CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

bp Mierbeek-Noord (11 Bijlage 10A - Toelichting)

Gemeenteraad 6 november 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan “Mierbeek-Noord19.693 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wanneer er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor dit deel van het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Vervolgonderzoek Op basis van de resultaten van bovenstaand onderzoek wordt aanbevolen om aanvullend archeologisch onderzoek te laten verrichten in het plangebied. In het archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek wordt uitsluitend aanbevolen om een aanvullend onderzoek te verrichten ter plaatse van Type-I boringen. Kortheidshalve is de insteek om het terrein op te hogen. Omdat aangetoond is dat er archeologie binnen deze locatie aanwezig is, zal bij een ontwikkeling rekening gehouden moeten worden met de archeologie. Als eerste dient een PVE (Programma van Eisen) gemaakt moeten worden. In het PVE worden alle archeologische gegevens op een rijtje gezet, wordt in zo hoog mogelijk detail beschreven welke bodemingrepen voorzien zijn (bouwplan) en wat de bodemverstoring voor de archeologie betekent. Met die gegevens wordt een plan gemaakt welke archeologische onderzoeken nodig zijn zoals bijvoorbeeld een plan voor archeologisch onderzoek. Het plan bevat gedetailleerd de fase van archeologisch onderzoek te weten proefsleuven, begeleiding en eventueel opgraving. Dit PVE moet door de gemeente goedgekeurd worden.

Een eventueel vervolgonderzoek is uitsluitend van toepassing op gronden binnen de archeologische dubbelbestemming. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Beleid De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|30

In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”.

Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

t.o.v. rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

t.o.v. gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Met het planvoornemen vindt een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein De Mierbeek plaats, waarbij in totaal plaats is voor maximaal 7 bedrijven. Het plangebied ligt in het noorden van de kern Esbeek en het bestaande bedrijventerrein De Mierbeek. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele woningen, agrarische bedrijven en een bedrijventerrein aanwezig.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|31

Daarbij ligt een deel van het plangebied tevens binnen de invloedssfeer van de N269. Voor het plangebied wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Binnen het plangebied worden uitsluitend bedrijven toegestaan en geen (beperkt) kwetsbare objecten. Hierdoor is enkel de afstand tot nabijgelegen gevoelige bestemmingen bekeken. De milieubelastende activiteiten binnen het plangebied dienen te voldaan aan de gestelde richtlijnen. Het plangebied en de nabije omgeving kan omschreven worden als gemengd gebied, gelet op de aanwezige functies en bedrijvigheid. Op basis van onderhavig bestemmingsplan is bedrijvigheid toegestaan met een milieucategorie tot en met 3.1 (westelijke bouwkavels) en 3.2 (oostelijke bouwkavels). Hiervoor zijn richtafstanden opgenomen tot en met respectievelijk 30 en 50 meter. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich aan de noordwestzijde van het plangebied en betreft de Esbeekseweg 17. De afstand van de woning tot aan de dichtstbijzijnde bedrijfskavel bedraagt ruim 30 meter. Deze bedrijfskavel staat bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.1 toe, waardoor aan de gestelde richtafstand wordt voldaan. De dichtstbijzijnde bedrijfskavel waarop milieucategorie 3.2 is toegestaan, ligt op een afstand van circa 150 meter. Hierdoor kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.4

Bodemkwaliteit

Beleid Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het ‘Besluit ruimtelijke ordening’ moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een (bestemmings)wijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of een herinrichting mogelijk is moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden verricht. Afhankelijk van de conclusie van dit verkennend bodemonderzoek vindt een aanvullend bodemonderzoek plaats. Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging van de voorgenomen uitbreiding van het nabijgelegen bedrijventerrein heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Esbeekseweg ong. te Esbeek (toegevoegd als bijlage 3). Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen.

