CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

Ecologische voortoets N417 - definitief (april 2024)

GEMEENTERAAD 10 juli 2024, gemeente HilversumBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Reconstructie N417 (1367431)26.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Voortoets Reconstructie N417 Provincie Noord-Holland 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Contactpersoon ARCADIS NEDERLAND B.V.

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland

2

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Methode

6

1.3

Leeswijzer

6

Planbeschrijving voorgenomen activiteit

7

2.1

Ligging plangebied in de huidige situatie

7

2.2

Referentiesituatie

7

2.3

Planbeschrijving

8

2.3.1

Realisatiefase

8

2.3.2

Gebruiksfase

9

Wettelijk kader

10

3.1

Algemeen

10

3.2

Aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden

10

3.3

Bescherming van Natura 2000-gebieden

11

3.4

Beoordeling van plannen

11

3.5

Stikstof

11

3.6

Vrijstellingen onder de Omgevingswet

12

Afbakening van effecten

13

4.1

Inleiding

13

4.2

Aard en maximale reikwijdte effecten

13

4.2.1

Oppervlakteverlies en versnippering

13

4.2.2

Verontreiniging

13

4.2.3

Verstoring door licht, geluid, trillingen en optische prikkels

13

4.2.4

Verandering in populatiedynamiek

13

4.2.5

Vermestende en verzurende effecten door stikstofdepositie

14

4.2.6

Conclusie

14

4.3

Afbakening relevante Natura 2000-gebieden

15

Aanwezige relevante natuurwaarden Oostelijke Vechtplassen

17

5.1

17

Inleiding

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

6

5.2

ZGH3140 Kranswierwateren

18

5.3

H6410 Blauwgraslanden

21

5.4

H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

24

5.5

H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

27

5.6

H91D0* Hoogveenbossen

29

5.7

LG05 Grote zeggenmoeras

31

Effectbeschrijving- en beoordeling

33

6.1

Ecologische effecten van geringe toenames van depositie

33

6.1.1

Inleiding

33

6.1.2

Gevolgen voor depositieontwikkeling

33

6.1.3

Gevolgen voor habitattypen

36

6.1.4

Gebiedsspecifieke effectbeoordelingen

37

6.2

Oostelijke Vechtplassen

38

6.2.1

ZGH3140 Kranswierwateren

38

6.2.2

H6410 Blauwgraslanden

40

6.2.3

H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

42

6.2.4

H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

45

6.2.5

H91D0 Hoogveenbossen

47

6.2.6

Lg05/zeggekorfslak

49

6.3

Cumulatietoets

51

7

Conclusie

52

8

Bronnen

53

Bijlagen Bijlage A AERIUS-Calculatie Rapport, Aveco de Bondt

55

Bijlage B AERIUS-berekening realisatiefase reconstructie N417

56

Bijlage C AERIUS-berekening gebruiksfase reconstructie N417

57

Bijlage D Algemene effecten stikstof

58

Colofon

61

4

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

De provincie Noord-Holland is voornemens om aan de hoofdrijbaan van de N417 (Utrechtseweg) groot onderhoud te plegen, de huidige fietsvoorzieningen te verbeteren en faunavoorzieningen aan te brengen. Het doel van de reconstructie van de N417 is primair om een duurzaam veilige weg bieden aan de huidige en toekomstige gebruikers van de N417. Dit geldt zowel voor gemotoriseerd als voor niet gemotoriseerd verkeer. Het betreft het deel van de N417 tussen de Noodweg en de bebouwde kom van de gemeente Hilversum; tussen metrering km 8.85 en 10.80, zie Figuur 1. De N417 heeft in een vigerend bestemmingsplan een verkeersbestemming. De reconstructie van de hoofdrijbaan valt binnen deze bestemming. Het nieuwe vrijliggend (brom-) fietspad valt voor een groot deel buiten de verkeersbestemming, daarvoor is er een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voorliggende voortoets is opgesteld voor het aanvragen van een vergunning omgevings-wet voor dit nieuwe bestemmingsplan. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden. Vanwege de mogelijke negatieve gevolgen die het groot onderhoud (realisatiefase) en het gebruik van de aangepaste N417 kan hebben op deze gebieden is voor het bestemmingsplan een toetsing vereist aan de Omgevingswet.

Uit de toetsing in dit rapport moet blijken of de reconstructie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase van de N417 leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden.

Figuur 1 Locatie plangebied aanpassing N417.

5

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

1.2

Methode

Bij het opstellen van deze ecologische beoordeling is beoordeeld wat de effecten zijn van de realisatie- en gebruiksfase van de reconstructie N417 in Noord-Holland op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. De volgende stappen zijn doorlopen in de beoordeling van de effecten (met uitzondering van stikstofdepositie): 1. Met de effectenindicator (Ministerie LNV, z.d.) is bepaald welke milieufactoren mogelijk leiden tot effecten op Natura 2000-gebieden. 2. Per mogelijk effect is aan de hand van de ligging van het plan en aard van de werkzaamheden bepaald of het effect kan optreden als gevolg van de realisatie van de N417 en is een beoordeling gedaan van de reikwijdte van deze effecten, omdat dat bepaalt welke kwalificerende natuurwaarden mogelijk aangepast worden. De volgende stappen zijn doorlopen in de beoordeling van de effecten van stikstofdepositie: 1. Met de AERIUS calculator (versie 2023.1) is een stikstofberekening uitgevoerd. Met deze berekening is gekeken op welke stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden sprake is van stikstofdepositie door het plan. Voor de beschrijving van de gehanteerde uitgangspunten voor deze berekening wordt verwezen naar Bijlage A. 2. Met ArcGIS-Pro is een analyse uitgevoerd van de AERIUS-berekening.

In deze analyse is verder gespecificeerd in welke Natura 2000-gebieden sprake is van stikstofdepositie, op welke stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten sprake is van een overbelaste situatie, op welk oppervlak sprake is van depositie en waar in het Natura 2000-gebied. Deze informatie is gebruikt om de in het rapport opgenomen afbeeldingen te maken en tabellen in te vullen. 3. De habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden met een depositie >0,00 mol N/ha/j worden uitgebreid beschreven en beoordeeld. 4. Op basis van beschikbare literatuur is voor relevante habitattypen en leefgebieden een beschrijving opgenomen van de instandhoudingsdoelstelling, verspreiding, beheer en huidige kwaliteit van de aanwezige relevante natuurwaarden. De literatuur bestaat uit (concept) natuurdoelanalyses aangevuld met beheerplannen en PASgebiedsanalyses.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als het volgt opgebouwd; In hoofdstuk 2 is de planbeschrijving opgenomen van de realisatie en gebruik van de N417. Hierin is onder andere de ligging, activiteiten en planning opgenomen. Het wettelijk kader is omgeschreven ven in hoofdstuk 3. In Hoofdstuk 4 is beschreven welke effecten te verwachten zijn tijdens de realisatie en gebruik, wat de reikwijdte is en of deze effecten invloed zullen hebben op de instandhoudingsdoelen. Vervolgens is in hoofdstuk 5 een beschrijving opgenomen van de relevante natuurwaarden. De beschrijving van het effect en de beoordeling van de effecten is opgenomen in hoofdstuk 6. In dit hoofdstuk is ook opgenomen wat de verwachte effecten zijn van de cumulatie met andere plannen. Tot slot is in hoofdstuk 7 de conclusie beschreven met het oordeel voor de realisatie van het plan en de significante gevolgen op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen. In Bijlage A, AERIUS-calculatie rapport van Aveco de Bondt (2023) zijn de uitgangspunten voor de AERIUSberekening opgenomen. In Bijlage B zijn de resultaten van de AERIUS-berekening van de realisatiefase reconstructie N417 weergegeven, en in Bijlage C de resultaten van de AERIUS-berekening van de gebruiksfase reconstructie N417. Een uitgebreidere beschrijving van de algemene effecten van stikstofdepositie op de natuur is in Bijlage D opgenomen.

