1. Bestemmingsplan Vuurbaken 4 en ongenummerd Oud-Beijerland
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN VUURBAKEN 4 EN ONGENUMMERD, OUDBEIJERLAND bestemmingsplan
Bestemmingsplan Vuurbaken 4 en ongenummerd, Oud-Beijerland bestemmingsplan
Projectleider Bouw Dhr. J. Commissaris Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp
Datum: 24 november 2023
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend plan
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9
Situatietekeningen Akoestisch onderzoek Verkeerstellingen t.b.v. akoestisch onderzoek Besluit hogere waarden Bodemonderzoek Quickscan flora en fauna Aanvullende onderzoeken flora en fauna Resultaten Aerius berekeningen Archeologisch onderzoek
Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen - Linten Artikel 4 Waterstaat - Waterkering Artikel 5 Groen Hoofdstuk 3 Algemene regels
6 6 6 7 13 15 15 17 19 19 21 25 27 27 37 42 43 44 46 46 46 47 48 48 48 50
51 52 56 75 85 90 137 156 181 219
269 270 270 277 278 278 283 284 285 2
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
Staat van bedrijfsactiviteiten
285 286 288 289 291 292 293 293 294
295 296
3
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Oud-Beijerland" van gemeente Hoeksche Waard ten behoeve van het verplaatsen van een reeds bestaande woning aan de Vuurbaken 4 te Oud-Beijerland naar een nieuwe locatie in het lint aan de Vuurbaken. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Momenteel heeft de initiatiefnemer een woning in eigendom aan de Vuurbaken 4 te Oud-Beijerland. Deze woning is echter sterk verouderd en, door de vervallen staat, niet langer geschikt als duurzame en volwaardige woning. Door de sterk verouderde en vervallen staat dient de betreffende woning te worden vervangen. Daarbij kan een nieuwe woning voldoen aan de huidige eisen ten aanzien van energie en duurzaamheid. Het huidige perceel waarop de woning momenteel is gevestigd biedt echter onvoldoende mogelijkheden om daarop een woning van voldoende formaat te kunnen realiseren. Daarnaast biedt het huidige perceel onvoldoende ruimte om de woning op voldoende afstand van de weg te realiseren. Tevens is de huidige locatie gelegen binnen de hindercontouren van de agrarische bedrijven aan de overzijde van de Vuurbaken.
Hierdoor is het wenselijk de woning te verplaatsen naar een meer geschikt perceel. De initiatiefnemer heeft een perceel in eigendom dat goed geschikt is voor de gewenste woning, waarbij deze op voldoende afstand van de weg kan worden opgericht. Het betreft een deel van het onbebouwde perceel gelegen tussen de woningen aan de Vuurbaken 24 en 28. De gewenste ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan vanuit het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits wordt aangetoond dat de gewenste ontwikkeling ruimtelijk en milieuhygiënisch inpasbaar is. Middels voorliggende toelichting wordt aangetoond dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Vuurbaken 4 en ongenummerd te Oud-Beijerland en ligt aan de zuidwest kant van Oud-Beijerland in het landelijk gebied van gemeente Hoeksche Waard. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Oud-Beijerland, sectie G, nummers 214 en 519. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
6
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Oud-Beijerland" van de gemeente Hoeksche Waard, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Oud-Beijerland op 11 juni 2013, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse van de locatie Vuurbaken 4 de bestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'maximum bouwhoogte 7 meter', 'maximum goothoogte 4 meter' en 'wro-zone wijzigingsgebied 2' van toepassing.
7
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, locatie Vuurbaken 4. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse van de locatie Vuurbaken ongenummerd de bestemming 'Groen' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Verder is de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 2' toegekend.