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden zijn gemeten. Het freatisch grondwater is licht tot plaatselijk sterk verhoogd met zware metalen.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|32

De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling/bestemmingsplanwijziging tot bedrijventerrein. Het wordt afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Cultuurhistorie

Beleid Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|33

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Cultuurhistoriekaart Hilvarenbeek Voor het gehele grondgebied in de gemeente Hilvarenbeek is een cultuurhistoriekaart opgesteld. Het primaire doel van de cultuurhistoriekaart is het inzichtelijk maken van het aanwezige bovengrondse erfgoed in de gemeente. Om de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden te beoordelen is de Cultuurhistoriekaart Hilvarenbeek (2013) geraadpleegd.

Uitsnede cultuurhistoriekaart, plangebied geel omlijnd

Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in of nabij gebieden met een cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorische Waardenkaart In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|34

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart, plangebied rood omlijnd

Op de CHW is af te lezen dat het plangebied ligt binnen de regio ‘Kempen’, het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’ en het archeologische landschap ‘Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek’. Kempen De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen de oude en jonge ontginningen genivelleerd door ruilverkaveling, normalisatie van de beken en de uitbreiding van steden en dorpen. De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2.

De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; Het Groene Woud, Dommeldal, Oud zandlandschap bij OerleKnegsel, Oud zandlandschap Cartierheide, Oud zandlandschap bij Stiphout en de Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg;

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|35

3.

Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek, Kempenland, Keersop-Dommel, Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa en Helmondse Akkers.

Met het planvoornemen wordt de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Hierbij vindt de ontwikkeling plaats op agrarische gronden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de dragende structuur in de regio. Hierdoor heeft het geen (negatieve) invloed op de genoemde samenhang. Verder is de strategie om de cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder te ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief te ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor onder andere de Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg. De invloed van het planvoornemen op deze aspecten binnen de Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg dient nader in kaart te worden gebracht. Landgoederen ten zuiden van Tilburg Het gebied bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleine akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen. De dorpen Goirle, Hilvarenbeek en Esbeek stammen vermoedelijk uit de vroege middeleeuwen. Vanuit deze vroeg bewoonde gebieden werd het landschap in gebruik genomen. Uitgestrekte akkercomplexen zijn te vinden rond Hilvarenbeek, met mooie overgangen naar de beekdalen van de Roodloop en het Spruitenstroompje. Langs de beken lagen de beemden, smalle graslandpercelen, omgeven door elzensingels of bomenrijen.

Veel van de vroegere perceelrandbegroeiing is verdwenen, zodat de beslotenheid van de beekdalen grotendeels verdwenen is. Aan het eind van de 19e eeuw zijn ten zuiden van Tilburg en bij Esbeek enkele grote landgoederen aangelegd. Aanvankelijk was het doel van deze landgoederen vooral gericht op de houtproductie, maar in de loop van de twintigste eeuw is de inrichting mede bepaald door recreatieve en landschappelijke doelen. Tegenwoordig is ook natuurontwikkeling op dit enorme landgoed van belang. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: • Het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van deels verdwenen hoeves, buurtschappen en akkercomplexen; • Het versterken van het contrast tussen oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden anderzijds; • Het versterken van het natte karakter van beekdalen en (voormalige) vennen; • De natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit; • Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving Het planvoornemen voorziet niet in ontwikkelingen welke invloed hebben op de ontwikkelingsstrategie voor dit gebied. Zodoende heeft het voornemen geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden binnen dit cultuurhistorische landschap.

Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek Dit landschap bestaat uit het licht glooiende dekzandeiland van Moergestel-Hilvarenbeek en de aangrenzende beekdalen van de Leij, de Reusel en de Hoogeindsche beek. Aan de oostzijde, op de overgang naar de beekdalen van de Reusel, het Spruitenstroompje en de Hoogeindsche beek, ligt een brede zone met oude bouwlanden. Het rond Diessen gelegen complex met oude bouwlanden behoort ook tot dit landschap. NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|36

In het westen en zuidwesten bevinden zich oppervlakken met stuifduinen. Vanwege de lage dichtheid aan bebouwing kenmerkt dit landschap zich door een hoge ruimtelijke samenhang. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid). Met het voornemen wordt rekening gehouden met het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief. In paragraaf 5.2 van deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling afgestemd op het gemeentelijke archeologiebeleid. Zodoende is het voornemen in lijn met de ontwikkelingsstrategie voor het archeologische landschap. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Externe veiligheid

Beleid Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10 -6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|37

Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de ‘Wet Basisnet’ en de ‘Wet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes’ (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de ‘Wet ruimtelijke ordening’ en de ‘Wet milieubeheer’. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.

Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, zie onderstaande afbeelding.

Uitsnede risicokaart, plangebied groen omlijnd

Inrichtingen Volgens de risicokaart ligt, op een afstand van ca. 20 meter ten zuiden van het plangebied, een risicovolle inrichting. Het gaat om de Notelstraat 51 (Clean Minerals Bio Energy BV), waarbij afvalverwerking wordt gezien als de hoofdactiviteit van de inrichting.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|38

Transport over wegen Ten oosten van het plangebied ligt de N269. Op deze weg vindt transport plaats van gevaarlijke stoffen. Transport over water Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport over het spoor Uit de risicoatlas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving geen spoorwegen aanwezig zijn die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport per buisleiding Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op een afstand van circa 1.200 meter ten westen van het plangebied, waarmee voldoende afstand aanwezig is tussen het plangebied en relevante buisleidingen. Notitie externe veiligheid Voor het planvoornemen is een “notitie externe veiligheid” opgesteld (opgenomen als bijlage 4). Uit deze notitie komt de volgende conclusie: N269 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. Groepsrisico Het groepsrisico is en blijft kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen.

In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Clean Minerals Bio Energy B.V Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de PR 10-6 contour van de Bevi-inrichting. Omdat de uitbreiding een beperkt kwetsbaar object is, is de PR 10-6 een richtwaarde waarbinnen een beperkt kwetsbaar object gerealiseerd kan worden. Ook worden de huidige activiteiten binnen 10 jaar beëindigd, waardoor de PR 10-6 contouren verdwijnen. Om deze redenen kan volgens ons de uitbreiding verantwoord worden. Notitie Haalbaarheid H2-tankstation m.b.t. externe veiligheid Verder is ten aanzien van de beoogde waterstoftank een aparte notitie opgesteld met betrekking tot het aspect externe veiligheid (opgenomen als bijlage 5). In hoofdstuk 2 van de notitie is een gebied bepaald waarbinnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 moet blijven, waarbij deze geen negatieve invloed heeft op de (bouw)mogelijkheden van naastgelegen percelen.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|39

Deze ligt aan de noord- en oostzijde op grote afstand van het beoogde perceel. Aan de westzijde ligt deze 4 meter van de bouwperceelsgrens af. Aan de zuidzijde ligt deze op circa 9 meter van de bouwperceelsgrens af. In hoofdstuk 3 van de notitie is bepaald of het mogelijk is een H2-tankstation te plaatsen op het perceel, gegeven het gebied bepaald in hoofdstuk 2. Hiervoor is een aanname gemaakt voor de parameters van de te plaatsen installatie onderdelen. Er zijn gebieden bepaald waarbuiten bepaalde installatieonderdelen niet geplaats mogen worden. Uit deze exercitie blijkt dat de middendrukbuffer het meest aan de noordoostzijde moet worden geplaatst en dat de dispenser 350 bar op het grootste deel van het perceel geplaatst kan worden. Advies OMWB De notitie is voorgelegd aan de OMWB. Het beoordelen van de notitie heeft hen geen aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen. Wel is een geadviseerde planregel met betrekking tot de gebiedsaanduiding op genomen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Geluid

