CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

39. Raadsinformatiebrief 2025-42 inzake Handhaving inschrijving Willem Vogt in het Gulden Boek

GEMEENTERAAD 11 juni 2025, gemeente HilversumBij agendapunt: Stukken ten aanzien waarvan de voorzitter voorstelt deze voor kennisgeving aan te nemen53.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Raadsinformatiebrief Van

Burgemeester en Wethouder/Burgemeester

Zaak nr.

1819292

Aan

Gemeenteraad

RIB nr.

2025-42

Portefeuillehouder

dr. ir. G.M. van den Top

Datum

3 juni 2025

Informatie bij

Ruben van Twillert

Tel. nr.

Onderwerp Handhaving inschrijving Willem Vogt in het Gulden Boek Geachte leden van de gemeenteraad, In september 2024 heeft het college besloten een gecontextualiseerd en geannoteerd historisch onderzoek te laten verrichten naar het handelen van voormalig AVRO-directeur Willem Vogt (overleden in 1973) tijdens de Tweede Wereldoorlog. De aanleiding was de in 2024 uitgezonden EO-documentaire Het Verraad van Hilversum. Het onderzoek is uitgevoerd door prof. dr. Huub Wijfjes, emeritushoogleraar Geschiedenis van Radio en Televisie, met medewerking van meelezers dr. Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel (Universiteit Utrecht) en prof. dr. Kees Ribbens (NIOD en Erasmus Universiteit Rotterdam). Het onderzoeksrapport is tijdens een publiekspresentatie op 10 april jl. overhandigd aan de gemeente Hilversum. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat er geen ondersteunend bewijs is gevonden dat dhr. Vogt antisemitisch, verraderlijk of Duits-vriendelijk handelde. Naar aanleiding van het rapport is de Commissie Gulden Boek gevraagd om het college te adviseren over de huidige inschrijving van dhr. Vogt in het Gulden Boek. De Commissie heeft het rapport bestudeerd en vervolgens enkele aanvullende gesprekken gevoerd ter verduidelijking.

De Commissie adviseert om niet tot intrekking over te gaan en stelt voor een toelichtende tekst aan de inschrijving toe te voegen, waarin wordt vermeld dat er onderzoek is gedaan naar het handelen van dhr. Vogt en dat op basis van de bevindingen, er geen aanleiding is om zijn inschrijving in te trekken. Vandaag heeft het college besloten, op basis van het onderzoeksrapport en het advies van de Commissie Gulden Boek, de inschrijving van dhr. Vogt te handhaven en een toelichtende tekst bij zijn inschrijving op te nemen in het Gulden Boek. Burgemeester en wethouders van Hilversum, de gemeentesecretaris,

de burgemeester,

drs. T.J. Meester, ls

dr. ir. G.M. van den Top

1

Bijlage(n): 1. 1. Advies Commissie Gulden Boek 2. 2. Onderzoeksrapport ‘Willem Vogt, de AVRO en de Duitse Bezetting – Een gecontextualiseerd historisch bronnenonderzoek naar het handelen van AVRO-directeur Willem Vogt in de Tweede Wereldoorlog’ van prof. dr. Huub Wijfjes, emeritus-hoogleraar Geschiedenis van Radio en Televisie Deze raadsinformatiebrief is digitaal beschikbaar op internet onder “Vergaderstukken”, B en W-vergadering van 3 juni 2025.

2

Adviescommissie voor de inschrijving in het Gulden Boek Aan burgemeester en wethouders van Hilversum

Datum: 20 mei 2025 Onderwerp: Advies over de plaats van Willem Vogt in het Gulden Boek van de gemeente Hilversum. Geacht college, Aanleiding In het begin van 2014 hebben B&W de Adviescommissie voor de inschrijving in het Gulden Boek verzocht na te gaan in hoeverre bij de inschrijving in 1957 van de heer Willem Vogt in het Gulden Boek voldoende rekening is gehouden met zijn gedragingen tijdens de bezettingsjaren 1940-1945. Uiteindelijk heeft u destijds op basis van het advies van de toenmalige commissie en uw eigen informatie besloten niet terug te komen op die inschrijving. De bespreking van deze kwestie heeft er wel toe geleid dat de mogelijkheid van intrekking van de inschrijving in het Gulden Boek bij 'zeer bijzondere redenen' is opgenomen in het Reglement onderscheidingen gemeente Hilversum 2016.1 In 2024 heeft de Evangelische Omroep de documentaire 'Het verraad van Hilversum' uitgezonden. Deze documentaire verwees ook naar gedragingen van Vogt, directeur van de AVRO gedurende de bezettingsjaren, en noemde zijn inschrijving in het Gulden Boek. Naar aanleiding van deze documentaire is besloten de Willem Vogtzaal2 in het voormalige AVRO-gebouw een andere naam te geven.

Wij hebben u vervolgens geadviseerd een nader onderzoek te laten doen naar het handelen van Vogt in de bezettingsjaren omdat twijfel over de juistheid van de inschrijving als persoonlijk eerbetoon een smet werpt op het Gulden Boek. In aansluiting op dit advies heeft u prof. dr. H.B.M. Wijfjes, emeritus-hoogleraar Geschiedenis van Radio en Televisie aan de Universiteit van Amsterdam opdracht gegeven aan de hand van primaire bronnen een onderzoek in te stellen naar het handelen van Vogt. Hij heeft dit onderzoek uitgevoerd en hij heeft de resultaten gepresenteerd op 10 april 2025 in het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum.3 De opzet van het onderzoek Wijfjes heeft primaire bronnen geraadpleegd in diverse archieven, waaronder die van de naoorlogse omroepzuivering en het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging.4 Daarnaast heeft hij veel literatuur doorgenomen5 en persoonlijk contact gehad met Dick Verkijk.6

1 artikel 10 2 Willem Vogt was lid van verdienste van de AVRO 3 in onze noten verwijzen wij naar het gedrukte rapport (HW) en het nummer van de bladzijde 4 zie de bronnen HW 116/117 5 zie de literatuur HW 118 6 de in de documentaire genoemde auteur van Radio Hilversum 1940-1945

Wijfjes heeft verslag gedaan van zijn onderzoek in het rapport 'Willem Vogt, de AVRO en de Duitse bezetting'. Dr. G. von Frijtag Drabbe Künzel, auteur van het boek ‘Een stad op drift. Hilversum tijdens de Duitse bezetting’ en prof. dr. K. Ribbens, senior onderzoeker aan het NIOD, hebben als deskundige meelezers gefunctioneerd. Zij staan achter de inhoud van het rapport. Op 16 april 2025 hebben wij Wijfjes een aantal vraagpunten voorgelegd om zo meer helderheid te krijgen en een beeld te hebben waar de verschillende opvattingen over het handelen van Vogt vandaan zouden kunnen komen. Verder hebben wij op 14 mei 2025 een gesprek gehad met de heer drs. M. Koolhaas naar aanleiding van de ‘Analyse’ van het rapport Wijfjes, gedateerd 30 april 2025.7 De vraagpunten die uit dat gesprek naar voren kwamen hebben wij op 16 mei 2025 besproken met Wijfjes en wij hebben nog kort contact gehad met Von Frijtag Drabbe Künzel. Wat heeft het onderzoek opgeleverd? In het verleden zijn door diverse mensen persoonlijke getuigenissen afgelegd over en beoordelingen gegeven van het handelen van Vogt. Deze beoordelingen kenden een zekere inkleuring op grond van karakterologische verschillen of omdat er een verschil van opvatting bestond over de organisatie van de omroep voor, tijdens en na de bezettingsjaren.

In het rapport maakt Wijfjes melding van omstreden handelingen ruim voor de oorlog8 en een grote rol van Vogt in naoorlogse discussies.9 Wijfjes heeft deze beoordelingen gelezen en getoetst aan oorspronkelijke bronnen en is tot de conclusie gekomen dat er in de beginperiode van de bezetting geen sprake is van antisemitisme en dat incidentele Duitsvriendelijkheid eerder als tactische tegemoetkomingen van Vogt aan de bezetter kunnen worden gezien. De vraag Aan ons ligt de vraag voor of de in het onderzoeksverslag beschreven feiten en omstandigheden zo bijzonder zijn dat deze aanleiding vormen het eerbetoon van inschrijving van Willem Vogt in het Gulden Boek in te trekken. Beoordeling en conclusie We hebben het rapport doorgenomen en onze vraagpunten met Wijfjes besproken. Voorafgaande aan de beoordeling van het rapport willen we het volgende opmerken: 1 - Bij de inschrijving in 1957 van Willem Vogt in het Gulden Boek bleef zijn houding in de bezettingsjaren onbenoemd: die was kennelijk geen punt van aandacht. Zijn verdiensten voor de omroep en voor Hilversum, stonden en staan niet ter discussie en vormden de onderbouwing voor de inschrijving in het Gulden Boek. 2 - Inmiddels is Vogt overleden. Het is voor hem niet mogelijk zich te verdedigen of zich nader te verklaren over de door hem genomen beslissingen in de bezettingsjaren.

