32. Raadsinformatiebrief 2024-66 inzake Onderzoek Leerlingenvervoer Art. 213a
Tekst van het document
7 De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en onverminderd het bepaalde in het vierde lid voor leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, bepalen dat geen aanspraak op vergoeding bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. 8 De regeling kan per schoolsoort, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak op vergoeding wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer. In dat geval dient de regeling erin te voorzien, dat uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het vierde lid voor die leerlingen voor wie openbaar vervoer ontbreekt en de in de vorige volzin bedoelde goedkopere wijze van vervoer in redelijkheid niet kan worden verlangd en voor die leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen.
26
9 De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen. 10 De regeling kan bepalen dat het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen de bevoegdheid heeft ten gunste van de ouders, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, ten gunste van de leerling van de inhoud van de regeling af te wijken
27
Wet voortgezet onderwijs 2020 Artikel 8.28. Leerlingenvervoer Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap2 voor hun schoolbezoek: a. niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of b. zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer. Artikel 8.29. Gemeentelijke verordening leerlingenvervoer 1 De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast over het leerlingenvervoer. 2 In de verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt de schoolkeuze van de ouders die berust op godsdienst of levensovertuiging geëerbiedigd. 3 In de verordening wordt rekening gehouden met de inzet die redelijkerwijs kan worden verlangd van ouders en wordt voorzien in een manier van vervoer die passend is voor de leerling. In de verordening wordt bepaald op welke wijze het college van burgemeester en wethouders advies laat uitbrengen door deskundigen over de manier van vervoer die voor de leerling passend is.
4 In de verordening wordt bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de kosten vergoedt van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders instemmen met het vervoer naar die school. In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in plaats van een vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of laat verzorgen. 5 In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders kan afwijken van de verordening.
2
In de loop van 2024 zal hieraan “psychische” worden toegevoegd (Staatsblad 2024, 109)
28
Bijlage 3 Verordening leerlingenvervoer Hilversum 2015 beschouwd Artikel 1. Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: college: het college van burgemeester en wethouders van Hilversum; aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi;
afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra; commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel 40b van de Wet op de expertisecentra;
Touringcar ontbreekt hierbij, deze kan als mogelijkheid worden opgenomen om een grotere groep leerlingen, zonder zware problematiek, te kunnen vervoeren. Denk hierbij aan leerlingen van een school op een specifieke levensovertuiging of groepen leerlingen van een taalklas van een basisschool.
Kan vervallen
Kan vervallen
Deskundige ontbreekt bij de begripsbepalingen, Concept: deskundige: onafhankelijk medisch, gedragsdeskundig of pedagogisch deskundige; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; Gehandicapte leerling ontbreekt. Concept: gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: leerling van een school als bedoeld in dit artikel; ondersteuningsplan: 1°. voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 18a,
Toevoegen ingeschreven? Hierdoor vallen wenplekken etc. buiten het LLV Kan evt. vervallen
29
zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of 2°. voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs; openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto;
Wvo is vervangen door Wvo 2020 Kan vervallen
Nieuwe omschrijving: openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer;
opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; ouders: ouders, voogden of verzorgers van de leerling;
regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs;
Aan de omschrijving van ouders kan ook worden toegevoegd “de meerderjarige handelingsbekwame leerling” daarmee hoeft die zinsnede niet te worden herhaald. Voorstel: ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling of de meerderjarige handelingsbekwame leerling ; Kan vervallen
reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of 2°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel
30
17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; -school: 1°.basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 3°. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding;
Verwijzing naar Wvo is verouderd, wet heet tegenwoordig Wvo 2020
toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.
31
Artikel 2. De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening 1.Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente Hilversum verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.
Is het in Hilversum gebruikelijk om i.p.v. gemeente “gemeente Hilversum” voluit te schrijven?
2.Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 3.De bepalingen in deze verordening laten de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen onverlet. 4.Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.
32
Artikel 3. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2.Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen. 3.Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.
Artikel 4. Toekenning vervoersvoorziening Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
33
Artikel 5. Aanvraagprocedure 1.Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2.Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3.Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. 4.Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 5.Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.
Toevoegen “papieren of digitaal formulier”
Dit staat al in de Awb
De bepaling in de Awb geeft meer ruimte, nu is de maximale termijn 12 weken en bij wachten op extern advies is dat soms krap
Bij b. kan eventueel ook een vast moment per maand/zes weken worden genoemd om de hoeveelheid wijzigingsmomenten te beperken.
Artikel 6. Doorgeven van wijzigingen 1.De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college. 2.Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3.Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een
34
vervoersvoorziening toe. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders. 4.Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. Het is mogelijk om andere sancties aan niet betalen te verbinden bijv. het niet meer vervoeren. Artikel 7. Peildatum leeftijd leerling Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van artikel 11 is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft bepalend.