6

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

2

Planbeschrijving voorgenomen activiteit

2.1

Ligging plangebied in de huidige situatie

Het plangebied betreft een vrijliggend (brom-)fietspad met aangrenzende bermen en de rijbaan van de N417 onder Hilversum (Figuur 2). De N417, de berm tussen de N417, het nieuw aan te leggen (brom-)fietspad, de oostelijke wegberm en een strook van 1 meter ten westen van dit nieuwe (brom-)fietspad ten behoeve van de faunarasters, maken deel uit van het plangebied. Aan beide zijden van de N417 liggen een aantal woningen en het landgoed Zwaluwenberg. Deze zijn direct ontsloten op de N417. Ook is een congrescentrum, dat op enige afstand van de weg zelf ligt, ontsloten op de N417. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een restaurant.

Figuur 2 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-Gebied Oostelijke Vechtplassen.

2.2

Referentiesituatie

Voor de Omgevingswet is de referentiesituatie de situatie zoals die ten tijde van de aanwijzing van de gebieden in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn aanwezig was. Het gebied Oostelijke Vechtplassen is op 23 mei 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied door de staatssecretaris van Economische Zaken. Het gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied op 23 maart 2000, en als Habitatrichtlijngebied op 7 december 2004 op de communautaire lijst geplaatst. In 2015 vond er een wijzigingsbesluit plaats1 (Ministerie van EZ, 2013; Ministerie van EZ, 2015). Figuur 3 laat de situatie zien van het plangebied in 2006 (voor dit jaar waren er geen luchtfoto’s beschikbaar). Ten tijde van de aanwijzing van dit gebied was de situatie op en rondom de N417 gelijk aan de huidige situatie.

1

Het wijzigingsbesluit van 17 april 2015 betrof enkel een wijziging van de begrenzing van het gebied

7

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Er is geen reden om aan te nemen dat de situatie in de afgelopen jaren veranderd is. Om die reden wordt de referentiesituatie gelijkgesteld aan de huidige situatie en wordt het project steeds vergeleken met de huidige situatie.

Figuur 3 Luchtfoto situatie plangebied 2006.

2.3

Planbeschrijving

2.3.1

Realisatiefase

Beschrijving werkzaamheden De reconstructie bestaat onder andere uit het vernieuwen van het wegdek van de N417, de aanleg van halfverharde bermen, het aanleggen van een vrijliggend (brom-)fietspad aan de westzijde van de N417, het verwijderen van het huidige fietspad aan de oostzijde van de N417 tussen Hollandse Rading en de rotonde Noodweg, het aanleggen van faunapassages voor dassen en reptielen en het aanbrengen van rasters langs het gehele tracé van de N417 tussen de rotonde met de Noodweg en de bebouwde kom van de gemeente Hilversum (Zuiderheideweg). Een uitgebreide beschrijving van de reconstructie is opgenomen in het bestemmingsplan Reconstructie N417 (12 april 2024). Over de omleidingsroute via de A27 wordt alleen gesteld dat de hoeveelheid verkeer die omrijdt slechts 5% uitmaakt van het huidige aantal verkeersbewegingen op de A12 en dat het daarom wordt beschouwd als zijnde opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hieraan kan toegevoegd worden dat de A27 verder weg ligt van de Oostelijke Vechtplassen dan de N417, waardoor de depositie op de oostelijke Vechtplassen lager zal worden door de omleidingsroute. Inzet materieel Het materiaal dat wordt ingezet voor de realisatiefase reconstructie N417 bestaat uit verschillende mobiele werktuigen voor het opbreken en vernieuwen van het wegdek. In Bijlage A is de inzet van het materiaal uitgebreid beschreven. 8

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Planning De realisatiefase reconstructie N417 vindt plaats in 2024 en is binnen één jaar afgerond.

2.3.2

Gebruiksfase

Na de realisatiefase reconstructie N417 zal geen sprake zijn van meer rijbanen, snelheidsverandering of een toename in gemotoriseerd verkeer of bromfietsen. Daarom zal hetzelfde gebruik plaatsvinden als in de huidige situatie. Tijdens de gebruiksfase reconstructie N417 zal daarom geen verandering optreden in het weggebruik ten opzichte van de huidige situatie. Voorliggende toetsing gaat daarom alleen over de realisatiefase van het plan. Voor het aspect stikstof is wel een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de uitstoot tijdens de gebruiksfase, zie Bijlage C en hoofdstuk 4. Deze berekening laat ook zien dat er geen verschil in de uitstoot van stikstofdepositie zal plaatsvinden tussen de huidige situatie en gebruiksfase.

9

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

3

Wettelijk kader

3.1

Algemeen

De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Wet natuurbescherming is opgegaan in de omgevingswet. De Omgevingswet wordt door het Rijk verbeeld als een gebouw in aanbouw en bestaat uit een hoofdspoor, een invoeringsspoor en een aanvullingsspoor. Het hoofdspoor bestaat uit: • De Omgevingswet (hierna Ow). • De vier Algemene Maatregelen van Bestuur. – Het Omgevingsbesluit (hierna Ob). – Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna Bkl). – Besluit activiteiten leefomgeving (hierna Bal). – Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna Bbl). • De Omgevingsregeling. Het invoeringsspoor bestaat uit de bestaande wetten en regels die onderdeel worden van “het nieuwe gebouw” en bestaat uit: • De Invoeringsregeling. • Het Invoeringsbesluit. • De Invoeringswet. Tot slot bestaat het aanvullingspoor uit de beleidsontwikkelingen op het gebied van natuur, bodem, geluid en grondeigendom die uiteindelijk opgaan in het hoofdspoor. De onderdelen zijn: • Aanvullingsregelingen. • Aanvullingsbesluiten. • Aanvullingswetten. De fundering van de nieuwe Omgevingswet is het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Dat is één digitaal loket waarin alle wet- en regelgeving over de leefomgeving samenkomt. In het kader van regelgeving rond Natura 2000-gebieden zijn met name de Omgevingswet, het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en het Besluit Activiteiten Leefomgeving van belang.

In de navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de relevante delen van de wet en de besluiten gegeven.

3.2

Aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden

In hoofdstuk twee van de Omgevingswet 2024 is de aanwijzing van natuurgebieden en landschappen geregeld. De Omgevingswet maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebieden2 of bijzondere nationale natuurgebieden.3 In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of voor habitats en leefgebieden van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Voor ieder Natura 2000-gebied wordt een beheerplan4 opgesteld, dat elke 6 jaar wordt geactualiseerd. In dit plan zijn de instandhoudingsdoelstellingen nader uitgewerkt, zijn maatregelen beschreven die nodig zijn om deze doelen te realiseren en zijn kaders voor vergunningverlening voor menselijke activiteiten binnen de Natura 2000-gebieden aangegeven.

