Bijlage 1: Bestemmingsplan (ontwerp)
Tekst van het document
Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht blijkt dat er binnen het plangebied geen primaire- en/of regionale waterkeringen aanwezig zijn.
45
Riolering De nieuwe woningen, werkvilla en het werkgebouw worden aangesloten op het gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Vooroverleg Waterschap In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft nadere afstemming met waterschap Amstel, Gooi en Vecht plaatsgevonden. Formeel zijn er geen waterbelangen in het gedrang, gezien de vrije verhardingsvoet van 1.000 m2 en het ontbreken van watergangen in het gebied. Los daarvan voorziet het plan wel in infiltratievoorzieningen voor berging en infiltratie van al het hemelwater op eigen terrein.
5.8 Veiligheid 5.8.1 Externe veiligheid De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart externe veiligheid:
Uitsnede risicokaart externe veiligheid (plangebied is zwart omcirkeld)
Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig zijn. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
46
hoofdstuk 6 Implementatie 6.1 Planmethodiek De regelgeving, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening, biedt de gemeente de mogelijkheid tot het opstellen van bestemmingsplannen met een grote mate van flexibiliteit en globaliteit. Planvormen kunnen zodanig worden gekozen dat ingespeeld kan worden op zich wijzigende omstandigheden en op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen, zodat in veel gevallen het bestemmingsplan minder vaak behoeft te worden aangepast. Bij de opzet van dit bestemmingsplan is gekozen voor gedetailleerde planregeling die de bouw van de woningen en andere gebouwen mogelijk maakt. Op basis van de bepalingen van een eindbestemming kunnen direct omgevingsvergunningen worden afgegeven, indien de aanvraag past binnen de bestemmingsomschrijving en de bebouwingsbepalingen. In deze gevallen is sprake van een 'directe bouwtitel'.
6.2 Bestemmingsregeling Een bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de toelichting, de regels en een verbeelding. De verbeelding en de daarin aangewezen bestemmingen en planregels vormen tezamen het juridische plan. De toelichting heeft geen rechtskracht. In de toelichting worden de achtergronden en beweegredenen aangegeven die hebben geleid tot de bestemmingen. De regels omvatten de omschrijvingen van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel wordt aangegeven. In deze paragraaf wordt ingegaan op de juridische opbouw van het plan. Aan de orde komen onder meer de opbouw van de regels, de relatie tussen regels en verbeelding en de beschrijving van de in de regels vastgelegde bestemmingen.
6.2.1 Verbeelding De verbeelding van het analoge bestemmingsplan bestaat uit één blad. Met behulp van kleuren, letteraanduidingen en/of arceringen zijn de verschillende gebieds- en functionele bestemmingen weergegeven. Voor dit plan zijn dat drie dubbelbestemmingen, voor archeologie, beeldbepalende bomen en de ligging binnen het beschermde stadsgezicht. De bestemmingsbegrenzingen volgen zoveel mogelijk kadastrale en/of topografische grenzen dan wel de opzet van de verkaveling waar dit afwijken van de kadastrale en/of topografische grenzen. Bij de opzet van de verbeelding is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).
6.2.2 Regels De regels bevatten de juridische regeling voor het gebruik van de gronden, bepalingen over de toegelaten bebouwing en een regeling over het gebruik van bebouwing. De regels, die zijn onderverdeeld in artikelen, worden hierna (indien nodig) toegelicht. Bij de opzet van de regels is aangesloten bij de SVBP2012 en de bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening. De artikelen bevatten bepalingen over de specifieke bestemmingen in het plan. De opbouw van deze artikelen is steeds gelijk, conform de eisen van de SVBP2012. Indeling hoofdstukken De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn:
47
1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1. Inleidende regels In de Inleidende regels worden de gebruikte begrippen beschreven (artikel 1). Daarnaast worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop gemeten moet worden (artikel 2). Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels De Bestemmingsregels bevatten de volgende bestemmingen: Gemengd - 1 (artikel 3), Groen (artikel 4), Tuin - 1 (artikel 5), Tuin - 2 (artikel 6), Verkeer - Verblijfsgebied (artikel 7), Wonen (artikel 8), Waarde Archeologie (artikel 9), Waarde - Beeldbepalende boom (artikel 10), Waarde - Beschermd stadsgezicht (artikel 11). De bestemmingsregels worden hieronder nader toegelicht. Uitgangspunt van het plan is dat binnen het plangebied niet meer dan 6.560 m 2 bvo aan bebouwing gerealiseerd mag worden. Dit heeft geleid tot een zeer specifieke regeling waarbij binnen de bestemming 'Gemengd - 1' en 'Wonen' op de verbeelding per bouwvlak is opgenomen hoeveel m2 bebouwd mag worden. Specifiek voor 'Wonen' geldt dat de opgenomen bvo's evenredig verdeeld moeten worden over de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw. Omdat de exacte perceelgrenzen nog niet vastliggen is gekozen voor een verbale regeling. 'Gemengd - 1' De bestemming 'Gemengd - 1' is opgenomen voor de gebouwen en gronden t.b.v. het werken in dit plan.