8
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan, locatie Vuurbaken ongenummerd. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' mogen alleen gebouwen en/of bouwwerken worden gebouwd mits deze de waterkerende werking van de betreffende waterkering niet belemmeren. De voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard en leidt niet tot een toename van het aantal woningen in het lint. Er is uitsluitend sprake van een verplaatsing van een woning. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een aantasting van de waterkering. Er is daarmee met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een belemmering voor de waterkerende werking van de waterkering. In artikel 19.6.1 van het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de vergroting en/of verplaatsing van een bouwvlak bij een woning. Deze wijzigingsbevoegdheid dient echter uitsluitend ter vergroting van de inhoud van het hoofdgebouw en niet ter verplaatsing van een woning. Derhalve kan geen toepassing worden gegeven aan de betreffende wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast is in artikel 36.8.2 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 2' een nieuwe woonbestemming toe te voegen.
Deze dient echter uitsluitend voor nieuwe mogelijkheden voor lintbebouwing in een bebouwingslint en niet voor de verplaatsing van één enkele woning. Derhalve kan ook geen toepassing worden gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Derhalve is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien middels een partiële herziening (ook wel een postzegelbestemmingsplan genoemd). Wel dienen de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid zoals is opgenomen in artikel 36.8.2 van het geldende bestemmingsplan als een goed toetsingskader voor de gewenste ontwikkeling. Derhalve is, ondanks dat geen toepassing aan deze wijzigingsbevoegdheid, wel getoetst aan de voorwaarden om een goede afweging te kunnen maken. 9
De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door toepassing van een in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid (artikel 36.8.2). Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn specifieke voorwaarden verbonden waaraan met de voorgenomen ontwikkeling moet worden voldaan. De in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: "36.8.2 wro-zone - wijzigingsgebied 2 Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied 2' het bestemmingsplan te wijzigen in de bestemming 'Horeca', 'Recreatie' en-/of 'Wonen - Linten' met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de wijziging geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg zal hebben en voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; b. de omliggende agrarische bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; c. buitenopslag niet is toegestaan; d. een bouwvlak ten behoeve van de nieuwe functie te realiseren bouwwerken kan worden toegekend, waarbij deze voorkeur in een historische verkavelingvorm wordt geprojecteerd; e. de bebouwingsoppervlakte van de nieuw te realiseren gebouwen bedraagt maximaal 500 m2; de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m; f. bij 'Horeca' en 'Recreatie' worden bedrijfswoningen alleen toegestaan indien dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering; g.
bij 'Horeca' wordt horeca in categorie 1 toegestaan als bedoeld in artikel 1.60; h. bij 'Recreatie' worden recreatiebedrijven toegestaan zoals: 1. kleinschalige verblijfsrecreatie; 2. een paardenstalling; 3. fiets-, kano-, paarden- en huifkarrenverhuur; 4. een kleinschalig bezoekerscentrum; 5. een klein museum, tentoonstellingsruimte; 6. een kinderboerderij, speeltuin; 7. binnensportactiviteiten; dan wel bedrijven die naar aard en mate van hinder vergelijkbaar zijn; i.
