CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bindend Advies Bopa Tongerloseweg 16 (3 concept onderbouwing EFTAL)

Gemeenteraad 6 november 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies “Tongerloseweg 16”.19.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit project levert een positieve bijdrage aan het versterken van biodiversiteit en de bescherming en ontwikkeling van ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied. Gelet op bovenstaande past de ontwikkeling binnen de regels uit de Omgevingsverordening NoordBrabant.

Pagina 31 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

3.3

Toetsing regionaal beleid

3.3.1 Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) 3.3.1.1 Wettelijk kader REKS is een afkorting van Regionale Energie- en Klimaatstrategie. Met de REKS wordt in Hart van Brabant in kaart gebracht hoe en waar energie kan worden bespaard en duurzaam opgewekt en hoe de omgeving kan worden aangepast aan het veranderende klimaat. Dat met zorg voor de natuur ten behoeve van veilig wonen en werken, nu en in de toekomst. 3.3.1.2 Toets Deze ontwikkeling wordt gerealiseerd met een forse landschappelijke inpassing. In het kader van duurzaamheid wordt geheel gebruik gemaakt van bestaande bebouwing die daarvoor kwalitatief zeer goed herbruikbaar is.

3.3.2 Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2023 3.3.2.1 Wettelijk kader In oktober 2023 hebben de wethouders van het portefeuillehoudersoverleg ingestemd met de actualisatie werkafspraken voor kwaliteitsverbetering van het landschap in het Hart van Brabant. Deze werkafspraken zijn door gemeenten vertaald in eigen beleidskaders. 3.3.2.2 Toets Er worden eisen gesteld aan het landschapsplan bij een ontwikkeling. Het landschappelijk inpassingsplan moet beschikken over informatie van de beoogde ontwikkeling, een analyse van het landschap, een maatvaste kaart met de (nieuwe) landschapselementen. In paragraaf 2.2.2 van deze motivering is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2023 worden in acht genomen. Een uitgebreid landschappelijk inpassingsplan is in deze ruimtelijke motivering opgenomen. Daarbij is de berekening voor kwaliteitverbetering van het landschap, op basis van de gemeentelijk beleidskaders als bijlage bij deze motivering opgenomen. Dit plan voldoet aan deze kaders.

Pagina 32 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

3.4

Toetsing beleid waterschap

3.4.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 3.4.1.1 Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2022 geldt het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). Hiermee wil waterschap De Dommel de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. In de planperiode wordt gestart met de watertransitie. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van zowel het waterschap, onze gebiedspartners als alle watergebruikers. Daarbij zullen drie principes inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie. De drie richtinggevende principes zijn: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. 3. Wat schoon is moet schoon blijven. 3.4.1.2 Toets Het waterbeleid wordt nader uitgewerkt in de paragraaf ‘Water’ bij de milieuaspecten. Deze ontwikkeling voldoet aan de beleidsaspecten van het waterschap.

3.4.2

Waterschapsverordening Waterschap de Dommel

3.4.2.1 Wettelijk kader Sinds 1 januari 2024 heeft Waterschap De Dommel een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. 3.4.2.2 Toets Met onderhavig project wordt een bestaande intensieve veehouderij met bijbehorende bebouwingsmogelijkheden gesaneerd. Eén loods op het perceel wordt gesloopt. Bestaande bebouwing krijgt een passende andere functie. Tevens wordt de helft van het projectgebied ingericht als groen- of bosfunctie. Het projectgebied is niet gelegen binnen een beschermd gebied in het kader van de waterschapsverordening.

Pagina 33 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 14: Uitsnede kaart Waterschapsverordening waterschap De Dommel, met de ligging van het projectgebied met een rode cirkel aangeduid

Er zijn geen beregenings-, boor- of grondwateronttrekkingsactiviteiten voorzien. Het project past binnen de Waterschapsverordening Waterschap de Dommel.

