Omgevingsvisie Deel C - Uitwerkingen beleid en toepassingen
Tekst van het document
De huidige functionele bedrijventerreinen – met veelal praktijkgeschoolde banen en maakindustrie (reparatie en handel) zoals de bedrijventerreinen ZuidWest – worden behouden en waar mogelijk uitgebreid en verder ingezet voor het huisvesten van bedrijven gericht op praktijkgeschoold werk. Wellicht kan zelfs wat extra ruimte worden gecreëerd door bedrijven te stapelen of de op deze terreinen aanwezige kantoorfuncties uit te plaatsen naar andere delen van de stad. Aantrekkelijke kantoorlocaties zijn immers prima te mengen met andere functies, zoals wonen. Werklocaties voor praktijkgeschoold werk veroorzaken soms overlast voor de directe omgeving (denk bijvoorbeeld aan een garage). Ook dit pleit voor concentratie in een beperkt aantal gebieden. Hiermee wil Hilversum zowel banen aanbieden voor praktijkgeschoolde inwoners, als ruimte reserveren voor de bedrijvigheid die nodig is om de omslag te gaan maken naar het opwekken van duurzame energie en een circulaire economie. Ook onderwijs en innovatie spelen daarbij een belangrijke rol.
Op dit moment is 35% van de werkgelegenheid in Hilversum te vinden op zulke formele werklocaties. Dat betekent tegelijkertijd dat 65% van de werkgelegenheid in de buurten is terug te vinden. Het gaat dan om bedrijven aan huis, maar bijvoorbeeld ook kleine kantoren en bedrijven in de buurt en om werkgelegenheid binnen maatschappelijke voorzieningen als huisartsen, tandartsen, kinderdagverblijven, scholen en bso’s. Voor de toekomst ziet Hilversum aanvullende kansen voor werken in de buurten en in het centrum. Meer werk in de buurten en in het centrum moet echter niet leiden tot extra druk of overlast, maar juist van betekenis zijn voor het betreffende gebied. Rondom werk kunnen bijvoorbeeld voorzieningen voor de buurt ontstaan en gedijen, als nieuwe brandpunten in de buurt. Om in alle buurten ruimte voor werken te behouden, blijven we in Hilversum kritisch kijken naar het omzetten van kantoorvilla's naar wonen en naar andere transformaties van werken naar wonen. Dat staat los van de kansen die we in de villawijken zien in het splitsen van grote woningen in een aantal kleinere woningen voor ouderen, starters of beide.
We gaan werken met profielen voor onze werklocaties en geven op die manier sturing en richting aan het type en de omvang van bedrijven dat gewenst is. Daarnaast geven deze profielen een beeld van de vormen van functiemenging die van toegevoegde waarde kunnen zijn. Dit geldt niet alleen voor de bestaande werklocaties, maar ook voor die gebieden waar bedrijvigheid relatief weinig aanwezig is en dit met het oog op vitale wijken wel gewenst is. Als dat goed gebeurt, ontstaan prettige plekken met meer openbare ruimte en mogelijk meer 'meters’ voor werk, in het bijzonder voor startups en doorgroeiende (scale-ups) bedrijven en ‘meters’ voor wonen die ten 21
dienste staan van de aanwezige werkgelegenheid. Wat grotere locaties die in beeld zijn voor functiemenging zijn de ‘campussen’ op het Media Park, Arenapark en Monnikenberg, waar wonen, werken en voorzieningen gemengd zijn. Kansen liggen er ook in de spoorzone. Hier is wellicht ruimte om een deel van de kantoren uit de traditionele werklocaties op te nemen, die op hun beurt weer kunnen worden ingezet voor praktijkgeschoold werk, zodat de hoeveelheid m2 voor praktijkgeschoold werk niet verder afneemt. Deze schuifruimte is heel belangrijk om een gezonde bedrijvendynamiek te realiseren. De meeste groei die bedrijven doormaken is als ze verhuizen. Daarmee landen bedrijven op de beste plek voor dat moment en kunnen we ervoor zorgen dat bedrijven niet uit Hilversum vertrekken als ze willen groeien (dit is in de afgelopen jaren veelvuldig gebeurd).
2. Bevorderen van innovatie en relatie tussen bedrijven en onderwijs Op het gebied van werkgelegenheid heeft Hilversum een duidelijk profiel, met een aantal sterke punten: media, onderwijs, zorg en innovatie. Hilversum heeft daarmee vooral een diensteneconomie. Het bevorderen van innovatie en het versterken van de relatie tussen bedrijfsleven en onderwijs begint bij de sectoren waar Hilversum sterk in is. Voorbeelden zijn: • Het toepassen van gaming en kunstmatige intelligentie (AI) in de media-industrie. • Technologische toepassingen en vaardigheden in onze zorgeconomie vergroten en benutten voor o.a. zorg in de wijk. Met name op de eerdergenoemde ‘campussen’ op het Media Park, Arenapark en de Monnikenberg kunnen ontwikkeling en innovatie letterlijk de ruimte krijgen. Op de werklocaties ZuidWest en locaties in de spoorzone gaat het vooral om het benutten van kennis en data van onderzoeksinstituten voor ontwikkelopgaven. Vanuit het MBO zijn er al verschillende leer-werktrajecten, lopen veel studenten stage en wordt kennis en kunde van onze onderwijsinstellingen ingezet om bedrijven te ondersteunen, bijvoorbeeld in de transities die de economie doormaakt (verduurzaming, digitalisering, circulair enz.). Maar het gaat ook om het creëren van meer ruimte voor onderwijs. Dat willen we bewust doen nabij de bedrijven op de campussen.
Hilversum heeft op dit moment twee bedrijven binnen de gemeentegrenzen met een milieucontour. Deze bedrijven hoeven niet weg, maar we constateren wel dat de compacte stad Hilversum niet erg geschikt is voor dit soort bedrijven. Er zullen daarom geen nieuwe bedrijven met een milieucontour worden toegelaten. Ook het toevoegen van wonen en voorzieningen voor werknemers is belangrijk. Dat geldt voor starters op de arbeidsmarkt die bijvoorbeeld in de media werken of bij Nike en zeker ook voor werknemers in kritische sectoren en praktijkgeschoold werk. Het mes snijdt daarbij aan twee kanten: er ontstaat ruimte voor het invullen van functies in de detailhandel, zorg, onderwijs of veiligheid én werknemers die in Hilversum wonen veroorzaken minder woon-werkverkeer en dragen daarmee bij aan een succesvolle mobiliteitstransitie. Er is nieuwe wetgeving in voorbereiding die beleidsruimte geeft om wonen voor specifieke doelgroepen te realiseren. Hilversum wil die ruimte pakken, vooral voor de ‘campussen’ op het Arenapark, Media Park en Monnikenberg.
We moeten ook zoeken naar manieren om de beroepsbevolking in te zetten bij deze transities. Dat biedt kansen voor praktijkgeschoold werk. We willen de inzetbaarheid van mensen die nu aan de kant staan vergroten. Daarbij denken we aan: • Het beschikbaar krijgen van voldoende gekwalificeerd personeel om de energietransitie vorm te geven. • Inzet van nieuwe technologie voor mobiliteitsvraagstukken. • Toepassen van kennis en kunde uit de gaming en mediawereld voor zorgvraagstukken zoals bijvoorbeeld zorg op afstand. • Circulaire economie, over het gebruik van reststromen en lokale samenwerkingen. 22
Overigens ontstaat door extra bedrijvigheid in bijvoorbeeld de diensten- of financiële sector vaak ook dienstverlening die leidt tot veel praktijkgeschoolde werkgelegenheid (schoonmaak, onderhoud, transport, bewaking, horeca).
Ten slotte past bij het binden en boeien een hoog voorzieningenniveau. Dit past ook bij de centrumfunctie die Hilversum voor de regio Gooi en Vechtstreek heeft en wil behouden. Daartoe rekenen we: • Voorzieningen voor gezondheid, sport, veiligheid, welzijn, onderwijs en cultuur, winkels, leisure en horeca. Slimme combinaties zijn mogelijk tussen horeca, cultuur en ontmoetingsplekken in de buurt. • Station Hilversum als zwaartepunt in het regionale OV-systeem en goed functionerende OV knooppunten bij Media Park en Sportpark. • Een bovengemiddeld deel van de (betaalbare) woningen, inwoners en arbeidsplaatsen in economische centra en woonwijken.
