedraagt de intensiteit in 2028 circa 571 mvt/etmaal op een weekdag. Op een werkdag is dat circa 586 mvt/etmaal. De ontwikkeling zorgt voor een ruime verdubbeling van de intensiteit op de Sportlaan. In 2028 zal door de ontwikkeling de totale intensiteit op de Sportlaan uitkomen op circa 1.275 mvt/etmaal op een weekdag en circa 1.367 mvt/etmaal op een werkdag. Een erftoegangsweg, zoals de Sportlaan, heeft een wegcapaciteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal. De toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling kan op de Sportlaan goed afgewikkeld worden. 4.1.4 Parkeren Parkeervraag De ontwikkeling van woningen zorgt voor een zekere parkeervraag. De parkeervraag is berekend op basis van CROW‐kencijfers (publicatie 381 Voor de berekening van de parkeerbehoefte zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als voor de berekening van de verkeersgeneratie. De parkeerbehoefte van het plangebied is weergegeven in tabel 4.2.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
37
Figuur 4.1 parkeerplaatsen in het plangebied. Tabel 4.2 Parkeerbalans uitvergroot
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
38
Parkeeraanbod In het plangebied worden parkeerplaatsen zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte gerealiseerd. Er worden in totaal 160 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast worden bij de woningen op de vrije kavels, de vrijstaand geschakelde woningen en de 2‐onder‐1‐kap woningen parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Dit wordt uitgevoerd in de vorm van een garage met een oprit geschikt voor 1 tot 2 auto's. In de praktijk blijkt vaak dat het theoretische aanbod van de parkeerplaatsen op eigen terrein niet volledig wordt gebruikt. Bij een garage met enkele oprit is het theoretische aanbod 2. De praktijk zal uitwijzen dat het aanbod wordt gebruikt voor 1 auto. Rekening houdend met het gebruik van parkeervoorzieningen op eigen terrein komt het parkeeraanbod uit op 160 parkeerplaatsen. Dit zorgt voor een parkeertekort van 1 parkeerplaats. In het plangebied is echter nog voldoende ruimte om extra parkeerplaatsen te realiseren zodat de parkeervraag volledig in het plangebied kan worden opgevangen. 4.1.5 Conclusie De ontsluiting van het plangebied is voor alle modaliteiten goed. De toename van het verkeer zal niet voor problemen in de afwikkeling zorgen. Daarnaast is binnen het plangebied voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voldoen aan de parkeerbehoefte. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.2
Wegverkeerslawaai
4.2.1 Beleidskader Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/h‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
4.2.2 Onderzoek en conclusie Op 10 december 2020 is door Rho adviseurs een akoestisch onderzoek volgens de Standaard Rekenmethode 2 uitgevoerd (bijlage 3). Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting van de meeste woningen niet hoger is dan 43 dB (figuur 4.2 groen). Voor de woningen/appartementen direct langs de Sportlaan blijkt dat deze op/nabij de 48 dB contour liggen (overgangsgebied geel/bruin). Voor deze woningen en appartementen is daarom een detailberekening uitgevoerd met extra rekenpunten. Bijlage 3 geeft een samenvatting van de berekeningsresultaten, inclusief aftrek 5 dB. Uit de detailberekeningen blijkt dat de geluidsbelasting niet hoger is dan 48 dB.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
39
Figuur 4.2 Contourberekening Op basis van de uitgevoerde contour‐ en detailberekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai bij de woningen niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Bij de meeste woningen is de geluidsbelasting zelfs lager dan 43 dB. Gezien deze uitkomsten kan worden geconcludeerd dat er voor het wegverkeerslawaai sprake is van een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat er voor het wegverkeerslawaai sprake is van een goed akoestisch woon‐ en leefklimaat.
4.3
Water
4.3.1 Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgenomen ontwikkeling. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
40
Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Omgevingsverordening Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016‐2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld.
Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. 4.3.2 Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen ten noorden van de Sportlaan en bestaat uit agrarisch gebied. De bodem bestaat uit zware zavel en lichte klei. In het plangebied is er sprake van grondwatertrap V, dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand beneden de 0,40 m‐mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand boven de 1,20 m‐mv is gelegen. De maaiveldhoogte in het deelgebied varieert tussen NAP – 0,42 m en NAP 1,50 m.
De grondwaterstanden zijn voor het overgrote deel afhankelijk van het peil van het oppervlaktewater en de hoogteligging van het maaiveld ten opzichte van het waterpeil. Het maaiveld ligt gemiddeld op 0.6 meter beneden NAP (figuur 4.3).
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
41
Figuur 4.3 Weergave hoogteverschillen met het plangebied wit omkaderd Het plangebied is gelegen binnen 2 peilgebieden, het noordelijk deel is gelegen in het peilgebied Strijen met een vast peil van ‐1,4 NAP. Het zuidelijk deel langs de Sportlaan behoord tot een ander peilgebied (H17.035S) met een vast peil van ‐2 NAP.
Figuur 4.4 Uitsnede Peilgebieden Waterschap Hollandse Delta
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
42
Waterkwantiteit Het plangebied wordt begrensd door een aantal watergangen. Het meest zuidelijk gelegen watergang betreft een wegsloot (W29949) welke in beheer is van de gemeente. Deze wegsloot heeft een beschermingszone van 4 meter aan weerszijden. Ten zuidwesten van het plangebied is een hoofdwatergang (H15737) gelegen. Het Waterschap voert het onderhoud uit en heeft daarvoor een beschermingszone van 5 meter aan beide zijden nodig. De sloot (T433401) die in noordwestelijke richting afwatert op de hiervoor genoemde hoofdwatergang heeft de status overig. Het onderhoud aan deze sloot wordt uitgevoerd door de aanliggende eigenaar, Hiervoor is een beschermingszone van 1 meter aan beide zijden van de sloot opgenomen. Ten noordoosten van het plangebied is een Hoofdwatergang (H05765) gelegen. Ook deze hoofdwatergang wordt onderhouden door het waterschap en heeft een beschermingszone van 5 meter aan beide zijden. Volgens de Legger zijn er 2 bruggen over de hoofdwatergang (H15737) en 1 duiker die zorg draagt voor de doorstroming van het water in de hoofdwatergang (H05765).
Figuur 4.5 Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta Waterkwaliteit De aangrenzende watergangen zijn niet aangemerkt als KRW waterlichaam. Er zijn geen specifieke doelen en maatregelen opgenomen ter verbetering van de waterkwaliteit. Veiligheid en waterkeringen In en nabij het plangebied zijn kern‐ en beschermingszones van keringen gelegen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
43
Afvalwaterketen en riolering Ten zuidoosten van het plangebied is een RWZI gelegen. De RWZI heeft een geurcontour 1 ge/m3 (98 perc.) berekend conform NeR. Voor nieuwe aaneengesloten woonbebouwing, lintbebouwing en andere geurgevoelige objecten geldt dat realisatie hiervan binnen deze contour niet mogelijk is. In paragraaf 4.6.2 wordt hier verder op ingegaan. De persleidingen die het afvalwater richting de RWZI vervoert zijn niet gelegen binnen het plangebied. Verder is het plangebied aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel.
