3. Analyse van Mr. Drs. P. B. Ph. M. Bogaers m.b.t. uitspraak 1 februari 2023 ABRvS en B.o.b. van 6 februari 2023 GS Noord-Holland een terugblik 17 april 2023
Tekst van het document
- een werkorganisatie waarin de drie gemeenten samenwerken - voorafgaand aan de vaststelling van de plannen onderbouwingen hebben opgesteld over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ontwikkeling van de Buurtschap Crailo en voorts gezamenlijk onder meer een participatietraject zijn gestart om het maatschappelijk draagvlak te vergroten. Daartoe overweegt de Afdeling dat bij een samenwerking tussen bestuursorgaan, een werkorganisatie als GEM Crailo B.V. en (externe) adviseurs, die eenzelfde ontwikkeling voorstaan, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat ieder van hen zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt. Aanknopingspunt voor het oordeel dat deze verantwoordelijkheid in dit geval is miskend, ziet de Afdeling niet. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de stukken en het verhandelde op de zitting, geen expliciete concrete gegevens naar voren zijn gebracht om de gestelde partijdigheid of vooringenomenheid van de bestuursorganen te onderbouwen. Ook is de Afdeling van oordeel dat de enkele omstandigheid dat GEM Crailo B.V. en adviseurs van de gemeenten een financieel belang hebben, niet betekent dat de raden die met hen samenwerkten vooringenomen waren. Bij de vaststelling van plannen mogen, naast ruimtelijke belangen, ook politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen.
Het is dus niet zo dat financiële overwegingen in het geheel niet in de afweging mochten worden betrokken. Niet aannemelijk is gemaakt dat financiële belangen van gemeenten doorslaggevend zijn geweest in de afweging van de raden of de plannen in zoverre anderszins niet strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. 19.2. Uit artikel 3:9 van de Awb volgt dat de raden bij de vaststelling van de bestemmingsplannen gehouden zijn de relevante feiten vast te stellen en de nodige kennis te vergaren over de af te wegen belangen. Indien zij daarbij gebruik maken van onderzoeksrapporten, dienen zij zich ervan te vergewissen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsvonden en het rapport naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de raden voldaan aan deze uit artikel 3:9 van de Awb voortvloeiende vergewisplicht. De raden hebben kennis genomen van de onderliggende rapporten en gegevens. Niet is onderbouwd dat de rapporten niet inzichtelijk en concludent zijn. 19.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat SNLG heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raden de ruimtelijke onderbouwing en de rapporten van de geraadpleegde onderzoeksbureaus niet aan het besluit tot vaststelling van de plannen ten grondslag hebben mogen leggen.
Hetgeen SNLG naar voren heeft gebracht, geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raden hun bevoegdheid om te besluiten over de vaststelling van de bestemmingsplannen vooringenomen hebben uitgevoerd. Ook voor het overige bestaan daarvoor geen aanwijzingen. Evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de conclusie moet worden getrokken dat Gem Crailo B.V. de gemeenteraden heeft belemmerd bij het nemen van onafhankelijke besluiten over de voorliggende plannen. Het betoog slaagt niet.”
Commentaar P. Bogaers 1) De ABRvS komt tot het oordeel ,,dat de enkele omstandigheid dat de raden zich bij de vaststelling van de
bestemmingsplannen hebben laten adviseren door adviseurs van GEM Crailo B.V., waaronder Arcadis Nederland B.V. en TAUW, op zichzelf onvoldoende is voor twijfel aan de onpartijdigheid en voor het veronderstellen van vooringenomenheid van de raden.” Verder oordeelt de ABRvS: ,,dat bij een samenwerking tussen bestuursorgaan, een werkorganisatie als GEM Crailo B.V. en (externe) adviseurs, die eenzelfde ontwikkeling voorstaan, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat ieder van hen zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt. Aanknopingspunt voor het oordeel dat deze verantwoordelijkheid in dit geval is miskend, ziet de Afdeling niet.”
Echter: zonder daarbij stil te staan opent de uitspraak op pagina 2 onder het kopje “Procesverloop”:
,, De Afdeling heeft de zaken gevoegd op een zitting behandeld op 23 september 2022, waar [appellant sub 1=NN], SNLG,
vertegenwoordigd door mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, rechtsbijstandverlener te Bussum, en de raden, vertegenwoordigd door
58
M.P. Tijm Msc, drs. S. Wiedermeijer, K.J. Loman-Van den Hurk en T.J. van Leeuwen, bijgestaan door mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts is op de zitting GEM Crailo B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. C.F.J. Cornelisse en J.B .Nieuwenhuizen[gemachtigden], als partij gehoord.”
Maar, de gemeenteraden werden nièt vertegenwoordigd door raadsleden, maar op de eerste plaats door dhr. M. P. Tijm Msc. Maurice Tijm is geen ambtenaar, maar de Projectleider van TAUW van onderzoek in het project bestemmingsplan Buurtschap Crailo. Zie onder meer het rapport van TAUW onder nummer R001-1268868JNAV03-sal-NL van 9 juli 2020 met als Opdrachtgever GEM Crailo B.V. Het rapport , 32 pagina´s betreft “Nader onderzoek soortbescherming Crailo Onderzoeken voor deelgebieden midden en zuid in het kader van de soortbescherming van de Wet natuurbescherming”.
Verder werden de gemeenteraden vertegenwoordigd door dhr. T.J. van Leeuwen. NB. Tim van Leeuwen is geen ambtenaar, maar is in dienst van TAUW en is medewerker van M.P. Tijm. Zo heeft Tim van Leeuwen de notitie namens Tauw opgesteld van 30 maart 2022 onder kenmerk N0031282276TVL-V02-agv-NL : “Cameraonderzoek aanwezigheid das Crailo terrein”, 18 pagina’s Ter zitting werden de gemeenteraden vertegenwoordigd door twee ambtenaren, resp. mw. drs. S. Wedemeijer van de gemeente Hilversum, en mw. K.J. Loman-Vanden Hurk van de gemeente Laren. Beide ambtenaren hebben ter zitting nauwelijks iets gezegd. Van de raden en van de colleges van burgemeester en wethouders was er geen enkele belangstelling voor deze zitting. Volgens de ABRvS “hadden de raden zich laten adviseren door TAUW”, maar hier treden de TAUW medewerkers niet op als “partij adviseurs”, maar als “gemeentelijke vertegenwoordigers ter zitting”. De verantwoordelijkheid van de TAUW-medewerkers Maurice Tijm en Tim van Leeuwen droegen ter zitting alleen hun eigen TAUW-verantwoordelijkheid. Alleen TAUW werd vertegenwoordigd in het belang van TAUW. De ABRvB overweegt dan: ,, Daartoe overweegt de Afdeling dat bij een samenwerking tussen bestuursorgaan, een werkorganisatie als GEM Crailo B.V.
en (externe) adviseurs, die eenzelfde ontwikkeling voorstaan, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat ieder van hen zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt. Aanknopingspunt voor het oordeel dat deze verantwoordelijkheid in dit geval is miskend, ziet de Afdeling niet.” De ABRvS had evenwel vele aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. De ABRvS heeft hier – zonder er een woord aan te wijden- langs heen gesneden. Hier doet zich de bevooroordeeldheid van de Afdeling gevoelen. Het betreft het zestiende voorbeeld van Courtstripping en van Groupthink in deze uitspraak. Om dit toe te lichten wordt hieronder nader ingegaan op feiten en constateringen die door de ABRvS buiten beschouwing zijn gelaten. De vermelding op p. 2 van de uitspraak onder Procesverloop van de aanwezigen ter zitting maakt voetstoots duidelijk, dat de raden waren vertegenwoordigd door hun adviseurs, die door de ABRvS niet zijn aangekondigd als externe adviseurs dan wel partijdeskundigen, maar als vertegenwoordigers van de raden. De r.ov. 19.2 en 19.3 geven voorts aanleiding tot het volgende commentaar: 2) Geenszins kon de ABRvS overwegen dat niet is onderbouwd, dat er geen expliciete concrete gegevens naar voren zijn gebracht om de gestelde partijdigheid of vooringenomenheid van de bestuursorganen te onderbouwen, en dat de rapporten van TAUW naar inhoud niet inzichtelijk en concludent zijn.