Dat vergt terughoudendheid, zeker wanneer je die beslissingen moet plaatsen in de context van die tijd. Met andere woorden: er moet overtuigend bewijs zijn van het feit dat er sprake is van zeer bijzondere redenen die uitschrijven uit het Gulden Boek rechtvaardigen. 3 - De bezettingsjaren waren jaren waarin plaatselijke overheden en tal van organisaties een weg moesten zien te vinden en keuzes moesten maken met het oog op hun taakuitoefening en bedrijfsvoering. Dat gold ook voor de AVRO, de KRO, 7 deze analyse heeft de samensteller van de documentaire, Alfred Edelstein, ons toegestuurd en is

ook terug te vinden op Spreekbuis.nl 8 HW 19 9 HW 94

de NCRV en de VARA.10 De keuze van de AVRO om kort na de inval van de Duitsers in mei 1940 personeel11 in vaste dienst niet te ontslaan maar de relatie met freelancers, waaronder radiocoryfeeën, te verbreken12 is volgens Wijfjes goed verklaarbaar. Het is niet aannemelijk geworden dat hierbij sprake was van antisemitisme, maar eerder van pragmatisch handelen om de organisatie overeind te houden. Evenmin is aannemelijk geworden dat Vogt sympathie koesterde voor de ideologie van de NSB, integendeel: hij wilde 'zijn' AVRO vrijhouden van die partij. Over de Duitsvriendelijkheid van Vogt stelt Wijfjes: ‘Het incidentele tegemoetkomen door de AVRO aan Duitse eisen of wensen met betrekking tot de radioprogrammering zou wel kunnen worden bestempeld als Duitsvriendelijk maar het is niet op te vatten als landverraad of volmondige instemming met het Duitse beleid. Daartoe bleken de AVRO en Vogt (alsmede andere omroepverenigingen) niet bereid.’13 4 - De destijds door Verkijk, Koolhaas en Edelstein14 gebruikte verifieerbare bronnen zijn ook door Wijfjes bezien, sterker nog: Wijfjes beschikte over meer bronnenmateriaal. Verkijk, Koolhaas en Edelstein hebben aan de bij hen bekende feiten een inkleuring gegeven, dan wel zich gebaseerd op inkleuringen van derden.

Zulke inkleuringen zijn verklaarbaar vanuit hun perspectief maar behoeven niet te leiden tot een verifieerbare en eenduidige uitkomst en worden ook niet door het onderzoek van Wijfjes ondersteund. Voor antisemitisme ziet Wijfjes geen grond en hij motiveert dit uitgebreid. Aan de ook door Wijfjes vastgestelde Duitsvriendelijkheid geeft hij een andere interpretatie die ligt in de lijn zoals die is gevolgd door andere historici (bij het onderzoek naar het gedrag van de Nederlandsche Unie in de bezettingsperiode) dat geen zwart/wit oordeel kan worden geveld.15 Hij concludeert dat net als bij de andere omroepen sprake is van opportunistische aanpassingen ‘met als doel de eigen organisaties niet in handen te geven van een door een naziideologie gedreven bezetter of van zijn Nederlandse handlangers.’16 5 - Er valt van alles te zeggen over de ambities van Vogt om te komen tot een nationale omroep, zijn stijl van leiding geven en de manier waarop hij optrad als directeur in het omroepbestel voor, tijdens en na de bezettingsjaren. Hierdoor is de beeldvorming rond zijn persoon en handelen zeker beïnvloed geweest. Dat handelen doet niet af aan de bijzondere verdiensten van Vogt voor de omroep en zijn betekenis voor Hilversum. 6 - Onderzoek is nooit af: we zullen het moeten doen met de nu bekende feiten en omstandigheden.

We beschouwen het rapport van Wijfjes als het resultaat van grondig onderzoek naar het feitelijk handelen van Willem Vogt als directeur van de AVRO in de bezettingsjaren. Uit dat onderzoek blijkt dat hij in de bezettingsjaren in die verantwoordelijkheid keuzes heeft gemaakt, keuzes die ook anders gemaakt hadden kunnen worden en tot controverses rond zijn persoon hebben geleid. Maar voor het uitschrijven van iemand die ooit is ingeschreven moet overtuigend vaststaan dat zijn handelen ook naar de normen van die tijd maatschappelijk afkeuring verdient. In het 10 HW 36 11 waaronder medewerkers van Joodse afkomst (HW 37, 51) 12 waaronder freelancers van Joodse afkomst 13 HW 80 14 de samensteller van de documentaire 15 HW 108 16 HW 107

handelen van Vogt in de bezettingsjaren achten wij dit niet vastgesteld. Wij zien dan ook geen zeer bijzondere redenen, in de zin van artikel 10 van het Reglement, die moeten leiden tot intrekking van de inschrijving van Vogt. In het feit dat een discussie over zijn gedragingen al tweemaal nadrukkelijk heeft gespeeld, zien wij aanleiding een tekst toe te voegen aan zijn inschrijving in het Gulden Boek met de volgende inhoud: 'Na de inschrijving van Willem Vogt in het Gulden Boek is een aantal malen de vraag opgeworpen of zijn opstelling gedurende de jaren 1940-1945 als directeur van de AVRO aanleiding zou moeten zijn deze inschrijving in te trekken. Burgemeester en wethouders hebben prof. dr. H.B.M. Wijfjes, emeritus-hoogleraar Geschiedenis van Radio en Televisie aan de Universiteit van Amsterdam, opdracht gegeven aan de hand van primaire bronnen een onderzoek in te stellen naar het handelen van Vogt. Hieruit is niet gebleken dat er sprake was van antisemitisme van Vogt of dat hij sympathie koesterde voor de ideologie van de NSB.

Het incidenteel tegemoetkomen aan Duitse wensen kwam voort uit opportunisme om de eigen organisatie niet in handen te geven van een door nazi-ideologie gedreven bezetter of zijn Nederlandse handlangers.17 Het door professor Wijfjes in april 2025 uitgebrachte rapport geeft geen aanleiding deze inschrijving in te trekken.' Advies Wij geven u als voltallige commissie in overweging niet over te gaan tot het intrekken van de inschrijving in het Gulden Boek van Willem Vogt. Daarnaast geven we u in overweging een tekst op te nemen in de (digitale) versie van het Gulden Boek als hiervoor opgenomen.

De Adviescommissie voor het Gulden Boek, de voorzitter, mr. J.P.A. Boersma

17 HW 105-107

de secretaris, drs. J.E. Diepeveen

Willem Vogt, de AVRO en de Duitse bezetting Een gecontextualiseerd historisch bronnen-onderzoek naar het handelen van AVRO-directeur Willem Vogt in de Tweede Wereldoorlog

HUUB WIJFJES

Willem Vogt, de AVRO en de Duitse bezetting

Willem Vogt, de AVRO en de Duitse bezetting Een gecontextualiseerd historisch bronnenonderzoek naar het handelen van AVRO-directeur Willem Vogt in de Tweede Wereldoorlog In opdracht van de gemeente Hilversum verricht door prof.dr. H.B.M. Wijfjes, emeritus-hoogleraar Geschiedenis van Radio en Televisie aan de Universiteit van Amsterdam

Willem Vogt, circa 1929, collectie Omroepmuseum, Beeld & Geluid

VI

VII

Voorwoord Op 28 augustus 2024 zond de Joodse Programmering van de Evangelische Omroep (EO) een televisiedocumentaire uit onder de titel Het verraad van Hilversum. Deze documentaire was aanleiding voor een maatschappelijke discussie over de wenselijkheid om de naam Willem Vogt uit het Gulden Boek van de gemeente te schrappen of te handhaven. Deze discussie was in maart 2014 ook al opgelaaid als gevolg van perspublicaties over het mogelijk foute oorlogsverleden van Vogt. Ter voorbereiding op beraadslaging over deze kwestie in de gemeentelijke Commissie voor het Gulden Boek en de gemeenteraad besloot het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hilversum in september 2024 aan mij een opdracht te geven voor een onafhankelijk historisch onderzoek naar het handelen van Willem Vogt en de AVRO tijdens de Duitse bezetting. Dit rapport is daarvan het resultaat. Het rapport is in onafhankelijkheid geschreven op basis van uitvoerig archief- en literatuuronderzoek. Mede om de onafhankelijkheid en de historische kwaliteit te bevorderen is aan deskundige meelezers gevraagd concepten van de eindtekst te beoordelen. Dat waren dr. G. von Frijtag Drabbe Künzel, universitair hoofddocent Internationale en Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en prof.dr. K.