Figuur 4.6 Uitsnede riolering, Waterschap Hollandse Delta. 4.3.3 Toekomstige situatie Algemeen Het voornemen is om in twee deelgebieden 89 woningen te realiseren ter plaatse van de Sportlaan te Strijen. Waterkwantiteit Toename in verharding dient gecompenseerd te worden. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden. Met de realisatie van de woningen is er sprake van versnelde afvoer van water dat niet in de bodem kan infiltreren. Doordat het water niet naar de bodem, maar naar het oppervlaktewater of riool wordt vervoerd, is er mogelijk sprake van een verlaging van de grondwaterstand. Dit kan voorkomen worden door de verharding te compenseren.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
44
Tabel 4.3 compensatieberekening Functie Bestaand in m² Water 298 Onbebouwd 31.735 Verharding straten 240 Verharding bouwkavel 2.600 (waarvan bebouwd) (1.059)
Nieuw in m² 2.838 10.182 8.030 13.823 (4.963)
Verschil in m² + 2.540 ‐ 21.553 + 7.790 + 11.223 + 3.904
Totaal
34.873
‐
34.873
Met de ontwikkeling wordt ruim 19.000m² nieuw verhard oppervlak gerealiseerd. Hiervan dient minimaal 10% te worden gecompenseerd door middel van realisatie functioneel open water. In het plangebied wordt de huidige sloot met de status overig, verbreed en ten zuiden wordt een waterpartij gerealiseerd. Ten noordwesten aan de hoofdwatergang vind eveneens een verbreding plaats. Met deze maatregelen wordt in totaal 2.540 m² nieuw functioneel open water aangelegd en wordt ruimschoots voldaan aan de compensatieplicht. Deze waterpartij wordt via een duiker verbonden met de bestaande watergangen zodat er voldoende doorstroming plaatsvindt en er geen doodlopende delen ontstaan. De aanvoer van water wordt gerealiseerd door de hoofdwatergang (H15737). Tevens wordt het hemelwater van het gebied geloosd op de te realiseren waterpartij wat de doorstroming ook bevorderd. De hoofdwatergang blijft in onderhoud van het waterschap. De benodigde ruimte voor onderhoud van 5 meter blijft gehandhaafd. Het onderhoud van de te realiseren wateren wordt uitgevoerd door de Gemeente. Hiervoor wordt een onderhoudsstrook van 2 meter vrijgehouden van bebouwing. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt.
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in‐) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Het plangebied wordt middels een gescheiden rioolsysteem aangesloten op het gemeentelijk riool. Het hemelwater wordt afgekoppeld en stroomt af op het aangrenzende oppervlaktewater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het graven van nieuw oppervlaktewater moeten doodlopende watergangen worden voorkomen. Watergangen waarbij geen doorstroming plaatsvindt zal een slechte waterkwaliteit ontstaan. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. In onderstaand figuur 4.7 is in beeld gebracht hoe het nieuwe watersysteem wordt aangesloten op de bestaande situatie. Naar verwachting zal de waterpartij voor het appartementengebouw in de toekomst door middel van een open watergang worden verbonden met de Oude Haven.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
45
Figuur 4.7 Toekomstige verbindingen tussen de nieuwe watergangen en de bestaande watergangen Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
46
Voor de onderhavige woningbouw is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. De te realiseren waterpartijen met bijbehorende kunstwerken worden in beheer genomen door de Gemeente Hoeksche Waard. Op deze wateren is een beschermingszone van 2 meter van toepassing. De hoofdwatergangen grenzend aan het plangebied blijft in beheer van het Waterschap Hollandse Delta. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. 4.3.4 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.4
Ecologie
4.4.1 Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura‐2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
47
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.
De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.4.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot zowel het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oudeland van Strijen en tot het dichtstbijzijnde NNN ‐gebied bedraagt 700 meter.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
48
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000‐gebied Oudeland van Strijen is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Vanwege de gevoeligheid rond het stikstofdossier is een AERIUS‐berekening uitgevoerd (12‐01‐2021). Zie bijlage 6 voor de memo, bijlage 7 voor de aanlegfase en bijlage 8 voor de gebruiksfase. Voor de aanlegfase is het rekenjaar 2021 gehanteerd en is gebruik gemaakt van kentallen van vergelijkbare projecten. Omdat de woningen gasloos uitgevoerd worden, is alleen het wegverkeer een bron van emissies voor de gebruikfase. In de verkeersanalyse zoals opgenomen in het bestemmingsplan is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 530 mvt/etmaal aan personenauto's voor een gemiddelde weekdag. De stikstofdepositie wordt berekend in mol/hectare/jaar. Uitgangspunt is dat verkeerseffecten worden meegenomen tot deze opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan‐ en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij‐ en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.
Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de berekeningen is voor de gebruiksfase er worstcase van uitgegaan dat de totale verkeersgeneratie (530 mvt/etmaal) via de Sportlaan in zowel de richting van de Oranjestraat/Trambaan als in de richting van de Moricaanseweg afwikkelt. De aanlegfase uitgevoerd voor het rekenjaar 2021 en de gebruiksfase voor 2022. In de verdere toekomst nemen de emissies ten gevolge van het wegverkeer af door toepassing van schonere technieken. Een latere in gebruik name kan dus alleen maar positiever uitvallen. Uit de berekeningen volgt dat er geen depositie plaatsvindt op Natura 2000‐gebieden in de omgeving. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie Zuid‐Holland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming De rapportage 'Quickscan flora en fauna nieuwbouwprojecten Woningcorporatie HW Wonen 2019 ‐ 2021' is opgesteld in opdracht van Woningcorporatie HW Wonen, zie bijlage 9. De quickscan is uitgevoerd ten behoeve van sloop‐ en/of nieuwbouwwerkzaamheden aan verscheidene woonblokken in de Hoeksche Waard waaronder het plangebied van dit bestemmingsplan.
Paragraaf 2.5 van de rapportage gaat over vleermuizen. Het plangebied ligt in Strijen en het betreft een kassencomplex aan de Sportlaan 5 te Strijen, waarvan de bedrijfswoning behouden blijft (figuur 4.8). Op het plangebied zijn vier schuren en één kas aanwezig. Schuur I is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur, waarvan het bovenste gedeelte bedekt is met houten planken, en het draagt een zadeldak met golfplaten. De kas (II) is opgetrokken uit glazenpanelen en heeft ook een dak bedekt met glazenpanelen. Schuur III is opgetrokken uit betonblokken en draagt een zadeldak bedekt met golfplaten. Schuur IV is opgetrokken uit een gemetselde stenenmuur en draagt een zadeldak met golfplaten. Ook schuur V is opgetrokken uit betonblokken en draagt een zadeldak met golfplaten. De schuren dienen als opslag, enkel schuur IV dient als koelcel. Het omliggende terrein bestaat met name uit (agrarische)percelen, woningen, parkeergelegenheden, trottoirs en enkele gemeentelijke groenstroken met solitaire bomen en kleine struiken.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
49
Waarnemingen: Geen potentiële invliegopeningen Geen openingen tussen houten planken en gevel; Geen (hoge) open stootvoegen aanwezig; Geen openingen in gevel die toegang geven tot de binnenzijde; Geen open ruimte tussen gevel en dak.
Figuur 4.8 De rode omlijning weergeeft de te saneren bebouwing aan de Sportlaan 5 te Strijen bij benadering aan. De woning is rood ingekleurd en blijft behouden (bron: arcgis.com) Conclusie Geconcludeerd wordt dat, met in achtneming van de bovengenoemde aanbevelingen, het plan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Rho adviseurs voor leefruimte
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
44001646.20180160
50
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. 4.5.2 Onderzoek en conclusie Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 89 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2019 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Trambaan, direct ten westen van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 17,3 µg/m³ voor NO2, 18,1 µg/m³ voor PM10 en 11 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,3 dagen. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.6
Bedrijven en milieuhinder
4.6.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
51
4.6.2 Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie. In de omgeving van het plangebied zijn onder andere een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI), jeugd‐ en jongerencentrum, veldsportcomplex en een camping aanwezig. Door deze verschillende bestemmingen en ligging aan een ontsluitingsweg is de omgeving daarom te kenmerken als een gemengd gebied. Jeugd‐ en jongerencentrum Ten oosten van het plangebied op circa 10 m afstand is jeugd‐ en jongerencentrum de Strijp gelegen. Een dergelijk centrum wordt niet specifiek in de VNG‐publicatie genoemd. Omdat er onder andere feesten worden georganiseerd is de functie vergelijkbaar met een discotheek. Voor een discotheek geldt volgens de VNG‐publicatie een richtafstand van 10 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Aan de oostzijde van het plangebied is op circa 20 meter afstand een RWZI gelegen (gemeten tot aan de bestemming 'bedrijf'). Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is ter plaatse een RWZI toegestaan met een capaciteit van ten hoogste 100.000 inwonerequivalenten. Volgens de VNG‐publicatie geldt voor een RWZI van deze omvang een richtafstand van 100 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Het maatgevende aspect is geur.