Kadertekst - Circulaire economie Er is internationaal en nationaal overeenstemming dat we fundamenteel anders willen omgaan met natuurlijke hulpbronnen en dat onze economie meer gericht moet zijn op duurzaamheid en hergebruik. Dit wordt ook wel een circulaire economie genoemd. Hilversum ondersteunt de Europese ambitie van een 100% circulaire economie in 2050. Hilversum gaat deze omslag maken door bedrijven op dit gebied zo veel mogelijk te ondersteunen. Dat begint met het behouden en creëren van ruimte voor bedrijvigheid op de bestaande bedrijventerreinen.
4. Een compact en aantrekkelijk centrum voor Hilversum en de regio Bij een hoog voorzieningenniveau hoort een aantrekkelijk centrum, dat ook voor de regio van betekenis is. De huidige ontwikkelingen in de economie betekenen dat we inzetten op het compacter maken van het winkelgebied van het centrum en dat we voor het versterken van de levendigheid werkruimte, dienstverlenende functies en woningen aan het centrum willen toevoegen. Goede voorbeelden zijn het besluit om de bibliotheek te verhuizen naar de Kerkbrink en het wonen boven winkels. De buurt- en wijkwinkelcentra zijn en blijven van belang voor de buurt. In gebiedsagenda’s wordt onderzocht hoe deze functies met voorzieningen en wonen kunnen worden versterkt.
3. Binden en boeien van jongeren en middengroepen Hilversum krijgt de komende jaren te maken met vergrijzing en tegelijkertijd neemt de beroepsbevolking af. Vanuit die optiek is het belangrijk om jongeren en middengroepen aan de stad te binden. Dat gebeurt op drie manieren. De gemeente zet zich ten eerste in om samenwerking tussen onderwijs, kennisinstellingen en bedrijfsleven te verbeteren en - in regionaal verband - voor innovatiebudgetten. Een grote wens is het aantrekken van een reguliere HBO-instelling. Dat moet leiden tot stageplekken, banen en een zo breed mogelijk aanbod aan onderwijsinstellingen. Ten tweede biedt woonbeleid van Hilversum steeds meer kansen voor starters en werknemers in kritische sectoren als de zorg en het onderwijs. Dat doen we onder andere door de doorstroming van ouderen te bevorderen en meer aandacht te besteden aan studentenhuisvesting. Daarbij helpt de eerdergenoemde wetgeving die beleidsruimte geeft om wonen voor specifieke doelgroepen te realiseren. Hilversum wil die benutten om bekende woningbouw-aandelen (33% sociaal, 50% midden, 17% duur) te verbijzonderen naar specifieke woonproducten voor doelgroepen, passend bij het gebied. 23
Aanvullend onderzoek Actief Om deze maatregelen zo gericht mogelijk uit te voeren, is op onderdelen aanvullend onderzoek nodig. We denken daarbij aan onderzoek naar: • De mogelijkheden voor de vestiging van een HBO opleiding bijvoorbeeld op het gebied van Media en Innovatie samen met de relevante partners op onder andere het Media Park. • De behoefte aan arbeidsvraag en arbeidsplaatsen vanuit bevolkingsgroei en vraagontwikkeling bedrijven, met aandacht voor het inzetten van mensen die nu aan de kant staan. • De mogelijkheden om bedrijven te verleiden te verhuizen naar een beter passende locatie om zo ruimte vrij te spelen voor ander typen bedrijvigheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verhuizen van kantoorachtige bedrijvigheid van de bedrijventerreinen naar het Arenapark, het station en het centrum om zo meer ruimte te bieden voor praktijkgeschoolde activiteiten op het bedrijventerrein. • De consequenties van extra ruimte voor bedrijvigheid in beeld brengen voor andere ruimtevragers (o.a. wonen, mobiliteit en groen). • Duurzame ontwikkeling van landgoederen.
24
2.1 Participatiebeleid
2. Werken met de Omgevingsvisie
Inwoners, ondernemers, organisaties en gemeente hebben veel tijd en energie geïnvesteerd om de Omgevingsvisie vorm te geven. Het is belangrijk om die energie en betrokkenheid vast te houden en het gesprek over de toekomst van Hilversum voort te zetten. Onze overtuiging is dat wanneer dat gebeurt, het eigenaarschap en de verantwoordelijkheid voor de toekomst van Hilversum sterker gevoeld worden, er meer initiatieven ontstaan die bijdragen aan de doelen van de Omgevingsvisie en die op meer draagvlak kunnen rekenen. Na vaststelling van de Omgevingsvisie maken we daarom een startnotitie Participatiebeleid, waarin de geleerde lessen een plek krijgen.
In hoofdstuk 7 van Deel A zijn zeven toepassingen van de Omgevingsvisie beschreven op hoofdlijnen. In Deel C werken we die toepassingen verder uit, ook om invulling te geven aan een aantal zienswijzen (m.n. over participatie) en adviezen (m.n. over de methodiek voor de gebiedsagenda’s).
De Omgevingsvisie biedt niet alleen perspectief op hoe Hilversum er in 2040 uit ziet, maar ook hoe inwoners, ondernemers, organisaties en gemeente samenwerken aan Hilversum 2040. Daarover zijn in het participatieproces veel goede suggesties gedaan, die in de Denkrichting in ‘vier omgangsvormen voor het gesprek tussen overheid en samenleving’ zijn samengevat: • De gemeente neemt regie op het collectief belang, en werkt vanuit een integrale visie en durf om regie te nemen op opgaven die het algemeen/collectief belang aangaan, juist als het gaat om moeilijke keuzes. • We gebruiken de Omgevingsvisie actief, door er vaak op terug te grijpen, als toetsingskader bij ontwikkelingen en als basis voor een actieve lobby richting Rijk en Provincie om maatregelen ook te kunnen realiseren. Maar ook in het besef dat de toekomst uitdagingen brengt die we nu nog niet voorzien. Afwijken van de Omgevingsvisie moet soms en mag als keuzes duidelijk onderbouwd zijn. Bij grote veranderingen kan de gemeenteraad besluiten de Omgevingsvisie bij te stellen. • We blijven in gesprek; Gemeente, inwoners en organisaties blijven het gesprek over de toekomst van Hilversum voeren in wijken (van onderop) en op het niveau van de stad. • We geven initiatieven de ruimte, door procedures makkelijker en sneller te maken, zodat inwoners en organisaties eerder zelf aan de slag kunnen.
Een voortdurend gesprek over de toekomst We willen het gesprek over de toekomst structureler invullen. Daarbij geldt dat niet alleen de gemeente het gesprek over de toekomst organiseert en dat we niet vanaf nul beginnen. Organisaties als de H100, hilversummers.nl, stichting Architectuurprijs en het Dudok Architectuur Centrum organiseren zulke gesprekken immers al langer op het niveau van de stad. En op buurten straatniveau spreken bewoners, bewonersorganisaties en wijkregisseurs voortdurend over nu en straks en kleinere initiatieven. Met alle betrokkenen zetten we het gesprek over de Omgevingsvisie voort, niet alleen gebaseerd op meningen, maar ook op goed inzicht in trends en ontwikkelingen. De bijdrage van de gemeente daarbij is: • Het organiseren van een tweejaarlijks stadsgesprek over de Omgevingsvisie: zijn we nog op koers?. Dit kan goed in het begin van het jaar, voorafgaand aan de voorjaarsnota. De eerste keer is in 2025. • Het beschikbaar stellen van data op Open Hilversum en opstellen van producten als een datamonitor en trendstudies. • Een herkenbaar, digitaal platform.
Deze principes passen goed bij de bedoeling van de Omgevingswet: meer integraal en op een open manier aan de toekomst van Hilversum werken is dé manier om de complexe opgaven succesvol aan te gaan.
25
•
Participatie bij initiatieven en projecten De doelen uit de Omgevingsvisie zijn van de gemeente en de samenleving. Inwoners, ondernemers, organisaties en de overheid werkten mee aan de Omgevingsvisie, die aanzet aan tot samenwerking, initiatieven en projecten. De Omgevingswet onderstreept het belang van goede participatie bij initiatieven en projecten, vanuit de wens dat inwoners meer invloed hebbenop hun leefomgeving. Tegelijk schrijft de wet niet voor hoe dat moet worden ingevuld, maar wel dat gemeenten geen aanvullende eisen mogen stellen aan participatie, bijvoorbeeld bij het verlenen van omgevingsvergunningen.