Beleid Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de ‘Wet geluidhinder’ (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is alleen wegverkeerslawaai relevant. Onderzoek Voor de Notelstraat geldt een snelheidsregime van maximaal 30 km/uur. Vanuit de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet verplicht bij wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. De uitbreiding van het bedrijventerrein valt niet onder de noemer geluidsgevoelige objecten, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai. Het voldoen van de geluidsbelasting van de toegestane bedrijvigheid aan de hiervoor gestelde richtafstand is nader uitgewerkt in paragraaf 5.3 van deze toelichting. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|40

5.8

Geurhinder

Beleid In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3

Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Verordening geurhinder en veehouderij De gemeente Hilvarenbeek heeft de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ opgesteld. In deze verordening zijn eisen gesteld voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten. Het projectgebied wordt valt binnen gebied B. Voor gebied B geldt dat de maximale waarde voor de voorgrond geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten 7ouE/m³ mag zijn. Er geldt een voorrangsbepaling en de geurverordening is van toepassing. Onderzoek Vaste afstanden veehouderij De minimale afstand tussen een geurgevoelig object en omliggende agrarische bedrijven dient minimaal 100 meter te bedragen aangezien het plangebied grotendeels binnen de bebouwde kom ligt. De dichtstbij gelegen rundveehouderij (niet-zijnde intensieve veehouderij) bevindt zich aan de Esbeekseweg 13, aangezien de bedrijfsactiviteiten aan de Esbeekseweg 17 zijn beëindigd. De afstand tussen het bouwvlak in het plangebied en het bouwvlak van bovengenoemde veehouderij bedraagt circa 180 meter, waarmee voldaan wordt aan de minimum afstand van 100 meter.

Achtergrondbelasting Uit de kaart achtergrondbelasting van de ODZOB blijkt dat de achtergrondbelasting tussen de 3 en 7 ouE/m³ ligt. Dit betekent een ‘goed leefklimaat’. Hiermee wordt tevens aan het gemeentelijk geurbeleid voldaan. NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|41

Uitsnede kaart achtergrondbelasting ODZOB, plangebied rood omlijnd

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Luchtkwaliteit

Beleid De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|42

De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 20 µg/m3 Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2020) ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 μg/m3. De concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse van het plangebied kleiner dan 18 μg/m3. De concentratie PM2,5 in 2020 (gegevens 2020) is ter plaatse kleiner dan 10 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Luchtkwaliteit t.b.v. aantal verkeersbewegingen Het onderhavige planvoornemen betreft de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein aan de noordzijde van de kern Esbeek. Al eerder (hoofdstuk 3) is geconcludeerd dat het voornemen zorgt voor een toename van maximaal 313 mvt/etmaal, waarvan een aantal van 60 mvt/etmaal is toebedeeld aan vrachtverkeer. Dit komt neer op een aandeel van (naar boven afgerond) 20%. Met de NIBM-tool is de bijdrage van dit plan aan de luchtkwaliteit vastgesteld.

In de NIBM-tool wordt uitgegaan van een worst-case scenario.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

313

Aandeel vrachtverkeer

20,0%

3

NO2 in μg/m

0,63

3

0,08

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

1,2

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Berekening NIBM-tool

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|43

5.10

Natuurwetgeving

Beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd.

De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.

Beschermde planten en dieren Met de nieuwe wet wijzigt de lijst van beschermde soorten. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|44

1. 2.

3.

Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijventerrein en de realisatie van een landschappelijke ingerichte bufferzone heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. Natura 2000 De plannen zullen naar verwachting geen direct effect op de natuurwaarden in Natura 2000gebieden hebben.

