CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bestemmingsplan Vuurbaken 4 en ongenummerd Oud-Beijerland

Besluitvormende raad 23 april 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Vuurbaken 4 Oud-Beijerland29.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de woning verder van deze bedrijven, ruimschoots buiten de daarvoor opgenomen richtafstanden komen te liggen, waarmee de ontwikkelingsmogelijkheden voor deze bedrijven zullen worden verbeterd. Nabij de gewenste locatie zijn uitsluitend burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Derhalve zijn voor burgerwoningen geen richtafstanden opgenomen. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen woningen. De dichtstbijzijnde inrichting gelegen nabij de gewenste locatie betreft een agrarisch grondgebonden bedrijf aan de Vuurbaken 19 en 19a. Dit bedrijf betreft een agrarisch land- en tuinbouwbedrijf met als neventak het verhuren van onroerend goed (bedrijfsgebouwen) voor de opslag van land- en tuinbouwproducten. Voor een dergelijke inrichting geldt als grootste afstand een richtafstand van 30 meter. Het betreffende bedrijf is op een afstand van ongeveer 210 meter van de gewenste locatie gelegen. Hiermee is geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. Aan de overzijde van de weg, achter de dijk, is een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt gelegen. Voor dergelijke boomgaarden geldt doorgaans een richtafstand van 50 meter vanwege mogelijke spuitzones ten 27

behoeve van gewasbeschermingsmiddelen. Echter is deze richtafstand geen wettelijk vastgelegde afstand en is het mogelijk om van deze afstand af te wijken als de omstandigheden daar voldoende aanleiding voor geven. Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan sprake zijn van verneveling, waarmee de middelen mogelijk verspreiden. Echter is de hoogte van de mogelijke verspreiding beperkt. De locatie is gelegen aan de andere zijde van de dijk, waarbij de hoogte van de dijk zorgt voor voldoende afscherming van de gewenste locatie van de boomgaard. De mogelijk gebruikte gewasbeschermingsmiddelen zullen daarbij door de dijk worden afgevangen, waardoor geen sprake zal zijn van het neerslaan van mogelijke gewasbeschermingsmiddelen op de gewenste locatie. De gewenste locatie is op een afstand van ongeveer 30 meter van de betreffende boomgaard gelegen. Hiermee is sprake van voldoende afstand en door de afschermende werking van de dijk zal geen sprake zijn van mogelijke overlast als gevolg van mogelijk in de boomgaard gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. De betreffende boomgaard zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Hiermee zal geen sprake zijn van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

4.1.2 Geur Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het verplaatsen van een bestaande burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient, wanneer sprake is van nieuwe of te verplaatsen gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Daarbij mag de geurbelasting (achtergrondbelasting) op het betreffende object niet hoger zijn dan de voorgeschreven normen. In de omgeving van de gewenste locatie zijn geen veehouderijen en/of andere inrichtingen die een mogelijke geurbelasting aan de omgeving veroorzaken gelegen. Er is daarmee geen sprake van een hoge achtergrondbelasting op het gebied van geur. Het is daarmee niet aannemelijk dat de achtergrondbelasting op het gebied van geur de wettelijke normen ter plaatse zal overschrijden. Daarmee kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd.

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle 28

cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft de verplaatsing van een woning en is daarmee geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. Ook zal, zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden zal met de voorgenomen ontwikkeling daarom niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige toename van de achtergrondconcentratie fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer sprake is van nieuwe of te verplaatsen gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Daarbij mag de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden op het betreffende object niet hoger zijn dan de voorgeschreven normen. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentraties voor fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 40 µg/m³ bedragen.

Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de gegevens uit de NSL Monitoringstool zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden op de gewenste locatie, zoals te zien in de volgende figuren, ongeveer 16,6 en 16,1 µg/m³. Dit is ruimschoots onder de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

29

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

30

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een burgerwoning verplaatst/opgericht. Dit is vanuit de Wgh aan te merken als een geluidsgevoelig object. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de gewenste woning zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, behalve op de noordoostgevel.