2

art. 2.44, lid 1 Ow art. 2.4.4, lid 2 Ow 4 art. 3.8, lid 3 of artikel 3.9 lid 3 Ow 3

10

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

3.3

Bescherming van Natura 2000-gebieden

De Omgevingswet regelt de bescherming van N2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden ten aanzien van Natura 2000-activiteiten (plan of project) die mogelijk effect hebben op de natuurlijke kenmerken van deze gebieden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen die er van kracht zijn. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, tenzij bij algemene maatregel van bestuur hierop een uitzondering wordt gemaakt.5 Het is verboden om te handelen in strijd met een voorschrift voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.6

3.4

Beoordeling van plannen

Voor alle plannen die “niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied”7 moet voor het vaststellen van het plan een passende beoordeling worden gemaakt.8 Dit geld wanneer op voorhand doormiddel van een voortoets mogelijke significante effecten niet uit te sluiten zijn. Hiervan kan worden afgeweken als het plan een herhaling is of voorzetting van een ander plan of project of onderdeel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens of inzichten over significante gevolgen oplevert.9 Een plan kan alleen worden vastgesteld als uit de passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.10 Op het moment dat wel sprake is van aantasting van natuurlijke kenmerken of geen zekerheid hierover te verkrijgen is, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Dit is de ADC-toets11: • Er zijn geen Alternatieve oplossingen. • Het plan is nodig vanwege Dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. • De nodige Compensatie wordt genomen gericht op het waarborgen van de samenhang van Natura 2000.

Op het moment dat prioritaire habitattypen of soorten worden aangetast, dan zijn aanvullende voorwaarden van toepassing12: • Dwingende reden van groot openbaar belang hebben uitsluitend betrekking op de menselijke gezondheid, openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of • Aan de Europese commissie wordt een advies gevraagd.13

3.5

Stikstof

Stikstofdepositieruimte Artikel 2.46 van de Omgevingswet geeft aan dat welke regels gesteld worden aan: • Het registeren van stikstofdepositieruimte. • Het reserveren en toedelen van stikstofdepositieruimte voor Natura 2000-activiteiten. Methode bepalen stikstofdepositie Het ligt voor de hand om de berekeningen te doen met de Aerius Calculator, omdat dit voor de vergunning uiteindelijk verplicht is.14 De berekeningen worden gedaan voor zowel realisatie- en gebruiksfase waarna een haalbaarheidstoets wordt gedaan.

5

art. 5.1, lid 1 Ow art. 5.5, lid 2, aanhef en onderdeel f, Ow 7 Habitatrichtlijn, art. 6, lid 3. 8 art. 16.53c, lid 1, Omgevingswet 9 art. 16.53c, lid 2, Omgevingswet 10 art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 1, Besluit kwaliteit leefomgeving 11 art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving 12 art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving 13 Verwijzing naar art. 10.6d (opvatting Europese Commissie over dwingende redenen van groot openbaar belang bij Natura 2000-gebieden), Omgevingsbesluit 14 Voor de omgevingsvergunning is vastgelegd dat dit met Aerius moet art. 4.15 (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit en art. 6.15 (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit), Omgevingsregeling 6

11

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

3.6

Vrijstellingen onder de Omgevingswet

Voor zover bekend, heeft het plan geen vrijstellingen onder de Omgevingswet.

12

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

4

Afbakening van effecten

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is beoordeeld welk type effecten in Natura 2000-gebieden kunnen optreden als gevolg van de realisatiefase en gebruiksfase van de reconstructie N417. Daarnaast is bepaald welk typen effecten op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Uitgesloten effecten hoeven dus niet passend beoordeeld te worden. Met behulp van de effectenindicator (Ministerie LNV, z.d.) zijn de volgende effecten samengesteld die kunnen worden veroorzaakt door de werkzaamheden aan de N417: • Verandering in populatiedynamiek • Optische verstoring • Verstoring door trilling • Verstoring door licht • Verstoring door geluid • Verontreiniging • Versnippering • Oppervlakteverlies • Vermesting door N-depositie uit de lucht • Verzuring door N-depositie uit de lucht Wanneer een effect op een Natura 2000-gebied niet is uit te sluiten, is in dit hoofdstuk aangegeven wat de verwachte ruimtelijke reikwijdte is van de mogelijke effecten. Het resultaat van deze afbakening bepaalt de onderzoeksopgave. De afbakening heeft twee doelen: 1) vaststellen van de milieufactoren die mogelijk leiden tot effecten op Natura 2000gebieden en 2) de reikwijdte van deze effecten, omdat dat bepaalt welke kwalificerende natuurwaarden mogelijk aangepast worden. De maximaal mogelijke reikwijdte is bepalend voor de omvang van het studiegebied voor de effectbeschrijvingen en -beoordeling in hoofdstuk 5 en 6.

4.2

Aard en maximale reikwijdte effecten

4.2.1

Oppervlakteverlies en versnippering

Ruimtebeslag betreft het fysieke verlies van een oppervlak door het plan. Versnippering heeft betrekking op het verminderen van de verbinding tussen natuurgebieden of leefgebieden. Reconstructie van de N417 vindt uitsluitend plaats buiten Natura 2000-gebied, op meer dan 4 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, en bij de bestaande weg. Daarom zijn effecten van oppervlakteverlies en versnippering op Natura 2000-gebied uitgesloten.

4.2.2

Verontreiniging

Verontreiniging ontstaat door een toename van gebiedsvreemde stoffen. Hierdoor verandert het milieu en dit kan gevolgen hebben voor de aanwezigheid van soorten. De realisatie van de reconstructie N417 vindt plaats langs de bestaande weg op aanzienlijke afstand van Natura 2000gebieden. Eventuele lekkages hebben daarom geen invloed op Natura 2000-gebieden. Effecten van verontreiniging zijn uitgesloten.

4.2.3

Verstoring door licht, geluid, trillingen en optische prikkels

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op meer dan vier kilometer afstand van het plangebied. Deze afstand in combinatie met de ligging in bosgebied zorgt ervoor dat effecten als verstoring door licht, geluid en trillingen en optische verstoring van Natura 2000-gebieden niet optreden.

4.2.4

Verandering in populatiedynamiek

Populatiedynamiek wordt bepaald door factoren die invloed hebben op reproductie en sterfte. In de context van dit plan hangen deze factoren vooral samen met een toename van verkeer en daardoor een toename van de aanrijdkans.

13

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Het plangebied ligt meer dan 4 km van Natura 2000-gebied, met tussenliggende wegen en andere barrières voor soorten, en het plangebied betreft een bestaande weg. De soorten die zijn gebonden aan Natura 2000-gebieden zijn niet afhankelijk van leefgebieden in de directe omgeving van het plangebied en de weg wordt niet structureel overgestoken door kwalificerende soorten. De reconstructie van de N417 zorgt niet voor een wezenlijke toename van de sterftekans. Daarnaast worden in het kader van de reconstructie vijf faunapassages gerealiseerd voor dassen en reptielen en worden faunarasters aangebracht langs het gehele tracé van de N417 tussen de rotonde met de Noodweg in de bebouwde kom van de gemeente Hilversum. Voor een aantal soorten leidt de reconstructie dus mogelijk tot een verbetering van de situatie.