Ribbens, senior onderzoeker aan het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en bijzonder hoogleraar Populaire Historische Cultuur van Mondiale Conflicten en Massaal Geweld aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dank gaat in eerste instantie naar hen uit. Door hun uitvoerige en constructieve commentaar is de tekst verbeterd en verduidelijkt. Dank gaat ook uit naar Dick Verkijk, de auteur van het standaardwerk over Radio Hilversum in de oorlog. Zijn nog steeds heldere geest en scherpe mening hebben het zoeken naar antwoorden op vragen die het onderzoek opriep vergemakkelijkt en verhelderd. Dank gaat tevens uit naar de vele medewerkers van het Nationaal Archief in Den Haag, het NIOD in Amsterdam en het NIBG in Hilversum. Speciaal Bas Agterberg van het NIBG komt veel dank toe voor zijn onvermoeibare inspanningen om relevant archief- en documentatiemateriaal beschikbaar te kunnen stellen. Peter Romijn, Bram Schamhart en René van Heijningen van het NIOD gaven waardevolle adviezen over de toegang tot relevant archiefmateriaal. Hans Blom gaf op mijn verzoek en op persoonlijke titel advies over de historische benadering van oorlogsgeschiedenis in het algemeen. Taco Zimmerman, Eric Dekker en Kimberley de Mik van AVROTROS hebben zich veel moeite getroost het moeilijk toegankelijke en incomplete AVRO-archief voor het onderzoek beschikbaar te krijgen.

Lynn Ruiter van het Archief Gooi- en Vechtstreek komt dank toe omdat ze nog niet ontsloten periodieken voor het onderzoek beschikbaar maakte.

Huub Wijfjes, april 2025

VIII

IX

Inhoud

Inhoudsopgave

Colofon Opdrachtgever Gemeente Hilversum Ontwerp, opmaak omslag en binnenwerk studio Pietje Precies bv, Hilversum Beeldredactie Huub Wijfjes en Bas Agterberg, Beeld en Geluid Hilversum © Huub Wijfjes, 2025

Voorwoord

V

Inleiding

09

1 Vogt en de AVRO aan de vooravond van de oorlog 1.1 De vooroorlogse relatie van de AVRO met Joden en de NSB 2 Vogt en de AVRO in het eerste oorlogsjaar 2.1 De kwestie van ‘het ontslag van Joodse medewerkers’ 2.1.1 Een antisemitische daad? Een tussenbalans 2.1.2 Schadeloosstelling met terugwerkende kracht 2.2 Vogts Duitsvriendelijkheid 2.2.1 Aanpassing bij de omroep, Vogt en de AVRO 2.2.2 Vogt, NSB en de radioprogramma’s tot december 1940 2.2.3 Vogt en de omroepconcentratie 2.2.4 Vogt en AVRO: Duitsvriendelijk of aanpassing? Een tussenbalans 3 Vogt en de liquidatie en terugkeer van de AVRO 4 Vogt, omroepzuivering en Bijzondere Rechtspleging 1945-1948 4.1 Onderzoek in het kader van de Omroepzuivering 1945-1946 4.2 Onderzoek in het kader van de Bijzondere Rechtspleging 1946-1948 4.3 Nasleep

17 24 31 36 54 58 64 65 69 75 79

Conclusie

103

Lijst met gebruikte afkortingen

111

Bronnen en literatuur

115

81 87 90 96 99

X

09

Inleiding Bij de opname van omroeppionier, AVRO-directeur en bestuurder van de Nederlandse Radio Unie (NRU) en de Nederlandse Omroep Zender Maatschappij (Nozema) Willem Vogt (1888-1973) in het Gulden Boek van de gemeente Hilversum in 1957 zijn de aanwijsbaar grote verdiensten van Vogt voor omroepstad Hilversum belicht en geprezen. ‘Met onvermoeide arbeidslust en verbeeldingskracht heeft Vogt groots pionierswerk verricht’, staat in de toelichting bij zijn naam in het Gulden Boek. En ook: ‘Aan zijn doorzettingsvermogen en bezielende invloed is grotendeels de bloei van het Nederlandse radiowezen te danken’. In de naoorlogse zuivering en Bijzondere Rechtspleging en in de omroepgeschiedschrijving uit de jaren zeventig en later komen echter ook andere aspecten van Vogt aan de orde die in 1957 niet zijn gesignaleerd of benoemd: mogelijk antisemitisch en Duitsvriendelijk optreden (soms ‘verraderlijk’ genoemd) in de eerste oorlogsperiode tot aan de in december 1940 aangekondigde en in de loop van 1941 geëffectueerde liquidatie van de AVRO. Het onderzoek waartoe de gemeente Hilversum de opdracht heeft gegeven richt zich op die beweringen.

Wat wijzen historische bronnen uit over de opstelling van Vogt tijdens de vroege bezettingsjaren en is zijn handelen te classificeren als antisemitisch, Duitsvriendelijk of verraderlijk? De paradoxale beoordeling van Vogt tekent het leven van deze radioman, die zichzelf in zijn memoires uit 1973 ‘strijdbaar’ noemde, maar die strijdbaarheid uitte in gedragingen die betrokkenen al gauw autoritair, nietsontziend of controversieel noemden.1 Al bij het ontstaan van het unieke Nederlandse omroepstelsel in mei 1930 was dat omstreden gedrag een cruciale oorzaak van het falen van de AVRO om de nationale omroep van Nederland te worden. Vogt zag zich in 1931 zelfs gedwongen om aan de Radioraad te vragen een zogenaamde ‘ereraad’ samen te stellen om de aanhoudende beschuldigingen van corruptie, fraude en het bevoordelen van het Telegraaf-concern te onderzoeken. Deze ereraad onder leiding van hoogleraar in het staats-, administratief- en arbeidsrecht aan de Nederlandsche Handelshoogeschool in Rotterdam prof.mr. C.W. de Vries noemde in haar eindrapport in april 1931 twee minder prominente handelingen van Vogt ‘afkeurenswaardig’, maar kwam verder met een genuanceerd en relatief positief oordeel waarin Vogt een herstel van zijn goede naam zag.

Het algemene slotoordeel van de ereraad dat Vogt wat betreft de beschuldiging van fraude en corruptie ‘geen blaam treft’ deed de, vooral door de socialistische pers aangevuurde, commotie wegebben.2 Maar sindsdien stond Vogt in een kwade reuk. Behalve bij zijn omvangrijke AVRO-achterban; daar werd hij op handen gedragen. Het relatief gunstige oordeel van de ereraad-De Vries hielp niet bij het wegnemen van de grote frustratie in Vogts leven: de AVRO werd niet de Nederlandse nationale omroep maar was door het Zendtijdenbesluit 1 Willem Vogt, Een leven met radio. De belevenissen van een strijdbaar radio-man (Apeldoorn: Semper Agendo 1973) 2 Huub Wijfjes, ‘De ballade van de bolhoed. Willem Vogt en het debacle van de nationale omroep’, in: Jaarboek Mediageschiedenis 2/1990; Het rapport van de ereraad-De Vries van

Oorkonde die Willem Vogt ontving bij het bijschrijven van zijn naam in het Gulden Boek van Hilversum in 1957. Origineel in collectie Vogt, Beeld & Geluid

april 1931 in: archief-RODI inv.nr. 2.16.25, dossier 48, NA; en archief-Radioraad inv.nr. 2.27.05, dossier 2, NA. Vgl. ‘Wat doet de AVRO?’, in: Het Volk 22 april 1931 en: ‘AVRO en het rapport van den eereraad’, in: Het Volk 24 april 1931

10

Inleiding

van mei 1930 gereduceerd tot een van de vier grote, onafhankelijke omroepverenigingen naast KRO, NCRV en VARA. Dat verzuilde omroepstelsel werd aangevuld met enkele kleine bijzondere zendgemachtigden. Vlak na de oorlog werd Vogt onderzocht in het kader van de zuivering van omroepbestuurders van een door de minister van Binnenlandse Zaken Louis Beel ingestelde commissie onder leiding van mr. H. Bijleveld. Zoals in paragraaf 4.1 uitvoerig zal worden toegelicht vond die commissie Vogt ‘ongeschikt voor een leidinggevende functie bij de Nederlandse omroep’. Vogt maakte bezwaar tegen dat oordeel, waarop de voor radiozaken verantwoordelijke minister een tweede commissies instelde onder leiding van de advocaat J. Drost. Deze commissie kwam na uitvoerig onderzoek tot de conclusie dat een ‘berisping’ over Vogts houding tijdens de bezetting op de plaats zou zijn, maar dat hij voor een leidinggevende functie in aanmerking kon blijven komen. Vlak daarop volgde in augustus 1946 nog een door zijn tegenstanders in de strijd om een nieuw omroepbestel geëntameerd strafrechtelijk onderzoek in het kader van de Bijzondere Rechtspleging. Dat onderzoek naar mogelijk verraderlijk gedrag van Vogt in het eerste oorlogsjaar (zie paragraaf 4.2) resulteerde na zeer uitvoerig recherchewerk in een onvoorwaardelijke buitenvervolgingstelling in maart 1948.