• • •
Ook zonder de Omgevingsvisie zijn er in Hilversum al volop initiatieven. In het Meerjarenperspectief Gebiedsontwikkeling (gemeenteraad 2021) werd al geschetst dat het aantal ruimtelijke initiatieven gestaag toeneemt. We verwachten dat die trend zich doorzet en richting 2040 steeds meer initiatieven ontstaan, waarbij: • Er meer belanghebbenden zijn • Initiatieven complexer worden en sprake is van stapeling van eisen en wensen die in beperkte ruimte moeten worden gecombineerd. • Meer diversiteit in de stad ontstaat, zodat een grotere diversiteit in het ‘samen Hilversum 2040 maken’ nodig is.
Geef zowel voor- als tegenstanders de ruimte: het gesprek met tegenstanders kan andere creatieve oplossingen doen ontstaan. Duidelijk zijn over zeggenschap: laat weten waarover belanghebbenden kunnen meebeslissen, meepraten en adviseren. En wees ook duidelijk waarover dit niet kan. Creëer samenspraak: plannen die op basis van een uitwisseling van argumenten ontstaan of aangescherpt worden, zijn vaak het breedst gedragen. Heb vertrouwen: participatie werkt alleen op basis van vertrouwen in elkaars goede intenties.
Hoewel principes uit de leidraad breed gedeeld worden, blijkt de praktijk weerbarstig en tot terugkerende vragen te leiden: wanneer zijn het participatieproces en de communicatie 'goed'? Waar zijn initiatiefnemers, belanghebbenden en gemeente op aanspreekbaar? Er wordt spanning gevoeld tussen het belang dat we in Hilversum aan participatie hechten, de mate waarin de gemeente op dit moment grip heeft op de kwaliteit van de participatie die door initiatiefnemers is georganiseerd en de mate waarin alle belanghebbenden bereikt en betrokken worden, met name inwoners ‘zonder macht’. De figuur hieronder toont de veranderende rol van de overheid.
Het participatiebeleid van Hilversum bestond tot 2018 uit een raadsbesluit van 4 juli 2012 over een aantal ‘bestuurlijke intenties’ voor participatie bij gemeentelijke projecten en de ‘inspraakverordening’ (2006). Vanaf het moment dat we startten met de invoering van de Omgevingswet (2018) werken we met een Hilversumse ‘leidraad participatie’, om initiatiefnemers te inspireren het participatieproces goed vorm te geven. De – in 2021 geactualiseerde – leidraad is zowel van toepassing op initiatieven uit de samenleving als op initiatieven van de gemeente. De leidraad noemt als zes belangrijkste principes voor participatie: • Wees transparant: gebruik begrijpelijke taal en communiceer open en eerlijk. • Wees volledig: betrek een mix van alle mogelijke betrokkenen uit de omgeving. 26
Het linker plaatje schetst dat de overheid nu vaak positie moet kiezen 'tussen’ initiatiefnemers en belanghebbenden. Er is vaak veel contact met initiatiefnemers. Belanghebbenden vinden vaak dat er juist te weinig contact met hen is en spreken daar de overheid op aan. Het rechterplaatje schetst een overheid die erop aanstuurt dat initiatiefnemers en belanghebbenden vooral met elkaar het goede gesprek voeren. In die laatste rol is de overheid zelf ook ‘participerend’, vanuit het algemeen belang en zorg voor inwoners die het nodig hebben. Die rol sluit wat ons betreft het beste aan bij de dynamiek en energie van de samenleving. Als instrument vinden we de bestaande participatieleidraad ‘betrek de buurt’ nog steeds een goede basis. Na vaststelling van de Omgevingsvisie maken we een Startnotitie Participatiebeleid voor de gemeenteraad, waarin we voorstellen de inspraakverordening en de leidraad 'betrekt de buurt’ te actualiseren. Belangrijke bouwstenen daarvoor zijn: • De wettelijke verplichting om een participatieverordening voor gemeentelijke projecten op te stellen (vervangt de inspraakverordening) • De leidraad aan te vullen en te verduidelijken met adviezen uit het participatieproces Omgevingsvisie over het doel van participatie, de betekenis van het algemeen belang, de rol van de gemeente en goede communicatie.
• Regie op alle participatieprocessen van de gemeente, zodat ze minder gefragmenteerd zijn. Nieuw participatiebeleid kan helpen bij het managen van verwachtingen en een meer uniforme werkwijze en organisatie. Van beleid tot uitvoering (en misschien wel wijkgericht werken). En kan mét de samenleving vorm en inhoud krijgen, waardoor er meer draagvlak ontstaat. Wenkend perspectief voor zo’n gezamenlijke aanpak vinden we bijvoorbeeld in grote steden als Utrecht en Groningen, waarbij ook externe kennisinstellingen zijn betrokken en in kleinere gemeenten als Capelle aan den IJssel.
27
•
Kadertekst - Lessen uit de participatie Participatie heeft als doel het goed in beeld brengen van alle belangen die bediend of geschaad worden. Het betekent niet dat iedereen die meedoet gelijk kan krijgen; wel dat er duidelijkheid is over de afweging van alle belangen en de besluitvorming. Initiatiefnemers moeten zich inspannen om die belangen volledig in beeld te brengen. Daar waar de organisatiegraad van belangrijke minderhedengroepen (nog) niet zodanig ontwikkeld is, zoeken we actief naar individuen in de rol van (getrainde) ervaringsdeskundigen.
•
Supporter: Anderen bepalen doelen en context. De gemeente is supporter en beweegt mee omdat zij het belang ziet van het maatschappelijk effect en er geen tegenstrijdigheden zijn met wettelijke of gemeentelijke kaders. Denk aan het ondersteunen van evenementen. Toeschouwer: De gemeente heeft geen verantwoordelijkheid voor het onderwerp. De gemeente zet dus geen middelen in, bepaalt geen resultaten en oefent geen invloed uit op andere partijen. Dit kan alleen als het zo geaccepteerd wordt door de omgeving.
De rol van de gemeente bepaalt de rol van het bestuur bij participatie. Bij elk initiatief is het nodig om die goed te duiden en te communiceren. Hoog op de lijst is de gemeente aanspreekbaar op/verantwoordelijk voor een goed participatieproces en communicatie. Lager op de lijst ligt die verantwoordelijkheid bij initiatiefnemers.
Het Algemeen belang is datgene dat voor het welzijn van de bevolking in het algemeen nuttig, gewenst of nodig is. De Omgevingsvisie geeft daar – na een uitgebreide participatie – een samenhangend beeld van en nodigt uit om tot initiatieven te komen die zich daar goed toe verhouden. Toetsen aan het algemeen belang is (dus) toetsen aan de Omgevingsvisie.
Rol gemeente Zelfpresterend/uitvoerend Opdrachtgever Regisseur Co-producent
De gemeente werkt vanuit de kernwaarden vertrouwen, eenvoud en betrokkenheid. De rol van de gemeente is echter niet bij elk initiatief dezelfde. De gemeente is immers niet verantwoordelijk voor alles wat er in Hilversum gebeurt en is lang niet altijd ‘bevoegd gezag'. De verschillende rollen zijn: • Zelfpresterend/uitvoerend: niemand anders dan de gemeente kan het doen. Denk aan het uitgeven van paspoorten. • Opdrachtgever: De gemeente heeft een duidelijke verantwoordelijkheid en stelt voorwaarden aan de inhoud (wat). Derden voeren uit (hoe). Denk bijvoorbeeld aan vervangen van riolering door aannemers. • Regisseur: De gemeente bepaalt zijn ambities en de grenzen van het speelveld (kaders). Binnen dat systeem voeren andere partijen het proces (‘het hoe’) en bepalen de inhoud (‘het wat’). De gemeente houdt in de gaten of het spel binnen de kaders gespeeld wordt. Denk aan het uitvoeren van wettelijke regelingen in het sociaal domein. • Coproducent: De gemeente heeft een wens en de realisatie daarvan doet ze vanuit een gelijkgestelde positie in samenwerking met andere partijen. Het initiatief kan van buiten of van binnenkomen. Denk bijvoorbeeld aan de gebiedsontwikkeling Arenapark.
