CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

39. Raadsinformatiebrief 2025-42 inzake Handhaving inschrijving Willem Vogt in het Gulden Boek

GEMEENTERAAD 11 juni 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Stukken ten aanzien waarvan de voorzitter voorstelt deze voor kennisgeving aan te nemen53.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Pauline Micheels, ‘Leer, Bernard van (1883-1958)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn6/leer [12-11-2013]

45

46

Hoofdstuk 2

ster Ossip Schubin een ‘duivelse violist’ voorkwam die zo heette. Hij werkte sinds 1924 met organist Pierre Palla en Kovacs Lajos (Louis Schmidt) voor de AVRO-radio, maar had tevens een indrukwekkende internationale carrière. Hij trad geregeld op in het populairste AVRO-programma van de jaren dertig: de Bonte dinsdagavondtrein. Naast de AVRO werkte hij ook voor de VARA en de NCRV. Tijdens de mobilisatieperiode van 1939 en 1940 trok hij door het land om op te treden in kazernes. Na zijn in mei 1940 verbroken AVRO-contract richtte hij zich op vioollessen. In 1942 dook hij met zijn nietJoodse vrouw onder en overleefde zo de oorlog.88 Nicolas Roth, (1902-1990) was een in het Hongaarse Boedapest geboren, internationaal vermaard violist met de Engelse nationaliteit. Sinds 1926 was hij leider van het Boedapester Trio, waarin zijn broer George cello speelde en George van Renesse piano. Dit trio was wereldberoemd en speelde over de hele wereld concerten. De AVRO had hem geëngageerd voor medewerking aan verschillende concerten in verschillende samenstellingen. Roth trad ook op als solist bij concerNicholas Roth, violist en viool-pedagoog, eind jaren ten, onder andere van het gezelschap Musica zeventig. Antiqua (met Hans Brandts Buys op cembalo, Johan Feltkamp op fluit en Carel van Leeuwen Boomkamp op viola di gamba), dat nog tot oktober 1940 in Nederland zou optreden.

Op 26 juni 1940 werd hij tijdelijk geïnterneerd net zoals alle andere in Nederland verblijvende personen met de Engelse nationaliteit. Op 18 augustus 1940 trad hij weer eenmalig op met Bach-concerten voor de AVRO-radio met het orkest van Anthon van der Horst. Hij overleefde langdurige internering tijdens de oorlog en trad na 1946 weer vele malen op voor de AVRO-radio. Na het overlijden van zijn vrouw in 1957 emigreerde hij naar Londen, waar hij hoofd van de strijkersafdeling van het Trinity College of Music werd. In die functie begeleidde hij vele beroemde leerlingen naar de wereldtop. Samen met deze zeven Joden verbrak de AVRO op 21 mei 1940 de contracten met tien andere niet-Joodse freelancemedewerkers. Daarvan lieten er twee op eigen initiatief het contract verbreken omdat ze niet wilden werken bij een organisatie die onder Duits toezicht stond. Dat waren: Antoinette van Dijk (1879-1975) was van huis uit opera- en cabaretzangeres. Grotere bekendheid verkreeg ze vanaf 1919 door, zichzelf begeleidend met een luit, oud-Neder-

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

landse (kinder)liedjes te zingen. Toen ze in 1924 in een krant las dat de Hilversumsche Draadlooze Omroep (HDO) plannen had om meer programma’s te gaan maken en verlegen zat om een kinderprogramma, nam ze contact op met HDO-programmaleider Willem Vogt. De zaak was snel beklonken; vanaf 19 mei 1924 verzorgde ze iedere maandag voor de HDO - in 1928 omgezet in AVRO - een kinderuurtje met liedjes, spelletjes en verhaaltjes. Op 4 maart 1926 kwam daar een uurtje op donderdagmiddag voor ‘Ziekenhuizen en Weeshuizen’ bij.89 De zorg voor zieken werd voor haar en de AVRO steeds belangrijker. Op 18 februari 1929 verzorgde ze bijvoorbeeld samen met Willem Vogt een avondvullende radioactie voor ‘de grote Uitbouwloterij’ van de Joodsche Invalide.90 Haar empathische programma’s voor zieken en thuiszittenden met gedichten en opbeurende verhaaltjes leverden enorm veel post op. Heel modern was dat ze die reacties ook een plaats gaf in de uitzendingen. Veel luisteraars herkenden haar pleidooien voor onbaatzuchtige naastenliefde en ‘het volgen van God in de driehoek God, Mens en Medemens’. Ze schreef hierover ook artikelen in De Radiobode en publiceerde in boeken (Licht op uw pad, 1937) en op grammofoonplaten. Ze was auteur van het bekende Sinterklaasliedje: Dag Sinterklaasje, da-ag, da-ag.

In mei 1940 ontbond ze zelf haar freelancecontract met de AVRO omdat ze principieel niet met het nieuwe, Duitse, regime te maken wilde hebben. Haar naam verscheen in het voorjaar van 1940 ten onrechte als zijnde ‘een Jood’ in de propagandistische nazi-campagnes, maar ze was niet Joods. Ze woonde wel samen met een Engelse vrouw met een Joodse achtergrond. Omdat ze de door plaatsvervangend programmaleider Henk de Wolf verspreidde, roddelachtige praatjes over haar vermeende jood-zijn de wereld uit wilde helpen, is ze naar het AVRO-kantoor in Amsterdam geweest om de werkelijke situatie uit te leggen.91 Veel geholpen heeft dat niet. Leo (Leendert Jurriaan) Jordaan (1885-1980) was filmcriticus en politiek tekenaar. Ondanks zijn misschien Joods klinkende naam was hij niet Joods (ook niet in de betekenis van de Duitse rassenwetten), omdat zijn vier grootouders zich hadden bekeerd tot het hervormde geloof. De nazipropaganda had daar echter maling aan; zoals in paragraaf 1.1 bleek werd hij steevast genoemd als die bij wijze van propaganda wilde beweren dat de Joden het in de publieke opinie voor het zeggen hadden. Jordaan werkte sinds 1931 voor de AVRO met een wekelijks filmpraatje. Daarnaast was hij actief als schrijvend en tekenend journalist onder andere voor Het Leven en De Groene Amsterdammer.

In mei 1940 liet hij op eigen verzoek zijn contract met de AVRO ontbinden omdat hij principieel niet onder Duits toezicht wenste te werken. Met acht andere, niet-Joodse medewerkers verbrak de AVRO op 21 mei de tijdelijke contracten. Dat waren: 89

88

Martin Maas, ‘Boris Lensky (1883-1972). Tovenaar op de viool’, in: Ons Amsterdam 2021/73

‘Vrouwenstemmen in den aether: mevr. Antoinette van Dijk’, in: Deli Courant 12 december 1936

90

‘De uitzendavond van De Joodsche Invalide’, in: Nieuw Israëlietisch Weekblad 22 februari 1929

91

Pv verklaring Antoinette van Dijk 19 februari 1947, archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt

47

48

Hoofdstuk 2

Ida de Leeuw-Van Rees (Geboren als Ida Gilkens 1902-1987) verzorgde de AVRO-naaicursus sinds 1926. Zij was getrouwd met een Joodse man: Lucien de Leeuw (1894-1973). Diens moeder heette De Leeuw-Van Rees en met die aangenomen naam maakte Ida furore als samensteller en presentator van een radioknipcursus waarin ze het zelf maken van kleding propageerde. Na het verbreken van haar contract met de AVRO, was ze op 22 juni 1940 weer present voor de radio omdat de AVRO over meer zendtijd kon beschikken en er door de oorlogsomstandigheden een stijgende behoefte was aan het zelf maken van kleding. Ida en Lucien de Leeuw scheidden op 4 april 1941, maar uit merkbekendheidsoverwegingen bleef ze de naam De Leeuw-Van Rees voeren. Tot in 1942 werkte ze ook nog af en toe voor nazi-omroep RDNO. Na de oorlog presenteerde ze tot 1963 voor de AVRO haar knipcursus Met naald en schaar. De opkomst van de confectiekleding deed de belangstelling voor het zelf maken van kleding verflauwen.92 P.H. Ritter jr. (1882-1962) was journalist en letterkundig medewerker van verschillende bladen. Daarnaast verzorgde hij cursussen voor de Volksuniversiteit en filminleidingen in bioscopen. Voor de oorlog produceerde hij een ontstellende hoeveelheid beschouwingen, recensies en radiopraatjes over film, boeken en cultuur voor dagen weekbladen en vanaf 1925 voor de HDO-radio en sinds 1928 de AVRO-radio.