De peildatum kan ook in het artikel zelf worden opgenomen (nu art. 11)
Artikel 8. Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.
35
§ 2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs Artikel 9. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder Het opdelen van de verordening in paragrafen school: voor primair en voortgezet onderwijs maakt dat a. een basisschool of speciale school voor de verordening lastig te lezen is. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het Dit kan anders worden opgezet waarbij kan primair onderwijs; of worden gekozen voor een indeling waarbij b. een school voor speciaal onderwijs of een alleen afwijkende regels worden aangegeven of school voor speciaal en voortgezet speciaal een indeling volgens de betreffende onderwijs als bedoeld in de Wet op de wetten/onderwijssoorten expertisecentra 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op leerlingen van scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die voortgezet onderwijs volgen. 3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of b.
een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a. 4. Het college betrekt bij de beoordeling van de Op grond van de Awb is dit al verplicht. aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.
36
Artikel 10. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1.Het college verstrekt aan de ouders van de Het is mogelijk om per onderwijssoort leerling die een school zoals bedoeld onder onderscheid te maken in een kilometergrens artikel 9 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km bedraagt. 2.Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. Artikel 11. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider indien: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals De leeftijd van negen jaar kan per bedoeld in artikel 10 en de leerling jonger dan onderwijssoort variëren. negen jaar is, en door de ouders ten behoeve De peildatum kan hier worden opgenomen, dat van het college genoegzaam wordt aangetoond is duidelijker.
dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of b. de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2.Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.
.
37
Artikel 12. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt, indien: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 10 of 11 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 10 of 11 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken.
De grens van anderhalf uur kan per schoolsoort variëren.
In de bepaling ontbreekt ‘psychische’ wat in de wet in 2015 is opgenomen.
2.Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.
38
Artikel 13. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; of b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid.
4.Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. 5.Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.
De reisregeling binnenland is vervallen en daardoor niet meer bruikbaar.
De reisregeling binnenland is vervallen en daardoor niet meer bruikbaar.
De reisregeling binnenland is vervallen en daardoor niet meer bruikbaar.
De reisregeling binnenland is vervallen en daardoor niet meer bruikbaar.
39
Artikel 14. Drempelbedrag 1.Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 24.300,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 10 bepaalde afstand te boven gaan. 2.In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 10 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 24.300,-. 3.De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OVchipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 10 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
4.Het bedrag van € 24.300,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van €24.300,-. 5.Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Bedragen in dit artikel moeten worden aangepast naar de meest recente bedragen. Keuze is mogelijk om de kosten voor Sbo niet in rekening te brengen.
Door deze wettelijke bepaling vallen veel leerlingen van het Sbo buiten de eigen bijdrage. Psychisch ontbreekt.
40
Artikel 15. Financiële draagkracht 1. Indien de afstand van de woning naar de Bedragen in dit artikel dienen te worden dichtstbijzijnde toegankelijke school voor aangepast. basisonderwijs (zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0 - 32.500 Nihil 32.501 - 39.500 135 39.501 - 45.500 570 45.501 - 51.500 1.060 51.501 - 58.500 1.545 58.501 - 65.000 2.040 65.001 en verder Voor elke extra € 5.000: € 500 erbij 4.
De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. 5. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,.
41
Artikel 15. Financiële draagkracht 6. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Psychisch ontbreekt
42
§ 3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs
Artikel 16. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs 1.In deze paragraaf wordt verstaan onder school: a. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; of b. een school voor speciaal en voortgezet Onleesbare bepaling speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. 2. Het college betrekt bij de beoordeling van de Herhaling van artikel 9, lid 4, kan hier vervallen aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.
Artikel 17. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets 1.Het college verstrekt aan de ouders van de In de naam van dit artikel ontbreekt bij fiets leerling die een school zoals bedoeld onder “met begeleiding” artikel 16 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan Psychisch ontbreekt maken. 2.Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. 3.In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel 18. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de
43
ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 16 bezoekt, indien: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. 2.Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste vervoer.
Anderhalf uur enkele reis naar school kan worden aangpast
Psychisch ontbreekt
Artikel 19. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak
Dit artikel is ingewikkeld beschreven en kan worden vereenvoudigd waarbij het uitgangspunt is de goedkoopste vergoeding die van toepassing kan zijn.
Reisregeling is vervallen.
44
zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 3. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 4. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. 5. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.
Reisregeling is vervallen.
Reisregeling is vervallen.
Reisregeling is vervallen
45
§ 4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer
Artikel 20. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders Met inachtneming van artikel 3 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze paragraaf.