de eventueel aanwezige cultuurhistorisch natuurlijke en landschappelijke waarden en de bestaande doorzichten mogen niet onevenredig worden aangetast; j. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden; k. bij wijziging naar 'Wonen - Linten' gelden de voorwaarden van artikel 36.8.1.". Ad. 36.8.2, sub a: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal sprake zijn van een verplaatsing van een woning. Er zal één woning worden opgeheven en er zal één woning worden teruggebouwd. Er is daarmee geen sprake van een vermeerdering van het aantal woningen. Het aantal verkeersbewegingen zal daarmee niet toenemen in vergelijking met de huidige situatie. Er zullen tevens geen aanvullende activiteiten plaatsvinden, waarmee geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking. Ter plaatse zal worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. In het voor de locatie geldende paraplubestemmingsplan "Archeologie en Parkeren, zoals is vastgesteld op 9 mei 2017, is opgenomen dat op eigen terrein moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normen die zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen van de gemeente Hoeksche Waard.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Nota Parkeernormen" (paragraaf 3.3.2) wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de normen zoals zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen van de gemeente Hoeksche Waard. Er wordt daarmee voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.2, sub b: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal met de voorgenomen 10
ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige milieuhinder aan de omgeving en zal geen sprake zijn van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Omdat de woning op de huidige locatie binnen de hindercontouren ligt van de agrarische bedrijven aan de overzijde van de Vuurbaken en wordt verplaatst naar een locatie die buiten deze contouren is gelegen wordt met de voorgenomen ontwikkeling eerder juist meer ruimte geboden aan de agrarische bedrijven in de omgeving. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.2, sub c: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van buitenopslag en/of van activiteiten die om buitenopslag vragen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.2, sub d: Aan de gewenste nieuw te bouwen woning zal een bouwvlak worden toegekend. In overleg met de gemeente is bekeken wat de meest passende verkavelingsvorm is. Er is daarbij gekozen voor een verkavelingsvorm die goed aansluit bij de vormen in het gebied en bij de historische verkavelingsvormen die in de omgeving voorkomen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad.
36.8.2, sub e: De gewenste nieuwe woning zal aan de maximaal gestelde maatvoeringseisen voldoen en zal de maximaal toegestane oppervlakte voor gebouwen en de maximaal toegestane goothoogte niet overschrijden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.2, sub f t/m h: Er is geen sprake van het wijzigen in de bestemming 'Horeca' en/of de bestemming 'Recreatie'. Deze leden zijn daarmee op de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing. Ad. 36.8.2, sub i: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de (mogelijk) in het gebied voorkomende cultuurhistorisch waardevolle elementen en/of landschappen. Daarnaast is de voorgenomen ontwikkeling kleinschalig van aard en zal deze nauwelijks impact hebben op de landschappelijke structuur ter plaatse. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden in het gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.2, sub j: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige milieuhinder aan de omgeving en zal geen sprake zijn van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies.
Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.2, sub k: De voorwaarden uit artikel 36.8.1 worden als aanvullende voorwaarden gesteld bij een wijziging naar de bestemming 'Wonen - Linten'. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de wijziging van de bestemming aan de Vuurbaken ongenummerd naar de bestemming 'Wonen - Linten'. Daarbij gelden de aanvullende voorwaarden uit artikel 36.8.1. Deze zijn verderop in deze paragraaf nader uitgewerkt en getoetst. De voorgenomen ontwikkeling voldoet, zoals verderop in deze paragraaf nader omschreven, aan 11
de aanvullende voorwaarden zoals zijn opgenomen in artikel 36.8.1. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden uit artikel 36.8.2 uit het geldende bestemmingsplan, waarmee de voorgenomen wijziging van de bestemming 'Groen' aan de Vuurbaken ongenummerd naar de bestemming 'Wonen - Linten' mogelijk kan worden gemaakt. Het bouwvlak van de huidige woning aan de Vuurbaken 4 binnen de bestemming 'Wonen - Linten' zal daarbij worden verwijderd. Vanuit artikel 36.8.2, sub k dient echter nog te worden aangetoond dat aan de voorwaarden uit artikel 36.8.1 kan worden voldaan. Deze voorwaarden luiden als volgt: "36.8.1 wro-zone - wijzigingsgebied 1 Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied 1' het bestemmingsplan wijzigen in de bestemming 'Wonen - Linten' met bouwvlak ten behoeve van het realiseren van een nieuwe woning met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. er is aantoonbaar sprake van een aanzienlijke landschappelijke of stedenbouwkundige verbetering (bijvoorbeeld in de vorm van sanering van overbodige (bedrijfs)opstallen, het herstellen of creëren van een fraai landschappelijk doorzicht of het realiseren van aan het eigen landschappelijke of natuurlijke elementen); b.