Met dat medium had hij een ambivalente verhouding want hij was gecharmeerd door het grote publieksbereik, maar hij voelde tevens dat de oppervlakkigheid en cultuurverlaging er op de loer lagen.93 Daarnaast hield hij er een brievencorrespondentie op na met tal van schrijvers en figuren werkzaam in de cultuursector. Ritter was een echte cultuurpaus, maar ook omstreden door geruchten over omkoopbaarheid en fantasierijke journalistiek.94 De contractverbreking van 21 mei was zeer tijdelijk. In juni 1940 trad Ritter weer op voor de AVRO-microfoon, totdat hij als gijzelaar in oktober 1940 naar Buchenwald en later naar St Michielsgestel werd gevoerd. Na de oorlog begon hij vrijwel onmiddellijk weer voor de AVRO-radio zijn causerieën over literatuur te houden. Piet van Egmond (1912-1982) was organist en dirigent. Hij werkte als organist in verschillende Amsterdamse kerken en sinds 1933 was hij tevens organist van het Concertgebouw. Op 1 oktober 1931 trad hij voor het eerst op als organist voor de AVROradio met een programma klassieke werken vanuit de Nieuwe Waalse Kerk aan de Keizersgracht in Amsterdam. In 1933 verzorgde hij circa twintig orgelconcerten voor de AVRO. Vanaf december 1936 kreeg hij de leiding over het vocaal kwartet voor de AVROMorgenwijdingen, een half jaar later uitgebreid tot een meer dan zestig personen tellend Morgenwijdingkoor.

Daarnaast had hij een zeer drukke praktijk als organist en dirigent.95 Door het schrappen van het Morgenwijdingkoor uit de AVRO-programmering, 92

W.J. de Jong, ‘Ida Jacoba Gilkens’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn5/gilkens [12-11-2013]

93

Jeroen Dera, Sprekend kritiek. Literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie (Hilversum: Verloren, 2017); Alex Rutten, De publieke man. Dr. P.H.

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

verbrak de AVRO op 21 mei zijn contract. Dat betekende ‘een gevoelig verlies aan inkomsten’ dat hij compenseerde door organist te worden bij het Amsterdamse City Theater. 96 Nadat er door het herstel van de tweede omroepzender meer zendtijd kwam, trad Van Egmond weer geregeld op voor de AVRO-microfoon, voor het eerst op 27 juni 1940. Tijdens de oorlog zou hij lang doorwerken onder andere bij de nazi-omroep. Zijn medewerking aan concerten voor Duitse doelen - hij componeerde onder andere een Winterhulpmarsch - kwam hem na de oorlog te staan op een veroordeling in het kader van de zuivering van de kunstensector. Hij mocht twee jaar niet dirigeren, maar kon wel als organist blijven optreden. Voor de omroep deed hij dat voornamelijk bij de NCRV; de AVRO had de Morgenwijdingen afgeschaft in het kader van de naoorlogse noodzaak voor een betere programmacoördinatie.97 James Brotherhood (1909-?) had de Engelse nationaliteit. Hij verzorgde voor de AVRO-radio cursussen Engels als opvolger van de legendarische Fred Fry. Per les ontving hij daarvoor vijftig gulden. Zijn hoofdinkomen haalde hij echter uit zijn eigen taalcursusbureau dat boeken uitgaf en uitstekend profiteerde van de radiopubliciteit. Zijn leven lang zou hij Vogt dankbaar blijven voor de mogelijkheid om voor zijn taalcursussen een groter publiek te trekken.

Bij het jubileum van de AVRO in 1973 zei hij dat hij Vogt ‘een fijne vent’ vond. Want: ‘ Vogt was altijd zeer geïnteresseerd in mijn werk, zijn Engels was ook bijzonder goed.’98 Over het schrappen van zijn cursus in mei 1940 (hij zat midden in een reeks) had hij het nooit meer. Het schrappen van een taalcursus Engels kan in mei 1940 overigens ook gezien worden als een daad met een politieke kant, want het Verenigd Koninkrijk was in oorlog met Duitsland en bovendien had de RBS alle muziek van Engelse componisten voor de radio verboden. Riek Lotgering-Hillebrand (1892-1984) verzorgde voor de AVRO-radio tussen 1930 en 1967 de kookcursussen Halfuurtje voor de vrouw en Wenken voor de huishouding. De AVRO koos voor haar omdat ze al geruime tijd vooral bij vrouwen bekend was door haar voorlichtingspraktijken voor gezond en verantwoord eten en het voeren van een moderne huishouding. Ze was auteur van kookboeken, adjunct-directeur van de Nieuwe Amsterdamsche Huishoudschool en sinds 1938 ook nog directeur van het Unilever Voorlichtings Instituut.

Een dag per week schoot over voor haar AVROrubriek.99 Haar contract met de AVRO werd weliswaar op 21 mei 1940 verbroken maar in de programma’s van juni 1940 tot en met maart 1941 stond ze weer gewoon in het omroepschema met haar rubriek, ook over onderwerpen die aan de oorlogsomstandigheden gebonden waren: ‘broodrantsoen, zuinig koken met boter, dranken voor dezen tijd’. Haar laatste programma stond genoteerd voor 31 maart 1941. Ze weigerde mee te 96

AVRO/Vogt aan Piet van Egmond, 31 mei 1940; Van Egmond aan Vogt 2 juni 1940, archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt

Ritter Jr. als cultuurbemiddelaar in het interbellum (Hilversum: Verloren, 2018) 138-187

97

Schaap, Piet van Egmond, 105-128

94

Rutten, De publieke man; Huub Wijfjes, Journalistiek in Nederland 1850-2000. Beroep, cultuur en organisatie (Amsterdam: Boom, 2004), 202-206

98

‘Zij maakten de AVRO groot’, in: De Telegraaf 7 juli 1973

95

Gerco Schaap, Piet van Egmond - Een leven voor muziek (Baarn: Stichting Piet van Egmond Documentatiecentrum, 2003), 58-98

99

Anneke H. van Otterloo, Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. Een historisch-sociologische studie (Amsterdam: Bert Bakker 1990), 175-180

49

50

Hoofdstuk 2

gaan naar de nieuwe nazi-omroep en werd wegens verzetsactiviteiten voor de Stijkelgroep in april 1941 gearresteerd en tot het einde van de oorlog in een Duitse gevangenis geïnterneerd.100 Direct na de oorlog hervatte ze haar activiteiten voor de AVRO. Henri Ch.G.J. van der Mandere (1883-1959) was als journalist en commentator actief in de diplomatieke vredesbeweging die rond de Haagse Vredesconferenties bestond. Na de Eerste Wereldoorlog specialiseerde hij zich in de internationale politiek, met name waar het ging om internationale samenwerking ter voorkoming van oorlog.101 Voor de AVRO verzorgde hij vanaf 1935 onregelmatig een causerie over internationale zaken. Gezien de toenemende internationale spanningen breidde de AVRO in augustus 1939 die rol uit door hem een wekelijkse rubriek als buitenlandcommentator te geven, waarin hij ‘duidelijkheid aan objectiviteit paarde’. Voortaan elke dinsdagavond om 20.15 gaf hij in twintig minuten onder de titel De bewegelijke wereld zijn visie op de wereldpolitiek.102 Op 14 mei stond hij voor het laatst geprogrammeerd; die uitzending zou door het wegvallen van de radiozenders niet doorgaan en hij keerde in de bezettingstijd ook niet meer op de radio terug.

Jan Gertsen, (geboren 1895) was auteur van boeken over radio- en grammofoontechniek die gebaseerd waren op zijn wekelijkse radiopraatjes, zoals AVROfoon (1935), AVRO huisschijf (1933 en 1937) over het zelf opnemen van grammofoonplaten) en andere. Hij was in 1932 de ontwerper van het beroemde zelfbouwradiotoestel AVRO Kassandra. Gertsen had een reguliere baan als chef de bureau bij de dienst Algemeene Begraafplaatsen in Amsterdam, maar hij gaf regelmatig medewerking aan de AVROradio als radio- en fototechnisch medewerker. Hij scheef vele boekjes en maakte films over techniek (onder andere ook een film over Televisie), die hij zelf illustreerde met foto’s en tekeningen.103 Henk van Wielink (1910-1981) was koorleider en operadirigent. Sinds 1932 trad hij incidenteel voor de AVRO-radio op. Zijn verbroken contract op 21 mei 1940 was van korte duur. Op 24 juli 1940 dirigeerde hij weer een opera bij de AVRO-radio, waarna hij regelmatig medewerking gaf aan muziekuitzendingen van de AVRO en later ook de nazi-omroep. Tijdens de oorlog dirigeerde hij nog verschillende opera’s voor het Gemeentelijk Theaterbedrijf Amsterdam. Na de oorlog leidde hij het koor van de Nederlandse Opera. Bij de medewerkers wier contract werd verbroken was de meerderheid (tien van de zeventien) dus niet-Joods. Procentueel was dat wel meer dan de ongeveer tien procent Joden die in totaal bij de AVRO werkte.

