CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

39. Raadsinformatiebrief 2025-42 inzake Handhaving inschrijving Willem Vogt in het Gulden Boek

GEMEENTERAAD 11 juni 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Stukken ten aanzien waarvan de voorzitter voorstelt deze voor kennisgeving aan te nemen53.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

In de praktijk betekende dat een voorkeur voor een gematigd nationalisme, trots op de Nederlandse cultuur, bewondering van de monarchie, het glorierijke nationale verleden, en de mooie taken die Nederland verrichtte in de eigen Indische gordel van smaragd. Het betekende tevens het zich afzetten tegen partijpolitieke deelbelangen van protestante, gereformeerde, katholieke, socialistische, radicaal rechtse en radicaal linkse partijen en groepen. In de strijd om de zendtijd en de gunst van de niet-religieuze luisteraar was de socialistische VARA de grote tegenstander. Maar ook de confessionele omroepen KRO en NCRV stonden in de ogen van de AVRO voor sektarische politiek die schadelijk werd geacht voor het nationale belang. In deze strijd voor een nationale omroep en tegen de versnippering van de verzuiling vond de AVRO steun bij liberale en conservatieve groepen, maar vooral ook bij de persorganen die zich neutraal opstelden, zoals het grootste dagblad van Nederland De Telegraaf en de grote stedelijke en regionale pers.22 Daar leek na 1931 de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) bij te komen.

Maar dat was schijn: in die NSB ontwikkelde zich al vroeg een tamelijk blinde bewondering voor het dictatoriale regime dat Adolf Hitler sinds voorjaar 1933 in Duitsland vorm en inhoud gaf.23 Dat was voor de AVRO met zijn neutrale opstelling in een democratische samenleving verwerpelijk en onaanvaardbaar. Het AVRO-idee voor een onafhankelijke nationale omroep stond haaks op het Duitse nazi-concept van een door de regerende partij aangestuurde staatsomroep die de enig toegestane ideologie probeerde te verspreiden. De AVRO positioneerde zich doorgaans als neutraal en onafhankelijk in politiek en maatschappelijk opzicht, hoewel in de praktijk een zekere voorkeur voor het

Vogt en de AVRO aan de vooravond van de oorlog

liberalisme en een cultureel conservatief nationalisme bespeurbaar was. De andere drie grote omroepen deden er ook alles aan om de AVRO in die hoek kleur te laten bekennen, maar kleur bekennen heeft de AVRO nooit gedaan. Hij wenste zich vooral apolitiek op te stellen met een programmapakket dat rustte op de pijlers cultuur, informatie en amusement. Vogt had weliswaar een voorkeur voor landen met een krachtig bestuur, maar lid of aanhanger van een fascistische of nationaalsocialistische partij is hij nooit geweest. Wel had hij zoals velen in het vooroorlogse Nederland bewondering voor sterke politieke leiders die boven partijbelangen konden uitstijgen.24 Zo schreef Vogt in 1935 lyrisch over ‘de heerlijke benijdenswaardige eenheid des volks’ in het Italië onder dictatoriale leiding van de fascist Benito Mussolini, maar daarmee beoogde hij zich vooral af te kunnen zetten tegen ‘de zielige partij-twisten’ die het nationale zelfbewustzijn in Nederland hadden aangetast. En die zijn AVRO hadden belemmerd een nationale omroep te worden.25 Dus toen de NSB in 1935 probeerde aanhangers op bestuurszetels van de AVRO-afdelingen te krijgen teneinde invloed op de programma’s te kunnen uitoefenen, ging de AVRO dat met krachtige hand tegen.

Vogt schreef in zijn Radiobode dat in de ogen van sommige AVRO-leden het lidmaatschap van de NSB wellicht ‘mede het zwaard is geworden waarmee de rechten van de AVRO tegen politieke dwang konden worden verdedigd’, maar de AVRO als omroeporganisatie was ‘niet gediend met vereenzelviging met één politieke partij of beweging’.26 Hierdoor mislukten de opzichtige pogingen van de NSB om partijgenoten op invloedrijke posities in de AVRO-organisatie te krijgen.27 Een snelle wijziging van de statuten maakte toekomstige overvaltechnieken van deze aard onmogelijk.28 Dat wil overigens niet zeggen dat de NSB geen enkele invloed had op de AVROprogramma’s. Verschillende AVRO-medewerkers hadden sympathie voor de NSB of het nationaalsocialisme. Dat gebeurde meestal heimelijk, zoals in de oorlog pas bleek bij bijvoorbeeld de musici Kovacs Lajos (pseudoniem van Louis Schmidt) en Elzard Kuhlmann. Het bekendste voorbeeld dat voor de oorlog wel in de openbaarheid kwam, was dominee L.C.W. Ekering die in 1933 nog op de kandidatenlijst had gestaan van de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij, maar in 1936 was overgestapt naar de NSB. Hij was als principieel tegenstander van de omroepverzuiling voorstander van een nationale omroep die ‘heel de kerk en heel het volk’ zou bedienen.29 Voor de AVRO verzorgde Ekering samen met dominee H.E.

Gravemeier en een aantal andere dominees al sinds 1928 ochtendwijdingen. Omdat hij de politiek 24

Over die voorkeur in de Nederlandse pers zie: Hans Gelijnse, De Nederlandse pers en het fascisme in Europa 1919-1933 (Oisterwijk: Wolf Legal Publishers, 2018) en; Van Vree,

Nederlandse pers en Duitsland 25

W.V. ‘Balbo kwam……’, in: De Radiobode 7 juli 1933. Het socialistische dagblad Het Volk probeerde nog wel aan de hand van dit Vogt-artikel aan te tonen dat Vogt een nazi was

die de misdaden van Hitler, Mussolini en hun knokploegen toejuichte, maar daar was geen concreet bewijs voor te vinden. ‘Willem Vogt als nazi’, in: Het Volk 10 juli 1933 26 21

Over dat conflict collectie-Vogt 13070, dossier 568b, NIBG. Zie ook het pamflet waarin Vogt verdedigd wordt: Alarm in de AVRO. De Clercq contra Vogt. Wat gebeurde er achter de

W.V. ‘Belangrijke verkiezingen’, in: De Radiobode 15 november 1935. Geciteerd in: Bank, ’Een halve eeuw omroephistorie in hoofdlijnen’, 30

27

AVRO aan minister van Binnenlandse Zaken, 12 december 1935, archief-RODI inv.nr. 2.16.25, dossier 56, NA

schermen? AVRO-bestuur in gebreke (Amsterdam: Tempora z.d. [1952])

28

Bank, ’Een halve eeuw omroephistorie in hoofdlijnen’

22

Frank van Vree, De Nederlandse pers en Duitsland 1930-1939. Een studie over de vorming van de publieke opinie (Groningen: Historische Uitgeverij, 1989)

29

Henk Tijssen, NSB-predikant Ds.mr. L.C.W. Ekering (1889-1964) en zijn keuze voor het nationaalsocialisme (Soesterberg: Aspekt, 2016), 75-90; Edwin Klijn en Robin te Slaa, De

23

Edwin Klijn en Robin te Slaa, De NSB. Deel 1: ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging 1931-1935 (Amsterdam: Boom, 2009)

NSB. Deel 2: twee werelden botsen 1936-1940 (Amsterdam: Boom, 2021), 264-265

25

26

Hoofdstuk 1

daarbuiten liet was zijn positie voor de AVRO-programmaleiding en -directie aanvaardbaar. Dat bleef zo totdat de toenemende politieke activiteiten van Ekering voor de NSB irritaties begonnen op te wekken. Toen de NSB voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1939 een hevige antisemitische toon aansloeg en Ekering voor de Amsterdamse kieslijst van de NSB op een verkiesbare tweede plaats kwam te staan, groeide de druk op de AVRO-leiding om hem zijn programma te ontnemen. In december 1938 en april 1939 hadden AVRO-leden al om het ontslag van Ekering gevraagd, omdat de dominee steeds vaker en intensiever in de NSB-propaganda figureerde. Zo diende het AVRO-district Zuid-Holland in december 1938 in het Algemeen Bestuur een motie in om maatregelen te nemen tegen Ekering, omdat ‘de begrippen van naastenliefde, welke de NSB blijkt te propageren in tegenstelling (…zijn) met de opvattingen van het allergrootste deel van het Nederlandse volk.’30 Maar die motie werd ingetrokken nadat het AVRO-bestuur had verklaard neutraal te willen blijven. Het NSB-weekblad Aanval en Verweer vond dat desondanks allemaal maar slap. De AVRO liet wel mensen aan het woord die verband hadden met de politieke beweging ‘Nederlandsche Beweging voor Eenheid door Democratie’ die zowel het fascisme, het communisme als het nationaalsocialisme wilde bestrijden. AVRO’s boekenbeschouwer P.H. Ritter jr.