Artikel 21. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt 3. Paragraaf 2 en 3 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a.
46
§ 5 Slotbepalingen
Artikel 22. Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 23. Afwijken van bepalingen Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Artikel 24. Intrekking oude regeling De Verordening leerlingenvervoer Hilversum 2004 wordt ingetrokken.
Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 april 2015. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer Hilversum 2015
47
Bijlage 4 Beoordeling Beleidsregels Leerlingenvervoer Hilversum, aangepaste versie januari 2023 Beleidsregel 1: Maatwerkprincipe De gemeente betrekt bij de beoordeling van aanvragen voor een vervoersvoorziening : • de individuele situatie van de leerling; • de situatie van het gezin. De gemeente gaat bij het bepalen van de vorm van de vervoersvoorziening niet uit van de beperkingen, maar van de mogelijkheden van de leerling en de ouder(s) en het netwerk. Leerlingenvervoer draagt op deze manier mogelijk bij aan de groei naar zelfstandigheid in mobiliteit van leerlingen. Toelichting: Bij het bepalen van de aanspraak op -en de aard van- een vervoersvoorziening, hanteert de gemeente het maatwerkprincipe. Maatwerk houdt in dat de vervoersvoorziening in overeenstemming is met de omstandigheden en mogelijkheden van de leerling en zijn/haar ouder(s). Het uitgangspunt daarbij is dat de leerling zo zelfstandig mogelijk naar school reist en zich daarin ontwikkelt. De ontwikkeling van een kind staat doorgaans niet stil. Daarom stemmen we het leerlingenvervoer zoveel mogelijk af in de vorm van maatwerk. Beoordeling Volgens de verordening moet iedere aanvraag op individueel niveau worden bepaald, wat voegt deze bepaling er op aan? Verder is maatwerk in deze bepaling vaag geformuleerd.
Advies Deze bepaling verwijderen uit beleidsregels en vervangen door heldere uitgangspunten over wat van ouders en leerlingen wordt verwacht.
48
Beleidsregel 2: Passend vervoer en begeleiding (art. 11, 12, 13, 17, 18 en 19) Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de leerling naar school. Pas als de leerling niet zelfstandig kan reizen en als begeleiding niet mogelijk is of tot ernstige benadeling van het gezin leidt, kan er aanleiding zijn voor taxivervoer. Toelichting: Voor het leerlingenvervoer geldt op grond van de verordening de volgende volgorde: • Primair de leerling zelf per (brom)fiets, al dan niet onder begeleiding; • Openbaar vervoer (OV), al dan niet onder begeleiding, als de leerling niet met de (brom)fiets kan reizen; • Eigen (auto)vervoer van de ouders; • Aangepast (taxi)vervoer, als de voorgaande opties niet mogelijk zijn. In de Wet op het Passend Onderwijs is vastgelegd, dat gemeenten bij het vaststellen van de Verordening Leerlingenvervoer rekening houden met de ‘redelijkerwijs te vergen inzet’ van ouders of verzorgers. Als de leerling niet zelfstandig kan reizen, betekent dit dat de ouders primair zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer. In de verordening is aangegeven wanneer begeleiding van de leerling bij het zelfstandig reizen niet kan worden gevraagd en taxivervoer kan worden toegekend. Dat is onder meer aan de orde, als begeleiding leidt tot ernstige benadeling van het gezin en een andere oplossing niet mogelijk is.
Van ‘ernstige benadeling’ kan bijvoorbeeld sprake zijn in verband met: • De duur van de reistijd voor de ouder. Als bovengrens wordt een reistijd van drie uur per dag van het woonadres naar school aangehouden. Is de reistijd langer en kan de leerling niet zelfstandig reizen, dan is in ieder geval aangepast vervoer aan de orde. Het is echter denkbaar dat een kortere reistijd ook onaanvaardbare consequenties heeft, bijv. in combinatie met: o De specifieke handicap van de leerling en/of de ouder(s): deze kan zodanig zijn, dat alleen aangepast vervoer aangewezen is; o De werksituatie van de ouder: werk is in het algemeen geen reden om tot aangepast vervoer te besluiten, maar in bijzondere omstandigheden kan dit soms toch het geval zijn. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een alleenstaande ouder, die werk met geen mogelijkheid kan combineren met het zelf vervoeren van het kind naar school; o De gezinssituatie: als de gezinssituatie met zich meebrengt dat de ouder de leerling niet kan begeleiden terwijl dat wel noodzakelijk is. Dat kan bijv. aan de orde zijn in verband met de gezinsgrootte of noodzakelijke begeleiding van andere kinderen. Het is aan de ouder(s) om aan te tonen dat sprake is van een situatie die tot ‘ernstige benadeling’ leidt.