Daarenboven gaat de ABRvS voorbij aan het gegeven, dat TAUW er alles aan gedaan heeft in samenspraak en ”in afstemming
59
met” GEM Crailo B.V. om haar eigen commercieel belang veilig te stellen. Daarop bestond van de zijde van de raden geen enkel toezicht. In het optreden van Tijm en Van Leeuwen zogenaamd als vertegenwoordigers van de drie raden ter zitting stond de verdediging van TAUW centraal, zoals al op 9 december 2021 in een notitie was neergelegd van 3 pagina’s ,,Nadere beschouwing terreingebruik dassen Crailo” . TAUW en de GEM Crailo B.V. waren daartoe gedwongen door het rapport van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht &`t Gooi van ir. A. Meijer uit 2021, (Rapportcode Crailo-20211204-1). In de TAUW-notitie van 9 december 2021 poogden Maurice Tijm en Tim van Leeuwen de door hen verrichte onderzoeken van TAUW in de jaren 2019 en 2020 “als zorgvuldig tot stand gekomen” af te dekken. Toelichting: Door toedoen van ten 1ste het dassenonderzoek door bioloog P. Bogaers op 25 september 2021 op de “Open Dag van Crailo” en het door de SNLG uitgegeven verslag daarvan (d.d. 27 september 2021, 35 pp.) en ten 2de vanwege de bevestiging van de bevindingen van P. Bogaers door onderzoek van ir. Meijer op 27 november 2021 en ten 3de het verslag daarvan door de SDWUG van 4 december 2021 was bekend geworden dat de eerdere mededelingen van TAUW (Tijm en Van Leeuwen) onjuist waren. TAUW had altijd beweerd, dat er geen sprake was van bewoning van het plangebied door dassen.
In hun rapporten werden door TAUW de in 2019 en 2020 op camerabeelden vastgelegde das in het plangebied beschreven als ‘incidentele waarnemingen’ van “een enkel zwervend foeragerend exemplaar”. Zij waren ook onbekend met het bestaan van het territorium van de dassenclan bij de Watertoren van Laren. TAUW poogde ook op 23 september 2022 ter zitting het eigen falen te maskeren door middel van een verandering van strategie van GEM Crailo B.V. en TAUW in februari en maart 2022. Op 8 februari 2022 konden de biologen ir. A. Meijer en mw. Drs. A. Roestenberg van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht &`t Gooi in aanwezigheid van TAUW (Bram Rijksen) en GEM Crailo B.V. (Fred Bransen) en de ODNHN (Edwin Meijer, die op verzoek van ir. Meijer eveneens aanwezig was; geen familie) in het noordelijk deel van het plangebied een tot dan toe vanwege ondeskundig onderzoek van TAUW aan GEM Crailo B.V. onbekend gebleven dassenburcht aantonen. TAUW had daar al die jaren langs heen gekeken. Goed dassenonderzoek betekent de noodzaak elke vierkante meter van een gebied scherpzinnig te onderzoeken. Dat had TAUW nooit gedaan.
TAUW en Popelier maakten daarvan vervolgens in maart 2022, ver na de vaststelingsbesluiten van 6 en 7 juli 2021, dat het ging “om een recent gegraven burcht.” Gedwongen door SNLG en door de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht &`t Gooi heeft TAUW na 8 februari 2022 in samenwerking en in overleg met GEM Crailo B.V. en met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord in vergadering op het kantoor van Projectbureau Crailo bijeen op 1 maart 2022 - met daarbij aanwezig de nieuwe speler in het veld A.P. Popelier, die wel dassensporen kon onderscheiden i.t.t. de mensen van TAUWgekozen voor een nieuwe strategie: “In onderlinge ‘afstemming’ met alle aanwezigen” werd op 1 maart 2022 ervoor gekozen af te stappen van de tot dan toe gevolgde strategie (“de totaal drie dassen op camera’s waargenomen in 2019 en 2020 waren altijd beschreven in de TAUW rapporten als “een enkel foeragerend exemplaar, een zwervend exemplaar dat door een gat in het hek binnen was gekomen”). Deze oude strategie die niet vol te houden was, werd omgezet in een nieuwe
strategie, dat het plangebied wèl “essentieel leefgebied” was voor de Das, zij het ‘een zeer marginaal voedselgebied’.
Nu werd door TAUW gesteld, dat er weliswaar sprake was van “essentieel leefgebied van de Das”, maar tevens, dat dit “slechts twee kleine deelgebieden waren in het volledig plangebied”. Daarbij zouden de aanwezige dassenburchten wel mogen worden vernietigd overeenkomstig het voornemen van 1 maart 2022 om een Ontheffing aan te vragen van artikel 3:10, lid 1, sub b, van de Wet natuurbescherming. De aanwezige twee personen van de ODNHN in de vergadering van 1 maart 2022 gingen daar vrijwel ongeclausuleerd op
60
voorhand mee akkoord. Deze aanvraag van mei 2022 is gehonoreerd op 23 augustus 2022 door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Deze ontheffing was opgesteld door dezelfde twee personen van de ODNHN die op 1 maart 2022 in vergadering bijeen waren op het Projectbureau van GEM Crailo B.V. Het beleid van de ODNHN en haar bereidheid mee te werken aan een ontheffing was in deze vergadering “afgestemd” op het beleid en de wensen van GEM Crailo B.V. en van de twee mensen van TAUW (heren Tijm, en Van Leeuwen). Het schrijven van advocaat Binnerts aan de ABRvS van 31 maart 2022 bevatte onder meer bijlage 4 (Notitie Tauw, Tim van Leeuwen, 25 februari 2022, kenmerk N002-1282276TVL-Vo1: Samenvatting activiteitenplan Crailo, en bijlage 5 (Gespreksverslag voorbespreking concept activiteitenplan GEM Crailo groene delenterrein van [datum van gesprek] 1 maart 2022 met Job van der Veldt en Mart Smits (ODNHN) , Twan Zeegers en Fred Bransen (GEM Crailo) , Ton Popelier (AP Natuuradvies en Begeleiding , dassen deskundige), Tim Van Leeuwen en Maurice Tijm (TAUW), notulen door Maurice Tijm (TAUW).
Binnerts overlegde daarbij bijlage 6: e-mail van Maurice Tijm van TAUW van donderdag 17 maart 2022, 13:02 uur aan alle gespreksdeelnemers met een bevestiging door Maurice Tijm (projectleider ecologie, TAUW) aan Job van der Veldt (beslisser ODNHN) van 17 maart 2022, 12:50 uur met de mededeling van TAUW aan ODNHN: ”Hallo Job, Dank voor deze bevestiging en het al aanmaken van het dossier. Je ziet de aanvraag in de tweede helft van april verschijnen, (…), met vriendelijke groet, Maurice Tijm (…)”
Uit de notulen van de vergadering van 1 maart 2022 op het Projectbureau Crailo is het volgende duidelijk geworden, en dit was aan de ABRvS ook bekend: Op de bijeenkomst op 1 maart 2022 in Crailo om de zaken voor het verkrijgen van een Ontheffingsbesluit “op elkaar ‘af te stemmen’ ” waren behalve dhr. A. Popelier, de volgende personen aanwezig: twee beslismedewerkers van de ODNHN (Job van der Veldt en Mart Smit), twee beleid bepalende personen van GEM Crailo B.V. (Twan Zeegers en Fred Bransen) en twee mensen van TAUW (Tim van Leeuwen en Maurice Tijm), die het bestemmingsplan als huisecologen hebben voorbereid en begeleid. Tim van Leeuwen was ook de gemachtigde voor GEM Crailo B.V. om de aanvraag in te dienen bij de ODNHN voor de Ontheffing van de Wnb. Deze aanvraag is mede voor besproken op 1 maart 2022, zoals uit het “gespreksverslag” door Maurice Tijm MSc van TAUW van deze vergadering is gebleken. Uit het gespreksverslag van 1 maart 2022 is duidelijk, dat TAUW en GEM Crailo B.V. er alle belang bij hadden om het bekend worden van de reeds lang in het plangebied verblijvende en foeragerende dassenclan weg te moffelen met de mededeling op p. 1 van dit verslag: “Na de vondst van nieuwe sporen afgelopen november”.