was voor die beweging een veelgevraagd spreker zonder dat iemand bij de AVRO daar bezwaar tegen uitte. Maar tegen Ekering dus wel; het NSB-blad zag daarin het bewijs dat de AVRO zwichtte voor wat men noemde ‘de joden kliek’.31 Een maand later kwam er wederom kritiek uit het AVRO-district Utrecht waar leden zelfs beweerden dat Vogt ‘NSB-neiging’ heeft. Vogt ontkende dat voluit, maar hij had inmiddels wel de moeite genomen om met Ekering te spreken: ‘Deze verklaarde geen antisemiet te zijn, niet in te stemmen met verschillende regeringsmaatregelen in Duitsland en bereid te zijn, de leiding der Morgenwijdingen op te geven als dit wenselijk wordt geoordeeld’. 32 De pressie in de publieke opinie bleef aanhouden. In het liberale weekblad De Vrijheid ageerde de bekende Joodse journalist G. Polak Daniëls tegen Ekering die zijn nationaalsocialistische jargon (‘perfide vervalsching’ en ‘afkeurenswaardig’) ook in vergaderingen van de Nederduitsch Hervormde Gemeente had gebezigd.33 Vogt liet daarop in de pers weten dat hij Ekering ‘een oprechte vaderlander’ vond die 3 tot 4 maal per maand ‘met toewijding en nauwgezetheid’ een religieus programma maakte. Het voornaamste vond hij dat de AVRO zich niet met de politieke beginselen van Ekering vereenzelvigde door hem een religieus programma te laten presenteren.

Net zoals de AVRO zich niet identificeerde ‘met de beginselen van welken anderen medewerker het ook zij.’34 Maar nadat Ekering in juni 1939 in de Amsterdamse gemeenteraad was verkozen en zijn fractie zich daar zeer provocatief begon op te stellen tegen met name de

Vogt en de AVRO aan de vooravond van de oorlog

Joodse wethouders, nam de druk op de AVRO verder toe. Nog in juni 1939 vond Vogt dat ‘onze algemeenheid geen voorkeur mag hebben voor enige politieke richting’.35 Maar in september stopte Ekering met zijn AVRO-morgenwijding, naar zijn zeggen uit vrije wil en als gevolg van een meningsverschil met het bestuur.36 Volgens de AVRO was er geen politiek motief bij het verdwijnen van Ekering, maar in het Algemeen Bestuur bleek dat Ekering wel degelijk op 1 september was ontslagen en niet de keuze zelf had gemaakt.37 De NSB was verontwaardigd en probeerde er propagandistisch een slaatje uit te slaan. Volgens de NSB was ‘een Joodsche inslag’ bij de AVRO verantwoordelijk voor Ekerings ontslag.38 Sinds die gebeurtenis had de NSB geen goed woord meer over voor de AVRO die ze ‘in het gareel’ vond lopen met de andere omroepen. Men had nog wel zielsverwantschap gevoeld met Vogts oorspronkelijke afzetten tegen ‘de dorre potplantenperken der partijverstarringen’, maar in de praktijk was de AVRO ook een potplantenperk geworden.39 Nadat de AVRO de oudjaarsrede in 1939 had laten houden door de Joodse voorzitter van de Hoge Raad mr. Lodewijk Visser, was voor de NSB blijkbaar het definitieve bewijs geleverd ‘dat niet de zuiver Nederlandsche maar de Joodsche geest bij de AVRO overheerscht’.

Ekering was eruit gegooid maar de Joden werden verwelkomd, aldus een lezer van het NSB-dagblad Het Nationale Dagblad.40 Het NSB-weekblad Volk en Vaderland constateerde dat de AVRO zijn welgevulde kas niet besteedde aan ‘de verheffing van de Nederlandsche volkskracht’, maar ‘als exploitant van vermaaks-muziek en bijbehorende artikelen’.41 En als beschermer van Joden blijkbaar. Dat de AVRO Joden zou bevoordelen was een argument dat goed paste in het Duitse nazi-propagandaverhaal dat Joden een ongewenste greep op het hele maatschappelijk leven zouden hebben, in het bijzonder de mediawereld. Ook de NSB begon vanaf het najaar van 1938 te verkondigen dat pers en omroep ‘verjoodst’ waren. Joodse journalisten zouden ‘de Nederlandse sectie van het internationale Jodendom’ vormen.42 Nog vlak nadat de bezetting een feit was geworden beschuldigde het door de NSB geproduceerde Het Nationale Dagblad Willem Vogt ervan dat hij ‘de afgeloopen jaren de AVRO tot één groot joden-aquarium heeft gemaakt’.43 Dat antisemitische verhaal was al opgedist in de periode dat Nederland nog dacht met neutraliteit de oorlog te kunnen voorkomen. Op 15 maart 1940 waarschuwde het NSB-weekblad Volk en Vaderland ‘hoezeer de Joden de publieke meening in Nederland beheersen’. Men wees daarbij op het ANP, de kranten van de Arbeiderspers en ook de AVRO.

NSB-journalisten trachtten om bekende AVRO-medewerkers als Joden te identificeren en te ontmaskeren. Zonder al te veel kennis van zaken overigens. Zo 35

Notulen AVRO-AB 3 juni 1939, archief-AVRO 114682867

36

‘AVRO-morgenwijding. Ds Koningsberger volgt ds Ekering op’, in Algemeen Handelsblad 18 september 1939; Tijssen, Ekering, 87

37

Notulen AVRO-AB 23 september 1939, archief-AVRO 114682867

38

Klijn en Te Slaa, De NSB, deel 2, 713

30

Notulen AVRO-AB 17 december 1938, archief-AVRO 114682867

39

‘De Nationale Radio Omroep’, in: Volk en Vaderland 12 juli 1940. Het potplanten-citaat van Vogt: ‘De zwarte dag’, in: De Radiobode 23 mei 1930

31

‘De jacht op ds. Ekering’, in: Aanval en Verweer 13 januari 1939; ‘De brave democraten op het oorlogspad tegen Ekering’, Aanval en Verweer 7 juli 1939

40

G.W., ‘Ingezonden brief’, Het Nationale Dagblad 3 januari 1940

32

Notulen AVRO-AB 28 januari 1939, archief-AVRO 114682867

41

‘De rijke AVRO’, in: Volk en Vaderland 28 april 1939

33

G.P.D., ‘Een predikant op hol’, in: De Vrijheid 8 maart 1939

42

Piet Hagen, Dubbel zondebok. Joodse journalisten in tijden van antisemitisme en vervolging 1920-1945 (Amsterdam: De Arbeiderspers 2022), 119-121

34

‘Reactie van W. Vogt op mevrouw K.’, in: Het Vaderland 1 april 1939

43

‘Het hopelooze tekortschieten van onze 4½ zuilen-omroep’, in: Het Nationale Dagblad 14 juni 1940

27

28

Hoofdstuk 1

noemde men ten onrechte als Jood de omroeper Guus Weitzel, de dirigent Nico Treep, de filmkenner Leo Jordaan, en de organist en koorleider Piet van Egmond. Men suggereerde zelfs dat de dirigenten Louis Schmidt (beter bekend als Kovacs Lajos) en Elzard Kuhlman Joods waren, terwijl deze mannen heimelijke nazi-sympathisanten waren, zoals later in de oorlog zou blijken. Verder hadden de NSB-journalisten het oog laten vallen op de presentator van de AVRO-bridgecursussen mr. Ernst C. Goudsmit, niet bewust van het feit dat Goudsmit die cursus eind 1938 had afgesloten en dus niet meer voor de AVRO werkte. Ook noemde men muziekcriticus Max Tak, kinderkoorleider Jacob Hamel, en sportverslaggever Han Hollander. Van knipcursusleidster Ida de Leeuw-Van Rees en literair medewerker P.H. Ritter jr. vermoedde men (ook weer ten onrechte) dat ze Joods waren. Uit deze fantasierijke opsomming van ‘Joden’ (en het ongenoemd laten van vele Joden die bij de AVRO meer achter de schermen werkten), blijkt wel dat het de NSB-pers vooral te doen was om de AVRO als een gevaarlijk Joods bolwerk te portretteren met als illustratie enkele bekende presentatoren.