Daarbij moet worden opgemerkt dat er nog vier 100

Coks van Eysden, ‘Hillebrand, Hendrikje Roelofje (1891-1984)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

Joodse musici en een zogeheten ‘Joods-vermaagschapte’ bij de AVRO waren betrokken, waarvan niet met honderd procent zekerheid is vast te stellen of ze in vaste of in tijdelijke dienst waren, maar hun contracten werden in ieder geval niet ontbonden in mei 1940.104 Ze werkten eind jaren dertig allen voor het AVRO Dansorkest onder leiding van Ernst van t Hoff, dat in 1939 AVRO Dance Band ging heten. Vast staat dat ze niet bij het ‘ontslag’ van 21 mei betrokken waren; ze bleven allen optreden maar ze werden net als de andere orkestmusici nooit bij naam genoemd in de programmaoverzichten. Alle vier gingen ze in maart 1941 met een contract voor zestig gulden per week over naar RDNO; om de continuïteit te handhaven was besloten om de omroeporkesten als collectief over te nemen. Vanwege de beroepsverboden voor Joden - vervat in de arierverklaring die alle omroeppersoneelsleden moesten ondertekenen - werden de Joodse musici uit die orkesten in juni dat jaar alsnog ontslagen. Uit het AVRO-orkest betrof dat de violist Samuel Juliard (1902-1944), violist Louis van Coevorden (1915), trombonist David van Wezel, en tenorsaxofonist en zanger Ab Witteboon.

Ook trad de niet-Joodse vrouw van Juliard (het huwelijk classificeerde haar naar Duitse rassennormen als ‘joodsvermaagschapt’ en dus niet-arisch) tot in 1941 met grote regelmaat voor de AVRO op: violiste Georgina Juliard-Springer, beter bekend onder haar artiestennaam Nina Dolce. Zij was tevens leidster van het Puszta-orkest. Allen overleefden de oorlog behalve Samuel Juliard die op 3 augustus 1943 werd gearresteerd en op 3 maart 1944 naar ‘het oosten’ werd gedeporteerd, waarna hij drie dagen later in Auschwitz werd vermoord.105 Zijn vrouw Nina Dolce trad onder die artiestennaam tot in 1941 en in 1943 nog in negen concerten voor RDNO op met haar Puszta-orkest en als soliste bij andere ensembles. Louis van Coevorden werd in januari 1943 gearresteerd en via Vught naar Polen gedeporteerd. Op die reis kon hij ontsnappen en wist hij naar Nederland terug te keren. De rest van de oorlog zat hij ondergedoken in Rotterdam bij zijn niet-Joodse schoonouders.106 In december 1941 werd Ab Witteboon lid van het Nieuw Joodsch Kamerorkest onder leiding van S. Abas; dat orkest trad op tot juni 1942. Naast de zeven tijdelijke Joodse medewerkers wier contract werd verbroken en de vijf van wie het onduidelijk is welk contract ze hadden maar die wel voor de AVRO bleven werken, waren er tien Joden in vaste dienst bij de AVRO.

Daarbij moet aangetekend dat het er meer geweest kunnen zijn, maar - het is eerder gezegd - de AVRO hield voor zover we weten geen register bij van wie Jood was of niet en het relevante archiefmateriaal van de AVRO is niet bewaard gebleven. Op basis van de momenteel beschikbare bronnen kan geen definitieve feitelijke vaststelling van meer dan tien Joden in vast AVROdienstverband gemaakt worden; zes daarvan waren musicus, de andere vier werkten in administratieve functies. Van de tien Joodse musici waarvan zekerheid bestaat dat ze een vast AVRO-

bwn5/hillebrand [12-11-2013] 101

J.P.A. François, ‘Henri.Ch.G.J. van der Mandere’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1960, 97-100

104

Ongedateerd ‘overzicht van AVRO-medewerkers in mei 1940 in vaste dienst’, archief CABR-NA, dossier 107662-I: Willem Vogt

102

‘De bewegelijke wereld. Een nieuwe rubriek op dinsdagavond’, in: De Radiobode 4 augustus 1939, 11

105

Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 678: Samuel Juliard en dossier 679: G.M. Juliard-Springer, NA

103

‘Jubileum Jan Gertsen’, in: Algemeen Handelsblad 21 april 1944; ‘Jan Gertsen jubileert’, in: Het Volk 27 april 1944

106 Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 116: Louis van Coevorden, NA

51

52

Hoofdstuk 2

contract hadden, waren zes musici in dienst bij het grote AVRO-orkest: Sam Zilverberg (1901-?, hobo), Max Cohen Rodriguez (meestal zonder ‘Cohen’ geschreven, 1907-1991, violoncello), Alexander Baune (1908-1942, violoncello), Jacob van der Woude (viool en concertmeester), Dolf Karelsen (1905-1944, pianist, arrangeur) en Sam Bamberger (viool). Al deze musici zouden bij de overgang van AVRO naar de nazi-omroep in juni 1941 worden ontslagen in het kader van de antisemitische maatregelen van de bezetter om Joden uit het openbare leven te weren. Dat lot trof ook Sam Zilverberg die zich tot het protestantisme had bekeerd en zichzelf niet als joods beschouwde. Maar dat beschermde hem niet tegen de nazi-opvatting dat jood-zijn door rassenwetten (en in dit geval dus door ouders en grootouders) werd bepaald, niet door keuzes voor religieuze overtuigingen. Alle zes musici konden wel een beroep doen op de schadeloosstellingsregeling die bij de overgang naar RDNO voor personeel ‘met gewetensbezwaren’ werd getroffen (zie paragraaf 2.1.2). Van deze zes Joodse musici zouden er twee de oorlog niet overleven. Alexander Baune trad na zijn ontslag bij de omroep in 1941 toe tot het door Albert van Raalte geleide Joodsch Symfonie Orkest. Hij werd eind 1942 naar Auschwitz vervoerd en aldaar vermoord op 29 december 1942.

Op 8 juni 1943 werden zijn vrouw Rebecca Sarphaty (1904), zoon Edwin (1933) en dochter Mirjam (1931) naar Sobibor vervoerd en aldaar vermoord op 11 juni 1943. Dolf Karelsen was sinds 1931 in vaste dienst bij de AVRO als arrangeur en pianist, onder ander voor De Decibels onder leiding van Eddy Meenk, het orkest van Kovacs Lajos (Louis Schmidt) en het AVRO-amusementsorkest onder leiding van Elzard Kuhlman. Karelsen maakte vele arrangementen samen met Pierre Palla, Eddy Noordijk en anderen. Hij was mentor en vriend van David van der Linden (1915-1999), die zijn naam veranderde in Dolf en in 1945 oprichter zou worden van het Metropole-orkest. Karelsen bleef na mei 1940 in dienst bij de AVRO, totdat het beroepsverbod van Joden bij RDNO in juni 1941 dat onmogelijk maakte. Karelsen was getrouwd met de niet-Joodse Johanna Meijer (1907-1986) met wie hij drie kinderen kreeg die de oorlog overleefden. De niet-praktiserende Jood Dolf Karelsen werd op 17 of 18 augustus 1942 gearresteerd omdat hij zonder Davidster op straat liep met bloemen in zijn handen op weg naar zijn vrouw die in het ziekenhuis lag. Op 8 september werd hij naar kamp Amersfoort gevoerd en vandaar op 7 november naar Westerbork. Op 10 november 1942 ging hij op transport naar Auschwitz, maar werd bij Cosel uit de trein gehaald om dwangarbeid te verrichten bij de aanleg van de spoorlijn Berlijn-Odessa. In werkkamp St.