Alsof de das in dit terrein een nieuwkomer was, terwijl de beheerder van dit terrein er al jaren van op de hoogte moet zijn geweest blijkens vroegere pogingen om onderdoorgangen van dassenwissels onder het hekwerk door te blokkeren met onder meer balken en op menige plek betonvlechtwerk tegen het oudere, kapotte hekwerk te plaatsen om ook hier de toegang en uitgang voor dassen te blokkeren. Ook de op p.2 genoemde “nieuwe bijburcht” [bedoeld wordt de burcht die dhr. ir. A. Meijer, dassenonderzoeker van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht &`t Gooi , aan TAUW, (Tim van Leeuwen of Maurice Tijm) en aan heer Bransen en aan dhr. Kevin Meijer (ODNHN), die op verzoek van dhr. A. Meijer (geen familie) bij dit bezoek van 8 februari 2022 aanwezig was zodat de ODNHN bij een eventueel verzoek om handhaving direct wist waar dassenburchten in dit terrein lagen], had aan TAUW eerder bekend kunnen en moeten zijn, maar TAUW ontbeerde dassendeskundigen zoals op 8 februari 2022 bleek uit de opmerking van de TAUW-ecoloog Bram Rijksen dat hij de door Ir. Meijer getoonde foerageersporen van de das aanzag voor foerageersporen van reeën. NB. Niet zomaar heeft TAUW na 8 februari 2022 de dassenonderzoeker, ex-medewerker van Stichting Das en Boom (die daar mee gebrouilleerd is geraakt), dhr. A. Popelier, gevraagd om TAUW te hulp te schieten “als dassendeskundige”.
TAUW heeft dit al die jaren daarvoor zelf vanwege incompetentie niet kunnen doen. De
61
raden hebben dat nooit onderzocht en hebben daartoe ook geen expertise in huis. Zij zijn evenals de staatsraden leken. In het gespreksverslag geeft Job van der Veldt (ODNHN) , p. 2, punt 5 aan, ”dat hij zich kan vinden in de geschetste aanpak zowel in de gekozen uitwerkingsrichting als ook het onderzoek dat door Ton Popelier is uitgevoerd “
Dit lag in het verlengde van het eerdere gebeuren in het plangebied Crailo op 8 februari 2022. Op die datum om 11.00 uur was er een afspraak tot een nader onderzoek van 11.00 tot 13.00 uur door de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht &`t Gooi (ir. A. Meijer en mw. drs. A. Roestenberg) in het noordelijk deel van het plangebied, in aanwezigheid - op verzoek van de SDWUG- van de handhaver van de ODNHN dhr. Kevin Meijer (geen familie), en in aanwezigheid van TAUW-onderzoeker Bram (niet: Bart, PB) Rijksen en in aanwezigheid van dhr. Fred Bransen, terreinbeheerder van de GEM Crailo B.V. Tijdens dit gemeenschappelijk bezoek op 8 februari 2022 aan het noordelijk deel van het plangebied bleek de dassenonderzoeker van TAUW, Bram Rijksen, naaste collega van Tim van Leeuwen en van projectleider Maurice Tijm geen wroetspoor van de das te kunnen onderscheiden en wroetsporen van de das toe te schrijven aan het ree. Hij had kennelijk geen weet van het voedselgedrag van het ree ( geen grazer of bodemwroeter, maar knabbelaar aan twijgen e.d. en stelde over de bodemwroetsporen van de das ten onrechte aan ir. Meijer: ”dat doet een ree ook”. Over het voedselzoekgedrag van het ree is het volgende bekend (Zoogdiervereniging): “Reeën maken met hun
hoeven geen wroetsporen. De ree is geen grazer zoals een hert, maar een 'knabbelaar': het dier eet bramen, bessen (Blauwe bosbes), twijgen, scheuten, knoppen en loten van struiken en bomen. Voorts ook van rozenstruiken en coniferen. En ook kruiden, grassen, bladeren, noten, paddenstoelen en landbouwgewassen als tulpen, granen en kropgewassen worden genuttigd. 's Zomers voedt het ree zich bovendien met jonge bladeren en in de herfst met eikels. Het ree is vrij selectief en eet enkel de meest voedzame delen van een plant. Tussen eten en herkauwen zit meestal zo'n één (in de zomer) tot twee uur (in de winter)”.
Fred Bransen, terreinbeheerder van de GEM Crailo B.V., maakte plotsklaps om 12.25 uur (en in strijd met de afspraak voor een twee uur toegestaan onderzoek vanaf 11.00 uur tot 13.00 uur) een einde aan dit bezoek en onderzoek door ir. Meijer door om 12.25 uur mede te delen, dat zij nu het terrein moesten verlaten, “omdat hij, Bransen, elders een andere afspraak had”. Bransen gaf onderweg overigens storend negatief commentaar aan de SDWUG, ”omdat hij het de SDWUG kwalijk bleef nemen dat de SDWUG eerder zonder toestemming het terrein had bezocht. Dit was overigens al gepardonneerd door GEM Crailo B.V. bij de uitnodiging van GEM Crailo B.V. aan de SDWUG en dhr. ir. Meijer om het terrein gezamenlijk met TAUW uiteindelijk op dinsdag 8 februari 2022 te kunnen bezoeken. Op 8 februari 2022 liet dhr. ir. Meijer aan de aanwezigen van TAUW en GEM Crailo B.V. en de ODNHN de hem bekende , kennelijk voor TAUW etc. tot dan toe onbekende, dassenburcht bij de Adelaarstraat zien, die een maand eerder op 9 januari 2022 door dhr. Meijer zelf was aangetroffen in aanwezigheid van biologen A. Bijlard en P. Bogaers. Ir. Meijer vond daar op 9 januari ook een dassenhaar. Het betrof een reeds lang in gebruik zijnde dassenpijp. Op 8 februari daaropvolgend bij het gemeenschappelijk bezoek trof hij daar bij die burcht verse dassenprenten (pootsporen) aan. Op dezelfde dag heeft GEM Crailo B. V.
in overleg met TAUW (projectleider Maurice Tijm) bij die burcht een camera laten plaatsen. Later maakte Tim van Leeuwen in zijn Notitie van 30 maart 2022 (Cameraonderzoek aanwezigheid das Crailo terrein) op pagina 2 ervan, “ dat op 8 februari aldaar “verse graafsporen” waren aangetroffen, als of het om een recent uitgegraven burchtpijp ging, citaat: “Op dinsdag 8 februari 2022 zijn bij de pijp met verse graafsporen (holte 3, cam.75) en bij de saneringssituatie in het zuiden van het plangebied (cam.75) ook camera’s geplaatst. De genoemde holtes en bijbehorende nummers zijn opgenomen in figuur 2.”
62
A. Popelier knoopte in zijn rapport van 23 maart 2022 bij de fictieve “verse graaf”sporen aan bij de burcht, die op de meeting van 1 maart 2022 op het Projectbureau Crailo was aangeduid als “nieuwe bijburcht”, pagina 2 van het gespreksverslag van M. Tijm). Popelier schrijft in zijn rapport van 23 maart 2022 op pagina 6 onderaan in paragraaf 7 over het onderzoek met 19 camera’s: “(…) de meeste waarnemingen betreffen een foeragerende das op het Kazernekwartier, één opname is gemaakt bij een ‘vers gegraven’ hol op het Oefenterrein Crailo. (…)”.
NB. Dhr. Tim van Leeuwen was overigens de gemachtigde van GEM Crailo B.V. om de aanvraag van de Ontheffing van de Wnb bij Gedeputeerde Staten via de ODNHN in te dienen. De mededelingen van Tijm en Van Leeuwen ter zitting bij de ABRvS op 23 september 2022 zijn nooit aan de raden voorgelegd. GEM Crailo B.V. had immers carte blanche van de drie gemeenten en van de raden bij het optreden in de procedures bij de ABRvS, waaronder twee eerdere verzoeken voorlopige voorziening, die waren ingediend door SNLG. De heren Tijm en Van Leeuwen konden ter zitting zeggen wat zij maar wilden, als waren zij de woordvoerders van de raden, maar zij waren louter de belangenbehartigers van TAUW en van zichzelf. Het met gunstig gevolg afsluiten van de procedure bij de ABRvS was en is een economisch en commercieel voor TAUW en diens vertegenwoordigers, de heren Tijm en Van Leeuwen. Dit was het voor TAUW te behartigen belang. Hier doet zich de strijd voelen met artikel 2:4 Awb. Ten onrechte heeft de ABRvS dat niet willen doorzien. Dit lag in het verlengde van de overwegingen ten aanzien van het beroep van appellant NN. Hoe dan ook stond het belang van woningbouw en nieuwe bedrijvigheid aan disruptief inzicht in de weg. TAUW (Tijm en Van Leeuwen) had er alle belang bij dat hun vele, dure rapporten de doorslag zouden geven bij de beoordeling door de ABRvS.