Ter plaatse van deze bestemming zijn onder andere kantoren, dienstverlening, en bedrijven van ten hoogste categorie 2 van de in de bijlage bij de regels opgenomen 'staat van Bedrijfsactiviteiten' toegestaan. Voor het bouwen geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd, waarbij het bouwvlak voor 100% mag worden bebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte staat op de verbeelding aangegeven. De bijbehorende bouwwerken mogen binnen het achtererfgebied worden gebouwd, niet minder dan 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn met een maximum oppervlak van 50 m². Daarnaast gelden verschillende bouwhoogtes, variërend van 4,00 tot 5,00 meter, voor de bijbehorende bouwwerken en vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Binnen deze bestemming mogen tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. 'Groen' De groenstroken binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd. De bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen en de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m². Voor een goede inpassing qua privacy is binnen deze bestemming een regeling opgenomen dat afschermd groen moet worden aangelegd en in stand gehouden.
'Tuin' Aan de voorzijde van de woningen is voor de tuinen de bestemming 'Tuin - 1' opgenomen. Hier zijn tuinen met de daarbij behorende voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Er mag een erker worden gebouwd met een hoogte van ten hoogste de begane grondlaag van het hoofdgebouw. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een bouwhoogte van 1,00 meter. Binnen de bestemming 'Tuin - 1' mag niet geparkeerd worden. Voor de woningen in het ‘binnen gebied’ is de bestemming ‘Tuin – 2‘ opgenomen. Deze regeling is identiek aan de regeling voor ‘Tuin – 1’ met dien verstande dat binnen ‘Tuin – 2’ wel geparkeerd mag worden in de tuin. 'Verkeer' De wegen en parkeervoorzieningen binnen het plangebied zijn bestemd met de bestemming 'Verkeer Verblijfsgebied'. Naast het wegverkeer en de parkeervoorzieningen is openbaar groen binnen deze bestemming toegestaan. Voor de gronden met deze bestemming geldt dat uitsluitend bouwwerken ten
48
dienste van de bestemming worden gebouwd. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 3,00 meter, met uitzondering van verlichting en verkeersregulatie die niet meer dan 6,00 meter mogen bedragen. 'Wonen' Binnen de bestemming 'Wonen' is het wonen in twee-onder-één-kapwoningen en gestapelde woningen toegestaan, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit met de daarbij behorende voorzieningen. Onder de daarbij behorende voorzieningen vallen alle voorzieningen die behoren bij het wonen zoals een pad naar de woning of een terras in de achtertuin. Maar bijvoorbeeld ook tuinmeubilair. Voor het bouwen geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd. Op de verbeelding staat het maximum aantal wooneenheden aangeduid. Ook de maximum goot- en bouwhoogte staat op de verbeelding aangegeven. Het is niet toegestaan om zelfstandige woningen voor meervoudige bewoning te verbouwen en/of te gebruiken. Ook de verbouw en/of gebruik voor onzelfstandige woonruimte is dus niet toegestaan. De bijbehorende bouwwerken mogen binnen het achtererfgebied worden gebouwd, niet minder dan 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn met een maximum oppervlak van 50 m².
Daarnaast gelden verschillende bouwhoogtes, variërend van 4,00 tot 5,00 meter, voor de bijbehorende bouwwerken en vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Binnen deze bestemming mogen tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. 'Waarde - Archeologie' De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen voor de noordelijk gelegen gronden. Ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de aanwezige archeologische waarden. 'Waarde - Beeldbepalende boom' Op twee plaatsen binnen het plangebied zijn beeldbepalende bomen aanwezig. Voor het behoud van deze aanwezige beeldbepalende bomen is de dubbelbestemming 'Waarde - Beeldbepalende boom' opgenomen. 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' De planlocatie maakt onderdeel uit van een beschermd stadsgezicht. Derhalve is de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' opgenomen. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de uitbouw van de aanwezige cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. Hoofdstuk 3.
Algemene regels 'Antidubbeltelregel' De antidubbeltelregel (artikel 12) strekt ertoe te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw een tweede keer zou kunnen worden gebruik gemaakt. Aangesloten is bij de standaard antidubbeltelregel die in het Bro is opgenomen. 'Algemene bouwregels' De algemene bouwregels (artikel 13) bevat een regeling die bepaalt dat ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing worden gelaten bij de toetsing van maten die volgens het plan zijn gegeven. Het gaat bijvoorbeeld om overstekende goten, luifels, kozijnen en dergelijke. 'Algemene gebruiksregels' In de algemene gebruiksregels (artikel 14) is bepaald welk gebruik in ieder geval als verboden en welk gebruik als toegestaan wordt aangemerkt. Daarnaast is bepaald dat bij een gebouw ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto's parkeervoorzieningen in de juiste mate ruimte moeten worden aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Daarbij dient te worden voldaan aan de 'Beleidsregels Parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen Hilversum 2017' die als bijlagen bij de regels bijlage 2 zijn opgenomen.
