Ecologische voortoets N417 - definitief (april 2024)
Tekst van het document
In de PASgebiedsanalyse is opgenomen dat de vegetatiekundige kwaliteit van het habitattype voor 20% van het oppervlak goed is, voor de rest van het habitattype is deze matig ontwikkeld. Voor de meeste typische soorten is de trend negatief. Mogelijk is het kwelviltsterrenmos zelfs verdwenen. Voor vier van de acht typische soorten is de trend over het hele gebied negatief, maar op geplagde locaties positief (Provincie Noord-Holland, 2017). Volgens de concept natuurdoelanalyse voorziet het onderliggende watersysteem nog niet in de juiste abiotische vereisten voor duurzame instandhouding (Provincie Noord-Holland, 2023). Over de aspecten abiotiek en kenmerken van goede structuur en functie is voor het habitattype in het hele Natura 2000-gebied verder geen informatie opgenomen in de PASgebiedsanalyse, het beheerplan of de concept natuurdoelanalyse. Het eindoordeel voor het habitattype is ‘Nee, tenzij’. De instandhoudingsdoelstelling wordt niet gehaald omdat de trend in oppervlakte en kwaliteit negatief is. Daarnaast is het onderliggende watersysteem niet op orde (Provincie Noord-Holland, 2023). Habitattype in Utrechtse deel Binnen het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied is voor 92,3% van de oppervlakte sprake van goede vegetatiekundige kwaliteit. Alle typische soorten waarvan de provincie Utrecht binnen het verspreidingsgebied valt zijn ook waargenomen in het Noorderpark.
Daarbij is het opvallend dat op de meeste locaties waar het habitattype ligt, slecht één of twee typische soorten voorkomen. Mogelijk indiceert dit dat het habitattype voor de typische soorten minder geschikt is dan andere vegetaties in het Natura 2000-gebied. Voor het aspect abiotiek wordt aan twee van de zes vereisten voldaan, namelijk de vochttoestand en het zoutgehalte. De zuurgraad is voor het merendeel van het habitattype niet op orde omdat de calciumconcentratie in het oppervlakte- en grondwater op de meeste locatie boven de grenswaarde ligt. Ook de overstromingstolerantie van verschillende kenmerkende soorten wordt overschreden, doordat de inundatieduur van verschillende delen van het habitattype te lang duurt. Voor dit habitattype is niet toegelicht of dit komt door het flexibele peilbeheer. Over voedselrijkdom is voor een groot deel van het habitattype onvoldoende informatie beschikbaar om een beoordeling van de kwaliteit vast te stellen. Voor delen van het habitattype waar de vegetatie behoort tot de Associatie van Schorpioenmos en Ronde zegge is bekend dat de fosforconcentratie wat aan de hoge kant zit, maar nog steeds lage concentraties betreft (Provincie Utrecht, 2023).
Knelpunten Verminderde invloed van gebufferd kwelwater en onvoldoende oppervlaktewaterkwaliteit, verdroging en eutrofiëring zijn belangrijke knelpunten voor het habitattype (Provincie Noord-Holland, 2023). Deze knelpunten zijn het gevolg van verharding van het inzijggebied, toenemende drinkwaterwinning na 1950 en toenemende vermesting van het oppervlaktewater (Provincie Noord-Holland, 2022). Ook het wegvallen van voldoende maaibeheer in het verleden heeft bijgedragen aan de verslechtering. Door de matige oppervlaktekwaliteit en verminderde invloed van kwelwater vindt nieuwvorming via jonge verlanding vanuit open water nauwelijks plaats (Provincie Noord-Holland, 2023).
26
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
5.5
H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
Beschrijving van het habitattype Zie beschrijving H7140A, paragraaf 5.4. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013). Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 10 geeft de ligging van het habitattype H7140A Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) in het Natura 2000-gebied weer. De totale oppervlakte is 21,36 ha en komt verspreid in het gebied voor. Op 100 % van het oppervlak van het habitattype is, in de huidige situatie (2021), sprake van een sterk overbelaste situatie.
Figuur 10 Ligging van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven in de huidige situatie (2021). Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in AERIUS (versie 2023.1).
Huidig beheer In de PAS-gebiedsanalyse, het beheerplan en de concept natuurdoelanalyse zijn de volgende beheer- en instandhoudingsmaatregelen opgenomen. De meeste maatregelen zijn of worden in de eerste beheerplanperiode (2022-2028) uitgevoerd. In hoeverre deze al zijn uitgevoerd is niet voor alle maatregelen duidelijk in de PASgebiedsanalyse, het beheerplan of de natuurdoelanalyse aangegeven. Waar dit wel bekend is, is dit in de onderstaande tekst opgenomen. De volgende maatregelen zijn voor het habitattype van toepassing: • Maaien om successie naar struweel en bos te voorkomen. Dit wordt sinds 2015 uitgevoerd en extra maaien en afvoeren vindt in de zomer plaats (Provincie Noord-Holland, 2017). • Plaggen om N en/of zure toplaag af te voeren, ten behoeve van nieuwvorming. Van het Utrechtse deel van het gebied is bekend dat deze maatregel is uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2022; Provincie Utrecht, 2023). 27
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
• • • • • • • •
Brasem verwijderen is (voor verschillende habitattypen) als maatregel benoemd. Voor H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmossen) is het verwijderen van brasem vooral van belang om verlanding op gang te brengen. De brasem woelt namelijk de bodem los, wat zorgt voor extra zwevend slib (Provincie Noord-Holland, 2022). Opslag verwijderen om successie naar moerasbos te voorkomen, opgeslagen N af te voeren en de effecten van vermesting tegen te gaan. Deze beheermaatregel wordt sinds 2015 uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2017; 2023; Provincie Utrecht, 2023). Toepassen van ecologisch onderhoud bij oevers van hoofdwateren (Provincie Noord-Holland, 2022). Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire wateren (Provincie Noord-Holland, 2022). Lokaal baggeren in ondiepe sloten om de waterkwaliteit te verbeteren en de effecten van vermesting af te zwakken (Provincie Noord-Holland, 2022). Hydrologische maatregelen in het kader van de natuurontwikkeling Horstermeerpolder, deze leiden tot een verminderde wegzijging van water uit de Kortenhoefse Plassen (Provincie Noord-Holland, 2022). Bevloeien. Het doel en verdere details omtrent de uitvoering van deze maatregel zijn in het beheerplan niet verder toegelicht (Provincie Noord-Holland, 2022). Afplaggen verdroogde verlanding in combinatie met aanvoer van basenrijk oppervlaktewater en/of bekalking om nieuwvorming te stimuleren.
Hierdoor kan uitbreiding plaatsvinden (Provincie Noord-Holland, 2022).
