Brief van Stichting Natuur en landschap Het Gooi inzake Bezwaarschrift inzake bestemmingplan Buurtschap Crailo
Tekst van het document
Hierna geeft ze aanvullende adviezen voor twee onderwerpen. Autoparkeren in plangebied Het MER laat onvoldoende zien hoe eventuele parkeerproblemen in het plangebied opgelost kunnen worden als er méér auto’s gebruikt worden dan waar in het mobiliteitsplan vanuit is gegaan. De locatie van Crailo is immers goed bereikbaar voor de auto, er komt geen hoogwaardige openbaarvervoersverbinding en er zijn weinig voorzieningen in het gebied waardoor bewoners dus relatief meer zullen moeten reizen. Zeker voor de eerste bewoners zal autogebruik aantrekkelijk zijn. In de monitor zullen de parkeerproblemen met deze rekenmethode pas opvallen als de hogere traditionele norm overschreden wordt, waardoor maatregelen misschien te laat ingezet worden. Daarnaast adviseert de Commissie om de monitoring aan te vullen op de ambitieuze doelstelling voor parkeren. Op die manier kunnen de colleges van B&W tijdig signaleren of de eigen doelen gehaald worden en maatregelen achter de hand in zetten.
20
(Nieuwe) natuur Voor ecologie en biodiversiteit streven de drie gemeenten het hoogste ambitieniveau uit het Rad van Crailo na. Tegelijkertijd moet het voor bewoners en gebruikers mogelijk worden om in deze natuur te recreëren. Dit kan ertoe leiden dat, ten opzichte van de natuurbeheermaatregelen uit het achtergrondrapport (voetnoot 6 van het Toetsingsadvies), aanvullend beheer nodig is om beide ambities met elkaar te verenigen. De Commissie heeft vernomen dat voor de nieuwe natuur te zijner tijd een beheerplan wordt opgesteld. Zij beveelt aan om in dit beheerplan nadrukkelijk in te gaan op het spanningsveld tussen gewenste recreatie en geambieerde natuurkwaliteit in het nieuwe natuurgebied en aan de hand daarvan zo nodig aanvullende maatregelen te formuleren. Dit is van belang om aan de hand van uitkomsten van monitoring van de ontwikkelingen van de (nieuwe) natuur in Crailo zo nodig het beheer bij te kunnen sturen. In zwart omrand kader: ,,De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming over de bestemmingsplannen, om een monitoringsplan op stellen en maatregelen achter de hand te beschrijven voor mogelijke parkeerproblemen en mogelijke toenemende druk op natuur in het gebied.” Uit de hierna gevolgde aandachtspunten is duidelijk, dat de Commissie volstrekt ontevreden is over het MER-rapport.
In feite is er geen gevolg gegeven aan het eerdere advies [26 juni 2019, SNLG] van de Commissie over de reikwijdte van het toen nog op te stellen MER-rapport. ,,Aandachtspunten toegankelijkheid MER Tot slot geeft de Commissie nog enkele aandachtspunten mee om de toegankelijkheid van het MER te vergroten. Samenvatting energie en duurzaamheid Energie is een belangrijke ambitie voor Crailo: “De energievraag wordt naar een minimum beperkt, de energie die nodig is (zowel woningen, bedrijven als de elektrische mobiliteit) wordt lokaal op een duurzame manier opgewekt en uitgewisseld” (pagina 50, MER). De wijk wordt aardgasvrij ontwikkeld en er is een Energievisie Crailo (voetnoot 7 Toetsingsadvies) opgesteld. Uit deze visie blijkt dat individuele warmtepompen per woning of (woon)gebouw en zonnepanelen de meest duurzame oplossing is voor Crailo. Dit moet gecombineerd worden met zeer goede isolatie en warmteterugwinning. In het MER (pagina 82) is echter geconcludeerd dat de collectieve inzet (voetnoot 8 Toetsingsadvies) van warmtepompen en zonnepanelen op woning- en bedrijfsniveau het meest effectief zijn. Het is onduidelijk hoe de warmtevoorziening en zonnepanelen in de modellen zijn verwerkt.
Door het ontbreken van een overzicht en scherp onderscheid tussen de modellen, is het op dit moment niet duidelijk welke keuzes worden gemaakt en is ook niet helder of de gemaakte keuze voor het ‘aangepaste model C’ onderbouwd wordt door de achterliggende studies.
De Commissie geeft als aandachtspunt mee om in het MER duidelijk te maken welke oplossingen in de verschillende modellen zijn opgenomen en wat de bijbehorende milieueffecten zijn. Milieueffecten lucht, geur en geluid In het MER zijn drie modellen (A, B en C) uitgewerkt met een variatie in aantal/type woningen en omvang/categorieën bedrijvigheid. Daarmee zijn de ‘hoeken van het speelveld’ voldoende verkend. De effecten kunnen echter systematischer uitgewerkt worden en overzichtelijk in beeld gebracht worden in het MER. De Commissie beveelt aan om de effecten systematisch per thema en per situatie in beeld te brengen, zodat ook voor bestuurders en belanghebbenden op een toegankelijke 21
manier helder is welke kwaliteit van de leefomgeving te verwachten is. Onderscheid voor een systematische effectbeschouwing van lucht, geur en geluid de volgende drie situaties • effecten binnenplans aangezien er sprake is van de realisatie van bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen binnen het plan; • effecten voornemen (plan) op omgeving; • effecten omgeving op voornemen (plan); Voetnoten onderaan pagina 4: 2 Het Memo AERIUS-berekeningen gebiedsontwikkeling Crailo heeft het over de ‘autonome situatie’. 3 Daarnaast is geen rekening gehouden met stikstofdepositie verder dan vijf kilometer van de weg en is de materiaalinzet in de aanlegfase onvoldoende onderbouwd. De Commissie beveelt aan de meest actuele versie van het model te gebruiken bij berekeningen. 4 Pagina 8 van rapport Gebiedsontwikkeling Crailo, Onderzoek luchtkwaliteit, 3 december 2020, Arcadis. 5 De zienswijze van SNLG geeft aan dat dat zich op ca 220 m van het plangebied een verblijfplaats van de das bevindt. Voetnoot pagina 5: 6 Tauw: Biodiversiteit op Crailo, 2019. Voetnoten pg.6: 7 Door Merosch, 2019. 8 Het is onduidelijk wat bedoeld wordt met de combinatie van termen ‘collectieve inzet… op woningen bedrijfsniveau’. Collectieve inzet suggereert het concept van model C (collectief warmtenet met warmtepompen en WKO), maar de optie uit model B (individuele warmtepompen) heeft de voorkeur.
Deze terminologie komt niet uit de Energievisie. Tot zover dit commentaar door de SNLG op het advies van 16 maart 2021 van de Mer-Commissie. Als tweede bijlage worden hierbij twintig aandachtspunten uit de zienswijze van de SNLG van 23 februari 2021 meegezonden, die alle van ingrijpende aard zijn en die door de raden van de drie gemeenten in hun besluitvorming dienen te worden betrokken. Verdergaande, ernstige zorgen worden naast de door de Commissie aangeroerde milieu overwegingen naar voren gebracht die niet in het Advies van 16 maart 2021 van de Mer-commissie zijn verdisconteerd. Met vriendelijke groet en hoogachting, Mr.Drs. P.B.Ph.M. Bogaers, secretaris/vice-voorzitter SNLG Barbaragaarde 3 1403 JK Bussum Tel.nr.: 035-69235209 info@snlg.nl; bogaers.bussum@planet.nl --------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Vervolg bezwaarschrift van pagina 19. SNLG heeft gepersisteerd bij de beroepsgronden op 23 september 2022. Zie in onderling verband de stukken, gericht aan de ABRvS website https://snlg.nl/buurtschapcrailo/ , waaronder: 25 SNLG zevende brief aan ABRvS 7 december 2021 2020-Crailo-XV-24 reactie op drie beroepen en op verweerschrift 22
26 Crailo, 14de brief aan Raad van State, donderdag 8 september 2022 27 Pleitaantekeningen vrijdag 23 september 2022 ABRvS door SNLG P. Bogaers Buurtschap Crailodefinitief
Nota bene: De bepaling dat er geen schorsende werking aan bezwaarschriften wordt toegekend is staatsrechtelijk onaanvaardbaar en dient te worden geschrapt. Dit klemt te meer, wanneer de ABRvS de vaststellingsbesluiten van de drie raden van 7 juli 2021 vernietigt of besluit tot een bestuurlijke lus.