Pagina 34 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

3.5

Toetsing gemeentelijk beleid

3.5.1 Concept-ontwerp Omgevingsvisie Hilvarenbeek 3.5.1.1 Wettelijk kader De gemeente Hilvarenbeek heeft het ontwerp van de Omgevingsvisie Hilvarenbeek, bekend gemaakt op 2 mei 2024. Deze visie wordt momenteel nog verder uitgewerkt. In de Omgevingsvisie wordt een beeld voor de toekomst van de gemeente tot 2050 geschetst. De gemeente Hilvarenbeek bestaat uit een groot buitengebied en de zes woonkernen Hilvarenbeek, Biest-Houtakker, Esbeek, Diessen, Haghorst en Baarschot en heeft een groot buitengebied. In de Omgevingsvisie zijn ruimtelijke kaders voor woningbouw, bedrijvigheid, bereikbaarheid, duurzame energie, landbouw en recreatie opgenomen. 3.5.1.2 Toets Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek. De buitengebieden kennen een variatie aan landschappen en functies. Dit maakt ze veelzijdig. Ook is hier ruimte en aandacht voor economische ontwikkeling, bijvoorbeeld in de vorm van (duurzame) agrarische bedrijven en recreatie. In de randen rondom de grote kernen en het Natuurnetwerk Brabant is de geuroverlast en stikstofuitstoot verlaagd. In brede zin is de impact van de agrarische sector op de leefomgeving verlaagd. Hiermee is winst behaald in het verbeteren van de gezondheid van mens, plant en dier. Rond de kernen is het aantal recreatieve ondernemingen toegenomen.

Ook hebben meer agrarische ondernemingen hier een nevenfunctie, zoals zorgboerderijen en kleinschalige verkooppunten,. Deze leveren een bijdrage aan de gemeenschap. Op verschillende plekken nabij de kernen waar eerst agrarische bebouwing stond, staan nu kleine landschappelijke clusters van compacte woningen. Binnen het projectgebied is sprake van transformatie van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een bedrijfsfunctie, waarbij alle bebouwing voor de nieuwe functies wordt hergebruikt. Eén loods wordt gesloopt en het projectgebied wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast. Navolgende figuur geeft een uitsnede uit de kaart concept-Omgevingsvisie Hilvarenbeek, waarop de ligging van het projectgebied met een rode cirkel is aangeduid.

Pagina 35 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 15: Uitsnede kaart Omgevingsvisie Hilvarenbeek

Het projectgebied ligt binnen de zonering ‘Landschapsontwikkeling voor behoud van karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle landschappen’. Er is in het concept-ontwerp verder nog geen uitwerking gegeven aan de visie voor dit deelgebied. Wel zijn er centrale ambities vastgelegd die onder andere betrekking hebben op een verbetering van de natuurlijke leefomgeving. Aandacht gaat uit naar het versterken van natuurlijke ecosystemen en het waterbergend vermogen van de omgeving. Met onderhavige ontwikkeling wordt door de sloop van bebouwing en de omzetting van ongeveer de helft van het projectgebied naar een groen- of bosfunctie bijgedragen aan de ambities van het conceptontwerp omgevingsvisie Hilvarenbeek.

3.5.2 Structuurvisie Hilvarenbeek 2010 3.5.2.1 Wettelijk kader De Structuurvisie Hilvarenbeek is op 25 februari 2010 vastgesteld door de gemeenteraad. Met vaststelling van de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van de gemeente Hilvarenbeek van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. 3.5.2.2 Toets Het projectgebied is gelegen binnen de zonering ‘Buitengebied’. Het buitengebied is verdeeld in verschillende zones. Navolgende figuren geven uitsneden uit de Structuurvisie waarop het projectgebied is aangeduid met een rode cirkel.