Vogt kon zijn functies als AVRO-directeur en bestuurder van de NRU en de Nozema ogenschijnlijk ongeschonden hervatten. In de zomer van 1952 nam hij na een bitter conflict met AVRO-voorzitter Gustaaf de Clercq ontslag bij de omroep die hij bijna dertig jaar had geleid. In september 1953 werd hij tot officier in de orde van Oranje-Nassau gelauwerd, vier jaar later werd zijn naam in het Gulden Boek van de gemeente Hilversum bijgeschreven en in 1963 benoemde de AVRO hem alsnog tot lid van verdienste.3 Vlak voor zijn dood in juni 1973 laaide de kritiek op zijn oorlogsverleden weer op met de publicatie van het vierde deel van de Koninkrijk-boekenreeks over Nederland in de Tweede Wereldoorlog door Loe de Jong in oktober 1972. Daarin stond te lezen dat AVRO-directeur Vogt eind mei 1940 ‘uit bedrijfsbeleid (…) alle negen Joodse medewerkers had ontslagen’. Zonder een cent vergoeding, voegde De Jong daar nog aan toe.4 Tegen dat beeld protesteerde Adriaan Vogt, de zoon van Willem, een jaar later, want onder andere uit een publicatie van historicus Jan Bank in een jubileumboek van de vijftigjarige AVRO was gebleken dat niet alle Joden waren ontslagen, dat er ook andere medewerkers waren ontslagen en dat Vogt met dat ontslag ook had willen bereiken dat bepaalde Joden ‘uit de gevarenzone’ (de publiciteit dus) zouden komen.

Tevens was aan de ‘ontslagenen’ later een schadeloosstelling uit AVRO-gelden betaald.5 De Jong beloofde in reactie daarop een correctie te zullen plaatsen in een later deel van zijn Koninkrijkboekenreeeks.6 Dat leidde tot een correctie in Deel 13 van het Koninkrijk dat vijftien jaar later in 1988 verscheen. Dat ging in 1 zin: ‘De door W. Vogt op 21 mei 1940 gegeven ont3

Stukken rond deze benoemingen in collectie-Vogt 13070, map 1, NIBG

4

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4 (Den Haag: Martinus Nijhof, 1972), 16

5 A.M. Vogt aan L. de Jong 16 december 1973, in: archief 700, inv.nr. 2790: correspondentie L. de Jong 1973, NIOD; Jan Bank, ’Een halve eeuw omroephistorie in hoofdlijnen’, in:

6

Inleiding

slagen (Deel 4, p.16, r.6): Niet alle Joodse medewerkers werden ontslagen maar alleen diegenen hunner die aan de uitzendingen plachten deel te nemen.’ Een eerdere kans voor de correctie in het boekendeel dat in 1988 over de omroepzuivering handelde, had De Jong voorbij laten gaan. Daar stond nog dat ‘Vogt eind mei 1940 uit eigen beweging alle Joodse medewerkers zou hebben ontslagen zonder een cent compensatie’.7 De suggestie die van de formuleringen van De Jong uitging was dat Vogt handelde uit een mengeling van Duitsvriendelijkheid en wellicht zelfs antisemitisme. Dat beeld werd bekrachtigd in het standaardwerk over de omroep in de oorlog dat journalist Dick Verkijk in 1974 publiceerde. Daarin schaarde hij ‘het ontslag van een groot aantal Joodse medewerkers nog voor er van enige antisemitische maatregel van Duitse zijde sprake is’ onder het hoofdje ‘antisemitische maatregelen’.8 In zijn boek beschrijft Verkijk Vogt verder als een man die alles heeft geprobeerd om de baas van een nationale omroep onder Duits gezag te worden, maar daar niet in slaagde. Vogt was ‘fout’, aldus Verkijk. Vogt zou na de oorlog pogingen in het werk hebben gesteld om alle beschuldigingen van antisemitisme en Duitsvriendelijkheid weg te moffelen onder verwijzing naar een complot van de voorstanders van een nationaal omroepbestel zonder omroepverenigingen.

Veel onderzoekers en journalisten na hem namen Verkijks lezing over. Een voorbeeld is de dissertatie van Hans van den Heuvel uit 1976 over de vorming van het Nederlandse omroepbeleid tussen 1923 en 1947. Dat is voor wat betreft het onderzoek naar de strijd om de nationale omroep het meest uitvoerige onderzoek op basis van primaire bronnen. Maar ook daarin staat dat Vogt in de eerste oorlogsmaanden trachtte ‘de Duitsers op alle mogelijke wijzen te behagen’, onder andere doordat hij ‘kort na de bezetting van ons land meende de AVRO Judenrein te moeten maken en, zonder dat de Rundfunkbetreuungsstelle (de Duitse bezettingsinstantie die de Nederlandse radio moest controleren en sturen, HW) daarop had aangedrongen, alle Joodse en Engelse medewerkers (het waren er een achttal) zonder een cent op straat te zetten’.9 De beeldvorming rond Vogt is daarna nauwelijks meer veranderd, hoewel er toch evidente tegenstrijdigheden in alle beweringen aan te wijzen zijn.

Waren het nu acht of negen Joden die door de AVRO (of door Vogt alleen) ontslagen zijn, of ‘een groot aantal’ of zelfs ‘alle’? Waren het Joden, Engelsen of ook nog anderen? Waren het alleen programmamakers of ook technici, musici, administratieve krachten of andersoortig personeel? Wat was nu precies de reden voor dit opmerkelijke ‘ontslag’? Was Vogts handelen antisemitisch van aard? En was het eind 1940 mislukte streven van Vogt om de baas te worden van een nationale omroep in het bezette Nederland een daad van Duitsvriendelijkheid? En was dat streven naar een gecentraliseerde omroep van Vogt alleen of ook van anderen? Het zijn vragen die in wetenschappelijk historisch onderzoek gesteld worden om bepaalde interpretaties te toetsen aan nieuwe bronnen, veranderende inzichten en/ 7

De Jong, Koninkrijk, Deel 12, 426; Deel 13, 96

AVRO 50. Historie en perspectieven (Hilversum: AVRO 1973), 30-31

8

Dick Verkijk, Radio Hilversum 1940-1945. De omroep in de oorlog (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1974), 252-257

L. de Jong aan A.W. Vogt 19 december 1974, in: archief 700, inv.nr. 2891: correspondentie L. de Jong 1973, NIOD

9

Hans van den Heuvel, Nationaal of verzuild. De strijd om het Nederlandse omroepbestel in de periode 1923-1947 (Baarn: AMBO, 1976), 89

11

12

Inleiding

of voortgaand historisch onderzoek. Maar dat is in dit geval niet of nauwelijks gebeurd. Dat Vogt zelf in de terugblikken op zijn leven en de oorlogsperiode zeer selectief te werk is gegaan en alle heikele en controversiële aspecten of ronduit heeft verzwegen of is gevlucht in kritiekloze zelfrechtvaardiging en zelfophemeling, heeft bepaald niet meegeholpen om tot een evenwichtig beeld te komen met betrekking tot de vele tegenstrijdigheden in beoordelingen en feiten.10 Het gebrek aan belangstelling van de AVRO voor het eigen verleden speelt hierbij mogelijk ook een rol. Vooral voor journalisten stond vast dat de AVRO een kwalijk oorlogsverleden te verbergen had. De AVRO reageerde doorgaans krampachtig of in het geheel niet op de herhaalde beschuldigingen. Dat werd bijvoorbeeld aangetoond toen in maart 1985 de AVRO-televisiedirectie een onderdeel uit een vijfdelige serie documentaires over oorlogsgeschiedenis van Ineke Hilhorst en Koos Groen aanvankelijk verbood. In het tweede deel van de serie 40 Jaar na dato werd onder andere de rol van de media belicht.