Bezwaar 18: Het bestemmingsplan Buurtschap Crailo van 7 juli 2021 is “ een mislukt experiment”. Het ontheffingsbesluit van 29 (23) augustus 2022 bouwt daar ten onrechte op voort. Het Ontheffingsbesluit is een “fruit of a poisonous tree”. Ter zitting van de ABRvS op 23 september knoopte de rapporteur van de Raad van State aan bij de mededeling in de pleitnotities van SNLG van 23 september 2022 (zie onder punt 2: Het bestemmingsplan Buurtschap Crailo is een buitenwettelijk en contrawettelijk plan: geen Bevoegd gezag voor de drie deelgebieden Gooise Meren, Hilversum, Laren, maar een mislukt experiment; De Raad van State wilde weten, waarom het Bestemmingsplan Buurtschap Crailo als een mislukt experiment dient te worden beschouwd. Hiertoe dient het volgende: 1ste : Het betreft een procedure in het kader van de Crisis en herstelwet. De toelichting op pagina 65 van de niet doorgenummerde 72 pagina’s van de Toelichting bij het bestemmingsplan vermeldt in Hoofdstuk 7 Juridische aspecten: << Hoofdstuk 7 Juridische aspecten 7.1 Inleiding Dit hoofdstuk behandelt de juridische grondslagen van dit bestemmingsplan. Paragraaf 7.2 omvat de opzet van de regels en verbeelding. Paragraaf 7.3 gaat in op de toelichting op de bestemmingsregeling.
Het bestemmingsplan is een gemeentelijk instrument waarin regels zijn opgenomen voor het gebruik (in de ruime zin van het woord) van gronden en bouwwerken. Zowel de burger als de overheid moet zich houden aan het bestemmingsplan. Door middel van een bestemmingsplan kan een gemeente haar doelstellingen op ruimtelijk ordeningsgebied handen en voeten geven. Dit geschiedt door het leggen van bestemmingen en daarbij aan te geven wat wel en niet is toegestaan. 7.2 Planmethodiek Dit bestemmingsplan vindt zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet. In artikel 3.1 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt. De uitvoering is een taak van burgemeester en wethouders. Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening bestaat een bestemmingsplan uit (plan)regels en de verbeelding. Deze twee onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd. Het bestemmingsplan gaat gepaard met een toelichting waarin de achtergronden en motivatie uiteen worden gezet. Voorliggend bestemmingsplan is ontwikkelingsgericht: het maakt de realisatie van Buurtschap Crailo mogelijk. Daarbij is onderhavig bestemmingsplan gebaseerd op het Besluit uitvoering Crisis en herstelwet (artikel 7c).
Het plan is daartoe aangewezen als experiment zoals vastgelegd in het kader van de 18e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Ambitiedocument Crailo (2017)). Dit bestemmingsplan kent een bredere reikwijdte dan alleen 'een goede ruimtelijke ordening', zodat hierin ook andere regelingen kunnen worden geïntegreerd en zodat regels vanuit een breder
23
motief, namelijk de gehele fysieke leefomgeving, kunnen worden gegeven. Daarbij kent het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte een geldigheidsduur van 20 jaar. Deze bredere reikwijdte sluit aan bij het omgevingsplan zoals dat vorm krijgt onder de Omgevingswet, hoewel het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet nog geen volwaardig omgevingsplan mogelijk maakt. In het bestemmingsplan is op onderdelen gebruik gemaakt van de mogelijkheden van verbrede reikwijdte. De onderdelen die specifiek in het bestemmingsplan zijn vastgelegd:
•
de looptijd van de het plan bedraagt 20 jaar(…) >>
2de : Het bestemmingsplan betreft dus een experiment (zie onder 1ste ). Een experiment is gericht op het bereiken en realiseren van tevoren nauwkeurig beschreven en vastgestelde, concrete doelen. Deze doelen dienen van tevoren nauwkeurig te zijn vastgesteld, zodat gedurende de looptijd van het experiment kan worden bepaald, of de doelen/ambities worden bereikt, en om na afloop van de looptijd (hier 20 jaar) de gestelde ambities/doelen zijn bereikt. 3de : Een correct uit te voeren experiment vergt een nauwkeurig monitorplan en het uitvoeren van deze monitoring dient nauwkeurig, transparant en door derden controleerbaar te worden uitgevoerd. 4de : Dit bestemmingsplan voldoet in geen enkel opzicht aan de eisen die aan een correct uit te voeren experiment dienen te worden gesteld (zie 2de en 3de). Zie hetgeen in het Toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r. van 16 maart is overwogen, hierboven geciteerd: ,,soorten Het MER geeft helder en correct aan dat de ontwikkeling van Crailo sterk negatieve gevolgen heeft voor beschermde soorten zoals vleermuizen en vogels. Het is overigens denkbaar, dat het voornemen ook negatieve gevolgen kan hebben op het leefgebied van de das (voetnoot 5 van het Toetsingsadvies).
Deze negatieve gevolgen kunnen volgens het MER verminderd/voorkomen worden door het terugbrengen van verblijfplaatsen van vleermuizen, door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, door afsluiten van natuur, of verlichting te beperken in het plangebied. Wat ontbreekt is inzicht in aard, omvang en beoogde realisatie van maatregelen die beogen de gunstige staat van instandhouding te behouden van soorten waarvoor het voornemen leidt tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Als gevolg hiervan maakt het MER niet inzichtelijk of de bestemmingsplannen uitvoerbaar zijn. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming over de bestemmingsplannen, inzicht te geven in de aard, omvang en de beoogde realisatie van maatregelen gericht op behoud van de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten met een negatief effect, zodat inzicht ontstaat in de uitvoerbaarheid van de bestemmingsplannen”
En voorts geeft de Commissie voor de m.e.r. het volgende advies: “(Nieuwe) natuur Voor ecologie en biodiversiteit streven de drie gemeenten het hoogste ambitieniveau uit het Rad van Crailo na. Tegelijkertijd moet het voor bewoners en gebruikers mogelijk worden om in deze natuur te recreëren. Dit kan ertoe leiden dat, ten opzichte van de natuurbeheermaatregelen uit het achtergrondrapport (voetnoot 6 van het Toetsingsadvies), aanvullend beheer nodig is om beide ambities met elkaar te verenigen. De Commissie heeft vernomen dat voor de nieuwe natuur te zijner tijd een beheerplan wordt opgesteld. Zij beveelt aan om in dit beheerplan nadrukkelijk in te gaan op het spanningsveld tussen gewenste recreatie en geambieerde natuurkwaliteit in het nieuwe natuurgebied en aan de hand daarvan zonodig aanvullende maatregelen te formuleren. Dit is van belang om aan de hand van uitkomsten van monitoring van de ontwikkelingen van de (nieuwe) natuur in Crailo zo nodig het beheer bij te kunnen sturen. In zwart omrand kader: ,,De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming over de bestemmingsplannen, om een monitoringsplan op stellen en maatregelen achter de hand te beschrijven voor mogelijke parkeerproblemen en mogelijke toenemende druk op natuur in het gebied.” >>
24
En zoals in de derde brief aan de ABRvS door SNLG naar voren is gebracht: “Uit de hierna gevolgde aandachtspunten is duidelijk, dat de Commissie volstrekt ontevreden is over het MER-rapport. In feite is er geen gevolg gegeven aan het eerdere advies [26 juni 2019, SNLG] van de Commissie over de reikwijdte van het toen nog op te stellen MER-rapport.”