Als de leerling in een instelling verblijft, dan is de instelling verantwoordelijk voor het vervoer, indien van de ouders of verzorgers redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij voor het vervoer zorg dragen. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de ouders op grote afstand van de instelling wonen. [1] Onder vervoersvoorziening wordt zowel het aangepaste taxivervoer verstaan, als bekostiging van het eigen vervoer door de leerlingen en/of de ouder(s), zie artikel 1 Verordening Leerlingenvervoer gemeente. [2] Waar ‘ouder’ wordt genoemd, wordt tevens ‘verzorger’ bedoeld. Beoordeling In deze beleidsregel worden twee onderdelen gecombineerd die beter gescheiden kunnen worden. Ten eerste de verantwoordelijkheid van ouders en ten tweede wanneer er sprake is van een ernstige benadeling van het gezin. Wanneer er sprake is van ernstige benadeling is onhelder beschreven, de grens tussen wat wel en niet van ouders wordt verwacht kan op meerdere wijzen worden uitgelegd. Waar de verordening spreekt van een reistijd van 90 minuten enkele reis voor begeleiding (6 uur op een dag) spreekt de beleidsregel van 3 uur maximaal per dag, onduidelijk is waarom hier van de
49
verordening is afgeweken. Daarnaast had hier ook per onderwijssoort een verschil kunnen worden gemaakt. Door de onduidelijkheid in deze beleidsregel wordt er meer aangepast vervoer toegekend dan volgens de verordening zou behoren te worden toegekend. Advies Splits deze beleidsregels en stel heldere kaders op van wat wel en niet van ouders mag worden verwacht.
50
Beleidsregel 3: Eigen vervoer (art. 13 en 19) Eigen vervoer door de ouder van de leerling wordt slechts vergoed, als dit voor de gemeente goedkoper is dan de vervoersvoorziening waarop de ouder op grond van de Verordening een beroep op kan doen, of als die vorm van leerlingenvervoer, gelet op de handicap van de leerling, redelijkerwijs niet toegankelijk of geschikt is. Toelichting: Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouder(s) op aanvraag toestaan de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren. De gemeente vergoedt in dat geval de vervoerskosten. Onder voorwaarde dat dit goedkoper is dan het verstrekken van vervoer op grond van de Verordening (OV of aangepast vervoer), dan wel, dat andere vervoersvoorzieningen niet toegankelijk of geschikt zijn. Voor leerlingenvervoer is uitgangspunt dat de goedkoopst adequate vervoersvoorziening wordt bekostigd. Is dat reizen via OV, dan worden de kosten OV vergoed. Is dat reizen met de eigen auto of met de fiets, dan wordt daarvoor gekozen. De kosten van OV worden berekend met gebruikmaking van https://9292.nl/. Beoordeling Deze beleidsregel zou overbodig zijn als in de verordening het artikel over recht op de vergoeding voor eigen vervoer helderder zou zijn verwoord.
Is bij het opstellen van deze bepaling nagedacht of het royaler toekennen van een vergoeding voor eigen vervoer het effect kan hebben dat er minder aangepast vervoer moet worden toegekend? Advies In het opstellen van de verordening de bepaling duidelijker formuleren en besluiten of het toekennen van eigen vervoer d.m.v. royaler toekennen van de vergoeding wort gestimuleerd.
51
Beleidsregel 4: Berekening van de afstand tot de school per fiets (art. 1, 3, 10, 13 en 19) Bij het beoordelen van het recht op een vervoersvoorziening wordt de afstand van de woning tot de school gemeten met gebruikmaking van de routeplanner www.anwb.nl, optie kortste route per fiets (gemiddelde lengte retourtraject). Toelichting: Voor een leerling in het primair onderwijs die zelfstandig kan reizen, geldt dat eerst recht op een vervoersvoorziening bestaat, als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan 6 km bedraagt. Voor de berekening van de afstand, wordt bij de toetsing van de aan- vraag de kortste afstand gemeten via www.anwb.nl, optie afstand per fiets. Als de heen route onder de km-grens blijft en de terug route erboven (of vice versa ), dan is de gemiddelde afstand bepalend voor het recht op een vervoersvoorziening. De vergoeding is een bedrag per kilometer. Deze vergoeding wordt gezien als een stimulering om leerlingen zoveel mogelijk zelfstandig en per fiets te laten reizen. De afstandsregel van 6km geld niet als een leerling structureel gehandicapt is. In dit geval heeft een leerling recht op leerlingenvervoer - ongeacht de afstand – en is de 6km grens niet van toepassing. Beleidsregel 5: Berekening van de afstand tot de school per auto (art.