Daarin kwam de zin voor: ‘AVROdirecteur Vogt bijvoorbeeld stelde direct na de capitulatie alle Joodse medewerkers op non-actief.’ Het verbod trok publicitair enorm veel aandacht, waarbij het woord ‘censuur’ vaak werd gebruikt.11 Na bemiddeling van Pieter Varekamp, hoofd Informatieve Programma’s van de AVRO, werd de serie - voorzien van iets meer contextuele informatie - in april en mei 1985 toch in zijn geheel uitgezonden. Over Vogt en de oorlog zweeg de AVRO vervolgens liever helemaal. In de jubileumuitgave bij het 75-jarig bestaan van de AVRO volstonden de auteurs met een korte opmerking dat na ‘uitgebreid onderzoek’ van de ‘naoorlogse zuivering’ de ‘regering en radio-omroep van oordeel zijn dat Vogt als leidende functionaris kan aanblijven’.12 Die zuivering was in de doctoraalscriptie van Marnix Koolhaas en de daaraan gekoppelde VPRO-radiodocumentaireserie Het Spoor Terug (1988) weliswaar nader onderzocht, maar dat onderzoek strekte zich niet uit tot de Bijzondere Rechtspleging, de instantie die tussen 1946 en 1948 het meest grondige onderzoek naar Vogt heeft ingesteld.

Bovendien lag het zwaartepunt in deze oral history-serie op het gezichtspunt dat Vogt en de AVRO bij de zuivering alles in het werk hadden gesteld om het omstreden handelen uit het eerste oorlogsmaanden te verdoezelen en goed te praten.13 Omdat er geen nader historisch onderzoek naar de houding van de AVRO of Vogt heeft plaatsgevonden, bleef de beeldvorming van Vogt en de AVRO in oorlogstijd vrijwel onveranderlijk. Waar in de omvangrijke algemene oorlogsgeschiedschrijving steeds meer aandacht kwam voor de complexiteit van de tijdens de bezetting gevormde verhoudingen van Nederlandse organisaties en de Duitse bezettingsautoriteiten, zo is 10

Vogt, Een leven met radio; Willem Vogt, Hoe het den omroep verging. Een verhaal over den omroep in bezettingstijd (Amsterdam: Jacob van Campen, 1945); Willem Vogt, Wat er men

den omroep verder gebeurde. Een verhaal tevens witboek met betrekking tot de voorbereidingen die tijdens de bezetting werden getroffen door vertegenwoordigers van de AVRO, den KRO, de NCRV en de VARA tezamen met den aangewezen gemachtigde der regeering, om te komen tot den wederopbouw van den radio-omroep in Nederlandsche geest. Alsmede een verslag van de gebeurtenissen

Inleiding

het beeld van Vogt en de AVRO in die periode vrij eendimensionaal met een sterke morele goed-fout-ondertoon gebleven. Dat beeld is vervolgens in allerlei kranten en tijdschriften overgenomen als dat zo uitkwam. Aan het boek dat de gemeente Hilversum in 2020 over haar oorlogsverleden liet publiceren lag weliswaar zeer uitgebreid en gedegen onderzoek ten grondslag, maar de passages over Vogt en de AVRO volgen volledig Verkijks interpretatie.14 Ook de op 28 augustus 2024 door de Joodse Programmering van de EO uitgezonden documentaire Het verraad van Hilversum volgt in grote lijnen het werk van Verkijk en geeft een beeld van een met de Duitsers meegaande houding van de omroepen en de latere nazi-staatsomroep Rijksradio De Nederlandsche Omroep (RDNO). Daarbij wordt wederom het ‘ontslag’ van ‘de Joden’ bij de AVRO eind mei 1940 als bewijs van ‘verraad’ opgevoerd, net zoals de uitspraak van de geïnterviewde historicus Koolhaas over een brief waarmee Vogt zich zou hebben aangeboden als leider van een nieuwe omroep ‘met begrip voor de nieuwe tijd’.

De documentaire eindigt met de klacht dat de naoorlogse zuivering van de omroep ernstig tekort is geschoten, ten koste van vier bij naam genoemde Joodse omroepmedewerkers die tijdens de oorlog zouden zijn omgekomen en door de omroep ‘terzijde zijn geschoven’.15 Het doel van de opdracht die de gemeente Hilversum nu heeft verstrekt is om feitelijk te onderzoeken wat op basis van de beschikbare bronnen kan worden gezegd over Vogt, zijn vermeende antisemitisme en Duitsvriendelijkheid waarbij de nadruk ligt op de eerste maanden van de bezetting. De opdracht is om een zo feitelijk mogelijke reconstructie te presenteren. Voor een beter begrip van de gebeurtenissen zal die reconstructie geplaatst moeten worden in de context van het omroepbeleid, vooroorlogse ontwikkelingen binnen de Nederlandse omroep in het bijzonder de AVRO, de Duitse bezettingspolitiek ten aanzien van de media, het optreden en de positie van de omroepverenigingen - met name de AVRO - tijdens het eerste oorlogsjaar, en de naoorlogse zuivering en de Bijzondere Rechtspleging in het bijzonder in relatie tot de omroep. Dit onderzoek maakt gebruik van relevante literatuur die sinds de jaren zeventig is gepubliceerd over oorlog en bezetting alsmede (minder overvloedig) over omroep en omroepstrijd.

Maar het zwaartepunt ligt op empirisch onderzoek van bronnenmateriaal over Vogt, de AVRO, oorlog en bezetting, alsmede de beoordeling van Vogt in het kader van de naoorlogse zuivering en Bijzondere Rechtspleging. Vooral de uitvoerige archieven van deze Rechtspleging en de zuiveringsinstanties zijn relevant, maar moeten met de grootst mogelijke kritische omzichtigheid worden gehanteerd. Ze bevatten vele verklaringen van heel veel personen over allerhande onderwerpen die vlak na de bevrijding in 1945 zijn verzameld. Historici die in hun professie gewend zijn aan het

met den herboren omroep op en na den dag der bevrijding (Amsterdam: Jacob van Campen, 1945) 11

Correspondentie over deze documentaireserie in archief-AVRO, dossier 114667602, met name brief Ineke Hilhorst aan AVRO-bestuur 28 maart en AVRO-bestuur aan Hilhorst

4 april 1985. Een overzicht van publiciteit in: Chris Vos, Televisie en Bezetting. Een onderzoek naar de documentaire verbeelding van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (Hilversum: Verloren, 1995), 223-226. De serie zelf, en ook het tweede deel Het Gerucht dat op 27 april 1985 werd uitgezonden in av-archief NIBG: DAAN. Het citaat in: Koos Groen en Ineke Hilhorst, 40 jaar na dato (Amsterdam: Elsevier, 1985), 58 12

Jan Daan Hillen en Juun Arens, AVRO 75 jaar uitzendkracht. Jubileumboek van een onafhankelijke publieke omroep 1923-1998 (Baarn: Tirion, 1998), 62-64

13

Marnix Koolhaas, De omroepzuivering. De zuivering van de omroepbestuurders en het radio-omroeppersoneel 1945-1949 (Doctoraalscriptie UVA november 1988). Deel 4 van de serie

De Afrekening handelde over de omroepzuivering en werd uitgezonden op 21 januari 1988, in av-archief NIBG, DAAN

14

Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel, Een stad op drift. Hilversum tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam: Boom, 2020), 133. Deze tekst bevat ook een feitelijke onjuistheid op

pagina 74. Volgens de auteur ontsloeg Vogt de Joodse medewerker Erna Eisner-Abramowitz, maar zij is niet als AVRO-medewerker in de archieven terug te vinden. 15

Het verraad van Hilversum, Joodse programmering van de EO, 28 augustus 2024, av-archief NIBG: DAAN. Zoals uit dit onderzoeksrapport nader zal blijken waren van de

vier genoemde personen er twee niet in dienst van de omroep tijdens de oorlog. Gustav Czopp was in 1939 ontslagen bij de AVRO en de dirigent van het grote AVRO-orkest Hans Mossel had in 1938 zelf ontslag genomen om zich volledig te kunnen toeleggen op een muziekinstrumentenhandel in Amsterdam. En musicus Dolf Karelsen werd niet door de AVRO of een andere omroep terzijde geschoven, maar werd in juni 1941 slachtoffer van het collectief ontslag op bevel van de Duitse nazi-autoriteiten van de Joodse musici die bij de omroeporkesten werkten.

13

14

Inleiding

kritisch evalueren van uiteenlopend bronnenmateriaal kunnen over het algemeen een goed onderscheid maken tussen feitelijk juiste uitspraken en de niet altijd goed controleerbare beweringen, beschuldigingen, afrekeningen, roddels en achterklap waarmee de dossiers uit deze archieven vol staan. Alle toenmalig betrokken partijen - zowel beschuldigden als beschuldigers hebben zich in ruime mate aan twijfelachtige beschuldigingen, afrekeningen, roddels en achterklap bezondigd. Ook voor de mensen die al dat materiaal toen moesten beoordelen (zuiveringscommissies, officieren van justitie, politiediensten, rechters) was het moeilijk om het waarheidsgehalte van al die verklaringen en belangen op juiste waarde te schatten en om daaruit het meest objectieve oordeel te destilleren. Datzelfde overkomt historici, die deze taak alleen maar naar behoren kunnen voltooien als ze de betreffende casus goed van de relevante historische context kunnen voorzien en uiterst kritisch staan ten opzichte van alle verklaringen en overgebleven stukken.16 Omdat een goed geordend en toegankelijk archief van de AVRO eigenlijk niet bestaat (de omroep is slordig geweest in het bewaren en ijverig geweest in het weggooien van archiefmateriaal) zijn we wat betreft het AVRO-gezichtspunt voornamelijk aangewezen op de voornoemde literatuur en archieven.