Huidige kwaliteit Habitattype in het hele Natura 2000-gebied Volgens het beheerplan en de concept natuurdoelanalyse is 18,08 van de 21,36 ha van het habitattype van goede kwaliteit. Hierbij wordt niet uitgelegd op basis van welke aspecten dit is vastgesteld. De rest van de oppervlakte is van matige kwaliteit. Wel is sprake van een overwegend negatieve trend van de kwaliteit (Provincie Noord-Holland, 2022; 2023). In het beheerplan of de concept natuurdoelanalyse wordt hier geen reden voor gegeven. Wel blijkt uit de PASgebiedsanalyse dat verzuring en verdroging een rol spelen in de achteruitgang van het habitattype, omdat hierdoor verzuringsgevoelige soorten achteruit zijn gegaan. Ook leiden verzuring en verdroging tot een toename van haarmossen in de moslaag, wat matige kwaliteit van het habitattype indiceert (Provincie Noord-Holland, 2017). Alleen lokaal is de trend positief (Provincie Noord-Holland, 2022; 2023). Mogelijk is dit het gevolg van het uitgevoerde beheer en de andere herstelmaatregelen. De trend is vooral positief op locaties waar jaarlijks is gemaaid en afgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2017). De PAS-gebiedsanalyse geeft aan dat de kwaliteit op basis van vegetatie voor twee derde van het habitattype goed is. De kwaliteit op basis van typische soorten is niet bekend door een gebrek aan informatie over trends van deze soorten (Provincie Noord-Holland, 2017).
Wel is bekend dat elf van de zestien voor het habitattype typische soorten in het Natura 2000-gebied zijn waargenomen (Provincie Utrecht, 2023). De concept natuurdoelanalyse concludeert dat de waterkwaliteit matig is en dat andere abiotische randvoorwaarden knelpunten vormen voor duurzame instandhouding van het habitattype (Provincie Noord-Holland, 2023). Over de aspecten abiotiek en kenmerken van goede structuur en functie is voor het habitattype in het hele Natura 2000-gebied verder geen informatie opgenomen in de PAS-gebiedsanalyse, het beheerplan of de concept natuurdoelanalyse. Het eindoordeel voor het habitattype is ‘Nee, tenzij’. De instandhoudingsdoelstelling wordt niet gehaald omdat de trend in oppervlakte en kwaliteit negatief is. Daarnaast is de waterkwaliteit niet op orde en wordt aan andere abiotische randvoorwaarden niet voldaan. Om welke andere randvoorwaarden het gaat is in de natuurdoelanalyse niet toegelicht (Provincie Noord-Holland, 2023). Habitattype in Utrechtse deel In het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied is de vegetatiekundige kwaliteit als ‘goed’ beoordeeld. Hierbij zijn wel verschillen in kwaliteit per locatie op te merken. Voor het kwaliteitsaspect typische soorten is ook in het Utrechtse deel onvoldoende informatie beschikbaar over de trend van typische soorten, met name voor paddenstoelsoorten, om een oordeel te geven.
Het is wel bekend dat tien van de zestien typische soorten in het Utrechtse deel van de Oostelijke Vechtplassen zijn waargenomen. Voor het aspect abiotiek geldt dat aan vier van de zes abiotische vereisten wordt voldaan. Dat betekent dat voor deze kenmerken, namelijk de zuurgraad, vochttoestand, zoutgehalte en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand, sprake is van condities binnen het optimale bereik van het habitattype. De overstromingstolerantie is als matig beoordeeld, doordat delen van het habitattype door het invoeren van flexibeler peilbeheer regelmatig geïnundeerd raken met basenrijk oppervlaktewater. Hierdoor sterven zuurminnende veenmossen af en worden soorten van basenrijke omstandigheden gestimuleerd, wat kan leiden tot het overgaan van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) in het subtype H7140A Trilvenen. Daarom wordt voor de overstromingstolerantie niet aan de abiotische vereisten voldaan. Over de voedselrijkdom zijn onvoldoende gegevens bekend om te beoordelen of aan de eisen voor het habitattype wordt voldaan. Het kwaliteitsaspect structuur en functie is als goed beoordeeld. In het habitattype is namelijk geen of weinig opslag van struweel en sprake van een gelaagde vegetatiestructuur met een goed ontwikkelde moslaag. Daarnaast wordt jaarlijks gemaaid.
Tot slot wordt voldaan aan de optimale functionele omvang van enkele hectares (Provincie Utrecht, 2023). 28
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Knelpunten Verminderde invloed van gebufferd kwelwater, verdroging, matige oppervlaktewaterkwaliteit en het ontbreken van nieuwvorming door nieuwe verlandingsreeksen zijn knelpunten voor het habitattype (Provincie Noord-Holland, 2023). Verdroging, in combinatie met vermesting en stikstofdepositie, leidt tot versnelde successie en een toename aan matig ontwikkelde vegetatietypen, oftewel een afname van de kwaliteit. Ten aanzien van de waterkwaliteit is met name fosfaat een grote beperkende factor. Hoge fosfaatbelasting zorgt voor een vermindering van krabbenscheer en fonteinkruiden, welke belangrijk zijn voor het ontstaan van jong veenmosrietland. Verder is voor jonge verlanding ook de aanvoer van basenrijk water en verminderen van invloed van gebiedsvreemd water belangrijk. Mogelijk is ganzenvraat ook een belemmering voor de ontwikkeling van jonge verlanding (Provincie Noord-Holland, 2017).
5.6
H91D0* Hoogveenbossen
Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen (Ministerie van LNV, 2008a): Dit habitattype omvat relatief laag blijvende berkenbossen met dominantie van Zachte berk (Betula pubescens) in de boomlaag en een ondergroei die vooral bestaat uit veenmossen (Sphagnum soorten). Het zijn natte bossen ofwel zogenoemde berkenbroekbossen op veenbodems. Deze hoogveenbossen komen hier en daar voor in laagveengebieden, in hoogveengebieden, in beekdalen van de hogere zandgronden en in het rivierengebied. Ze vormen buiten het hoogveengebied plaatselijk mozaïeken met elzenbroekbos. Zulke boscomplexen worden dan helemaal bij dit habitattype H91D0 gerekend. Zowel de veenbossen van het ‘laagveenstadium’ (met invloed van kwel) en het ‘hoogveenstadium’ (uitgegroeid boven de invloed van het grondwater) behoren bij dit habitattype. Het onderscheid is soms niet goed te maken, vooral in gebieden op de overgang van hoogveen naar beekdalen. In laagveenlandschappen is het veenbos het eindstadium in de laagveenverlanding. In hoogveengebieden komt het type van nature voor aan de randen, in de zogenoemde lagg-zone, en rondom beekjes of opduikingen van de minerale bodem in het hoogveen. In intacte hoogveensystemen van de West-Europese Atlantische laagvlakte komen geen bossen midden op het hoogveen voor.
Op in het verleden verdroogde en/of vermeste hoogveenbodem kunnen echter wél bossen voorkomen. Die bossen op aangetaste hoogveenbodem horen niet bij de veenbossen van habitattype H91D0, maar maken deel uit van de herstellende hoogvenen van habitattype H7120 (zie aldaar). Bossen op veen in de duinen maken deel uit van duinbossen van habitattype H2180. De hoogveenbossen van dit habitattype maken plantensociologisch onderdeel uit van één verbond (het Betulion pubescentis). Het habitattype wordt aangetroffen op voedselarme, zure veengronden die permanent onder invloed staan van hoge grondwaterstanden. In het laagveengebied en rivierengebied gaat het meestal (nog) om gemeenschappen van het ‘laagveenstadium’ en die zijn beschreven als de associatie Zompzegge-Berkenbroek (Carici curtae-Betuletum pubescentis). Op de hogere zandgronden is het ‘hoogveenstadium’ meer aan de orde en dat is beschreven als associatie Dophei-Berkenbroek (Erico-Betuletum pubescentis). In de praktijk, op gebiedsniveau, is het onderscheid in deze associaties soms lastig te maken, vooral daar waar overgangen optreden van hoogveen naar beekdalen. Om deze reden wordt dit onderscheid niet tot uitdrukking gebracht in subtypen. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H91D0 Hoogveenbossen is behoud oppervlakte en behoud kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013).
Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 11 geeft de ligging van het habitattype H91D0 Hoogveenbossen in het Natura 2000-gebied weer. De totale oppervlakte is 80,36 ha en komt in een groot aantal deelgebieden van Oostelijke Vechtplassen voor. Op 9,37 % van het oppervlak van het habitattype is, in de huidige situatie (2021), sprake van een lichte tot matig overbelaste situatie.
29
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Figuur 11 Ligging van het habitattype H91D0 Hoogveenbossen in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven in de huidige situatie (2021). Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in AERIUS (versie 2023.1).
Huidig beheer In het beheerplan is alleen het verwijderen van exoten als beheer- en instandhoudingsmaatregel benoemd (Provincie Noord-Holland, 2022). Verder is herstel van de waterhuishouding in de concept natuurdoelanalyse opgenomen als maatregel, in relatie tot het ‘polderdoorstroomprincipe’, welke erop is gericht om kwelwater vanuit de Goois-Utrechtse stuwwal te vrijwaren van vervuiling (Provincie Noord-Holland, 2023). Huidige kwaliteit Habitattype in gehele Natura 2000-gebied In het beheerplan en de concept natuurdoelanalyse is beoordeeld dat 75,46 ha van de 80,35 ha van goede kwaliteit is. De overige 4,89 ha is van matige kwaliteit. Daarbij is niet toegelicht op basis van welke aspecten deze beoordeling is gedaan (Provincie Noord-Holland, 2022; 2023). De trend van de kwaliteit is volgens de concept natuurdoelanalyse negatief. De vier pijlers van kwaliteit (vegetatie, typische soorten, abiotiek en kenmerken van goede structuur en functie) zijn in de natuurdoelanalyse niet toegelicht (Provincie Noord-Holland, 2023). Lokaal kan sprake zijn van positieve ontwikkelingen in habitatkwaliteit als gevolg van de toename in bultvorming van veenmossen en de uitbreiding van violet veenmos, een voor het habitattype typische soort. In de PAS-gebiedsanalyse is de vegetatiekundige kwaliteit als gedeeltelijk goed en gedeeltelijk matig beoordeeld.
De inschatting is dat circa de helft van de oppervlakte op basis van de vegetatie goed ontwikkeld is, maar de exacte verhouding tussen goed en matig is niet duidelijk (Provincie Noord-Holland, 2017). Van de vijf voor het habitattype typische soorten zijn vier in de afgelopen zes jaar waargenomen in het Natura 2000-gebied (Provincie Utrecht, 2023). De kwaliteit op basis van typische soorten kan niet worden beoordeeld door een gebrek aan informatie over trends. Voor de soort violet veenmos is de trend stabiel tot licht positief, maar voor andere soorten is de trend niet vastgesteld. Voor behoud van de kwaliteit is een goede waterkwaliteit cruciaal, waarbij weinig invloed is van eutroof oppervlaktewater of waarbij oppervlaktewater niet diep kan indringen (Provincie Noord-Holland, 2017). Over de aspecten abiotiek en kenmerken van goede structuur en functie is voor het habitattype in het hele Natura 2000-gebied geen informatie opgenomen in de PAS-gebiedsanalyse, het beheerplan of de concept natuurdoelanalyse. 30
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Het eindoordeel voor het habitattype is ‘Ja, mits’. De instandhoudingsdoelstelling wordt nog niet gehaald, met name door het oprukken van de invasieve exoot appelbes. Hier zijn echter bewezen effectieve maatregelen voorhanden, waardoor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling op termijn wel in zicht is (Provincie Noord-Holland, 2023). Habitattype in Utrechtse deel In het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied, het Noorderpark, is de beoordeling op basis van vegetatie goed. wee van de vijf typische soorten komen in het Utrechtse deel van het gebied voor. Daarmee is ook zonder informatie over de trend duidelijk dat het kwaliteitsaspect typische soorten niet op orde is. De kwaliteit op basis van abiotische kenmerken is grotendeels onbekend. Voor het zoutgehalte en de overstromingstolerantie is sprake van condities binnen het optimale bereik van het habitattype, waardoor deze aspecten als goed zijn beoordeeld. Over de rest van de abiotische kenmerken, de zuurgraad, vochttoestand, voedselrijkdom en gemiddeld laagste grondwaterstand zijn gegevens onbekend. De kwaliteit van het habitattype in het Noorderveld is op basis van het aspect structuur en functie niet op orde. De exoten zwarte appelbes, Japanse duizendknoop en Amerikaanse vogelkers komen in het habitattype voor en aan de optimale functionele omvang van tientallen hectares wordt niet voldaan.
Over het optreden van veenvorming en de aanwezigheid van oude levende of dode dikke bomen en/of oude hakhoutsoven is niet genoeg bekend om deze kenmerken te beoordelen (Provincie Utrecht, 2023). Knelpunten Het grootste knelpunt voor het habitattype is het ontbreken van voldoende grote robuuste eenheden nat broekbos zonder direct invloed van oppervlaktewater. Verder zijn de aanwezigheid van exoten, verdroging, eutrofiëring en verruiging knelpunten (Provincie Noord-Holland, 2023). Door de versnipperde opbouw van bosopstanden is veel van het habitattype gevoelig voor randvloeden als uitdroging door peilverlaging en eutrofiëring door vergrote invloed van gebiedsvreemd of vermest water. Het habitattype heeft te maken met veel peilwisselingen. Bij een te ver uitzakken van het waterpeil ontstaat verdroging van het habitattype, waardoor ook verruiging op kan treden.
5.7
LG05 Grote zeggenmoeras
Instandhoudingsdoelstelling Voor LG05 geldt geen instandhoudingsdoelstelling maar vormt wel het leefgebied voor de kwalificerende soort zeggekorfslak (H1016) (Nijssen et al., 2012). De instandhoudingsdoelstelling van de zeggekorfslak in Natura 2000gebied Oostelijke Vechtplassen is behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Aanwezigheid van leefgebied In Figuur 9 is de ligging van het leefgebied LG05 in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen weergegeven. Het leefgebied ligt verspreid van noord naar zuid in het gehele Natura 2000-gebied, voornamelijk aan de oostzijde van de plassen. Op 5% van de oppervlakte is sprake van een licht overbelaste situatie.
31
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Figuur 12 Ligging van het habitattype LG05 Grote zeggenmoeras in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven in de huidige situatie (2021). Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in AERIUS (versie 2023.1).