Het is wel mogelijk dat de komst van bedrijven zal leiden tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het is daarom nodig te laten bepalen of dat het geval is. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. Verderop in deze paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect stikstof. Natuurnetwerk Brabant De bouw en het gebruik van de bedrijfskavels en de landschappelijke ingerichte bufferzone hebben naar verwachting geen negatieve effecten op het NNB. Er zijn op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|45

Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen De laanbomen aan de Esbeekseweg fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Omdat er geen bomen worden gekapt, is er geen aantasting van een vaste vliegroute of foerageergebied. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen of rood licht. Vogels In het plangebied komen tijdens het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen de vegetaties buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.

Stikstof Voor het planvoornemen is een Passende Beoordeling opgesteld (opgenomen als bijlage 7) waarin de mogelijke effecten door stikstofdepositie zijn onderzocht. Hiertoe zijn de verwachte (tijdelijke) bouwfase en de (permanante) gebruiksfase in beeld gebracht en zijn hiermee gepaard gaande emissies in AERIUS Calculator doorberekend naar mogelijke deposities. Door een vergelijking te maken met de referentiesituatie (agrarisch grondgebruik) blijkt dat er geen sprake is van een netto toename van stikstofdeposities. Negatieve effecten als gevolg van stikstof op Natura 2000-gebieden kunnen dan ook worden uitgesloten. Omdat intern salderen is toegepast (i.c. het vergelijken van de beoogde situatie met de referentiesituatie) is een Passende Beoordeling vereist voor het bestemmingsplan. Mocht ten behoeve van de realisatie van één of meer projecten binnen de uitvoering van het bestemmingsplan intern salderen worden toegepast, dan dient daartoe een natuurvergunning aangevraagd te worden. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|46

Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Op 3 december 2021 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld. Het RWP treedt in werking op 22 december 2021. Het RWP is gebaseerd op de Waterwet en sorteert al voor op de Omgevingswet.

Voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie zijn van belang voor vrijwel alle provinciale opgaven. De ambitie in het RWP is daarom dat Brabant in 2050 een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem heeft dat bestand is tegen extremen. Deze ambitie vergt een nieuwe manier van denken en handelen, waarbij de draagkracht van het wateren bodemsysteem leidend is voor het gebruik van gronden. Het RWP formuleert de tussendoelen voor 2027 die nodig zijn om de uiteindelijke ambitie in 2050 te behalen, waaronder de belangrijke opgave voor het behalen van de Europese Kader Richtlijn Water-doelstellingen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap De Dommel Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangsprincipes ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Daarnaast wordt er in het Waterbeheersplan 2022-2027 ingespeeld op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Een goede regulatie van het beschikbare water is hierin belangrijk; • Schoon water: dit behelst het voorkomen dat relatief schoon regenwater vermengd raakt met “vies” water waardoor het onbruikbaar is voor hergebruik. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|47

Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid; 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) X gevoeligheidsfactor X 0,06 (in m²); 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. Gemeentelijk beleid Hemel- en Grondwaterbeleid, bijlage RWP 2022-2026 Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt te allen tijde het proces van de watertoets gevolgd. Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden de keurregels gevolgd met de gemeentelijke regels in onderstaande paragrafen als aanvulling hierop. Om die reden zullen de gemeentelijke regels aangescherpt zijn ten opzichte van de Keur; voornamelijk in bestaand gebied kunnen ontwikkelingen bijdragen aan een klimaatbestendig rioolstelsel.

Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld aan compensatie, richt dit aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak met een compensatieverplichting vanaf 250 m2. Onder ‘nieuw verhard oppervlak’ wordt binnen dit gemeentelijk beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging over het nieuw verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Naast deze compensatieberging behoort altijd een noodoverstort mogelijk te zijn naar de omgeving waar dit niet tot wateroverlast leidt. Omgang terreinverharding De volgende omgangsregels omtrent terreinverharding, gelden binnen deze compensatieverplichting: • Gesloten verharding die afstroomt naar de omgeving dat in eigendom is en de mm kan verwerken wordt niet meegeteld als te compenseren verhard oppervlak. • Grasbetonstenen/waterpasserende bestrating tellen voor 50% infiltrerend mee.