Waar het archiefmateriaal van de commissies Bijleveld (1945) en Drost (1946) wel eerder is onderzocht door de historici Hans van den Heuvel en Marnix Koolhaas, is dat nauwelijks gebeurd met het dossier-Vogt van de Bijzondere Rechtspleging dat tussen juli 1946 en maart 1948 is gevormd.17 Dat is echter wel het meest uitvoerige onderzoek dat rondom Vogt heeft plaatsgevonden. Het bevat niet alleen veel eigentijds archiefmateriaal maar ook tientallen politieverhoren met vrijwel alle hoofdrolspelers en betrokkenen. Naast deze primaire archieven is in dit onderzoek ook gekeken naar archieven die berusten bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies, het Nationaal Archief (NA) en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG). Door uitvoerige annotatie wordt voor het gebruik van archieven en literatuur verantwoording afgelegd. Naar opbouw volgt het rapport in grote lijnen het chronologische verloop van de meest relevante gebeurtenissen. Te beginnen met een typering en plaatsbepaling van de AVRO in het vooroorlogse Nederlandse omroepstelsel en de centrale rol van Willem Vogt daarin. Gezien de onderzoeksopdracht zal daarbij speciale aandacht worden gegeven aan de relatie van de AVRO met Joden en de NSB. Het meest uitvoerige hoofdstuk is gewijd aan de oorlogsperiode.

Daarin staan de twee kwesties uit de onderzoeksopdracht centraal: het mogelijk antisemitische karakter van de contractverbrekingen van AVROpersoneel eind mei 1940 en het mogelijk Duitsvriendelijke of verraderlijke gedrag van de AVRO en Vogt tot aan de gedwongen opheffing van de AVRO in 1941. Dat hoofdstuk zal voornamelijk worden gebaseerd op bronnen die zo dicht mogelijk in de tijd zelf zijn geproduceerd. Na een kortere beschouwing over de handelwijze van Vogt en AVRO vanaf de 16

Gretha Donker en Sjoerd Faber, Bijzonder gewoon: het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (1944-2010) en de ‘lichte gevallen’, (Zwolle: WBooks, 2010). Hinke Piersma en

Martijn Eickhoff, ‘Pas op met snelle conclusies over “foute” familie’, in: Trouw 4 januari1 2025, Opinie 17

Van den Heuvel, Nationaal of verzuild; Koolhaas, De omroepzuivering. Zie ook het korte, tamelijk suggestieve, artikel: Thomas Leeflang, ‘Zestig jaar geleden stopte de grand

guignol-achtige zuivering van Hilversum 1 en 2’, in: Hilversums Historisch Tijdschrift 3/2011, 121-130

gedwongen opheffing van de AVRO tot de bevrijding van Nederland in 1945, volgt een slothoofdstuk over de gevolgde procedures bij de omroepzuivering en het onderzoek naar Vogt in het kader van de Bijzondere Rechtspleging.

15

16

1. VOGT EN DE AVRO AAN DE VOORAVOND VAN DE OORLOG

18

Hoofdstuk 1

Niemand kon in 1920 voorspellen dat de op 12 augustus 1888 in Den Helder geboren Willem Vogt tien jaar later de baas zou zijn van de grootste omroeporganisatie in Nederland. De AVRO was rond 1929 een snelgroeiende vereniging met al meer dan 100.000 leden en een pretentie om de nationale omroep van Nederland te zijn. Het was onvoorspelbaar geweest, want rond 1920 bestond het concept radio nog nauwelijks. De draadloze techniek van radiotelefonie was toen een nieuwtje waarmee slechts technisch ingewijde personen zich bezighielden. Dat je met een radiotelefoniezender ook een naamloos publiek op grote afstanden kon bereiken, was een innovatie die tussen 1918 en 1922 op verschillende plekken ter wereld werd ontdekt.1 Willem Vogt was in 1920 een in de militaire dienst technisch geschoolde man met begaafdheden om spullen te verkopen. Hij had zich als radiotelegrafist voor de PTT vooral in Nederlands-Indië tussen 1911 en 1920 beziggehouden met telegrafie- en telefoontechniek en was in 1917 lid geworden van de Nederlandsche Vereeniging voor Radiotelefonie (NVVR).2 Na zijn terugkeer in Nederland kwam hij in 1921 in dienst bij de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF) in Hilversum om een draadloze abonneedienst op te zetten gericht op het verspreiden van beursinformatie naar professionele klanten.

Hij zag als een van de weinigen in de door techneuten gedomineerde radiowereld de culturele potentie van de radiotelefonie. Eind 1923 won hij een door de NVVR uitgeschreven prijsvraag voor ‘het eerste Radio-Toneelspel’. Zijn tekst ‘Nieuwjaars-wensch’ werd op 3 januari 1924 via de Haagse zender van ir. Idzerda uitgezonden.3 Samen met enkele andere liefhebbers van dit soort radio-experimenten bij de NSF was hij in juli 1923 begonnen met geregelde uitzendingen vanuit het NSF-fabriekscomplex in Hilversum. Al doende ontdekten zij dat radiotelefonie ook kon leiden tot iets dat zijn latere mede-AVRO-bestuurder Jan Corver ‘radio-omroep’ had genoemd. Tot ieders verbijstering groeide uit dat kleinschalige vermaak voor radiotechneuten in enkele jaren een cultureel instrument vergelijkbaar met de krant, het theater en de muziekindustrie. En Vogt had er driftig aan meegewerkt door de op 21 juli 1923 experimenteel begonnen radiotelefonie-uitzendingen vanuit Willem Vogt presenteerde in 1927 veel van de radio- de NSF-fabriek steeds meer aantrekkelijke inhoud programma’s zelf. Vogt, Een leven met radio te geven. Ook slaagde hij erin de luisteraars naar 1

Huub Wijfjes, ‘Archeologie van radio-omroep’, in: Huub Wijfjes (red.), De radio, een cultuurgeschiedenis (Amsterdam: Boom, 2019), 18-57

2

Over zijn Indische tijd en de ontwikkeling naar radio-omroep schreef Vogt een uiterst gekleurd boek dat zijn pionierschap centraal zette: Willem Vogt, Radioleven. Een kwarteeuw

pioniersarbeid in een modern beroep (Amsterdam: Scheltens & Giltay, 1933). Over die tijd zie ook het biografische materiaal in collectie-Vogt 13070, map 1, NIBG en: Jan J. van Herpen, Overgave aan een wonder. Het begin van de omroep in Hilversum NSF-HDO 1923-1924 (Hilversum: AVRO, 1983), 5-7 3

P.A. de Boer, à Steringa Idzerda. De pionier van de radio-omroep (Bussum: De Muiderkring 1969), 83-85

Vogt en de AVRO aan de vooravond van de oorlog

19

die uitzendingen te organiseren in een Hilversumsche Draadlooze Omroep (HDO). In een turbulente reeks omstreden handelingen ontstond daaruit in 1928 de Algemeene Vereeniging ‘Radio Omroep’ (AVRO).4 In 1930 was die AVRO met 170.000 abonnees op de programmagids De Radiobode een van de grootste culturele organisaties in Nederland met de 42-jarige Willem Vogt aan het hoofd. Een na- Propagandaauto van de AVRO bij de demonstratie op Houtrust in tionale omroep zoals de BBC in het september 1930. Brochure Luistervinken op Houtrust Verenigd Koninkrijk was de AVRO echter niet geworden, ondanks een hevige strijd om dat doel te bereiken. Maar juist in die strijd om de zendtijd op de twee radiozenders die Nederland door internationale afspraken waren toebedeeld, was veel twijfel ontstaan over de onafhankelijkheid en neutraliteit van de AVRO. De verbindingen met het machtige persconcern rond dagblad De Telegraaf en het voortdurend afzetten tegen de partijpolitieke versplintering die de omroep in een greep zou krijgen kostte de AVRO de kop.5 In mei 1930 werd een omroepregeling van kracht die de AVRO reduceerde tot een van de vier grote onafhankelijke omroepen die bij toerbeurt de zendtijd op twee zenders mochten gaan vullen. De AVRO mocht dat doen met de VARA op 1 zender; de KRO en NCRV vulden de andere zender.