Zij konden hun beweringen ter zitting onbekommerd doen zonder aanwezigheid van de raden en zonder tegenspraak van de leken-ambtenaren die er voor spek-en-bonen op 23 september 2022 bij zaten. Mw. Wedemeijer en mw. Lohman-vanden Hurk, waren en zijn leken op biologisch-ecologisch gebied , evenals overigens de drie staatsraden en de griffier. In dit verband en ter ondersteuning van het bovenstaande wordt gewezen op het schrijven van advocaat Binnerts (namens de raden) aan de ABRvS van 31 maart 2022 met daarbij als bijlagen de notulen van de vergadering van 1 maart 2022 en het rapport van dhr. Ton Popelier van 23 maart 2022. In dat rapport door Popelier waren zowel het plangebied als de omringende NNN-gebieden van GNR waren beschreven als voedselarm voor dassen, waarbij hij op pagina 8 stelde: ”Het projectgebied Crailo levert slechts heel beperkt voedsel op en vormt daarmee een klein en niet essentieel onderdeel van het omvangrijke foerageergebied van de dassenfamilie van de burcht Watertoren Laren” om daaraan toe te voegen
op pagina 9:
,,Dassen maken (in beperkte mate) gebruik van het projectgebied. Dit blijkt uit enkele foerageersporen, en een zeer recent gegraven dassenhol in een aarden wal met verse prenten, centraal op het Oefenterrein (dat korte tijd later weer verlaten bleek te zijn). Tevens is de aanwezigheid vastgesteld van een verlaten bijburcht en enkele losse holen in de aarden wal rond de schietbaan. Wegens het ontbreken van geregistreerde waarnemingen kan niet worden bepaald wanneer deze bijburcht en holen in gebruik waren bij dassen. Op het AZC terrein is vastgesteld dat dassen zich via de (aan GNR afgestoten) ZW-rand verplaatsen door het gebied. De gevonden sporen op het Kazerneterrein betreffen een aantal niet verse foerageersporen.”
In de tiende brief van SNLG aan de ABRvS van 1 april 2022 is nader ingegaan op de onjuiste mededelingen door A. Popelier in zijn rapport van 23 maart 2022, die in lijn waren met de verwachtingen van de vergadering van 1 maart 2022 op het Projectbureau Crailo: ,, 4) Het rapport van AP Natuuradvies van 23 maart 2022 nader beschouwd - Ten onrechte wordt in het rapport van AP Natuuradvies van 23 maart 2022 op p.8 in een NB opgemerkt: “NB: GEM Crailo heeft Dassenwerkgroep Utrecht en ’t Gooi aangeboden om in overleg te gaan met AP Natuuradvies over
63
(de bevindingen van) haar onderzoek. Dassenwerkgroep Utrecht en ’t Gooi heeft expliciet aangegeven geen gebruik te willen maken van dit aanbod.” Dhr. Popelier gaat daarbij zonder controle en zonder verificatie uit van een kennelijke mededeling van GEM Crailo B.V. aan hem. Echter, op een voorstel van de GEM Crailo B.V. aan dhr. Meijer, of hij samen met dhr. Popelier onderzoek wilde doen, heeft de SDWUG hetzelfde antwoord gegeven als over samen onderzoek doen met Tauw. Zie paragraaf 8 van de 9de brief aan de ABRvS, p.27 e.v. Dit aanbod doorkruiste verder de briefwisseling over het onderzoek en het uitwisselen van gegevens met Tauw. Zie hierna ook het PS bij de 10de brief met het schrijven van mw. Drs. A. Roestenberg van 1 april 2022 met het overzicht van contacten en afspraken tussen GEM Crailo B.V. en de SDWUG. Ook ter zitting bij de Vz. ABRvS op 14 december 2021 in Den Haag werd niet gesproken over eventuele samenwerking met het bureau van dhr. Popelier. De mededeling van dhr. Popelier op p. 4 over “de sinds twee jaren bij GNR bekende dassenburcht met jongen op het terrein van de Watertoren in Laren”, laat zien dat dhr. Popelier ten onrechte hier verder niet naar heeft gekeken. Daardoor is zijn mededeling suggestief. Zie de mededeling van de beheerder van deze burcht, ir. N.
van den Akker op 16 januari 2022 aan de SNLG en aan de SDWUG, dat aan hem deze vitale burcht al negen jaar bekend is sinds hij daar woont. Deze bestond al voordat dhr. Van den Akker daar op zo’n 150 meter afstand van de burcht kwam te wonen. Ook overigens heeft dhr. Poppeliers zelf geen onderzoek gedaan bij en op de Watertoren, want dat “was ontoegankelijk”. Hij heeft geen moeite gedaan met de beheerder te spreken. Zijn mededeling is op drijfzand gebaseerd. - Waar heer Popelier op p. 7 spreekt over “dassensporen op enkele plaatsen” is dit suggestief. Bij elk onderzoek van de SDWUG en ook van P. Bogaers, ook met mw. Bosmann op 11 januari 2022 waren talloze sporen (wissels, onderdoorgangen bij hekken, dassenholen en wroetsporen (bij duizenden) ontdekt. Ook dhr. Popelier zag zelf verse dassenprenten (‘pootafdrukken’) naast de wal bij het schietterrein. Dat is heel mooi. - Een permanent gebruik van dit territorium is door de SDWUG bij elk bezoek bevestigd. Geenszins is er hier sprake van de vraag, of er hier op langere termijn sprake is van een permanente vestiging. - Zeker is wel dat door de realisatie van het bestemmingsplan in haar huidige regeling geen overlevingskansen biedt aan de Dassenclan ter plaatse. - Ook de ouderdomsschatting in het rapport van dhr.Popelier van een burcht,die enkele dagen tevoren zou zijn aangelegd (p.
7 naast figuur 2) miskent, dat de ingangen van een dassenburcht - bij langduriger, aaneengesloten gebruik - vers zand vertoont.
- Het beoordelen van de vraag naar het al of niet bewoond zijn van een burcht of burchten aan de hand van aangetroffen bladafval dient te berusten op langdurige observatie met camera’s. Zijn mededeling berust niet op onderzoek , maar is ongefundeerd.
- De mededeling van dhr. Popelier op p. 8 bovenaan wordt door de SNLG onderschreven over de het behoud van de schietwallen. Overigens betekent dit , dat het hele plan opnieuw dient te worden doordacht vanwege het feit, dat het hele plangebied behoort tot de essentiële fysieke leefomgeving van de Das. Niet volstaan kan worden met het geïsoleerd beschouwen van de wallen rond de schietbanen zoals uit het onderzoek van de SDWUG wordt bevestigd.
- Waar heer Popelier meent op p. 8 onder conclusies dat het plangebied Crailo “slechts heel beperkt voedsel oplevert en
daarmee een klein en niet essentieel onderdeel vormt van het “omvangrijke foerageergebied van de dassen familie van de burcht bij de Watertoren”, is duidelijk dat dhr., Popelier er naast zit.
- Dhr. Popelier noemt ook geen enkel onderzoek, dat zulks onderbouwt. Juist het gegeven “dat de voedselarme
heidevelden” inderdaad ook in het Gooi “slechts heel weinig voedsel opleveren voor de Das” geeft aan, dat de veel voedselrijkere bosschages en bossen in het plangebied met een overdaad aan dassensporen en wroetplakken juist niet kan worden weggeknipt uit het totale territorium van de Das. Men kan niet ongestraft 40 hectare (= ca. de grootte van het plangebied, PB) wegknippen uit een territorium van door ir. Meijer in zijn rapport van 31 maart 2022 beschouwde 100, 150 of 200 hectare. Bij een territorium van 100 ha.is dat al de helft. - Dhr. Popelier beseft niet dat bovendien door de rust in het plangebied zelf – i.t.t. de druk betreden en door mensen bezochte heidevelden in de omgeving – dit plangebied zelf bij uitstek het refugium vormt van oudsher voor alle wilde dieren uit de omgeving, niet alleen voor de Das, maar ook voor het ree (“opmerkelijk veel sporen van ree zijn door Popelier aangetroffen” (p. 8)
64
- Dit geldt ook voor de onderzoeken van de SNLG en van de SDWUG. Bij alle onderzoeken werden in grote hoeveelheden deze reeën en hun sporen aangetroffen juist in dit plangebied. Daar heeft de GEM Crail B.V. ten onrechte nooit enige rekening mee gehouden. - Het advies van dhr. Popelier is fataal voor het overleven en voortbestaan van de dassenclan van de Watertoren en omgeving. - Naar de omvang van het territorium van de Das heeft dhr. Popelier geen enkel onderzoek gedaan. - Dhr. Popelier heeft zijn rapport teleologisch toegesneden op de wensen van de GEM Crailo B.V. Hij heeft daar ook een commercieel belang bij. Zie ook zijn aanbeveling - in lijn met de opvattingen van de GEM Crailo B.V. - over de hoogte en samenstelling van de aan te leggen ecowal op p. 9 , laatste alinea. Nu wordt er gesproken over een hoogte van 3, 5 à 4 meter, terwijl het vanuit ecologisch oogpunt moet gaan om “een “robuuste hoge, begroeide grondwal”. Zie het rapport van WenR over de natuurbrug Laarderhoogt en woningbouw vanuit ecologisch perspectief. - Dhr. Popelier neemt klakkeloos het getal van de GEM Crailo over en betrekt het WenR rapport niet in zijn beschouwing. Hij kent het rapport ook niet.”