Voor deze gevel kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld, hiervoor wordt verwezen naar bijlage 4. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek zijn ter plaatse door de akoestisch onderzoeker verkeerstellingen uitgevoerd. Hierbij zijn de intensiteiten van zowel fietsers als motorvoertuigen gemeten. De gemeten gegevens zijn vervolgens verwerkt in het akoestisch onderzoek. Voor de volledigheid zijn de verkeerstellingen, op basis waarvan in het akoestisch onderzoek is gerekend, als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties.

Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.

31

4.1.5.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit Verordening ruimte Noord-Brabant op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Gezien het voorgaande ontbreekt de noodzaak om de GGD om een advies te vragen. 4.1.5.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen.

De locatie ligt buiten de daarin opgenomen richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving (200 en 500 meter). Er is daarmee geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.5.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid.

4.1.6 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.6.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten/verplaatsen van nieuwe gevoelige objecten. Hierbij dient te worden aangetoond of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Op gebied van geur, fijnstof, geluid en volksgezondheid dient onderzocht te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader omschreven in de paragrafen "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid" en "Volksgezondheid" (paragraaf 4.1.2 t/m 4.1.5) kan met de voorgenomen ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd op de gebieden geur, luchtkwaliteit en geluid. Er zijn eveneens geen onevenredige risico's 32

te verwachten op het gebied van volksgezondheid. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gewaarborgd. 4.1.6.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de verplaatsing van een burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen milieuhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.7 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is een spuitzone opgenomen, waarbinnen geen nieuwe gevoelige objecten worden toegestaan. In de omgeving vindt mogelijk bomenteelt plaats. Om deze reden dient rekening gehouden te worden met de spuitzones van de betreffende gewassen. Echter is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Het gebruik van de woning zal met de voorgenomen ontwikkeling niet wijzigen. De bestaande feitelijke situatie zal met de gewenste ontwikkeling niet wijzigen. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter).

In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend. Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object.

In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). De bomenteelt vindt momenteel op ongeveer 30 meter van de gewenste locatie plaats (gemeten van de gevel van de woning tot aan de dichtstbijzijnde boomgaard). Daarnaast is de locatie aan de overzijde van de dijk gelegen, waarbij de dijk zorgt voor een afschermende 33

werking. De eventueel gebruikte gewasbeschermingsmiddelen zullen daarmee door de dijk worden afgevangen en niet op de gewenste locatie neerslaan. Gezien het voorgaande is het niet aannemelijk dat een spuitzone van 50 meter gehanteerd hoeft te worden en kan worden volstaan met een spuitzone van 30 meter. Gezien de ligging van de woning op een afstand van ongeveer 30 meter van de rand van het betreffende perceel zal aan deze afstand worden voldaan. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.

4.1.8 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.8.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

34

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de huidige locatie is een bedrijf gelegen dat is aangemerkt als mogelijk risicovolle inrichting. Dit komt omdat op het betreffende bedrijf een tank voor de opslag van propaan aanwezig is. Voor propaantanks geldt geen invloedsgebied voor het groepsrisico, maar uitsluitend een risicocontour voor het plaatsgebonden risico. Voor de betreffende propaantank geldt een risicocontour van maximaal 25 meter. De huidige locatie is gelegen op een afstand van meer dan 25 meter van het betreffende bedrijf, waarmee de huidige locatie niet is gelegen binnen de risicocontour van de propaantank. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de huidige woning worden verplaatst naar de gewenste locatie. De gewenste locatie is op aanzienlijk grotere afstand van het betreffende bedrijf met de propaantank gelegen. Daarmee zal de afstand van de woning tot aan de propaantank aanzienlijk groter worden. Daarmee zal het mogelijke risico op het gebied van veiligheid alleen maar verbeteren. Voor het overige zijn er nabij de huidige en gewenste locatie geen mogelijk risicovolle inrichtingen gelegen die kunnen leiden tot een mogelijk verhoogd risico voor de externe veiligheid.

4.1.8.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locaties zijn niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.

35

4.1.8.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locaties zijn niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.9 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse enkele licht verhoogde waarden zijn aangetroffen. Elk van deze waarden liggen echter onder het criterium voor vervolgonderzoek, waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast is, gebaseerd op historisch onderzoek en zintuiglijke waarnemingen, geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek naar asbest. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Hiermee zal de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg staan.