Pagina 36 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 16: Uitsnede kaart Structuurvisie Hilvarenbeek waarop het projectgebied is aangeduid met een rode cirkel

Figuur 17: Uitsnede kaart zonering toetsingscriteria buitengebied waarop het projectgebied is aangeduid met een rode cirkel

Het projectgebied ligt binnen de zonering ‘extensiveringsgebied natuur’. Deze zone beschrijft de natuurgebieden in het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek. In deze zone zijn de beken, bossen en andere gebieden met verhoogde natuurwaarden gelegen. Ook is in deze zone een RNLEgebied (regionale natuur en landschaps-eenheid) gelegen. Nieuwe initiatieven zullen door de gemeente volgens een aantal criteria worden beoordeeld. Voor initiatieven op het gebied van agrarische bedrijvigheid of een intensieve veehouderij geldt het volgende: -

De gemeente zal geen medewerking verlenen aan initiatieven voor de groei van agrarische bedrijvigheid of IV. Eventuele bestaande bedrijven zullen niet verder kunnen groeien dan dat in

Pagina 37 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

het bestemmingsplan wordt toegestaan. Bij beëindiging van een agrarisch bedrijf zal de gemeente sloop van de vrijgekomen agrarische bebouwing stimuleren. Voor vrijkomende agrarische bebouwing zijn de volgende uitgangspunten opgenomen in de Structuurvisie Hilvarenbeek: 1. Een nieuwe functie is mogelijk indien geen sprake is van negatieve externe effecten, zoals verkeersaantrekkende werking. Het landschap is de dominerende factor; 2. Een nieuwe functie is alleen mogelijk binnen het bestaande bouwblok. Alle initiatieven die betrekking hebben op een wijziging van het erf, dienen landschappelijk te worden ingepast in de omgeving; 3. Een nieuwe functie is mogelijk indien sprake is van een functie gerelateerd aan de zorg, toerisme en/of recreatie, educatie of verbrede landbouw; 4. Doorgroei van de (nieuwe) functie is niet mogelijk; 5. Overtollige bebouwing dient gesloopt te worden; 6. In geval negatieve effecten op bestaande ecologische, groene, of waterstructuren optreden zal geen medewerking worden verleend. In deze motivering wordt in hoofdstuk 2 en 4 toegelicht dat er met deze ontwikkeling geen sprake is van negatieve externe effecten. Circa de helft van het projectgebied wordt omgezet naar een bos- of groenfunctie. De andere helft van het projectgebied wordt in gebruik genomen voor statische opslag en drie bedrijfsunits.

Doorgroei van de bedrijfsfunctie wordt niet mogelijk gemaakt doordat de bedrijfsfunctie straks is afgekaderd met groene inrichting. Er is geen sprake van toevoeging van bebouwing. De centrale loods op het perceel wordt gesloopt, waardoor van overtollige bebouwing geen sprake is. In hoofdstuk 2 en 4 van deze motivering wordt aangetoond dat er geen negatieve effecten op bestaande ecologische, groene, of waterstructuren optreden. Met dit project wordt het projectgebied juist landschappelijk ingepast waarbij een significante kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Het plan past binnen de Structuurvisie Hilvarenbeek 2010.

3.5.3 Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek 2014 3.5.3.1 Wettelijk kader De Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2014. De Structuurvisie Buitengebied bevat geen nieuw beleid, maar vormt als het ware een paraplu waarmee bestaande beleidsstukken en instrumenten aan elkaar worden gekoppeld, c.q. in onderlinge relatie worden gebracht. De essentiële onderdelen uit de bestaande planstukken zijn verwerkt in deze Structuurvisie Buitengebied. In de structuurvisie is een analyse opgenomen van de landschappelijke opbouw van de gemeente, resulterend in een ruimtelijke zonering van landschapsstructuren. Deze analyse is vertaald naar een ruimtelijke en functionele visie, waarmee invulling wordt gegeven aan enerzijds een visie op de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied en anderzijds op de ontwikkeling van de plattelandseconomie. 3.5.3.2 Toets Het projectgebied is in de Structuurvisie Buitengebied aangeduid als gelegen binnen de zonering ‘Kampen- en hoevenlandschap’. De Tongerloseweg is aangeduid als ‘lint’. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart uit deze Structuurvisie Buitengebied, waarop het projectgebied is aangeduid met een rode cirkel.