Dit alles was aan de ABRvS bekend. Er was zeker geen concludentie. Bekend was ook aan de ABRvS dat de gemeenteraden per definitie al deze stukken van na 7 juli 2021 niet konden kennen en daarover ook nooit geraadpleegd zijn door mr. Binnerts over de vraag wat dit voor de raden ex post betekende. Hoe kan de ABRvS dan stellen dat de raden hun vergewisplicht van art. 3:9 Awb in acht hebben genomen, terwijl eerst na 6 en 7 juli 2021 juist is gebleken dat de eerdere rapporten van TAUW tot 6 en 7 juli 2021 “niet-concludent” waren? De ABRvS is verstrikt geraakt in het struikgewas van haar eigen vooroordelen. Het betreft het zeventiende voorbeeld van Groupthink en Courtstripping in deze zaak. De rapporten van A. Popelier van 23 maart 2022 en van de SDWUG van 2 april 2022 In het onderstaande is het rapport van A. Popelier (AP Natuuradvies en -Begeleiding) van 23 maart 2022 opgenomen met het daarin ingelast het commentaar door ir. Meijer op dit rapport. Zie vervolgens ter vergelijking het hierna opgenomen rapport van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht &`t Gooi van 2 april 2022 op pagina 80 e.v. Het rapport van A. Popelier (AP Natuuradvies en -Begeleiding) van 23 maart 2022 DASSEN IN PROJECTGEBIED CRAILO
Het originele rapport van 23 maart was aan de ABRvS via de brief van advocaat Binnerts van de raden/GEM Crailo B.V. van 31 maart 2022 bekend. Het hieronder van commentaar voorziene stuk is in de dertiende brief van de SNLG aan de ABRvS verzonden.
AP Natuuradvies en Begeleiding Buntweg 11 5481 SB Schijndel 06-51529926
DASSEN IN PROJECTGEBIED CRAILO 1. Aanleiding De gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren werken onder de naam GEM Crailo samen om het terrein van de voormalige Kolonel Palmkazerne (42 ha) om te vormen naar een duurzame, groene woon-/werkwijk. Ca. 590 woningen zullen hier het Buurtschap Crailo gaan vormen.
65
In de door Ecologisch Adviesbureau TAUW uitgevoerde onderzoeken van het projectgebied in 2019 en 2020 werden geen sporen van dassen aangetroffen. In het najaar van 2021 hebben een medewerker van “Stichting Natuur en Landschap het Gooi (SNLG)” die bezwaar maakt tegen de plannen van de ontwikkeling van Buurtschap Crailo en “Dassenwerkgroep Utrecht en ’t Gooi” nieuwe sporen van dassen aangetroffen. Aan AP Natuuradvies en Begeleiding is de opdracht verstrekt om een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar dassen in het projectgebied en de naaste omgeving.
Figuur 1 Het toekomstige Buurtschap Crailo [hier niet opgenomen].
2. Probleemstelling en aanpak De opdrachtgever (GEM Crailo) heeft de navolgende vragen geformuleerd waarop het onderzoek een antwoord moet geven:
• • •
Wat is de kwaliteit van de omgeving van het projectgebied Crailo als dassenleefgebied? Wat is de functie van het projectgebied Crailo voor de das? Wat is een mogelijke oplossing voor de das t.b.v. de ontheffingsaanvraag?
Om deze vragen te kunnen beantwoorden werden 4 veldbezoeken gebracht aan het projectgebied en het Goois Natuurreservaat (GNR). In aanvulling hierop werd informatie uitgewisseld met GNR (terreinbeheerder John Didderen). Daarnaast werd projectdocumentatie over Buurtschap Crailo geraadpleegd. Vanuit Ecologisch Adviesbureau TAUW werden verslagen van inventarisaties beschikbaar gesteld evenals de uitkomsten van camera-monitoring. Ook de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) werd geraadpleegd, waarbij rekening werd gehouden met het gegeven dat deze database onvolledig is voor wat betreft waarnemingen van dassen(sporen). Binnen groepen die zich bezig houden met monitoren van dassen wordt de ongeschreven regel gehanteerd om waarnemingen niet in te voeren in Waarneming.nl of andere media. Zulke gepubliceerde waarnemingen zouden de locatie van (beschermde) dassenburchten prijs kunnen geven.
Commentaar ir. Meijer: AP Natuuradvies en Begeleiding (hierna: AP) vermeldt hier niet dat hij de onderzoekrapportages heeft geraadpleegd van de Stichting Natuur en Landschap het Gooi (hierna: SNLG) en van Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & ’t Gooi (hierna: dassenstichting), alhoewel deze rapportages als stukken in het hoger beroep kenbaar zijn aan de opdrachtgever G.E.M. Crailo B.V. (hierna: GEM).. 3. Biologie van de Das (Meles meles) De das is een grote marterachtige, die medio 19e eeuw nagenoeg uitgestorven was in Nederland. Dankzij beschermingsmaatregelen en uitzetacties heeft de soort zich hersteld. De das voelt zich met name thuis in een kleinschalig landschap. Hij graaft zijn holenstelsel (burcht) bij voorkeur in een beschutte verhoging in het terrein, brengt hier zijn jongen groot en sterft hier uiteindelijk ook. Dassen leven doorgaans in familieverband, bestaande uit 2 of meer exemplaren. Ze staan bekend als bijzonder honkvast en zullen hun burcht niet snel verlaten, ook al veranderen de omstandigheden rondom de burcht. Naast hun vaste verblijfplaats (hoofdburcht) maken dassen ook gebruik van zogenaamde bijburchten en vluchtpijpen. Bijburchten zijn (kleinere) burchten die slechts een deel van het jaar in gebruik zijn. Dit kan zich voordoen wanneer er jongen geboren worden en het mannetje door het wijfje verjaagd wordt.
Zo’n mannetje neemt dan tijdelijk zijn intrek in een bijburcht. Vluchtpijpen vormen holen die dassen her en der verspreid in hun leefgebied graven en waarvan ze gebruik maken wanneer ze gevaar ontdekken tijdens hun nachtelijke foerageertochten.
66
Vanuit hun burcht gaan dassen ‘s-avonds op zoek naar voedsel. De das is een omnivoor, een alleseter, en het dier leeft van een breed scala aan voedselbronnen. Te weten: valfruit, bosvruchten, mast (eikels en noten), maïs, muizen, kevers, slakken, larven. Maar het hoofdbestanddeel van het voedsel, oplopend tot wel 40%, wordt gevormd door regenwormen. Om deze reden trekken dassen in de avond naar weilanden, sportvelden, en gazons op zoek naar wormen. Kort, begraasd grasland is favoriet.
Figuur 2 Naaldbossen en heide bieden geen voedsel Oudere loofbossen zijn eveneens geliefd vanwege het brede aanbod van voedsel. Naaldbossen en heide hebben voor dassen nauwelijks voedsel te bieden.