‘Het spreekt vanzelf dat onder het regiem van dergelijke voorlichters de publieke opinie het spoor bijster raakt’, aldus Volk en Vaderland van 15 maart 1940.44 Vier dagen later publiceerde het in Duitsland verschijnende blad van persbureau Werelddienst, internationale correspondentie ter voorlichting omtrent het Jodenvraagstuk een artikel dat de fantasieopsomming van Joden bij de AVRO (‘in Joodsche handen’ noemde men die omroep) klakkeloos overnam. Het Nederlandstalige blad verscheen in het Duitse Erfurt en stond vol met antisemitische propaganda gericht op Nederland en België. Niet de AVRO maar de VARA - niet bepaald bevriend met de AVRO - voelde zich geroepen erop te reageren ‘want het gevaar van verleugening door antisemietische ophitsing bedreigt niet alleen de AVRO’.

Niemand zou moeten geloven dat de nazi-suggestie klopte dat Nederland niet neutraal was omdat er Joodse mensen voor de radio werkten.45 Soortgelijke berichten over een ‘Joodsche AVRO’ waren in het voorjaar van 1940 te horen via de Duitse radiozenders Bremen en Hamburg, die via de midden- en kortegolf propaganda uitstortten over Noordwest-Europa en onder andere iedere week drie uur programma’s in het Nederlands uitzonden.46 Een dergelijke antisemitische hetze, specifiek gericht tegen de AVRO, hield verband met het feit dat van alle omroepen de AVRO voor het uitbreken van de oorlog in mei 1940 de meeste Joden in dienst had of voor bepaalde programma’s engageerde, zoals zal blijken in paragraaf 2.1. De AVRO had zich in de vooroorlogse periode tevens sterk gemaakt voor bepaalde Joodse instellingen. Op 18 februari 1929 had de AVRO bijvoorbeeld zendtijd ter beschikking gesteld van een door Antoinette van Dijk gepresenteerde loterijactie voor de uitbreiding van het gebouw van de Joodsche Invalide in Amsterdam, een liefdadigheidsinstelling ten bate van Joodse bejaarden en gehandicapten (zoals dat toen nog heette). Met de Joodsche Invalide bleef de AVRO ook in de jaren 44

‘Vluchtende Joden’, in: Volk en Vaderland 15 maart 1940

45

‘Gedicteerde brieven’, in: De Radiogids (VARA) 20 april 1940

46

Michael Crone, Hilversum unter dem Hakenkreuz. Die Rundfunkpolitik der Nationalsozialisten in den besetzten Niederlanden 1940-1945 (München: K.G. Sauer, 1983), 49-53; Horst J.P.

Vogt en de AVRO aan de vooravond van de oorlog

dertig een warme band onderhouden, onder andere met speciale avonduitzendingen gekoppeld aan een loterij ‘ten faveure van de Joodsche Invalide’ op 16 september 1930, 5 juli 1932, 4 juli 1933, 4 juli 1934, 21 november 1935 en 23 mei 1937. Ook schakelde de AVRO sprekers in en plaatste men gids-advertenties die aandacht voor dit goede doel vroegen. De AVRO steunde tevens het Isaac Gans-Fonds, dat werd opgericht nadat op 22 november 1938 de directeur van de Joodsche Invalide was overleden.47 Van antisemitisme moest de AVRO ook niets hebben. Voor de kalender die de AVRO elk jaar maakte als relatiegeschenk en ledenbinding (leden konden dat product goedkoop verkrijgen) had men voor de editie 1938 bij de graveur Nico Bulder een houtgravure Christus en de overspelige vrouw besteld over het Bijbelverhaal ‘wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen naar haar’. De AVRO wees die prent onmiddellijk af, omdat er woedende mannen op waren afgebeeld die naar de smaak van de AVRO ‘in hun gezicht te veel typisch Joodse trekken’ hadden. De AVRO was bang om van antisemitisme te worden beschuldigd en wilde in ieder geval voorkomen dat de hetze tegen Joden, die in Duitsland mede met antisemitische karikaturen werd gevoerd, geen brandstof in Nederland zou krijgen. In de plaats van de afgewezen prent maakte Bulder vervolgens een gravure van St. Maarten die een bedelaar zijn mantel schenkt.48

47

Hannah van den Ende, De Joodsche Invalide. Bloei en ondergang van een Amsterdams verpleeghuis (Amsterdam: Boom, 2023), 112, 114 en 159; vgl.: ‘Een radio-avond voor de

Bergmeier & Rainer E. Lotz, Hitler’s Airwaves. The Inside Story of Nazi Radio Broadcasting and Propaganda Swing (New Haven: Yale University Press, 1997); Lilian-Dorette Rimmele,

Joodsche Invalide’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad 19 september 1930

Der Rundfunk in Norddeutschland 1933-1945. Ein Beitrag zur nationalsozialistischen Organisations-, Personal- und Kulturpolitik, (Hamburg: Hartmut Lüdke Verlag: 1977), 92-93

48

Jan A. Niemeijer, Nico Bulder de Houtgraveur (Groningen: De Vuurbaak, 1979), 40-41 en 123-124

29

30

2. VOGT EN DE AVRO IN HET EERSTE OORLOGSJAAR

32

Hoofdstuk 2

Duitse troepen arriveren op 15 mei 1940 bij de AVRO-studio aan de ’s-Gravelandseweg, fotocollectie Beeld & Geluid

Hoewel veel politici in Europa sinds de Duitse inval in Polen in september 1939 rekening hielden met een uitbreiding van de oorlog naar andere landen, kwam de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 voor velen toch als een verrassing. Er waren weliswaar door de regering en de omroepen voorbereidingsmaatregelen getroffen, maar pas in de daadwerkelijke oorlogspraktijk moest er besloten worden wat het beste zou zijn om te doen. En ook al duurde de oorlog slechts vijf dagen, de verwarring was er niet minder om. De radio stond voor de taak te handelen met een half verwoest zenderpark (de zender in Hilversum was opgeblazen door de Nederlandse genie) en de uit voorzorg in Den Haag geïnstalleerde studio bleek niet echt gebruiksklaar. De eerste sector waarbij de bezettingsmacht ‘gelijkschakelende’ en anti-Joodse maatregelen nam waren de media. De voor de nieuwsvoorziening vitale dienstverlening door het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) was door de Duitse ambassaderaad Heinrich Hushahn onmiddellijk na de capitulatie van het Nederlandse leger onder curatele geplaatst. Alle 23 Joodse ANP-medewerkers en vier Joodse medewerkers van het aan het ANP gelieerde persbureau Vaz Dias werden op bevel van Hushahn op 16 mei ontslagen. Vrij snel daarna werd NSB-aanhanger Piet van Megchelen benoemd tot hoofdredacteur als opvolger van Herman van de Pol.

De door het ANP verzorgde Radionieuwsdienst bracht vervolgens alleen door de Duitse bezetter goedgekeurd nieuws.49

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

In een soortgelijke situatie meldde zich op woensdag 15 mei een Duitse instantie in legeruniformen bij de AVRO-studio. De leider (Sonderführer) van de Propaganda Gruppe Rundfunk I ‘Holzhammer’ Ernst Arthur Freudenberg bleek nauwelijks Nederlands te kunnen verstaan; zijn assistenten Jan van Gorcum (een uit Nederlandse ouders geboren ‘Rijksduitser’, dat wil zeggen een persoon met de Duitse nationaliteit maar wonend in een ander land) en Strohmeijer spraken daarentegen zeer goed Nederlands. Ook de op 18 mei aangestelde assistent voor technische zaken Eberhard Taubert (ook een Rijksduitser) verstond de taal vrij goed. Hij had tussen 1928 en 1932 enkele jaren bij radiofirma Sarcos in Amsterdam gewerkt en verbleef begin 1940 al in Nederland.50 Freudenberg had sinds 1933 ervaring opgedaan in de radiowereld, vanaf 1936 bij de nationaalsocialistische Reichssender en Deutschlandsender. Sinds maart 1940 was hij al bezig met de voorbereidingen voor een overname van de Nederlandse omroep zodra het Duitse leger het land zou hebben veroverd. Freudenberg moest bij de AVRO beginnen, omdat die omroep de grootste aanhang en de beste outillage bezat. Ook had de AVRO al veel met het Duitse staatsomroepbedrijf Reichs Rundfunk Gesellschaft (RRG) samengewerkt.