4.2.5

Vermestende en verzurende effecten door stikstofdepositie

Als gevolg van de realisatiefase reconstructie N417 worden verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx) geëmitteerd door mobiele werktuigen en installaties. Over atmosferische depositie van stikstof is in Smits et al., 2014 het volgende beschreven: “Een toename van de atmosferische stikstofdepositie in een voorheen onbelast gebied leidt in eerste instantie tot een toename van de beschikbaarheid van stikstof in bodem of water en aldus tot een verhoogde opname van stikstofverbindingen door de vegetatie. Dit proces wordt eutrofiëring genoemd. Door verhoogde toevoer en accumulatie van N-verbindingen zal de beschikbaarheid van stikstof geleidelijk toenemen. Dit leidt tot verdringing van minder concurrentiekrachtige soorten door stikstof minnende (nitrofiele) soorten. Veelal gaat dit ten koste van karakteristieke soorten, aangezien een groot deel van de soorten in halfnatuurlijke en natuurlijke ecosystemen juist is aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid in de bodem. Verhoogde toevoer van stikstof kan vooral in voedselarme tot matig voedselrijke systemen een sterke afname in soortendiversiteit veroorzaken […].

Het aantal soorten kan op extreem voedselarme bodems bij een verhoogde toevoer van stikstof wel iets toenemen, maar de oorspronkelijke en karakteristieke vegetatie die aan de extreme situatie was aangepast, verdwijnt.” “Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen (calcium, magnesium of kalium), verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem [.]. In deze situatie kunnen plantensoorten die resistent zijn tegen dergelijke zure omstandigheden gaan overheersen en verdwijnen veel soorten uit een milieu met een meer neutrale pH.” Een risico op effecten is met name aanwezig als de situatie overbelast is. Van overbelasting is sprake als de achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW) van een specifiek habitattype of leefgebied van een soort. De KDW is geen absolute grenswaarde, maar wel een indicatie of extra depositie mogelijk leidt tot een significant gevolg voor dat habitattype.

Bij een totale stikstofdepositie (achtergrondwaarde plus depositie als gevolg van het project) die lager is dan de KDW is de kans op een significant effect op dat habitattype bij voorbaat uitgesloten. Voor de realisatie- en gebruiksfase van de reconstructie N417 zijn berekeningen van de stikstofdepositie gemaakt, zie Bijlage B en Bijlage C. Relevant voor de reikwijdte van de effecten zijn de habitattypen waar sprake is van de referentiesituatie: 1. Een toename van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatie- en/of gebruiksfase van de reconstructie N417 en; 2. Een overbelaste situatie (achtergronddepositie plus effect van het plan is hoger dan de kritische depositiewaarde van het habitattype). Uit de AERIUS-berekeningen is naar voren gekomen dat alleen tijdens de realisatiefase van de reconstructie van de N417 sprake is van een toename in stikstofdepositie in een overbelaste situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Tijdens de gebruiksfase zijn er geen toenames (max. 0,00 mol N/ha/j) en geen relevante afnames (max. -0,00) in stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie.

4.2.6

Conclusie

Als gevolg van de reconstructie van de N417 is sprake van een toename in stikstofdepositie in een overbelaste situatie tijdens de realisatiefase. Effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarom met betrekking tot stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Deze effecten worden in dit rapport verder onderzocht. Andere effecten dan stikstofdepositie zijn op voorhand uitgesloten en worden daarom in dit rapport niet verder beoordeeld.

14

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

4.3

Afbakening relevante Natura 2000-gebieden

In de vorige paragrafen is beschreven dat alleen effecten ten gevolge van stikstofdepositie in de realisatiefase te verwachten zijn op Natura 2000-gebieden. De resultaten van de AERIUS-berekeningen zijn opgenomen in Bijlage B. In Figuur 4 zijn de Natura 2000-gebieden weergegeven die binnen de 25 km afkapgrens van de AERIUS-calculator liggen. Buiten de 25 km grens wordt eventuele stikstofdepositie toegedeeld aan de achtergronddepositie. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er ten gevolge van de realisatie van het bestemmingsplan alleen sprake is van stikstofdepositie in een overbelaste situatie op een gedeelte van de Oostelijke Vechtplassen. Effecten op andere Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.

Figuur 4 Natura 2000-gebieden rondom het plangebied die mogelijk beïnvloed worden door stikstofdepositie.

In deze beoordeling wordt gekeken naar de habitattypen en leefgebieden die volgen uit de AERIUS-berekening (Bijlage B). In Tabel 1 is aangegeven welke habitattypen en/of leefgebieden van soorten van het N2000-gebied Oostelijke Vechtplassen binnen de reikwijdte van de effecten liggen en of er binnen de reikwijdte van de effecten, tijdens de realisatiefase, sprake is van depositie in een overbelaste situatie.. Alleen de habitattypen en leefgebieden van soorten die in Tabel 1 met een ja beoordeeld zijn worden meegenomen in de effectbeschrijving en -beoordeling. Als gevolg van de realisatiefase reconstructie N417 vindt er stikstofdepositie plaatst op vier habitattypen en één zoekgebied in een overbelaste situatie en op leefgebied LG05 Grote-zeggenmoeras. Als gevolg van de realisatiefase reconstructie N417 vindt er stikstofdepositie plaats op leefgebied Lg05 Grote-zeggenmoeras. Lg05 is een leefgebied voor de aangewezen soort H1016 Zeggekorfslak, en functioneert als een voortplanting- en foerageergebied (Smits & Bal, 2016).

15

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Tabel 1 Overzicht van stikstofgevoeligheid, maximale en stikstofdepositie op overbelaste delen in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen gedurende de realisatiefase van N417 (in mol N/ha/jaar) volgens de AERIUS-berekening (zie Bijlage A voor de uitgangspunten en Bijlage B voor de berekeningen).

Habitattypen/leefgebieden

H3140 Kranswieren H3150baz Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) H6410 Blauwgraslanden H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) H7210 Galigaanmoerassen H91D0 Hoogveenbossen H9999:95 Habitattype onbekend/onzeker Lg05 Grote-zeggenmoeras ZGH3140 ZGH3150

16

Max depositie plan op habitattype in overbelaste situatie [mol N/ha]

0 0,01

Sprake van een plandepositie in een overbelaste situatie? Nee Nee

0 0,01 0,01 0,01 0 0,01 0 0,01 0,01 0,01

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

Nee Ja Ja Ja Nee Ja Nee Ja Ja Nee

VOORTOETS

5

Aanwezige relevante natuurwaarden Oostelijke Vechtplassen

5.1

Inleiding

Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat stikstofdepositie het enige relevante effect is tijdens de realisatie van de reconstructie van de N417. Het gebied dat binnen de reikwijdte van het effect ligt en waar in de realisatiefase sprake is van een toename van de stikstofdepositie is het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. In dit hoofdstuk wordt de aanwezigheid van de relevante stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden (zie Tabel 1) voor dit Natura 2000gebied behandeld. Bij het opstellen van dit hoofdstuk is gebruik gemaakt van de concept natuurdoelanalyse Provincie Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2023), natuurdoelanalyse Provincie Utrecht (Provincie Utrecht, 2023), het beheerplan van de periode 2022-2028 (Provincie Noord-Holland, 2022) en de PAS-gebiedsanalyse (Provincie Noord-Holland, 2017). De meest recente informatie (de natuurdoelanalyses) is leidend. De oudere documenten zijn slechts ter ondersteuning gebruikt waar informatie niet in de recentere documenten is toegelicht. Figuur 5 geeft de indeling van het Natura 2000gebied in deelgebieden weer zoals deze in het beheerplan zijn vastgelegd. In Figuur 6 is een overzicht opgenomen met ligging van de habitattypen, zoekgebieden en leefgebieden binnen het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen.