Supporter Toeschouwer
Rol bestuur bij participatie Procesontwerper, benoemen van participatieaanpak, inhoudelijke kaders en uitgangspunten (mede-) Koersbepaler: benoemen van participatieaanpak en democratische uitgangspunten óf Belangenafweger: kiezen uit opgehaalde standpunten en inzichten Verbinder, bevorderen dat inbreng van alle betrokkenen op tafel komt of het verstrekken van subsidies Geen
Goede communicatie is uitdagend, ook vanwege de toenemende diversiteit in Hilversum. Het vergt van gemeente en initiatiefnemers naar de toekomst toe meer en meer diverse inspanningen om alle belanghebbenden gelegenheid te geven aan het participatieproces mee te doen. Partijen moeten oog hebben voor de reikwijdte en de grenzen van participatie: mensen hebben meer te doen en er komt veel op ze af. Bovendien is niet iedereen even mondig. Dit kan leiden tot onvolledige en niet-representatieve participatie. Praktische aanbevelingen zijn: neem de tijd, kom op plekken waar de mensen zijn, organiseer onafhankelijkheid, beoog representativiteit, heb oog voor ondervertegenwoordigde groepen, communiceer met elke doelgroep in zijn voorkeursstijl, geef uitleg en koppel terug: zo blijft het transparant. 28
2.2 Instrumenten uit de Omgevingswet De Omgevingswet biedt het nodige instrumentarium voor de uitvoering van de Omgevingsvisie4. Naast de Omgevingsvisie zijn de belangrijkste instrumenten het Omgevingsplan en Programma’s. Onze intentie is om te werken met een klein aantal programma’s voor integrale opgaven en gebieden, die verbijzonderd kunnen worden in deelprogramma’s. Nu gebruikt Hilversum nog veel instrumenten om tot beleid en uitvoering te komen. Denk aan structuurvisies, visies, beleidsnota's, kader- en uitvoerings/uitwerkingsnota's, programma's, handboeken, masterplannen, projecten, agenda's, regelingen, handboeken, actieplannen, verordeningen en andere regelgeving. In sommige gevallen schrijft de wet zo’n instrument voor. Zo is er een wettelijke plicht om als gemeente een Transitievisie Warmte te hebben. In veel gevallen heeft de gemeente echter veel vrijheid in hoe beleid en andere plannen vorm krijgen. De stapeling van allerlei gefragmenteerd, sectoraal beleid bemoeilijkt echter soms het realiseren van initiatieven en projecten. Een duidelijker en eenvoudiger aantal instrumenten helpt bij integrale kaderstelling: het vinden van synergie en het stellen van prioriteiten/inzet van tijd, geld en capaciteit. Die voorstellen werken we hier uit.
Kerninstrumenten uit de Omgevingswet De beleidscyclus
Voor de gemeentelijke beleidsontwikkeling zijn drie kerninstrumenten relevant: de Omgevingsvisie, het (Omgevings-)Programma en het Omgevingsplan. Andere kerninstrumenten zoals de Omgevingsvergunning gaan over uitvoeringsaspecten.
In Hilversum werken we al met de beleidscyclus. We ontwikkelen meerjarig beleid, maken uitvoeringsplannen gekoppeld aan geld en capaciteit in de (jaarlijkse) programmabegroting, voeren uit en evalueren of monitoren de voortgang waarna we het beleid weer bijstellen. De Omgevingswet gaat ook uit van deze praktijk en illustreert die in de figuur hiernaast. De Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in programma’s en regels, initiatieven en projecten worden vergund, er wordt gehandhaafd en ten slotte wordt gemonitord of we nog op koers zijn.
Het ‘beleid’ van de gemeente hoort in de Omgevingsvisie en de Programma's. Beleid in de Omgevingsvisie is op hoofdlijnen. Het moet op die hooflijnen integraal zijn en heeft een lange termijn scope. Beleidsuitwerking, gebiedsuitwerking en beleidsrealisatie horen in Programma’s. Het adagium uit de Omgevingswet is: “De Omgevingsvisie blijft, de Programma’s verande-
4 https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/samenhang-instrumenten/6-kerninstrumenten/
29
ren”: daar wordt getoetst op uitvoerbaarheid, tijd, geld en capaciteit en worden uitvoeringsprioriteiten gesteld. Zowel de Omgevingsvisie als de programma’s zijn zelf-bindend. Voor de Omgevingsvisie is de gemeenteraad het bevoegde gezag. De gemeenteraad benoemt de Programma’s en het college vult ze in, bijvoorbeeld op basis van het coalitieakkoord. De bevoegdheid voor het college om programma’s in te vullen/vast te stellen volgt ook uit de Omgevingswet. De gemeente kan meerdere ‘onverplichte’ programma’s vaststellen. Soms volgt uit Europese regelgeving een ‘verplicht’ programma.
looptijd, wijze van monitoring en termijn van actualisatie. In gebieds- en locatieontwikkelingen zijn vaak meerdere doelen en uitvoeringsprogramma's tegelijkertijd aan de orde, die om gebiedsgerichte afwegingen/prioriteiten vragen. Integraler en overzichtelijker Het instrumentarium uit de Omgevingswet kan goed worden benut om het beleid van Hilversum integraler en overzichtelijker te maken. Dat begint met het vaststellen van de integrale Omgevingsvisie en vaststelling dat we een beperkt aantal instrumenten inzetten voor inhoud en regelgeving.
De gemeenteraad is ook bevoegd gezag voor het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan is een (1) plan voor alle regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. Het is juridisch bindend, dus vatbaar voor beroep. De Omgevingsvisie en de Programma’s zijn dat niet. Per locatie is in het Omgevingsplan volledig te vinden welke regels daar gelden. De regels in het Omgevingsplan komen voort uit wettelijke regels, de Omgevingsvisie en de Programma's. Het Omgevingsplan vervangt o.a. de bestemmingsplannen en een groot aantal verordeningen.
Beleid Uitvoering
Inhoud Omgevingsvisie Programma's Agenda's
Regelgeving Verordeningen Omgevingsplan Omgevingsvergunning
In de volgende paragrafen benoemen we de Programma’s als stip op de horizon. Voor Hilversum zijn nu geen 'verplichte’ programma's in beeld; volstaan kan worden met enkele ‘vrijwillige’ programma's. We denken aan een beperkt aantal thematische, integrale programma’s, waarin we sectoraal beleid combineren. De lijn is dan: integraal, tenzij (bijvoorbeeld een wettelijke verplichting). We denken ook aan een aantal gebiedsgerichte programma’s, waardoor we de beleidsmatige insteek op stadsniveau verbinden aan gebieds- en locatieontwikkelingen.
Tot slot is de Omgevingsvergunning relevant: de officiële toestemming van het bevoegd gezag aan burgers, bedrijven en andere overheden om bepaalde activiteiten te verrichten in de fysieke leefomgeving. Het verlenen van omgevingsvergunningen is een uitvoeringsbevoegdheid van het college, na toetsing op basis van het Omgevingsplan. Voor aanvragen die afwijken van het Omgevingsplan is door de gemeenteraad een lijst vastgesteld in welke gevallen de raad om (bindend) advies gevraagd moet worden.
Ook uitvoeringsafspraken met inwoners, ondernemers en organisaties zouden in het Programma kunnen worden opgenomen. In de Hilversumse praktijk lijkt het echter logischer die te maken in de vorm van kort-cyclischer ‘agenda's’, die uit de programma's voortkomen.
Toepassing in de Hilversumse praktijk Het beleid van de gemeente Hilversum staat op dit moment in ten minste 107 uiteenlopende ‘kaderstellende nota's’ (bron: concept programmabegroting 2023) en een projectenportfolio van tientallen locatie- en gebiedsontwikkelingen van de gemeente of van derden. Sommige nota's combineren het formuleren van beleidsdoelstellingen met uitvoeringsprogramma's; andere nota's houden dat juist uit elkaar. Elk van deze nota's heeft een andere 30
Beleidscyclus voor de instrumenten We veronderstellen dat de Omgevingsvisie acht jaar (twee bestuursperioden) houvast moet kunnen bieden. Elke twee jaar bespreken we de voortgang met de gemeenteraad en de noodzaak van bijstellingen. Het is niet de bedoeling dat om de twee jaar een hele nieuwe visie wordt ontwikkeld. De gemeenteraad kan bijstellingen in de Omgevingsvisie bijvoorbeeld in de vorm van een ‘addendum’ vaststellen.