Pagina 38 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 18: Uitsnede kaart Structuurvisie 2014 met ligging projectgebied rood omlijnd

Het kampenlandschap kenmerkt zich door een grillig patroon van wegen en waterlopen. Dit betreft een te behouden structuurkenmerk, dat door ruimtelijke ontwikkelingen kan worden versterkt. De verkaveling is eveneens afwisselend en is onregelmatig van vorm. Het landschapsbeeld is in principe sterk wisselend en altijd kleinschalig van karakter. Ontwikkelingen moeten zich daarbinnen voegen. Het doel is om de waardevolle structuur (openheid en beslotenheid) van het landschap herkenbaar te houden. Dat betekent ook dat het onregelmatige verkavelingspatroon herkenbaar blijft, dan wel versterkt wordt bij ontwikkelingen op de schaal van een individueel erf. Daarnaast kan de structuur verstevigd worden door de aanplant van landschapselementen, houtwallen en wegbeplanting, vooral ook buiten de erven. Ook is een goede erfbeplanting belangrijk voor de landschappelijke structuur en samenhang tussen de erven en omliggende landbouwgronden. Indien zich ter plaatse van een erf ontwikkelingen voordoen, kunnen nadere eisen worden gesteld aan de inpassing en inrichting van het erf. De bouwblokken zijn vaak onregelmatig gevormd en voegen zich naar de situatie. Onderhavig bouwblok wordt met de ontwikkeling dan ook verkleind. De woningen zijn primair op de weg gericht, waar bedrijfsgebouwen in principe in de tweede lijn achter de achtergevelrooilijn gelegen moeten worden. Hier wordt aan voldaan.

Tevens gelden voor erfbeplanting dat het wenselijk is om de erfgrenzen (bij voorkeur met streekeigen soorten) te beplanten en dat beplanting ingezet kan worden om het beeld van een perceel te verzachten. De landschappelijke inpassing van het projectgebied, zoals omschreven in paragraaf 2.2.2, is in lijn met deze uitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied. Dit plan past binnen de Structuurvisie Buitengebied 2014.

Pagina 39 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

3.5.4 Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet Agrarische functies Wettelijk kader 3.5.4.1 Wettelijk kader De gemeente Hilvarenbeek heeft op 11 juni 2020 de ‘Strategie Vitaal Beeks Buiten. Niet Agrarische functies’ vastgesteld. In deze strategie wordt omschreven welke ruimte en mogelijkheden de gemeente voor nieuwe functies biedt en welke voorwaarden zij hieraan verbindt. Als een concrete nieuwe ontwikkeling niet toegestaan kan worden op basis van het geldende bestemmingsplan, dan wordt bekeken of de ontwikkeling past binnen de (ruimere) kaders van deze strategie. De ‘Strategie vitalisering buitengebied niet agrarische functies’ biedt een beleidskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek. Initiatieven die niet binnen het geldende bestemmingsplan passen, maar wel leiden tot een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving binnen de gemeente Hilvarenbeek kunnen mogelijk worden gemaakt. De visie gaat specifiek over niet-agrarische ontwikkelingen, bijvoorbeeld een vrijkomende agrarische locatie, een Ruimte voor Ruimte woning, maar ook ontwikkeling van een al bestaande niet-agrarische functie.