de nieuwe woning moet direct bij de weg met lintbebouwing zijn gelegen en wordt bij voorkeur geclusterd gebouwd op percelen die aansluiten op bestaande bebouwingsstructuren; c. het bestaande volume mag niet toenemen; ten minste 50% van de in artikel 3.6.4 onder b genoemde oppervlakte wordt gesaneerd; indien een lager percentage aan de orde is, is voor de resterende oppervlakte financiële compensatie vereist inhoudende een bedrag ter grootte van de ontbrekende oppervlakte in m² x een normbedrag in een (inter) gemeentelijk kwaliteitsfonds ten behoeve van fysieke sanering; d. de inhoud van de nieuwe woning bedraagt maximaal 400 m³; e. de nieuwe woning brengt uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen met zich mee voor de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven; f. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden; g. voor het overige gelden de regels van artikel 19." Ad. 36.8.1, sub a: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een reeds verouderde en vervallen woning worden gesaneerd. In ruil daarvoor zal op een andere plek aan de Vuurbaken een nieuwe woning worden opgericht. Deze nieuwe woning zal worden gebouwd volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie en zal qua uitstraling worden gebouwd in een stijl die goed past binnen het gebied waarin de locatie is gelegen.
De stedenbouwkundige structuur en uitstraling in het gebied zal daarmee aanzienlijk verbeteren. Daarnaast is de huidige woning gelegen in een dunbebouwd deel van het lint. De huidige woning verstoort het landschappelijk doorzicht van de agrarische bedrijven en de daarbij behorende bedrijfswoningen in het gebied naar het achterliggende agrarische landschap en het groen. De gewenste locatie is niet gelegen tegenover andere bedrijven en/of bebouwing en is gelegen in een dichter bebouwd gebied. Hiermee zal geen sprake zijn van een belemmering van het landschappelijke doorzicht op de gewenste locatie. De voorgenomen ontwikkeling zal juist leiden tot een verbeterd landschappelijk doorzicht op de huidige locatie. Omdat op de huidige locatie reeds sprake is van een verstoord doorzicht zal de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de landschappelijke doorzichten in de omgeving. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.1, sub b: De gewenste nieuwe woning zal aansluitend aan het huidige lint worden opgericht, waarbij de woning zal aansluiten bij het bebouwde perceel aan de Vuurbaken 24. Het perceel aan de Vuurbaken 24 maakt reeds deel uit van het geclusterde bebouwingslint langs de Vuurbaken.
De gewenste nieuwe woning sluit hier goed op aan, waarmee sprake is van een ligging direct bij de weg met de lintbebouwing en van een clustering van de bebouwing op percelen die aansluiten op de bestaande bebouwingsstructuren. 12
Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.1, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling is het ontwerp van de gewenste nieuwe woning nog niet ingevuld. Bij het ontwerp van de gewenste nieuw te bouwen woning zal rekening worden gehouden met het huidige bouwvolume. Wanneer dit met de gewenste nieuwe woning zal worden overschreden dan zal hiervoor een financiële compensatie worden gedaan volgens de normbedragen zoals genoemd onder artikel 36.8.1, sub c. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.1, sub d: De maximaal toegestane inhoudsmaat zal met de voorgenomen ontwikkeling niet worden overschreden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.1, sub e: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige milieuhinder aan de omgeving en zal geen sprake zijn van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Omdat de woning op de huidige locatie binnen de hindercontouren ligt van de agrarische bedrijven aan de overzijde van de Vuurbaken en wordt verplaatst naar een locatie die buiten deze contouren is gelegen wordt met de voorgenomen ontwikkeling eerder juist meer ruimte geboden aan de agrarische bedrijven in de omgeving.