Vooral tijdens de Olympische Spelen in Berlijn in 1936 waren vele contacten gelegd op technisch en facilitair terrein om actuele verslagen van die Spelen via de AVRO-radio in Nederland te kunnen uitzenden.51 Bovendien zag het door Joseph Goebbels geleide Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda (RMVP) - dat de mediacampagnes van de Duitse bezettingstroepen inhoud en vorm gaf en dat de RRG direct aanstuurde - dat de AVRO zich politiek neutraal en nationaal opstelde en met de modernste studio de meeste Nederlandse luisteraars trok.52 Freudenberg zou na de oorlog verklaren dat ‘wir das Studio der AVRO mit seinen Apparaten als das repräsentativsten angesehen hatten’.53 De goede voorbereiding bleek uit de apparatuur die de Propagandagruppe bij zich had. Er waren Nederlandse uitzendingen vastgelegd op grammofoonplaten, waarmee men twee weken vooruit kon voor het geval dat de Nederlandse omroepen niet is staat of bereid waren nieuwe uitzendingen te verzorgen. Bij aankomst aan de AVRO-studio vroeg Freudenberg naar ‘Herr Vogt’, maar die was niet direct beschikbaar, want Vogt was - na sinds 10 mei vrijwel dag en nacht in de studio te hebben verbleven om het personeel niet in paniek te laten raken - die ochtend naar Haarlem gereisd.

Hij wilde daar zien hoe het ging met zijn zoon Adriaan (die ook wel James werd genoemd), die aldaar als aspirant-reserveofficier diende bij de Motordienst van het Nederlandse leger. Studiochef W. Capelle, programmaleider J. den Daas en voorzitter De Clercq namen dus voor even de honneurs waar; Vogt had hen daartoe gevolmachtigd.54 In de ochtend belde NSB-leider Anton Mussert naar de studio 50

Bergmeier & Lotz, Hitler’s Airwaves, 225-226; Gabrielle Hoffmann, NS-Propaganda in den Niederlanden. Organisation und Lenkung der Publizistik unter deutscher Besatzung 1940-

1945 (München: Verlag Dokumentation Sauer, 1972), 75-77 51

‘Hoe hoorde Nederland de Olympische reportages?’, in: De Radiobode 21 augustus 1936, 4-5

52

Het meest uitvoerig over de Duitse nationaalsocialistische omroep en de propagandastrategie is: Crone, Hilversum unter dem Hakenkreuz, 14-37

53

Pv verhoor E. A. Freudenberg in Berlijn 9 en 10 september 1947, archief CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt en collectie 248-1814: Willem Vogt, map D, NIOD. Vgl.

Verkijk, Radio Hilversum, 53-54 49

Hagen, Dubbel zondebok, 159-181; Baggerman en Hemels, Verzorgd door het ANP, 122-133

54

Verkijk, Radio Hilversum, 54

33

34

Hoofdstuk 2

met het verzoek het Nederlandse volk via de radio te mogen toespreken. Na telefonisch overleg met Vogt wees programmaleider Den Daas dat verzoek af omdat de AVRO geen zendtijd had en er in het geheel niet voor voelde om de NSB tot de radio toe te laten.55 De NSB liet het er niet bij zitten. In de middag verscheen NSB-Kamerlid graaf Max Marchant et d’Ansembourg voor de deur van de AVRO-studio om met een meer persoonlijke benadering te pogen zendtijd op te eisen voor zijn leider. Ook hij werd afgepoeierd door de inmiddels gearriveerde Vogt, samen met de naar de studio gekomen Hilversumse burgemeester Karel Wijkerslooth de Weerdesteijn. Mussert probeerde nog telefonisch druk te zetten met de mededeling dat hij Marchant had benoemd tot ‘gouverneur van Nederland’ maar die loze bewering maakte geen enkele indruk.56 De AVRO deed niet aan partijpolitiek en Vogt had de indruk gekregen dat de Duitse heren die de studio waren komen bezetten er ook zo over dachten. Bij zijn terugkomst was Vogt dus vooral geïnteresseerd in wat de Duitse bezetter te eisen had. Daar hoorde NSB-zendtijd niet bij; Freudenberg en consorten voelden er niets voor dat de luisteraar voor het eerst sinds dagen de radio weer zou gaan horen om te worden geconfronteerd met de in het algemeen gehate NSB.

De uitzendingen konden wel worden hervat (inclusief met als dagsluiting het Wilhelmus) zodra de technische installaties dat toestonden en de AVRO er klaar voor was. De controle op de uitzendingen zou door een Duitse instantie (Rundfunkbetreuungsstelle RBS genaamd) worden overgenomen en die instantie wilde graag in de AVRO-studio worden ondergebracht totdat eigen huisvesting zou zijn gevonden. Programmatisch was de omroep vrij om uit te zenden wat men wilde zolang het geen programma’s waren die tegen Duitsland, Führer Adolf Hitler of de Wehrmacht waren gericht. Om dat te voorkomen zou er censuur komen op alle programma-inhoud.57 Freudenberg verklaarde na de oorlog dat hij handelde op basis van een grote hoeveelheid Befehle die hij per telegram of koerier kreeg van het Rijkscommissariaat en de Wehrmacht-leiding in Den Haag alsmede van het RMVP in Berlijn. Die bevelen hadden onder andere betrekking op ‘Senderanweisungnen und Entlassungen jüdischen Personals. Diese Entlassungen wurden von mir schriftlich an Herren Vogt und die anderen Herren Direktoren mitgeteilt.’58 Die andere directeuren betrof de vertegenwoordigers van NCRV, VARA en KRO die ook naar de AVRO-studio waren gekomen. Maar dat een dergelijk verlangen door de RBS op papier is vastgelegd, zoals Freudenberg beweerde, is niet terug te vinden in de archieven.

In de zeer uitvoerige verslagen die het VARA-bestuur van alle omroepbestuurdersgesprekken in de meiddagen heeft gemaakt, werd er ook geen melding van gemaakt.59 Wel zei ook Taubert in zijn verhoor in het strafrechtelijk onderzoek tegen Vogt dat er over Joden gesproken was, maar dat er geen schriftelijk bevel was gegeven. Waarbij hij eraan toevoegde dat het verwijderen van 55

Verklaring J. den Daas voor de commissie-Drost 1 mei 1946, archief OKW inv.nr. 2.14.51, dossier 289, NA

56

‘Aanvullende nota van W. Vogt voor den Eereraad’ ongedateerd (circa juli 1945); Pv verhoor M. Marchant et d’Ansembourg 20 november 1946, archief CABR-NA, dossier

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

Joodse medewerkers voor de RBS geen urgentie had omdat ‘hun invloed op het openbare en cultureele leven in Nederland veel geringer was dan in Duitschland’.60 Daarmee gaf hij indirect wel aan dat voor Joden op enigerlei moment in de toekomst geen plaats meer zou zijn in de radio. Nog dezelfde woensdagavond was de AVRO weer in de ether via de enige zender die beschikbaar was. De RBS bleef tot 27 mei in de zenderzaal van de AVRO-studio bivakkeren op haastig aangerukte matrassen; het gezelschap nuttigde de maaltijden in het AVRO-restaurant. Vogt had daartoe besloten nadat burgemeester Wijckerslooth de Weerdesteijn toestemming voor het tijdelijke bivak had gegeven. Op 27 mei zou de RBS een eigen kantoorruimte betrekken aan het Melkpad op een steenworp afstand van de AVRO-studio. Dat alles onderging Vogt met een zekere gelatenheid of zoals Freudenberg na de oorlog verklaarde in het onderzoek tegen Vogt: ‘Herr Vogt war bestimmt nicht der Besatzung einverstanden und ich hatte während der Zeit der Zusammenarbeit mit Herren Vogt stets diesen Eindruck.

Er war immer ziemlich reserviert und zurückgezogen und wirkte nur mit wenn er dazu aufgefordert wurde.’ Hij vond wel dat Vogt gezien zijn ervaring de juiste man was om de concentratie van omroepverenigingen te leiden ‘und nicht weil er politisch an unsere Seite stand’.61 Voorlopig was van concentratie nog geen sprake; het eerste doel van de bezetter was normalisering van de situatie op radiogebied binnen een nieuw kader van controle door de RBS. Op 17 mei ontmoette Freudenberg de bestuurders van alle omroepen, vooral om hen gerust te stellen over hun voortbestaan binnen zekere regelgeving. In die eerste weken vonden de omroepen die Duitse bemoeienis alleszins meevallen. Ze waren immers al tien jaar gewend geraakt aan preventieve censuur op uitzendingen door de Nederlandse regering. Het was een staande praktijk geworden dat door een speciale controlecommissie in Den Haag alle radioteksten tevoren werden gekeurd. Daarmee had de Nederlandse overheid geprobeerd vooral politiek en moreel controversiële zaken uit de radio weg te houden. Daaronder vielen alle politieke programma’s of onderdelen daarvan waarin sprekers zich op polemische wijze afzetten tegen andere politieke opvattingen.