5de: Noch voorafgaande aan de besluitvorming en definitieve vaststelling van het bestemmingsplan Buurtschap Crailo (7 juli 2021), noch in het Ontheffingsbesluit van GS van Noord-Holland (Omgevingsdienst NHN) van 23 (29) augustus 2022 is er ook maar sprake van welomschreven
eisen, te stellen aan een goede ruimtelijke ordening en aan welomschreven eisen, te stellen aan een zorgvuldig experiment of aan eisen te stellen aan van tevoren nauwkeurig omschreven doelen en criteria, om te bepalen of die doelen/ambities ook met betrekking tot natuur en landschap tijdens het experiment worden gerealiseerd of kunnen worden gerealiseerd. 6de : Het hele “experiment” is daardoor op voorhand mislukt. Door de doelen/ambities niet van te voren nauwkeurig te beschrijven en niet te toetsen op haalbaarheid, en door de adviezen van de Commissie voor de m.e.r. ten aanzien van monitoring en een nauwkeurig uit te voeren monitorplan in de wind te slaan, is het hele plan van meet af aan gebaseerd op ambtelijke en bestuurlijke willekeur en is dit plan in strijd met alle van toepassing zijnde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 7de : Alle mededelingen in de regels en de toelichting van het bestemmingsplan en alle
voorschriften en overwegingen in het Ontheffingsbesluit zijn “wasted words”, gebaseerd op wensdenken en dito “planologisch jargon en reclametaal”.
Bezwaar 19: Met het Ontheffingsbesluit van 23 (29) augustus 2022 geschonden bepalingen van de Awb zijn: art. 2:4 Awb (verbod van vooringenomenheid en het verbod van het nastreven van persoonlijke belangen bij te nemen bestuursbesluiten van tot het bestuursorgaan behorende personen of van voor het bestuursorgaan werkende personen, c.q GEM Crailo B.V. en de door GEM Crailo B.V. ingeschakelde ingenieursbureaus en ecologische bureaus , waaronder Arcadis en Tauw en AP Natuuradvies en Begeleiding). Zie al hetgeen hierover naar voren is gebracht vanaf 23 februari 2021 door SNLG richting de raden en vanaf 7 juli 2021 richting de ABRvS. Dit alles ligt onder rechter. Hetzelfde geldt voor strijd van het bestemmingsplan en daarop voortbouwende handelingen c.q. het Ontheffingsbesluit van 29 (23) augustus 2022 met de volgende bepalingen.
art. 3:2 Awb (zorgvuldige voorbereiding en vergewisplicht: bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen). In geen enkel opzicht kan worden volgehouden dat de behandelaar en GS ook maar in enig opzicht onafhankelijk van de aanvrager de nodige kennis hebben vergaard over de relevante feiten,
25
omstandigheden en belangen. Zonder ook maar enige toelichting wordt in het Ontheffingsbesluit alleen gesteld dat de behandelaar overtuigd is van de argumenten van GEM Crailo B.V.
art. 3:3 Awb (verbod van misbruik van bevoegdheid: ‘détournement de pouvoir’: het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend).
art.3:4 Awb (belangenafweging; evenredigheidsbeginsel: proportionaliteit en subsidiariteit: (1) het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. (2) de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de bij het besluit te dienen doelen).
art.3:9 Awb (vergewisplicht, controle op onderzoek van adviseur: indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden). Het bestuursorgaan zal er ook op hebben toe te zien dat de adviseur over de voor het onderzoek vereiste kwalificaties beschikt (Memorie van toelichting, Parlementaire geschiedenis Awb I, p. 220). De bepaling kan als een verbijzondering worden gezien van de algemene onderzoeksverplichting die art.3:2 op bestuursorganen legt, zie commentaar bij dit art.3:9 in Algemene wet bestuursrecht, derde druk, tekst & commentaar door P.J.J. van Buuren en T.C. Borman, 2001, Kluwer-Deventer.
art. 3:46 Awb (deugdelijke motivering: een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering). De motivering dient de beschikking of het besluit te kunnen dragen.
Art.3:47 Awb (vermelding van de motivering: de motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit(…). De motivering moet zodanig zijn dat zij inzicht biedt in de gedachtegang van het bestuursorgaan. Onvolledig is een motivering indien een deel van de motivering pas blijkt in de beroepsprocedure over het besluit (ABRvS, 3 november 1980, AB 1981,188). De motivering moet voor belanghebbenden duidelijk en begrijpelijk zijn.
Tot zover enige fundamentele bepalingen uit de Awb. Al deze bepalingen zijn in het geding. De motivering moet zodanig zijn dat zij inzicht biedt in de gedachtengang van het bestuursorgaan. Onvolledig is een motivering indien een deel van de motivering pas blijkt in de bezwaarprocedure dan wel beroepsprocedure over het besluit (ABRvS, 3 november 1980, AB 1981,188). De motivering moet voor belanghebbenden duidelijk en begrijpelijk zijn. Bij deze zaak dient hier als volledig overgenomen en ingelast te worden beschouwd al hetgeen door SNLG naar voren is gebracht in haar zienswijze van 23 februari 2021 en daarop volgende brieven aan de raden van Gooise Meren, Hilversum en Laren (totaal 13 brieven) en al hetgeen naar voren is gebracht aan de ABRvS in haar beroepschrift van 20 (21) september 2021 en daarop volgende brieven (totaal 14 brieven) annex de pleitnota’s van SNLG in twee opeenvolgende Voorlopige voorzieningen bij de Voorzieningenrechter van de ABRvS van 14 december 2021 en van 5 april 2022 en in beroep op 23 september 2022
26
In dit bezwaarschrift is op de onverenigbaarheid van het Ontheffingsbesluit van 29 (23) augustus 2022 met meerdere van deze wettelijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingegaan. Daaraan wordt het volgende toegevoegd
Centraal staat artikel 3:4 Awb jo. de overige bepalingen. Niet het nauwkeurig toetsen van de aanvraag aan de beschermingsregels van de Wnb bij de Omgevingsdienst NHN en GS van Noord-Holland staat voorop, maar in tegendeel het zonder omwegen dienstbaar zijn aan de verlangens van de GEM Crailo B.V. en daarmee van de raden die niet gehinderd willen worden door beschermingsmaatregelen ingevolge de Wnb ter wille van de in het besluit genoemde diersoorten en habitatseisen van planten en dieren. Essentieel leefgebied mag worden opgeofferd zonder te zich te realiseren, dat daardoor in casu het overleven van de dassenclan op het terrein van de Watertoren Laren, waarvan het essentiële leefgebied (= per definitie: het territorium) zich uitstrekt tot het hele plangebied Crailo en niet slechts tot enkele delen daarvan. Door 40 hectare van dit essentiële leefgebied af te pakken en verblijfplaatsen, pijpen en burchten [de wet maakt geen onderscheid tussen vluchtpijpen, bijburchten en hoofdburchten] van de Das te mogen vernietigen, wordt het overleven van de Dassenclan in het volledige dassenterritorium zonder nader onderzoek hiernaar te doen door Gedeputeerde Staten ernstig bedreigd. Het maakt GS evenwel niets uit. Alles is geoorloofd.
Geen enkele waarborg is gegeven of onderzocht op realiteitszin, dat de in het Ontheffingsbesluit voorgestelde kunstburcht ook maar enig soelaas biedt tegen vernietiging van deze clan.
Hetzelfde geldt voor alle soortgelijke overwegingen in het Ontheffingsbesluit over vernietiging van essentieel leefgebied, nesten, holen en verblijfsplaatsen van bunzing, boommarter, rode eekhoorn en alle andere bosdieren c.q. vogelsoorten, amfibieën, reptielen, insecten, andere invertebraten, plantensoorten, schimmels, en vegetaties, bodemleven etc.. Het Ontheffingsbesluit treft het hele ecosysteem op alle trofische niveaus: in feite alle levende organismen die behoren tot het ecosysteem in het plangebied. Over ree wordt ten onrechte helemaal niets gezegd in het ontheffingsbesluit. Dit is in strijd met artikel 1.11 Wnb, de zorgplicht c.q. het voorzorgsbeginsel. Reeën en alle wel in het besluit genoemde diersoorten hebben decennia lang een ”refugium” gevonden in dit plangebied Crailo, waar zij veilig zijn tegenover mens en hond, die in de directe omgeving van het plangebied Crailo hun verwoestende werking hebben op Natuurbrug Laarderhoogt en in de aanliggende heide- en bosterreinen van GNR en aanliggende terreinen van andere eigenaren.