Ad. 36.8.1, sub f: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige milieuhinder aan de omgeving en zal geen sprake zijn van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 36.8.1, sub g: De regels uit artikel 19 van het geldende bestemmingsplan betreffen de regels voor de bestemming 'Wonen - Linten'. Binnen deze bestemming gelden maximale bouwvoorschriften en gebruiksvoorwaarden. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal aan de bepalingen uit artikel 19 uit het geldende bestemmingsplan worden voldaan. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Aan de voorwaarden uit artikel 36.8.1 wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan. Gezien aan de wijzigingsvoorwaarden kan worden voldaan wordt de voorgenomen ontwikkeling als inpasbaar en haalbaar geacht. Omdat echter geen toepassing kan worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheden wordt het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk herzien middels een partiële herziening conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Voorliggend document dient als toelichting, waarin nader is gemotiveerd dat de voorgenomen ontwikkeling ruimtelijk en milieuhygiënisch inpasbaar is.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van 13
de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
14
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Hoeksche Waard. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden gelegen achter het huidige bebouwingslint langs de Vuurbaken. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele burgerwoningen en agrarische bedrijven gelegen. Nabij de locatie aan de Vuurbaken 4 is tevens een nutsvoorziening en een niet-agrarisch bedrijf gelegen. Op de huidige locatie aan de Vuurbaken 4 is momenteel een burgerwoning aanwezig en in gebruik. De betreffende woning is gelegen in een groene structuur en is gelegen in het lint langs de Vuurbaken. De huidige locatie is echter in een gebied waarbij de afstand tot de naastgelegen lintbebouwing relatief groot is, waarmee de samenhang van de locatie met het lint niet in overwegende mate zichtbaar is. De huidige locatie aan de Vuurbaken ongenummerd betreft een onbebouwde locatie. De gronden ter plaatse betreffen onbebouwde landbouwgronden. De locatie aan de Vuurbaken ongenummerd sluit aan op het bebouwingslint langs de Vuurbaken en heeft een duidelijke relatie en verbinding met het bebouwingslint. Op de locatie aan de Vuurbaken 4 is een bouwvlak toegekend.
Het huidige bouwvlak is ter plaatse ongeveer 165 m² groot. In de volgende figuren zijn luchtfoto's opgenomen van de huidige situatie.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse locatie Vuurbaken 4. 15
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse locatie Vuurbaken ongenummerd. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
16
2.2
Gewenste situatie
De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de woning aan de Vuurbaken 4 te verplaatsen naar de locatie aan de Vuurbaken ongenummerd (op het perceel tussen de Vuurbaken 24 en 28). De gewenste nieuwe woning zal aansluiten op het bestaande bebouwingslint aan de Vuurbaken en zal worden opgericht volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Voor wat betreft uiterlijk en uitstraling van de gewenste nieuwe woning zal worden voorzien in een bij de omgeving passende woning, die aansluit op de stijlen en historie in het gebied. Daarmee zal sprake zijn van een goede ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatieschets weergegeven. De gewenste nieuwe woning is hierbij indicatief ingetekend. De plaats en positie van de uiteindelijke woning kan bij het uitwerken van het ontwerp van de gewenste woning nog wijzigen. In overleg met de gemeente wordt gezocht naar de meest passende positie en invulling van de locatie. De volledige tekeningen zijn als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
Situatieschets gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Ter plaatse van de Vuurbaken ongenummerd is nog geen bouwvlak toegekend. Met de voorgenomen ontwikkeling zal worden voorzien in een voldoende groot bouwvlak om de gewenste nieuwe woning mogelijk te maken. Op de locatie aan de Vuurbaken 4 zal het huidige bouwvlak binnen de bestemming 'Wonen - Linten' worden verwijderd. De ter plaatse aanwezige woning zal daarbij in zijn geheel worden gesloopt. Daarbij 17
zullen eveneens, voor zover aanwezig, alle daarbij behorende bijgebouwen worden gesloopt.