Staat van instandhouding Het leefgebied LG05 Grote-zeggenmoeras bestaat uit een ecosysteem dat zich bevindt op de grens van water en land. Verschillende soorten grotere zeggen zoals scherpe zegge (Carex acuta) en moeraszegge (Carex acutiformis) domineren. Het leefgebied komt vlakvormig voor in grotere moerassen en in mesotrofe beekdalen, maar ook als lint in oeverzones die niet zo lang onder water staan (Speight et al., 2003). Het leefgebied is in de Oostelijke Vechtplassen alleen aanwezig voor de zeggekorfslak. Het leefgebied van de zeggekorfslak binnen LG05 bestaat uit door zeggen gedomineerde vegetaties in laagveengebieden, langs meren vaarten en sloten (De Bruyne et al. 2007). Daarnaast komt de zeggekorfslak veel in moerasbossen voor binnen de Oostelijke Vechtplassen (Provincie Utrecht, 2023). Volgens zowel de natuurdoelanalyses (Provincie Noord-Holland, 2023; Provincie Utrecht, 2023) als het beheerplan (Provincie Noord-Holland, 2022) komt de zeggekorfslak verspreid voor in het hele Natura 2000-gebied. Volgens de natuurdoelanalyse van Provincie Noord-Holland (2023) is de trend van het leefgebied van de zeggekorfslak stabiel. Op de knelpunten voor de soort wordt niet diep ingegaan. Wel staat vermeld dat de knelpunten en perspectieven voor de soort samenhangen met de vegetatietypen die bij verlanding horen, zoals verschillende typen moerassen en broekbossen.
Elders in het rapport staat dat er naast een gedeeltelijk overbelasting op het leefgebied geen drukfactoren aanwezig zijn voor de soort en dat het eindoordeel daarom ‘ja, mits’ is. In de natuurdoelanalyse van Provincie Utrecht (2023) is opgenomen dat er te weinig gegevens bekend zijn om een uitspraak te doen over de huidige kwaliteit van het leefgebied of de trend. Wel is opgenomen dat naast een gedeeltelijke overschrijding van de KDW het hydrologische systeem van het hele Natura 2000-gebied niet op orde is. Het te ver uitzakken van de GLG en GHG vormt in potentie een knelpunt voor het leefgebied van de zeggekorfslak. Daarnaast is opgenomen dat de omvang en connectiviteit van het leefgebied voor de zeggekorfslak ontoereikend is. Goed ontwikkelde grote zeggevegetaties ontbreken. Voor het verbeteren van het leefgebied van de zeggekorfslak zijn geen maatregelen uitgevoerd. In de natuurdoelanalyse van Provincie Utrecht is geen eindoordeel opgenomen. 32
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
6
Effectbeschrijving- en beoordeling
6.1
Ecologische effecten van geringe toenames van depositie
6.1.1
Inleiding
De berekende toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase van de reconstructie N417 is tijdelijk en relatief gering. Gedurende maximaal één jaar vindt er een verhoging van de stikstofdepositie plaats van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. In deze paragraaf is een generieke beoordeling uitgevoerd van de doorwerking van deze tijdelijke depositieverhoging op de totale depositie-ontwikkeling en de staat van instandhouding van habitattypen en leefgebieden in Natura 2000gebieden. Deze beoordeling plaatst de specifieke effectbeoordeling van het Natura 2000-gebied en daarbinnen per habitattype/leefgebied, die in de volgende paragrafen is uitgevoerd, in perspectief.
6.1.2
Gevolgen voor depositieontwikkeling
Een tijdelijke toename van de stikstofdepositie leidt tot een eenmalige verhoging van de hoeveelheid stikstof in een Natura 2000-gebied. Na afloop van het plan is weer sprake van de ‘oude’ situatie, en zet de trend in de achtergronddepositie zich voort zonder dat deze verder beïnvloed wordt door het plan. In Nederland heeft zich sinds de jaren ’90 een geleidelijke daling voorgedaan van de stikstofemissies, en als gevolg daarvan ook in de stikstofdeposities in natuurgebieden (van gemiddeld 2700 mol N/ha/jaar in 1991 tot 1490 mol N/ha/jaar in 2020, Figuur 13). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%15.
Figuur 13 Ontwikkeling van stikstofdepositie in Nederland (Bron: RIVM).
15
https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-stikstofdepositie
33
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Volgens de prognoses van RIVM, die verwerkt zijn in AERIUS 2023.1, nemen de deposities de komende jaren verder af als gevolg van autonoom beleid. Hierbij zijn de effecten van verdere reductiebeperkende maatregelen, die worden ingezet vanuit de Wet stikstofreductie en natuurherstel, nog niet inbegrepen. In Figuur 14 en Figuur 15 is dit uitgewerkt voor de situatie rond N417 voor het stikstofgevoelige habitattype met de laagste KDW (500 mol): 0,01 mol N/ha/jaar voor H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.
Figuur 14 Prognose depositieverloop op H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden), Oostelijke Vechtplassen met en zonder effecten van de realisatiefase van de reconstructie N417. De rode cirkel geeft het effect van de realisatiefase van de reconstructie N417 op de hoogte van de depositie weer.
In Figuur 15 is het verloop van de gemiddelde depositie op het habitattype weergegeven voor de situatie zonder realisatiefase reconstructie N417 (ADW, blauw) en de situatie met de realisatiefase reconstructie N417 (oranje). Als referentie is de gemiddelde depositie in 2021 weergegeven en de KDW voor het habitattype (500 mol N/ha/jaar). Aangezien AERIUS Monitor 2023 enkel de prognose voor 2025 en 2030 weergeeft zijn de tussenliggende waardes lineair geïnterpoleerd. In Figuur 15 is dat gedaan voor de mate van overschrijding van de KDW. Omdat de toename van depositie als gevolg van de realisatiefase van de reconstructie van N417 zo gering is t.o.v. de al bestaande depositie, is het onderscheid tussen beide situaties niet zichtbaar in de grafieken. Wel is zichtbaar dat de (tijdelijke) depositie volledig wegvalt tegen de veel grotere autonome afname van de depositie en geen gevolgen heeft voor de ontwikkeling die zich vanaf 2025 (dus na beëindiging van de werkzaamheden voort de N417) verder voordoet. Overigens zou dit ook gelden in het geval de prognoses voor toekomstige achtergronddeposities een heel andere trend zouden hebben. Ook bij een toename van de achtergronddepositie zou een tijdelijke depositietoename het eindresultaat daarvan (in termen van de hoogte van de achtergronddepositie op een gegeven tijdstip) niet beïnvloeden.
34
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Figuur 15 Mate van overschrijding KDW H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden), Oostelijke Vechtplassen met en zonder effect van N417. De rode cirkel geeft het effect van de realisatiefase van de reconstructie N417 op de KDW-overschrijding weer.