Figuur 5 Deelgebied Oostelijke Vechtplassen. 1: Spiegelplas, 2: Ankeveen, 3: Horstermeerpolder, 4: Kotenhoef West, 5: Kortenhoef Oost, 6: Het Hol, 7: Vuntus, 8: Wijde Blik,9:Loenderveense Plas, 10: Wijde Blik, 11: De Ster, 12: Weersloot, 13: Kievitsburen. Bron: https://vechtplassen.nl/gebieden/.

17

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Figuur 6 Habitattypen- en leefgebiedenkaart van het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Bron: (RIVM, 2023) ba1798e69f2b-4b0d-b200-2a65a9693dbd.

5.2

ZGH3140 Kranswierwateren

Omdat er tijdens de realisatiefase alleen sprake is van een tijdelijke depositietoename op het overbelaste zoekgebied van H3140 Kranswierwateren, wordt alleen het oppervlakte zoekgebied beoordeeld. Op het gekarteerde habitattype is volgens Aerius geen sprake van depositie als gevolg van de realisatie van de reconstructie van de N417. Van het zoekgebied is nog niet vastgesteld of deze voor het habitattype kwalificeert, maar voor de beoordeling wordt ervan uitgegaan dat dit zoekgebied wel kwalificeert. Omdat voor het zoekgebied zelf geen beoordelingen van kwaliteit, maatregelen of knelpunten bekend zijn worden deze aspecten hieronder voor het habitattype beschreven. Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen (Ministerie van LNV, 2009b): Dit habitattype omvat kranswierbegroeiingen in matig voedselrijke wateren. Het water is helder, voedselarm tot matig voedselrijk en onvervuild. Doorgaans is het basenrijk. De begroeiing bestaat uit ondergedoken waterplanten met fijne bladeren. In de randmeren kunnen zich uitgestrekte velden met kranswieren vormen. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H3140 Kranswierwateren is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013).

Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 7 geeft de ligging van het zoekgebied ZGH3140 Kranswierwateren in het Natura 2000-gebied weer. De totale oppervlakte van ZGH3140 is 21,7 ha en komt verspreid voor in de wateren van Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen (Provincie Noord-Holland, 2022). In Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen komt het habitattype 18

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

H3140 Kranswierwaren in Oostelijke Vechtplassen voor op 115,75 ha. In verhouding betreft 14% van het oppervlakte H3140 zoekgebied. Op 100% van het oppervlak van het zoekgebied van dit habitattype is in de huidige situatie (2021) sprake van een matig tot sterk overbelaste situatie.

Figuur 7 Ligging van het habitattype ZGH3140 Kranswierwateren in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven in de huidige situatie (2021). Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in AERIUS (versie 2023.1).

Huidig beheer Het Natura 2000-gebied ligt gedeeltelijk in de provincie Utrecht en gedeeltelijk in de provincie Noord-Holland. In de PAS-gebiedsanalyse is gesteld dat er voor het habitattype geen maatregelen zijn opgenomen omdat geen negatieve effecten van stikstof te verwachten zijn (Provincie Noord-Holland, 2017). In de natuurdoelanalyse voor het Utrechtse deel (het Noorderpark) (Provincie Utrecht, 2023) en het beheerplan voor het gehele gebied (Provincie Noord-Holland, 2022) zijn wel een aantal maatregelen opgenomen voor het habitattype H3140 Kranswierwateren. De natuurdoelanalyse van het hele Natura 2000-gebied (Provincie Noord-Holland, 2023) verwijst voor maatregelen naar het beheerplan en de natuurdoelanalyse voor het Utrechtse deel. De maatregelen voor H3140 Kranswierwateren zijn gericht op de waterkwaliteit en bestrijding van invasieve exoten. De maatregelen zijn niet gericht op het van stikstofdepositie omdat dit geen belangrijk knelpunt voor het habitattype vormt (Provincie Noord-Holland, 2023). De volgende maatregelen zijn of worden volgens het beheerplan in de eerste beheerplanperiode (van 2022-2028) uitgevoerd: • Lokaal wordt gebaggerd in de deelgebieden Kortenhoef Oost en West, Vuntus, Ster, Weersloot, ten behoeve van watervegetaties en verlanding (Provincie Noord-Holland, 2022).

In het Utrechtse deel van het gebied is bevestigd dat dit is uitgevoerd in deelgebied Molenpolder (Provincie Utrecht, 2023). • In het Utrechtse deel is lokaal moerasbos verwijderd. In de natuurdoelanalyse is opgenomen dat het verwijderen van bos zal zorgen voor een afname van de water- en bodemproductiviteit, wat bijdraagt aan het voorkomen van woekering van (ook exotische) waterplanten (Provincie Utrecht, 2023). 19

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

• • • • • •

• • • • • • • • • • • • •

Beperkt flexibeler peilbeheer wordt ingesteld om fosfaatbelasting te verminderen (Provincie Noord-Holland, 2022). Deze maatregel is in het Utrechtse deel uitgevoerd, in de rest van het gebied is nog niet duidelijk of dit al is uitgevoerd (Provincie Utrecht, 2023). Defosfateren inlaatwater uit ANKO-zuid (Provincie Noord-Holland, 2022). In het Utrechtse deel zijn nieuwe petgaten gegraven en sloten hersteld. Hiermee wordt successie teruggezet (Provincie Utrecht, 2023). De graasdruk door grauwe ganzen wordt verminderd in het Noorderpark, deze maatregel staat nog gepland. Vraat door grauwe ganzen veroorzaakt namelijk een afname van het areaal oevervegetatie (Provincie Utrecht, 2023). De waterdiepte wordt vergroot ten behoeve van minder nalevering van fosfor doordat sloten minder opwarmen (Provincie Utrecht, 2023). Brasem wordt in verschillende deelgebieden verwijderd om doorzicht te verbeteren. Een te hoge brasemstand belemmert mogelijk het herstel van helder water met ondergedoken waterplanten na reductie van fosfaatbelasting (Provincie Noord-Holland, 2022). In het Utrechtse deel is bekend dat deze maatregel nog moet plaatsvinden (Provincie Utrecht, 2023). Toepassen van ecologisch onderhoud bij oevers van hoofdwateren (Provincie Noord-Holland, 2022). Afkoppelen Blijkpolder en stedelijk gebied, en lokaal landbouwgebied (Provincie Noord-Holland, 2022).