4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

36

4.1.10.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van één woning. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen, en alleen wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van 2.000 of meer woningen en, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3), geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is daarmee geen sprake van een activiteit die de drempelwaarde overschrijdt. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Het aantal te woningen zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is daarnaast geen sprake van een bedrijf of van een stedelijke ontwikkeling.

4.1.10.2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad. 4.1.10.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Volksgezondheid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.9) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

37

4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Oude Maas) is gelegen op een afstand van ongeveer 4,8 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een verplaatsing van een woning. Een burgerwoning heeft geen onevenredige uitstoot van ammoniak en/of stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toename van de uitstoot van ammoniak en/of stikstofoxiden. Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden als gevolg van verkeersbewegingen. Gezien de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden niet zal toenemen met de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van een een toenemende depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Om dit aan te tonen zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt van de eventuele effecten van het voorgenomen initiatief op de betreffende gebieden. Uit de resultaten van de berekeningen, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen 38

ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is op geen van de betreffende gebieden groter dan 0,00 mol per hectare per jaar). De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toenemende depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Naast de depositie van stikstof zijn overige aspecten als geluid, licht en trillingen mogelijk van nadelige invloed op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een structurele uitstraling van licht en/of geluid en is geen sprake van structurele trillingen. Alleen tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden kan mogelijk sprake zijn van licht, geluid en/of trillingen. Gezien de grote afstand tot de betreffende gebieden zullen deze aspecten in de betreffende gebieden echter niet merkbaar zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht.

Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht.

De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 39

Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten is een flora en fauna ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat geen sporen of aanwijzingen gevonden zijn dat zich ter plaatse van de locaties beschermde soorten flora en fauna bevinden. Wel is de te slopen woning, gezien het pannendak met spleten en openingen, mogelijk geschikt voor beschermde soorten, waaronder voor huismussen en vleermuizen.

De kans dat deze ruimtes door huismussen en vleermuizen gebruikt worden als verblijfplaats wordt als beperkt ingeschat, maar kan op voorhand niet geheel worden uitgesloten. Als aanvulling op de uitgevoerde quickscan ecologie is door een ecologisch onderzoeksbureau een praktische dak inspectie uitgevoerd, waarin met camera's en een hoogwerker is onderzocht of ter plaatse inderdaad mogelijk (verblijfsplaatsen van) vleermuizen en/of huismussen aanwezig zijn. Tijdens de aanvullende onderzoeken zijn geen sporen van vleermuizen en/of huismussen aangetroffen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatieve effecten hebben op vleermuizen en/of huismussen. Voor de rapportages van de vervolgonderzoeken wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. 40

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 171 meter.

Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Zuid-Holland. Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast. Daarnaast is geen sprake van een ontwikkeling die mogelijk leidt tot een toename van de emissie van ammoniak. Daarmee is geen sprake van een toenemende depositie op de betreffende gebieden, waarmee geen van de betreffende gebieden onevenredig zal worden geschaad. 41

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Hoeksche Waard voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente Hoeksche Waard heeft de archeologische verwachtingswaarden opgenomen in het paraplubestemmingsplan "Archeologie en Parkeren", waarin de verwachtingswaarden zijn opgenomen in dubbelbestemmingen. Afhankelijk van de voorkomende waarde zijn voorwaarden gesteld voor nader onderzoek bij ruimtelijke ingrepen. De huidige locatie is gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 10 hectare en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Op de huidige locatie zal de huidige woning worden gesloopt. Dit betreft een bodemingreep, waarbij mogelijk dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld zal worden gegraven. Omdat de oppervlakte echter aanzienlijk minder dan 10 hectare bedraagt is voor de sloop van de huidige woning geen nader onderzoek nodig. De gewenste locatie voor de nieuw te bouwen woning is gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 500 m² en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal op de gewenste locatie een nieuwe woning worden gebouwd. Voor de nieuw te bouwen woning geldt een maximale inhoudsmaat van 400 m³.