De gestelde doelsoorten (planten en dieren) en vegetatie van ‘heischrale graslanden’ die na vernietiging door verstedelijking van het plangebied zich ter plekke zouden vestigen (en die als dierdoelsoorten worden genoemd: bruinblauwtje, witsnuitlibel, levendbarende hagedis, gekraagde roodstaart) zullen zich daar niet vestigen, gezien de huidige milieuomstandigheden, die reeds nu voorafgaande nog aan toekomstige verstedelijking het gebied kenmerken (eutroof, zuur, droog, nutriëntenrijk, overmaat aan stikstof), waarbij de kritische depositiewaarde voor heischrale graslanden reeds nu ver wordt overschreden. Zie de zienswijze van 23 februari 2021 en de tweede brief van SNLG aan de raden van 2 maart 2021 [tevens bijlage B van het beroepschrift van 20 september 2021, ABRvS] over fictieve reeds lang uitgestorven plantensoorten die bizar genoeg als doelsoorten zijn opgevoerd ter onderbouwing van de ambitie om tot “nieuwe natuur te komen”. Met de droogte en het gebrek aan water in dit
27
plangebied is geen enkele rekening gehouden in de fictieve grondslagen van het plan om tot “één samenhangend ecosysteem” te komen. Het aanleggen van poelen, waarover in het Ontheffingsbesluit wordt gesproken als een doeltreffend middel voor “nieuwe natuur” is een fictief, niet reëel doel of middel. Op deze ficties uit het bestemmingsplan bouwt het ontheffingsbesluit voort, als zou de hiermee toegestane vernietiging van bestaand essentieel leefgebied waarover het besluit spreekt van vleermuizen, bunzing, boommarter, das en rode eekhoorn, ook maar in enig opzicht tegemoet komen aan artikel 11.4.2 van de regels van het bestemmingsplan: Voorwaarden omgevingsvergunning: “ 11.4.2 Voorwaarden vergunning a. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in 11.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de direct of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan de natuurlijke waarden van het gebied, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden geschaad. b. Tot onevenredige afbreuk van natuurlijke waarden wordt in ieder geval gerekend; 1. Ruimtelijke aantasting; 2. Negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van lokale of regionale populaties van flora en/of fauna. c. Tot natuurlijke waarden wordt in ieder geval gerekend; 1. Natura 2000; 2. Natuurnetwerk Nederland;” 3.
Verbindingszones (inclusief faunapassages als ecoducten en tunnels); 4. Beschermde soorten.”
Wat de planbepalers (de raden en ecologische bureaus en Arcadis etc.) en GEM Crailo B.V. en nu Gedeputeerde Staten en de Omgevingsdienst NHN niet zien, is dat het bestemmingsplan en het Ontheffingsbesluit in elkaars verlengde liggen en zelf op onherstelbare wijze de vernietiging inhouden van lokale en regionale populaties van flora en fauna. Artikel 11 Natuur bepaalt in lid 1 Bestemmingsomschrijving: 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.duurzame instandhouding van natuurgebieden; b.behoud, versterking en ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde landschappelijke en natuurwaarden, in samenhang met de waterhuishouding; met daarbij behorende voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: c.watervoorzieningen; d.waterhuishoudkundige voorzieningen; e.wandel- en fietspaden.
De caoutchouc bepalingen in lid 1 onder a en b (“duurzame instandhouding van natuurgebieden, en: behoud, versterking en ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde landschappelijke en natuurwaarden, in samenhang met de waterhuishouding”) zijn in de omstandigheden in een nieuwe stadswijk met ca 1200 en meer bewoners en bezoekers en hun honden ecologisch onhoudbaar, en slechts een vorm van facelifting: propaganda dat de werkelijkheid niet dient.
En dit terwijl het Milieueffectrapport, het MER van 1 december 2020 [diep weggestopt op pagina 178/206 (in een eerdere editie identiek op p. 177/204, SNLG) het volgende wordt meegedeeld [https://www.planviewer.nl/imro/files/NL.IMRO.1942.BPChwCrailova01/b_NL.IMRO.1942.BPChwCrailo-va01_tb25.pdf]:
28
<< 12.3.3 Effectbeoordeling en mogelijke effectbeperkende maatregelen In navolgende tabel [12-8.latere toevoeging, SNLG] is de eindbeoordeling opgenomen van de drie modellen voor het onderdeel soortbescherming, zoals in voorgaande paragraaf is toegelicht. In de tabel is te zien dat de score voor alle drie de modellen zeer negatief is. Dat komt doordat in alle drie de modellen verblijfplaatsen aangetast worden van beschermde soorten zoals vleermuizen. Ondanks dat er voor vleermuizen wel voorzieningen worden getroffen om het verdwijnen van huidige verblijven te compenseren, is het verwijderen van verblijfplaatsen wel ontheffingsplichtig en heeft daarmee een significant negatief effect op de soortgroep. Het voornemen om het gebied in te richten voor wonen en werken leidt daarnaast ook tot een negatief effect (-) of een zeer negatief effect (- -) op andere beschermde soorten. In de hiernavolgende paragrafen worden mogelijkheden genoemd om de effecten voortvloeiend uit de drie modellen zo veel mogelijk te verminderen. Er zijn geen maatregelen die een positieve bijdrage hebben op de eindscore. Dit komt doordat onderdelen van het plan (in alle drie de modellen) ontheffingsplichtig zijn, zoals het slopen van gebouwen met vleermuisverblijven. Echter kunnen er wel nuancering worden aangebracht in de verschillen in omvang van de effecten voor de drie verschillende modellen.
Daarnaast kunnen er ook maatregelen worden getroffen om de impact op natuur te verminderen. Tabel 12-8 Eindbeoordeling van de drie modellen voor soortbescherming Soortgroep Eindscore
Model A --
Model B --
Model C --
Effecten van de modellen Ondanks dat de eindscore van de modellen niet onderscheidend is (zie voorgaande tabel 12-8), zijn er weldegelijk verschillen in de omvang van effecten tussen de modellen. Deze verschillen worden hieronder toegelicht.>>
SNLG: vervolgens wordt nader ingegaan op Model A, Model B en Model C, waarbij dit een tamelijk theoretische exercitie is geworden van wege de keuze voor het voorkeursmodel : uitgebreid Model C. << In model C zijn de bouwlocaties meer geclusterd, waardoor effecten van verstoring, ondanks dezelfde eindscore, in model C kleiner zijn dan in de modellen A en B. In model A is de nieuwe bebouwing gelokaliseerd op plekken waar in de huidige situatie ook bebouwing aanwezig is. Hierdoor is het effect van oppervlakteverlies in model A kleiner dan in model B en C. Daarnaast worden er in model A minder woningen gerealiseerd dan in de modellen B en C. In model A zijn de effecten van oppervlakteverlies daarom tevens kleiner. Ook zullen er in model A minder mensen wonen in de bebouwing, waardoor in dit model de effecten van verstoring door de aanwezigheid van mensen, geluid en licht minder zullen zijn. Om toch de hoeveelheid woningen zoals in model B in het plan te integreren en oppervlakteverlies te verminderen, is er de mogelijkheid om woningen vooral in de hoogte te bouwen (zoals flats/appartementen). In model A en model C maakt bos plaats voor heide en in model B maakt bos plaats voor gebouwen. Dit heeft een negatief effect op de huidig aanwezige bosssoorten.
Door bos te behouden op de plekken waar natuur kan worden ingericht/versterkt in bijvoorbeeld model C en geen heide aan te leggen, zal minder leefgebied verdwijnen voor soorten die in de huidige situatie aanwezig zijn. Ook zorgen bomen over het algemeen voor vermindering van de hoeveelheid lawaai afkomstig van het verkeer op de A1 en zal door aanwezigheid van bos minder stikstofdepositie 29
afkomstig van het verkeer op de A1 plaatsvinden op de heidegebieden ten zuiden van het plangebied. Verzuring/stikstofdepositie heeft een negatief effect op heideontwikkeling. Daarnaast is het de vraag of het aanleggen van heide binnen het plangebied ecologisch gezien zinvol is. De hoeveelheid heide in Model A is te klein om ecologisch relevant te zijn voor soorten afhankelijk van heide. De hoeveelheid in Model C is meer wenselijk, maar doet afbreuk aan de huidige populatie bossoorten. Het weglaten van heidepatches in model A leidt tot minder verstorende effecten en minder ruimtebeslag van de huidige natuurwaarden. Effectbeperkende maatregel Een verplichte mitigatiemaatregel tijdens de aanlegfase die het effect op beschermde natuurwaarden kan verminderen, is de verstorende werkzaamheden in het hele plangebied alleen uit te voeren buiten het broeden voortplantingsseizoen. Dit is verplicht omdat voor het vestoren of vernielen van (nesten van) vogels in het broedseizoen geen ontheffing verkregen kan worden. Ook daar waar gebouwen gesloopt worden waar vleermuisverblijven zijn vastgesteld, wordt vanuit het kader van de Wnb buiten de kwetsbare periode van vleermuizen gewerkt.