Lozingen uit ongerioleerde panden opheffen (Provincie Noord-Holland, 2022). Minder toestaan van onttrekken en lozen van water aan of op oppervlaktewateren (Provincie Noord-Holland, 2022). Beboste oevers waar mogelijk vrijstellen ten behoeve van de waterkwaliteit in deelgebied Ankeveense Plassen (Provincie Noord-Holland, 2022). Terugdringen vestiging invasieve exoten waterwaaier en ongelijkbladig vederkruid (Provincie Noord-Holland, 2022). Omleiden waterstromen: afvoer water Spiegelpolder loopt via de defosfatering (Provincie Noord-Holland, 2022). Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire wateren (Provincie Noord-Holland, 2022). Hydrologische maatregelen in het kader van de natuurontwikkeling Horstermeerpolder, deze leiden tot een verminderde wegzijging van water uit de Kortenhoefse plassen (Provincie Noord-Holland, 2022). Afplaggen, verlanding in sloten, het graven van petgaten en het doorvoeren van kwelwater om het kwelwater optimaal te benutten (Provincie Noord-Holland, 2022). Beheer van de vispassage sluis ’t Hemeltje met als doel te voorkomen dat er te veel water vanuit de Vecht wordt ingelaten (Provincie Noord-Holland, 2022). Inbrengen diasporen in deelgebied ’T Hol (Provincie Noord-Holland, 2022). Ijzersuppletie of bezanden bodem Terra Nova (Provincie Noord-Holland, 2022).

Het is onduidelijk of deze maatregelen ook worden uitgevoerd binnen het zoekgebied van H3140.Verder is opgenomen dat landbouwmaatregelen worden genomen om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken. Welke maatregelen dit zijn en welke landbouwgebieden ze betreffen is niet verduidelijkt. Ook wordt nog onderzoek gedaan naar een aanpak voor exotische rivierkreeften. Voor H3140 Kranswierwateren zijn in de concept natuurdoelanalyse geen specifieke maatregelen opgenomen. Daarom is het onduidelijk in hoeverre de maatregelen uit het beheerplan al zijn uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2023). Huidige kwaliteit Habitattype in het gehele Natura 2000-gebied De trend van het habitattype is gemiddeld gezien negatief (Provincie Noord-Holland, 2023). De negatieve trend heeft te maken met een vermindering van de oppervlakte door de toenemende ontwikkeling van de fosfaatconcentratie in het oppervlaktewater en de daaraan gerelateerde afname van het doorzicht. Verder speelt mogelijk een toename van exotische rivierkreeften mee in de afname van de kwaliteit (Provincie Noord-Holland, 2017). Voor het habitattype in het hele Natura 2000-gebied is in enkele recent gegraven petgaten en langs de oevers van grote plassen sprake van positieve ontwikkelingen.

Mogelijk heeft dit te maken met de open plekken die op deze waterbodem zijn ontstaan, waardoor pioniervegetaties deze plekken kunnen koloniseren en cyclisch kunnen ontwikkelen tot kranswiervegetaties (Provincie Noord-Holland, 2022). Naar schatting is circa een derde van de oppervlakte van goede vegetatiekundige kwaliteit. In de rest van het habitattype is de vegetatie matig ontwikkeld. De trend van de voor het habitattype typische soorten is netto gezien waarschijnlijk negatief (Provincie Noord-Holland, 2017). Over de aspecten abiotiek en kenmerken van goede structuur en functie is voor het habitattype in het hele Natura 2000-gebied geen informatie opgenomen in de PAS-gebiedsanalyse, het beheerplan of de concept natuurdoelanalyse. Het eindoordeel voor het habitattype is ‘Nee, tenzij’, omdat de instandhoudingsdoelstelling niet wordt gehaald door problematiek rond de waterkwaliteit en invasieve exoten (Provincie Noord-Holland, 2023).

20

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Habitattype in Utrechtse deel In de natuurdoelanalyse voor het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied is opgenomen dat de kwaliteit van de vegetatie sterk is afgenomen door de afname van de verspreiding van typische soorten. De oorzaak voor de afname van typische soorten is niet in de natuurdoelanalyse benoemd. In het Noorderpark geldt dat voor drie van de vier abiotische voorwaarden geldt dat sprake is van condities binnen het optimale bereik voor het habitattype. Dit betreft de zuurgraad (pH), de vochttoestand en het zoutgehalte. Voor de voedselrijkdom verschilt per locatie of dit aspect op orde is. Op het gebied van structuur en functie classificeert één kenmerk als goed, namelijk het kenmerk helder water. De optimale functionele omvang wordt niet behaald en de bedekking met waterplanten is op verschillende locaties te beperkt. Daarnaast is er sprake van invasieve exoten (Provincie Utrecht, 2023). Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor (ZG)H3140 Kranswierwateren zijn een beperkt doorzicht en een hoge fosfaatbelasting. Het beperkte doorzicht van de wateren wordt o.a. veroorzaakt door de aanwezigheid van bodemwoelende vis, de opwerveling van zwevend slib en een grote dichtheid algen. Mogelijk is ook de begrazing van kranswieren door exotische rivierkreeften een knelpunt. (Provincie Noord-Holland, 2022). In de natuurdoelanalyse zijn geen aanvullende knelpunten benoemd.

5.3

H6410 Blauwgraslanden

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen (Ministerie van LNV, 2009a): Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), blauwe zegge (Carex panicea) en tandjesgras (Danthonia decumbens). De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk riet (Phragmites australis) en melkeppe (Peucedanum palustris) talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio’s zijn bepaalde soorten kenmerkend, zoals Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) in noordelijk Noord-Brabant, Veldrus (Juncus acutiflorus) in beekdalen, en Karwijselie (Selinum carvifolium) in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel Veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig).

Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia (Parnassia palustris). Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gerekend tot het habitattype ‘Alkalisch laagveen’ (habitattype H7230; zie aldaar voor de verschillen met type H6410). In duingebieden komen plaatselijk ook blauwgraslanden voor. Het betreft hier oudere, reeds langdurig in cultuur gebrachte delen met een sterke bodemontwikkeling. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H6140 Blauwgraslanden is behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013). Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 8 geeft de ligging van het habitattype H6140 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied weer. De totale oppervlakte is 2,17 ha en het grootste oppervlakte komt voor in deelgebied Kortenhoef West. Op 100 % van het oppervlak van het habitattype is in de huidige situatie (2021) sprake van een matige overbelaste situatie. Voor H6410 is de trend van de oppervlakte stabiel en trend in kwaliteit negatief (Provincie Noord-Holland, 2022).

21

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Figuur 8 Ligging van het habitattype H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven in de huidige situatie (2021). Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in AERIUS (versie 2023.1).