De Omgevingsvisie is de basis voor het omgevingsplan. Met het in werking treden van de Omgevingswet, is een groot deel van de bestaande regels ‘van rechtswege’ opgegaan in een tijdelijk Omgevingsplan voor Hilversum. Denk aan bestemmingsplannen, voorbereidingsbesluiten, beheerverordeningen, inpassingsplannen van de provincie en Rijksregels die met de Omgevingswet een gemeentelijke bevoegdheid worden, zoals het activiteitenbesluit over milieu. Andere regels uit gemeentelijke verordeningen, zoals delen van de APV, de parkeerverordeningen en afvalstoffenverordening gaan niet direct op in het tijdelijk omgevingsplan, maar blijven nog een tijdje zelfstandig voortbestaan. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om deze regels in het (definitieve) Omgevingsplan op te nemen en om Rijksregels die naar de gemeenten komen (de zgn. 'bruidsschat') inhoudelijk te actualiseren en op elkaar af te stemmen. Die tijd is ook nodig: de manier van opschrijven verandert, het Omgevingsplan omvat een bredere inhoud, waarbij de gemeente op onderdelen zelf meer keuzes kan maken en we willen het gesprek met de samenleving zorgvuldig voeren.
Voor de programma's geldt dat ze vier tot zes jaar houvast moeten kunnen bieden. Elk jaar of elke twee jaar (afhankelijk van het tempo waarin ontwikkelingen zich voordoen) monitoren we de voortgang en stellen waar nodig de programma's bij. We leggen steeds expliciet de verbinding met de Omgevingsvisie: zijn er veranderingen die bijstelling van de Omgevingsvisie noodzakelijk maken? Deelprogramma’s of agenda’s worden jaarlijks, of zoveel sneller als nodig gemaakt, gemonitord en bijgesteld. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de jaarlijkse P&C cyclus (begroting, jaarrekening, voorjaarsnota).
Om het opstellen van het definitieve omgevingsplan te kunnen opstarten, zijn op hoofdlijnen 3 voorbereidende activiteiten nodig: • Het doen van onderzoeken naar omgevingswaarden (bijvoorbeeld voor lucht), enkele stadsbrede regels (bijvoorbeeld voor energie) en hoe de ‘bruidsschat’ vorm moet krijgen in Hilversum • Het inrichten van het werkproces rondom het werken met het Tijdelijk Omgevingsplan. Hierin moet o.a. het toetsen van initiatieven aan de Omgevingsvisie en het bijstellen van het tijdelijk omgevingsplan (bijvoorbeeld aan de onderzoeken) worden ingericht. • Het gebiedsgericht uitwerken van de Omgevingsvisie in gebiedsagenda’s
Voor het Omgevingsplan geldt geen beleidscyclus: het Omgevingsplan moet de regels altijd actueel weergeven.
2.3 Het Omgevingsplan Het Omgevingsplan gaat op een nieuwe manier alle regelgeving van de gemeente voor de fysieke leefomgeving structureren. Er is sprake van verbrede reikwijdte: dat betekent dat over veel meer onderwerpen en aspecten regels kunnen worden opgenomen dan onder de voormalige Wet Ruimtelijke Ordening. Er is één omgevingsplan voor heel Hilversum, dat voortdurend bijgesteld wordt na besluitvorming. Er komen generieke, stads-brede regels en gebieds-specifieke regels. Indachtig principe 4 uit de Denkrichting (“We geven initiatieven de ruimte, door procedures makkelijker en sneller te maken, zodat inwoners en organisaties eerder zelf aan de slag kunnen”) is het uitgangspunt dat de gemeente zoveel mogelijk met algemene regels werkt waarin is aangegeven wat wel kan en zo weinig mogelijk met vergunningen.
Het college stelt in 2024 een Plan van Aanpak/Startnotitie Omgevingsplan op voor de gemeenteraad. Daarin worden keuzes voorgesteld voor wel/niet over te nemen regels uit verordeningen, extra normen waarvoor de wet ruimte geeft (bijvoorbeeld voor geluid) en participatie. 31
vragen beter beoordeeld worden. De bestaande gebiedsagenda voor postcodegebied 1221 is een mooi voorbeeld. Paragraaf 7.5 beschrijft de werkwijze, die uitgaat op gedegen onderzoek en participatie. De reeds gestarte ‘sectorale’ gebiedsagenda’s voor de wijken Hilversumse Meent en Kerkelanden (voor wonen) en de werklocaties Centrum, Media Park en bedrijventerreinen Zuidwest lopen intussen uiteraard door. Het programma Gebiedsagenda’s geeft de mogelijkheid explicieter te prioriteren: er valt iets te zeggen voor het eerst opstellen van gebiedsagenda’s voor plekken waarin sprake is van de grootste stapeling opgaven, of waar de meeste kansen liggen. Ook nieuwe initiatieven om 'wijkgericht’ te werken (bijvoorbeeld voor cultuurhistorie, veiligheid, mobiliteit, energie en groen) kunnen daarbij worden betrokken.
2.4 Programma’s We werken de Omgevingsvisie verder uit in drie soorten ‘vrijwillige’ programma’s: thematische, gebiedsgerichte en ondersteunende programma’s: • Drie thematische programma’s voor Duurzaam, Meedoen en Actief. • Twee gebiedsgerichte programma’s: een voor projectontwikkelingen en een voor gebiedsagenda’s. • Een ondersteunend programma, waarin de randvoorwaarden worden georganiseerd. Denk daarbij participatie, communicatie, data/informatie, financiën en processen. Aan vrijwillige programma's zijn weinig wettelijke eisen en er hoeft in principe geen koppeling te bestaan tussen de Omgevingsvisie en de programma's. In Hilversum zien we wel meerwaarde in zo'n koppeling. Door bijvoorbeeld bestaand sectoraal beleid en bestaande sectorale programma's als groen, energietransitie en mobiliteit bij elkaar te brengen in een nieuw programma Duurzaam, kan synergie, meerwaarde en werk-met-werk worden bereikt. We hoeven niet helemaal opnieuw te beginnen. Onder het programma Duurzaam kunnen de recent vastgestelde programma’s voor groen en mobiliteit goed als deelprogramma’s vallen. Bij mobiliteit, groen en energietransitie zien we bovendien dat al gewerkt wordt met kort-cyclischer ‘agenda’s’ in de vorm van jaarplannen. Voor Actief en Meedoen is een vergelijkbare opzet denkbaar.
In het ondersteunende programma zien we duidelijk meerwaarde in het meer in samenhang bezien van participatie, communicatie en data. Visie Programma's Deelprogramma’s en agenda's (voorbeeld)
Gebiedsgericht werken is niet nieuw in Hilversum. Wel kent het vele vormen, variërend van buurt- en wijkagenda’s, gebiedsagenda’s tot masterplannen en beeldkwaliteitsplannen voor ontwikkellocaties. Niet altijd is de relatie met de toekomstvisie helder. Twee gebiedsprogramma's kunnen de wens tot meer/beter gebiedsgericht werken bevorderen. Het bestaande projectenportfolio van locatie- en gebiedsontwikkelingen is de basis voor het gelijknamige programma. Het programma ‘gebiedsagenda’s ontstaat uit de wens van de gemeente, inwoners, ondernemers en organisaties om de Omgevingsvisie gebiedsgericht uit te werken voor alle gebieden in Hilversum: wat is er nodig en wat is passend? Met goede gebiedsagenda’s kunnen initiatieven en aan-
Meedoen
Thematisch Actief
Visie sociaal domein
Programma economie
Agenda Gezondheid
Agenda Cultuur
Omgevingsvisie Gebiedsgericht Duurzaam Locatie- en Gebiedsgebieds-ont- agenda's wikkelingen ProStedenGebiedsgramma bouwkundig agenda groen plan Arena1221 park Deelprogramma mobiliteit
Agenda Energiebesparing Agenda jeugd Agenda werk Regelgeving
32
Verordeningen Omgevingsplan Omgevingsvergunning
Ondersteunend Datagedreven sturing Participatie
Bovenstaande tabel vat de opbouw van de Hilversumse kerninstrumenten samen. Hiërarchisch gaan de thematische programma’s boven de gebiedsgerichte programma’s: daar staan immers de doelen die in de locatie- en gebiedsontwikkelingen een plek moeten krijgen. Het ondersteunende programma is volgend op de andere programma’s. De tabel toont ook dat sommige agenda's kunnen bijdragen aan meerdere programma's.