Commentaar ir. Meijer: In zeer voedselrijk gebied beslaat het territorium van een dassenfamilie slechts ca. 30 ha. Wanneer er weinig voedsel voorhanden is, hebben dassen een beduidend groter territorium nodig om in hun behoefte te kunnen voorzien. Dit loopt op tot 200 ha en meer. 4. Beschermde status van de das en zijn burcht De Wet Natuurbescherming (Wnb) is zeer duidelijk over de status van de das en zijn burcht: Artikel 3.10 lid 1 sub a: “de wet verbiedt het opzettelijk doden of vangen van de das”. Artikel 3.10 lid 2, sub b: “de wet verbiedt het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de das”. In het Kennisdocument Das van BIJ12 wordt het tweede lid nader uitgewerkt: “Een vaste voortplantingsplaats of rustplaats van dassen wordt gedefinieerd als een dassenburcht die tekenen van recent gebruik door een das heeft, of een onbewoonde dassenburcht die tot maximaal vijf jaar geleden als bewoond is vastgesteld door een dassendeskundige, als de onbewoonde dassenburcht in een bestaand territorium ligt”. Daarnaast dient de zogenaamde zorgplicht benoemd te worden, die in artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming is opgenomen: “De zorgplicht houdt in dat iedere initiatiefnemer zich, voorafgaand aan de uitvoer van een project, op de hoogte moet stellen van aanwezige (beschermde) flora en fauna op de projectlocatie en in de directe omgeving.
Hierbij dient beoordeeld te worden wat de effecten van een project op aanwezige soorten zijn en of deze effecten negatief zijn. Indien beschermde soorten aanwezig zijn en een project zal leiden tot het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen soorten uit hoofdstuk 3 van de Wnb, dan is er sprake van een vergunningplicht en is een ontheffing noodzakelijk”. 5. Beschrijving naaste omgeving van het projectgebied Het projectgebied Buurtschap Crailo sluit naadloos aan op de Bussumer Heide en Westerheide, onderdelen van het Goois Natuurreservaat (GNR). Aan de oostzijde grenst het projectgebied aan de Ecologische Verbindingszone “Ecoduct Laarderhoogt”.
67
De Bussumer Heide en Westerheide vormen droog heidelandschap met her en der plukken bosjes, voornamelijk bestaande uit naaldhout. De grens tussen het projectgebied en het Goois Natuurreservaat bestaat uit loofbos en gemengd bos met enig reliëf. Zowel de Bussumerheide, de Westerheide en het bosgebied kennen een hoge recreatiedruk vanuit de omringende steden Bussum, Hilversum en Laren. Honden mogen onaangelijnd worden meegenomen in de randen van het GNR.
Figuur 3 Ecoduct Laarderhoogt Volgens verkregen informatie van GNR (terreinbeheerder John Didderen) is er slechts één dassenburcht bekend in dit deel van het Goois Natuurreservaat, te weten op het terrein van het PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland (Watertoren Laren). De burcht zou actief zijn en de afgelopen twee jaren een worp jongen voortgebracht hebben (med. GNR)
Commentaar ir. Meijer: Vanaf 2017 heeft de dassenstichting op deze hoofdburcht al dassen geteld. De burcht was dus al in 2017 aanwezig. Het is voor de hand liggend dat de sporen op het projectgebied Crailo nagelaten zijn door een das (of dassen) die afkomstig zijn van deze burcht. Tijdens het onderzoek werd deze burcht niet bezocht, aangezien de locatie niet vrij toegankelijk is Figuur 4 Watertoren Laren [hier niet opgenomen].
Zoals uit de “Biologie van de Das” kan worden afgeleid, vormt de naaste omgeving van het projectgebied een voedselarm leefgebied voor dassen. Er is geen begraasd grasland in de ruime omgeving van de burchtlocatie. De heidevelden en naaldhoutbosjes, hoe idyllisch ook, leveren voor dassen geen voedsel op. Het omringende loofbos is de belangrijkste voedselbron voor de dassenfamilie van de Watertoren Laren. Commentaar ir. Meijer: Loofbos is echter erg schaars rond de hoofdburcht. Juist in het plangebied komen echter restanten voor van bos met oude Europese eik. Ook langs de oude landweg Het gebed zonder end komen Europese eiken voor. Voor het overige bestaat de omgeving kortgezegd uit heide en dennenbos of bos dat zeer sterk wordt gedomineerd door dennen. Logisch geredeneerd volgens de basisaanname van AP dat ‘heidevelden en naaldhoutbosjes’ geen voedsel opleveren’ kan de clan dus in het overgrote deel van het gebied rond de hoofdburcht geen, of nauwelijks voedsel vinden en is de clan dus vrijwel volledig aangewezen op de kleine oppervlakten eikenbos die nu juist in het plangebied aanwezig zijn. De dassenstichting is van mening dat de heide en het door dennen gedomineerde bos uiterst weinig rendabel zijn als foerageergebied. Ook op basis van die aanname is de clan dan vrijwel volledig aangewezen op de kleine oppervlakten eikenbos die met name binnen het plangebied aanwezig zijn.
Dit betekent dat deze dassen veel terrein moeten bestrijken op zoek naar voedsel. Vanuit onderzoek is bekend dat dassen zich tot 1,5 à 2 km van hun burcht begeven om voedsel te vergaren. Voor de dassen van de Watertoren Laren bevindt het projectterrein zich ruimschoots binnen deze actieradius.
Commentaar ir. Meijer: De dassenstichting is het daarmee eens. Het is echter nuttig om daar nader op in te gaan:
68
De dassenstichting voegt hieraan toe dat in haar eigen onderzoek veel sporen werden gevonden binnen het plangebied op circa 1 kilometer van de hoofdburcht, waaronder grote oppervlakken die volledig door dassen waren doorzocht en daardoor helemaal vol zaten met wroetsporen (met de snuit opgeduwd blad en graafsporen in de grond.). Ook AP vond op die afstand sporen binnen de vier veldonderzoeken in de periode 28 januari t/m 2 maart 2022 (bv. P4, W6 en W7 in de kaartbijlage) en bureau Tauw heeft op deze afstand dassen op camerabeelden vastgelegd in de periode 21 januari t/m 23 maart 2022. Naar het oordeel van de dassenstichting zijn dit erg veel waarnemingen van dassen en hun sporen op een afstand van ca 1 km van een hoofdburcht binnen de onderzoeksperioden. Dan duiden deze vele waarnemingen op een zeer hoge waarde van de betreffende delen van het plangebied voor de clan. Deze waarnemingen zijn (vrijwel) allemaal gedaan binnen terrein met eikenbomen. Dit suggereert een oorzakelijk verband tussen de delen van het plangebied met veel eik en de waarde van deze delen van het plangebied voor de das als foerageergebied. 6. Beschrijving van het projectgebied Binnen het projectgebied kunnen 3 deelgebieden worden onderscheiden. Aan de noordzijde, grenzend aan de bebouwing van Bussum, ligt het Kazernekwartier (zie fig.
1) Dit is vernoemd naar de voormalige Kolonel Palmkazerne, die sinds 2006 niet meer als zodanig in gebruik is. Aan de zuidzijde, ten zuiden van het pad “Gebed zonder End” ligt het terrein Op Zuid. Dit terrein was in gebruik als AZC en als locatie voor het TV-programma “Project Utopia”. Tussen het Kazernekwartier en Op Zuid ligt het Oefenterrein Crailo (OTC), dat is omgedoopt tot (deel-)projectgebied Op de Hei. De drie deelgebieden kunnen qua inrichting als navolgt worden beschreven, waarbij ook een kwalificatie gegeven wordt als leefgebied voor dassen.
•
Kazernekwartier: de randen van het terrein aan de westzijde (grenzend aan de manege) en de oostzijde (bij de voormalige stormbaan) worden gevormd door ouder loofbos met enige kleine verhogingen. Op de kern van het terrein staan gebouwen, die deels nog bewoond dan wel overdag gebruikt worden. De ruimte tussen de gebouwen is verruigd. De randen van het Kazernekwartier bieden dassen enige, zij het uiterst beperkte foerageermogelijkheid. De nabijheid van woonhuizen en kazernegebouwen verhindert echter dat dassen zich vrijelijk kunnen verplaatsen naar de bosschages aan de oostzijde.
Commentaar ir. Meijer: De stichting ziet dit anders. Dit oudere loofbos, waarin eiken aanwezig zijn is uiterst waardevol als foerageergebied voor de clan. Allereerst volgt dat uit de vele waarnemingen van dassen en hun sporen binnen de korte onderzoeksperioden op grote afstand van de hoofdburcht. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat het beeldveld en het bereik van cameravallen heel beperkt zijn en ook de reactietijd beperkt is. Er moet dan ook worden aangenomen dat de cameravallen vele keren een foeragerende das zal hebben gemist. Daarnaast vormen afgevallen eikels een zogenaamde food patch onder een eikenboom: een plek waar dassen in staat zijn om binnen korte tijd en binnen een heel klein gebied, zeer veel voedselobjecten te bemachtigen. Juist in het najaar kan zo’n food patch van enorme waarde zijn voor de clanleden om een onderhuidse vetlaag op te bouwen die ze door de winter helpt. Hierbij wordt óók gewezen op het onderzoek van D. Wansink nabij Hollandsche Rading, die een erg groot aandeel eikels heeft gevonden in het menu van de daar levende clan(s).