De prognoses over dalingen van emissies zijn voorspellingen voor de toekomst, dus daar kleven onzekerheden aan, en daar moet voorzichtig mee omgegaan worden16. Het is redelijkerwijs echter uitgesloten dat bij bestaand en voorgenomen beleid in de komende jaren geen aanzienlijke daling van stikstofdeposities zal optreden. Prognoses over de trends van de achtergrondwaarden van de stikstofdepositie zijn verwerkt in AERIUS Monitor versie 2023.1. Voor de prognoses van de daaraan ten grondslag liggende emissies van stikstof is gebruik gemaakt van emissietotalen uit de Klimaat- en Energie Verkenning 2020. Deze prognose bevat het beleid dat was vastgesteld vóór 1 mei 2020. Onder vastgesteld beleid valt bijvoorbeeld de subsidieregeling voor retrofit van binnenvaartschepen en de in april 2020 aangekondigde verhoging van het subsidiebudget voor de tweede uitbreiding Warme Sanering Varkenshouderijen. Voorbeelden van beleid dat nog niet in de prognoses van de KEV-2020 is verwerkt, zijn het Schone Luchtakkoord, het Klimaatakkoord en het bronmaatregelenpakket in het kader van de structurele aanpak stikstof van 24 april 2020.” Deze prognoses verwachten een duidelijk neerwaartse trend in stikstofdepositie.
Deze daling houdt verband met een groot aantal, al dan niet specifiek op stikstofemissie gerichte beleidsmaatregelen die leiden tot verduurzaming van de verschillende sectoren die bijdragen aan de stikstofemissies. Maatregelen die ingezet worden voor CO2-reductie hebben bijvoorbeeld veelal ook een reducerend effect op stikstofemissie. In deze prognoses zijn (o.a.) de maatregelen die het kabinet in 2023 heeft aangekondigd in het coalitieakkoord ook nog niet verwerkt. In de Wet stikstofreductie en natuurherstel zijn omgevingswaarden vastgesteld, die de resultaatsverplichtingen geven voor versnelde daling van de stikstofdepositie. In het coalitieakkoord zijn deze voor 2030 nog verder aangescherpt.
16
Op grond van jurisprudentie zouden prognoses over toekomstige ontwikkelingen in de omvang van stikstofdeposities en de oppervlakte en kwaliteit van maatregelen niet betrokken mogen worden in het beoordelen van de effecten op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden als gevolg van plan- en project gerelateerde stikstofdeposities.
35
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Grote investeringen van vele miljarden euro’s, vooral ook in beperking van de emissies vanuit de landbouwsector zullen vanaf ca. 2025 bijdragen aan een aanzienlijk forsere afname van de stikstofdeposities in natuurgebieden dan de eerder geprognotiseerde afnames. De kans dat de in bovenstaande figuren aangegeven depositieafnames in mindere mate, laat staan helemaal niet, zullen worden gerealiseerd is dan ook uitgesloten17. Daarmee is de conclusie gerechtvaardigd dat de realisatiefase van de reconstructie van N417 geen invloed heeft op het behalen van reductiedoelstelling voor stikstofdepositie, én de daarvan afhankelijke instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Daarmee blijft de vraag over wat de betekenis is van een tijdelijke (dus eenmalige) en beperkte dosis stikstof die, als gevolg van de realisatiefase van de reconstructie N417, in Natura 2000-gebieden terechtkomt voor de oppervlakte en kwaliteit van habitattypen en de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitattypen.
6.1.3
Gevolgen voor habitattypen
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de mogelijke effecten van de stikstofdepositie als gevolg van het plan. De maximale stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen als gevolg van het plan is 0,01 mol N/ha. Voor de inzet van materieel is een conservatieve benadering gekozen, mogelijk dat bij inzet van schoner materieel de depositie lager ligt. De eenmalige hoeveelheid als hiervoor aangegeven leidt in ieder geval niet tot een verandering van de relevante natuurwaarden: • De hoeveelheid stikstof van het plan heeft geen directe schadelijke gevolgen voor aanwezige planten: In paragraaf 1.2.1 van Smits et al. (2014) is beschreven dat “bij hoge concentraties luchtverontreiniging kunnen gasvormige componenten directe toxische effecten hebben op planten. Maar de huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat dit bijna niet meer voorkomt [...]. Met name cryptogame planten, in het bijzonder korstmossen en mossen, zijn zeer gevoelig voor directe toxiciteit van SO2 en wellicht ook NOx. De daling van de concentraties van deze stoffen gedurende de laatste decennia heeft geleid tot een aanzienlijk herstel van de diversiteit van met name op bomen groeiende korstmossen”. Hieruit volgt de conclusie dat kleine, tijdelijke deposities nooit leiden tot meetbare, directe schade aan planten.
Deze effecten zijn uitgesloten bij een maximale eenmalige depositie van 0,01 mol N/ha als gevolg van het plan. • Niet alle stikstof die deponeert als gevolg van het plan komt daadwerkelijk ter beschikking aan de vegetatie: Nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd aan bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten. Ammonium in de oplossing is in evenwicht met het ammonium dat aan bodemdeeltjes geadsorbeerd is. Vooral in bodem met een hoog aandeel kleideeltjes kan het aandeel gebonden ammonium hoog zijn. Het gebonden ammonium is voor een deel beschikbaar voor planten (Mengen, 1991). Als de hoeveelheid opgelost stikstof in de bodem hoog is, en deze niet door planten wordt opgenomen, dan kan een deel van de stikstof uitspoelen. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium in de bodem weinig mobiel is en maar zeer beperkt naar het grondwater verdwijnt. Alleen in natte systemen, waaronder veengronden, kan ammoniumuitspoeling naar het grondwater ook kwantitatief van belang zijn (Kros et al. 2008). Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem.
In volgorde van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen, waarbij met name in zandgronden de grondwatertrap een belangrijke rol speelt (RIVM, 2007). Daarbij geldt dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is (RIVM, 2007; Schoumans et al., 2008). De jaarlijkse nutriëntenvrachten van het uit- en afspoelende water uit natuurgebieden in zandgebieden varieert in de periode 2016-2030 tussen 4 en 16 kg N/ha/jaar bij een depositie van 33 (± 7) kg N/ha/jaar (Schoumans et al., 2008). Hoewel het niet mogelijk is om betrouwbare kwantitatieve onderbouwingen te geven voor de mate waarin stikstof, die als gevolg van atmosferische depositie in Oostelijke Vechtplassen terecht komt, weer uitspoelt, en daarom niet ter beschikking komt aan de vegetatie, kan een aantal algemene conclusies getrokken worden: een deel van de stikstof die via droge of natte depositie in een habitattype terecht komt zal niet direct worden opgenomen door de plant, maar worden gebonden in de bodem of uitspoelen naar het grond- of oppervlaktewater.
17
Overigens leidt een tijdelijke depositie ook niet tot veranderingen in het verloop van langjarige trends die tot meer s tikstofdepositie zouden leiden, maar dit is dus niet aan de orde.
36
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
•
•
De hoeveelheid stikstof is te beperkt om te leiden tot een merkbare verandering in de plantengroei en concurrentiepositie: Bij vermesting is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium) dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen en op den duur voor areaalverlies. Vermesting en verzuring zijn processen die met elkaar in verband staan. De verzurende werking van stikstofdepositie zorgt ervoor dat de buffercapaciteit afneemt waardoor stikstof gemakkelijker wordt opgenomen en concurrentieverhoudingen veranderen. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een eenmalige depositietoename van 0,01 mol N/ha is de volgende berekening illustratief: – Een depositie van 0,01 mol N/ha komt overeen met 0,14 gram N per hectare. – De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2000 en 6000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al., 2006).
– Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof.18 – Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30-90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met ca. 2150-6400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). – Een depositie van 0,01 mol N/ha komt overeen met 0,0002 -0,0005% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Een kleine en tijdelijke toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat deze tijdelijke en kleine depositietoename de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast.
Ongeacht de huidige kwaliteit van de betrokken habitattypen en/of de instandhoudingsdoelstellingen voor een specifiek Natura 2000-gebied leidt de eenmalige kleine depositietoename die door de realisatiefase van de reconstructie N417 wordt veroorzaakt nimmer tot significant negatieve effecten. De kleine en tijdelijke depositietoename heeft een verwaarloosbare bijdrage aan de totale stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden: Voor Oostelijke Vechtplassen is een maximale bijdrage van 0,01 mol N/ha bij een achtergronddepositie van 500 – 2,143 mol N/ha/jaar een bijdrage van 0,0005-0,002%. Dit is verwaarloosbaar klein. Overigens zit in de bestaande achtergronddepositie een meteorologische (weersomstandigheden, in dit geval vooral wind) variatie van 10% (Velders et al., 2015). De beperkte stikstofdepositietoename valt ruim binnen deze marge weg.
Uit bovenstaande zaken blijkt dat de tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan gering is en niet leidt tot een verandering van het ecologische systeem.
6.1.4
Gebiedsspecifieke effectbeoordelingen
In aanvulling op deze generieke beoordeling, die op zichzelf al uitwijst dat significante gevolgen voor Natura 2000gebieden uitgesloten zijn, is in de navolgende paragrafen ten overvloede voor Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen, en daarbinnen per relevant habitattype en leefgebied, een specifieke effectbeoordeling uitgevoerd. Daarbij zijn de bovenstaande beoordelingen nogmaals uitgevoerd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden die in de Natura 2000-gebieden aanwezig zijn, en de voor die habitattypen en leefgebieden berekende maximale toenames van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase van de reconstructie N417. Omdat het om tijdelijke depositietoenames gaat is hierbij ook beoordeeld of deze leiden tot een beperking of belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende habitattypen.
18
https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig.aspx#.XR4CmGaP6fg, geraadpleegd op 27-082020.
37
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Daarbij is gebruik gemaakt van de recente (concept) natuurdoelanalyses die de Provincies Utrecht en Noord-Holland voor Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen hebben opgesteld, en die een actueel beeld geven van de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen, gelet op de abiotische en ruimtelijke omstandigheden in de gebieden, de knelpunten die in de gebieden aanwezig zijn ten aanzien van deze instandhoudingsdoelstellingen, waaronder stikstofdepositie, en de mogelijkheden om voldoende maatregelen te treffen om deze knelpunten op te heffen. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen de gevolgen voor de haalbaarheid van deze instandhoudingsdoelstellingen enerzijds, en de meetbaarheid (en daarmee significantie) van het gevolg van de tijdelijke depositietoename op de kwaliteit van de betreffende habitattypen anderzijds.
6.2
Oostelijke Vechtplassen
6.2.1
ZGH3140 Kranswierwateren
Effectbeschrijving De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 500 mol N/ha/jaar (7 kg N/ha/j) (Wamelink et al., 2023). Op 100% van het oppervlak van het habitattype is in de huidige situatie sprake van een matig tot sterk overbelaste situatie, zie Tabel 2. In Figuur 7 in paragraaf 5.2 is de huidige (2021) mate van overbelasting op ZGH3140 ruimtelijk weergegeven. Tabel 2 Totale oppervlakte van het zoekgebied van het habitattype ZGH3140 in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen en welk deel overbelast is (AERIUS Monitor 2023). Totale oppervlakte (ha) 21,27
Overbelast (ha) 21,27
Niet overbelast (ha) 0
% Overbelast 100
% Niet overbelast 0
Tabel 3 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype H3140 in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase van de reconstructie N417. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename van maximaal 0,01 mol N/ha op 1,06 ha (5%) van het zoekgebied. Op het hele oppervlak waar plandepositie op valt is sprake van een overbelaste situatie. Tabel 3 Verandering stikstofdepositie op het zoekgebied van het habitattype ZGH3140 in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen door de realisatiefase reconstructie N417 (AERIUS Calculator 2023). Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha] Realisatiefase
1,06
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van het effect dat overbelast is [ha] 1,06
% van overbelaste delen met planeffect t.o.v. totale oppervlakte 5
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha] 0,01
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha] 0,01
De depositietoenames op de overbelaste delen in de realisatiefase reconstructie N417 zijn op kaart weergegeven in Figuur 16 (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 3).
38
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Figuur 16 Planeffect in de realisatiefase reconstructie N$17 op het overbelaste deel van het habitattype H3130 Kranswierwateren in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.
Knelpunten en stikstof Het habitattype H3140 Kranswierwateren bevindt zich in matig voedselrijke, heldere wateren (LNV, 2008). Het habitattype is niet gevoelig voor verzuring door de voldoende buffercapaciteit. Vermesting als gevolg van stikstofdepositie leidt mogelijk tot de verhoging van fosfaat. Hierdoor kan er competitie tussen algen en waterplanten optreden en kranswiervegetaties verdwijnen. Mits het water helder genoeg is zijn kranswieren goed bestand tegen relatief hoge fosfaatconcentraties. In het laagveengebied is er een overmaat aan stikstof die wordt aangevoerd via grond- en oppervlaktewater als gevolg van landbouwactiviteiten (Arts et al., 2012). Knelpunten voor H3140 Kranswierwateren in de Oostelijke Vechtplassen zijn het beperkte doorzicht van water door de matige waterkwaliteit, mede door de hoge fosfaatconcentratie. Tevens is de hoge basenbeschikbaarheid een knelpunt voor H3140 (Provincie Zeeland, 2022). Stikstofdepositie draagt bij aan de afname in kwaliteit van H3140, maar de matige waterkwaliteit is een sturend knelpunt. Effectbeoordeling Uit de concept natuurdoelanalyse van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (Provincie Noord-Holland, 2023) geldt voor H3140 Kranswierwateren het eindoordeel ‘Nee, tenzij’, behoud van het habitattype is niet gegarandeerd. De behoudsopgave van H3140 wordt niet gehaald en de kwaliteit is wisselend.
In voorliggend rapport wordt ervan uitgegaan dat dit oordeel ook geldt voor de in het zoekgebied daadwerkelijk aanwezige kwalificerende vegetaties. Over het gehele Natura 2000-gebied is de trend met name voor de oppervlakte en voor typische soorten negatief. Ook in het Utrechtse deel is de kwaliteit van de vegetatie afgenomen. Als gevolg van de realisatie reconstructie N417 vindt er stikstofdepositie plaats op ZGH3140. Het is onduidelijk of op deze gebieden daadwerkelijk het habitattype H3140 Kranswierwateren voorkomt, maar voor de beoordeling wordt hier wel vanuit gegaan. Op het gekarteerde oppervlakte van H3140 Kranswierwateren vindt er geen plandepositie plaats.