49
'Algemene afwijkingsregels' Artikel 13 bevat de algemene afwijkingsregels en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Via een door burgemeester en wethouders te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoering voor bouwwerken worden aangebracht en kunnen onder meer (openbare) nutsvoorzieningen, waterstaatkundigeof verkeerstechnische voorzieningen en waterstaatkundige of verkeerstechnische voorzieningen en straatmeubilair, kunstobjecten, informatievoorzieningen en/of reclame worden gerealiseerd. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels 'Overgangsregels' Het overgangsrecht dat in het Besluit ruimtelijke ordening is opgenomen, staat in artikel 16. Indien de in het plan opgenomen regels, voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande, legale situatie, dan zijn daarop de overgangsbepalingen van toepassing. De overgangsbepaling heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe bestemmingsbepalingen dan wel bebouwingsbepalingen plaatsvindt. Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan.
Het doel van het overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden. Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan. Vergunningsplichtige bouwwerken, die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Wabo die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt. Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt. Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht. Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan van het overgangsrecht, is uitgesloten. Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan.
'Slotregel' In de regels van het bestemmingsplan wordt in de Slotregel (artikel 17) aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
6.2.3 Staat van bedrijven Het bestemmingsplan maakt gebruik van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is opgesteld. Het is een hulpmiddel om te bepalen in welke milieucategorie het exploiteren van een bedrijf zit. Het exploiteren van een bedrijf is gedefinieerd als (het exploiteren van) een onderneming of instelling gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. De Staat van bedrijfsactiviteiten is geen planologisch instrument in de zin van dat het bepaalt welke activiteiten zijn toegestaan. Dat wat is toegestaan staat in de regels van het bestemmingplan. In het bestemmingsplan is de hele Staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG gebruikt. Daarin staan meer activiteiten dan alleen 'het exploiteren van een bedrijf'. Om misverstanden te voorkomen wordt hier nog opgemerkt dat de regels bepalen welke activiteit binnen een de bedrijfsbestemming is toegestaan. Als de regels aangeven dat in een bedrijf is toegestaan, dan is dat dus toegestaan. Tevens is aangegeven dat alleen een bedrijf in een bepaalde milieucategorie is toegestaan en dan kan de Staat van bedrijfsactiviteiten worden geraadpleegd om na te gaan in welke milieucategorie het exploiteren van dat bedrijf valt.
50
In de algemene Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn ook andere activiteiten opgenomen dan alleen bedrijven zoals bedoeld in dit bestemmingsplan. Bijvoorbeeld horeca. Ondanks dat deze in de algemene Staat van bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen zijn deze activiteiten niet toegestaan als alleen de bestemming bedrijf is gegeven aan een perceel.
6.3 Handhaving Het bestemmingsplan is bindend voor burgers, bedrijven, maatschappelijke instellingen en voor de overheid zelf. Het afdwingen van het naleven van het bestemmingsplan is, met behoud van ieders verantwoordelijkheid, in eerste instantie een taak van de gemeentelijke overheid. Er is veel aandacht besteed aan voorlichting met betrekking tot de consequenties die een gevolg zijn van het vaststellen van dit bestemmingsplan. Daarnaast is er veel aandacht voor een effectieve en doelgerichte controle op zaken die in het bestemmingsplan zijn geregeld. Voor de controle en handhaving van het bestemmingsplan is samenwerking in brede zin een noodzaak. In het plangebied is een scala aan regelgeving van toepassing, zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Woningwet, de Wet milieubeheer, de Provinciale Milieuverordening, de Algemene Plaatselijke Verordening, die samenwerking binnen de overheid noodzakelijk maakt. Op die manier kan het hoge ambitieniveau gestalte krijgen. Het zich niet houden aan de regels doet afbreuk aan de kwaliteit van het plangebied; daadwerkelijke handhaving heeft voor de samenleving een belangrijke waarde. Tegen illegale situaties zal worden opgetreden.
6.3.1 Preventief en repressief toezicht Preventieve handhaving van het bestemmingsplan gebeurt bij de beoordelingen van omgevingsvergunning om te bouwen, af te wijken van het bestemmingsplan en om werken of werkzaamheden uit te voeren (voorheen: aanlegvergunning). Daarnaast wordt bij controle van verleende omgevingsvergunningen, maar ook aan de hand van geconstateerde illegale situaties, klachten e.d. repressief gehandhaafd.
6.3.2 De instrumenten Een overtreder riskeert:
•
•
•
dat publiekrechtelijke sancties plaatsvinden (dwangsom of bestuursdwang). Een last onder dwangsom is een veel toegepast middel om te zorgen, dat de overtreder door middel van het verbeuren van een bepaald bedrag ertoe moet weerhouden de overtreding voort te zetten. Mocht een dwangsom niet het gewenste effect hebben dan kan de gemeente bestuursdwang toepassen hetgeen er op neer komt dat de gemeente datgene doet wat de overtreder behoort te doen of verhindert dat hij/zij doet wat niet mag. Een en ander op kosten van de overtreder; dat strafrechtelijke vervolging plaatsvindt. Overtreding van bepaalde bestemmingsplanregels zijn strafbare feiten. De bevoegdheid tot het instellen van vervolging op grond van het strafrecht berust bij het Openbaar Ministerie. Daartoe wordt een proces-verbaal tegen de overtreder opgemaakt en vindt vervolgens strafrechtelijke vervolging plaats. Strafrechtelijke vervolging kan plaatshebben in combinatie met de hierboven genoemde bestuursrechtelijke dwangmiddelen. Bijzonderheid hierbij is dat de Wet Economische Delicten op overtredingen van het bestemmingsplan van toepassing is, wat inhoudt dat de strafmaat aanzienlijk is verzwaard; de bestuurlijke boete. Door de uitbreiding van de bestuurlijke handhaving met de bestuurlijke boete kan de handhaving verder worden geïntensiveerd.