69
Figuur 5 Impressie Kazernekwartier Figuur 5 Impressie Kazernekwartier
•
Op de Hei: het voormalige Oefenterrein Crailo wordt gevormd door verruigd terrein, velerlei bouwsels en een schietbaan. Her en der bevinden zich aarden wallen, die begroeid zijn met struweel en loofhout. Tot november 2021 vonden hier oefeningen plaats van de Veiligheidsregio, Politie, Korps Mariniers evenals politiehondentrainingen (med. M.Tijm, TAUW). Het is aannemelijk dat dassen pas na het beëindigen van deze verstorende activiteiten hun bezoeken aan het Oefenterrein Crailo geïntensiveerd hebben. Deze veronderstelling kan niet verder worden onderbouwd wegens het ontbreken van (geregistreerde) waarnemingen van afgelopen jaren.
Commentaar ir. Meijer: Niet alleen ontbreken er waarnemingen van de afgelopen jaren, maar bovendien is in onderzoek van J. Mulder en van bureau Waardenburg niet gebleken dat dassen werden verstoord door ingrijpende infrastructurele werkzaamheden met zware machines. In het onderzoek van Waardenburg bleef de clan de hoofdburcht net zo vaak gebruiken tijdens de periode met werkzaamheden, als daarbuiten.
De gangbare theorie is dat dassen dergelijke signalen, zeker op grotere afstand van de hoofdburcht, niet langdurig associëren met de mogelijke dreiging van de nabije aanwezigheid van mensen of honden, in Nederland hun grootste vijanden. Dassen worden vooral nabij hun burcht echter heel senl en sterk verontrust door signalen die onvoorspelbaar wisselen in sterkte en aard, zoals geuren of geluiden die voor de Das onmiskenbaar samenhangen met de nabije aanwezigheid van mensen of honden. Zo kan een clan wennen aan de geur van telkens dezelfde mens of hond op een voorsplebare plek, maar blijft hij snel verontrust als er geuren zijn van telkens verschillende mensen of honden en/of op telkens verschillende plekken bij de burcht.
Als de oefeningen overdag hebben plaatsgevonden en op plekken die voor de clan voorspelbaar zijn, dan ondergraaft dit de onderbouwing van de veronderstelling dus nog sterker. Het is daarbij goed denkbaar dat de clan de bijburchten juist gegraven heeft als aanpassing op het optreden van de oefeningen, als extra schuilplaats.
Omdat de hoofdburcht al minstens vanaf 2017 aanwezig is en loofbos met eiken juist binnen het plangebied voorkomen, in tegenstelling tot de weide omgeving daarvan, is het aannemelijk dat minstens vanaf 2017 de clan al intensief gebruik zal hebben gemaakt van het deelgebied ‘Op Hei’.
De plukjes loofhout leveren dassen wat voedsel op, in de vorm van mast (eikels) en insectenlarven. De aarden wallen zijn bij uitstek geschikt voor das en vos om hun burcht in te graven.
70
Commentaar ir. Meijer: Volgens het kaartje van bijlage 1 is er in het deelgebied ‘Op Hei’ is méér loofhout met eiken aanwezig dan in het ‘Kazernekwartier’, waar AP spreekt van ‘randen met ouder loofbos’. De uitdrukking ‘plukjes loofhout’ voor ‘Op Hei’ is daarmee niet onderbouwd en lijkt suggestief. Verder verwijst de dassenstichting naar haar commentaar voor het deelgebied ‘Kazernekwartier’. Naar de mening van de dassenstichting is ook in het deelgebied ‘Op Hei’ het loofbos met eik van zeer grote waarde voor de overleving van de clan, met verwijzing naar de bij ‘Kazernekwartier’ genoemde argumenten.
Het Oefenterrein Crailo maakt een klein en weinig voedselrijk deel uit van het leefgebied van de dassenfamilie van Watertoren Laren.
Figuur 6 Oefenterrein Crailo
•
Op Zuid: op dit grotendeels verharde terrein staan diverse nog te slopen gebouwen. Het wordt benut als zandopslag en maakt een verrommelde indruk. Aan de zuidwestelijke rand liggen enkele naaldhoutbosjes.
Voor dassen heeft dit terrein niets te bieden aangezien er geen voedselbronnen aanwezig zijn en er weinig dekking te vinden is. Commentaar ir. Meijer: Ook in ‘Op Zuid’ is loofbos aanwezig met eiken. De oppervlakte van dat loofbos lijkt inderdaad kleiner dan in de andere twee deelgebieden. Evenwel kan slechts één eikenboom al volstaan voor een food patch, die een grote bijdrage kan leveren voor een clanlid voor een doorvoede overwintering. Naar het oordeel va de stichting is de stelling van AP dat dit terrein niets te bieden heeft, dan ook niet onderbouwd en bovendien onjuist.
71
Figuur 7 Het toekomstig “Op Zuid” terrein 7. Uitkomsten veldonderzoeken Ecologisch Adviesbureau TAUW heeft in 2019 en 2020 veldonderzoek uitgevoerd in het projectgebied. Bij deze onderzoeken werden geen foerageersporen van das aangetroffen. Ultimo 2021 is discussie ontstaan met Stichting Natuur en Landschap het Gooi (SNLG) en Dassenwerkgroep Utrecht en ‘t Gooi over mogelijke aanwezigheid van dassen op het terrein.
Commentaar ir. Meijer: Van een discussie was géén sprake. De stichting heeft geen tijd voor dergelijke ‘discussies’ en heeft alle tijd en energie nodig voor haar activiteiten en veldonderzoeken, die ze zeer bewust volledig onafhankelijk verricht. Voor TAUW was dit aanleiding om 19 wildcamera’s op te stellen.
Commentaar ir. Meijer: Neen. Een onafhankelijk onderzoek, vastgelegd in een goed onderbouwd rapport, dat in het beroep van de SNLG is ingebracht, door gekwalificeerde veldonderzoekers van de SNLG en de dassenstichting, voldoend aan de criteria van het Kennisdocument Das, was de aanleiding.
In de periode van 21-01-2022 t/m 23-03-2022 heeft dit 13 waarnemingen van één individuele das opgeleverd: de meeste waarnemingen betreffen een foeragerende das op het Kazernekwartier, één opname is gemaakt bij een vers gegraven hol op het Oefenterrein Crailo. Helaas maakt de opname niet duidelijk of het dier uit het hol komt of het slechts inspecteert.
Commentaar ir. Meijer: Vaak heeft dat te maken met de reactietijd van cameravallen. Een bijburcht wordt vaak vluchtig bezocht, zodat de cameraval ofwel niet reageert (beperkte gevoeligheid) of te laat om de das vast te leggen op beeld.
72
Op uitnodiging van GEM Crailo hebben SNLG en de Dassenwerkgroep Utrecht en ’t Gooi op 09-02-2022 een veldbezoek gebracht aan het Oefenterrein Crailo.
Commentaar ir. Meijer: Nee. Er was geen vertegenwoordiger van de SNLG aanwezig. Twee veldonderzoekers van de dassenstichting hebben de overige aanwezigen langs enkele burchten geleid.
Figuur 8 De verlaten bijburcht (H1) Tijdens dit veldbezoek werd een vers gegraven dassenhol (H3 op kaart in bijlage 1) aangetroffen in een aarden wal, centraal op het terrein.
Commentaar ir. Meijer: Nee. Deze dassenburcht had de dassenstichting al eerder ontdekt. Hij werd op 8 (dus niet 9) februari getoond. De veldonderzoeker van adviesbureau Tauw gaf daarbij te kennen dat Tauw deze burcht nog niet had ontdekt. Dit hol was vermoedelijk hooguit enkele dagen oud.
Commentaar ir. Meijer: Stop. Die stelling is niet onderbouwd en bovendien onjuist. De stichting had deze dassenburcht namelijk al eerder ontdekt en hij vertoond toen minder sporen van gebruik dan op 8 februari. Tevens werd de aanwezigheid vastgesteld van een verlaten bijburcht (H1) en enkele losse (dassen)holen in de aarden wal aan de ZW-zijde van de schietbaan (H3 en H4). Wegens het ontbreken van geregistreerde waarnemingen is het onmogelijk om te bepalen hoe lang deze bijburcht en holen zich hier al zouden bevinden.