1, 3, 10, 13 en 19) Bij het beoordelen van de te bekostigen afstand in geval van vervoer per (eigen) auto, wordt de afstand van de woning tot de school gemeten met gebruikmaking van de routeplanner www.anwb.nl, optie kortste afstand per auto (gemiddelde lengte retourtraject). Toelichting: De gemeente kan ouder(s) toestemming verlenen om hun kind zelf met de auto te vervoeren. Uitgangspunt is dat dit alleen het geval is, als eigen vervoer goedkoper is. Voor het bepalen van de afstand maakt het college gebruik van de routeplanner van www.anwb.nl, optie kortste route, waarna het gemiddelde van zowel de heen- als terugreis wordt vastgesteld. Als de heenroute onder de km- grens blijft en de terugroute erboven (of v.v.), dan is de gemiddelde afstand bepalend voor het recht op een vervoersvoorziening. Beoordeling Voor mij is niet duidelijk wanneer de ene of de andere routeplanner wordt gebruikt. Vanaf welke afstand is de fiets niet meer de wijze van meten? Bij auto is niet opgenomen in hoeverre de reistijd meespeelt voor de bepaling of er recht bestaat op aangepast vervoer o.g.v. de 50% regeling. Advies Stel een grens tot welke afstand met fiets wordt gerekend en vanaf welke grens met auto. Neem een bepaling op over de 50% regeling.
52
Beleidsregel 6: Vaststellen van de handicap van kind en/of ouder (art. 11, 17 en 18) Voor het vaststellen van de situatie van de leerling en diens eventuele handicap, in relatie tot de vervoersbehoefte en de inzet van een vervoersvoorziening, wordt uitgegaan van het volgende: Voor leerlingen met een structurele lichamelijke, verstandelijke en/of psychische handicap geeft het samenwerkingsverband (Unita voor PO en Qinas voor VO) een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) af voor het cluster 3 of 4 onderwijs. Deze vormen van speciaal onderwijs zijn voor kinderen die in de meeste gevallen aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening zoals benoemd in de wetsartikelen in de toelichting hieronder. Ouders die in aanmerking willen komen voor een vervoersvoorziening over- leggen een TLV en het volledig ingevulde aanvraagformulier. In het aanvraagformulier worden gegevens gevraagd zoals beschreven in de inleiding op pagina 1 Op basis hiervan –aangevuld met een gesprek tussen ouders en gemeente- bepaalt de gemeente of de beschikking voor de vervoersvoorziening toegekend kan worden. Tijdens zo’n gesprek komt bijvoorbeeld aan de orde: de specifieke werk-, thuis-, en/of gezinssituatie.
Toelichting: Op grond van de artikelen 4 van: • de Wet op het primair onderwijs, • de Wet op de expertisecentra en • de Wet voortgezet onderwijs 2020 kunnen ouders van een leerling die door ‘een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap’ geen gebruik kan maken van OV of eigen vervoer, aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Onder structurele handicap wordt verstaan een handicap, die (naar verwachting) minimaal 3 maanden duurt. Voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een structurele handicap, wordt in beginsel afgegaan op het oordeel van het samenwerkingsverband, vastgelegd in: • de toelaatbaarheidsverklaring (TLV), die wordt afgegeven door het samenwerkingsverband voor een leerling die wordt doorverwezen naar het (voortgezet) speciaal onderwijs. Voor plaatsing op een school voor Speciaal (Basis) Onderwijs is volgens de wet een Toelaatbaarheidsverklaring (TLV) van het samenwerkingsverband vereist. Deze moet aangevraagd worden door of namens het bestuur van de verwijzende school. Zie voor meer informatie over de TLV: https://www.swvunita.nl/ouders/toelaatbaarheidsverklaring-tlv/ • Bij de overgang van primair- naar voortgezet onderwijs wordt gekeken of er nog sprake is van een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap (art. 8.28) en zal er een onderzoek worden gedaan om te bepalen of leerlingenvervoer wordt verlengd.