Het kader waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan de vergunning-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken) op het gebied van het omgevingsrecht, is het VTH-beleid. Het vaststellen is een wettelijke verplichting met het college als bevoegd gezag en waarop de provincie Noord-Holland Interbestuurlijk Toezicht houdt. Op basis van het VTH-beleid en ontwikkelingen bepalen we jaarlijks prioriteiten in een uitvoeringsprogramma. De gemeenteraad wordt geïnformeerd over het VTH-beleid omgevingsrecht, uitvoeringsprogramma en jaarverslag. Het meest recente VTH-beleid is van 2021. In 2024 voeren we een aantal aanpassingen door in verband met overgedragen taken uit de Omgevingswet. In 2025 evalueren en (indien nodig) actualiseren we het VTH-beleid.
Overgangssituatie Zo werken met een integraler en overzichtelijker beleidslandschap dat zich goed verhoudt tot de toekomstvisie zal niet in één keer gaan. Het is de stip op de horizon waar we al naar toe werken, bijvoorbeeld rondom mobiliteit en economie. De eerste versies van de nieuwe thematische programma's zullen bestaan uit de Omgevingsvisie (visie, doelen, genoemde maatregelen, monitoring), een weergave van reeds vastgestelde beleid en een oplossing voor eventuele discrepanties of conflicten en een verbinding met agenda's voor deze bestuursperiode, zoals uit het coalitieakkoord en de programmabegroting 2023.
Kadertekst – de rol en betekenis van uitvoeringsbeleid Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn integraal onderdeel van de beleidscyclus uit paragraaf 7.2, als onderdeel van ‘uitvoering’ en ‘terugkoppeling’. We geven uitvoering aan het beleid door het verstrekken van vergunningen en bewaken de kwaliteiten van Hilversum door het houden van toezicht en het leggen van (thematische) accenten in de handhaving. Denk daarbij aan het behoud van cultuurhistorische waarden, het bevorderen van woongenot (voorkomen overlast door meervoudige bewoning), meer veiligheid en bescherming van groen (via kapvergunningen). In de uitvoering zien we of het beleid in de praktijk ‘werkt’. Wanneer dat niet het geval is, kan het beleid worden bijgesteld (terugkoppeling).
33
Hilversum. Een bekende reeds bestaande gebiedsagenda is die voor postcodegebied 1221. Daarnaast werken we al aan delen van thematische/sectorale gebiedsagenda’s: wijkgerichte uitwerkingen van de woonvisie voor de Meent (2023) en Kerkelanden (2024), een gebiedsagenda voor het centrum en voor het bedrijventerreinen Zuidwest. In het coalitieakkoord is ook een gebiedsagenda voor het Media Park genoemd. Goede gebiedsagenda’s maken het gemakkelijker om tot passende initiatieven te komen en draagvlak te verwerven. Ze bieden duidelijkheid voor inwoners en voor ontwikkelende partijen. Ze zijn bruikbare input voor het Omgevingsplan en de welstandsnota, zodat ze t.z.t. goed benut kunnen worden voor het toetsen van initiatieven en projecten.
2.5 Gebiedsagenda’s De Omgevingsvisie beschrijft de beleidskeuzes voor de toekomst van Hilversum op hoofdlijnen in termen van kwaliteiten, opgaven, ruimtelijke hoofdkeuzes, leidende principes, doelen en maatregelen. Helder is dat we kwaliteiten willen behouden en toevoegen én aan de slag gaan met de opgaven van de toekomst. Op een ‘Hilversumse’ manier, die volgt uit de lange lijnen van de geschiedenis, die uitgaat van een brede opvatting over mens en leefomgeving, die leidt tot behoud, herstel en toevoegen van ruimtelijke kwaliteit en die voorkomt dat we ‘ad hoc’ plekken herstructureren of verdichten. Wat dat voor alle gebieden in Hilversum betekent, onderzoeken we met inwoners en organisaties verder in gebiedsagenda’s. Zo werken we de ruimtelijke strategie Omgevingsvisie gebiedsgericht uit: wat kan er en wat is er nodig voor sterke en prettige wijken en werklocaties?
Bij de Startnotitie Gebiedsagenda’s zullen we een voorstel doen hoe we met reeds bestaande en thematische gebiedsagenda’s in voorbereiding omgaan, zowel wat betreft de beperkte scope als de wijze waarop we ze t.z.t. als addenda op de Omgevingsvisie kunnen vaststellen.
Er is binnen en buiten de gemeente al veel kennis, informatie en ruimtelijke kwaliteitsbeleid (welstandsbeleid, monumentenverordening) beschikbaar, die al wordt ingezet voor locatie- en gebiedsontwikkelingen. Zie bijvoorbeeld de kaart hiernaast die een indruk van het (beschermde) erfgoed in Hilversum geeft. De Omgevingsvisie is aanleiding om nog een stap extra te zetten, om op een gedegen en gestructureerde manier de ruimte en grenzen voor de verschillende gebieden in Hilversum te kunnen bepalen vanuit de aanwezige kwaliteiten (samenhang en gelaagdheid). In het deelprogramma erfgoed zetten we die stap al door inventarisaties en analyses, die verhalen en waarden opleveren.
Methodiek: verbinden verleden, heden en toekomst De achtergrond van de methodiek is dat we altijd integraal werken vanuit een cultuurhistorische basis, dan vanuit thema’s/opgaven (uit te werken in beleidsprogramma’s of -nota’s) en ten slotte gebiedsgericht. Voor de gebiedsagenda’s is het belangrijk verleden, heden en toekomst met elkaar te verbinden. Hoe en wanneer gebieden zijn ontstaan en hun kwaliteiten leidt automatisch tot inherente kwaliteiten, kansen en opgaven. Grote opgaven moeten een plek krijgen in de stad en aansluiten op de breed gewaardeerde kwaliteiten. Als we na goed onderzoek verbinden, kunnen we daaruit 'principes’ of 'spelregels’ afleiden: zo gaan we in Hilversum met de opgaven om. De methodiek volgt vijf stappen: 1. Leg een cultuurhistorische basis neer (architectuur, stedenbouw, openbare ruimte, landschap). 2. Breng de ruimtelijke consequenties van grotere en kleinere opgaven in beeld.
De Omgevingsvisie beschrijft de methodiek voor gebiedsagenda’s op hoofdlijnen. De gemeenteraad zal de uitwerking daarvan vaststellen in een inhoudelijke ‘Startnotitie gebiedsagenda’s’ en t.z.t. de gebiedsagenda’s als addenda op de Omgevingsvisie. Gebiedsagenda’s zijn overigens niet nieuw voor 34
3. Definieer onderscheidende gebieden en principes, bijvoorbeeld om per gebied aan te geven op welke opgaven uit de Omgevingsvisie aanleidingen, kansen en beperkingen zijn. Er zullen gebieden zijn waar kiezen kan en waar kiezen moet. Ontwikkel een werkwijze om de versterking en ‘veranderbaarheid’ te verbeelden. 4. Vul de gebiedsagenda's verder in met inwoners en ondernemers. 5. Borg de gebiedsagenda's.
Kadertekst: voorbeeld Agrarisch Hilversum Als voorbeeld nemen we de periode ‘agrarisch Hilversum’ (450-1424). De periode van de Middeleeuwen, waarin Naarden de belangrijkste stad in de regio is en waarin Hilversum mogelijk in de tiende eeuw ontstaat als Hilvertsheem: in de vorm van enkele kleinschalige boerderijen op de oostflank van de stuwwal, op een geschikte plek door de combinatie van water en bos. De Groest (‘drassige plek’) herinnert nog aan deze situatie. In de eeuwen daarna vindt oxidatie en ontwatering van het veen plaats en verdwijnt het oerbos, waardoor de toegankelijkheid toeneemt en mogelijkheden ontstaan voor akkers (engen) en weidegronden (meenten). De vier lagen zijn op een kaart in beeld gebracht. Kenmerkend in de ondergrond zijn de hoge en droge gronden van de Heuvelrug en de overgang naar het ‘nat’. Kenmerkende structuren zijn de akkers, driften, brinken en meenten en de ‘doodwegen naar het Janskerkhof. In de occupatielaag zijn de boerderijen kenmerkend in voor de agrarische samenleving. Die zijn vooral nog herkenbaar in het centrum: het brinkdorp.