Door ook de overige werkzaamheden die in het kader van de Wnb niet verplicht zijn buiten het broedseizoen uit te voeren, wel buiten het broedseizoen uit te voeren, zal verstoring van vogels en vleermuizen verminderd worden. De schade aan het leefgebied neemt hierdoor niet af, maar de effecten van verstoring tijdens de aanlegfase (bouwlicht, geluid en visuele verstoring) worden wel verminderd. Deze mitigatiemaatregel is van toepassing op alle drie modellen.
Door natuurinclusief bouwen en de aanleg van nieuwe natuur vermindert het effect van aantasting van bestaande natuurwaarden niet. Daarom zijn dit geen effectbeperkende maatregelen. Mogelijke mitigatiemaatregelen tijdens de gebruiksfase die vooral de verstorende effecten beperken:
. Natuur afsluiten zodat mensen niet meer de natuur in kunnen. . Maaisel en plagsel gebruiken uit het omliggende NNN om natuur in het plangebied aan te leggen. . Verlichting beperken in het plangebied (waardoor uitstraling naar omliggende gebieden wordt beperkt >> Op pagina A52 bijlage bij het Milieueffectrapport wordt dan vermeld onder regel 18: “Biodiversiteit: Behoud bestaande waarden 4 natuurtypen, aansluitend bij natuurdoeltypen in omgeving a. Heischraal grasland (is soortenrijker, en realistischer in woonomgeving dan heide) (…) Onder regel 26: Biodiversiteit wordt daar vermeld: “Biodiversiteit: Verrijking soorten Toevoegen eetbaar bos (bramenstruiken, appelbomen, ,enz.) (voedseltuinen op de rand van dorp en landschap)” NB. Nergens in het MER wordt specifiek ingegaan op de eisen die de nu nog aanwezige grote zoogdieren (ree, das, vos, bunzing, boommarter, rode eekhoorn, egel, mol ) en aanwezige bosvogels (grote en kleine bonte specht, zwarte specht, buizerd, havik, bosuil e.a. ) in het plangebied stellen aan hun fysieke leefomgeving zoals rust, stilte , donkerte, reliëf, goed vergraafbare grond, afwezigheid van mensen en van honden, voedsel).
Dit geldt al helemaal voor de Das, die nergens in het MER wordt genoemd, overeenkomstig de rapporten van Tauw, waarin wel in het plangebied op camera geregistreerde dassen in 2019 en in 2020 worden weggeschreven als “een enkel zwervend exemplaar, dat door een gat in het hek naar binnen is gekomen”, of als “een enkel foeragerend exemplaar”. 30
NB. Juist door het onderzoek van SNLG op 25 september 2021 (de “Open dag op Crailo”) werd GEM Crailo B.V. ertoe gedwongen, de eerdere ontkenningen of bagatellisering door GEM Crailo en door TAUW van het belang van het plangebied Crailo als territorium van de Das niet langer vol te houden. Door SNLG werd het bestaan van dassenburchten in het plangebied aangetoond bij onderzoek op 25 september. Eerder mocht en kon niet, want onderzoek op het hermetisch afgesloten voormalige defensie terrein was door GEM Crailo B.V. verboden en niet toegestaan bij email van dinsdag 31 augustus 2021, 13:59 uur (bijlage 3, 2020-Crailo-XII-39). Er moest maar worden gewacht tot de Open Dag van Crailo op 25 september. Op 1 oktober 2021 is het verslag van 27 september 2021 van dit onderzoek van de SNLG (2020Crailo-XIII-42) gezonden als bijlage bij de derde brief van SNLG aan de Raad van State . Deze 3de brief aan de ABRvS wordt hier overgelegd als bijlage 4 (2020-Crailo-XIV-9, XIII-
42) en zie daar het verslag van 27 september onder kenmerk 2020-Crailo-XIII-42). De bevindingen van de SNLG van 27 september zijn bevestigd door de bioloog en dassenonderzoeker ir. A. Meijer van de SDWUG op zaterdag 27 november 2021 bij een gezamenlijk onderzoek met P. Bogaers op het Crailo-terrein, dat bij onderzoek op 25 september toch toegankelijk bleek te zijn. Op vele plekken was het terrein voor mensen toegankelijk door gaten in het hekwerk. Bioloog ir. Meijer heeft het veldonderzoek van 27 november 2021 beschreven in het toen nog niet definitieve rapport ‘Crailo-20211204-1’ van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & `t Gooi van 4 december 2021 ( kenmerk SNLG 2020-Crailo-XV-44, dat in dit bezwaarschrift niet wordt overgelegd, maar zie hierna bijlage 5, het definitieve rapport van 13 december). Het rapport van 4 december 2021 van ir. Meijer is door de SNLG overgelegd in de zevende brief van 8 december 2021 aan de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State als bijlage 94. Het daarop volgende, definitieve rapport van 13 december 2021 onder kenmerk Crailo-20211213 wordt hier overgelegd als bijlage 5 (2020-Crailo-XVI-38), met op de voorzijde een foto van P. Bogaers van 25 september 2021 van een bestendig gebruikte wissel van de Das onder het hekwerk door, dat het noordelijk deel van het plangebied scheidt van het zuidelijk daarvan gelegen Gebed zonder End.
Dit definitieve rapport <<Reactie op het document ‘Nadere beschouwing terreingebruik dassen Crailo’ van het adviesbureau Tauw BV>> is doorgeleid door de SNLG aan de Raad van State als bijlage 2 van de achtste brief van 28 januari 2022. De zevende brief van 8 december 2021 en de achtste brief van 28 januari 2022 zijn te vinden op de website https:// snlg.nl/buurtschap-crailo/. De inhoud daarvan dient in zijn geheel hier als volledig overgenomen en ingelast te worden beschouwd. Zie in de zevende brief ook paragraaf 3.5 op pagina 56 e.v. (“De verweren van Pot-Jonker advocaten betreffende het beroep van SNLG onder punten 40 t/m 59” en meer in het bijzonder en passend in de context van misleiding over de feiten door GEM Crailo B.V.: paragraaf 3.5.6 onder punt 55 t/m 56 over de Das op pagina 79 t/m 81 van de zevende brief: Dit deel van de zevende brief wordt in het navolgende kader 5 integraal weergegeven.
Het bezwaarschrift vervolgt op p. 33 -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------kader 5 pagina 79 t/m 81 van de zevende brief van de SNLG van 8 december 2021 aan de Raad van State over onder meer het verweerschrift van advocaat Binnerts van 4 november 2021.
31
Paragraaf 3.5.6 Het verweer onder punt 55 t/m 56 over de Das [van advocaat J.C. Binnerts, zijn dossiernaam: GEM Crailo B.V. / Bestemmingsplan Crailo) van 4 november 2021, verzonden dor de ABRvS op 11 november 2021 << 3.5.6 Het verweer onder punt 55 t/m 56 over de Das Het verweer is abuis en stoelt zich ten onrechte op een gezagsargument onder punt 55, als “dat Tauw terzake kundig is met zijn ecologen voldoende expertise en ervaringen om het onderzoek uit te voeren en conclusies te trekken over het gebruik van het plangebied door das. Daaruit is naar voren gekomen dat het plangebied geen functie heeft voor het in stand houden van vaste rust en verblijfplaatsen. Verweerders hebben zich dus bij hun besluitvorming kunnen baseren op voornoemd deskundig onderzoek” , om daar in
punt 56 aan toe te voegen naar aanleiding van de derde brief van de SNLG van 1 oktober 2021 en het daarin opgenomen verslag van 27 september 2021 door bioloog drs. P. Bogaers van het door hem op zaterdag 25 september op “de open dag” van Crailo uitgevoerde veldonderzoek naar het voorkomen van de Das: “ Reeds omdat dit onderzoek is uitgevoerd na de besluitvorming door verweerders doet dit aan de juistheid van die besluitvorming c.q. van het daaraan voorafgaande onderzoek [het laatste rapport dateert van 3 november 2020, SNLG] van Tauw niet af. De adviseur van verweerders heeft overigens aangegeven dat de getoonde holen en wissels waarschijnlijk door andere soorten dan de das zijn gecreëerd., Zo is er bijvoorbeeld een netwerk van burchten van vos rond de grondwallen waar een deel van de foto’s zijn gemaakt.”