• Bij twijfel neemt de gemeente contact op met het samenwerkingsverband voor advies. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de ouders kiezen voor een school die niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is en wanneer die keuze niet gebaseerd is op onderwijs van een bepaalde richting. Het is ook denkbaar dat de ouder(s) vanwege een medische handicap niet in staat zijn om de leerling te begeleiden. Doet de ouder(s) daarop een beroep, dan wordt in uitzonderlijke gevallen een extern medisch advies ingewonnen. Dit advies beperkt zich tot informatie over of de voorziening wel of niet wordt toegekend. Beoordeling Het vragen van een TLV is niet nodig voor het leerlingenvervoer, voor het bepalen van het recht op vervoer is alleen het ingeschreven staan op de school van belang, niet de wijze waarop de school wordt bekostigd. Het SWV heeft naast de gegevens uit de TLV aanvraag geen grondslag om gegevens te verwerken over individuele leerlingen en kunnen daardoor ook geen informatie verstrekken. Advies
53
Ouders zijn verantwoordelijk om aan te tonen dat er sprake is van een handicap en dienen verklaringen aan te leveren, maak dit duidelijk in de beleidsregel. De huidige beleidsregel geeft onduidelijke kaders om tot een beoordeling van de noodzaak van vervoer te komen Beleidsregel 7: Hoogbegaafde leerlingen (art. 23) Kiezen de ouder(s) in verband met hoogbegaafdheid van de leerling voor een andere dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school, dan kan uitsluitend een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar die andere school, als de hoogbegaafde leerling, om redenen zoals in de toelichting hieronder beschreven, is aangewezen op die andere school. Toelichting: Uitgangspunt voor leerlingenvervoer is dat de gemeente zorgdraagt voor het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Hoogbegaafde leerlingen kunnen in de regel terecht bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school binnen een samenwerkingsverband. Incidenteel zal dat anders kunnen liggen, bijvoorbeeld als er naast de hoogbegaafdheid ook sprake is van een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap. Of als de leerprestaties en het welbevinden van de hoogbegaafde leerling aantoonbaar baat hebben bij full time hoogbegaafde onderwijs. In deze gevallen neemt de gemeente contact op met het samenwerkingsverband voor advies.
Beoordeling Een dergelijke beleidsregel kan ook op andere groepen dan hoogbegaafde leerlingen van toepassing zijn, meestal is een dergelijke regel voor leerlingen met een specifieke leerbehoefte. Onduidelijk is wat wordt verstaand onder het aantoonbaar baat hebben, omdat hiermee onduidelijk is welk kader hiermee wordt gebruikt. Advies Vervang deze regel door een regel die voor alle leerlingen met een specifieke leerbehoefte van toepassing is en maak het kader duidelijk voor de beoordeling van de aanvragen.
54
Beleidsregel 8: Afwijkende bestemmingen (art. 1, 20 en 21) Een vervoersvoorziening is bestemd voor het vervoer tussen huis en school. Bekostiging of vervoer naar een ander adres kan niet plaatsvinden, tenzij sprake is van: • co-ouderschap; • stage; • vervoer naar een tussenvoorziening van het samenwerkingsverband; • vervoer van school naar de BSO-I; • andere zwaarwegende omstandigheden. Voorwaarde is, dat er een vaste structuur in het vervoer zit. Toelichting: Leerlingenvervoer is slechts bestemd voor het vervoer van en naar school. Vervoer naar een andere locatie valt buiten de zorgplicht van de gemeente. In de verordening zijn op dat uitgangspunt enkele uitzonderingen geformuleerd voor weekend- en vakantievervoer bij verblijf in een internaat of bij een pleeggezin (artikelen 20 en 21 Verordening leerlingenvervoer). Het komt geregeld voor dat ouder(s) een vervoersvoorziening naar een andere bestemming voor de leerling wensen. Denk aan buitenschoolse of informele opvang, bezoek aan een andere ouder of een behandelinstituut. Daar kan in beginsel geen vervoersvoorziening voor worden toegekend. Soms is dit echter toch mogelijk. Allereerst doet zich dat voor als sprake is van co-ouderschap. Daarvan is sprake, als de leerling in een vaste structuur afwisselend bij één van beide ouders verblijft.
Een vervoersvoorziening kan dan worden toegekend voor het vervoer naar de adressen van beide ouders, mits uiteraard aan het afstandscriterium wordt voldaan. Beide ouders moeten afzonderlijk een aanvraag indienen bij de eigen woongemeente. Daarnaast kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van huis naar een stageplek. De stage moet dan onderdeel uitmaken van het regulier schoolprogramma en in de schoolgids zijn vastgelegd. Wel is aandachtspunt dat ook voor vervoer naar een stageadres het afstandscriterium geldt. Ten slotte kan er incidenteel sprake zijn van zwaarwegende omstandigheden, die met zich meebrengen, dat toch een vervoersvoorziening naar een ander adres kan worden toegekend. Gedacht kan worden aan een crisissituatie waardoor tijdelijke opvang elders noodzakelijk is, of een dringende behandeling in een medische instelling. Uitgangspunt is daarbij wel, dat als voor dezelfde rit gebruik gemaakt kan worden van ander vervoer, het primaat bij dat vervoer ligt en leerlingenvervoer eventueel aanvullend daarop wordt ingezet. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als een leerling gebruik kan maken van vervoer op grond van de Zorgverzekeringswet of de wet langdurige zorg. Zie ook beleidsregel 9.