We schetsen hoe we de verschillende stappen uitwerken in de startnotitie Gebiedsagenda's. Stap 1: cultuurhistorische analyse We zijn al gestart met het maken van een chronologisch gelaagde cultuurhistorische analyse. We gaan uit van zeven perioden die Hilversum kenmerken: 1. IJstijd, eerste bewoning (voor 450) en agrarisch Hilversum: 450 tot 1424 (agrarische samenleving) 2. Groeiend dorp: 1424 – 1874 (de eerste groei buiten de oorspronkelijke kern, zelfstandigheid en ontstaan nijverheid) 3. Buitenplaatsen/lommerrijk: 1874- 1905 (ontstaan villaparken, -wijken en herstellingsoorden) 4. Tuindorp en -wijk: 1905 – 1950 (sterke groei en industrialisatie, tuinstadgedachte) 5. Wederopbouw: 1950-1968 (moderne projectontwikkeling, Omroepstad) 6. Uitbreiding en inbreiding: 1968 – 2005 (schaalvergroting (‘stad’) en eerste herwaardering van dorpse kwaliteiten) 7. Versterken en vernieuwen (nu): na 2005 (stedelijke vernieuwing en inbreiding)
Uit deze analyse blijkt dat de grens van de bebouwde kom Hilversum eigenlijk al in deze periode bepaald is. Hij valt ongeveer samen met de gebieden van de Erfgooiers, die de ‘woeste gronden’ van grasland en akkers benutten. De boekweit, dat naast rogge en gerst wordt verbouwd, is herkenbaar in het Hilversumse logo. Brinken en driften zijn de ondergrond van het huidige stratenpatroon/ wegennet en bepalen voor een deel de bestaande maten van de openbare ruimte. Inherente kansen en opgaven hangen samen met de ligging in het landschap: het reliëf en een goede bodem. Die bieden kansen voor veiligheid (hoogteligging t.o.v. NAP), het tegengaan van hittestress en verdroging (groene brinken, ruimte voor infiltratie van hemelwater), het opslaan van warmte en koude (energie transitie) en het benutten van de bodem (ondergrondse garages).
Hoewel sommige perioden elkaar deels overlappen, is het goed mogelijk om per periode een cultuurhistorische analyse te maken in vier lagen: de ondergrond, de structuren (groen, straten, openbare ruimte), de occupatie (o.a. bebouwing) en wat nu nog vanuit de periode herkenbaar is. Vanuit deze analyse beschrijven we inherente kwaliteiten en opgaven die daaruit volgen. 35
Stap 2: opgaven voor de toekomst We kijken vooral naar de grote opgaven voor de toekomst: voor wonen, werken, meedoen (voorzieningen, sociale samenhang), mobiliteit, groen/klimaat en energie. Daarvoor bevat deze Omgevingsvisie zgn. ‘structuurkaarten’: wat en waar is er vanuit het perspectief van de stad iets nodig? Hoe kunnen we het gebied versterken en de kwaliteiten benutten? Hoe kunnen we verbindingen leggen? Analyse per gebied kan door stapeling van kaarten. Dit leidt tot knelpunten (niet alles kan in de beperkte ruimte en er moet gekozen worden) of tot kansen om zaken te combineren: denk aan het verduurzamen en vernieuwen van woningen waarbij de opgave voor energie meteen wordt meegenomen. Een goed voorbeeld daarvan is de ‘knelpuntenkaart’ uit de visie Openbare Ruimte: in welke gebieden zijn duidelijke keuzes nodig?
In Hilversum is het goed wonen en werken in een gezonde, luchtige, mooie en afwisselende leefomgeving, op een schaal waarbij het sociale leven wordt gestimuleerd. Dat lukt het beste wanneer functie, vorm en gebied/ligging zorgvuldig in samenhang bezien en ontworpen worden. Daarvoor hanteren we principes. Die beperken zich niet tot een ‘dorpse’ maat en schaal. Uitbreidingswijken in Hilversum zijn immers in de jaren ‘50-’70 vanuit de tuinstadprincipes ontstaan, maar waar het kon ook intensiever, hoger en sneller gebouwd. De principes zijn voortdurend aan modernisering onderhevig. Ook nu we voor nieuwe uitdagingen staan, kijken we steeds naar drie samenhangende dimensies: de interactie tussen de ruimte en het sociale leven, zorgvuldig ontwerp, met oog voor de unieke verbinding van elk deel van Hilversum met elkaar en met het landschap. De Omgevingsvisie heeft al een aantal voorbeelden van algemene, duurzame principes voor verdere ruimtelijke uitwerking genoemd:
Stap 3: gebieden, principes en (on)veranderbaarheid definiëren Vanuit de analyses uit stap 1 en 2 starten we met het definiëren van samenhangende gebieden. We willen duidelijk benoemen voor welke gebieden we gebiedsagenda’s maken. Dit zijn niet als vanzelf de postcodegebieden, omdat die weinig zeggen over de ontstaansgeschiedenis en uitdagingen en er ook binnen postcodegebieden grote verschillen zijn. Binnen de gebieden zijn wijken en buurten. We verwachten een mengvorm uit onderstaande kaarten uit de ontwerp-Omgevingsvisie, de inventarisaties en analyses van de cultuurhistorie, de welstandsnota en de postcodegebieden.
•
•
•
•
• •
36
Geef cultuurhistorische waarden een plek: maak belangrijke historische structuren, gebouwen en functies onderdeel van versterking en ontwikkelingen. Dit versterkt de identiteit en maatschappelijke waarde. Maak het landschap en de groene ruimtes bereikbaar: de openbare ruimte is voor iedereen en heeft een robuuste inrichting met voldoende ruimte voor groen en water. Zorg daarbij ook voor het ‘vergroenen’ van gebouwen. In een compacte stad staat de fietser en voetganger centraal: richt de openbare ruimte in zodat deze collectief en voor iedereen veilig bruikbaar is. Fietsroutes zijn veilig, stoepen breed genoeg voor minder validen en kinderen. Auto’s ondergrondse afvalcontainers, trafohuisjes en andere inrichtingselementen zijn met zorg ingepast. Verlies de productieve stad (werk) niet uit het oog. Maak voorzieningen in de buurt met functies die de levendigheid vergroten aan hoofdroutes en –ruimte. Aandacht voor functies op de begane grond in gebieden waar levendigheid is. Richt de openbare ruimte in met het oog op ontmoeting, oriëntatie, activiteiten, spelen en verblijf.
•
•
van sociale vooruitgang. Er zijn vier categorieën van veranderbaarheid gedefinieerd: • Niet bouwen/maximaal behoud: slim gebruik van bestaande casco’s van alleen die woningen die sowieso gerenoveerd moeten worden. Verander door splitsen, uitbouwen, optoppen binnen bestaand casco, kleinschalige transformatie buitenruimte binnen de bestaande maat. • Niet slopen/mix 50/50: chirurgische ingrepen op plekken die in onbruik zijn geraakt. Denk aan optoppen en uitbreiden. Gebruik restruimte en onbenutte plekken, vervanging. Herinrichten van de bestaande buitenruimte, functies combineren en beperkt toevoegen. • Herstructurering met sloop en nieuwbouw van bestaande structuren. Uitgebreide sloop en nieuwbouw is mogelijk (maar niet noodzakelijk) met wijziging van de bestaande structuur, maat vergroten, extra ruimte realiseren voor specifieke functies. • Vrijkomende ruimte benutten en gebruikmaken van veranderend mobiliteitsbewustzijn. Denk aan inbreiden (bijv. circusterrein) en het realiseren van nieuwe buitenruimte te realiseren.
Gebouwen zijn verbonden met hun omgeving: zorg voor zoveel mogelijk ’ogen op straat (verblijfsruimtes en buitenruimtes zijn gericht op het openbaar gebied). Maak overgangen van gebouwen naar de openbare ruimte zorgvuldig (stoepen, erfafscheidingen, tuinen). Voorkom gesloten plinten -gevels zonder entrees. Maatregelen voor klimaatadaptatie en energietransitie hebben een plek in planuitwerkingen. Het betreft hier zowel de openbare als de private ruimte.