Omdat in de beoogde situatie binnen 100 meter van de RWZI geurgevoelige objecten worden toegestaan is op 22 maart 2019 door Tauw een Geuronderzoek uitgevoerd, naar aanleiding van opmerkingen van de OZHZ is deze in oktober 2020 aangepast (zie bijlage 4). Uit dit onderzoek blijkt dat in de toekomstige situatie geen geurgevoelige objecten worden geplaatst binnen de geurcontour van 0,5 en 1 ouE/m3 van het 98‐percentiel (figuur 4.9).
Figuur 4.9 Grafische weergave geurcontouren 98‐percentiel en geurgevoelige locaties Voor geluid geldt een richtafstand van 50 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Het plangebied is binnen 50 meter afstand gelegen van de RWZI. Om de locatie te bepalen van de te realiseren woningen is op 19 maart 2019 een Akoestisch onderzoek uitgevoerd door TAUW (bijlage 5). Uit de resultaten blijkt, dat de geluidbelasting ten gevolge van de ontwerpcapaciteit van de RWZI ruimschoots lager is dan de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit. In een deel van het plangebied bedraagt de geluidbelasting tussen de 40 en 45 dB(A). Dit is vergelijkbaar met de geluidbelasting in de bestaande woonwijk ten noorden van de RWZI.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
52
De RWZI wordt door het plan op het aspect geluid niet belemmerd in haar activiteiten en er is in het nieuwe plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Veldsportcomplex Op circa 35 meter afstand is aan de oostzijde van het plangebied een veldsportcomplex gelegen. Voor een veldsportcomplex geldt volgens de VNG‐publicatie een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een gemengd gebied. Het maatgevende aspect is geluid. Aan de richtafstand wordt voldaan. In verband met geluidoverlast vanwege de tennisbaan wordt een ruimere afstand aanbevolen (circa 50 meter). Tevens dient rekening te worden gehouden met mogelijke lichthinder. Camping Aan de noordoostzijde van het plangebied is een camping gelegen. Voor een camping met keuken geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een gemengd gebied voor het aspect geluid. Hier wordt niet aan voldaan. Aan deze zijde is er echter geen sprake van gezamenlijke ruimtes. Omdat het enkel standplaatsen betreft voor recreatieve doeleinden zal dit verder geen relevante milieuhinder veroorzaken. Voor de aspecten geur en gevaar is de richtlijn 10 meter, hier wordt aan voldaan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
53
4.7.2 Onderzoek Uit de professionele risicokaart blijkt dat ten noorden van het plangebied een risicobron is gelegen. Het gaat hierbij om een propaantank op Caravanpark Bonaventura aan de Oud Bonaventurasedijk. De propaantank heeft een plaatsgebonden risicocontour van 10‐6 per jaar bedraagt 15 meter. De camping heeft geen invloedsgebied van het groepsrisico. De propaantank is op dusdanige afstand van het plangebied gelegen, 140 meter, dat deze niet van invloed is op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Ten zuiden van het plangebied is een risicobron gelegen. Het gaat hierom de inrichting "Shell Moerdijk" met een invloedsgebied van 10 kilometer. Het plangebied is gelegen op een afstand van 6,8 kilometer en is binnen het invloedsgebied gelegen. Conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen moet er daarom een verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. Gelet op de grote afstand van het plangebied tot aan deze inrichting, mag worden aangenomen dat het groepsrisico ten gevolge van dit plangebied niet merkbaar zal worden verhoogd. Een volledige verantwoording kan daarom achterwege blijven. Wel is aandacht besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in paragraaf 4.7.3. Ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via de Randweg.