Kritiek op buitenlandse mogendheden en bevriende staatshoofden (zoals Hitler en Mussolini) was ook verboden.62 De nu door de bezetter ingestelde Duitse censuur leek daarmee niet een grote breuk op te leveren. Van opgelegde nazipropaganda was in de eerste bezettingsweken nog slechts beperkt sprake. Zo verzekerde Freudenberg de omroepen dat Duitsland het nationaalsocialisme niet als een exportartikel beschouwde of als een ideologie die hardhandig aan de Nederlandse bevolking zou moeten worden opgelegd. Nederland moest vrijwillig de keuze voor het nationaalsocialisme en steun aan het Derde Rijk maken. Freudenberg benadrukte tevens dat hij de omroepen steunde in hun verlangen de NSB en Mussert

107662-II: Willem Vogt

60

Pv verhoor E. Taubert 30 en 31 december 1946 en E.A. Freudenberg in Berlijn op 9 en 10 september 1947, archief CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt

57

Crone, Hilversum unter dem Hakenkreuz, 59-70

61

Pv verhoor E. A. Freudenberg in Berlijn op 9 en 10 september 1947, archief CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt en: collectie 248-1814: Willem Vogt, map D, NIOD

58

Pv verhoor Freudenberg 9 en 10 november 1947, archief-CABR-NA, dossier 106772-I: Willem Vogt

62

De censuur had de journalistieke ontwikkeling van de radio sterk afgeremd. Over de vooroorlogse censuurpraktijk zie: Huub Wijfjes, Radio onder restrictie. Overheidsbemoeiing

59

Verrichtingen van het klein-DB van de VARA 13-27 mei 1940, in: archief VARA en archief Pleysier 13104, doos 3, map J, NIBG

met radioprogramma’s 1919-1941 (Amsterdam: Stichting Beheer IISG, 1988)

35

36

Hoofdstuk 2

buiten de uitzendingen te houden. De omroepen mochten ook onderling blijven overleggen over de verdeling van de schaarse zendtijd en hun werd verzekerd dat men niets hoefde uit te zenden dat tegen de eigen identiteit in zou gaan.63 Zoals in paragraaf 2.2.1 uitvoeriger zal blijken, was de opluchting over de meevallende houding van de Duitsers dan ook groot. Allesoverheersend voor de omroepen bleef natuurlijk wel de praktische vraag hoe het nu verder zou moeten. Dat probleem had vier kanten: het weer uitzendklaar krijgen van de organisatie; de financiering van bedrijf en personeel; de houding ten opzichte van het omroepbeleid van de Duitse bezetter; en de positie van het Joodse personeel. Vooral die laatste twee zouden in de naoorlogse zuivering en de Bijzondere Rechtspleging een grote rol gaan spelen, maar in de mei- en junidagen van 1940 hadden het weer kunnen uitzenden en de financiering van het eigen bedrijf en de vaste personeelsleden veruit de hoogste prioriteit. Daarover had dus vrijwel niemand het meer bij de naoorlogse meningsvorming over het gedrag van Vogt; die discussies gingen vooral over de laatste twee aspecten. Bij ‘de zorg voor het Joodse personeel’ ontstond ten aanzien van Vogt de beschuldiging van antisemitisme bij ‘het ontslag’ van medewerkers op en kort na 21 mei 1940, waarover paragraaf 2.1 zal handelen.

Ten aanzien van het omroepbeleid werd over Vogt de beschuldiging geuit van Duitsvriendelijkheid of zelfs verraad tussen mei en december 1940. Daarover meer in paragraaf 2.2. 2.1. De kwestie van ‘het ontslag van Joodse medewerkers’ Door het wegvallen van een zender was de radiozendtijd na 10 mei 1940 gehalveerd. De dreiging was daarmee reëel dat leden van de omroepverenigingen hun lidmaatschap of abonnement op de programmagids op zouden gaan zeggen. Er werd immers niets uitgezonden en het was hoogst onduidelijk of de omroepen zouden kunnen voortbestaan. De kosten liepen echter gewoon door, want de omroepen hadden veel personeel in vaste dienst en daarnaast waren contracten afgesloten met tal van freelancemedewerkers. De omroepen kozen voor verschillende maatregelen om die dreiging op te vangen. De NCRV, die van de grote omroepen het minste personeel in dienst had, deed niets en besloot af te wachten wat er zou komen. Het NCRV-bestuur schatte in dat de trouwe achterban niet snel zou weglopen of de NCRV-Omroepgids de deur uit zou doen. De KRO was onzekerder: daar ontsloeg het bestuur op 15 mei al het personeel (inclusief bestuurders) met behoud van drie maanden salaris. Wat er daarna moest gebeuren was van later zorg.64 Bij de VARA koos men voor een socialistische maatregel: alle salarissen werden verlaagd, de hoge salarissen meer (tot vijftig procent) dan de lage (tien procent).

Het freelancecontract voor optredens van het ‘damesorkest’ Rosian-Ladies werd verbroken en voor enige tijd werd overwogen het populaire dansorkest The Ramblers als geheel te ontslaan. Dat laatste kon na hevig protest van orkestleider Theo Uden Masman en

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

met steun van de vakbond van Toonkunstenaars worden voorkomen.65 Bij de AVRO nam Vogt in samenspraak met het DB op 21 mei een besluit ‘uit bedrijfsbeleid’: hij besloot alle tijdelijke contracten met freelancemedewerkers voortijdig te verbreken, teneinde het vaste personeel in dienst te kunnen houden. Dat ging om tussen de 220 en 240 personen; een exact aantal voor 21 mei is niet te geven. Die contractverbrekingen troffen medewerkers die voor een bepaald programma of een bepaalde taak van buiten de omroep waren aangetrokken. Dat was een vorm van arbeidsovereenkomst die in de culturele en journalistieke sector veel voorkwam en later meer bekend zou worden als een freelance-overeenkomst. De maatregel zou controversieel worden omdat bij die verbroken contracten ook Joodse medewerkers waren betrokken. Volgens Verkijk stond daarmee vast dat het een ‘antisemitische maatregel’ betrof. Dat zou zo zijn geweest als de maatregel expliciet tegen de Joden zou zijn gericht. Zoals in de noten 4 tot en met 9 in de Inleiding is aangeven, beweerde De Jong: ‘Vogt ontsloeg alle Joden’ of - nog ernstiger geformuleerd door Van den Heuvel - ‘de AVRO maakte zichzelf Judenrein’. Het is hier nu de vraag of dat juiste vaststellingen zijn.

Om dat te kunnen beoordelen zullen we eerst in detail moeten nagaan hoeveel Joden bij de AVRO werkten, hoe die maatregel er uitzag, welk motief de AVRO daarbij had, hoe dat voor de betreffende medewerkers uitwerkte en hoe men daar als betrokkene zelf over oordeelde. Dat moet gebeuren op basis van voornamelijk naoorlogse bronnen, omdat de toenmalige bestuursnotulen en de administratie van de AVRO verloren zijn gegaan.66 Laten we om te beginnen vaststellen dat het moeilijk exact te bepalen is hoeveel Joden de AVRO in dienst had of contracteerde. De AVRO hield (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de KRO) geen register bij welke religieuze, etnische of ideologische achtergrond de medewerkers hadden. Maar op basis van de momenteel beschikbare bronnen (nader gepreciseerd in de volgende pagina’s) kan met betrouwbare zekerheid worden vastgesteld dat er 22 Joden (zowel naar toenmalige Duitse rassennormen ‘vol-Joden’ als ‘halfJoden’ als ‘vermaagschapte Joden’ d.w.z. door huwelijk met Joden verbonden personen) voor de AVRO werkten, waarvan tien in vaste dienst. Dat was iets minder dan tien procent van het totale AVRO-personeel dat begin 1940 uit 237 personen bestond. Het was het hoogste aantal van alle omroepen.