Annaberg ten westen van Auschwitz is hij op een onbekende datum omgekomen.107 De andere Joodse AVRO-musici in vaste dienst Bamberger, Zilverberg, Van der Woude en Cohen Rodriguez bleven tot 1 juli 1941 spelen voor de RDNO-radio maar werden toen alsnog om hun Joodse achtergrond ontslagen. Voor Joodse omroepmedewerkers gold een beroepsverbod.108 Zilverberg, Van der Woude en Rodriguez konden nog een jaar blijven spelen voor het Joodsch Symphonie Orkest onder leiding van Albert van 107

Kees Bestebreurtje, ‘Siriusstraat: vier huizen, vier verhalen’, in: Eigen Perk, 38-1 (maart 2018); Jan Jaap Kassies, ‘Dolf Karelsen’, in: https://www.muziekschatten.nl/page/30538/

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

Raalte. Zij overleefden alle de oorlog en werkten erna voor het Radio Philharmonisch Orkest onder leiding van diezelfde Albert van Raalte. Er werkten ook nog vier Joden in vaste dienst bij de ondersteunende dienst van de AVRO. Onzekerheid bestond over de Joodse achtergrond van Frits Thors (1910-2014) die sinds 1928 in dienst bij de AVRO was als omroeper. Hij kwam uit een familie Joden die sinds de 19de eeuw al waren geassimileerd door niet-Joods te trouwen en kinderen niet-Joods op te voeden. Frits was er daar een van; hij had slechts één Joodse grootmoeder. Maar volgens de nazi-rassenwetten was hij daarmee slechts half-arisch en kon hij in 1941 niet bij RDNO gaan werken, ook al wilde hij dat aanvankelijk wel. Hij ontving een uitkering van de AVRO gevolgd door die van RDNO.109 Na 1943 werkte hij als handelaar in papiertouw en bij Watson Bedrijfsmachines Maatschappij. Later in de oorlog dook hij onder. Na de oorlog zou Thors bekend worden als stem die de programma’s van Radio Herrijzend Nederland aankondigde. Daarna werkte hij voor de Wereldomroep en AVRO’s Radiojournaal. Meest bekend werd hij in de jaren zestig en zeventig als gezicht van het NOS-Journaal op televisie.

Opmerkelijk was dat hij zich vlak na de oorlog aansloot bij een groep programmamedewerkers die, in hun verlangen naar een nationale omroep en met steun van de voormalige verzetspers een heftige aanval op Willem Vogt lanceerde. Volgens Vogt kwam dat omdat Thors ‘een ontevredene en betweterige’ was. ‘Hij zou geen enkele leiding hebben aanvaard buiten die van hemzelf en zoodra hij zelf mocht leiden, liep alles vast, hetgeen hij dan weer weet aan anderen’.110 Zijn meelopen met de groep Vogt-critici bij de omroepzuiveringen was opmerkelijk, omdat bij Vogts dood in 1973 Thors helemaal omgeslagen bleek. Hij noemde Vogt toen ‘een man die de omroep heeft grootgemaakt, die leiding wist te geven, en aan wie je altijd met diep respect zult terugdenken’.111 Drie ‘vol-Joden’ met een vast dienstverband bij de AVRO werkten bij De Radiobode. Redacteur was daar R. van Beem, van wie weinig bekend is, de halfjoodse Rolf Kirchner en Mary Vaz Dias. Rolf Kirchner (1912-?) was van december 1933 tot 1 januari 1942 in dienst bij de AVRO als medewerker bij De Radiobode. Na 1 januari 1942 ontving hij wachtgeld omdat de AVRO en De Radiobode definitief waren opgeheven en RDNO geen Joodse medewerkers accepteerde. Voor werk aldaar was hij naar eigen zeggen ‘niet arisch genoeg’.112 Hij werkte vanaf 20 juli 1942 bij de Joodse firma TheeblokjesIndustrie T’INA in Rotterdam.

Het salaris dat hij daarmee verdiende werd in mindering gebracht op het wachtgeld dat hij van de omroep ontving.113 Vanaf 1 juni 1945 trad hij weer bij de radio in dienst als medewerker van Radio Herrijzend Nederland.114 Bij De Radiobode was ook Marianna (Mary) Vaz Dias (1906-1989) in vaste 109 Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 1463: Alexander Frederik Paul Thors, NA 110

Aanvullende nota van W. Vogt voor den Eereraad’, ongedateerd, maar circa juli 1945, in: archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt; alsmede collectie-Verkijk 13165, map

43.2, NIBG 111

Frits Thors, ‘Bij het heengaan van Willem Vogt’, in: collectie-Vogt-NIBG 13070, map 16

112

Kirchner aan bestuur Stichting Radio Nederland in den Overgangstijd 12 april 1946, archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 73: Rolf Kirchner, NA

dolf-karelsen-1905-1944; podcast ‘Dolf van der Linden... en zijn Metropole-orkest!’, NPO Klassiek/AVROTROS 2024

113

Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 73: Rolf Kirchner, NA

108

114

Kirchner aan zuiveringscommissie 24 december 1945, archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 73: Rolf Kirchner, NA

Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 1722: S. Zilverberg en dossier 1206: M. Cohen Rodriguez, NA

53

54

Hoofdstuk 2

dienst. Zij werkte vanaf 15 december 1928 tot 1 januari 1942 voor de AVRO. Na de definitieve opheffing van de AVRO werkte ze vanaf 1 juni 1942 tot en met september 1943 in het Portugees Israëlitische Ziekenhuis in Amsterdam. Daarna zat ze ondergedoken, eerst bij haar moeder en vanaf januari 1945 bij haar geliefde, de radioreporter Herman Felderhof die ze bij de AVRO had leren kennen. Ze maakte vanaf 27 januari 1942 gebruik van de schadeloosstellingsregeling van RDNO op basis van 170 gulden per maand. Vanwege de grote risico’s van het maandelijks melden en tekenen voor ontvangst zag ze ervan af met ingang van 1 februari 1944. Na de oorlog vroeg ze alsnog de resterende bedragen op. Dat verzoek werd in 1954 toegewezen door de Regeringscommissaris van het Radiowezen.

Op 7 juni 1945 trouwde ze met de gereformeerde Herman Felderhof, die in 1940 als omroeper en reporter bij de AVRO had gewerkt, maar na maart 1941 door was gegaan als verslaggever bij de reportagedienst van de nazi-omroep.115 2.1.1 Een antisemitische daad? Een tussenbalans Kunnen we, dit palet van contractbreuken en bestendiging van vaste dienstverbanden overziende, spreken van een antisemitische maatregel om de Duitse bezetter tegemoet te komen in de zin die Verkijk, De Jong en Van den Heuvel in hun geschiedwerken hebben gesuggereerd? Of is Vogts verklaring overtuigend dat het een maatregel ‘uit bedrijfsbelang’ was waarmee hij tevens enkele Joden (de meest zicht- en hoorbare) ‘uit de gevarenzone’ wilde halen? Een antisemitische ontslagmaatregel zou je kunnen omschrijven als een maatregel gericht op het discrimineren van Joden omdat ze Joods zijn. Dat lijkt hier niet het geval, omdat de contractopzeggingen van eind mei 1940 niet alleen Joden troffen: zeven van de 17 verbroken contracten trof Joden; vijf contracten met Joden (inclusief een ‘Joods-vermaagschapte’) werden niet verbroken; en minimaal tien Joden bleven in vaste dienst bij de AVRO. Bij de naoorlogse zuivering van omroepbestuurders en in het strafrechtelijk onderzoek tegen Vogt is het mogelijk antisemitische karakter van het ‘ontslag’ van 21 mei 1940 zeer uitvoerig onderzocht.

Die onderzoekingen kwamen alle tot de conclusie dat antisemitisme niet aangetoond kon worden. Gezien alle afgelegde, soms tegenstrijdige, verklaringen hechtte men waarde aan de redenen die Vogt aangaf voor de contractverbrekingen. Hij verklaarde dat hij door het tekort aan zendtijd gedwongen was freelancecontracten te verbreken en de arbeidspositie zeker te stellen van de circa 220 mensen die een vast dienstverband bij de AVRO hadden; ook van de Joodse medewerkers in vaste AVRO-dienst. De AVRO had een behoorlijk aantal freelancers gecontracteerd ‘omdat het omroepprogramma altijd frisch en afwisselend moest zijn, om de luisteraars te blijven boeien’. Dat was een niet erg overtuigend argument als het ging om medewerkers die al sinds de jaren twintig ongeveer hetzelfde programma maakten zoals Han Hollander, Jacob Hamel, P.H. Ritter jr. en Ida de Leeuw-Van Rees. Maar volgens Vogt was de radio een bijverdienste voor medewerkers met een tijdelijk contract en was het beter de medewerkers die financieel volledig van de 115

Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 29: Marianna Felderhof-Vaz Dias, NA

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

AVRO afhankelijk waren voor ontslag te behoeden, ook de Joden met een vast contract. Daarmee ontkende Vogt dat het verbreken van die contracten iets had te maken met een verlangen om de bezetter ‘de wenschen van de lippen te lezen’, maar slechts ‘een kwestie van bedrijfsbeleid’ was uitgevoerd op advies van zijn programmaleider en na overleg met het dagelijks bestuur. De sterk verminderde zendtijd en de ongewisse toekomst dwong vrijwel alle omroepen tot ingrijpende maatregelen; het verbreken van tijdelijke contracten met personen die ook elders geld verdienden was een van die maatregelen.116 Vogt verklaarde na de oorlog tevens dat hij door de anti-Joodse maatregelen in Duitsland en de stemmingmakerij in de nazi-pers en de Nederlandse uitzendingen van de radiozender Hamburg over ‘het Jodenbolwerk AVRO’ (zie paragraaf 1.1) zo bevreesd was geraakt voor de veiligheid van de bekende Joodse medewerkers, dat hij hen ‘uit de gevarenzone’ wilde halen.117 Dat is aannemelijk als het gaat om de overbekende Joodse AVRO-medewerkers zoals Hollander, Hamel, Tak, Van Raalte, Lensky , Roth en Cantor, maar gezien de verschillende namenoverzichten in de door Vogt en de AVRO na de oorlog gemaakte lijstjes, wisten ook de AVRO en Vogt niet exact wie er nu eigenlijk Joods waren of niet.