• Overige open verharding zoals grind, split, puin en waterdoorlatende verharding tellen als geheel infiltrerend terrein oppervlak. Voor alle toepassingen geldt dat dit niet tot overlast mag zorgen voor de omgeving. Geschikte ondergrond is dus bijvoorbeeld een vereiste. Indien aan bovenstaande wordt getwijfeld vanuit gemeente, moet dit aantoonbaar worden onderbouwd.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|48

Afvoer vanaf perceel Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen gaat de gemeente uit van afvoer bovengronds (via goten) naar de openbare ruimte of ondergronds (via een leidingsysteem) met een overloop op de erfgrens naar de openbare ruimte. Voor de hemelwaterafvoer van de openbare verhardingen gaat de gemeente uit van afvoer bovengronds of ondergronds en centrale verwerking van het hemelwater via een bergingsvoorziening met aansluiting op oppervlaktewater of een combinatie van een bergingsvoorziening en infiltratievoorziening. Wanneer binnen de planontwikkeling geen openbaar terrein wordt ontwikkeld, mag de projectontwikkelaar of particulier kiezen voor afvoer en verwerking van hemelwater van particuliere verhardingen op toekomstig particulier terrein. In alle andere gevallen wordt dit niet toegestaan. Het toepassen van vegetatiedaken is hierop een uitzondering. Inrichting openbaar terrein In samenhang met de bergings- of infiltratievoorziening zal binnen het ontwerp aandacht moeten zijn voor vormgeving van de openbare ruimte, zodanig dat zoveel mogelijk extra water bij zwaardere buien kan worden geborgen. Waar kansen zijn, zullen die inzichtelijk gemaakt moeten worden. Binnen de Keur van het waterschap wordt een onderverdeling gemaakt tussen vergunningsplicht en meldingsplicht.

Bij meldingsplicht behoort het bestuur van waterschap de Dommel volgens vastgestelde termijn voor uitvoering de melding te hebben ontvangen. Meldingsplicht Als aanscherping op deze meldingsplicht voert de gemeente een verscherpt beleid, waarmee meldingen ook bij de gemeente worden ingediend. De volgende werkzaamheden in de gemeente willen we deze inzichtelijk houden om ongewenste effecten te voorkomen en het beheerariaal upto-date te houden: • Dempen van c-watergangen (Dit zijn poelen of zaksloten); • Lozen van bronneringswater; • Afkoppelen van hemelwater (> 250 m2). Meldingen dienen minimaal 4 weken voor de activiteiten bij de gemeente per mail of brief worden ingediend. Waterschap Het waterschap is verantwoordelijk voor vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van alle grondwaterontrekkingen en infiltraties in haar beheergebied (met uitzondering van de drie categorieën waarvoor de provincie verantwoordelijk is) en advisering in het watertoets-proces. Onttrekkingen zoals bronbemalingen, proefonttrekkingen, noodvoorzieningen, beregeningen, etc. zijn vaak alleen meldingsplichtig. Voor activiteiten waar wel een vergunning nodig is, wordt het waterschap betrokken.

Indeling categorieën ontwikkelingen In overleg met het waterschap is in dit hoofdstuk mede op basis van de nieuwe keurregels de navolgende indeling voor ruimtelijke ontwikkelingen, infrastructurele projecten en woningbouwprojecten aangehouden: 1) Uitbreidingen van woongebied aan de rand van woonkernen (paragraaf 4.3); 2) Inbreidingen van woongebied binnen de bebouwde kom (paragraaf 4.4); 3) Nieuwbouw of uitbouw van woningen buiten de bebouwde kom (paragraaf 4.5);

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|49

4) 5)

Uitbreiding van bedrijventerreinen (paragraaf 4.6); Rioolvervanging, herinrichting openbare ruimte en wegrenovatie (paragraaf 4.7).

Iedere categorie is behandeld in de vorm van een toelichting van de aanpassing met daarbij de eis voor de hemelwaterafvoer en compensatieberging. Daarbij wordt bij de aanleg van een voorziening de vereiste ledigingstermijn opgenomen. Watertoets De ´Watertoets´ is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen. Met dit instrument komt de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan in een vroegtijdig stadium in contact met Waterschap de Dommel. De watertoets is verplicht voor nieuwe plannen in ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen, projectbesluiten en partiële herzieningen. Huidige situatie Oppervlaktewater Toetsing aan de Watertoets laat zien dat in het plangebied geen watergangen zijn gesitueerd. De dichtstbijzijnde watergang (A-water) ligt op circa 10 meter ten zuiden van het plangebied. Ten behoeve van het beheer en onderhoud van de A-wateren geldt in de legger aan weerszijden van deze wateren een beschermingszone met een standaardbreedte van 5 meter vanuit de dichtstbijzijnde insteek zoals aangegeven in de legger. Verder liggen langs de randen en aan de oostzijde van het plangebied enkele droogvallende greppels. Hiermee dient rekening gehouden te worden in de nieuwe situatie, aangezien ze iets zeggen over de noodzaak van een goede ontwatering van dit deel van het terrein.

Eventuele beleidsregels uit de legger zijn niet van toepassing op onderhavig planvoornemen.

Aanwezige watergangen, plangebied rood omlijnd

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|50

Uitsnede topografische kaart met aanwezige watergangen, plangebied rood omlijnd

Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit onverharde (agrarische) gronden. De afvoer van neerslag verloopt grotendeels via infiltratie in de bodem. Op de verharde gronden aan de Esbeekseweg 17 verloopt de afvoer van neerslag op traditionele wijze richting om de omliggende perceelsloten. Afvalwater In de huidige situatie is het afvalwater, welke uitsluitend aanwezig is aan de Esbeekseweg 17, aangesloten op de riolering langs de Esbeekseweg. De riolering van de bestaande bebouwing op het Bedrijventerrein De Mierbeek is (aan de noordzijde) aangesloten op de Notelstraat. Grondwater Gelet op de gemiddeld hoogste grondwaterstand kan geconcludeerd worden dat de grondwaterstand varieert binnen het plangebied, omdat ook de hoogte van het maaiveld varieert. De westzijde ligt relatief hoog en droog (zie onderstaande afbeelding), waardoor de grondwaterstand aan de oostzijde aanzienlijk hoger ligt. De grondwaterstand ter plaatse van het plangebied varieert van 200 cm-mv aan de westzijde tot 40 (en op sommige plekken zelfs 20) cmmv aan de oostzijde. Dit houdt in dat de laagste grondwaterstand 15,22 +NAP is, terwijl de hoogste grondwaterstand 17,31 +NAP is. De juiste GHG om rekening mee te houden is in de zone waar waterberging plaatsvindt, 16,4 m +NAP. Dat betekent dat de bodem van de bergingsvoorziening onder de GHG ligt.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|51

Uitsnede kaart Algemene Hoogtekaart Nederland

Uitsnede kaart Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|52

Toekomstige situatie Hemelwater In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt. Bruto (verharde) oppervlakten Totaal oppervlakte plangebied Totaal verhard oppervlak Totaal onverhard oppervlak Toename verhard oppervlak

Huidige situatie (m²) Ca. 40.000 Ca. 3.000 Ca. 37.000

Toekomstige situatie (m²) Ca. 40.000 Ca. 27.000 Ca. 13.000 Ca. 24.000

Het totaal verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie maximaal toe met circa 24.000 m2. Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m 2 is de Beleidsregel van toepassing. De Beleidsregel is van toepassing in die gevallen waarin een vergunning vereist is. Voor het bepalen van de vergunningsvoorschriften en het uiteindelijk kunnen verkrijgen van een vergunning is een waterhuishoudkundig plan nodig. De inhoud van het plan, de inpassing in het waterhuishoudkundige systeem en de toe te passen methoden dienen in overleg met het waterschap te worden vastgesteld.

Uitsnede Kaart Algemene regel versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak, plangebied rood omlijnd

Voor het verharde oppervlak behorende bij de uitbreiding in Mierbeek-Noord moet 60 mm per vierkante meter worden geborgen (zie bovenstaande kaart). De exacte uitbreiding van het verhard oppervlak is nog onbekend. Planologisch gezien is een aandeel verhard oppervlak van ca. 27.000 m 2 het maximale, waarbij een toename plaatsvindt van ca. 24.000 m 2 aan verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie. Conform van het waterbeleid van de gemeente Hilvarenbeek dient de volledige verharding van ca. 27.000 m2 gecompenseerd te worden. Om de benodigde compensatie te berekening kan de formule gebruikt worden (toename verhard oppervlak (in m2) * 0,06). In dit geval wordt uitgegaan van een volledige verharding van de bedrijfspercelen, waardoor een toename ontstaat aan verhard oppervlak ontstaat van ca. 27.000 m2. Bij een toename in het verhard oppervlak van ca. 27.000 m2 is het benodigd om minimaal 1.620 m3 te compenseren.

NL.IMRO.0798.BPMierbeekNoord-VG01

Bestemmingsplan De Mierbeek-Noord, Hilvarenbeek

|53

Deze inhoud behoort dan de waterbuffer te hebben in de groenstrook, boven de gemiddeld hoogste grondwaterpeil. Daarbij dient tevens gezorgd te worden voor een overloopmogelijkheid naar een afvoerende watergang. Met het voornemen wordt een landschappelijk ingerichte bufferzone gecreëerd, waarbinnen ruimte wordt vrijgehouden voor de berging van hemelwater. In de inrichtingstekening van de groene zone is een watergang met stuw voor de berging van hemelwater met een lengte van ca. 230 m opgenomen. Het toekomstige maaiveld wordt opgehoogd tot 17,30 m +NAP waar het huidige maaiveld deze hoogte niet bereikt. Dit is in het oostelijke gedeelte van het gebied de situatie. De bodem van de watergang zal op 15,85 m+ NAP liggen en de stuw op 17,20 m+ NAP. Gelet op de GHG en bodemhoogte van 16,40 m+ NAP en een stuwhoogte van 17,20 m +NAP geeft dit een bergende schijf van 0,8 m. Een bergende watergang met een bodembreedte van 8 meter, taluds 1:2 en 230 lang heeft dan een bergingscapaciteit van 1.766 m³. De buffer krijgt een landbouwkundige doorlaat (6 cm, op 16,80 NAP) voor het leeglopen, waardoor kan worden voldaan aan de bergingscapaciteit. Met de realisatie van de buffer wordt een koppeling gemaakt met de watergang nabij de N269. Dit is een robuuste retentievoorziening van de provincie met een relatief grote buffercapaciteit.

Gelet op de gemiddeld hoogste grondwaterstand zal de watergang grotendeels van het jaar droog staan, waardoor het in de praktijk meer zal ogen als verlaging in het maaiveld. Om voldoende watercompensatie te waarborgen, wordt een compensatie van 60 mm vastgelegd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Afvalwater De toekomstige bebouwing zal voor het afvalwater aangesloten worden op het bestaande rioleringsstelsel. Wateradvies De uitwerking van voorliggend plan in deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan Waterschap De Dommel toegezonden. Waterschap De Dommel heeft op 10 augustus 2021 per brief gereageerd op het planvoornemen. Het plan is in overleg met het waterschap hierop aangepast. Op 11 januari 2022 heeft het waterschap een zienswijze ingediend met daarin een aantal aandachtspunten. Deze punten zijn aangepast in het bestemmingsplan en het inrichtingsplan voor de waterberging. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16141737/1