Huidig beheer In de PAS-gebiedsanalyse, het beheerplan en de (concept) natuurdoelanalyses zijn huidige beheer- en instandhoudingsmaatregelen opgenomen. Voor H6410 Blauwgraslanden gaat het om de volgende maatregelen: • Jaarlijks maaien om de oppervlakte te behouden (Provincie Noord-Holland, 2022; 2023). • Plaggen om N en/of zure toplaag af te voeren en nieuwvorming te stimuleren. Voor het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied is bekend dat dit is uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2022; 2023; Provincie Utrecht, 2023). • (Extra) maaien op geplagde percelen ten behoeve van uitbreiding van het habitattype, voor het Utrechtse deel van het gebied is bekend dat dit is uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2022; Provincie Utrecht, 2023). • Afplaggen verdroogde verlanding in sloten, het graven van petgaten en doorvoeren van kwelwater; in deelgebied de Ster wordt afplaggen gecombineerd met fijnschalige aanvoer van basenrijk oppervlaktewater en/of bekalking (Provincie Noord-Holland, 2022). • Lokaal baggeren in ondiepe sloten om de waterkwaliteit te verbeteren en effecten van vermesting af te zwakken (Provincie Noord-Holland, 2022; 2023). • Hydrologische maatregelen in het kader van de natuurontwikkeling Horstermeerpolder, die leiden tot een verminderde wegzijging van water uit de Kortenhoefse Plassen (Provincie Noord-Holland, 2022).

• Verwijderen (jonge) bosopaslag (Provincie Noord-Holland, 2022). • Flexibel peilbeheer om de waterkwaliteit te verbeteren, verlandingssuccessie te verbeteren en de effecten van vermesting tegen te gaan. In het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied is dit uitgevoerd (Provincie NoordHolland, 2022; Provincie Utrecht, 2023). • In het Utrechtse deel is de toplaag (grasmat) verwijderd op hoge ruggen in het landschap. De toplaag is voedselrijk, wat belemmerend kan zijn voor de ontwikkeling van het habitattype (Provincie Utrecht, 2023). De maatregelen omvatten hoofdzakelijk de eerste beheerplanperiode van2022-2028. In het beheerplan of de concept natuurdoelanalyse is niet opgenomen of de maatregelen al zijn uitgevoerd.

22

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Voor een aantal maatregelen is voor het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied bekend of maatregelen al zijn uitgevoerd of is in de PAS-gebiedsanalyse aangegeven wanneer de maatregelen zouden worden uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2017; Provincie Utrecht, 2023). Huidige kwaliteit Habitattype in gehele Natura 2000-gebied Omdat het habitattype slechts in zeer kleine oppervlakte voorkomt en matig is ontwikkeld, is de trend voor de kwaliteit negatief. Achteruitgang van de kwaliteit komt vooral door het verminderen van de aanvoer van basenrijke kwel, toename van de invloed van gebiedsvreemd en voedselrijk water en verdroging. In de oostkant van het gebied komt basenrijk kwel voor. Dit biedt kans voor de verbetering van het habitattype door o.a. verschralingsbeheer (Provincie Noord-Holland, 2022). Naar schatting is de vegetatiekundige kwaliteit voor 20% van de oppervlakte van het habitattype goed. Voor de rest van het habitattype is deze matig ontwikkeld. Voor drie van de vijf typische soorten is sprake van een stabiele of positieve trend. Eén typische soort, de blonde zegge, is in het habitattype verdwenen. Verder is sprake van een afname in verspreiding van de typische soort kleine valeriaan (Provincie Noord-Holland, 2017).

Mogelijk zijn de afname van blonde zegge en kleine valeriaan een gevolg van de vermindering van aanvoer van basenrijk kwelwater en de toename van voedselrijk water. Beide soorten groeien vooral op matig voedselarme bodems en kleine valeriaan groeit op grond met invloed van (vaak basisch) kwelwater (Verspreidingsatlas, z.d.a.; z.d.b.). Over typische soorten wordt in het beheerplan en de natuurdoelanalyse geen informatie of beoordeling gegeven, waardoor het niet bekend is of deze situatie nog steeds actueel is. Wat abiotiek betreft is in de concept natuurdoelanalyse opgenomen dat het onderliggende watersysteem nog niet voldoet aan de juiste abiotische vereisten voor duurzame instandhouding. Over de aspecten abiotiek en kenmerken van goede structuur en functie is voor het habitattype in het hele Natura 2000-gebied verder geen beoordeling opgenomen in de PAS-gebiedsanalyse, het beheerplan of de concept natuurdoelanalyse. Het eindoordeel voor het habitattype is ‘Nee, tenzij’, omdat de instandhoudingsdoelstelling niet wordt gehaald doordat het onderliggende watersysteem nog niet op orde is (Provincie Noord-Holland, 2023). Habitattype in Utrechtse deel Voor het Utrechtse deel van het Natura 2000-gebied is in de natuurdoelanalyse opgenomen dat ongeveer de helft van de oppervlakte van het habitattype van goede vegetatiekundige kwaliteit is.

Dit is echter door gebrek aan actuele vlakdekkende vegetatiekarteringen niet met zekerheid te zeggen. De conclusie wat betreft vegetatiekundige kwaliteit is dus niet duidelijk. Over de trend van typische soorten binnen het Utrechtse deel van het habitattype is onvoldoende data beschikbaar. Wel is bekend dat alle vijf de typische soorten zijn waargenomen in het Utrechtse deelgebied Noorderpark. In dit deelgebied wordt voldaan aan vier van de zes abiotische vereisten voor het habitattype. Dit betreft de zuurgraad, de vochttoestand, het zoutgehalte, de overstromingstolerantie en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). Daarbij is voor de zuurgraad vooral de pH en de basenverzadiging (het deel van het adsorptiecomplex van de bodem dat is bezet met basen) belangrijk voor de kwaliteit van het habitattype. Voor de basenverzadiging zijn weinig metingen beschikbaar. De pH-marges classificeren wel als gunstig voor het habitattype. In sommige deelgebieden is bij afgegraven percelen sprake van te langdurige overstromingen. De voedselrijkdom in het habitattype is onbekend. Wat betreft het aspect structuur en functie wordt aan twee van de vier kenmerken van een goede structuur en functie voldaan, namelijk hooibeheer en weinig opslag van bomen. Over de mogelijkheden van aanvoer van basenrijk water is onzekerheid.

Voor de deelgebieden Oostelijke Binnenpolder en Tienhoven vindt basenaanvoer plaats via jaarlijkse inundaties met basenrijk oppervlaktewater als gevolg van flexibeler peilbeheer. Hier is echter onduidelijk in hoeverre kwel aan maaiveld kan optreden en in hoeverre dat verschilt binnen de polder. Ook lijkt in deelgebied Westbroekse Zodden geen aanvoer van basenrijk oppervlaktewater op het habitattype op te treden. Verder voldoet het Utrechtse deel van het habitattype niet aan de minimale functionele omvang (Provincie Utrecht, 2023). Knelpunten Voor H6410 Blauwgraslanden zijn de waterhuishouding (oppervlaktewaterkwaliteit, waterpeil, wegvallen kwel) en agrarische bemesting knelpunten (Provincie Noord-Holland, 2023). Een hoge waterstand is een belangrijke randvoorwaarde voor het habitattype, maar deze is lastig te combineren met de aanvoer van basenrijk kwelwater. Het maaiveld zou dan lager moeten liggen dan de omgeving. Op dit moment drukt een hoger peil de kwel weg waardoor de basenvoorziening en buffering onvoldoende is. Agrarische bemesting door te intensief gebruik van omliggende graslanden is ook een belangrijk knelpunt.