Het is tevens niet uit te sluiten dat Vogt door de vooroorlogse anti-Joodse stemmingmakerij van NSB en Duitse nazi-media bevreesd was geraakt voor het voortbestaan van de AVRO onder het Duitse bezettingsregime. Het argument dat er in de publieke opinie dreigingen richting de Joden bij de AVRO waren en dat grote voorzichtigheid geboden was, snijdt volgens een van de freelancers met wie de AVRO het contract verbrak - Max Tak - wel hout. Hij verklaarde bij het strafrechtelijk onderzoek tegen Vogt in 1946 dat hij zijn verbroken contract terecht had gevonden, omdat hij zich toch ‘op de achtergrond wilde houden’ in een tijd waarin radicale nazi’s de aanval openden op alles dat Joods was. ‘Het was in die tijd beter te zwijgen’, aldus Tak over de periode na mei 1940, ‘hoe minder men zeide des te beter en zeker voor een man in mijn positie.’118 Ter illustratie haalde hij een artikel over hem aan dat het fel antisemitische NSB-blad De Doodsklok, volksblad bij de opruiming van het jodendom in augustus 1940 publiceerde. Daarin sprak men over ‘schraper met jodenstreken’ Max Tak die dankzij ‘de joden van de AVRO’ een mooie carrière zou hebben kunnen maken over de ruggen van de musici die bij zijn orkesten in dienst waren.119 Over de invloed van mogelijke Duitse druk voor het verbreken van contracten met prominente Joodse programmamedewerkers liepen de naoorlogse meningen sterk uiteen.

Vogt verklaarde in een eerste politieverhoor na zijn arrestatie eind augustus 1946: ‘Door de zender Hamburg werd namelijk een hetze tegen de AVRO gevoerd, die als ‘de Jodenburcht’ werd betiteld. Deze hetze had ook haar invloed doen gelden op de leiders 116

Tenlastelegging bij de arrestatie van Willem Vogt op 23 augustus 1946 inclusief de bijlagen die Vogt maakte voor de commissies Bijleveld en Drost, het verhoor van Vogt door

de commissie-Bijleveld op 27 juni 1945 en het verweerschrift van Vogt ‘De eigenlijke zaak Vogt’, archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt 117

Vogts redenering in deze wordt bevestigd door A.A.M. Enserinck aan Regeringscommissaris van het Radiowezen 18 oktober 1954, in: archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72,

dossier 1149: Albert van Raalte, NA 118

Schriftelijk verhoor Max Tak te New York 29 augustus 1946, archief CABR-NA, dossier 107662-I: Willem Vogt

119

‘Max Tak: Juda’s grootste muzikant aller tijde’, in: De Doodsklok, volksblad bij de opruiming van het jodendom 10 augustus 1940. Dit blad zou overigens in september op last van

de bezetter worden verboden omdat men de titel en ondertitel te suggestief en alarmerend vond. Presser, Ondergang, Deel 1, 105

55

56

Hoofdstuk 2

der Rundfunkbetreuungsstelle die herhaaldelijk in gesprekken blijk gaven van geprikkeldheid over het feit dat bij de AVRO op de meest geëxposeerde microfoonposten Joden werkzaam waren. In het belang van hun eigen veiligheid had verdachte (Vogt, HW) de heeren Van Raalte en Hamel niet meer voor de AVRO laten optreden.’120 Maar RBSmedewerker Taubert verklaarde later in het rechercheonderzoek naar Vogts gedrag dat zijn baas Freudenberg in mei of juni 1940 geen schriftelijk bevel voor een dergelijk ‘ontslag’ had gegeven en dat hij Vogt had leren kennen als iemand die alleen ‘op bevel’ aan nieuwe regelgeving meewerkte. Freudenberg verklaarde echter dat hij wel degelijk een schriftelijk gebod had verstuurd met de nieuwe regelgeving voor omroepen. Aan de verschillende omroepbesturen had de RBS op 17, 19 of 20 mei in ieder geval mondeling meegedeeld dat men zich moest onthouden van kritiek op de Wehrmacht en de Duitse machthebbers en dat men zich voor de programmering moest gedragen naar de richtlijnen van de Reichs Kulturkammer.

Die richtlijnen hielden onder andere in: geen muziek van Joodse componisten, geen Engelse dansmuziek, geen werken van in Duitsland verboden schrijvers en componisten, geen Joodse medewerkers in het programma.121 Uit de naoorlogse verklaringen van Cantor, Tak en Roth kan men niet concluderen dat zij hun contractverbrekingen als een anti-Joodse maatregel hebben ervaren. Dat gold ook voor de musici Zilverberg, Van der Woude, Bamberger en Rodriguez die vlak na de bevrijding door Vogt werden gevraagd een voor hem ontlastende verklaring te ondertekenen. In mei 1945 werd Vogt namelijk al belaagd met allerlei beweringen van zijn tegenstanders in de omroepstrijd dat hij fout was geweest en dus niet meer bij de omroep kon werken, zoals in hoofdstuk 4 nog uitvoerig zal blijken. Vooral ‘de fabel van het jodenontslag’ werd daartoe ingezet, aldus Vogt.122 Daarom besloot hij verklaringen te verzamelen van Joden die bij de AVRO hadden doorgewerkt. Hij wilde daarmee tegengas kunnen geven bij officiële onderzoekingen.

Het verzamelen van ontlastende verklaringen kwam in de zuiveringspraktijk vaker voor; ook de medebeklaagde omroepbestuurders Antoine Dubois (die in 1941 de omroepen had geconcentreerd in een nationale omroep) en KRO-directeur Speet deden dat bijvoorbeeld.123 Vogt vroeg aan de vier musici om schriftelijk te verklaren dat ‘beweringen als zouden zij of eenig ander joodsch collega voor de confiscatie van den Omroep door de Duitschers of hun handlangers door den heer Vogt of door de AVRO ontslagen of beknibbeld zijn, elken grond missen en tot de lasterpraatjes moeten worden gerekend’. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de betrokken vier musici in zekere zin afhankelijk waren van werk dat de AVRO hen in de toekomst zou kunnen geven. Maar de heren musici verklaarden ook bij het politieverhoor in het onderzoek naar Vogt dat zij graag hadden getekend, omdat Vogt altijd goed voor hen geweest was. Alleen Zilverberg 120

Verklaring Vogt opgetekend in brief advocaat-fiscaal W.P. Bakhoven aan minister van Justitie 4 september 1946, archief CABR-NA, dossier 107662-I: Willem Vogt. Zie ook de

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

beschouwde zich als geen Jood, en daarom herschreef Vogt het briefje dat Zilverberg moest ondertekenen: daarin schreef hij over ‘collega’s van Joodschen bloede’.124 Dan blijft als enige aanleiding over om antisemitisme te veronderstellen de verklaring van dirigent Albert van Raalte dat hij ‘het gevoel had dat ik werd ontslagen omdat ik Jood was’. Maar die verklaring zou ook voortgekomen kunnen zijn uit de na de oorlog geëscaleerde verhouding van Van Raalte met de omroepen over het Radio Symfonie Orkest, waarover meer in hoofdstuk 4 (in het bijzonder paragraaf 4.3). Want die verklaring legde Van Raalte in 1946 en 1947 bij de commissies Bijleveld en Drost af, terwijl hij in februari of maart 1945 nog een (wederom door Vogt opgestelde, maar door Van Raalte bewerkte en zelf uitgetikte) verklaring had ondertekend waarin hij Vogt en de AVRO bedankte voor de manier waarop ze hem behandeld hadden. Volgens Vogt was daar een vriendelijk gesprek aan vooraf gegaan: ‘Hij (Van Raalte, HW) beaamde ten volle dat hem daardoor veel leed en gevaar was bespaard en dat hij zijn leven te danken had aan het feit dat hij tijdig uit de openbaarheid was teruggetreden.’125 Daaruit kan men overigens ook lezen dat Vogt vermoedde dat het antisemitisme van de bezetter ernstige gevolgen voor bekende Joden kon hebben.