Vervoer van en naar een tussenvoorziening van een samenwerkingsverband: Gelet op het feit dat het kind blijft ingeschreven op een stamschool en er nog sprake is van onderwijs, vinden wij het van belang dat kinderen kunnen deelnemen aan de tussenvoorziening als dit nodig is. Daarom voorzien wij in het leerlingenvervoer, mits dit voldoet aan de overige voorwaarden van de verordening en de beleidsregels. Vervoer van en naar de BSO-I: In het geval van inzet van de BSO-I (preventieve jeugdvoorziening van de Gemeente Hilversum), waaruit blijkt dat het kind gebaad is bij de structuur van de BSO-I en hierdoor geen gebruik maakt van de meest nabije BSO bij de school, wordt overwogen of leerlingenvervoer kan worden ingezet voor het vervoer van de school naar de BSO-I. Er wordt voorzien in leerlingenvervoer, mits dit voldoet aan de overige voorwaarden van de verordening en de beleidsregels. Beoordeling Door het bij elkaar vegen van verschillende situaties is het niet duidelijk wat in welke situatie van toepassing is. Verder wordt hier zwaarwegende omstandigheden genoemd zonder duidelijke kaders. Advies Haal de verschillende situaties uit elkaar en stel per situatie een kader op. 55
56
Beleidsregel 9: Tijdelijk verblijf buiten gemeente (art. 1 en 3) Indien de leerling tijdelijk (langer dan 8 weken) in een andere gemeente verblijft dan de gemeente van inschrijving in de Basisregistratie personen, dan is de eerste acht weken na uithuisplaatsing de gemeente van inschrijving verantwoordelijk voor het leerlingenvervoer. Toelichting: Het komt met een zekere regelmaat voor, dat een leerling bijv. vanwege uithuisplaatsing tijdelijk in een andere gemeente verblijft dan de gemeente waar hij/zij staat ingeschreven. Bij uithuisplaatsing kan doorgaans lastig ingeschat worden hoe lang dat zal duren. Uit oogpunt van uitvoerbaarheid is afgesproken dat de eerste 8 weken na uithuisplaatsing de ‘oude’ gemeente nog verantwoordelijk is voor het leerlingenvervoer. Beoordeling Dit is een vertaling van de landelijk afgesproken regeling bij crisis zonder dat te benoemen, daarnaast is landelijk de termijn van zes weken terwijl hier acht weken is opgenomen. Advies In de nieuwe verordening zal dit in de verordening worden opgenomen.
57
Beleidsregel 10: Afwijkende schooltijden (art. 1 en 3) Als de leerling door een handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, waardoor afwijkende schooltijden gelden, kan daar in uitzonderlijke gevallen bij het aangepast (taxi)vervoer rekening mee worden gehouden. Toelichting: Voor aangepast (taxi)vervoer wordt aangesloten bij de schooltijden, zoals deze zijn vermeld in de schoolgids. Soms wordt een verzoek ingediend voor aangepast vervoer op andere tijden. Het is denkbaar dat het door een handicap voor de leerling te belastend is om het volledige onderwijsprogramma te volgen. Bij het aangepast (taxi)vervoer kan daarmee rekening worden gehouden. Wel streeft het college ernaar, om in overleg met de school het vervoer in de ochtend of de middag gelijktijdig met het reguliere leerlingenvervoer te laten plaatsvinden. Beoordeling Geen opmerkingen Advies Deze bepaling kan worden behouden
58
Beleidsregel 11: Duur van de vervoersvoorziening (art. 4 en 5) Een vervoersvoorziening wordt toegekend voor de periode dat de leerling naar verwachting naar een bepaalde school zal gaan, als er naar het oordeel van het college geen wijziging van relevante feiten en omstandigheden te verwachten is, die tot een aanpassing van de toegekende vervoersvoorziening zal leiden. Jaarlijks vindt een heronderzoek plaats naar het recht op en de vorm van de vervoersvoorziening. Dit gebeurt aan de hand van een wijzigingsformulier. In andere gevallen wordt de vervoersvoorziening beperkt tot een kortere periode en moet voor de volgende periode opnieuw een aanvraag worden gedaan. Is er sprake van leerlingen met ontwikkelingsperspectief als bedoeld in beleidsregel 1, dan wordt de vervoersvoorziening toegekend voor de duur van één of twee jaar, al naar gelang van dat perspectief. Toelichting: Als een vervoersvoorziening wordt toegekend, en het betreft een stabiele situatie, dan is het uitgangspunt, dat dit voor de verwachte schoolduur zal zijn. Het gaat dan om gevallen waarbij geen wijziging van de vervoersvoorziening te verwachten is. Het is in dat geval in beginsel niet nodig om ieder jaar opnieuw een aanvraag in te dienen. Uit een oogpunt van lastenverlichting en doelmatigheid wordt voor deze werkwijze gekozen. Van het genoemde uitgangspunt kan worden afgeweken.