Dit verweer noopt tot het volgende commentaar van de SNLG: (1) Verweerder verzuimt ook maar enig bewijs te overleggen, dat Tauw in dat deel van het plangebied een stelsel van holen van de vos heeft aangetroffen. Een beschrijving van de door Tauw in dat opzicht “waargenomen holen” is niet gegeven, niet van de vorm, hoogte en breedte, en evenmin van het al dan niet aanwezig zijn van een kussen van opgeworpen grond voor een ingang, en evenmin van de architectuur. Enige fotomateriaal van Tauw ontbreekt, en zo ook de aanduiding van de topografische locaties. (2) Ook hier bedient verweerder zich van een dooddoener, een onuitgesproken machtswoord. (3) Echter het verweer is in alle opzichten onjuist. (4) Met betrekking tot de datum van onderzoek is het een feit, dat het plangebied volledig is omheind en niet toegankelijk voor onderzoek. (5) Eerst kon het terrein worden betreden en onderzocht op de open dag, 25 september 2021. (6) Tauw had bericht in het rapport van november 2019 dat het terrein dor het hekwerk ontoegankelijk is voor ree en das (pagina 33/44). Mede vertrouwend op dat rapport had het geen zin om te proberen om toegang tot het terrein te forceren.
(7) Op 25 september 2021 bleek evenwel dat het terrein op meerdere plaatsen toegankelijk is doordat mensen het hekwerk van circa 2 meter hoog, ter plaatse over honderden meters versterkt met NAVO prikkeldraad , hebben opengeknipt. Verder bleken er op meerdere plaatsen mogelijkheden te zijn juist voor de das om onder het hekwerk door hun wissels aan te leggen. Bioloog en ecoloog P. Bogaers academisch en in de praktijk, cum laude opgeleid in de biologie aan de RUU heeft naar eer en geweten zijn onderzoek verricht en wist op grond van ervaring met dassenonderzoek van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht &`t Gooi hoe dassenburchten en dassenpijpen en hun wissels kunnen worden herkend aan vorm en architectuur. Zie de uitspraak van de ABRvS van 6 januari 2021 inzake het bestemmingsplan Speelpark Oud Valkeveen e.o. 2019 (ECLI:NL:RVS:2021 :7). Op www.snlg.nl zijn alle stukken te vinden. (8) In die zaak werd bioloog P. Bogaers geconfronteerd met falende ecologen, die het niet zo nauw nemen met hun verantwoordelijkheid tot zorgvuldig onderzoek en verslaglegging ten aanzien van de Das. De meervoudige kamer van de ABRvS keek daar doorheen. (9) Op zaterdag 27 november 2021 op een regenachtige dag heeft bioloog en ecoloog ir. A. Meijer, voorzitter van voornoemde stichting het terrein samen met P.
Bogaers bezocht, die een toegang op 25 september tot dit deel van het terrein bij de schietbanen had ontdekt. P. Bogaers liet dhr. 32
Meijer voorgaan naar de aan P. Bogaers bekende plekken waar hij de holen op 25 september had ontdekt. Ir. Meijer had de leiding en bepaalde wat hij zelf belangrijk vond. Hij maakte ook GPS waarnemingen. Het onderzoek duurde van 13.00 tot 15.10 uur, in het begin met stromende regen. Die ochtend had hij met dhr. Meijer de dassenburcht in het burchtbos in Oud Valkeveen bezocht. (10) Dhr. Meijer heeft op zaterdag 4 december 2021 zijn rapport over het onderzoek in het plangebied Crailo aan P. Bogaers per e-mail bezorgd. Zie bijlage 94. Bijlage 94 (2020-Crailo-XV-44): Veldonderzoek Das (Meles meles) Crailo 27 november 2021, rapportcode: Crailo-20211204-1 rapport van 4 december 2021 (doorgenummerd 7 pp.) Het rapport van 4 december 2021 dient hier als volledig overgenomen en ingelast te worden beschouwd. Zie de beschrijving van het onderzoek onder Methode, waarnemingen en interpretatie op p. 5/7. Aangetoond is hiermee , dat het verweer dient te worden verworpen.
(1) Er is sprake van aangetroffen burchten, die moeten worden beschouwd als bijburchten van de Das, die als zodanig in gebruik zijn.
(2) Elk van de burchten valt onder de bescherming van artikel 3.10 lid 1b Wnb. (3) Vanuit de omgeving van de legerplaats kunnen de clanleden via gaten in de omheining ongehinderd het terrein in- en uitlopen. Bij sommige van die gaten waren vage wissels zichtbaar die vermoedelijk regelmatig door dassen worden belopen.
(4) Niet het hele legerterrein werd zorgvuldig afgezocht en het is mogelijk dat zich in overige terreindelen nog andere burchten van de Das bevinden. Er is dan ook nader veldonderzoek wenselijk. NB. De foto op het voorblad is genomen door P. Bogaers op 25 september 2021. Op 27 november 2021 bleek het rechts op de foto gelegen bouwwerk met buizen te zijn gesloopt. Gelukkig was het bos met de burcht (de blauwe stip op het eerste kaartje rechtsboven gespaard. Het is de burcht die al op 25 september 2021 gemarkeerd was met twee omgeknakte lijsterbessen.
Vervolg bezwaarschrift van pagina 31 Naar aanleiding van de schriftelijke aankondiging van GEM Crailo B.V. aan direct omwonenden aan de oneven zijde van de Anne Franklaan in Bussum uit november 2021, dat begonnen zou worden met saneringswerkzaamheden, waaronder het slopen van gebouwen , heeft de SNLG gevraagd aan de uitvoerder, met wie contact opgenomen moest worden van Dura Vermeer op 3 december 2021. Eerst na de ontvangst door de raden van de zevende brief van de SNLG van 8 december 2021 aan de Raad van State volgde op 14 december 2021 een schrijven van directeur Nieuwenhuizen bij post, kenmerk: UIT/100693, Toegang tot het Crailo-terrein (Bijlage 6 , 2020-Crailo-XVII-11): << Op 3 december jl. heeft u contact gezocht met de heer Goes van Dura Vermeer met het verzoek tot toegang tot het Crailo-terrein. Uw verzoek is ingegeven door uw vrees dat bij de saneringswerkzaamheden die op dit terrein plaatsvinden overtredingen van de Wet natuurbescherming plaatsvinden ten aanzien van de das. Langs deze weg laat ik u weten dat ik geen aanleiding zie om u
33
deze toestemming te verlenen. De GEM Crailo is zich er uiteraard van bewust dat alle werkzaamheden die in het gebied plaatsvinden binnen de kaders van de Wet natuurbescherming plaats dienen te vinden. Het onderzoek van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht en `t Gooi d.d. 4 december 2021 dat als bijlage 94 bij de 7de brief aan de raad van State is opgenomen , is aanleiding tot het maken van een nadere terreininventarisatie. Door middel van deze terreininventarisatie wordt duidelijkheid verkregen of het gebruik van het terrein door de das inmiddels gewijzigd is ten opzichte van ons onderzoek dat basis was voor vaststelling van de bestemmingsplannen Buurtschap Crailo. Onderzoeksbureau TAUW heeft contact opgenomen met de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & `t Gooi met het verzoek of de werkgroep in de gelegenheid is om samen met TAUW deze terreininventarisatie te maken. Crailo voert tot een beter beeld is ontstaan geen saneringswerkzaamheden meer uit in de omgeving van de locatie met de mogelijke bijburcht en een mogelijk beschermde functie voor de das.