39
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
De tijdelijke en geringe planbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha op 1,06 ha (5% van het zoekgebied, 1 % van het totale oppervlak H3140) tijdens de realisatiefase reconstructie N417 zorgt echter niet voor een meetbare verandering van de kwalificerende vegetaties van het habitattype H3140 Kranswierwateren op stikstofdepositie. Figuur 17 geeft de responscurve van de genormaliseerde presentie van typische soorten van H3140 Kranswierwateren weer (Wamelink et al., 2021). De toename van biomassa als gevolg van 0,01 mol N/ha/j komt overeen met 0,00014 kg N/ha. De achtergronddepositie voor ZGH3140 in Oostelijke Vechtplassen betreft gemiddeld 18,5 kg N/ha/j. Figuur 17 laat zien dat kleine depositie, hier 0,00014 kg N/ha, niet leiden tot een meetbare verandering in soortensamenstelling en daarmee ook niet tot veranderingen in vegetatietypen noch verlies in omvang en kwaliteit van het habitattype.
Figuur 17 Responscurve van H3140 Kranswierwateren op stikstofdepositie. Figuur overgenomen uit Wamelink et al.(2021)). Op de y-as staat de genormaliseerde presentie en op de x-as de ruwe stikstofdepositie in kg/ha/jr. De lichtgrijze lijnen geven de afzonderlijke curven van de kwalificerende soorten (waaronder typische soorten) weer. De verticale gestippelde lijn geeft de oude KDW (H. F. Van Dobben et al., 2012) en de rode lijn de nieuwe KDW van 500 mol N/ha/j (Wamelink et al., 2023). Het grijze vlak van de empirische kritische depositiewaarde (Bobbink & Hettelingh, 2011). In de kop wordt tussen haken het structuurtype (water) gegeven (Wamelink et al., 2021).
Op het habitattype is alleen sprake van een geringe toename van stikstofdepositie in de realisatiefase. Hoewel stikstofdepositie bijdraagt aan de knelpunten die uitbreiding van het habitattype beperken vormt stikstofdepositie niet het grootste knelpunt. Andere knelpunten zoals de waterkwaliteit en invasieve exoten zijn meer sturend voor de ontwikkeling van het habitattype. De eenmalige en geringe bijdrage zorgt niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype en levert geen wezenlijke bijdrage aan de knelpunten die spelen bij het behalen van de instandhoudingsdoelstelling noch zal het behalen van de instandhoudingsdoelstelling belemmeren. De kans op significant negatieve effecten als gevolg van de realisatie van de reconstructie N417 zijn op voorhand uit te sluiten.
6.2.2
H6410 Blauwgraslanden
Effectbeschrijving De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 786 mol N/ha/jaar (11 kg N/ha/j) (Wamelink et al., 2023). Op 100% van het oppervlak van het habitattype is in de huidige situatie sprake van een matig overbelaste situatie, zie Tabel 4. In Figuur 8 in paragraaf 5.3 is de huidige (2021) mate van overbelasting van H6410 ruimtelijk weergegeven. Tabel 4 Totale oppervlakte van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Oostelijke vechtplassen en welk deel overbelast is (AERIUS Monitor 2023). Totale oppervlakte (ha) 2,17
40
Overbelast (ha) 2,17
Niet overbelast (ha) 0
% Overbelast 100
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
% Niet overbelast 0
VOORTOETS
Tabel 5 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype H6140 in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase van de reconstructie N417. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename van maximaal 0,01 mol N/ha op 0,11 ha (5%) van het habitattype. Op het hele oppervlak waar plandepositie op valt is sprake van een overbelaste situatie. Tabel 5 Verandering stikstofdepositie op het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Oostelijke vechtplassen door de realisatiefase reconstructie N417 (AERIUS Calculator 2023). Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha]
Realisatiefase
0,11
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van het effect dat overbelast is [ha] 0,11
% van overbelaste delen met planeffect t.o.v. totale oppervlakte
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]
5
0,01
0,01
De depositietoenames op de overbelaste delen in de realisatiefase reconstructie N417 zijn op kaart weergegeven in Figuur 18 (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Tabel 5).
Figuur 18 Planeffect in de realisatiefase reconstructie N417 op het overbelaste deel van het habitattype H6140 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.
Knelpunten en stikstof H6410 Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die in de winter nat zijn en in zomer oppervlakkig uitdrogen (Ministerie van LNV, 2009). Verzuring van de bodem leidt tot afname in kwaliteit en oppervlakte van het habitattype, wat gedijd op basende houdende bodems.
41
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Typische soorten zoals blonde zegge en vlo zegge nemen af. Vermesting leidt tot een toename van soorten zoals gewone wederik en hennegras, soorten met minder concurrentiekracht kunnen daardoor afnemen. Bij dit habitattype wordt stikstof grotendeels afgevoerd voor het maaien van het habitattype en via in- en uitspoeling naar het grond- en oppervlaktewater (Beije et al., 2012). De matige waterhuishouding is voor H6410 in de Oostelijke Vechtplassen het grootste knelpunt. Stikstofdepositie draagt bij aan de afname in kwaliteit van het habitattype (Provincie Noord Holland, 2022). Effectbeoordeling Uit de concept natuurdoelanalyse van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (2023) geldt voor H6140 Blauwgraslanden het eindoordeel ‘Nee, tenzij’, behoud van het habitattype is niet gegarandeerd. De behoudsopgave van H6410 wordt niet gehaald. Voor het huidige oppervlak is sprake van een negatieve trend. De reden voor achteruitgang van de kwaliteit van het habitattype is echter, volgens de natuurdoelanalyse, vooral de verminderde aanvoer van basenrijke kwel, toename van gebiedsvreemd en voedselrijk water en verdroging, en dus niet veroorzaakt door atmosferische stikstofdepositie.
Voor het habitattype is de waterhuishouding dan ook een bepalend knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype, welke ook een probleem blijft vormen als de achtergronddepositie onder de kritische depositiewaarde zou liggen. Verder vormen de delen van het habitattype waar sprake is van plandepositie in een overbelaste situatie slechts 5,07% van de totale oppervlakte van het habitattype in de Oostelijke Vechtplassen. Daarnaast leidt de tijdelijke en geringe planbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha op 0,11 ha tijdens de realisatiefase reconstructie N417 niet tot een meetbare verandering van de vegetaties van het habitattype H6410 Blauwgraslanden op stikstofdepositie. Omdat de responsecurve van de genormaliseerde presententie van typische soorten niet met zekerheid kan worden vastgesteld voor H6410 Blauwgraslanden, is deze niet opgenomen (Wamelink et al., 2021). Op het habitattype is alleen sprake van en geringe toename van stikstofdepositie in de realisatiefase van de reconstructie N417. Hoewel stikstofdepositie bijdraagt aan de knelpunten die uitbreiding van het habitattype beperken vormt stikstofdepositie niet het grootste knelpunt. Andere knelpunten zoals de oppervlaktewaterkwaliteit en het waterpeil zijn meer sturend voor de ontwikkeling van het habitattype.