De weg is gelegen op een afstand van circa 200 meter en is niet van invloed op de externe veiligheidssituatie binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor, het water of door buisleidingen. 4.7.3 Beknopte verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het gedegen wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Gevlucht kan worden via de interne wegen richting de Sportlaan en de Saturnusstraat. Zelfredzaamheid De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. De ontwikkeling voorziet niet in functies die bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Incidenteel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen.
Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Maatregelen Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om de zelfredzaamheid te vergroten. Het gaat hierbij enerzijds om bouwkundige maatregelen en anderzijds om risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten. Uit advies van de brandweer blijkt dat aanvullende maatregelen met betrekking tot bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid nodig zijn. Zo zijn er vier nieuwe brandkranen noodzakelijk. Tevens moet over de de toegankelijkheid van de calamiteitenontsluiting voor de hulpdiensten in de vergunningfase nadere afspraken worden gemaakt. Als bouwkundige maatregel adviseert de VRZHZ de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
54
4.7.4 Conclusie De benoemde risicobronnen zijn op dusdanig verre afstand gelegen dat deze niet van invloed zijn op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.8
Kabels en leidingen
4.8.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.8.2 Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.9
Bodemkwaliteit
4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.9.2 Onderzoek en conclusie Op basis van informatie uit het bodemloket blijkt dat binnen het plangebied in het verleden bodem verontreinigde activiteiten hebben plaatsgevonden. Na sanering heeft het gebied de status voor 'nader onderzoek'. Dit onderzoek wordt op het moment van schrijven uitgevoerd.
Milieukundig bodemonderzoek In opdracht van Rho Adviseurs B.V. is een milieukundig bodemonderzoek verricht op de locatie Sportlaan te Strijen. In dit onderzoek werd nog uitgegaan van 2 deelgebieden, deelgebied 2 is echter komen te vervallen en het plangebied van dit bestemmingplan heeft enkel betrekking op deelgebied 1. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 10 bij deze toelichting. Conclusies uit de rapportage Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: In de grond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk asbestverdachte materialen waargenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
55
De grond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PCB's, PAK, minerale olie en enkele individuele OCB´s. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met nikkel. Ter plaatse van waar asbesthoudend materiaal op het maaiveld is aangetoond, is de grond sterk verontreinigd met asbest. Op het overige terrein zijn geen verhoogde gehalte asbest aangetoond.
Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. De concentratie nikkel overschrijdt de betreffende tussen‐ en interventiewaarde in het grondwater en geeft formeel gezien conform de Wet bodembescherming aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Mogelijk worden de verhoogde concentraties veroorzaakt door een verstoring van het bodemevenwicht. Derhalve wordt een aanvullend onderzoek beperkt doelmatig geacht. Het in de bovengrond aangetoonde gehalte asbest (overschrijding van de bijbehorende interventiewaarde) geeft formeel, ingevolge de Wet bodembescherming, aanleiding tot het verrichten van een nader bodemonderzoek naar de omvang en mate van deze verontreiniging in de bodem. Echter, gezien het gehalte asbest (5.481,6 mg/kg d.s. en 7.185,5 mg/kg d.s.) wordt een aanvullend onderzoek beperkt doelmatig geacht. Op basis van de resultaten is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest (>100 mg/kg d.s.) ter plaatse.
Geadviseerd wordt om de locatie, waar het asbest op het maaiveld ter plaatse van de schuren, aan te merken als zijnde verontreinigd en deze volledig te saneren. Het te saneren oppervlak bedraagt circe 30 m2. Deze conclusie is na beoordeling door de Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid voor een second opinion voorgelegd aan DS Milieu Consult. Zij onderschrijven deze conclusie; 'resumerend concluderen wij dat de bodem op de kadastrale percelen 590, 591, 594, 2098 en 3982 voldoende onderzocht zijn en dat de Omgevingsdienst onze conclusie deelt. Om de locatie van ontwikkelingsfase 1 geschikt te maken voor het toekomstige gebruik, dient wel de asbestverontreiniging op perceel 594 gesaneerd te worden.' De volledige beoordeling is opgenomen in bijlage 12 bij de toelichting.