Bij de KRO waren tussen 1933 en 1939 al de meeste Joodse musici geleidelijk verdwenen onder druk van de orthodoxkatholieke leden van het KRO-bestuur die een zuiver katholieke identiteit van de KRO nastreefden.67 Bij de NCRV trad slechts één Joodse musicus regelmatig op onder zijn artiestennaam Arthur Gray: de organist Leon Gokkes (1912-1944). Hij bleef onder zijn 65

Verrichtingen van het klein-DG van de VARA 13-27 mei 1940, in: archief-VARA en archief-Pleysier 13104, doos 3, map J, NIBG. Vgl. Huub Wijfjes, VARA. Biografie van een

omroep (Amsterdam: Boom, 2009) 66

Het hiernavolgende overzicht van ontslagen AVRO-personeel is voornamelijk gebaseerd op overzichten die de AVRO in het kader van de naoorlogse zuivering en vervolging

heeft gemaakt. Die zijn niet helemaal volledig omdat de administratie daarover grotendeels verloren is gegaan, maar ook omdat toen niet helemaal duidelijk was wie nu eigenlijk 63

Crone, Hilversum unter dem Hakenkreuz, 67-71

Joods was en wie niet. Dat is voor dit onderzoek zo goed als mogelijk hersteld met behulp van andere, nader te noemen, documentatie. Archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem

64

Peter Bak en Wim Berkelaar, Verkondiging en verstrooiing. Een geschiedenis van de NCRV 1924-2014 (Amsterdam: Prometheus, 2014), 111-114; A.F. Manning, Zestig jaar KRO. Uit

Vogt, bijlage B

de geschiedenis van een omroep (Baarn: Ambo, 1986), 126

67

Wijfjes, ‘Het katholiek gehalte van muziek’, 10-12; Manning, Zestig jaar KRO, 121

37

38

Hoofdstuk 2

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

artiestennaam na mei 1940 gewoon voor de NCRV-microfoon optreden. Bij de VARA werkten voor zover bekend (ook hier werd geen register bijgehouden over een mogelijk Joodse achtergrond) naar schatting veertien Joden in min of meer vaste dienst, de meesten achter de schermen in bij de administratie, de propagandadienst, de techniek of (zoals trompettist Sem Nijveen en saxofonist Sal Doof ) als musicus in het orkest The Ramblers. Dirigent Benedict Silberman en het af en toe voor losse optredens geëngageerde Joodse zangduo Johnny & Jones traden bij de VARA nog het meest op de voorgrond.68 Van de VPRO en andere kleine zendgemachtigden ontbreken gegevens. Lang niet alle 22 Joden die bij de AVRO werkten, werden getroffen door het ‘ontslag’ dat na de oorlog zo omstreden is geworden. Op 21 mei 1940 maakte Vogt namelijk bekend dat hij in overleg met het DB had besloten de tijdelijke contracten met 17 medewerkers te verbreken, omdat er onvoldoende zendtijd voor de AVRO was.69 Tien daarvan waren niet-Joods, zoals na de oorlog bleek toen er vragen kwamen over een mogelijk ontslag van alle Joodse medewerkers. Een aantal van die 17 medewerkers belde Vogt persoonlijk op om hen het nare nieuws mee te delen; sommigen kregen de mededeling van programmaleider Den Daas op de dag zelf of in de week erop volgend.

Het betrof immers mensen die vaak al jarenlang tot de herkenbare AVRO-gezichten waren gaan behoren met zeer populaire programma’s.

geerde hij gelegenheidskoren bij allerlei manifestaties en bij de scouting, waarvan hij enthousiast lid was. Met de koorpraktijk en geregelde concerten in het hele land ging Hamel na mei 1940 verder totdat het openbaar optreden voor Joden door de antisemitische maatregelen van de bezetter in het voorjaar van 1941 onmogelijk werd gemaakt. Bij het verbreken van zijn contract in mei 1940 kreeg Hamel van de AVRO een eenmalig bedrag uitbetaald, omdat hij volgens Vogt een ‘vrij geregelde medewerker’ was. De hoogte ervan is niet exact vast te stellen, maar in verklaringen is genoemd 112,50 of 212,50 gulden. Dat laatste is het meest waarschijnlijk omdat dat het bedrag was dat Hamel voor het uitbreken van de oorlog maandelijks bij de AVRO verdiende.71 Voor zover bekend, heeft Hamel zich in het openbaar nooit uitgelaten over de contractbreuk, maar volgens Vogt in zijn verdediging na de oorlog ‘begreep Hamel heel goed dat hij “uit de gevarenzone” moest worden gehaald’.72 In 1941 werd Hamel opgenomen in de ruimhartige schadeloosstellingsregeling van de omroep (zie paragraaf 2.1.2), die hij zelfs nog kon krijgen toen hij eind 1942 onderdook. Dat heeft op de lange termijn niet geholpen. Jacob Hamel werd met zijn vrouw Jeanette bij een razzia in Amsterdam op 20 juni 1943 gearresteerd.

Het echtpaar Hamel werd via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd en aldaar onmiddellijk na aankomst op 9 juli 1943 vergast.

Van de 17 personen met wie de AVRO het tijdelijk contract verbrak, hadden zeven medewerkers dus een Joodse achtergrond. Dat betrof de volgende personen:

Hartog (Han) Hollander (1886-1943) was misschien wel de bekendste stem van de radio in het interbellum. De in Deventer geboren Hollander was al vroeg een sportfanaat. Met zijn broer richtte hij in 1902 bijvoorbeeld een voetbalclub op die drie jaar later Go Ahead zou gaan heten. In 1921 werd hij sportverslaggever bij het dagblad De Telegraaf. Tijdens zijn diensttijd had hij met slapie Willem Vogt vriendschap gesloten. Het was daarom min of meer logisch dat Vogt aan Hollander dacht toen hij in 1928 een journalist zocht voor een nieuwtje: een live radioverslag van een interlandvoetbalwedstrijd. Dat verslag op 11 maart 1928 was het begin van een lange reeks die afhankelijk was van de tijdstippen waarop die wedstrijden werden gespeeld. Want aan zendtijdruil deden de omroepen nauwelijks en zeker niet voor zoiets populairs als sport. Maar dat maakte de populariteit van Hollander er niet minder om. In de jaren dertig ging hij voor de AVRO ook andere sportmanifestaties verslaan, interviews met sporters maken en wekelijks een sportpraatje verzorgen op donderdagavond. In 1936 verzorgde hij commentaren bij de wedstrijden van de Olympische Spelen in Berlijn.73 Al die tijd bleef Hollander in vaste dienst bij De Telegraaf, want daar verwierf hij zijn hoofdinkomen. Bij de krant kreeg hij in mei 1933 wel een andere functie: hij werd verplaatst van de sportredactie naar de opmaakredactie.

Dat had waarschijnlijk te maken met een grote reorganisatie bij de krant als gevolg van teruglopende inkomsten in crisistijd. De exacte reden voor de opmerkelijke overplaatsing van Hollander is

Jacob Hamel (1883-1943) was een bekend zanger en koordirigent. Sinds 1929 was hij leider van het AVRO Kinderkoor, dat vrijwel elke dinsdagmiddag voor de radiomicrofoon optrad. Met dit koor trad hij op in de propagandafilm voor de AVRO uit 1938; ze zongen daarin het overbekende lied Kleppermarsch (ook bekend als Klepperdeklep) dat op straat door vele kinderen werd nagezongen met zelfbegeleiding door houten kleppers erbij. In 1939 werd Hamel door de AVRO uitgebreid gehuldigd voor het tienjarig jubileum van zijn kinderradiokoor.70 Mede door de populariteit was Hamel dirigent van een aantal koren, waarmee hij zijn hoofdinkomen verdiende. Naast de AVRO was hij bijvoorbeeld ook nog dirigent van De Joodsche Stem, Jong-Hass (jeugd van 12-17 jaar), Kinderklank en het Kinderkoor Jacob Hamel. Ook diri-

Koorleider Jacob Hamel dirigeerde vaak bij grote openluchtmanifestaties. Fotocollectie Stadsarchief Amsterdam 68

Zie voor overzichten van (Joods) personeel de staten voor uitkering van omroeppersoneel in archief Nederlandsche Omroep inv.nr. 103, dossier 154, NIOD

69

Voor de naoorlogse zuiveringscommissie-Bijleveld brief verklaarde AVRO-voorzitter De Clercq dat Vogt als enige verantwoordelijk was voor de contractverbrekingen van 21

mei. Althans volgens commissielid L. Lichtveld in een brief aan de secretaris van de commissie-Bijleveld van 12 maart 1946. Maar dat staat op gespannen voet met de bewering van

71

Lichtveld twee weken later (brief 23 maart) dat AVRO en De Clercq alles hebben gedaan om beschuldigingen tegen Vogt te verdoezelen. Deze brieven in archief-OK&W inv.nr. 2.14.51,

NA, dossier 107662-II: Willem Vogt. Enserinck noemde in een verklaring à charge d.d. 5 augustus 1946 het bedrag van 112,50 gulden, collectie 248-1814: Willem Vogt, map B, NIOD

dossier 289, NA

72

Pv verhoor Willem Vogt op 24 en 26 maart 1947, archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt

70

73

Zeer uitvoerig over Hollanders vooroorlogse carrière is: Van Brakel, Han Hollander

M. Bekkers-Zurcher, ‘Tien jaar leuke liedjes’, in: De Radiobode 27 oktober 1939, 12-13

Ongedateerd ‘overzicht van Joodse AVRO-medewerkers’, samengesteld door Willem Vogt circa september 1946; Pv verhoor Willem Vogt op 24 en 26 maart 1947, archief-CABR-