Commentaar ir. Meijer: Het is aannemelijk dat een deel van deze burchten al werd gegraven kort nadat de hoofdburcht werd gegraven. Die hoofdburcht was in elk geval al in 2017 aanwezig. In opdracht van GEM Crailo heeft AP Natuuradvies en Begeleiding medio februari 2022 drie veldbezoeken uitgevoerd in het projectgebied en het aangrenzende deel van het Goois Natuurreservaat. Tijdens deze veldbezoeken werden op enkele plaatsen dassensporen aangetroffen, zowel op het projectgebied Crailo als in de omgeving van het ecoduct. Het meest concreet was het vers gegraven hol op het Oefenterrein Crailo (zoals hierboven genoemd). Niet alleen was er sprake van vers graafwerk, ook werden er verse dassenprenten (pootafdrukken) naast de wal gevonden. Tijdens het veldbezoek met medewerkers van ODNHN d.d. 02/03/2022 bleek dat dit hol al dagenlang niet meer in gebruik was; het zal vol blad.
Figuur 9 Verse dassenprenten op het oefenterrein
73
Commentaar ir. Meijer: Een bijburcht vol blad is doodnormaal. En zeker na de storm van februari. Voor dergelijke, kleine bijburchten is het normaal dat één of twee clanleden ze slechts een of enkele nachten per jaar gebruikt. De bladeren zijn dan verwiiderd. Wettelijk gezien is er dan gewoon sprake van een bijburcht die in gebruik is door de Das en die valt onder het verbod op opzettelijke beschadigig of vernieling van artikel 3.10 lid 1b van de Wet natuurbescherming. Die bescherming hoort in stand te blijven tot vijf jaren na de laatste tekenen van het gebruik door een das (Soortenstandaard Das en/of Kennisdocument Das). Pas over een langere termijn zal duidelijk worden of hier sprake is van permanente vestiging door een das dan wel van een bijburcht die incidenteel gebruikt wordt. Er kan geen enkele uitspraak over worden gedaan of dassen van de burcht Watertoren Laren in de toekomst in het projectgebied frequenter zullen gaan foerageren.
Commentaar ir. Meijer: In vervolge op de bovenstaande stellingen van AP, die vaak door de dassenstichting van kritisch en beargumenteerd commentaar zijn voorzien, wekt AP hier de suggestie van clanleden die incidenteel in het plangebied foerageren. De dassenstichting verwijst dan ook terug naar haar commentaren. Kortgezegd: het plangebied wordt naar mening van de stichting zeer intensief door de clan gebruikt. De sporen spreken daarover boekdelen en het lijkt alsof AP de rapportages van de dassenstichting niet slechts heeft weggelaten uit de bronvermelding, maar ze ook niet heeft bestudeerd. Alléén al uitgesleten wissels, soms onder doorgangen in hekwerken, tonen aan dat clanleden af en aan lopen.
Er kan hier dan ook wel degelijk een onderbouwde uitspraak worden gedaan, zo blijkt uit alle standaardliteratuur en ervaringskennis van de dassenstichting. Een clan is namelijk uitermate honkvast. Hij blijft jaar na jaar gebruik maken van dezelfde burchten. De territoriumgrenzen veranderen niet. De plekken waar binnen verschillende perioden in het jaar rendabel kan worden gefoerageerd, veranderen evenmin. De clan ken al die plekken en weet ze feilloos te vinden via geursporen en omgevingsgeuren. Bij een bepaald weertype en in bepaalde jaargetijden, worden dan ook telkens dezelfde plekken bij voorkeur gebruikt om te foerageren. De clan zal dan ook intensief gebruik blijven maken van de overlevingsfuncties van het plangebied bij de gegeven milieuomstandigheden. De bijburchten blijven dan in elk geval in gebruik tijdens één of enkele nachten jaarlijks, maar wellicht óók incidenteel als tijdelijk toevluchtsoord voor een moederdas met haar jongen. Commentaar ir. Meijer: Ook op het deelprojectgebied Kazernekwartier hebben dassen bewijs achtergelaten van hun bezoeken. De sporen zijn schaars en niet vers, hetgeen overeenkomt met een kleine dassenfamilie die gebruik maakt van een groot territorium. Ze werden aangetroffen in het beboste deel aan de westzijde van het Kazernekwartier en bestonden uit wroetsporen.
Hier behoeft de stelling ‘niet vers’ nader commentaar. Veel dassensporen zijn kwetsbaar en kunnen binnen een of enkele dagen niet meer als zodanig herkenbaar zijn. Een voorbeeld daarvan zijn wroetplekken. Opgeduwd blad kan na één nacht regenval al niet meer herkenbaar zijn. Wroetplekje in de grond kunnen na één nacht regenval, of droogte van enkele dagen soms al niet meer worden onderscheiden van ‘schraapjes’ van een konijn. In het algemeen: wroetplekken en mestputjes zijn meestal na korte tijd niet meer als dassensporen herkenbaar. En andersom: als ze (nog) wel herkenbaar zijn als dassensporen, dan zijn ze niet oud, dus zou je kunnen zeggen: vers. Al eerder werd beargumenteerd dat er juist veel waarnemingen van dassen en sporen zijn, in een korte tijd. Probleem is dat AP en Tauw geen ‘nul-meting’ hebben gedaan. Dat wil zeggen: geen analoog onderzoek hebben verricht in bijvoorbeeld naaldbos op gelijke afstand van de hoofdburcht. Zeer waarschijnlijk zou dat géén of veel minder waarnemingen hebben opgeleverd.
74
In elk geval heeft AP niet onderbouwd waarom de sporen ‘schaars en niet vers’ zouden zijn. De dassenstichting bestrijdt beide stellingen.
Van de holen in de zandwallen rond de schietbaan werd geconstateerd dat zij inderdaad gegraven zijn door das, hetgeen blijkt uit de halve maanvormige ingang van het hol, de wijze waarop het uitgegraven zand is opgeworpen (niervormige zandhoop) en de voor das typerende afbuiging van het hol. Nu zijn deze holen in gebruik door vossen; dit kan worden geconcludeerd uit de prenten (voetsporen) in het zand (binnen en buiten het hol) en de kenmerkende muskusachtige geur van vos.
Figuur 10 Wroetspoor van das
Commentaar ir. Meijer: De dassenstichting heeft in haar voorgaande commentaar al beargumenteerd dat de bijburchten in normaal gebruik zijn door de clan en daarmee vallen onder het wettelijke verbod op opzettelijke beschadiging of vernieling. Zoals alle of nagenoeg alle bijburchten in Utrecht en Het Gooi, maken ook vossen gebruik van deze dasseburchten. De vossen inspecteren deze burchten zeer regelmatig, zo blijkt uit de vele duizenden videoregistraties (van cameravallen) die de stichting heeft gemaakt. Net zoals de Das, markeren zij de dassenburchten met geurklieren of urine. Voor de mens zijn deze geuren goed waarneembaar, maar dassengeuren doorgaans veel minder. Dat vossen de dassenburchten inspecteren, heeft dus geen invloed op de conclusie dat het dassenburchten zijn die op normale wijze door de dassen als bijburchten worden gebruikt. Overigens: vossen leven grotendeels bovengronds, in tegenstelling tot dassen.
Deze wallen tonen duidelijk hun functie voor de biodiversiteit. Gezien hun ligging versterken zij de functie van het GNR. Daarom is het zonder meer aan te raden om met name de wal aan de ZW-zijde te behouden. Uit enkele dassenprenten aan de zuidwestzijde van het AZC- terrein kan worden afgeleid dat dassen zich via de (aan GNR afgestoten) rand verplaatsen door het gebied. Naast sporen van das werden er opmerkelijk veel sporen van ree aangetroffen in het gehele projectgebied. Deze sporen betreffen wissels, losse prenten en ligplekken. Voorts werden sporen aangetroffen van vos en grote marters, vermoedelijk boommarters aangezien steenmarters in deze omgeving onbekend zijn. Wageningen Environmental Research heeft in de periode 01-07-2018/30-06-2019 onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het Ecoduct Laarderhoogt door zoogdieren. Tijdens dit onderzoek is vastgesteld dat dassen slechts ééns per week het ecoduct benutten om te gaan foerageren aan de overzijde van de A1 (landgoed Larenberg). Er zijn geen gegevens voorhanden over het huidige gebruik door dassen. De aangetroffen wissels wekken de indruk dat het gebruik van het Ecoduct is toegenomen.