Het in dienst houden van Joodse medewerkers in vaste dienst is tevens een belangrijke indicatie voor het ontbreken van antisemitische drijfveren, net als de contractverbrekingen met niet-Joodse medewerkers. Daarover is weinig origineel archiefmateriaal uit mei en juni 1940 bewaard gebleven, maar het weinige dat er is geeft een beeld van de situatie. Zo is de brief bewaard gebleven waarmee Vogt namens de AVRO op 31 mei het eerder mondeling opgezegde contract met Piet van Egmond bevestigde: ‘door de nieuwe omstandigheden zitten wij met een groot overcompleet aan krachten en met een practisch gehalveerden zendtijd, wijl zender Kootwijk slechts ‘vulsel’ vraagt tussen de nieuwsberichten in.’ Daarom was de morgenwijding-koorzang waarover Van Egmond de leiding had opgeschort en moest het contract worden beëindigd: ‘waar wij immers al zoveel zorghebben voor de posities van ons vaste personeel’. Van Egmond berustte erin ook al trof het bericht hem ‘als een koud stortbad’, want ‘het gaat om mijn bestaan als beroepsmusicus in een voor kunstenaars zoo uiterst moeilijke toestand’.126 Kortom, hoewel Duitse druk mogelijk een rol heeft gespeeld, biedt het archief­onderzoek geen houvast voor antisemitisme als drijfveer achter de contractverbrekingen.

Er was eerder sprake van pragmatisch handelen om de organisatie overeind te houden, het vaste personeel (ook de Joden in vaste dienst) te beschermen tegen ontslag en een eventuele Duitse overname van de AVRO en mogelijk ook om prominente Joodse programmamedewerkers uit het voetlicht te halen. Wat men in ieder geval zou kunnen zeggen over het personeelsbeleid van Vogt en de AVRO in de eerste oorlogsmaanden, is dat het hardvochtig was ten aanzien van de

Pv’s van de verklaringen van Vogt bij politieverhoor op 24 en 26 maart 1947 in dossier 107662-II 121

Pv verklaring Eberhard Taubert 2, 3 en 4 januari 1947; verklaring Ernst A. Freudenberg 9 en 10 september 1947, archief CABR-NA, dossier 107662-I: Willem Vogt

124

122

Pv verklaring H. Cantor-Frank 28 februari 1947; verklaring Vogt bij politieverhoor op 27 maart 1947 en in: ‘De eigenlijke zaak Vogt’ circa 1946, beide in: archief CABR-NA,

107662-II: Willem Vogt

Schriftelijke verklaring Van der Woude, Bamberger en Rodriguez 25 mei 1945 en Zilverberg, 18 juni 1945; verklaring Willem Vogt 27 maart 1947, archief CABR-NA, dossier

dossier 107662-II: Willem Vogt

125

123

1946 en van diens vrouw H.W.S. van Raalte-Horneman op 14 januari 1947 in dit dossier. Voor zover nu bekend is het betreffende briefje helaas niet bewaard gebleven.

Zie bijvoorbeeld de steunbrieven voor A. Dubois van zijn buren, een onderduiker, Jan de Quay en VPRO-bestuurders N. Bruining en E. Spelberg in collectie 248-0378A: A.

Dubois, map B, NIOD

126

Verklaring Vogt bij politieverhoor op 24 maart 1947, pagina 15 en 16, archief CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt. Zie ook de verklaring van Van Raalte 13 september

AVRO/Vogt aan Piet van Egmond, 31 mei 1940; Van Egmond aan Vogt 2 juni 1940, archief-CABR-NA, dossier 107662-II: Willem Vogt

57

58

Hoofdstuk 2

personen met wie het contract verbroken werd, Joden en niet-Joden. Het geeft aan dat de arbeidspositie en rechtsbescherming van freelancemedewerkers slecht was geregeld; ze waren vrijwel volledig afhankelijk van de luim en mogelijkheden van de opdrachtgever. De meeste van de freelancers met wie de AVRO het contract verbrak, verleenden al meer dan tien jaar hun medewerking aan de AVRO en de omroep dankte mede aan hen ook de status van meest populaire omroep. Volgens het toen geldende arbeidsrecht stond de AVRO formeel in zijn recht om, in verband met sterk veranderende omstandigheden, tijdelijke contracten met onmiddellijke ingang te verbreken. Maar het ging hier om medewerkers met wie een langdurige en veelal warme band was opgebouwd. De meesten leden daardoor een gevoelig inkomstenverlies dat niet gemakkelijk was te compenseren, zeker ook door het voorlopig achterwege blijven van een financiële regeling voor de meeste betrokkenen. Dat gold zeker voor Joodse medewerkers zoals Tak en Hollander, die in juni 1940 ook met contractverbrekingen bij De Telegraaf te maken kregen. Het is, tot slot, de vraag of de AVRO uit ‘bedrijfsbeleid’ of ‘commerciële overwegingen’ wel gedwongen was om zich zo hard op te stellen.

De AVRO was een rijke organisatie met een zeer hoog eigen vermogen, waaruit geruime tijd schadeloosstellingen of financiële compensaties betaald hadden kunnen worden zonder al te veel schade te berokkenen aan de AVRO zelf. Alleen Albert van Raalte en Jacob Hamel hadden een eenmalig bedrag (tweehonderd gulden in het geval van Van Raalte, 212 gulden bij Hamel) aangeboden gekregen. Een aantal medewerkers (Ritter jr., De Leeuw-Van Rees, Lotgering-Hillebrand, Van Wielink en, niet onder haar eigen naam, Cantor-Frank) kon weer aan de slag nadat de zendtijd door het herstel van de tweede radiozender ruimer beschikbaar kwam. Voor alle freelancers met wie het contract verbroken werd, kwam in 1941 alsnog een schadeloosstelling uit het vermogen van de AVRO en de gelden die uit de nieuwe radiobelasting beschikbaar kwamen. Hoe die regeling tot stand kwam en hoe de rol van de omroepen daarin was, is een verhaal apart. 2.1.2 Schadeloosstelling met terugwerkende kracht Nadat de bezetter en het nieuwe Departement van Volksvoorlichting en Kunsten in november 1940 hadden besloten de omroepen op te heffen en toe te werken naar een geconcentreerde staatsomroep onder nationaalsocialistische leiding (zie paragraaf 2.2), kwamen ook de meer praktische zaken aan de orde.

Dat waren er vele, want die nieuwe nazi-omroep moest zo snel mogelijk gaan werken vanuit de bestaande zender- en studiofaciliteiten die onder een nieuw centraal beheer zouden moeten komen. En liefst ook met inzet van het ervaren personeel van de omroepen. Maar een deel daarvan stond niet te trappelen om bij een nazi-omroep te gaan werken en de anti-Joodse maatregelen van de bezetter maakten het voor Joden zelfs onmogelijk om mee te gaan. De Gemachtigde voor de Concentratie van Omroepverenigingen Antoine Dubois was ingehuurd voor de taak om dat proces in goede banen te leiden. Hij vormde daartoe een bureau waarin ervaren mensen aan de slag konden om hem te ondersteunen. Een belangrijke man daarin was dr. A.A.M. Enserinck, een jurist die al meer dan

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

tien jaar in het radiobeleid had gewerkt en in 1933 ook een proefschrift daarover had geschreven. Sinds 1938 was hij secretaris van de Radioraad en de daarmee verbonden commissies. Vooral in de eerste oorlogsmaanden had hij zich in die hoedanigheid een groot voorstander getoond van een nationale omroep. Ook bij de Raad van Beheer van de omroepzendermaatschappij Nozema had hij dat meer dan eens verkondigd, veelal tezamen met voorzitter P. Gerbrandy (die tijdens de bezetting premier van de Nederlandse regering in Londen zou worden) en directeur Antoine Dubois. De laatste kwam hij weer tegen toen hij in december 1940 assistent Van Dubois werd bij de concentratie van omroepverenigingen en de vorming van een staatsomroep. Maar in de eerste bezettingsmaanden had hij een voorkeur laten zien voor samenwerkende omroepen. Met een zekere opluchting kon hij die voorkeur achter zich laten, want hij vond de versplintering in de omroep een gruwel, in het bijzonder ook met het oog op de personeelsbelangen. Na maart 1941 zou hij hoofd Juridische Zaken van RDNO worden.