18
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 19
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 20
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Aan de hand van deze definitie kan gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft haar beleid eenvoudiger, transparanter en toegankelijker gemaakt voor initiatiefnemers in Zuid-Holland. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot 1 integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie geeft de beleidsuitgangspunten op hoofdlijnen weer. De Omgevingsvisie is niet juridisch bindend. De juridische borging van de Omgevingsvisie vindt plaats in de Omgevingsverordening, 21
waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie in regels zijn vastgelegd. De provincie wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige kenmerken en waarden. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie. Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het Zuid-Hollandse landschap en het karakteristieke gebruik daarvan. Glastuinbouw en boom- en sierteelt worden alleen in de daarvoor toegewezen gebieden toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van intensieve veehouderij, glastuinbouw en/of boom- en sierteelt. Het gewenste initiatief betreft een verplaatsing van een woning. Daarbij wordt een kwaliteitsslag gemaakt en wordt de nieuwe bebouwing gebouwd volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Dit komt ten goede van de ruimtelijke kwaliteit en de beeldkwaliteit ter plaatse. Het ruimtebeslag mag vanuit gemeentelijk beleid met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen of moet anderszins worden gecompenseerd. De toename van bebouwing in het buitengebied blijft daarmee zeer beperkt.
Verder streeft de provincie naar het behoud en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geeft de provincie richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een zogenaamde 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en ruimtelijke ontwikkelingen naar mate van impact op de omgeving. De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart. Daarin zijn de volgende lagen opgenomen: Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van de beleving. Laag van de ondergrond: De locaties zijn vanuit de ondergrond in een rivierdeltacomplex en een landschap van jonge zeeklei gelegen. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden.
Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen. Het richtpunt voor deze gebieden is dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. Daarbij wordt een bestaande woning verplaatst naar een meer geschikte locatie in het lint. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarnaast tot een kwaliteitsslag in het gebied, omdat bestaande, verouderde en vervallen bebouwing wordt gesaneerd en nieuwe, kwalitatief hoogwaardige bebouwing wordt opgericht die voldoet aan de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Dit bevordert de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De voorgenomen ontwikkeling zal, mede vanwege het kleinschalig karakter (het ruimtebeslag blijft ruimschoots onder het maximaal toelaatbare) en vanwege het feit dat het voornamelijk bestaande voorzieningen betreft die worden verplaatst en opgeknapt, slechts een (zeer) beperkte impact hebben op het landschap. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van wijzigingen aan de structuur van het landschap en/of het reliëf ervan.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de ondergrond. 22
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: De locaties zijn vanuit de cultuur- en natuurlandschappen gelegen in een Zeekleipolderlandschap. Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf. Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken. Ontwikkelingen in de zeekleipolders dienen bij te dragen aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen en passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.
Het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders dient herkenbaar te blijven door het behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. Daarnaast dient de kreek te worden versterkt als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. Bebouwing wordt geconcentreerd in of bij compacte kernen en niet in het open middengebied van de polders. Ten slotte dient het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur behouden te blijven. De voorgenomen ontwikkeling betreft een verplaatsing van een bestaande woning naar een meer geschikte plaats binnen het huidige bebouwingslint. De bebouwing concentreert zich daarbij in het bebouwingslint en niet in de open middengebied in de polder. De voorgenomen ontwikkeling is daarnaast kleinschalig van aard en zal een zeer beperkte of geen impact hebben op het landschap. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de maat en schaal van de dijk en de deltawateren niet in de weg staan of aantasten. Ook het patroon van opwas- en aanwaspolders zal niet worden aangetast en herkenbaar blijven. Verder zal de kreek herkenbaar blijven als structuurdrager en zal geen sprake zijn van een aantasting van het contrast tussen de binnendijkse polders en buitendijkse natuur.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Laag van de stedelijke occupatie: Vanuit de laag van de stedelijke occupatie is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de stedelijke occupatie. Laag van de beleving: Vanuit de laag van de beleving is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de beleving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. In gebieden met beschermingscategorie 1 zijn ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met 23
inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. De locatie is gelegen in een gebied waarvoor geen aanvullende beschermingscategorie geldt. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk zonder aanvullende voorwaarden. De provincie wil daarnaast de depositie van stikstof van de landbouw, maar ook van de industrie en verkeer, langdurig en stevig terugdringen, ruimtelijke en economische ontwikkeling mogelijk maken en natuurherstel realiseren. Het is daarbij van belang dat de stikstofdepositie van ruimtelijke ontwikkeling niet mag toenemen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een onevenredige toename van verkeersbewegingen. De stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet toenemen. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie, welke tegelijkertijd met de Omgevingsverordening is opgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn in regels vertaald en vastgelegd in de Omgevingsverordening. De meest recente versies van zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Voor wat betreft wonen en/of het verplaatsen van een woning zijn in de verordening geen specifieke bepalingen opgenomen. Alleen wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling gelden aanvullende bepalingen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is daarmee geen sprake van aanvullende voorwaarden voor de gewenste verplaatsing van de woning naar een meer geschikte plaats binnen het huidige bebouwingslint. Naast specifieke regels voor een ruimtelijke ontwikkeling gelden vanuit de verordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het van belang te kijken naar de impact van een ontwikkeling op het landschap en de omgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau (aanpassen); 3. de ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een verplaatsing van een reeds bestaande woning. De locatie is gelegen in een zeekleipolderlandschap waarin de bebouwing geconcentreerd dient te worden in bestaande structuren. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de woning beter aansluiten op het bestaande bebouwingslint en daarmee beter worden geconcentreerd in de bestaande structuur. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in wijzigingen aan de structuur van het landschap en zal een (zeer) beperkte impact hebben op de omgeving. De toetsing aan de kwaliteitskaart heeft reeds plaatsgevonden in de paragraaf "Omgevingsvisie Zuid-Holland" (paragraaf 3.2.1). Daaruit is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, die niet voorziet in wijzigingen op structuurniveau en die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Verder zijn binnen de provincie verschillende beschermingscategorieën aangewezen voor de bescherming en instandhouding van waardevolle landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in 24
beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. Ten aanzien van deze gebieden gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikk eling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; b. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden." De locatie is niet gelegen in een gebied waarvoor een aanvullende beschermingscategorie is opgenomen. De aanvullende voorwaarden zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredige aantasting van het landschap en/of de ruimtelijke kwaliteit tot gevolg hebben. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard De gemeente Hoeksche Waard heeft op 17 december 2019 de Omgevingsvisie Hoeksche Waard vastgesteld. Deze visie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de lange(re) termijn. De visie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Vanuit de visie zijn de locaties gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Natuurlijk verbonden'. Dit is het grootste deelgebied binnen de gemeente. Het betreft het grote, relatief open agrarische landschap. Het landschap is rationeel en doelmatig ingericht voor de agrarische sector. De openheid geeft lange zichtlijnen en vergezichten. Het open agrarisch landschap wordt doorsneden door een fijnmazig systeem van kreken en dijken. De open ruimten vormen de tegenhanger van de meer verdichte dijklinten en dorpen en zijn daar onlosmakelijk mee verbonden. Het dijken- en krekenpatroon is in zijn geheel waardevol. Daarbinnen zijn er verschillende typen dijken en kreken te onderscheiden en zijn er gave en minder gave delen Juist de samenhang is kenmerkend. De dijken en kreken zijn allereerst van belang voor de veiligheid en het waterbeheer en ze leveren daarmee feitelijk de primaire bestaansvoorwaarden voor alle functies in het gebied.