39

40

Hoofdstuk 2

Willem Vogt (links in de radiocabine) begeleidde Han Hollander bij de radioreportages van het Nederlands voetbalelftal, fotocollectie Beeld & Geluid

tot op heden onbekend gebleven, maar de krant gaf als reden ‘het vergroten van zijn nuttig effect’. Hollander ging als opmaakredacteur minder verdienen (zijn salaris bij de krant ging van 500 naar 450 gulden per maand), waarvoor hij meer moest werken (ook in avond- en nachtdiensten). De radiosportverslagen en het daaruit volgende schrijven van voetbalboeken kon hij ernaast blijven doen, want die bekendheid vond De Telegraaf gunstig voor de uitstraling.74 Door de sportverslagen en zijn wekelijkse Sportpraatje op de radio bereikte Hollander eind jaren dertig de status van bekende Nederlander. Opmerkelijk was dat hij op vrijdag 10 mei 1940 klaar stond om naar Luxemburg af te reizen voor de interlandwedstrijd die het Nederlands elftal op zondag 12 mei tegen Luxemburg zou gaan spelen. De technische AVRO-ploeg onder leiding van Tom Schreurs was daar al en moest door het uitbreken van de oorlog een dagenlange en enerverende thuisreis ondernemen. Dat bleef Hollander bespaard, maar dat gold niet voor zijn contract met de AVRO. Telefonisch kreeg hij op 21 mei van Vogt te horen dat zijn diensten niet langer nodig waren omdat de sportwereld voorlopig stilstond, interlandvoet-

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

balwedstrijden niet meer zouden worden gespeeld en de AVRO-zendtijd meer dan gehalveerd was. Ook met Hollander sprak Vogt over de noodzaak om hem ‘uit de gevarenzone’ te halen vanwege het antisemitisme van de bezetters.75 Bij het opzeggen van het contract met de AVRO werd voor zover bekend over een schadevergoeding of uitkering niet gesproken. Formeel was dat ook niet nodig bij het verbreken van een freelanceovereenkomst, zeker niet als het ging om iemand met een vast salaris elders. Hardvochtig was het wel, zeker omdat ook De Telegraaf het vaste dienstverband met Hollander (en vijf andere Joodse redacteuren) op 3 juli zou verbreken. Bij het ontslag bij de krant kreeg Holander wel een wachtgeld van 200 gulden per maand mee, maar dat was toch meer dan een halvering van zijn salaris.76 Hollander heeft zich voor zover we kunnen nagaan niet over zijn verhouding met Vogt of de AVRO na mei 1940 uitgelaten. Vogt verklaarde dat in zijn verdediging bij de naoorlogse strafzaak alsvolgt: ‘Ik was te bevriend met Han Hollander, dat hij ooit enige vrees heeft gekoesterd te kort gedaan te zullen worden.’77 Dat bleek onder andere door de schadeloosstelling en uitkering die Hollander in 1941 alsnog uit omroepgelden zou krijgen (zie paragraaf 2.1.2).

Hartog Hollander werd op 6 juli 1943 samen met zijn vrouw Leentje Smeer (geboren 6 oktober 1886) en zijn dochter Froukje Esther Waterman-Hollander (geboren 25 oktober 1915) naar Sobibor vervoerd en aldaar vergast. Zij zaten in dezelfde trein als Jacob Hamel en diens vrouw. Albert van Raalte (1890-1952) was violist en dirigent van onder andere de Nationale Opera en het Residentieorkest. Op 1 januari 1928 kreeg hij een contract met de AVRO, om de meer klassieke concerten van het AVRO-orkest te gaan leiden. Daarnaast was hij vaste dirigent van een orkest in Glasgow en trad hij op als gastdirigent bij vele orkesten in binnen- en buitenland, van Turijn en Milaan tot Wiesbaden en Berlijn. Dankzij zijn internationale netwerk was hij in staat vele solisten van wereldfaam naar Hilversum te halen, zoals Jascha Heifetz, Carl Fleisch, Arthur Rubinstein en Mischa Elman.78 Als dirigent was hij zeer begaafd, maar zijn rechtlijnige persoonlijkheid die niet tot concessies bereid was viel niet bij ieder in de smaak.

Max Tak schreef in zijn memoires daarom dat Van Raalte en Vogt - die elkaar vaak troffen in de vergaderingen van de AVRO-programmaleiding - een moeizame, koele en ‘vormelijk correcte’ relatie hadden die snel in ruzie kon ontaarden: ‘Vogt was niet minder gevoelig voor wisselende stemmingen dan Albert van Raalte, al hadden beiden voor elkaars uiteenlopende begaafdheden waardering.’79 75

Pv verhoor Willem Vogt op 24 en 26 maart 1947, archief-CABR-NA, dossier 107662-II. Sportpraatjes op de radio zouden overigens na juni 1940 weer incidenteel plaatsvinden

bij de KRO (Piet Olthof ) en de VARA (Sem Smit en Kick Geudeker) 76

Wolf, Het geheim van De Telegraaf, 244-245

77

Ongedateerd ‘overzicht van Joodse AVRO-medewerkers’, samengesteld door Willem Vogt circa september 1946; Pv verhoor Willem Vogt op 24 en 26 maart 1947, archief-CABR-

NA, dossier 107662-II: Willem Vogt 78

Piet Beishuizen, ‘Albert van Raalte en het Radio-Philharmonisch Orkest’, in: J.J.F. Stokvis en L.J. van Looi (red.), Radio Nederland. Een band tusschen den luisteraar en zijn

Nederlandschen omroep (Amsterdam: Elsevier, 1946), 9-20 74

Mariëtte Wolf, Het geheim van De Telegraaf. Geschiedenis van een krant (Amsterdam: Boom, 2009), 215; Van Brakel, Han Hollander, 172-173

79

Max Tak, Onder de bomen van het plein (Amsterdam: Elsevier, 1963), 142

41

42

Hoofdstuk 2

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

Dirigent Albert van Raalte. Fotocollectie Stadsarchief Amsterdam

De koele verstandhouding kwam in de meidagen van 1940 tot een dieptepunt toen programmaleider Den Daas op de 50ste verjaardag van Van Raalte (21 mei) hem meedeelde dat hij en Vogt hadden besloten dat zijn medewerking niet langer mogelijk was ‘wegens bedrijfsbeleid’. Hij kon nog wel tweehonderd gulden uitbetaald krijgen als afkoop van zijn maandcontract, maar dat aanbod wees Van Raalte verontwaardigd van de hand. Hij verklaarde na de oorlog dat hij ‘het gevoel had’ dat Vogt hem aan de kant zette ‘omdat ik Jood ben’. Toen hij na zijn ‘ontslag’ te hebben gekregen besloot Vogt persoonlijk naar het motief ervan te vragen op het AVRO-kantoor in Amsterdam, verklaarde Vogt dat hij prominent voor de radio optredende Joden ‘uit de gevarenzone [wilde] halen’ vanwege de hetze in de nazi-pers tegen het ‘Joden-bolwerk AVRO’ en de ‘gespannen manier’ waarop RBS-leider Freudenberg over Joodse medewerkers zou hebben gesproken.80 De naoorlogse verklaringen van Van Raalte over het verbroken contract met de AVRO ‘omdat ik Jood ben’ zouden een cruciale rol spelen in de beeldvorming over de achtergrond van deze maatregel, maar ze werd door Vogts tegenstanders toen niet neergezet als een voor Joden beschermende maar als een voor hen vijandige maatregel (zie uitvoeriger hoofdstuk 4, in het bijzonder paragraaf 4.1 en 4.2).

Voorlopig bleef Van Raalte in 1940 en 1941 dirigeren her en der in Nederland, maar in vergelijking met de periode voor 10 mei stelde dat niet veel meer voor. ‘Op het oogenblik, dat Nederland Nederland niet meer was, en helaas ook vele Nederlanders geen Nederlanders meer waren, zag ik mij gedwongen in mijn schulp te kruipen’, verklaarde hij na de oorlog.81 Waarmee hij aangaf zich er wel degelijk bewust van te zijn dat het gevaarlijk voor Joden kon zijn om in het openbaar op te treden.

Als gevolg van het anti-Joodse beleid van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) werd hem begin 1941 het dirigeren in het openbaar definitief onmogelijk gemaakt. Hij kon in juni wel dirigent en leider worden van het Joodsch Symphonie Orkest, de enige plek waarvan DVK wilde toestaan dat de bij gesubsidieerde en radio-orkesten ontslagen Joodse musici konden optreden. Na consultatie van o.a. de inmiddels ontslagen Joodse voorzitter van de Hoge Raad wilde Van Raalte de taak wel op zich nemen op voorwaarde dat het benodigde geld niet uit Duitse of NSB-bron zou komen. Het orkest werd uiteindelijk gefinancierd uit de 3,5 miljoen gulden die de Joodse vatenfabrikant Bernard van Leer bij de bezetter moest deponeren om naar Amerika te mogen emigreren.82 Het orkest trad tussen 16 november 1941 en 9 juli 1942 25 maal op in de Hollandsche Schouwburg met een programma van louter Joodse componisten. Voor het orkest meldden zich honderden gegadigden bij de audities, maar uiteindelijk konden er 73 worden aangesteld. Daaronder zaten ook vijf leden van het AVRO-orkest die vanwege hun Joodse achtergrond niet gehandhaafd konden blijven bij de nazi-staatsomroep RDNO, waarnaar ze in april 1941 waren overgegaan.