Kleinere - ‘bijzonder’ genoemde - omroepen met beperkte zendtijd - zoals de VPRO werden verstrooid over enkele uren op beide zenders.6 Het was een vernederende situatie voor Vogt en de AVRO; de kans een status als nationale omroep van Nederland te krijgen - een status die de BBC sinds 1928 met koninklijke goedkeuring in het Verenigd Koninkrijk had gekregen - leek verkeken. Ook de meer dan 130.000 deelnemers aan een van de grootste protestdemonstraties die Nederland ooit te zien zou krijgen - op 6 september 1930 op het Haagse Houtrust-terrein - konden het tij niet keren. Vogt poneerde bij die gelegenheid dat de AVRO ‘Kunst, Wetenschap, Geestesverrijking en Geestesverstrooiing’ wilde leveren voor ‘alle cultuurrichtingen, die tezamen het Nederlandsche cultuurleven zoo rijk geschakeerd maken’.7 Maar dat was een illusie; de katholieke, protestantse en socialistische ‘cultuurrichtingen’ (ook wel ‘zuilen’ genoemd) deden dat liever in eigen beheer. Omdat de verzuiling krachtig in de politiek was doorgedrongen konden ze dat streven ook gehonoreerd krijgen in het Radioreglement en het daarbij behorende Zendtijdenbesluit van mei 1930. De verloren strijd om de nationale omroep leverde Vogt een levenslange frus4

Huub Wijfjes, ‘Pluriformiteit van identiteit 1920-1960’, in: Wijfjes (red.), De radio, 58-95

5

Wijfjes, ‘De ballade van de bolhoed’

6

J. de Boer, Omroep en publiek in Nederland tot 1940 (Leiden: Sijthoff Uitgeversmaatschappij 1946)

7

De luistervinken op Houtrust 6 september 1930. Hoe honderdduizend hun omroep hoog hielden (Amsterdam: AVRO, 1930), 44

20

Hoofdstuk 1

tratie op, om niet te zeggen een obsessie. Hij had natuurlijk wel een organisatie die in de jaren dertig nog verder groeide en bloeide. Begin 1940 waren er 207.000 AVRO-leden (die bij voorkeur ‘luistervinken’ werden genoemd) en zond die AVRO uit vanuit een blinkend nieuwe en hypermoderne studio die in 1936 was geopend. In 1933 was een stijlvol hoofdkantoor geopend aan de Amsterdamse Keizersgracht 107. Bij het AVROomroepbedrijf werkten begin 1940 237 vaste medewerkers, aangevuld met vele musici, tekstschrijvers, rubrieksamenstellers en cursusverzorgers die voor bepaalde taken waren ingehuurd. En dat alles betaalde de AVRO uit eigen middelen, want een omroepbelasting was bij de omroepregeling van mei 1930 niet ingevoerd. In het verzuilde denken, waarin de andere omroepen wortelden, was het ophouden van de eigen broek immers een logische gedachte die spoorde met het verlangen ‘soeverein in eigen kring’ te zijn. Het waren organisaties die volstrekt onafhankelijk van elkaar opereerden, maar nauwe banden onderhielden met een herkenbare politieke, maatschappelijke en culturele achterban. Het personeel werd bij voorkeur ook uit die achterban gerekruteerd, tenzij het niet anders kon omdat de luisteraars ook andere artiesten (vooral musici en acteurs) op prijs bleken te stellen. Van die overwegingen had de AVRO geen last.

Ze stelde zich naar eigen zeggen ‘neutraal’ op in politiek en maatschappelijk opzicht en kon voor de programmering dus kiezen uit de beste mensen in het vak, ongeacht hun eventuele politieke, maatschappelijke of religieuze voorkeuren of achtergronden. De AVRO liep misschien daarom voorop bij de ontwikkeling van allerlei nieuwe programmavormen die bij het medium radio werden uitgevonden. Vogt was daarbij de grote creatieve stimulator, want hij bleek ook een uitstekend schrijver en programmavormgever met een grote culturele bagage en een brede, journalistieke belangstelling voor nieuws en allerlei muzieksoorten. Om te laten zien dat de AVRO een algemene omroep voor iedere luisteraar was, programmeerde de AVRO ook morgenwijdingen, liturgieën en causerieën over religieuze onderwerpen, terwijl de NCRV en de KRO zoiets dagelijks ook deden. Naast radio was schrijven Vogts grote passie. Elke week schreef hij een beschouwend artikel in het eigen verenigingsblad tevens programmagids De Radiobode en ook schreef hij als het uitkwam mee aan hoorspelen, reportageteksten en declamaties. Hij stond tevens aan de wieg van de sportverslaggeving via de radio.

In 1928 had hij zijn slapie uit militaire dienst en Telegraaf-sportverslaggever Hartog (hij noemde hem Han) Hollander gevraagd een live verslag te doen van een interlandvoetbalwedstrijd.8 Dat was het begin van een steeds populairder reeks, die niet eenvoudig in de omroep te organiseren was omdat de wedstrijden moesten plaatsvinden op een tijdstip dat de AVRO zendtijd had. Aan zendtijdruil werd niet of nauwelijks gedaan en samenwerken deden de omroepen alleen als het strikt noodzakelijk was om gemeenschappelijke belangen te behartigen. Zo bouwde de AVRO ook een eigen reportagedienst op voor nieuwsverslagen, een eigen hoorspelkern van schrijvers en acteurs en stelde men eigen orkesten en ensembles samen. Gezamenlijke programma’s bestonden nauwelijks, met als grote 8

Govert van Brakel, Han Hollander. De eerste radiostem van het Nederlandse voetbal (Amsterdam: Balans, 2024)

Vogt en de AVRO aan de vooravond van de oorlog

uitzondering de reportages bij het huwelijk van prinses Juliana met Bernhard van LippeBiesterfeld op 7 januari 1937. Voor die uitzending had Vogt het voortouw genomen en hij praatte de ooggetuigenverslagen van de keurig over alle vier grote omroepen (plus de Philips Omroep Holland-Indië PHOHI, de organisatie die radiouitzendingen voor de Nederlandse kolonie in Azië verzorgde) verdeelde reportageposten aan elkaar vanuit de AVRO-studio waar alle lijnen samenkwamen.9 Hoewel hij er in zijn hart van overtuigd was dat zoiets beter door een nationale omroep (lees: de AVRO) kon worden gedaan. Voor de behartiging van gemeenschappelijke belangen spraken de omroepen sinds 1936 geregeld met elkaar in het Centraal Bureau van den Omroep en in het bestuur van de in 1935 opgerichte Nederlandsche Omroep Zender Maatschappij (Nozema), dat het zenderpark beheerde. Maar ook daarin bewaakten de omroepen - ook de AVRO - vooral hun eigen belangen.10 Het eigen belang van de AVRO was er vooral in gelegen om de populairste en grootste omroep te blijven en de invloed liefst uit te breiden met taken die het particuliere belang van de andere omroepen overkoepelden. Eind jaren dertig spitste dat streven zich toe op een mogelijke oprichting van een Wereldomroep (naast of in de plaats van de al bestaande omroep PHOHI) en op de ontwikkeling van televisie.

Dat waren kostbare inspanningen die moeilijk gedragen zouden kunnen worden uit private middelen alleen. Maar hoe een omroepbelasting zou moeten worden geheven en vervolgens verdeeld, was inzet van hevige discussies die in 1940 nog niet uitgekristalliseerd waren.11 De omroepen bleven voor hun voortbestaan dus afhankelijk van de lidmaatschapsinkomsten en de opbrengst uit de exploitatie van het programmablad. Vooral dat laatste bracht veel op, omdat de omroepen er in een zeldzame vlaag van samenwerking voor hadden gezorgd dat de omroepen het monopolie hadden op het publiceren van uitvoerige programmaoverzichten. Tot groot verdriet van de dag- en weekbladen.12 Omdat de AVRO met De Radiobode de omroepgids met de hoogste oplage bezat en tevens de meeste leden aan zich bond, was de AVRO in 1940 veruit de rijkste van de omroepen met een balanstotaal van meer dan 3,5 miljoen gulden, een batig saldo van 450.000 gulden en een eigen vermogen van 2,5 miljoen.13 Rond 1 januari 1940 had de AVRO 237 personeelsleden in vaste dienst, de meeste bij de orkesten, de diensten die programma’s facilitair en technisch mogelijk moesten maken, personeel bij De Radiobode en de omvangrijke afdeling voor ledenwerving en -binding.