Dat kan op individuele gronden zijn, maar ook categoriaal. Bij een verhuizing die bij de aanvraag reeds was voorzien zal de vervoersvoorziening bijvoorbeeld doorgaans beperkt worden tot de periode tot aan de verhuizing. Ook als een plaatsing op een andere school is voorzien, dan is het doelmatig om de vervoersvoorziening in tijd te beperken tot de geplande ‘transfer’. Daarnaast kan voor bepaalde doelgroepen worden besloten de toekenning in tijd te beperken. Gedacht moet dan bijvoorbeeld worden aan leerlingen van een bepaalde school, die opgeheven of verplaatst gaat worden of bij leerlingen met bepaalde aandoeningen en een onduidelijk ontwikkelperspectief, of een ontwikkelingsperspectief dat ertoe kan leiden dat binnen afzienbare tijd een wijziging van de vervoersvoorziening aan de orde zal zijn. Afhankelijk van de aard en inhoud van het perspectief zal de vervoersvoorziening dan toegekend kunnen worden voor de duur van één of twee jaar. Beoordeling Het werken met meerjarige beschikking is een goede zaak voor die situatie waarin dat kan. Het aansluiten bij de TLV is daarvoor niet passend omdat een TLV over andere zaken gaat en niets zegt of een leerling op een andere wijze kan reizen. Advies De regeling aanpassen en daarbij de TLV er uit verwijderen
59
Beleidsregel 12: Herziening en terugvordering van bekostiging (art. 6) Is er ten onrechte en/of teveel bekostiging aan de ouders verstrekt, doordat sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht (artikel 6 lid 1 Verordening), door een administratieve vergissing, of anderszins, dan wordt de bekostiging herberekend en herzien en het daarmee gemoeide bedrag in beginsel teruggevorderd. Van terugvordering kan worden afgezien als er sprake is van dringende redenen en terugvordering onaanvaardbare consequenties heeft voor de ouder(s) en/of de leerling. Toelichting: is er ten onrechte of teveel verstrekt aan de ouder(s), dan is het uitgangspunt dat dit terug- betaald moet worden. Soms kan van terugvordering worden afgezien. Dat kan incidenteel aan de orde zijn bij dringende redenen, bijv. bij een zware psychosociale problematiek van de betreffende ouder(s), in combinatie met een forse schuldenlast, terwijl de terugvordering een ingezet hulpverleningstraject aanmerkelijk zou belemmeren. Met nadruk wordt hier gesteld, dat terugvordering regel is, en afzien van terugvordering een uitzondering op die regel. Het ligt daarom op de weg van de belanghebbende om het bestaan van dringende redenen overtuigend aan te tonen. In sommige situaties kan de teveel verstrekte bekostiging worden verrekend met toekomstige verstrekkingen.
Hiermee moet echter terughoudend worden omgegaan, omdat voorkomen moet worden dat verrekening ertoe leidt dat schoolverzuim optreedt. Beoordeling De regeling over terugvordering s helder, eventueel kan hieraan worden toegevoegd een regeling over terugvordering bij loos meldingen. Advies Een keuze maken of er wel of niet bij loosmeldingen kan worden teruggevorderd.
60
Beleidsregel 13: Onaanvaardbaar gedrag leerlingen (art. 2 en 3) Als een leerling tijdens gebruik van aangepast (taxi)vervoer onaanvaardbaar gedrag vertoont, stelt het college de ouder(s) hiervan schriftelijk in kennis. Als het gedrag verwijtbaar onaanvaardbaar is, zet het college de volgende stappen: • In gesprek gaan met ouder over het gedrag van de leerling. Afhankelijk van de uitkomst al dan niet overgaan tot afgeven: • Waarschuwing (bij de kennisgeving) dat de leerling bij voortzetting van het gedrag de toegang tot het vervoer wordt ontzegd Als er vervolgens geen verbetering optreedt, achtereenvolgens: • Schorsing voor een dag. Geen verbetering, dan • Schorsing voor een week. Geen verbetering, dan • Schorsing voor drie maanden. Geen verbetering, dan • Beëindiging vervoersvoorziening Toelichting: het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxibus, mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc.