CConstaterende datHilversum
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Analyse van Mr. Drs. P. B. Ph. M. Bogaers m.b.t. uitspraak 1 februari 2023 ABRvS en B.o.b. van 6 februari 2023 GS Noord-Holland een terugblik 17 april 2023

GEMEENTERAAD 17 mei 2023, gemeente HilversumBij agendapunt: Ingekomen stukken - Rubriek I55.874 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

27 Over groupthink en de voor- en nadelen van rechtspraak bij een beperkt aantal rechters, zie L. E. de Groot van Leeuwen en S. van Steenbergen, Specialistische rechtspraak in de ogen van rechters en wetenschappers, in: J. W. M. Tromp e.a. (red.). Concentratie en specialisatie van rechtspraak: noodzaak of overbodig? Deventer 2006 (Kluwer), p.37-50.” [Zie over hetzelfde thema p. 31 van Groenendijk en Terlouw, 2009].

Een tweede aspect uit de toetsingspraktijk van de Afdeling bestuursrechtspraak is de inperking van de rechterlijke toetsing door de Afdeling bestuursrechtspraak [zie par. 4.1 in Een venijnig proces uit 2008 op p.17 en zie paragraaf 4.3 in de monografie uit 2009 op p.64]. Citaat: ,, Beperking van rechterlijke controle wordt in de politicologische literatuur in de VS wel aangeduid als court stripping [zie de hierna volgende identieke voetnoot van de auteur(s) Groenendijk/Terlouw]. Het gaat dan om een door de wetgever uit politieke overwegingen ingegeven beperking of uitsluiting van rechterlijke controle in bepaalde soorten zaken. Hier [in de toetsing van vreemdelingenzaken door de ABRvS, PB] gaat het in de ogen van de rechters niet om keuzes van de wetgever maar van de appelrechter. De Raad van State beperkte niet alleen de omvang van de eigen toetsing maar ook die van de rechters in de rechtbanken.” Het betreft een gelijkluidende Identieke Voetnoot nr.10 (2008), resp. nr.91 (2009):

29

D.S. Dobkin, ‘Court Stripping and Limitation on Judicial Review of Immigration Cases’, The Justice System Journal (28) 2007, p.104-108; J.E. Pfander, ‘Jurisdiction Stripping and the Supreme Court’s Power to Supervise Inferior Tribunals’, Texas Law Review (78) 2000, p.1433-1512 en B.W. Curry, The Courts, Congress and the Politics of Federal Jurisdiction, diss Ohio State University, 2005.

6.1.8 Welke vragen rijzen uit de lessen en vragen van Comenius (1668) en de bevindingen van hoogleraren Groenendijk en Terlouw (2008 en 2009), en het Reflectierapport van de ABRvS van november 2021 en uit de bedenkingen van Folkert Jensma (2021) bij het analyseren van de uitspraak van 1 februari 2023 (ABRvS) en bij de analyse van het besluit op bezwaar van GS van Noord-Holland van 6 februari 2023 ? Combineert men nu het ‘Reflectie rapport’ van november 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Lessen uit de kinderopvangtoeslagzaken, Reflectierapport van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) met de les van Comenius over de Ratio status (1668) en met eerdere publicaties uit 2008 en 2009 van de hoogleraren Groenendijk en Terlouw, en met de beschouwing van mr. Folkert Jensma (NRC, zaterdag 27 november 2021 over De Rechtsstaat: , Zelfreflectie bij de Raad van State over ‘Toeslagen‘ hakt erin, De Raad van State gaat nat, maar is het genoeg?, dan besluipt het beklemmend gevoel, dat de bescherming van milieu, klimaat, landschap en natuur bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op dezelfde leest is geschoeid als de ‘allesof-niets’-lijn bij de Kinderopvangtoeslagaffaire. Dit noopt tot nader onderzoek.

Onderwerpen en vragen in dit verband zijn : 1) Hoe indringend is de wettelijke rechtsbescherming ingevolge de Wet natuurbescherming en de toetsing van beroepsgronden door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen voor milieu, landschap en natuur schadelijke besluiten en plannen van primair oordelende bestuursorganen gemeenteraden, burgemeesters en wethouders, Omgevingsdiensten, provinciale bestuurders (Provinciale en Gedeputeerde Staten etc. ? 2) Is er in dit rechtsterrein van ruimtelijke ordening, omgevingsrecht en de Wet natuurbescherming bij de

ABRvS ook sprake van ‘Groupthink’ en van ‘Court Stripping’? 3) Is er sprake van een alle wetten en belangen opzijschuivend Statelijk belang (“imperative reasons of overriding public interest”)? [verb (used with object), o·ver·rode, o·ver·rid·den, o·ver·rid·ing. to prevail or have dominance over; have final authority or say over; overrule: to override one's advisers. to disregard, set aside, or nullify; countermand: to override the board's veto. Override Definition & Meaning | Dictionary.com www.dictionary.com/browse/override]

6.2 Analyse van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:425) De uitspraak van 1 februari 2023 is terug te vinden op internet via bovenstaand ECLI-nummer. De uitspraak bestaat uit 35 pagina’s en kent 34 rechtsoverwegingen (hierna r.ov.). De beroepen van een ingezetene van Bussum, hierna aangeduid als NN, en van SNLG zijn ongegrond verklaard. 6.2.1 Korte toelichting bij de analyse Ter wille van het overzicht wordt in deze beschouwing allereerst de tekst opgenomen van de inhoudsindicatie door de ABRvS zelf,die te vinden is in de elektronisch publicatie van deze uitspraak onder het ECLI-nummer. Tevens is hier de eerste pagina van de uitspraak opgenomen met de namen van partijen, gevolgd door pagina’s 2 t/m 5 van de uitspraak van de ABRvS met een weergave van het procesverloop, gevolgd door de overwegingen door de ABRvS met betrekking tot de inhoud van de bestemmingsplannen, woningbouw en bedrijvigheid in het plangebied (rechtsoverwegingen 1 en 2) en de vrees van appellant 1 [in de analyse hierna te noemen: NN] voor de gevolgen van deze plannen voor woon- en leefklimaat, en de vrees van appellant 2, de

30

Stichting Natuur en Landschap het Gooi (SNLG) voor de gevolgen van deze plannen voor natuur en landschap en milieu in het Gooi en omstreken (rechtsoverweging 3). Ook het door de ABRvS zelf beschreven beoordelingskader (rechtsoverwegingen 4 en 5) is in deze paragraaf 6.2.1 opgenomen. NB. Enige tekstgedeelten zijn hierna door mij onderstreept en/of vet gedrukt. De feitelijke analyse begint hierna in paragraaf 6.2.2 Inhoudsindicatie: Bij besluit van 7 juli 2021 heeft de raad van de gemeente Gooise Meren het bestemmingsplan "Buurtschap Crailo" vastgesteld. Bij besluit van 6 juli 2021 heeft de raad van de gemeente Hilversum het bestemmingsplan "Buurtschap Crailo" vastgesteld. Bij besluit van 7 juli 2021 heeft de raad van de gemeente Laren het bestemmingsplan "Buurtschap Crailo" vastgesteld. De bestemmingsplannen voorzien erin om op de gronden van een voormalig defensieterrein Buurtschap Crailo mogelijk te maken. Deze ontwikkeling omvat onder meer de bouw van een duurzame, groene woonwijk met maximaal 590 woningen en de aanleg van circa 5 ha bedrijvigheid. De gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren werken samen in de werkorganisatie GEM Crailo B.V. GEM Crailo B.V. is eigenaar en ontwikkelaar van het overgrote deel van de plangebieden met een totale omvang van circa 40 ha.

Tekst Uitspraak, pagina 1 t/m 3 , inclusief rechtsoverwegingen 1 t/m 5 Raad van State, datum uitspraak 1 februari 2023, datum publicatie: 1 februari 2023 ECLI:NL:RVS:2023:425, Zaaknummer: 202106135/1/R1, 202106138/1/R1 en 202106201/1/R1 Uitspraak AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1 [appellant sub 1, hierna in de analyse NN ], wonend te Bussum, gemeente Gooise Meren, 2.Stichting Natuur en Landschap het Gooi (hierna: SNLG), statutair gevestigd te Gooise Meren, appellanten, en 1. de raad van de gemeente Gooise Meren, 2 de raad van de gemeente Hilversum, 3. de raad van de gemeente Laren, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2021 heeft de raad van de gemeente Gooise Meren het bestemmingsplan "Buurtschap Crailo" vastgesteld. Bij besluit van 6 juli 2021 heeft de raad van de gemeente Hilversum het bestemmingsplan "Buurtschap Crailo" vastgesteld. Bij besluit van 7 juli 2021 heeft de raad van de gemeente Laren het bestemmingsplan "Buurtschap Crailo" vastgesteld. Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en SNLG beroepen ingesteld.

31

De raden van de gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren (hierna samen: de raden) hebben verweerschriften ingediend. [appellant sub 1], SNLG, de raden en GEM Crailo B.V. hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaken gevoegd op een zitting behandeld op 23 september 2022, waar [appellant sub 1, hierna in de analyse op verzoek te noemen: NN], SNLG, vertegenwoordigd door mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, rechtsbijstandverlener te Bussum, en de raden, vertegenwoordigd door M.P. Tijm Msc, drs. S. Wiedermeijer, K.J. Loman-Van den Hurk en T.J. van Leeuwen, bijgestaan door mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts is op de zitting GEM Crailo B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. C.F.J. Cornelisse en J.B. Nieuwenhuizen, als partij gehoord. Overwegingen Inleiding 1. De bestemmingsplannen voorzien erin om op de gronden van een voormalig defensieterrein Buurtschap Crailo mogelijk te maken. Deze ontwikkeling omvat onder meer de bouw van een duurzame, groene woonwijk met maximaal 590 woningen en de aanleg van circa 5 ha bedrijvigheid. De gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren werken samen in de werkorganisatie GEM Crailo B.V. GEM Crailo B.V. is eigenaar en ontwikkelaar van het overgrote deel van de plangebieden met een totale omvang van circa 40 ha. De plangebieden zijn gelegen op het grondgebied van de gemeenten Gooise Meren, Laren en Hilversum.

Deze gemeenten hebben ieder voor hun eigen grondgebied een bestemmingsplan vastgesteld waarbij wordt uitgegaan van een gezamenlijke ontwikkeling van Buurtschap Crailo. 2. De raden hebben voor het realiseren van Buurtschap Crailo gekozen voor het vaststellen van een zogenoemd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte". Dit betekent dat de raden gebruik hebben gemaakt van extra mogelijkheden voor de inrichting van de bestemmingsplannen op basis van artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), in verbinding met artikel 7c, onder 17, sub jjjjj, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Besluit uitvoering Chw). [Hierover nader meer in paragraaf 6.4.1 m.b.t. r.ov.15. Zie ook de Bijlage bij de uitspraak over de wettelijke voorschriften, die is opgenomen na paragraaf 6.4.18]

Partijen 3. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie A] te Bussum, in de onmiddellijke omgeving van het gebied van het bestemmingsplan dat door de gemeente Gooise Meren is vastgesteld. Zij vreest onder meer voor negatieve gevolgen van de met de bestemmingsplannen mogelijk gemaakte ontwikkelingen voor haar woon- en leefklimaat en heeft daartoe verschillende gronden aangevoerd. SNLG heeft als doel het bevorderen van de bescherming van natuur, landschap en milieu in het Gooi en omstreken. Zij vreest dat door de in de plannen voorziene ontwikkeling onomkeerbare gevolgen ontstaan voor natuur, landschap en milieu, waaronder voor beschermde diersoorten, in het bijzonder voor de das. Beoordelingskader 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de raden bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De raden hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of de plannen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de besluiten tot vaststelling van de bestemmingsplannen in overeenstemming zijn met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van de plannen onevenredig zijn in verhouding tot de met de plannen te dienen doelen.

32

Omdat in dit geval sprake is van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte kunnen verder op grond van artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het Besluit uitvoering Chw, in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), in de bestemmingsplannen ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. De Afdeling zal daarom ook beoordelen of - voor zover dat aan de orde is - de raden zich op het standpunt hebben mogen stellen dat zij de plannen in overeenstemming met de in artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het Besluit uitvoering Chw, vermelde criteria hebben vastgesteld.

5. De (wettelijke) bepalingen die ten grondslag liggen aan de hiernavolgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.”

6.2.2

Analyse van de “niet-ontvankelijkheidsverweren” tegen appellant 1 (NN) en appellant 2 (SNLG)

In paragraaf 6.2.1. is ingegaan op de onderdelen: Inleiding (overwegingen 1 en 2, pagina 1); en Partijen (r.ov. 3, pagina 3), alsmede op het beoordelingskader (r.ov. 4 en 5). Eerst met rechtsoverweging 6 begint de beoordeling door de ABRvS van allereerst de vraag of de beroepschriften van appellant 1 (hierna: NN) en van appellant 2 (SNLG) wel door hen bij de ABRvS rechtsgeldig zijn ingediend? Kunnen zij in hun beroepen worden “ontvangen”? Toelichting: Kosten noch moeite worden in alle zaken door overheden en partijen [zoals GEM Crailo B.V.] en hun advocaten gespaard om een wederpartij, die een bezwaar of beroep tegen een besluit of plan of ontheffing heeft ingesteld, ‘niet-ontvankelijk’ te laten verklaren. Wordt door de rechter de ‘niet-ontvankelijkheid’ uitgesproken, dan hoeven de ingediende verweren/gronden van beroep van de niet-ontvankelijk verklaarde appellant niet te worden behandeld. In het beroep van de SNLG en in het beroep van NN bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was dit de eerste hindernis die door beide appellanten moest worden weerstaan. De ABRvS trad in deze zaak als enige beroepsinstantie op.

In paragraaf 7 komt het niet-ontvankelijkheidsverweeer eveneens aan de orde in de procedure in bezwaar van de SNLG bij Gedeputeerde Staten van Noord-Holland tegen een door GS afgegeven Ontheffing van 23 augustus 2022 ingevolge de Wet natuurbescherming. Tekst Uitspraak, pagina 3 onderaan t/m 5 , rechtsoverwegingen 6 t/m 7 Procedurele aspecten Ontvankelijkheid 6. De raden hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is, voor zover haar beroepen zijn gericht tegen de bestemmingsplannen van Hilversum en Laren, door de afstand tussen haar perceel en deze plangebieden en het gegeven dat zij geen zicht daarop heeft. Daarbij hebben de raden erop gewezen dat [appellant sub 1] alleen een zienswijze tegen het bestemmingsplan van Gooise Meren heeft ingediend. 6.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leefof bedrijfssituatie van betrokkene zijn, wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling

33

van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 6.2. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] nabij het plangebied van de gemeente Gooise Meren woont, en verder op een afstand van ongeveer 250 m van het plangebied van het bestemmingsplan Hilversum en ongeveer 750 m van het plangebied van het bestemmingsplan Laren. Hetgeen in de bestemmingsplannen voorzien is, ziet op delen van het grondgebied van drie gemeenten en overschrijdt daarmee gemeentegrenzen. De drie raden van de gemeenten Gooise Meren, Hilversum en Laren hebben ieder een eigen bestemmingsplan vastgesteld voor hun grondgebied waarbij wordt uitgegaan van een integrale ontwikkeling van Buurtschap Crailo, die ruimtelijk als één geheel wordt gezien. Gezien de omstandigheid dat er tussen de drie bestemmingsplannen een zodanige samenhang in planologische zin bestaat dat geen of nauwelijks onderscheidende betekenis valt toe te kennen aan een van de plannen, is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat in dit geval [appellant sub 1] feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt ten gevolge van alle drie de plannen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat [appellant sub 1], in weerwil van de nauwe samenhang tussen de bestemmingsplannen, niet als belanghebbende is aan te merken bij het vaststellen van elk van deze plannen. 6.3. De beroepen van [appellant sub 1] zijn ontvankelijk, ook voor zover gericht tegen de bestemmingsplannen van Hilversum en Laren, en zullen hieronder inhoudelijk worden behandeld. Relativiteit 7. De raden betogen dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke bespreking van de door SNLG ingebrachte beroepsgronden. De raden voeren daartoe aan dat niet is gebleken van feitelijke werkzaamheden die SNLG heeft verricht met het oog op de behartiging van het algemeen belang dat is neergelegd in de statutaire doelstelling van de stichting in de periode vanaf haar oprichting op 23 februari 2021 tot het einde van de beroepstermijn op 23 september 2021. De raden wijzen er verder op dat de handelingen die SNLG heeft verricht alleen bestaan uit het indienen van zienswijzen en het instellen van beroepen in het kader van deze plannen. Ter onderbouwing van het voorgaande wijzen zij in het bijzonder op de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 6.6-6.9 en 10.55, en de daarin genoemde uitspraken van de Afdeling. 7.1.

SNLG stelt dat zij in de periode tot aan het einde van de beroepstermijn feitelijke werkzaamheden heeft verricht met het oog op de behartiging van de statutaire doelstelling van de stichting. 7.2. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 7.3.

De vraag of SNLG feitelijke werkzaamheden heeft verricht ten aanzien van haar statutaire doelstelling in de periode tussen haar oprichting op 23 februari 2021 en het einde van de beroepstermijnen op 23 september 2021 is niet van belang voor de toepassing van het relativiteitsvereiste (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836, onder 9.10). De eis van feitelijke werkzaamheden staat immers in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, zodat aan feitelijke werkzaamheden van een stichting alleen in het kader van de belanghebbendheid betekenis toekomt. Onder deze omstandigheden kan het relativiteitsvereiste niet op de door de raden bedoelde wijze aan SNLG worden tegengeworpen. In zoverre bestaat daarom geen grond om niet inhoudelijk op de beroepen van SNLG in te gaan.”

34

Conclusies door P. Bogaers over de poging van advocaat Binnerts tot procedurele uitschakeling van NN en van SNLG in r.ov. 6 en 7 Betreffende de Procedurele aspecten is duidelijk dat de inspanningen van de raden en van de GEM Crailo B.V. om tot niet-ontvankelijkverklaring door de Raad van State te komen niet hebben geleid tot procedurele uitschakeling van NN en van SNLG. Opgemerkt wordt in dit verband dat de raden en de GEM Crailo B.V. steeds door dezelfde advocaat in welke procedure dan ook werden bijgestaan. Zie in dit verband paragraaf 7 over de behandeling door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van het bezwaarschrift van 4 oktober 2022 van de SNLG tegen een besluit van GS van 23 augustus 2022 tot Ontheffing van de Wet natuurbescherming van daarin gestelde verboden op vernietiging van rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen ex artikelen 3.5 en 3.10 lid 1 sub b Wnb Appellant 1 (NN) is Ontvankelijk verklaard in r.ov. 6, 6.1., 6.2.,6.3. over NN, pagina 3 en 4 uitspraak): NN is ontvankelijk verklaard; Appellant 2 (SNLG) is eveneens ontvankelijk verklaard. Het beroep van de raden op Relativiteit ex artikel 8:69a van de Awb is verworpen door de ABRvS (r.ov. 7, pagina 5): de Stichting Natuur en Landschap het Gooi is ontvankelijk verklaard. Echter de ingestelde beroepen zijn vervolgens ongegrond verklaard.

Dit zou reden kunnen zijn om maar niet verder te hoeven lezen. Echter dit zou geen recht doen aan het doorgronden van de wijze waarop de Afdeling bestuursrechtspraak redeneert. Is er ook hier, evenals in andere rechtsgebieden van het bestuursrecht, sprake van doelredeneringen (ook genoemd: teleologische redeneringen) en van Groupthink, en van Court Stripping, zoals in deze beschouwing hierboven is besproken in paragraaf 5 ?

6.3

De feitelijke analyse over de ongegrondverklaring door de ABRvS van het ingestelde beroep van NN

6.3.1 Aantasting natuur r.ov. 8, 8.1., 8.2., 8.3., 8.4 (pagina 5 t/m 8) ,,Beroepen NN: ,,Aantasting natuur 8. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de in de plannen voorziene ontwikkeling, omdat zij vindt dat dit leidt tot een aantasting van natuur. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat de raden bij de afweging van alle betrokken belangen te weinig gewicht hebben toegekend aan het behoud van de aanwezige natuurwaarden ter plaatse en dat er alternatieven mogelijk zijn waardoor de natuur minder onomkeerbaar wordt aangetast. De plannen maken ten onrechte veel bebouwing mogelijk en hebben mede daarom een grootschalige kaalslag van bomen en ander groen tot gevolg met onder meer negatieve effecten voor diersoorten. Verder voert [appellant sub 1] aan dat de plannen leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving. Hoewel de voorziene woningen gasloos zullen worden gebouwd, blijkt volgens [appellant sub 1] uit de plannen niet op welke wijze de voorziene woningen emissieloos worden uitgevoerd. Zij wijst in dat verband erop dat de plannen er niet aan in de weg staan dat houtkachels in de woningen worden gezet, hetgeen de uitstoot van fijnstof en de effecten van zogenoemde carcinogene stoffen tot gevolg heeft.

[appellant sub 1] voert aan dat haar eigen metingen sterke indicaties geven dat de concentraties van deze stoffen hoger zullen zijn dan is toegestaan, dit in tegenstelling tot de conclusies in het rapport "Gebiedsontwikkeling Crailo. Onderzoek luchtkwaliteit" van Arcadis van 26 maart 2021. [appellant sub 1] wijst in dit verband verder op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591, in de zaak van de stichting Urgenda tegen de Staat, waarin is beslist dat de Staat meer moet doen om de uitstoot van onder meer broeikasgassen (CO2) te verminderen. 8.1. De raden stellen zich op het standpunt dat bij de totstandkoming van de plannen rekening is gehouden met de natuur. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een "natuurinclusieve" ruimtelijke inrichting om daarmee de biodiversiteit in de plangebieden te versterken. Daarmee wordt gedoeld op een betere ruimtelijke integratie van natuur met andere functies zoals woningbouw, bedrijfspanden en andere objecten. De raden stellen ten aanzien van de aanwezige houtopstanden in de plangebieden dat niet zodanige natuurwaarden zijn aangetroffen dat behoud van al het groen aan de orde is, maar dat wordt getracht om de bestaande beplanting zo veel mogelijk blijvend in te passen dan wel te compenseren in het

35

toekomstige beeld. Tot slot stellen de raden dat uit uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de daarvoor geldende normen. 8.2. In het algemeen kunnen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raden hebben een belangenafweging gemaakt en daarin het volgende betrokken. In het huidige gebied is een grote oppervlakte aan gebouwen en verharding in verband met het oude defensieterrein aanwezig. Weliswaar komen er in de voorziene situatie nieuwe gebouwen bij voor woningen, bedrijvigheid en overige voorzieningen, maar er zullen ook verschillende bestaande gebouwen verwijderd worden. Dit gebeurt op zo’n manier dat zoals GEM Crailo B.V. op de zitting heeft toegelicht - de verharding per saldo afneemt. De raden hebben verder in de afweging betrokken dat zij bij het bouwen en inrichten van Buurtschap Crailo een natuurinclusieve ruimtelijke inrichting beogen, waarbij natuur, waaronder ook diersoorten worden bergrepen, en bouwwerken onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

In artikel 20.6 van de planregels is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het bouwen van gebouwen volgens het bepaalde in de bestemmingsplannen uitsluitend is toegestaan onder de voorwaarde dat voldoende maatregelen worden gerealiseerd. Daarbij geldt dat in de beleidsregel "Natuurinclusief bouwen en inrichten Buurtschap Crailo", die is gebaseerd op ecologisch advies en aansluit bij de biodiversiteitsdoelen voor Crailo, is uitgewerkt wanneer sprake is van voldoende maatregelen in het kader van natuurinclusief bouwen en inrichten voor verschillende situaties. Met deze zogenoemde dynamische verwijzing waarborgen de voorliggende plannen, naar niet wordt betwist, dat de ruimtelijke inrichting natuurinclusief wordt gerealiseerd en gehouden. De raden hebben in de afweging verder betrokken dat tussen de bestaande bebouwing in de omgeving van de plangebieden en de voorziene, nieuwe ontwikkeling aan een strook grond met een breedte van 15 m de bestemming "Groen - 1" is toegekend met het oog op het realiseren van een bufferzone voor het realiseren van een voldoende (natuurlijke) afscherming.

Over het betoog van [appellant sub 1] dat de plannen leiden tot een kaalslag van bomen en ander groen met de nodige negatieve effecten tot gevolg, overweegt de Afdeling dat de raden op de zitting hebben gesteld dat kaalslag niet in de rede ligt, nu veel groen wordt behouden dan wel wordt gecompenseerd. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog van [appellant sub 1] geen aanleiding voor het oordeel dat de raden zich niet redelijkerwijs op het standpunt hebben kunnen stellen dat zij voldoende rekening hebben gehouden met de belangen van [appellant sub 1] bij het behoud van aanwezige natuur, en dat het belang bij realisatie van de voorziene ontwikkeling zwaarder weegt. Eveneens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raden hadden moeten kiezen voor een alternatief waarbij minder onomkeerbaar natuur wordt aangetast, nu de raden voldoende hebben gemotiveerd waarom hun voorkeur uitgaat naar de voorziene ontwikkeling, waarbij natuurinclusief wordt gebouwd en ingericht. 8.3. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] over de luchtkwaliteit, overweegt de Afdeling het volgende. Ten behoeve van de bestemmingsplannen is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd.

De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport "Luchtkwaliteit gebiedsontwikkeling Crailo" van Arcadis van 26 maart 2021 (hierna: luchtkwaliteitsonderzoek). Hieruit volgt dat ter plaatse van de planlocatie, ook indien een zogenoemd worst case scenario wordt aangehouden, de concentraties zoals die in termijn van jaargemiddelde concentratie gelden voor onder meer stikstofdioxide en fijnstof, ruim onder de grenswaarden liggen. De door [appellant sub 1] overgelegde resultaten van eigen metingen bevatten, zoals op de zitting is gebleken, geen gegevens over jaargemiddelde concentraties en de vierentwintig-uurgemiddelde concentraties, zoals in het luchtkwaliteitsonderzoek. In zoverre bestaat in het aangevoerde dan ook geen grond om aan de uitkomsten van het luchtkwaliteitsonderzoek te twijfelen. Voor zover [appellant sub 1] verder erop heeft gewezen dat de raden ten onrechte geen rekening ermee hebben gehouden dat in de voorziene woningen mogelijk houtkachels zullen worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat, gelet op hetgeen op de zitting is verhandeld over de beperkte mogelijkheden in de voorziene woningen hiertoe, het niet aannemelijk is dat de woningen waarin de plannen voorzien op meer dan incidentele schaal zullen worden verwarmd met houtkachels.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat in het luchtkwaliteitsonderzoek terecht geen rekening is gehouden met de emissies als gevolg van houtkachels tijdens het gebruik van de woningen. Daarbij neemt zij tevens in aanmerking dat de concentraties voor onder meer stikstofdioxide en fijnstof ruim binnen de normen liggen. Het beroep van [appellant sub 1] op het arrest van het gerechtshof van Den Haag van 9 oktober 2018 treft geen doel, alleen al omdat [appellant sub 1] niet heeft toegelicht waarom de bestreden besluiten in strijd zijn met dat arrest, dat een algemene opdracht aan de Staat inhoudt om de emissie van broeikasgassen te beperken. Gelet op het voorgaande hebben de raden voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat de in de plannen mogelijk gemaakte ontwikkeling geen onaanvaardbare gevolgen voor de luchtkwaliteit zullen hebben. In het door [appellant sub 1] aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raden het luchtkwaliteitsonderzoek niet aan de bestreden besluiten ten grondslag hebben mogen leggen.

36

8.4. Gelet op al wat hiervoor is overwogen hebben de raden zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de plannen in zoverre strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt niet.”

Commentaar P. Bogaers: 1) De ABRvS gaat voorbij aan het Milieu Effect Rapport (MER) van 1 december 2020, waarin uitdrukkelijk wordt gestipuleerd, dat welk model er ook wordt gekozen ter realisatie van bebouwing, dit in alle gevallen zal leiden tot ernstige schade voor alle aanwezige vleermuissoorten en àlle bosbewonende diersoorten. Ook is daarin gestipuleerd, dat welke voorschriften van ” ‘natuurinclusief bouwen’ dan ook ,,de schade in geen enkel opzicht te niet zullen doen”.

2) De ABRvS gaat eraan voorbij dat het plangebied- zoals uit de processtukken bekend is- decennia lang als omsloten defensieterrein een refugium vormt in het Gooi voor ree, das, vos, bunzing, boommarter, rode eekhoorn, en vogelsoorten als havik, bosuil, vier soorten spechten etcetera. Deze soorten worden door realisatie van stedelijke bebouwing verjaagd. 3) Opvallend is in deze uitspraak, dat de ABRvS door een niet gespecificeerde mededeling van de GEM Crailo B.V. ter zitting voetstoots akkoord gaat met de gedachte,, dat kaalslag niet in de rede ligt, nu veel groen wordt behouden dan wel wordt gecompenseerd.” De ABRvS heeft hierop niet doorgevraagd en heeft evenmin gevraagd om specificatie van deze ongedifferentieerde mededeling. Er wordt hierdoor alleen maar nog meer rechtsonzekerheid gecreëerd, die nu toegedekt is door de ABRvS. Waar er dan wel gekapt en geveld zal worden blijft volmaakt onbekend en toezicht op deze niet-gegeven specificatie is onmogelijk voor wie ook. [zie hierna paragraaf 7 over dezelfde vraag]. 4) Waar NN ter zitting de eerder overgelegde meetgegevens van fijnstof uit de Anne Franklaan, waar NN woont, heeft getoond en toegelicht, werden die door NN wel schriftelijk overgelegde gegevens die boven de normwaarden liggen door de ABRvS weggeschoven met de mededeling dat de gegevens niet op een geheel jaar zien, niet jaarrond zijn opgenomen.

Waarom vindt er hier geen ‘ongelijkheidscompensatie’ plaats? Waarom heeft de ABRvS geen eis gesteld aan de GEM Crailo B.V. om zelf jaarronde uitstootgegevens van fijnstof en roet door het verkeer op de nabije rijksweg A1 en de depositie van fijnstof en roet in het plangebied te overleggen? 5) De ABRvS heeft zich door deze manier van redeneren ervan afgemaakt overeenkomstig de op elkaar intern afgestemde manier van denken binnen de ABRvS. Hier is sprake van ‘Groupthink’. Ten onrechte heeft zoals uit de behandeling van de gronden van beroep van de SNLG gebleken is de ABRvS zonder redengeving geweigerd nader advies te vragen aan het STAB. [ Website: STAB is een onafhankelijke, professionele organisatie met deskundigen op gebied van het omgevingsrecht. STAB heeft als doel om met heldere adviezen de rechtspraak in Nederland te ondersteunen. We werken alleen in opdracht van rechtbanken en de Raad van State, waardoor we kunnen garanderen dat we onafhankelijk advies leveren.]

6) In r.ov.8.2 wordt duidelijk, dat de Afdeling hoe dan ook een politieke afweging maakt door de doorslag te geven aan het economisch belang, waaraan overwegingen ten gunste van natuur, landschap en milieu, waaronder woon- en leefklimaat van de mens (zie hieronder r.ov. 9) het onderspit delven: ,, Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog van [appellant sub 1] geen aanleiding voor het oordeel dat de

raden zich niet redelijkerwijs op het standpunt hebben kunnen stellen dat zij voldoende rekening hebben gehouden met de belangen van [appellant sub 1] bij het behoud van aanwezige natuur, en dat het belang bij realisatie van de voorziene ontwikkeling zwaarder weegt. Eveneens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raden hadden moeten kiezen voor een alternatief waarbij minder onomkeerbaar natuur wordt aangetast, nu de raden voldoende hebben gemotiveerd waarom hun voorkeur uitgaat naar de voorziene ontwikkeling, waarbij natuurinclusief wordt gebouwd en ingericht.

Met andere woorden: bouwen van huizen en bedrijven vormt de “Imperative reason of overriding public interest”, de alles opzijschuivende reden om alle andere belangen weg te schrijven. Of zoals ter zitting op 23

37

september 2022 bij de ABRvS in deze zaak door mij is gewaarschuwd over het teloor gaan van natuur, landschap en milieu: ,,Wij zagen de tak af, waarop wij zitten.” 7) In tegenstelling tot de belofte van een andere vorm van rechtspraak in het ‘Reflectierapport’ van november 2021, is er voor “responsief’’ recht, de “evenredigheidslijn” bij de ABRvS nog immer geen ruimte. De lessen van de kinderopvangtoeslag zijn niet geleerd. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt, dat zij zich beperkt tot de zogenoemde “ marginale toetsing”, waarbij zij niet op de stoel van het bestuur wil gaan zitten (r.ov. 4 onderaan): “De Afdeling oordeelt niet zelf of de plannen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de besluiten tot vaststelling van de bestemmingsplannen in overeenstemming zijn met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van de plannen onevenredig zijn in verhouding tot de met de plannen te dienen doelen.”

Deze marginale toetsing staat tegenover de in andere rechtsgebieden zeer gebruikelijke volle rechterlijke toetsing (zoals in het privaatrecht, overeenkomstenrecht, familierecht, strafrecht). Bij volle rechterlijke toetsing is de persoonlijke overtuiging van de rechter van belang. Deze overtuiging dient gebaseerd te zijn op evenwicht tussen logos (kennis van wet en regelgeving, fundamentele kennis van de feiten en omstandigheden van de zaak), pathos (inzicht in het lijden van de onderliggende partij, inzicht in het aan welke procedure dan ook inherent leed: geen extra leedtoevoeging, maar probleemoplossend vermogen) en ethos (het bewaken van de ondergrens van de rede, het in acht nemen van basale levensvoorwaarden van de meest kwetsbare partij). Deze eisen dienen ook gesteld te worden aan andere beroepsuitoefenaren van het recht, op de eerste plaats aan advocaten en andere rechtshulpverleners. Logos, pathos en ethos” zijn daarbij volledig verdisconteerd in de toetsing en beoordeling van de zaak door de rechter (prof. A. Brenninkmeijer, 2019, Moreel Leiderschap, Prometheus, Amsterdam, ISBN 978 90 446 4051 9, 334 pp.). Volle toetsing houdt in dat de burgerlijke rechter, de strafrechter etc. volledig “met alle van belang zijnde feiten, belangen en omstandigheden in welke zaak dan ook rekening houdt”.

In het bestuursrecht daarentegen is het overheidsbelang het eerste belang dat door de bestuursrechter wordt gerespecteerd. Tot en met de behandeling door de bestuursrechter zijn overheid en burger niet gelijkwaardig, maar krijgt de overheid een voorkeursbehandeling. Alleen wanner het de “spuigaten uitloopt” , bestaat er de kleine(re) kans dat de bestuursrechter durft in te grijpen en de overheid in het ongelijk stelt. Bij de Kinderopvangtoeslagzaken heeft dat vele jaren geduurd. Marginale toetsing betekent bij voortduring dat er niet wordt voldaan aan eisen van “processuele rechtvaardigheid” en van “materiële rechtvaardigheid”. Alleen wanneer partijen (overheid èn burger) processueel over weer gelijk worden behandeld (waaronder voortdurend teruggekoppelde hoor- en wederhoor), en alleen wanneer materieel (= inhoudelijk), zonder vooringenomenheid van de rechter, de gronden van bezwaar dan wel beroep van de burger ‘op waarheid worden getoetst’ , kan de burger zich echt gehoord weten en vrede hebben met een rechterlijke uitspraak. Dat is bij het bestuursrecht per definitie nauwelijks het geval. Zie ook de publicaties van hoogleraren Groenendijk en Terlouw. 6.3.2 Aantasting Woon- en leefklimaat r.ov. 9 (pagina 8) Beroepen NN: ,,Woon- en leefklimaat 9.

[appellant sub 1] betoogt dat de voorziene ontwikkeling op de gronden van de gemeente Gooise Meren leidt tot een belemmering van haar uitzicht. In dit verband voert zij aan dat de voorziene woningbouw ter plaatse te hoog is. 9.1. Uit de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan Gooise Meren blijkt dat de voorziene ontwikkeling diverse bouwhoogten kent, variërend van 10 m tot 13 m. De afstand van de woning van [appellant sub 1] tot het dichtstbijzijnde bouwvlak bedraagt circa 40 m. Het is aannemelijk dat de voorziene ontwikkeling zal leiden tot een zeker verlies van uitzicht, maar de Afdeling acht dit niet zodanig ingrijpend dat de raad het plan niet redelijkerwijs heeft kunnen vaststellen. In dat verband is van betekenis dat geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat. Verder heeft de raad van Gooise Meren in

38

aanmerking kunnen nemen dat tussen het perceel van [appellant sub 1] en de ontwikkeling zich al woningen bevinden die haar uitzicht belemmeren. Het betoog slaagt niet.”

Commentaar P. Bogaers Dergelijke overwegingen behoren tot het standaardoverwegingen van de ABRvS. Geen onderzoek is door SNLG gedaan naar uitspraken van de ABRvS waar een dergelijk beroep wel is gehonoreerd en wartr de onder- en bovengrenzen zijn. Deze zijn er zeker. Appellant NN heeft dit zelf niet van te voren uitgezocht. 6.3.3 overtreding stikstofnormen r.ov. 10, 10.1., 10.2., 10.3.(pagina 8 en 9) “Stikstof 10. [appellant sub 1] betoogt dat in de plannen niets is opgenomen over de gevolgen van de extra stikstofuitstoot door de voorgenomen ontwikkeling. [appellant sub 1] brengt naar voren dat de raden ten onrechte geen onderzoek hebben gedaan naar de gevolgen hiervan als gevolg van de bouw van de woningen, het aantal mensen dat in de plangebieden komt wonen, de verbrandingsinstallaties in en bij woningen, waaronder ook warmtepompen, het aantal verkeersbewegingen buiten de wijk en de verkeerssnelheid op de omliggende snelwegen A1 en A27. Naar moet worden aangenomen heeft [appellant sub 1] hierbij het oog op de gevolgen van de stikstofuitstoot op Natura 2000-gebieden. 10.1. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51), kunnen de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van de appellant, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van de appellant en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. 10.2. In de wijde omgeving van de plangebieden ligt een aantal Natura 2000-gebieden. Het voor [appellant sub 1] meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het gebied "Eemmeer & Gooimeer Zuidoever". Dit gebied ligt op geruime afstand van in elk geval 3 km van haar woning.

Gelet op deze afstand maakt dit Natura 2000-gebied geen deel uit van de directe woonomgeving van [appellant sub 1] en bestaat er geen verwevenheid tussen de belangen van [appellant sub 1] bij het behoud van een goede kwaliteit van haar directe woon- en leefomgeving en de belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Om die reden moet worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] bij het behoud van een goede kwaliteit van haar leefomgeving. 10.3. Hetgeen [appellant sub 1] ten aanzien van de effecten op Natura 2000-gebieden aanvoert, kan - onder verwijzing naar wat is overwogen onder 7.2 - op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking daarvan.”

Commentaar P. Bogaers: Op grond van artikel 8:69a van de Awb (geciteerd in r.ov. 7.2) werd in r.ov. 10.3 bepaald door de ABRvS: ,,Hetgeen NN ten aanzien van de effecten op Natura 200-gebieden aanvoert, kan – onder verwijzing naar wat is overwogen onder 7.2 – op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. De Afdeling ziet af van een inhoudelijke behandeling.” Met andere woorden, appellant NN kan wel gelijk hebben, maar dat gaat haar niet aan, aldus in feite de ABRvS.

NB. Dit is een eerste voorbeeld in deze uitspraak van Court Stripping. NN had volgens r.ov. 10.2. geen rechtens te honoreren belang “gelet op de afstand tussen de woning van NN van in elk geval 3 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied “Eemmeer & Gooimeer Zuidoever.” 6.3.4

Risico’s van Lithium ION energiedragers r.ov. 11 en 11,1 (pagina 9 en 10)

39

“Lithium ION energiedragers 11. [appellant sub 1] betoogt dat de raden in het kader van de vaststelling van de plannen geen aandacht hebben besteed aan de vraag of Lithium ION energiedragers ten behoeve van de opslag van energie een gevaar kunnen opleveren voor de omgeving. 11.1. In de planregels is bepaald dat binnen verschillende bestemmingen, zoals weergegeven met de aanduiding "energieopwekkende voorzieningen", voorzieningen mogelijk worden gemaakt ten behoeve van het op duurzame wijze opwekken van energie, waarbij geen fossiele brandstoffen worden gebruikt. In dat verband hebben de raden ter zitting toegelicht dat hun energievisie uitgaat van bodemwarmte en zonnepanelen en dat overtollige energie in beginsel wordt gebruikt ten behoeve van laadpalen voor elektrische auto’s. De plannen laten niettemin de mogelijkheid open om onder meer in een Lithium ION energiedrager te voorzien om energie op te slaan. De raden hebben daarbij benadrukt dat, voor zover al een batterij geplaatst zal worden in de plangebieden, deze moet voldoen aan de milieueisen die hiervoor gelden, zodat de batterij geen veiligheidsrisico’s met zich mee zal brengen. In de plantoelichtingen wordt onder meer daarom geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen oplevert ten aanzien van het risicoaspect van energiedragers. [appellant sub 1] heeft niet gesteld dat het voorgaande onjuist is.

Het betoog van [appellant sub 1] dat de raden geen aandacht hebben besteed aan externe veiligheid van energiedragers treft daarom geen doel. Het betoog slaagt niet.

Commentaar P. Bogaers 1). Dergelijke overwegingen behoren tot het standaardoverwegingen van de ABRvS. Hier is sprake van Groupthink. Geen onderzoek is door SNLG gedaan naar uitspraken van de ABRvS waar een dergelijk beroep wel is gehonoreerd. Appellant NN heeft dit zelf niet van te voren uitgezocht. Van belang is hierbij, zoals NN ter zitting naar voren heeft gebracht, dat elektrisch aangedreven auto’s grotere risico’s met zich meebrengen in droge, bosbrandgevaarlijke gebieden zoals het plangebied Buurschap Crailo. Aan het gevaar van onbeheersbare bosbranden heeft SNLG op basis van eigen onderzoek wel aandacht besteed in de fase van herziening en in beroep bij de ABRvS. Zie de zienswijze van 23 februari 2021 op pagina 10 e.v. en het onderzoek op p. 82-84. Ook daar is niets mee gedaan door de raden en door de ABRvS. Het centrale heidegebied van het Gooi is in hoge mate gevoelig voor onbeheersbare bosbranden bij een steeds droger en warmer klimaat. Een indicatie voor onbeheersbare branden is te vinden op url. https://www.pricewise.nl/blog/brandgevaarelektrische-autos-in-parkeergarages/ ,, Experts zien grote gevaren Net als een mobiele telefoon, tablet, laptop en e-bike, draait een elektrische auto op een lithium-ion-batterij. Een batterij die brandgevaarlijker is dan een normale batterij.

Over deze batterij vertelde Sander Lepelaar aan het Verbond van Verzekeraars dat er bij brand giftige stoffen vrijkomen, maar er ook elektrocutiegevaar is voor brandweermannen en vrouwen als ze komen blussen. Verder gaf Lepelaar aan dat elektrische auto’s een totaal ander brandverloop hebben dan ‘gewone’ auto’s, maar dat de wetgeving daar geen rekening mee houdt. Ronald Koster van inspectiebureau Burghgraef Van Tiel vulde hem aan door te zeggen dat er “gewoon geen goede plek is voor een laadpaal in een ondergrondse parkeergarage. Als het misgaat, is het gelijk goed mis.”

En wat te denken van particuliere laadpalen in dit gortdroge Buurschap Crailo-gebied? De risico’s worden door de ABRvS in navolging van de drie gemeenteraden en GEM Crailo B.V. bij de bevolking en bij natuur en landschap gelegd. 6.3.5 Bodemverontreinigingen r.ov. 12, 12.1 ,12,2, , 12,3. (pagina 10 en 11)

Vooruitlopend op het commentaar worden enige tekstgedeelten uit r.ov. 12 hieronder om didactische redenen onderstreept en/of vet gedrukt: ,,Bodemverontreinigingen

40

12. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte niet, dan wel onvoldoende duidelijk is gemaakt welke bodemverontreinigingen waar in de plangebieden aanwezig zijn. 12.1. De Afdeling stelt voorop dat de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling. In het licht daarvan behoeven de besluiten geen gedetailleerd inzicht te bieden in de verontreinigingen als door [appellant sub 1] bedoeld. Dat doet er niet aan af dat de raden de plannen niet mochten vaststellen als de raden op voorhand redelijkerwijs hadden moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreinigingen aan de uitvoerbaarheid van de plannen in de weg staat. 12.2. In paragraaf 6.3.1 van de plantoelichtingen staat weergegeven dat de gronden van de plangebieden geïnventariseerd zijn waarvan bekend is dat daar sprake is van bodemverontreiniging. Ten behoeve van de ontwikkeling is een raamsaneringsplan "Saneringsplan op hoofdlijnen" opgesteld, dat mede is gebaseerd op tenminste 29 in het verleden reeds uitgevoerde bodemonderzoeken. Hierin is opgenomen dat binnen het plangebied 15 "verontreinigingsspots" aanwezig zijn met een oppervlak van circa 6.000 m2 en met een totaal verontreinigd volume van circa 7.000 m3.

In de plannen is de werkwijze beschreven van de voorgenomen saneringen. Er is gekozen voor een saneringsplan op hoofdlijnen omdat de ontwikkeling gefaseerd plaatsvindt en er nog wijzingen kunnen optreden en vervolgonderzoek kan plaatsvinden bij de uitvoering van de plannen. 12.3. [appellant sub 1] wijst er op zichzelf terecht op dat met hetgeen onder 12.2 is vermeld nog niet vast staat dat alle verontreinigingen in beeld zijn gebracht en dat gaandeweg de ontwikkeling van het gebied zich nog nieuwe verontreinigingen kunnen aandienen. Mede gelet op het verhandelde op de zitting laat dit echter onverlet dat het ervoor moet worden gehouden dat inmiddels een aanzienlijk deel van de verontreinigingen binnen de plangebieden in beeld is. Bij de uitvoering van de plannen zullen de verontreinigingen in beginsel gesaneerd moeten worden alvorens de voorziene ontwikkeling mogelijk te maken. In hoeverre bekende dan wel eventuele nieuwe verontreinigingen, in aanvulling op hetgeen in het raamsaneringsplan reeds is vermeld, uiteindelijk zullen moeten worden gesaneerd, hangt volgens de raden van verschillende factoren af, zoals de ernst en omvang van de verontreinigingen, maar ook van de wijze waarop het gebied precies zal worden ingericht.

In het verlengde daarvan hebben de raden op de zitting toegelicht dat in de plannen is beoogd veel flexibiliteit te bieden bij de realisering ervan, zodat bodemverontreinigingen als zodanig niet in de weg hoeven te staan aan de realisering van de voorziene ontwikkeling en door keuzes bij de inrichting van het gebied hoge saneringskosten vermeden kunnen worden. Hiermee is duidelijk geworden dat het vooraf nog gedetailleerder onderzoeken van de bodem niet noodzakelijk is voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling. Daarom hebben de raden zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige bodemverontreinigingen op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van de plannen in de weg staan. Het betoog slaagt niet.”

Commentaar P.Bogaers 1) In deze overwegingen 12, 12.1. t/m 12.3. deelt de ABRvS mee, “dat er bodemverontreinigingen en de noodzaak

van bodemsanering en de wijze van sanering geregeld zijn in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling”. Interessant is dat er ook hier sprake is als tweede voorbeeld in deze uitspraak van

Court Stripping.

2) In een door de GEM Crailo B.V. in de planvoorbereiding geproduceerd “Saneringsplan op hoofdlijnen Concept, ontwikkelingslocatie Crailo, 2020” van Fred Bransen en Ben Timmerman is meegedeeld dat van het hele terrein van 40 hectare de toplaag van 0,5 meter over 400.000 vierkante meter zou moeten worden gesaneerd en afgevoerd, los van de zogenoemde hotspots; totaal 200.000 kubieke meter. Dat is wat anders dan de in r.ov. 12.2 genoemde 7.000 kubieke meter. Dit is aan de ABRvS bekend gemaakt in de tweede brief aan de ABRvS van 1 okober 2021 onder doorgeleiding van het bovengenoemde Saneringsplan op hoofdlijnen”. Dit plan is doorgenummerd als bijlage 71 in de tweede brief: “Saneringsplan op hoofdlijnen Concept, ontwikkelingslocatie Crailo, 2020, behandeld door Fred Bransen (f.bransen@crailo.nl ) en Ben Timmerman (b.timmerman@lieverse.com), onder auspiciën van GEM Crailo B.V. , kenmerk RAP/1000, 20 pp. plus 4 bijlagen”. Het “saneringsplan” en de betekenis van deze saneringsopdracht is genegeerd door de raden en door de ABRvS. Voor de raden is dit saneringsplan in de bijlagen van de Toelichting op het bestemmingsplan vin de mist gehouden als bijlage 18 en wel met de vage aanduiding “Raamsaneringsplan (Crailo 2020)”. Dat zegt niet waar het om gaat. Het woord “Bodemsanering”, wat een grotere “signaleringswerking en attentiewaarde ” heeft is voor welke lezer ook bewust weggelaten.

Zo kreeg dit rapport niet de aandacht in de

41

meningsvorming van de raden die het verdiende. Zo ontstond daar geen debat over. Dat kwam de GEM Crailo B.V. goed uit. “De ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau, ontwikkeling Buurtschap Crailo (Arcadis, 2019)’, bijlage 8 van de Toelichting op het bestemmingsplan” van 2019 bevat - zoals de ABRvS correct heeft genoteerd in r.ov. 22.2 - geen gegevens over de saneringssituatie”. Bijlage 18 flaneert er in alle vaagheid ook omheen. Alles wat tot controverses kon leiden in het debat van de Raden is geëcarteerd. Onder verwijzing naar paragraaf 6.4.8 van deze analyse en hetgeen daar door mij naar voren is gebracht in het Commentaar onder 5) is duidelijk, dat ook het MER-rapport van 1 december 2020 (=bijlage 25 bij de Toelichting op het bestemmingsplan met de aanduiding “MER Crailo (Arcadis,2020)’ ) de bodemsaneringssituatie afdekt: “ In de totaal 14 hoofdstukken van het MER is geen enkel trefwoord als ‘sanering’ of ‘saneringssituatie’ te vinden. In Hoofstuk 4, Beoordeling en Keuze, komt onder paragraaf 4.2.11 het woord “Bodem” ter sprake. Dit betreft één pagina, pg. 78. Over de feitelijke bodemvervuiling wordt hier met geen woord geschreven. (…)”.

De verwijdering van 200.000 kubieke meter grond heeft nooit plaatsgevonden. De risico’s zijn op de toekomstige bewoners afgeschoven. Zie ook pagina 177 en pagina 187 van deze analyse. 3) Deze overweging met verwijzing naar ander procedurele regelingen is een derde voorbeeld van Court Stripping in deze uitspraak. 6.3.6 Parkeervergunningstelsel Anne Franklaan r.ov.13 (pagina 11) ,,Parkeervergunningstelsel Anne Franklaan 13. Voor zover [appellant sub 1] vreest dat mogelijk een parkeervergunningstelsel en betaald parkeren zullen worden ingevoerd in de Anne Franklaan, overweegt de Afdeling dat het al dan niet invoeren van dergelijke maatregelen buiten het toetsingskader van deze procedure valt. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.”