De gemeente krijgt daardoor extra mogelijkheden om daadkrachtig en snel op te treden tegen overtredingen.
Aan de hand van recente luchtfoto's kan achterhaald worden wat er aan bebouwing aanwezig is op alle percelen in het plangebied. Eventuele bebouwing die illegaal (zonder vergunning) gebouwd is, en waartegen wordt, of alsnog kan worden opgetreden, wordt niet automatisch gelegaliseerd met het nieuwe bestemmingsplan. Dit geldt ook voor een eventueel gewijzigd gebruik van opstallen waarvoor geen toestemming is gevraagd dan wel verleend. Van geval tot geval zal bezien moeten worden of sprake is van een situatie die alsnog voor legalisatie in aanmerking komt of niet.
51
6.3.3 Prioriteiten in de handhaving Voor de handhaving van illegale situaties op het gebied van ruimtelijke ordening, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Woningwet, Bouwbesluit, Bouwverordening en Monumentenwet zijn beleidsregels vastgesteld. Het college moet jaarlijks haar beleidsvoornemens in het kader van handhaving van de bouwregelgeving bekend maken. Ook moet jaarlijks verslag worden gedaan over de uitvoering van het handhavingsbeleid. Het handhavingsbeleid vormt het kader voor een jaarlijks vast te stellen handhavingsprogramma. In de beleidsregels zijn prioriteiten gesteld (hoog, middelhoog en laag). De hoogste prioriteit richt zich tot onveilige situaties in zijn algemeenheid en tot veranderingen van percelen en gebouwen zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Tegen overtredingen met een hoge prioriteit zal onmiddellijk handhavend worden opgetreden. Overtredingen uit de categorie met een middelhoge prioriteit, zoals erfafscheidingen, bijgebouwen en uitbreidingen aan de achterzijde zullen op de gebruikelijk wijze binnen de werkvoorraad worden afgehandeld. Bovenstaande wil niet zeggen dat tegen geconstateerde illegale situaties met een lage prioriteit bijvoorbeeld aan de achterzijde niet zal worden opgetreden. Te denken valt om jaarlijks thematisch overtredingen met een lage prioriteit in het handhavingsprogramma op te nemen.
6.3.4 Planinformatie Het bestemmingsplan komt niet zomaar tot stand, maar is met veel publiciteit omgeven. Het bestemmingsplan is altijd in te zien. Daarnaast zijn er ook folders over de bouwregelgeving verkrijgbaar. De gemeentelijke organisatie is er bovendien op ingesteld nadere uitleg te geven. Velen maken daarvan gebruik. Niemand hoeft dus het risico te lopen om als gevolg van een gebrek aan kennis verkeerde beslissingen te nemen.
6.4 Economische uitvoerbaarheid Met de Wet ruimtelijk ordening beschikt de gemeente over mogelijkheden voor kostenverhaal op particuliere ontwikkelaars in een plangebied. Zijn de kosten van de ontwikkeling niet op een andere manier verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten met grondeigenaren over de kosten van de ontwikkeling) dan moet de gemeente een exploitatieplan vaststellen, waarin die kosten worden benoemd. Het exploitatieplan loopt mee met de procedure van het bestemmingsplan. Daarmee wordt een exploitatieplan mede een toetsingsgrond bij omgevingsvergunningen. De gemeenteraad kan evenwel bij vaststelling van het bestemmingsplan besluiten om géén exploitatieplan vast te stellen. Dat kan de raad alleen doen, indien de kosten dus op een andere wijze zijn verzekerd en er verder geen extra eisen aan locaties hoeven te worden gesteld. Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening hierin is ook het verhaal van eventuele planschade geregeld.
6.5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.5.1 Overleg In aanloop tot de planontwikkeling is meerdere keren gesproken met de buurt. Van deze bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt die onderdeel zijn geweest bij de besluitvorming rondom het stedenbouwkundig plan. Als gevolg van de participatie zijn verschillende planaanpassingen gedaan. Hierbij is het niet gelukt alle
52
bezwaren in de buurt volledig weg te nemen. In de besluitvorming rondom het ruimtelijke kader heeft de gemeenteraad dit meegewogen in haar belangenafweging.
6.5.2 Zienswijzen en raadsvaststelling In het kader van de zienswijzenprocedure is het ontwerpbestemmingsplan Heuvellaan 50 met de bijbehorende stukken voor een periode van zes weken ter inzage gelegd op het gemeentehuis en raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. Deze terinzagelegging is van tevoren aangekondigd in de lokale krant en op www.officielebekendmakingen.nl. Daarnaast is het voornemen gepubliceerd door plaatsing op de gemeentelijke website.
53
Regels
Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleidende regels ................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen .................................................................................................................................................. 5 Artikel 2 Wijze van meten ......................................................................................................................................11
hoofdstuk 2 Bestemmingsregels ............................................................................................................. 13 Artikel 3 Gemengd - 1 ............................................................................................................................................13 Artikel 4 Groen .......................................................................................................................................................15 Artikel 5 Tuin - 1 .....................................................................................................................................................16 Artikel 6 Tuin - 2 .....................................................................................................................................................17 Artikel 7 Verkeer - Verblijfsgebied .........................................................................................................................18 Artikel 8 Wonen ......................................................................................................................................................19 Artikel 9 Waarde - Archeologie ..............................................................................................................................21 Artikel 10 Waarde - Beeldbepalende boom
..........................................................................................................23 Artikel 11 Waarde - Beschermd stadsgezicht.......................................................................................................25
hoofdstuk 3 Algemene regels .................................................................................................................. 27 Artikel 12 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................27 Artikel 13 Algemene bouwregels ...........................................................................................................................27 Artikel 14 Algemene gebruiksregels .....................................................................................................................27 Artikel 15 Algemene afwijkingsregels ...................................................................................................................29
hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ..................................................................................................... 30 Artikel 16 Overgangsrecht .....................................................................................................................................30 Artikel 17 Slotregel.................................................................................................................................................30
3
4
hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan 'Heuvellaan 50' met identificatienummer NL.IMRO.0402.04bp14heuvellaan50on01 van de gemeente Hilversum;
1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
1.3 aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dan wel het uitoefenen van (ambachtelijke) bedrijvigheid door middel van handwerk inclusief bed en breakfast, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij functioneel ondergeschikte bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.6 achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;
1.7 afschermend groen: veelal bladhoudend groen waarmee direct vrij zicht op een buurperceel wordt voorkomen; 1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
1.9 bebouwingspercentage: een in de regels aangegeven percentage dat de grootte van het deel van ofwel een bouwperceel ofwel een bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
5
1.10 bed en breakfast: bed & breakfast is een aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt. Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur. De toeristisch recreatieve overnachtingsmogelijkheid mag niet als zelfstandige wooneenheid functioneren. Dit betekent dat realisatie van een aparte kookgelegenheid niet is toegestaan. Daarnaast dient het authentieke uiterlijk of de verschijningsvorm van de woning te worden gehandhaafd. Tot slot is het maximaal aantal slaapplaatsen ten dienste van de toeristisch-recreatieve overnachtingsmogelijkheid vijf;
1.11 bedrijf: een onderneming of instelling gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen;
1.12 beroeps- cq. bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;
1.13 bestaand: a.
b.
ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet en/of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aanwezige bouwwerken en werkzaamheden: 1. bestaand ten tijde van de eerste terinzagelegging van het plan, zulks met uitzondering van bouwwerken die met dit bestemmingsplan worden wegbestemd; ten aanzien van het overige gebruik: 1. bestaand ten tijde van het van kracht worden van het plan;
1.14 beschermd stads- of dorpsgezicht: beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Erfgoedwet;
1.15 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;
1.16 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.17 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak;
1.18 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
6
1.19 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;
1.20 bouwmassa: een verzameling gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw, dan wel twee of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen;
1.21 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.22 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel;
1.23 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.24 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; (of uit Bouwbesluit: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren);
1.25 bruto vloeroppervlak: de totale vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende binnenruimte boven peil, met inbegrip van de bouwconstructie, bergingen, trappenhuizen, interne verkeersruimte et cetera, met uitzondering van balkons;
1.26 detailhandel: een onderneming of instelling gericht op het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;
1.27 dienstverlening: een onderneming of instelling gericht op het verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel, reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen, maar met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;
7
1.28 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;
1.29 functioneel ondergeschikt gebruik dat in planologisch opzicht ondergeschikt en ondersteunend is aan het gebruik van het hoofdgebouw;
1.30 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.31 gevellijn: de op de verbeelding aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw naar toe is gekeerd, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen en bebouwingsregelingen; 1.32 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.33 horeca: het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;
1.34 huishouden: een alleenstaande die een huishouding voert, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren;
1.35 inwoning: bewoning door niet meer dan één huishouden van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden als hoofdbewoner in gebruik is genomen en die niet groter is dan 25% van de vloeroppervlakte van de woonruimte van die hoofdbewoner zonder inwoning (de beperking in vloeroppervlak geldt niet voor huisvesting in verband met mantelzorg);
1.36 kantoor: een onderneming die bedrijfsmatig diensten verleent of een instelling, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder congressen, vergaderaccommodatie;
8
1.37 kap: de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling;
1.38 koekoek: een uit keerwanden bestaand deel van een bouwwerk ter plaatse van het snijpunt van de gevel en het maaiveld dat voorziet in de licht- en luchttoetreding van de onderbouw en geen toegang tot het gebouw mag zijn;
1.39 landschappelijke waarde: de aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur;
1.40 maaiveld: de gemiddelde hoogte van het terrein ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan;
1.41 meervoudige bewoning: bewoning door meer dan één huishouden, waaronder inwoning en/of huisvesting in verband met mantelzorg niet worden begrepen;
1.42 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;
1.43 ondergeschikte functie: functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte als zodanig mag worden gebruikt;
1.44 onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
1.45 openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
1.46 overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
9
1.47 pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
1.48 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
1.49 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.50 verbeelding de gewaarmerkte kaart met bijbehorende verklaring waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven;
1.51 voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt;
1.52 voorgevellijn: de lijn, zoals aangeduid op de verbeelding, waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;
1.53 voorgevelrooilijn voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening;
1.54 wonen: bewoning van een zelfstandige woning of onzelfstandige woonruimte door niet meer dan één afzonderlijk huishouden;
1.55 woning gestapeld: een woning die geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning is gelegen, indien de bestemming dat toelaat, met één of meer andere functies;
1.56 zelfstandige woning(en): een woning die een eigen toegang heeft en welke één huishouden kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.
10
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.4 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
2.6 peil: voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg, langzaamverkeersroute of voetpad grenst: de hoogte van die weg, langzaamverkeersroute of voetpad ter plaatse van de hoofdtoegang. In alle andere gevallen en bij bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aangrenzende maaiveld of een door het bevoegd gezag vastgesteld peil;
2.7 verticale diepte van een gebouw: vanaf het peil tot aan het laagste punt van het gebouw;
2.8 horizontale diepte van een gebouw: de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de direct naar de weg gekeerde gevel;
2.9 toepassing van maten: a.
de in deze regels omtrent plaatsing, afstanden en maten zijn niet van toepassing op plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, koekoeken, balkons en overstekende daken, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt, en dergelijke naar aard en omvang ondergeschikte bouwonderdelen;
11
b.
een koekoek mag niet meer dan 1,00 meter uit de gevel gebouwd worden. Gesitueerd aan de voorgevel mag de koekoek een maximale lengte van 60% van de voorgevel hebben.
12
hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd - 1 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
kantoren; dienstverlening; bedrijven behorende tot ten hoogste categorie 2 van de in de bijlagen bij de regels bijlage 1 opgenomen 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'; groenvoorzieningen;
met de daarbij behorende voorzieningen.
3.2 Bouwregels Op de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande dat:
3.2.1 Algemeen Het brutovloeroppervlak van gebouwen inclusief bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid, zulks met in achtname van het bepaalde in de navolgende artikelen.
3.2.2 ten aanzien van hoofdgebouwen: a. b. c. d. e.
deze uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; de voorgevel in de 'gevellijn' gesitueerd wordt; het bouwvlak voor 100% mag worden bebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' niet meer dan de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte is toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' niet meer dan de aangegeven maximale bouwhoogte is toegestaan.
3.2.3 ten aanzien van bijbehorende bouwwerken: a. b.
c.
d. e.
deze binnen het achtererfgebied mogen worden gebouwd; het totaal bebouwd oppervlak van het bestemmingsvlak (buiten het bouwvlak) niet meer dan 50% van het achtererfgebied bedraagt met een maximum van 50 m2 dit met in achtname van het bepaalde in artikel 3 lid 2.1; de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer dan 4,00 meter bedraagt en niet meer dan 0,30 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, voor zover het bijbehorende bouwwerk wordt gebouwd op een afstand van niet meer dan 4,00 meter van de achtergevel, gemeten vanaf de bouwgrens; de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer dan 3,00 meter bedraagt; de breedte van aan de zijgevel van het hoofdgebouw aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanaf de bouwgrens niet meer dan 2,50 meter bedraagt; indien de bijbehorende bouwwerken breder dan 2,50 meter zijn.
13
3.2.4 ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a. b.
c.
d.
deze zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1,20 meter bedraagt voor zover deze zijn gelegen voor de voorgevelrooilijn of op een afstand van minder dan 1,00 meter van de voorgevelrooilijn danwel op minder dan 1m vanaf openbare weg of het openbaar groen; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2,00 meter bedraagt voor zover deze zijn gelegen op meer dan 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn dan wel op meer dan 1,00 meter van de openbare weg of het openbaar groen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2,00 meter bedraagt.
14
Artikel 4 Groen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
groenvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen; parkeervoorzieningen uitsluitend indien op de verbeelding aangeduid.
4.2 Bouwregels Op de in artikel 4 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:
4.2.1 ten aanzien van (hoofd)gebouwen: Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan.
4.2.2 ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a.
de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, niet meer mag bedragen dan 2 meter.
4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Voorwaardelijke verplichting Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt gerekend het gebruik gronden overeenkomstig de bestemming Gemengd - 1 en de bestemming Wonen zonder de aanleg en instandhouding van afschermend groen, zoals bedoeld in artikel 1.7, ter plaatse van de bestemming Groen. Daar waar gronden nader zijn aangeduid met 'parkeren' kan afgezien worden van de aanleg en instandhouding van afschermend groen indien deze gronden noodzakelijk zijn om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm.