Aangezien de Dassenwerkgroep, in wie u afgaande op uw schrijven aan de Raad van State vertrouwen lijkt te stellen, benadert is om te participeren in de nadere terreininventarisatie met betrekking tot de das en werkzaamheden ter plekke opgeschort worden tot een beter beeld is ontstaan, is er geen aanleiding om ook u toegang tot het terrein te bieden. Ik ga er vanuit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, (was getekend, SNLG) Jan Nieuwenhuizen projectdirecteur >> Dit schrijven van de directeur van GEM Crailo B.V. J. Nieuwenhuizen is onder druk geschreven, Aan de ontkenningen en misleiding door GEM en Tauw van het duurzaam bestaan van de Das in het plangebied kon niet langer worden vastgehouden. Echter, Nieuwenhuizen probeert dit in zijn schrijven af te dekken met de mededeling op 14 december 2021 “Door middel van deze terreininventarisatie wordt duidelijkheid verkregen of het gebruik van het terrein door de das inmiddels gewijzigd is ten opzichte van ons onderzoek dat basis was voor vaststelling van de bestemmingsplannen Buurtschap Crailo.” Hier volgt de ene insinuatie de andere op. Eerst was Tauw volgens het Verweer bij de Raad van State van advocaat Binnerts van 4 november 2021 “terzake kundig en met zijn ecologen voldoende expertise en ervaringen om het onderzoek uit te voeren en conclusies te trekken over het gebruik van het plangebied door das.
Daaruit is naar voren gekomen dat het plangebied geen functie heeft voor het in stand houden van vaste rust en verblijfplaatsen.” en op 14 december 2021 wordt deze “terzake kundigheid” afgedekt en
weggeschreven met de eveneens onjuiste impliciete mededeling, als zouden de op 25 september 2021 door bioloog en ecoloog Bogaers waargenomen zes dassenpijpen, 13 wissels en meerdere latrines, later bevestigd op 27 november 2021 door bioloog Meijer, eerst zijn aangelegd en ontstaan na de onderzoeken van Tauw in 2019 en 2020 en na 7 juli 2021 (datum vaststelling bestemmingsplan Buurtschap Crailo. De cynische mededeling van heer Nieuwenhuizen op het eind van zijn schrijven onthult zijn aard: “Aangezien de Dassenwerkgroep, in wie u afgaande op uw schrijven aan de Raad van State vertrouwen lijkt te stellen, benadert is om te participeren in de nadere terreininventarisatie met betrekking tot de das en werkzaamheden ter plekke opgeschort worden tot een beter beeld is ontstaan, is er geen aanleiding om ook u toegang tot het terrein te bieden.”
34
De waarnemingen op 25 september 2021 en alle nadien gedane waarnemingen door biologen en ecologen drs. P. Bogaers en drs. A. Bijlard van de SNLG en alle waarnemingen van de eveneens academisch en praktisch hoog opgeleide biologen/ecologen dhr. ir. A. Meijer (met ruim 20 jaar ervaring in dassenonderzoek, SNLG) en mw. drs. A. Roestenberg (SDWUG) laatstelijk op 8 februari 2022 betreffen vele dassenburchten en -pijpen en talloze wroetsporen in het hele plangebied, wissels, onderdoorgangen onder de hekwerken rond het hele plangebied en tussen beide gebiedsdelen ten zuiden en ten noorden van het Gebed zonder End (daterend uit 1840) en tussen het zuidelijk plangebied en de omringende bossen van GNR en de wissels tussen de vitale hoofdburcht op het terrein van de Watertoren Laren en het plangebied. Deze waarnemingen lieten de ingesletenheid zien van de aangetroffen wissels ook onder de hekken. Deze ingesletenheid bewijst een meerjarig gebruik door de Dassenclan aldaar. Het gaat niet om een dassenclan dat zich recentelijk heeft gevestigd. De aangetroffen bewijzen van bewoning en gebruik van dit territorium van de das zien niet op een recente periode. Deze vele en overal voorkomende bewijzen van duurzame aanwezigheid zijn niet van recente datum, maar zijn vele jaren oud, daterend van ver voor de onderzoeken van Tauw in 2019 en 2020. Tauw herkende dit niet door onervarenheid en
onbekendheid met de leefwijze van dassen. Onderzoek naar de omvang en grootte van het territorium van de dassenclan van de Watertoren is tot en met de zitting van 23 september 202 bij de ABRvS niet gedaan door GEM Crailo B.V. en evenmin later door AP Natuuradvies en Begeleiding (rapport van 23 maart 2022). De bewering van Tauw ter zitting op 23 september 2022 bij de ABRvS in Den Haag, als dat de Dassenclan nauwelijks voedsel vindt in het plangebied Crailo en dat om die reden de clan aan de overzijde van Natuurbrug Laarderhoogt foerageert op de aan de noordzijde van de A1 gelegen heide en bossen was eveneens volledig uit de lucht gegrepen en niet onderbouwd. Ter zitting wees de SNLG er dan ook op, dat de gratuite mededelingen van Tauw uit de lucht waren gegrepen en spaak liepen op het feit dat aan de noordzijde van de A1 een andere dassenclan haar territorium heeft, zoals aan de Dassenwerkgroep Utrecht & `t Gooi bekend is uit eigen onderzoek en door haar is gerapporteerd in haar commentaar op het rapport van AP Natuuradvies en Begeleiding. Zie het te bespreken commentaar van 3 april 2022 (zie hierna p.39: bijlage 8, 2020-Crailo-XX-45) en dat naburige clans hun eigen territorium verdedigen tegen leden van een binnendringende das uit een andere clan.
Een dassenterritorium is immers niet alleen per definitie in zijn totaliteit essentieel voedselgebied, en tevens essentieel rustgebied en ook essentieel intern migratie gebied en daarenboven essentieel voortplantingsgebied en tot slot èn overkoepelend een essentiële verdedigingseenheid. Tauw citeert ook geen internationale wetenschappelijke onderzoeksliteratuur over de “The Social Badger” van Hans Kruuk of “Badger” van T.J. Roper etc. Op 8 februari 2022 bij een gezamenlijk bezoek van Tauw en GEM Crailo B.V. en ir. A. Meijer en mw. Roestenberg van de SDWUG en dhr. Kevin Meijer van de Omgevingsdienst NHN, die aanwezig was op verzoek van dhr. A. (Ton) Meijer bleek de dassenman van Tauw geen wroetsporen van de Das te kunnen herkennen. Zie hierboven de brief aan Omgevingsdienst NHN op p. 8 t/m 10. Gewezen op de wroetsporen van de Das door ir. Meijer, zei deze Tauw-deskundige dat die sporen door Ree worden gemaakt: “Dat doen reeën ook”. Reeën wroeten evenwel niet. Hun poten en hoeven zijn daarop niet gebouwd. Zij hebben geen lange scherpe klauwen als messen waarmee zij kluiten aarde omver kunnen trekken. Zij grazen en zij bijten en zijn niet opzoek naar regenwormen in de bodem. Al hetgeen Tauw in alle opgestelde rapporten over de Das heeft gemeld over het plangebied is gebaseerd op onkunde ter zake van het voedselzoekgedrag van de Das.
Dit is naar voren gebracht bij de ABRvS in voorlopige voorziening op 14 december 2021
35
Zie de tekst van de pleitnota van de SNLG van 14 december 2021 in kader 6
Het bezwaarschrift vervolgt op pagina 38 Kader 6: pagina 5 t/m 8 uit de Aandachtspunten, pleidooi SNLG in Voorlopige voorziening bij de Vz. ABRvS van 14 december 2021 <<(…)De SNLG stelt voor -in overleg met de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht en `t Gooi – dat door de GEM Crailo B.V. verzocht wordt aan de Stichting Dassenwerkgroep te vragen om dergelijk onderzoek te doen. Het is uit ervaring aan de SNLG bekend (zie onder meer de uitspraak van de ABRvS van 6 januari 2021 over het Bestemmingsplan Speelpark Oud Valkeveen e.o. 2019, ECLI:NL:RVS:2021:7, Zaaknummer(s)201908317/1/R1) dat de commerciële adviesbureaus niet die bekwaamheden in huis hebben, die nodig zijn om met een grote mate van deskundigheid, betrouwbaarheid en onpartijdigheid natuur- en milieuonderzoek te doen en hierover met acribie te rapporteren. Ir. A. Meijer is mede auteur van het Werkdocument Das van de BIJ 12. Hij is onafhankelijk en deskundig en is als bioloog en ecoloog – zonder winstoogmerk, een van de beste dassenonderzoekers met zijn team dat mede bestaat uit de dassenonderzoeker Hans Vink. Ir. Meijer is sinds 2001 onderzoeker van de das in Nederland en kent alle ins en outs van dit speurwerk, waar vele andere onderzoekers langs sporen en burchten en dassenpijpen en wissels, en wroetplekken en latrines heen lopen. Dhr. Meijer is doende een reactie te schrijven op de brief van Tauw van 9 december 2021.