Als zodanig werd hij medeverantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering van een aantal sociale maatregelen (werkloosheids- en ziekteverzekering, pensioenregeling, sportfaciliteiten e.d.) die RDNO zouden maken tot een sociaal paradijs voor medewerkers.127 Hij kreeg in zijn weerzin tegen de omroepen alle steun van Dubois, die zich ook altijd had geïrriteerd aan de eigenbelang najagende omroepen, en de accountant J.F. Haccoû die de meer bedrijfsmatige overgang naar de nieuwe omroep in goede banen moest leiden en aldaar hoofd van de afdeling Economische Zaken zou worden. Alle drie stonden ze bekend als antinationaalsocialistisch, maar die opvatting verhinderde Enserinck en Haccoû niet om mee te gaan naar wat al snel Rijksradio De Nederlandsche Omroep (RDNO) zou gaan heten. Dubois was beoogd directeur-generaal van dat omroepbedrijf, maar de bezetter wilde niet tegemoetkomen aan zijn eis dat RDNO geen propaganda voor het nationaalsocialisme of tegen het koningshuis en de Joden zou maken en de vrijheid van godsdienst zou eerbiedigen. Dubois beperkte zich tussen april 1941 en januari 1944 tot de afwikkeling van de omroepconcentratie, zijn directietaken bij de Nozema (dat onderdeel van de PTT zou worden) en - vanaf september 1941 in dienst van de PTT - de uitvoering van de radiobelasting.

Het dubbele salaris dat hij hiervoor ontving maakte hem tot een van de bestbetaalde ambtenaren tijdens de bezetting in Nederland.128 In het voorjaar van 1941 ontwierpen Dubois, Enserinck en Haccoû een regeling voor de overgang van het personeel van de omroepverenigingen naar de staatsomroep RDNO. Dat was het begin van een bouwwerk van sociale maatregelen dat onder de nieuwe NSB-leiding van RDNO na april 1941 voltooid zou worden en de omroep voor wat betreft de materiële arbeidsvoorwaarden een uiterst aantrekkelijke plek zou maken om voor te werken. Behalve voor Joden (die te maken kregen met door de bezetter opgelegde beroepsverboden) en principiële tegenstanders van het nationaalsocialisme. Dat sociale bouwwerk bevatte regelingen voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, wachtgelden e.d. en het regelde een betere arbeidspositie voor freelancers. Dat alles paste in 127

Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 271: A. Enserinck, NA

128

Archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 222: A. Dubois, NA; Dubois aan secretaris-generaal DVK 2 februari 1942, in: archief DVK inv.nr. 102, dossier 714, NIOD

59

60

Hoofdstuk 2

de NSB-strategie om de overgang naar een nationaalsocialistische omroep onder NSBleiding zo geruisloos mogelijk te laten plaatsvinden met grote herkenbaarheid voor de luisteraars. De bekende stemmen en artiesten moesten zoveel mogelijk hun werk blijven doen, net zoals de vele professionals die alle techniek en faciliteiten verzorgden. In de loop der tijd zouden dan NSB’ers op leidinggevende posities worden aangesteld om de omroep een steeds sterker nazi-profiel te geven.129 Het overgrote merendeel van de omroepmedewerkers (in totaal ongeveer duizend personen) ging mee naar RDNO. De omroepen lieten het aan de medewerkers over om de beslissing voor een eventuele overgang of ontslag zelf te nemen. Alleen bij de KRO adviseerde het bestuur, op advies van de aartsbisschop, reporters en omroepers om uit gewetensbezwaren niet mee te gaan. Aan dat advies is overigens, voor zover we weten, geen gehoor gegeven.130 Naar schatting honderd personen deden een beroep op de bepaling dat mensen met gewetensbezwaren tegen het nationaalsocialisme in aanmerking konden komen voor een schadeloosstelling. Hoogst opmerkelijk daarbij was dat ook Joodse medewerkers in aanmerking konden komen, want de generieke bezettingsmaatregelen die Joden radicaal uit het openbare leven moesten verwijderen kwamen vooral in deze periode tot stand.

Sinds september 1940 mochten Joden niet meer in overheidsdienst worden aangenomen en alle andere medewerkers (ook voor universiteiten en publieke instellingen) moesten in november een ariërverklaring invullen. In januari 1941 werd bioscoopbezoek voor Joden verboden, in februari ook de toegang tot universiteiten en vanaf 1 april gold voor Joden een verbod op het bezoeken van horecagelegenheden. Wie voor een functie bij het staatsbedrijf RDNO in aanmerking wilde komen moest daarvoor verklaren ‘van arische bloede’ te zijn. Dat was een Duitse antisemitische maatregel die Enserinck, Haccoû en Dubois - door aan het ontwerp en de uitvoering ervan mee te werken - na de oorlog ernstig is verweten.131 De schadeloosstellingsregeling voor omroeppersoneel kwam erop neer dat de medewerkers die uit gewetensbezwaren ontslag namen financieel ruimhartig zouden worden gecompenseerd. Al naar gelang de duur en omvang van hun aanstelling zou men met ingang van 1 april 1941 recht hebben op behoud van honderd procent salaris gedurende een aantal maanden. Daarna zouden degene met meer dan vijf dienstjaren vier of vijf jaar lang zeventig procent ontvangen, gevolgd door vijf jaar zestig procent en daarna levenslang vijftig procent. Er was zelfs voorzien in een jaarlijks vakantiegeld. Het was een ongekend genereuze regeling waar relatief veel gebruik van gemaakt is.

Ook door de Joodse medewerkers, want die stonden bij de uitvoering van het raamwerk dat Enserinck had ontworpen op gelijke voet met de gewetensbezwaarden. Het is hoogst opmerkelijk dat de Duitse toezichthouders of DVK-ambtenaren daartegen geen bezwaar maakten. Want bij een soortgelijke ontslag van Joodse musici bij niet voor de omroep werkzame, gesubsidieerde orkesten in april dat jaar werd be-

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

paald dat die Joden alleen een eventuele schadevergoeding uit particuliere middelen konden krijgen. Het hoofd van de afdeling Muziek van het DVK schreef op 30 april 1941 aan de orkestbesturen: ‘In geen geval is het aan dit Departement geoorloofd, overheidsgelden voor dit doel te bestemmen.’132 Maar de 15 Joodse musici die nog bij de omroeporkesten werkten en mee wilden gaan naar de RDNO bleven nog tot in juni 1941 in dienst bij de nieuwe omroep. De omroeporkesten waren namelijk als geheel overgenomen en de dirigenten van die orkesten verzetten zich tegen een collectief ontslag van artistieke steunpilaren in hun orkest. Bovendien bleef een bevel van de RBS voor dit ontslag van Joodse musici geruime tijd uit. De van de KRO afkomstige programmachef van RDNO Hendrik Schaffers verklaarde na de oorlog dat hij pas tot ontslag van deze Joodse musici overging ‘nadat te dien aanzien dwingende bepalingen van de Duitse autoriteiten waren gekomen.

Ik ben volstrekt niet anti-Joodsch, maar onder de gegeven omstandigheden kon ik niets anders.’ Die getuigenis is bij zijn naoorlogse berechting niet geloofwaardig verklaard.133 Hij legde de ontslagbrieven voor Joodse musici namelijk al in april en mei aan RDNO-directeur Herweijer voor, maar die wilde geen haast maken omdat hij vreesde dat een onmiddellijk collectief ontslag van Joodse musici zou kunnen leiden tot ‘inzinking van het spelpeil’.134 De concrete uitvoering van deze schadevergoedingsregeling voor omroepmedewerkers had nog vele andere voeten in de aarde, want wie moest wat gaan betalen en hoe zagen alle relevante contracten met de betrokken personeelsleden eruit? De RDNO-leiding wilde de benodigde gelden halen uit de genationaliseerde bezittingen van de omroepen, maar die vonden dat de op 1 januari 1941 ingevoerde radiobelasting ook een financieringsbron zou moeten zijn. Wie voor de regeling in welke mate in aanmerking kon komen, werd uiteindelijk bepaald door een commissie bestaande uit Dubois en Enserinck en vertegenwoordigers van de omroepen die moesten aangeven hoe het dienstverband met de medewerkers eruit had gezien. Dat waren C.A.