Om te accentueren dat de AVRO een nationale status wenste te hebben, werden die laatste taken uitgevoerd vanuit het statige kantoorpand aan de Amsterdamse Keizersgracht, dat de AVRO het ‘hoofdkantoor in de hoofdstad van Nederland’ noemde. De meeste zendtijd werd gevuld met live uitgevoerde muziek, grotendeels door het eigen orkest (dat door meerdere dirigenten werd geleid, al naar gelang het repertoire) en meerdere kleinere ensembles. Voor het gesproken woord (waaronder 9

Volledig script en alle voorbereidingen in: archief-RODI inv.nr. 2.16.25, dossier 376, NA

10

Ad Maatjens, Tussen omroep en telecommunicatie. Uitgave ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van Nozema (z.p: Nozema 1995)

11

René Witte, De Indische radio-omroep. Overheidsbeleid en ontwikkeling 1923-1942 (Hilversum: Verloren 1998)

12

J.A. Baggerman en J.M.H.J. Hemels, Verzorgd door het ANP. Vijftig jaar nieuwsvoorziening (Utrecht: Veen Uitgevers, 1985)

13

AVRO Jaarverslag 1940, NIBG

21

22

Hoofdstuk 1

alle lezingen, voordrachten, cursussen en de meeste nieuwsuitzendingen vielen), maar ook voor revue, cabaret en gespecialiseerde muziek engageerde men meestal medewerkers van buiten.14 In tegenstelling tot de KRO - die steeds strakker probeerde vast te houden aan het katholicisme van medewerkers - hield de AVRO (voor zover we weten op basis van het zeer beperkte archiefmateriaal) geen register bij van de religieuze, etnische of politieke achtergrond van de medewerkers.15 Die omvangrijke organisatie stond onder dagelijkse leiding van directeur Willem Vogt die werd ondersteund door stafdiensten, waarvan de belangrijkste de administrateur (F.C.W. van der Woord) en de programmaleider (J. den Daas) waren. Maar feitelijk het hoogste gezag in de AVRO was de vereniging die werd geleid door Gustaaf de Clercq, voorzitter van de AVRO van een Dagelijks Bestuur bestaande uit zes leden, 1936 tot 1953. Fotocollectie Stadsarchief sinds 1936 onder voorzitterschap van Gustaaf de Amsterdam Clercq (1888-1953), een ondernemer op het gebied van het stoken van brandstoffen. Dat voorzitterschap was veel meer dan een erebaantje, want het DB kwam wekelijks bijeen om samen met de directeur de dagelijkse gang van zaken door te spreken en de belangrijkste beslissingen te nemen. En de voorzitter vertegenwoordigde - veelal samen met Vogt de AVRO in vrijwel alle overleg met de andere omroepen en de overheid.

Voorzitter De Clercq had namens de AVRO zitting in het Centraal Bureau van den Omroep. Eenmaal per jaar legde het Dagelijks AVRO-bestuur verantwoording af aan een Algemeen Bestuur dat werd gevormd uit en gecontroleerd door elf gewestelijke besturen. Ondanks de grootte van de AVRO-organisatie, was het voor de buitenwacht overduidelijk dat de AVRO vooral Willem Vogt was en Willem Vogt de AVRO. Zijn naam stond als enige standaard op de titelpagina van De Radiobode (‘redacteur: W. Vogt’) en hij had de beschikking over twee directeursvertrekken: een in de AVRO-studio in Hilversum, de ander in het hoofdkantoor in Amsterdam. Ook beschikte hij over een woning direct naast de AVRO-studio voor het geval hij niet voldoende tijd had om naar zijn gezinswoning in Blaricum te komen. Hij was met meer dan hart en ziel aan de organisatie verbonden die hij had opgericht, groot gemaakt en vooruit stuwde met een daadkracht die meestal bewondering maar af en toe ook grote irritatie en weerzin wekte. Want Vogt werd door medewerkers geprezen om zijn stimulerende en creatieve op-

Vogt en de AVRO aan de vooravond van de oorlog

treden, maar ook gezien als een temperamentvolle, autoritaire directeur die het wilde zoals hij het wilde, weinig tegenspraak duldde en de hoogste eisen stelde aan de programma’s en de AVRO-medewerkers.16 Een typerend voorbeeld van Vogts optreden was het ontslag eind 1939 van de (Joodse) radioreporter Gustav Czopp (1909-1944). In oktober dat jaar verscheen diens boek De wereld kreeg radio dat onmiddellijk opzien baarde door de felle kritiek op de om- Vergadering van de programmaleiding van de AVRO in roep, de soms onthutsende inkijkjes in 1936. Vogt was de baas maar geen alleenheerser. Collectie de ‘platvloerse’ praktijk van radiorepor- Omroepmuseum, Beeld & Geluid tages en de neerbuigendheid waarmee hij de oppervlakkigheid van de radioprogramma’s typeerde.17 Czopp vond dat de grote figuren van het radioamusement ‘de Snippen, Snappen en Pechs de halfgoden van onze tijd zijn geworden.’ Vogt stoorde zich er enorm aan en vond ‘Uw mentaliteit en Uw persoonlijkheid onverenigbaar met de minimumeisen aan inzicht en tucht die wij aan onze employés en medewerkers moeten stellen’.

In het Algemeen Bestuur van de AVRO noemde Vogt hem zelfs ‘een den Omroep vijandigen cynicus en misanthroop’.18 Dat harde oordeel was mede gebaseerd op het feit dat Czopp gescheiden van zijn vrouw en kind was gaan leven, omdat hij een verhouding was aangegaan met Lien Ludriks, een oud-journalist van De Radiobode die eerder door Vogt ontslagen was omdat ze naast haar werk erbij schnabbelde. Dat deed Czopp zelf ook, bijvoorbeeld door buiten medeweten van de AVRO voor de Nederlandse Spoorwegen een revue te organiseren met inschakeling van AVRO-medewerkers zoals hoorspelregisseur Kommer Kleijn. Daarom ontsloeg Vogt de in zijn ogen disloyale en eigenzinnige Czopp met ingang van 6 november 1939 met behoud van een weekgeld tot 1 januari 1940.19 In februari 1940 weigerde De Radiobode vervolgens om de naam van Czopp te vermelden bij een lezing die Czopp ging houden voor de Radio Volksuniversiteit (RVU) op 13 februari. Want, zo verklaarde Vogt in het AVRO-bestuur, het ging hier om ‘een geestelijk en zedelijk onevenwichtig ex-lid van het personeel’.20 Vogt hield in alle opzichten van mensen met een sterk karakter, grote loyaliteit en wat hij een moreel correcte levenswandel vond. Hij was snel geneigd om mensen die hem niet bevielen te diskwalificeren en buiten de AVRO-gemeenschap te plaatsen. 16

Dit zal nog nader blijken uit de vele uitspraken die over Vogt zijn gedaan in de naoorlogse zuivering en rechtspleging

17

Gustav Czopp, De wereld kreeg radio. Uit het dagboek van en radioreporter (Amsterdam: Em. Querido Uitgeverij, 1939)

18

Notulen AVRO-AB 16 december 1939, archief-AVRO 114682867

14

AVRO Jaarverslag 1939, NIBG

19

Notulen AVRO-AB 16 december 1939, archief-AVRO 114682867

15

Huub Wijfjes, ‘Het katholiek gehalte van muziek’, in: Aether 106, januari 2013, 10-12. Dat de AVRO geen register bijhield bleek bij de naoorlogse zuivering toen de Joodse

20

Notulen AVRO-AB 2 maart 1940, archief-AVRO 114682867. In juni 1941 zou Czopp overigens alsnog scheiden van zijn vrouw. In december 1944 stierf hij door uitputting en

achtergrond van AVRO-medewerkers ter discussie kwam en de AVRO nauwelijks exacte gegevens kon aanleveren.

23

mishandeling in kamp-Dachau, waarnaar hij door de Duitsers was gedeporteerd.

24

Hoofdstuk 1

Omdat onder zijn leiding vanaf 1923 de ideale radioprogrammering als het ware was uitgevonden, vond hij zijn smaak over de inhoud van een goed radioprogramma de maat van alle beoordeling. Die smaak bleef ook lang onveranderd, waardoor de makers van die programma’s vaak gedurende lange tijd aan de AVRO verbonden bleven. Dat was waarschijnlijk de reden dat hij af en toe met voorzitter De Clercq overhoop kwam te liggen. Deze ‘stooktechnisch adviseur’ (zoals Vogt hem noemde met een licht-denigrerende verwijzing naar het bedrijf waarmee De Clercq zijn geld verdiende) kreeg in de loop der tijd andere, meer populaire, opvattingen over de programmering. Maar dat was nu juist het terrein waarvan Vogt vond dat hij er als enige bij de AVRO leiding aan moest geven. Dat sluimerende conflict zou tot na de oorlog beperkt blijven, maar het uiteindelijke gedwongen en conflictueuze vertrek van Vogt als AVRO-directeur in 1949 (ingetrokken na druk van de leden) en 1952 (definitief ) was het gevolg van een jarenlange machtsstrijd met De Clercq.21 1.1. De vooroorlogse relatie van de AVRO met Joden en de NSB De AVRO was een exponent van het nationale denken in Nederland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=8b64727d-c4de-4111-9dfc-22e9a7971eba