Tot 1 juli dat jaar bleven ze daar wel in dienst, maar toen volgde alsnog het door de Duitse bezetter bevolen collectief ontslag.83 Mede omdat Van Raalte gehuwd was met een niet-Joodse vrouw kon hij de Jodenvervolging overleven en ging hij in 1944 in op het aanbod van Vogt om na de bevrijding de leiding te krijgen van een nieuw te vormen Radio Symphonie Orkest. Zijn wat ongelukkige relatie met dat orkest, het conflict met de omroepen dat daaruit voortvloeide en zijn escalerende ruzie met de AVRO zouden hem nog een bittere levensavond bezorgen (zie paragraaf 4.3). Jetty Cantor-Frank (geboren als Henriëtte Frank, 1903-1992) was half Joods (ze had twee Joodse grootouders), zangeres en leider van een cabaret-ensemble met onder andere haar eerste man de cellist Maurice/Mozes Cantor (1902-1954). Ze zong en speelde tevens viool. Ze trad op met vele ensembles en begeleidde artiesten als Louis Davids en Bob Scholte. Tot aan de Duitse inval trad ze met haar ensemble minimaal eenmaal per week op voor de AVRO.

Daarnaast trad ze op als solist met diverse orkesten, onder andere het AVRO-amusementsorkest gedirigeerd door Elzard Kuhlman.84 Na het verbreken van het contract rond 21 mei adviseerden Vogt en omroeper Guus Weitzel haar om te blijven zingen; niet onder haar eigen naam, maar als anonieme zangeres bij het ensemble van Johnny Kroon, tweede violist bij het gezelschap waar ze voor de oorlog al mee had opgetreden. Dat ensemble verscheen op 4 juni 1940 voor het eerst weer voor de AVRO-microfoon en daarna nog enkele malen tot november 1940. Ze stopte ermee toen ze merkte dat luisteraars haar stem op de radio weer begonnen 82

Kees Wouters, Ongewenschte muziek. De bestrijding van jazz en moderne amusementsmuziek in Duitsland en Nederland 1920-1945 (Den Haag: SDU, 1999), 288-290; Pauline

Micheels, ‘Leer, Bernard van (1883-1958)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn6/leer [12-11-2013]; Max 80

Pv verhoor Van Raalte 13 september en 16 november 1946, archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt. Ook de jurist Enserinck verklaarde na de oorlog dat Vogt het

Vredenburg, ‘Albert van Raalte 40 jaar orkestdirigent’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad 27 oktober 1950

argument ‘uit de gevarenzone halen’ hanteerde: brief Enserinck aan Regeringscommissaris voor het Radiowezen 18 oktober 1954, archief-Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier

83

1149: Albert van Raalte, NA

paragraaf 2.1.2

81

84

Beishuizen, ‘Albert van Raalte en het Radio-Philharmonisch Orkest’, 16

Pauline Micheels, Muziek in de schaduw van het Derde Rijk. De Nederlandse symfonie-orkesten 1933-1945 (Zutphen: Walburg Pers, 1993), 183-189. Over dat ontslag zie verder

Maarten Hell, ‘Frank, Henriette’, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. URL: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Cantor [10/04/2017]

43

44

Hoofdstuk 2

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

Jetty Cantor-Frank trad op 30 juni 1963 op bij het jubileum van de AVRO. Ondanks haar scheiding van Mozes Cantor bleef ze deze naam dragen. Fotocollectie Beeld & Geluid te herkennen. De meeste optredens verzorgde Cantor echter bij concerten in het land.85 Jetty Cantor overleefde deportatie naar Theresienstadt op 4 september 1944, Auschwitz op 1 of 12 oktober 1944 en Bergen Belsen in het voorjaar van 1945. Na de oorlog trad ze snel weer voor de radio op, ook voor de AVRO. Maar ze was toen vooral leider van het toneelgezelschap Radiostad Comedie. Ze speelde voor de NCRV-tv vanaf 1963 twee jaar lang juffrouw Saartje in de kinderserie Swiebertje.

Dirigent en musicus Max Tak was in het interbellum een beroemdheid. Stadsarchief Amsterdam.

Max Tak (1891-1967) was klassiek violist, dirigent en journalist. Hij begon als violist in het Concertgebouworkest. Maar uiteindelijk werd hij orkestleider bij verschillende orkesten, onder andere sinds 1921 bij het Tuschinskibioscooptheater in Amsterdam. Sinds 1923 was hij in vaste dienst bij De Telegraaf als muziekredacteur en vanaf 1925 schreef hij ook artikelen voor de Haagsche Post. Daarnaast had hij zijn orkesten en componeerde hij muziek bij stomme films en (kinder)musicals. Voor de AVRO werd hij in 1926 adviseur lichte muziek en begon hij als gastdirigent bij het AVROorkest operettes, seizoenspotpourri’s en revues te dirigeren. Zo dirigeerde hij onder andere het orkest bij de grote AVRO-protestdemonstratie op Houtrust in september 1930. Dat AVROorkest stond tot 1938 onder vaste leiding van Hans Mossel en daarna Elzard Kuhlman. Later in de jaren dertig verzorgde Tak voor de AVROradio eenmaal per twee weken een radiorubriek over muziek.

Op 21 mei verbrak de AVRO het contract met hem, maar zelf verklaarde hij later dat hij in die meidagen toch al overwoog niet langer te werken voor een organisatie die onder Duits toezicht was gesteld. Erger vond hij zijn ontslagen bij de pers. Op 17 of 18 mei besloot hoofdredacteur D.C.M. Bauduin van de Haagsche Post dat Tak geen medewerker meer kon zijn; hij was voor dat blad vijftien jaar freelance muziekredacteur geweest. En na bijna twintig jaar artikelen voor De Telegraaf te hebben geschreven zette ook die krant Tak op 3 juli 1940 op straat met een vergoeding van 300 gulden (na protest verhoogd tot 600). Bij De Telegraaf waren volgens hem alleen adjunct-hoofdredacteur J. Goedemans en kunstredacteur Weremeus Buning hem en de andere Joodse redacteuren vriendelijk gezind.86 In oktober 1940 ontsloeg ook theater Tuschinski Tak als orkestleider. Hij kon zich daarna nog aansluiten als violist en kapelmeester bij het Circus Kavaljos van de Joodse vatenfabrikant Bernard van Leer. Zoals al bleek bij Van Raalte kon deze rijke ondernemer door onderhandeling met de Duitsers toestemming krijgen voor emigratie voor zijn familie en het circus. Zo kon kapelmeester Tak - vlak voordat hij voor het eerst een schadeloosstelling zou krijgen uit AVRO-gelden - op 23 juni 1941 Nederland ontvluchten.

Het gezelschap van 15 personen en 19 paarden kon via Spanje en Portugal naar Cuba ontkomen.87 De rest van de oorlog werkte Tak op Curaçao en vanaf 1943 in New York. Daar verzorgde hij een wekelijks radio-uurtje voor CBS, bestemd voor Nederlandse zeevarenden. Na de oorlog bleef hij in de VS om onder andere correspondent te zijn voor Elsevier en AVRO’s Radiojournaal.

Violist Boris Lensky, fotocollectie Beeld & Geluid 86

Boris Lensky, (1883-1972) werd geboren als Jonas (John) Chits. Hij was klassiek violist onder andere in het Concertgebouworkest en stehgeiger in bioscopen, met name Cinema Palace, Scala, Nöggerath en Tuschinsky in Amsterdam. Hij koos de naam Boris Lensky omdat in een roman van de Tsjechische schrijf-

Schriftelijke verklaring Max Tak te New York 29 augustus 1946, archief CABR-NA, dossier 107662-I: Willem Vogt; Van Brakel, Han Hollander, 267; Wolf, Het geheim van De

Telegraaf, 230 en 244 87 85

Pv verklaring Jetty Cantor 28 februari 1947, archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt

Henk van Gelder, ‘Tak, Marcus (1891-1967)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn6/tak [12-11-2013];

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=8b64727d-c4de-4111-9dfc-22e9a7971eba