Keuning namens de NCRV, Arend de Vries voor de VARA, Everhard Spelberg van de VPRO, Paul Speet van de KRO en Willem Vogt van de AVRO.135 Na slepende onderhandelingen kwam in november 1941 eindelijk een definitieve regeling over de verdeling van het geld tot stand. De financiering kwam de eerste zeven maanden ten laste van de van de omroepen genationaliseerde vermogens; daarna betaalden men alles uit de radiobelasting. Voor wat betreft het AVRO-personeel dat voor de regeling in aanmerking kwam, werd het geld gedurende zeven maanden na 1 april 1941 betaald door de AVRO in liquidatie, persoonlijk af te halen bij directeur Vogt op het AVRO-kantoor in Amsterdam, ook al was het formeel zo dat Dubois als liquidator het AVRO-geld beheerde. Na 1 november moest men zich voor het krijgen van het geld 132

Jan Goverts aan besturen gesubsidieerde orkesten 30 april 1941, in: archief DVK inv.nr. 102, dossier 2046, NIOD

133

Pv verhoor H.J.R. Schaffers 20 augustus 1945, in: archief CABR inv.nr. 105121: Hendrik Schaffers. Of Schaffers nu wel of niet eerder opdracht tot het ontslag gaf is bij zijn

naoorlogse berechting inzet van discussie geweest. Volgens RDNO-leidinggevenden J.B. Kooij, Haccoû en J.M. Madsen was Schaffers met de ontslagbrieven al in april 1941 bij hen geweest en ook bij RDNO-DG Herweijer. Bij Schaffers’ berechting vond het Gerechtshof diens ontkenning niet ‘overtuigend en wettig bewezen’; hij kwam er met een relatief lichte 129

Verkijk, Radio Hilversum, 319-329 en 342-352

straf (500 gulden boete) vanaf.

130

Verkijk, Radio Hilversum, 305. KRO-reporter Paul de Waart en omroeper Leon Povel aanvaardden bijvoorbeeld een functie bij RDNO

134

Verkijk, Radio Hilversum, 433

131

‘Verordening 49/1941 voor uitkering van schadevergoeding’ en ‘Algemeene Beginselen der Schadevergoedingsregeling,’ bijlage bij Bedrijfsvergadering RDNO 18 november

135

A.v. en beschikking directeur-generaal Nederlandsche Omroep betreffende J. Cantor-Frank 11 december 1941, in: archief Omroepzuivering inv.nr.2.04.72, dossier 101: Jetty

1941, archief Nederlandsche Omroep inv.nr. 103, dossier 154, NIOD. Vgl. voor de anti-Joodse maatregelen in 1941: Presser, Ondergang, Deel 1, 26-54 en 96-104

Cantor-Frank, NA

61

62

Hoofdstuk 2

uit de schadeloosstellingsregeling bij de kantoren van RDNO in Hilversum vervoegen.136 Als basis van de regeling werd voor ieder personeelslid een formulier ingevuld, veelal door de betreffende persoon in samenspraak met de directie van de omroep waarvoor men werkte, in het geval van het AVRO-personeel met Vogt en de AVROadministratie.137 Vogt verklaarde na de oorlog dat hij succesvol heeft geprobeerd ‘om gedaan te krijgen dat zooveel mogelijk personen een schadeloosstelling kregen van een instantie die de kas van de AVRO beheerde en die natuurlijk bezwaren zou hebben geopperd wanneer wij al te zeer den nadruk legden op de status van Losse Medewerker.’ Daarom legde hij aan die beheerder (Dubois) overzichten van contracten voor, waarbij de duur en omvang van een contract waren opgekrikt naar een voor de medewerker voordeliger niveau. Dat wilde meestal zeggen dat de AVRO verklaarde dat de medewerker voor meer dan vijftig procent van het inkomen afhankelijk van de AVRO was geweest. Bovendien sprak hij over ‘vaste medewerkers’, ook als het ‘losse medewerkers’ waren geweest.

‘Tegen een ”leugentje om bestwil” moest toen maar niet worden opgezien’, aldus Vogt na de oorlog.138 Dubois en Enserinck maakten overigens ook bewust geen opmerkingen naar aanleiding van die lijsten en RBS-leiders Freudenberg en Taubert hebben zich er niet tegen verzet.139 En zo konden ook de personen van de regeling gebruik gaan maken waarmee de AVRO eind mei 1940 het contract had verbroken. Zo zou koorleider Jacob Hamel vanaf april 1941 zeven maanden lang met terugwerkende kracht een uitkering uit AVRO-gelden ontvangen op basis van een vastgesteld salaris van 212,50 gulden per maand, in totaal 1350 gulden. Naar verklaring van de AVRO was hij voor meer dan vijftig procent afhankelijk van dit inkomen geweest, zoals gezegd ‘een leugentje om bestwil’.140 Na die zeven maanden viel Hamel in de schadeloosstellingsregeling die uit het budget van RDNO werd gefinancierd: 85 procent gedurende 3 maanden, zeventig procent gedurende 56 maanden en vijftig procent levenslang. Hamel was een fatsoenlijk man. Op 9 maart 1942 deed hij keurig bij RDNO opgave van verdiensten die hij kreeg van de jeugdsynagoge en de Nationale Crediet Vereniging. Die inkomsten werden vervolgens in mindering gebracht op zijn uitkering.

Op 19 november 1942 deelde hij de administrateur van RDNO ook nog mee dat hij ‘door evacuatie’ (hij bedoelde: door onderduik) een ander adres had gekregen: Wijttenbachstraat 31-4 in Amsterdam in plaats van Retiefstraat 61 III.141 Er is voor het laatst aan Hamel betaald op 1 juni 1943. Hij werd op 20 juni dat jaar bij een razzia in Amsterdam opgepakt en op 9 juli 1943 samen met zijn vrouw in Sobibor vergast. Hij

Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar

kon zijn uitkering dus niet meer ophalen.142 Net als Hamel kreeg Han Hollander in 1941 met terugwerkende kracht een financiële compensatie van 2400 gulden eenmalig en 200 gulden per maand uit de AVRO-gelden (en na 1 november 1941 uit RDNO-gelden) op basis van wat hij bij de AVRO zou hebben verdiend. Daarna kreeg hij nog de RDNO-uitkering van 85 procent gedurende drie maanden, zeventig procent gedurende 56 maanden en vijftig procent levenslang.143 Hollander kwam voor het laatst zijn uitkering vanuit de radioregeling ophalen op 31 augustus 1942. Daarna kwam hij niet meer, omdat hij naar Westerbork was gedeporteerd en niet meer voor zijn maandelijkse toelage kon tekenen. Op 16 september 1942 kwam hij aan in Westerbork en verbleef daar enige tijd als chef van de kantine.144 In juli 1943 werd hij samen met zijn vrouw vermoord in Sobibor, op dezelfde dag als Hamel en diens vrouw. Ook dirigent Albert van Raalte kwam in aanmerking voor de schadeloosstellingsregeling. In zijn geval was die gebaseerd op een vast jaarsalaris van zesduizend gulden, terwijl Van Raalte een freelance contract had gehad.

Hij zou vijfhonderd gulden per maand een uitkering krijgen gedurende de rest van de oorlog.145 Voor Jetty CantorFrank werd bepaald dat ze vanaf 1936 vijf jaar voor de AVRO had gewerkt om vijftig procent van haar inkomen te vergaren, terwijl ze in die periode hooguit gemiddeld een concert per week had gegeven. Met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 1940 tot 1 mei 1941 kreeg ze 1620 gulden uitgekeerd en daarna maandelijks 135 gulden.146 In 1941 kreeg ze alsnog een uitkering uit AVRO-gelden, gevolgd door de uitkering vanuit RDNO. De basis daarvan was door de AVRO opgekrikt als was het zo dat ze vijftig procent van haar totale inkomen uit AVRO-optredens had verdiend. Haar uitkering zou tot 30 juni 1942 zijn betaald; daarna ontving RDNO bericht dat ze ‘naar het buitenland is overgebracht’ en niet maandelijks opgave kan doen van haar inkomsten. Later bleek dat ze op 6 oktober 1942 was gearresteerd en naar kamp Westerbork was overgebracht waar ze in de ziekenbarak werkte. In juli 1943 werd ze samen met haar 17-jarige zoon Jacob uit Westerbork ‘zurückgestellt’ en kwam ze in aanmerking voor hervatting van de uitkering die voortaan aan haar zoon werd uitbetaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=8b64727d-c4de-4111-9dfc-22e9a7971eba