Commentaar P. Bogaers Ook hier is er voor de vierde maal in deze uitspraak sprake van Court Stripping en daarmee het tandeloos maken van de bescherming van de belangen van NN en in feite van alle buurtbewoners van de Anne Franklaan (waar NN woont, PB), Roodborstlaan etc., terwijl er door en namens de GEM Crailo B.V. (eigenaar van het gebied en projectontwikkelaar namens de drie gemeenten ineen) een rapport is opgemaakt in de planvoorbereiding en is overgelegd aan de raden, waarin werd gewaarschuwd voor de te verwachten parkeerproblemen in de naburige straten en wijken. De te verwachten overlast kon dan worden opgevangen door het invoeren van een parkeervergunningenstelsel en dus kosten voor de omwonenden van de nieuwe stadswijk van 590 woningen en X- bedrijven. De “Buurtschap Crailo”, een eufemisme voor stadswijk, zal autoluw worden ingericht, waarbij de lasten worden afgewenteld op de bewoners in de omgeving. En hoe redeneert de ABRvS ? , citaat: ,, Voor zover [appellant sub 1] vreest dat mogelijk een parkeervergunningstelsel

en betaald parkeren zullen worden ingevoerd in de Anne Franklaan, overweegt de Afdeling dat het al dan niet invoeren van dergelijke maatregelen buiten het toetsingskader van deze procedure valt. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.

6.3.7 Conclusie Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State in zake appellant 1 (NN) 14.

De beroepen van [appellant sub 1] zijn ongegrond.”

Commentaar en conclusie door P. Bogaers ten aanzien van de behandeling door de ABRvS van het beroep van NN. 1) Wat NN ook maar naar voren heeft gebracht als gronden van beroep, NN werd niet gehoord en zeker niet begrepen. Alle argumenten zijn door de ABRvS uit de kast getrokken om te komen tot ongegrondverklaring van het beroep. De ABRVS is er - zoals in talloze zaken, zoals aan mij als advocaat beroepshalve bekend is - op gericht om de “afwijzingsgronden” koste-wat-het-kost “rond te krijgen”, overeenkomstig de ‘alles-of-niets’-

42

jurisprudentielijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals deze ook is toegepast tot in 2019 in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak over de kinderopvangtoeslagen. Helder is dat het vertrouwen in de rechtspraak bij NN geschokt is, zoals NN aan de SNLG heeft meegedeeld. Tot zover de bespreking van de rechtsoverwegingen in deze uitspraak, toegespitst op NN. 2) Onder verwijzing naar mijn commentaar in zeven punten in paragraaf 6.3.1 naar aanleiding van de rechtsoverwegingen onder 8. over Aantasting natuur op pagina 35 e.v. dient hier het aldaar op pagina 38 onder ‘punt 7)’ gegeven commentaar als volledig overgenomen en ingelast te worden beschouwd. 3) Nu de Afdeling inzake appellant NN heel erg haar best heeft gedaan om de afwijzingsgronden van het beroep van NN rond te krijgen, bestaat de zekerheid dat dezelfde methode van uitsluiting is gevolgd door de Afdeling bestuursrechtspraak ten aanzien van het beroep van appellant 2, de SNLG. Om dit direct inzichtelijk te maken is het raadzaam vooruit te bladeren naar paragraaf 6.4.16 naar de overwegingen van de Afdeling te kijken onder r.ov. 30, Afweging van belangen. De analyse van deze uitspraak toegespitst op het verwerpen van het beroep en de beroepsgronden van de SNLG is evenwel opgemaakt zonder “flash forward”.

In volgorde van de door de ABRvS genoemde overwegingen is de analyse opgebouwd uit 18 subparagrafen 6.4.1 t/m 6.4.18, zie de inhoudsopgave.

6.4

De feitelijke analyse over de ongegrondverklaring door de ABRvS van het ingestelde beroep van SNLG

Inleiding De uitspraak van de ABRvS, toegespitst op de beroepsgronden van SNLG betreft 18 onderdelen, die hierna worden behandeld in paragrafen 6.4.1 t/m 6.4.18. Het verdient aanbeveling-zoals in de vorige paragraaf gezegd- eerst r.ov 30 (zie paragraaf 6.4.17. over ‘belangenafweging’) te bestuderen om te begrijpen hoe de ABRvS bij wege van “doelredenering”/”teleologische redenering” heeft toe geredeneerd in alle daaraan voorafgegane overwegingen inclusief de in paragraaf 6.3. behandelde rechtsoverwegingen ten aanzien van het beroep van appellant NN naar het einddoel: ongegrondverklaring van het beroep van de SNLG. Natuur en Landschap hebben het onderspit moeten delven ter wille van het hogere doel: aanleg van woningen en bedrijven. Ter wille van dit alles opzijschuivende belang als “imperative reason of overriding public interest” deden alle ingebrachte beroepsgronden van de SNLG er niet toe. In paragraaf 7 wordt duidelijk, dat Gedeputeerde Staten van Noord-Holland een andere oplossing hebben gekozen dan de ABRvS door het eerdere Ontheffingsbesluit niet te vernietigen maar wel op 6 februari 2023 aan te vullen ter wille van het overleven van de das in het plangebied. Om wille van de opbouw van de uitspraak wordt hierna de volgorde van de rechtsoverwegingen in de uitspraak bij de bespreking ervan gehanteerd.

In onderstaande tekst zijn tekstgedeelten voor zover didactisch van belang direct onderstreept en/of vet gedrukt. De uitspraak is te vinden op internet onder ECLI:NL:RVS:2023:425 6.4.1 Formele gronden Aanwijzing als experiment r.ov. 15.1., 15.2. (pagina 11 en 12) ,,Beroepen SNLG Formele gronden Aanwijzing als experiment

43

15. SNLG kan zich niet verenigen met de aanwijzing van de gemeenten of gebieden "Crailo, gemeenten Gooise Meren, Laren en Hilversum" in artikel 7c, onder 17, sub jjjjj, van het Besluit uitvoering Chw als experiment als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Chw. Volgens SNLG waarborgen de plannen daardoor geen rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Verder dragen de plannen niet bij aan een duurzame ontwikkeling voor wat betreft natuur, landschap en milieu. Mede daarom is niet voldaan aan de voorwaarden die in artikel 2.4, tweede lid, van de Chw worden gesteld voor het aanwijzen van een (beoogde) ontwikkeling als experiment als bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, aldus SNLG. 15.1. De Afdeling verstaat het betoog van SNLG zo dat Crailo ten onrechte is aangemeld en opgenomen in artikel 7c, onder 17, sub jjjjj, van het Besluit uitvoering Chw. Het slagen van dit betoog zou leiden tot het oordeel dat dit artikel in strijd is met artikel 2.4 van de Chw, hetgeen zou betekenen dat de raden voor de plangebieden "reguliere" bestemmingsplannen hadden dienen vast te stellen. 15.2. Voor zover SNLG betoogt dat de aanwijzing van de voornoemde plangebieden in strijd is met artikel 2.4, eerste en tweede lid, van de Chw, overweegt de Afdeling het volgende.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hilversum&id=8b8bdb93-8194-439f-a5fb-c2475351dd36