15
Artikel 5 Tuin - 1 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
tuinen; aan- en uitbouwen ten dienste van de aanliggende bestemming; groenvoorzieningen;
met de daarbij behorende voorzieningen zulks met in achtname van het bepaalde in Waarde - Beschermd stadsgezicht.
5.2 Bouwregels Op de in artikel 5 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:
5.2.1 Algemeen Het brutovloeroppervlak van gebouwen inclusief bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid, zulks met in achtname van het bepaalde in de navolgende artikelen.
5.2.2 ten aanzien van gebouwen: a. b.
c.
d.
e.
uitsluitend erkers zijn toegestaan; de bouwhoogte van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker niet meer dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw bedraagt; de diepte van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker vanuit de gevel waartegen wordt aangebouwd niet meer dan 1,00 meter bedraagt; de totale breedte van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker niet meer dan 60% van de lengte van de gevel waartegen wordt aangebouwd bedraagt; ter weerszijden van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker minimaal 1 meter tot de hoek of gevelsprong, van de oorspronkelijke gevel waartegen wordt aangebouwd, vrij blijft (van bebouwing).
5.2.3 ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a.
de bouwhoogte niet meer dan 1,20 meter bedraagt;
5.3 Specifieke gebruiksregels Het gebruik van de gronden ten dienste van het opstellen van auto's is niet toegestaan.
16
Artikel 6 Tuin - 2 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
tuinen; aan- en uitbouwen ten dienste van de aanliggende bestemming; parkeervoorzieningen; inritten; groenvoorzieningen;
met de daarbij behorende voorzieningen zulks met in achtname van het bepaalde in Waarde - Beschermd stadsgezicht.
6.2 Bouwregels Op de in artikel 5 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:
6.2.1 Algemeen Het brutovloeroppervlak van gebouwen inclusief bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid, zulks met in achtname van het bepaalde in de navolgende artikelen.
6.2.2 ten aanzien van gebouwen: a. b.
c.
d.
e.
uitsluitend erkers zijn toegestaan; de bouwhoogte van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker niet meer dan de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw bedraagt; de diepte van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker vanuit de gevel waartegen wordt aangebouwd niet meer dan 1,00 meter bedraagt; de totale breedte van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker niet meer dan 60% van de lengte van de gevel waartegen wordt aangebouwd bedraagt; ter weerszijden van aan een (hoofd)gebouw (behorende tot een naastgelegen bestemming) aangebouwde erker minimaal 1 meter tot de hoek of gevelsprong, van de oorspronkelijke gevel waartegen wordt aangebouwd, vrij blijft (van bebouwing).
6.2.3 ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a.
de bouwhoogte niet meer dan 1,20 meter bedraagt;
6.3 Specifieke gebruiksregels a. b.
Het gebruik van de gronden ten dienste van het opstellen van meer dan 2 auto's is niet toegestaan. Het parkeren van auto's recht voor de voorgevel van het hoofdgebouw is niet toegestaan.
17
Artikel 7 Verkeer - Verblijfsgebied 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
(weg)verkeer; parkeervoorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'; openbaar groen; waterhuishoudkundige voorzieningen;
met de daarbij behorende voorzieningen.
7.2 Bouwregels Op de in artikel 7 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 3.00 meter bedraagt, met dien verstande dat de bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van verlichting en verkeersregulatie niet meer dan 6,00 meter bedragen.
18
Artikel 8 Wonen 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit met de daarbij behorende voorzieningen.
8.2 Bouwregels Op de in artikel 8 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande dat:
8.2.1 Algemeen Het brutovloeroppervlak van hoofdgebouwen inclusief bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel of direct aansluitende bouwpercelen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid, waarbij het brutovloeroppervlak voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw gelijk verdeeld worden, zulks met in achtname van het bepaalde in de navolgende artikelen.
8.2.2 ten aanzien van hoofdgebouwen: a. b. c. d. e. f. g.
deze uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; de voorgevel in de 'gevellijn' gesitueerd wordt; het bouwvlak voor 100% mag worden bebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' niet meer dan het aangegeven aantal zelfstandige woningen is toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' niet meer dan de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte is toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' niet meer dan de aangegeven maximale bouwhoogte is toegestaan; hoofdgebouwen mogen niet worden gesplitst in meerdere zelfstandige woningen.
8.2.3 ten aanzien van bijbehorende bouwwerken: a.
b.
c. d.
e. f. g.
het totaal bebouwd oppervlak van het achtererfgebied, behorend bij het hoofdgebouw, niet meer dan 50% bedraagt met een maximum van 50 m² dit met in achtname van het bepaalde in artikel 8 lid 2.1; de bouwhoogte, voor zover op een afstand van niet meer dan 4,00 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw, niet meer dan 4,00 meter bedraagt, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 0,30 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; de bouwhoogte, voor zover op een afstand van meer dan 4,00 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw, niet meer dan 3,00 meter bedraagt; de bouwhoogte, in afwijking van het bepaalde in dit lid, onder b, niet meer dan 4,00 meter bedraagt, indien het bijbehorend bouwwerk wordt voorzien van een kap dient de dakhelling hiervan gelijk te zijn aan de dakhelling van het hoofdgebouw; de goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer dan 3,00 meter bedraagt; het aantal bijgebouwen per hoofdgebouw mag maximaal 2 bedragen; de maximale afstand van het verst verwijderde deel van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een aan- of uitbouw tot de achtergevel en/of zijgevel van het hoofdgebouw is 5,00 meter;
19
h.
de maximale afstand van het verst verwijderde deel van een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een overkapping of bijgebouw tot de achtergevel en/of zijgevel van het hoofdgebouw is 20 meter.