De eenmalige en geringe bijdrage zorgt niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype en levert geen wezenlijke bijdrage aan de knelpunten die spelen bij het behalen van de instandhoudingsdoelstelling noch zal het behalen van de instandhoudingsdoelstelling belemmeren. De kans op significant negatieve effecten als gevolg van de realisatie van de reconstructie N417 zijn op voorhand uit te sluiten.
6.2.3
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
Effectbeschrijving De kritische depositiewaarde van dit habitattype is 1.214 mol N/ha/jaar (17 kg N/ha/j) (Wamelink et al., 2023). Op 43,05% van het oppervlak van het habitattype is in de huidige situatie sprake van een lichte tot matig overbelaste situatie, zie Tabel 6. In Figuur 9 in paragraaf 5.2 is de huidige (2021) mate van overbelasting op H7140A ruimtelijk weergegeven. Tabel 6 Totale oppervlakte van het habitattype H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen en welk deel overbelast is (AERIUS Monitor 2023). Totale oppervlakte (ha) 17,34
Overbelast (ha) 7,46
Niet overbelast (ha) 9,88
% Overbelast 43,05
% Niet overbelast 56,95
Tabel 7 geeft de veranderingen van de stikstofdepositie in de overbelaste delen voor het habitattype H6140 in het Natura 2000-gebied gedurende de realisatiefase van de reconstructie N417. Uit onderstaande tabel blijkt dat in de realisatiefase sprake is van een toename van maximaal 0,01 mol N/ha op 2,78 ha van het habitattype. Op 0,25 ha (1%) waar plandepositie op valt is sprake van een overbelaste situatie.
42
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
Tabel 7 Verandering stikstofdepositie op het habitattype H7140A in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen door de realisatiefase reconstructie N417 (AERIUS Calculator 2023). Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van effect [ha] Realisatiefase
2,78
Oppervlakte habitattype binnen reikwijdte van het effect dat overbelast is [ha] 0,25
% van overbelaste delen met planeffect t.o.v. totale oppervlakte 1
Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha] 0,01
Min depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha] 0,01
De depositietoenames op de overbelaste delen in de realisatiefase van de reconstructie N417 zijn op kaart weergegeven in Figuur 19 (en geven de ruimtelijke verdeling van de stikstofdeposities die zijn samengevat in Figuur 18).
Figuur 19 Planeffect in de realisatiefase reconstructie N417 op het overbelaste deel van het habitattype H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.
Knelpunten en stikstof Voor het habitattype H7140A is toevoer van ijzerrijk en basenrijke grondwater gewenst. Natte omstandigheden zijn noodzakelijk voor het habitattype (Ministerie van LNV, 2009b) Stikstofdepositie veroorzaakt verzuring, wat tot successie van veenmosrietlanden lijdt. De extra verzuring door depositie vormt een bedreiging voor de kwaliteit van habitattype H7140A. De kenmerkende slaapmossen van trilvenen zijn zeer gevoelig voor ammonium. Bij een toenemende depositie is de kans dat de basenrijke condities, nodig voor de ontwikkeling van het habitattype niet meer gehandhaafd kunnen worden. Op den duur kan dit leiden tot de verdwijning van de slaapmossen. De veenmoslaag bij trilveen en veenmosrietland fungeert als N-filter. Als gevolg van stikstofdepositie kan er doorslag van nitraat plaats vinden, met als gevolg een versnelde successie van broekbos (H. Van Dobben, Barenddregt, et al., 2016).
43
Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public
VOORTOETS
In de Oostelijke Vechtplassen zijn de verminderde invloed van gebufferd kwelwater, verdroging en de matige oppervlaktewaterkwaliteit de grootste knelpunten voor H7140A (Provincie Noord Holland, 2022). Stikstofdepositie draagt bij aan de achteruitgang van kwaliteit van het habitattype maar is niet sturend. Het herstel van het kwelwaterinvloed en de waterkwaliteitsverbetering leidt tot kansen voor de verbetering van de kwaliteit en de ontwikkeling van het habitattype. Effectbeoordeling Uit de concept natuurdoelanalyse van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (2023) geldt voor H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) het eindoordeel ‘Nee, tenzij’, behoud van het habitattype is niet gegarandeerd. Dit komt doordat het onderliggende watersysteem nog niet de juiste abiotische vereisten bevat voor duurzame instandhouding. De trend van de kwaliteit is overwegend negatief vanwege verminderde invloed van gebufferd kwelwater als gevolg van verharding in het inzijggebied, toenemende drinkwaterwinning en toenemende vermesting van het oppervlaktewater met name door afspoeling vanuit agrarische percelen, maar ook in mindere mate verhoogde stikstofdepositie door de aanwezige agrarische activiteiten. De negatieve trend van het habitattype komt dus vooral door de hydrologische problematiek en de agrarische activiteiten in de omgeving.
Ook is in de concept natuurdoelanalyse opgenomen dat het percentage overbelast areaal door de geborgde bronmaatregelen, zoals het omleiden van waterstromen via de defosfatering en maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op waterlichamen te beperken, aanzienlijk af zal nemen. Figuur 20 geeft de responscurve van de genormaliseerde presententie van typische soorten van H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) weer (Wamelink et al., 2021). De toename van biomassa als gevolg van 0,01 mol N/ha/j komt overeen met 0,00014 kg N/ha. De achtergronddepositie voor H7140A in de Oostelijke Vechtplassen betreft gemiddeld 16,9 kg N/ha/j. Figuur 20 laat zien dat kleine depositie, hier 0,00014 kg N/ha, niet leiden tot verandering in soortensamenstelling en daarmee ook niet tot veranderingen in vegetatietypen noch verlies in omvang en kwaliteit van het habitattype.
Figuur 20 Responscurve van H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) op stikstofdepositie. Figuur overgenomen uit Wamelink et al.(2021)). Op de y-as staat de genormaliseerde presentie en op de x-as de ruwe stikstofdepositie in kg/ha/jr. De lichtgrijze lijnen geven de afzonderlijke curven van de kwalificerende soorten (waaronder typische soorten) weer. De verticale gestippelde lijn geeft de oude KDW (H. F. Van Dobben et al., 2012). De rode lijn geeft de nieuwe KDW van 1214 mol N/ha/j (Wamelink et al., 2023). Het grijze vlak van de empirische kritische depositiewaarde (Bobbink & Hettelingh, 2011). In de kop wordt tussen haken het structuurtype (moeras) gegeven (Wamelink et al., 2021)
Op dit habitattype is alleen sprake van een geringe toename van stikstofdepositie in de realisatiefase reconstructie N417. Hoewel stikstofdepositie bijdraagt aan de knelpunten die de uitbreiding van het habitattype beperken vormt stikstofdepositie niet het grootst knelpunt. Andere knelpunten zoals de waterkwaliteit zijn meer sturend voor de ontwikkeling van het habitattype. De eenmalige en geringe bijdrage zorgt niet voor een meetbare verandering van de vegetaties van dit habitattype en levert geen wezenlijke bijdrage aan de knelpunten die spelen bij het behalen van de instandhoudingsdoelstelling noch zal het behalen van de instandhoudingsdoelstelling belemmeren. De kans op significant negatieve effecten als gevolg van de realisatie van de reconstructie N417 zijn op voorhand uit te sluiten.