Daarnaast realiseren we ons ook dat het ‘waar’ belangrijk is. Elk gebied is immers op zijn eigen manier verbonden met de groenstructuur en het landschap en ruimtelijk opgebouwd: de huidige ruimtelijke structuur, bouwhoogten en dichtheid, de beschikbare openbare ruimte, het aanwezige groen, de straatprofielen, cultuurhistorische structuren en gebouwen, architectuur en bouwkundige staat van bebouwing, geven meer of minder mogelijkheden voor verandering. Op de schaal van Hilversum zijn gebieden aan te wijzen die overwegend dorpse en/of stadse kenmerken hebben. Er zijn gebieden die luwer zijn – zoals de beschermde stadsgezichten – of juist dynamischer: hier is vaak al herstructurering en groei aan de orde. Dat betekent overigens niet dat er in luwe gebieden niets gebeuren hoeft, of er geen kansen liggen voor bijdragen aan andere gebieden van de stad. Een bijzonder punt over ligging is het zgn. ‘illusielandschap’: in de bossen en op de heide het gevoel te hebben e in een aaneengesloten landschap te bevinden. Dit geeft beperkingen aan bouwhoogten aan de randen en meer ruimte in gebieden die dichter bij het centrum liggen. In de startnotitie vullen we de lijst met principes aan, bijvoorbeeld met principes over functiemenging en gebiedsgerichte verdichting of hoogte. We vragen daarvoor ook advies aan de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten, in het bijzonder voor het centrum.
Hieraan voegen we een categorie 0 toe: geen verandering/versterking vanuit de bestaande kwaliteiten. Dit is de optie waarin verandering te ‘radicaal’ is, bijvoorbeeld in beschermde stadsgezichten en op plekken met veel monumenten en bijzondere ensembles. Door het gestructureerd analyseren van kwaliteiten, beperkingen en opgaven, brengen we de (on)mogelijkheden voor verandering in beeld met zgn. ‘stempels’: indicatieve praatplaten over de bestaande situatie en met morfologische mogelijkheden in een gebied. De figuur hiernaast geeft een indruk van de een stempel van een bestaande situatie. Dit gaat zowel over de gebouwde omgeving als over de buitenruimte. Aan de hand van deze plaatjes kunnen we in gebieden goed het gesprek starten: zicht bieden op de kwaliteiten en mogelijkheden en tegelijk zekerheid bieden dat er niet onverwachts 'gekke dingen’ gebeuren.
Ten slotte werken we een methodiek uit voor het verbeelden van '(on)veranderbaarheid’, als vertrekpunt voor gesprekken in de gebieden. Het onderzoek ‘Ruimte zat in de stad’ van KAW is een passend vertrekpunt omdat hij focust op de bestaande stad en fysieke planvorming stimuleert die uitgaat
37
Stap 4: Gebiedsagenda's invullen met inwoners en ondernemers Niet alle gebieden zijn gelijk, dus de gebiedsagenda kan per gebied verschillen. Tegelijk helpt het als we voor alle gebiedsagenda's dezelfde kwaliteitseisen hanteren wat betreft informatie, analyse en participatie. In de Startnotitie werken we dit uit langs deze lijnen.
De gebiedsagenda’s krijgen globaal de volgende indeling: • Scope van de gebiedsagenda en de relatie met de Omgevingsvisie. • Overzicht van beschikbare informatie (foto): feiten en cijfers, analyses. (cultuurhistorisch, sociaal, fysiek, economisch, trends en ontwikkelingen, eigendomssituaties), bepalingen in bestemmingsplannen, opbrengst van eerdere participatietrajecten etc. Dit uit zich o.a. een beschrijving van het karakter (identiteit, beperkingen, kansen) van het gebied, een ruimtelijk programmatische structuur en een beoordelingskader van de huidige situatie. • De analyse van de kwaliteiten. • De belangrijkste gebiedsopgaven uit de Omgevingsvisie, analyses en gesprekken met inwoners, ondernemers en organisaties. • Een duiding van de ruimte voor versterking en verandering voor de belangrijkste oplossingen en maatregelen. • Beoordeling van de effecten van oplossingen en maatregelen op basis van het 'model’. Hierin wordt duidelijk wat de effecten op gebiedsniveau zijn en de relatie met de doelen uit de Omgevingsvisie gelegd. • Afspraken over uitvoering de ideeën en toetsing van initiatieven.
Voor elke gebiedsagenda maken we allereerst een Startnotitie die door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Daarin zijn kaders/randvoorwaarden, aanpak, het participatieproces, de betrokkenheid van de raad, tijdpad en kosten opgenomen. Wat betreft de participatie is van belang dat voor de start van elke gebiedsagenda een goed participatieplan is gemaakt, dat bevordert dat ook moeilijk bereikbare doelgroepen kunnen deelnemen en inwoners naar gelang van hun belangstelling kunnen meedoen. Uit eerdere ervaringen met ‘wijkagenda’s’ blijkt dat sommige inwoners overal bij betrokken willen zijn en sommige inwoners alleen behoefte hebben aan het kunnen noemen van prioritaire maatregelen. De eerste stap is het analyseren van beschikbare informatie om een ‘foto’ van het gebied te maken. Het gaat om informatie over alle drie de pijlers uit de Omgevingsvisie: duurzaam, actief en meedoen. Denk aan ruimtelijke structuren, cultuurhistorische waarden en kwaliteiten, economische functioneren, de demografische en sociaaleconomische ontwikkelingen, gebruik van de openbare ruimte, milieu, klimaat, energie en eigendomssituatie. Ook nog uit te voeren onderzoeken uit hoofdstuk 6 worden meegenomen. Uit die analyse volgen mogelijkheden, uitdagingen en kansen voor de toekomst van een gebied. Veel van het voorwerk zal al gedaan zijn bij het Startdocument Gebiedsagenda's.
De gebiedsagenda’s worden als toevoegingen op de Omgevingsvisie vastgesteld door de gemeenteraad en – net als de Omgevingsvisie –gepubliceerd op het Omgevingsloket. Stap 5: Borgen Door vaststelling als onderdeel van de Omgevingsvisie is het goed mogelijk de gebiedsagenda’s aansluitend te verwerken in het Omgevingsplan. Dat is nodig om initiatieven te kunnen toetsen. De gebiedsagenda's zijn aanleiding om kritisch te kijken naar de mogelijkheden en vrijstellingen in de bestaande bestemmingsplannen waar nog geen voorwaarden aan zijn verbonden. Denk aan het verminderen van mogelijkheden om binnenterreinen in het centrum te verdichten om redenen van ruimtelijke kwaliteit en veiligheid. De gebiedsagenda's zijn daarmee een goede gelegenheid om zulke voorwaarden te definiëren.
De ‘foto’ en de eerder genoemde 'stempels’ zijn de start voor het gesprek met inwoners, ondernemers en organisaties: wat zijn de kwaliteiten, kansen en uitdagingen? Wat kan er en is er nodig? Hoe krijgen de opgaven uit de Omgevingsvisie een plek in de verschillende gebieden?
38
2.6 Toetsingskader voor initiatieven
De cirkel geeft mogelijkheden om verschillende situaties te verbeelden: de huidige situatie, een toekomstsituatie zonder maatregelen en een situatie met maatregelen. Paragraaf 6.5.1 geeft daar een mooi voorbeeld van. Voor de Omgevingsvisie is daar met het model de huidige situatie, de autonome ontwikkeling en het doelbereik van alle maatregelen gevisualiseerd.
Uit het vaststellen van de Omgevingsvisie vloeit voort dat Hilversum nieuwe initiatieven van inwoners, ondernemers en organisaties toetst aan de inhoud van de Omgevingsvisie en de wettelijke regels. Als initiatieven passen binnen de kaders, dan werkt Hilversum mee aan de uitvoering daarvan. Als dat niet zo is, kan de gemeente meedenken hoe initiatieven wel in het toekomstbeeld kunnen passen, of besluiten dat er geen plek voor is in Hilversum. Hilversum toetst initiatieven van ontwikkelaars en inwoners altijd al aan het vastgestelde beleid en regels uit het bestemmingsplan/Omgevingsplan: in welke mate draagt het initiatief bij aan doelen op het gebied van klimaat, landschap, energie, wonen, economie, mobiliteit, gezondheid etc.? Ook wordt getoetst op eerdere afspraken (zijn er bijvoorbeeld convenanten of intentieovereenkomsten afgesloten?), bestuurlijk draagvlak (is het initiatief onderdeel van het coalitieakkoord of de programmabegroting?) en zakelijke argumenten. Zo werken we als gemeente alleen aan initiatieven die de stad ook echt verder helpen. Het huidige toetsingskader helpt ook al om de inzet van de gemeente te kunnen prioriteren. De gemeente kan niet alles tegelijk faciliteren. Onder de Omgevingswet toetsen we initiatieven aan de regels uit het Omgevingsplan. Mochten die regels geen uitsluitsel bieden, toetsen we aan de Omgevingsvisie.