8.2.4 ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde: a.
b.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2,00 meter bedraagt, waarbij geldt dat erf- en terreinafscheidingen boven de 60 centimeter in een open constructie uitgevoerd moeten worden en dit deel van de erfafscheiding voor minimaal 80% van het oppervlak open moet zijn; de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2,00 m bedraagt.
8.3 Specifieke gebruiksregels 8.3.1 Aan-huis-verbonden beroep of bedrijfsmatige activiteit Het gebruik van ruimten in het hoofdgebouw ten behoeve van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden dat: a.
b. c. d. e. f. g.
het vloeroppervlak in gebruik voor aan-huis-verbonden beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteit niet meer dan 33% bedraagt van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m²; de activiteit wordt uitgeoefend door de hoofdbewoners van de desbetreffende zelfstandige woning; de activiteit geen nadelige invloed mag hebben op de normale verkeersafwikkeling en er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; geen bedrijfsmatige activiteit buiten een gebouw plaatsvinden (behoudens in- en uitladen); de activiteit zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk mogen doen aan het karakter van de zelfstandige woning en de woonomgeving; geen aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit plaatsvindt in de functioneel ondergeschikte bijbehorende bouwwerken; geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt.
8.4 Afwijken van de gebruiksregels 8.4.1 aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 8 lid 3.1 sub a en artikel 8 lid 3.1 sub f voor het toestaan van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit in functioneel ondergeschikte bijbehorende bouwwerken, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden dat: a. b.
de activiteit geen nadelige invloed mag hebben op de normale verkeersafwikkeling en er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; de activiteit zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk mag doen aan het karakter van de woonomgeving.
8.4.2 aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 3.1 sub b, voor het toestaan van niet meer dan één extra medewerker (1 fte; dienstverband), voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden dat: a. b.
de activiteit geen nadelige invloed mag hebben op de normale verkeersafwikkeling en er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; de activiteit zowel naar de aard als ten aanzien van de visuele aspecten ervan geen afbreuk mag doen aan het karakter van de woonomgeving
20
Artikel 9 Waarde - Archeologie 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar aangewezen bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en het behoud van de aanwezige archeologische waarden of de naar verwachting aan te treffen archeologische waarde welke niet beschermd zijn ingevolge de Erfgoedwet.
9.2 Bouwregels Op de in artikel 9 lid 1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Dat verbod geldt niet als de omvang van die bouwwerken kleiner is dan 100 m2 en deze ook niet dieper in de grond reiken dan 40 cm.
9.3 Afwijken van de bouwregels a.
b. c.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 9 lid 2 voor de bouw en/of uitvoering van bouwwerken die op de in artikel 9 lid 1 bedoelde gronden mogen worden gebouwd overeenkomstig de (bepalingen van de) andere aangewezen bestemming(en) indien en voor zover het belang van de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Bij de onder a. bedoelde belangenafweging wordt advies gevraagd aan een deskundige inzake archeologie. Voor zover de bouw en/of uitvoering van de bouwwerken die op de gronden mogen worden gebouwd overeenkomstig de (bepalingen van de) andere aangewezen bestemming kunnen leiden tot onevenredige schade aan archeologische waarden (hetgeen is gebleken uit het onder b. bedoelde advies) zijn burgemeester en wethouders bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 9 lid 2 voor de bouw en/of uitvoering van die bouwwerken mits aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige inzake archeologie.
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
c.
Het is verboden op de in artikel 9 lid 1 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) van burgemeester en wethouders: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen die dieper reiken dan 40 cm binnen en een omvang van meer dan 100 m² hebben, aanleg of rooien van bos of diepwortelende beplantingen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakte verhardingen, aanleggen van drainage of het verwijderen van funderingen; 2. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; 3. het aanleggen van leidingen dieper dan 40 cm onder maaiveld. Het bepaalde in artikel 9 lid 4 sub a is slechts toelaatbaar, indien is gebleken dat de in dat lid genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van het archeologisch materiaal. Het bepaalde in artikel 9 lid 4 sub a is niet van toepassing: 1. op normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van het onderhavige plangebied;
21
2.
d.
e.
f.
op andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van niet ingrijpende betekenis zijn; 3. indien uit archeologisch onderzoek is komen vast te staan dat er geen sprake is van te beschermen archeologische waarden. Voor zover de in artikel 9 lid 4 sub a genoemde werken of werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen daarvan kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend indien aan de vergunning de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of 3. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. In het belang van de bescherming van de archeologische betekenis van de gronden dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.