Een woning met een inhoud van maximaal 400 m³ heeft geen oppervlakte van meer dan 500 m². Er is daarmee geen sprake van een ingreep van meer dan 500 m², waarmee nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Echter is, om zeker te zijn dat met de voorgenomen ontwikkeling geen archeologische resten worden geschaad, een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het plangebied een lage verwachting heeft op het aantreffen van archeologische resten. Ten aanzien van de voorgenomen ingrepen wordt door de onderzoeker geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Voor het volledig onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. 42

Vanuit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zuid-Holland is de Vuurbaken aangemerkt als historisch landschappelijke lijn met een redelijk hoge waarde. Bij de waardering van landschappelijke lijnen is vooral gelet op de gaafheid van het historische lijnelement (bv. profiel van een dijk of kanaal) en eventueel ook op de samenhang met andere elementen (bv. polderkades met weteringen en tiendwegen). Gaafheid kan bijvoorbeeld zijn aangetast door ophoging van een dijk, asfaltering van een onverhard pad of verbreding van een tracé. Samenhang tussen elementen heeft vaak te leiden door aanleg van nieuwe wegen, industrieterreinen of woonwijken. In zo'n geval is hooguit de waarde 'redelijk hoog' toegekend. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een verplaatsing van een bestaande woning naar een meer geschikte plaats in het lint. Het betreft een (zeer) kleinschalige ontwikkeling, waarbij de structuur van de Vuurbaken niet onevenredig zal worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige gevolgen hebben voor de dijk waarop de Vuurbaken is gelegen. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de betreffende historisch landschappelijke lijnelement. Voor het overige zijn ter plaatse geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig.

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. De locaties zijn niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Vuuirbaken. De locatie is voorzien van één of meerdere inrit(ten) welke aansluit(en) op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.

Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

43

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van verplaatsing van een bestaande burgerwoning naar een meer geschikte plaats in het bebouwingslint. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Er is reeds immers sprake van een woning en dat zal niet veranderen. Het aantal woningen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen. Ook zal het aantal personen met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Hollandse Delta (hierna: het waterschap).

Op grond van artikel 3.3 van de Keur van het waterschap is het verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag versneld tot afvoer te laten komen. Door extra versnelde afvoer van neerslag of verhard oppervlak vermindert de afvoer- en bergingscapaciteit van het watersysteem dat in beheer is bij het waterschap. Deze capaciteit moet in veel gevallen echter behouden blijven, in het bijzonder om te kunnen voldoen aan de normen voor wateroverlast op grond van artikel 2.8 van de Waterwet. Waterschappen hanteren in hun beheer als uitgangspunt de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Vasthouden van water (neerslag) in het gebied zelf verdient de voorkeur boven het bergen en uiteindelijk afvoeren van water. Door meer verhard oppervlak komt water eerder tot afvoer naar het watersysteem van waterschappen, waardoor waterschappen weer genoodzaakt kunnen worden elders de afvoer- en bergingscapaciteit te vergroten. Dat is ongewenst. Een toename van het verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd. Er is geen compensatie nodig wanneer de toename van het verhard oppervlak niet meer dan 250 m² bedraagt.

4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het verplaatsen van een bestaande woning naar een meer geschikte plaats in het lint. Daarbij zal een nieuwe woning worden gebouwd op de gewenste locatie. De bestaande woning op de huidige locatie zal in zijn geheel worden gesloopt. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Vanuit de Keur van het waterschap is compenserende waterberging nodig 44

indien de toename van het verharde oppervlak ter plaatse meer dan 250 m² bedraagt. Vanuit de gemeentelijke bouwvoorschriften mag de woning een inhoud van niet meer dan 400 m³ hebben. Een dergelijke woning heeft, ook al zou alles gelijkvloers worden gebouwd, een oppervlakte van aanzienlijk minder dan 250 m². Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling een bestaande woning worden gesloopt. Deze woning heeft een oppervlakte van ongeveer 85 m². Wanneer deze afname van de verharde oppervlakte wordt meegenomen dan zal sprake zijn van een nog geringere toename van het verhard oppervlak. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 250 m². Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de woning op wordt geloosd.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.

45

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13931696/1