4.10
Cultuurhistorie en archeologie
Gemeente Hoeksche Waard heeft voor de periode 2019 – 2023 integraal erfgoedbeleid vastgesteld om de identiteit van het grondgebied te versterken. Dit is verwoord in de erfgoednota en de erfgoedverordening van gemeente Hoeksche Waard. De gemeente ziet ons erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en als leerbron voor toekomstige generaties. Het behoud, beleven en benutten van erfgoed ziet de gemeente als wenselijke ontwikkeling in relatie tot het behoud van diversiteit en identiteit van dorpen en streken. Het in stand houden van het erfgoed en het uitdragen (het verhaal (door)vertellen) geeft het streekeigen erfgoed een economische waarde die zich als toeristisch‐recreatief product terugbetaalt en een positieve invloed heeft op het vestigingsklimaat. 4.10.1 Cultuurhistorie In het plangebied is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Wel werd rond 1850 de Oude haven in gebruik genomen. Ter plaatse van het plangebied is parallel aan de Oude haven de Sportlaan ontstaan. In de jaren 60 en 70 is de Oude haven echter gedeeltelijk gedempt om ruimte te maken van woningbouw. De huidige waterloop eindigt ter hoogte van de camping.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180160
56
Met de ontwikkeling van de Sportlaan Westzijde wordt naar verwachting een deel van de oude havenloop weer gegraven. Daarmee komt een deel van de oorspronkelijk historische structuur weer in het zicht. In verband met de mogelijke archeologische resten die in dit gebied verwacht worden is archeologisch onderzoek gedaan. 4.10.2 Archeologie In opdracht van Rho Adviseurs heeft IDDS Archeologie in december 2020 en januari 2021 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de Sportlaan 5 e.o. in Strijen. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit de archeologische beleidskaart. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting. Onderzoek De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied na het einde van het Pleistoceen (ca. 10.000 jaar voor Chr.) al snel met veen werd bedekt. Het Hollandveen vormde het maaiveld tot in de Late Middeleeuwen. Vanaf de Late Middeleeuwen vonden verschillende overstromingen plaats, waarvan de St. Elisabethsvloed in 1421 grote delen van de Hoeksche Waard onder water zette. Ter hoogte van de Sportlaan ontstond een kreekgeul, die fungeerde als verbinding tussen de dorpskern van Strijen en het open water en daardoor nog tot in de 20e eeuw als haven bekend stond.
Het plangebied ligt in de Polder Nieuw Bonaventura, die werd ingepolderd in 1593. Na de inpoldering werd het plangebied in eerste instantie in gebruik genomen als weiland en akkerland en later voor de tuinbouw. De Oude haven In een strook direct langs de Sportlaan geldt een hoge verwachting voor resten gerelateerd aan de Oude haven. Indien in deze strook graafwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 30 cm ‐mv, wordt geadviseerd om voorafgaand aan deze werkzaamheden ter hoogte van de voormalige haven drie profielputten van 1x1 meter te plaatsen. Dit om vast te kunnen stellen of er nog resten van bijvoorbeeld beschoeiingen voorkomen in de ondergrond. De rest van het plangebied Voor de rest van het plangebied geldt voor verschillende niveaus een (middel)hoge archeologische verwachting. Er wordt daarom het volgende geadviseerd: Als er ingrepen gepland zijn die een bedreiging vormen voor het veenlandschap dan wordt aanbevolen om middels een verkennend booronderzoek de diepteligging en mate van intactheid van de top van het veen te bepalen. Op deze manier kan vooraf worden bepaald welke delen van dit landschap met een middelhoge verwachting worden bedreigd. Het Hollandveen wordt niet ondieper dan 2,5 m ‐mv verwacht, waardoor dit vervolgonderzoek wordt aanbevolen bij bodemingrepen die dieper reiken dan ‐3,1 m NAP (2,5 m ‐mv).