Voor dit knelpunt zijn maatregelen als verschraling en afplaggen mogelijk, maar de waterkwaliteit moet op orde zijn om het gewenste verschralingseffect (voldoende aanvoer van mesotroof en gebufferd water) te veroorzaken (Provincie Noord-Holland, 2017; Provincie Utrecht, 2022). Vermesting komt met name door afspoeling van nutriënten, maar mogelijk ook door stikstofdepositie vanuit de aanwezige agrarische activiteiten (Provincie Noord-Holland, 2022). 23

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

5.4

H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

Beschrijving van het habitattype In het profieldocument is de volgende beschrijving van het habitattype opgenomen (Ministerie van LNV, 2009c): Dit habitattype betreft soortenrijke veenbegroeiingen van betrekkelijk voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. De plantengemeenschappen van de overgangs- en trilvenen vormen ontwikkelingsstadia in de verlanding die begint in het open water van sloten, plassen en petgaten. In Nederland komen ze vooral voor in het laagveengebied. Verder kunnen overgangs- en trilvenen ook ontstaan in veenvormende systemen in de middenlopen van beekdalen, op de overgangen van de hogere (pleistocene) zandgronden naar laagveen en in zeekleilandschappen. Uitgaande van het verlandingsproces worden de overgangs- en trilvenen van dit habitattype voorafgegaan door begroeiingen van het open water, zoals drijftil- en krabbenscheergemeenschappen (habitattype H3150). De overgangs- en trilvenen worden in de successiereeks opgevolgd door struweel of bos, onder bepaalde omstandigheden ook door moerasheiden (habitattype H4010). Veenmosrietland dat is dichtgegroeid met wilgen, berken of elzen behoort niet tot het habitattype. De soorten van trilvenen en veenmosrietland kunnen hier wel plaatselijk nog met lage bedekkingen aanwezig zijn. Verzuring die door toenemende regenwaterinvloed aan de oppervlakte begint, is een natuurlijk proces in laagveensystemen.

Daarbij wordt de vegetatiemat heel geleidelijk dikker en eenvormiger en gaan trilvenen, subtype A, over in veenmosrietland, subtype B, of moerasheide, habitattype H4010_B vochtige heiden (laagveengebied). Trilvenen bestaan uit mosrijke op het water drijvende plantenmatten. Van de vaatplanten voeren schijngrassen de boventoon en in de moslaag domineren slaapmossen. In trilvenen kunnen zeldzame orchideeën groeien. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013). Verspreiding in het Natura 2000-gebied Figuur 9 geeft de ligging van het habitattype H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) in het Natura 2000-gebied weer. De totale oppervlakte is 17,34 ha en bevind zich in het oosten van de Oostelijke Vechtplassen. Op 43,05 % van het oppervlak van het habitattype is in de huidige situatie (2021) sprake van een lichte tot matige overbelaste situatie.

24

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

Figuur 9 Ligging van het habitattype H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) in het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven in de huidige situatie (2021). Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister en zijn gelijk aan de kaarten opgenomen in AERIUS (versie 2023.1).

Huidig beheer In de PAS-gebiedsanalyse, het beheerplan en de concept natuurdoelanalyses zijn een aantal beheer- en instandhoudingsmaatregelen opgenomen voor H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen): • Verwijderen (jonge) bosopslag om successie naar moerasbos te voorkomen en de effecten van vermesting te verminderen (Provincie Noord-Holland, 2023). Volgens de PAS-gebiedsanalyse wordt deze maatregel sinds 2015 één keer per twee jaar uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2017). • Verwijderen (oude) bosopslag, in combinatie met afplaggen. Hiermee wordt opgeslagen N afgevoerd en wordt nieuwvorming en uitbreiding van trilveen gestimuleerd. Dit zou volgens de PAS-gebiedsanalyse éénmalig zijn gebeurd tussen 2015 en 2021 (Provincie Noord-Holland, 2017). • Afplaggen verdroogde verlanding in combinatie met aanvoer van basenrijk oppervlaktewater en/of bekalking (Provincie Noord-Holland, 2022). Hiermee wordt kragge (drijvend vegetatiedek dat samenhangt door vervlechtende wortelstelsels) dunner gemaakt en hydrologische isolatie voorkomen. Dit stimuleert ook nieuwvorming en uitbreiding van het habitattype (Provincie Noord-Holland, 2017). • Uitgraven verzuurde verlandingsstadia middels petgaten om nieuwvorming en uitbreiding te stimuleren, voor het Utrechtse deel is bevestigd dat dit al is uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2022; 2023; Provincie Utrecht, 2023).

• Plaggen om N en/of zure toplaag af te voeren, ten behoeve van nieuwvorming, voor het Utrechtse deel is bekend dat dit is uitgevoerd (Provincie Noord-Holland, 2023; Provincie Utrecht, 2023). • Brasem verwijderen om doorzicht te verbeteren. Een te hoge brasemstand belemmert mogelijk het herstel van helder water met ondergedoken waterplanten na reductie van fosfaatbelasting (Provincie Noord-Holland, 2022). • Toepassen van ecologisch onderhoud bij oevers van hoofdwateren (Provincie Noord-Holland, 2022). • Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire wateren (Provincie Noord-Holland, 2022). • Lokaal baggeren (in ondiepe sloten) in deelgebieden Ankeveense Plassen, Kortenhoef Oost en West, Vuntus . Het doel van de maatregel is het tegengaan van eutrofiëring en veenafbraak en verbeteren van verlandingssuccessie (Provincie Noord-Holland, 2022). 25

Onze referentie: 32US4SVKXJFW-369966094-765:1.0 - Datum: 11 april 2024 - Public

VOORTOETS

• •

Hydrologische maatregelen in het kader van de natuurontwikkeling Horstermeerpolder, deze leiden tot een verminderde wegzijging van water uit de Kortenhoefse Plassen (Provincie Noord-Holland, 2022). Bevloeien in deelgebied ’t Hol. Het doel van deze maatregel is niet opgenomen(Provincie Noord-Holland, 2022).

De meeste maatregelen worden in de eerste beheerplanperiode (2022-2028) uitgevoerd. In hoeverre deze al zijn uitgevoerd is niet duidelijk in het beheerplan of de (concept) natuurdoelanalyses aangegeven. Alleen in de PASgebiedsanalyse en de natuurdoelanalyse van het Utrechtse deel van het gebied zijn voor een aantal maatregelen indicaties gegeven van de staat van uitvoering. Huidige kwaliteit Habitattype in het gehele Natura 2000-gebied De trend van het habitattype in Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen is overwegend negatief, ondanks lokaal genomen maatregelen die bijdragen aan gunstige ontwikkelingen. De verslechtering komt vooral door verminderde invloed van gebufferd kwelwater als gevolg van verharding van het inzijgingsgebied, toenemende drinkwaterwinning en toenemende vermesting van het oppervlaktewater. Daarnaast heeft het wegvallen van voldoende maaibeheer in het verleden bijgedragen aan de achteruitgang van het habitattype (Provincie Noord-Holland, 2022). Volgens de concept natuurdoelanalyse is 15,84 ha van de 17,33 ha van het habitattype van goede kwaliteit. Hierbij wordt echter niet toegelicht op basis van welke aspecten deze beoordeling is bepaald (Provincie Noord-Holland, 2023).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=6d9fecd5-8468-4ca4-a634-1942bd150151