Daarnaast zijn het dragers van de groenblauwe structuur, zowel in het landelijk gebied als in het stedelijk gebied. Daarnaast zorgen de dijken voor herkenbaarheid van de bijzondere ontstaansgeschiedenis van het gebied. Binnen de linten komen diverse cultuurhistorische iconen voor die ook bijdragen aan de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis Belangrijk is dat de bijzondere ontstaansgeschiedenis afleesbaar blijft in het landschap. Het versterken van de landschappelijke verschillen tussen de poldertypen kan daaraan bijdragen. In de loop van de tijd zijn de polders door ruilverkaveling en egalisaties immers meer op elkaar gaan lijken. Het gebied staat bekend om de sterke en innovatieve landbouwsector. Die vooruitstrevende positie in de landbouw dient behouden te blijven. Voldoende uitbreidingsmogelijkheden voor duurzame grondgebonden agrarische bedrijven gericht op efficiëntie en op innovatie zijn daarbij van cruciaal belang. 25
Daarnaast zijn er kansen voor verbindingen met recreatie en toerisme, cultuurhistorie en onderwijs. Dat kan in de vorm van nieuwe kennis- en belevingsplekken in de gemeente, waar kansen worden benut voor informatie over of beleving van de landbouwsector. Tegelijkertijd dient het patroon van (groene) dijken en kreken te worden versterkt en verbonden, waarbij groene inpassing van de agrarische erven, meer bloeiende akkerranden, verbinden van kreken, versterken van historische structuren en versterken van de recreatieve fiets- en wandelroutes centraal staan. De kreken kunnen een extra functie krijgen voor de waterberging en opvang van water voor droge perioden. Er wordt ruimte geboden voor uitbreiding aan de rand van de dorpen, indien inbreiding en herstructurering binnen de dorpen onvoldoende mogelijkheden biedt. De uitbreiding moet passen bij de identiteit van het dorp. Binnen dit deelgebied liggen ook buurtschappen en lintbebouwing. De dijken in de buurtschappen en linten zijn van oudsher bebouwd en bewoond en hebben een functie als ontsluitingsweg. Ontwikkelingen daar moeten aansluiten op de identiteit van het buurtschap of het lint. De voorgenomen ontwikkeling betreft een ontwikkeling in een bestaande lintbebouwing. Daarbij wordt uitsluitend een bestaande woning verplaatst naar een meer passende locatie binnen het bebouwingslint.
De gewenste verplaatsing zal leiden tot een betere aansluiting van de woning op het bestaande lint. Op de huidige locatie zal het landschappelijk doorzicht worden versterkt. De verdichting van de doorzichten op de gewenste locatie zijn, vanwege de ligging aansluitend aan bestaande bebouwing en nabij een boomgaard, zeer beperkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee bijdragen aan de versterking van de structuur van het lint en het verbeteren van de landschappelijke doorzichten. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten die de gemeente heeft voor het gebied waarin de locaties zijn gelegen. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de naam structuurvisie van gemeente Hoeksche Waard.
3.3.2 Nota Parkeernormen Op 2 mei 2016 is de Nota Parkeernormen van de gemeente Hoeksche Waard in werking getreden. In deze nota is opgenomen dat de gemeente Hoeksche Waard de kencijfers uit de CROW-publicatie 317 overneemt voor het bepalen van de parkeerbehoefte die de diverse daarin onderscheiden functies oproept. In de CROW-publicatie 317 is voor het wonen in een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van minimaal 2 parkeerplaatsen per woning opgenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal worden voorzien in voldoende ruimte om minimaal 2 parkeerplaatsen (eventueel in een garage) mogelijk te maken. Hiermee wordt op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. De voorgenomen ontwikkeling voldoet daarmee aan de normen zoals gelden vanuit de Nota Parkeernormen van de gemeente Hoeksche Waard.
26
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het verplaatsen van een bestaande woning naar een meer geschikte plaats binnen het huidige bebouwingslint. Een woning veroorzaakt geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige milieubelasting op de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een bestaande woning worden verplaatst. Daarbij zal de huidige woning worden gesloopt en elders worden teruggebouwd. Dit betreft het verplaatsen/oprichten van een gevoelig object. Nabij de huidige locatie zijn agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven gelegen. De huidige woning is gelegen binnen de richtafstanden die gelden voor dergelijke inrichtingen.