Kort en bondig verwerpt de SNLG het betoog van Tauw. Men kan niet ’s nachts als men kijkt naar vleermuizen tevens letten op de das. Overdag zijn alle kenmerken in het landschap op te merken zoals hiervoor genoemd. Dat is ’s nachts onmogelijk in reliëfrijk, donker en ondoorzichtig bos. Men detecteert geen das met een batdetector. Camerawerk is aanvullend op fysiek sporenonderzoek, en zoals eenieder mag weten is camerawerk statisch. Tauw heeft ook geen bezoek gebracht aan de plaatsen waar P. Bogaers zijn onderzoek heeft uitgevoerd , later onderzocht op dezelfde plaatsen bij de schietbanen en tussen de schietbanen door. Dit gebied is door ir. Meijer eveneens bevonden als dassengebied te functioneren. Wordt het niet tijd om al hetgeen door de SNLG om te beginnen in de zienswijze van 23 februari 2021 naar voren is gebracht over ondeugdelijke opvattingen, uitgangspunten en onderzoeken van Tauw en Arcadis serieus te nemen? In ieder geval is overeenkomstig de wetenschapsopvatting van Karl Popper het onderzoek van Tauw door ons geverifieerd en verworpen als onjuist.
Wat Tauw beweert over “bekende inzichten over de aanwezigheid van dassen in het Gooi” op p. 2 / 2 is niet geadstrueerd en is een losse flodder. Tauw is er in 2019 gewoon langs heen gelopen. Tauw geeft ook geen beschrijving van vormkenmerken in het landschap waarop zij zouden hebben gele om al dan niet tot de aanwezigheid van dassen te kunnen besluiten., Tauw noemt ook niet wat zij precies heeft waargenomen en waar precies om te kunnen stellen zoals in het verweer is gebeurd: “het 36
waren vossen bij de schietterreinen”. Dit is overigens een moeilijk toegankelijk gebied, waar je voortdurend moet uitkijken ook overdag waar je loopt om niet te vallen en je te verwonden. Hoe Tauw zich meent te kunnen beroepen op de NDFF is een raadsel, waar dit terrein niet toegankelijk is voor natuurliefhebbers en er alleen al om die reden geen waarnemingen worden gedaan door passanten (die daar niet komen), die deze dan zouden kunnen melden aan de NDFF. De meldingsquote bij de NDFF wordt onder deskundigen over de IJsvogel (een niet te miskennen soort) op minder dan 47% geschat in de Amsterdam e.o. Het overgrote deel van potentiële waarnemingen (53%) wordt niet gemeld bij de NDFF en Waarneming.nl . (Lezing door Jan Jongejans, coördinator en GIS expert IJsvogelwerkgroep Amsterdam op 1ste nationale IJsvogeldag Nederland, Hilversum, 23 maart 2019 SOVON, verslag door P. Bogaers, 22 pp. van 1 maart 2019): https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/PDFjes/verslag_eerste_landelijke_ijsvogeldag_en_programma_23-2-2019.pdf “(….) 2.6 Jan Jongejans, coördinator ijsvogelonderzoek Vogelwerkgroep Amsterdam: “Werkwijze monitoring Groot Amsterdam”. (Voetnoot PB: Jongejans is ook cartograaf en heeft eerder technisch perfecte kaarten gemaakt voor de ijsvogelwerkgroep en een stadsecoloog van Amsterdam.
Hij werkt met GIS, het Geografisch Informatie Systeem; op internet te vinden onder GIS, geografisch informatiesysteem (meestal afgekort tot GIS) is een informatiesysteem waarmee (ruimtelijke) gegevens of informatie over geografische objecten, zogeheten geo-informatie kan worden opgeslagen, beheerd, bewerkt, geanalyseerd, geïntegreerd en gepresenteerd. Meer informatie is te vinden via Google, en Esri Nederland, en bij Jongejans zelf). Jongejans legde het volgende uit: “Sinds 2016 ben ik, samen met Rob van Leeuwen, betrokken bij het ijsvogelonderzoek in het werkgebied van de Vogelwerkgroep Amsterdam. Het netwerk bestaat uit 80 contactpersonen. Wij werken samen met ‘Waarneming.nl’ en met het NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). Via GIS kun je heel gemakkelijk kaarten maken. Zo kan je aantallen broedgevallen per stadsdeel en gemeente registreren en weergeven. Overigens komt veruit het overgrote deel van meldingen van broedgevallen binnen via de eerste bron: een netwerk van ongeveer 80 individuele waarnemers. Een deel van de waarnemers is georganiseerd in actieve ijsvogel-vrijwilligersgroepen. Dit gebeurt in Amsterdam-Noord, het Amsterdamse Bos en in het Diemerpark.
Dat het uitsluitend gebruik maken van gegevens uit Waarneming.nl en NDFF een onvolledig beeld oplevert, blijkt uit het volgende percentage: liefst 53% van de ijsvogel broedgevallen in Amsterdam in 2018 is niet te herleiden tot gegevens van Waarneming.nl en NDFF. Een opmerkelijk gegeven in het ‘digitale’ tijdperk”.
Het begrip “optimaal foerageergebied “, gehanteerd door Tauw is eveneens misleidend en suggestief, en zo ook het woord “incidenteel gebruik”. De eiken in dit gebied leveren een ijzeren voorraad van eikels, die behoren tot het voedsel van de das. Tauw poogt haar falen verhullen met nieuwe fantasieën. Ook nu geeft Tauw geen beschrijving van hier een dassenburcht en dassenpijp eruit ziet. En hoe Tauw verzint dat aangetroffen mestputjes en wroetsporen “getuigen van incidenteel gebruik” van dit gebied is in strijd met het anti-verzinsel beginsel. Wroetplekken en latrines vormen een 37
wezenskenmerk van een dassentterritorium waarbij een hoofdburcht zich bevindt op het terrein van de Watertoren Laren, op ca. 220 meter afstand van het meest nabije hek van het plangebied gelegen. Dassen zijn ook gesignaleerd op de Natuurbrug Laarderhoogt, met een passage per week op camera vastgelegd (WenR, dec. 2020). WenR beschrijft in dat rapport ook de gebrekkigheid Van onderzoek met camera’s.
Er is geen sprake van een gewijzigde situatie sinds het onderzoek van Tauw in 2019 en in 2020, maar van het langs de dassensporen heen kijken door Tauw. Tauw specificeert ook niet welke voorbeelden zij kent van gewijzigd gebruik dor de das van een terrein. Het is allemaal niet te controleren wat Tauw beweert en stelt.. Kortom: men verhult het eerdere falen door nieuwe ongegronde argumenten. Zelfs als het argument van “een niet optimaal foerageergebied voor de das“ op zou gaan, heeft Tauw niet begrepen, dat dit gebied juist behoort tot het territorium van de das, dat gedefinieerd wordt als essentieel territorium voor het vinden van voedsel, rust, voorplanting en migratie/voedselzoekgedrag door de dassenclan van een territorium dat ook verdedigd wordt tegen binnendringen van andere dassenclans. Interessant is dat Tauw niet uitgaat van de (inter)nationaal wettelijke verplichting van het beschermen van territoria van wettelijk beschermde diersoorten als de das, maar van het kunnen aanvragen van ontheffing van de wettelijke bescherming. Het advies van Tauw tot nader onderzoek wordt geapprecieerd dor de SNLG, maar dit kan niet woerden overgelaten aan Tauw. Dit alles ziet ook op het ontbreken van nader onderzoek op de effecten van voortgaande sloop en sanering in dit plangebied en de effecten daarvan op de das en zijn habitat.