Het uitgangspunt van de visie is dat veel mogelijk is, maar dat alle ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kwaliteit van het buitengebied bijvoorbeeld door aanleg van nieuwe natuur of door sloop van gebouwen of een andere vorm van kwaliteitsverbetering. Een initiatiefnemer moet zelf motiveren waarom zijn ontwikkeling goed is voor de omgeving. En wat hij bijdraagt aan toegevoegde waarde voor de omgeving. 3.5.4.2 Toets In de Visie Vitaal Beeks Buiten is opgenomen dat een herontwikkeling dient aan de sluiten bij de omvang van het bestaande erf. Er zal bij voorkeur verkleind moeten worden naar een omvang van circa 2.500 m². Bij bestaande, grote erven vormt een nieuwe omvang van 5.000 m² de bovengrens. De gemeente Hilvarenbeek heeft hiermee als principe dat een bedrijfslocatie voor een niet agrarisch bedrijf niet groter kan zijn dan 5.000 m². Aan deze voorwaarde kan met deze ontwikkeling niet worden voldaan. Het is immers niet mogelijk om zowel alle bedrijfsbebouwing en de voorzieningen als erfverharding en ontsluiting en de bedrijfswoning met bijgebouwen binnen dit functievlak te realiseren. Er is een mogelijkheid om af te wijken van deze bovengrens wanneer de ontwikkeling zodanige kwaliteitverbetering met zich mee brengt dat deze afwijking gerechtvaardigd is. Daarvan is sprake binnen het plangebied.

Naast het opheffen van een piekbelasting op Natura-2000 gebieden wordt nieuwe natuur gerealiseerd door uitbreiding van een bos direct nabij het plangebied. Deze berekening voldoet aan de kaders van kwaliteitverbetering van het landschap. Met deze ontwikkeling vindt de sanering van een intensieve veehouderij plaats. Deze veehouderij veroorzaakt een piekbelasting op het Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’. Er vindt een omzetting naar een locatie met bedrijfsactiviteiten plaats. Overtollige bebouwing wordt gesloopt en het geheel wordt robuust landschappelijk ingepast. De ontwikkeling past binnen de Strategie vitalisering buitengebied van gemeente Hilvarenbeek. Het college van burgemeester en wethouders heeft in principe ingestemd met afwijking van de visie voor deze ontwikkeling. Aan de in dit besluit genoemde voorwaarden wordt voldaan. Dit betreft sloop van een loods met een omvang van 235 m², er wordt geen nieuwe uitrit gerealiseerd, er wordt een landschapselement toegevoegd aan de voorzijde en er is (in deze motivering) aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Pagina 40 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan de verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Indien noodzakelijk worden deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek.

4.1

Project-mer-beoordeling

4.1.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (mer) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de mer is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de mer. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en b.

als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1) de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2) het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

4.1.2 Toets De omzetting van een varkensstal naar een bedrijfsfunctie, de kleinschalige uitbreiding van bestaande statische opslag (caravanopslag) binnen de bestaande bebouwing die hiermee duurzaam wordt herbenut en de sloop van een loods kan geschaald worden op de lijst J onder J11 ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ zoals opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is met deze ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De locatie is niet in of nabij een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen. Met de ontwikkeling gaan er geen natuurwaarden verloren. Door de landschappelijke inpassing van het projectgebied worden de natuurwaarden juist versterkt. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten. In het kader van de beoogde ontwikkeling is het opstellen van een MER dan ook niet aan de orde.

Pagina 41 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.2

Duurzaamheid en klimaat

4.2.1 Duurzaamheid 4.2.1.1 Wettelijk kader Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatie-strategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's. In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

4.2.1.2 Toets Met dit plan vindt volledig hergebruik van kwalitatief hoogwaardige bebouwing plaats. Dit draagt bij aan het duurzaam gebruik van het landelijk gebied. Er is behoefte aan de beoogde functies.

4.2.2 Klimaat 4.2.2.1 Wettelijk kader Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie’ beoordeeld. 4.2.2.2 Toets Binnen het projectgebied wordt rekening gehouden met het klimaat door hemelwater te bergen binnen de eigen perceelsgrenzen. Circa de helft van het projectgebied wordt omgezet naar een bosof groenfunctie.

Hiermee wordt bijgedragen aan de klimaatadaptatieve inrichting van het projectgebied. Pagina 42 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.3

Gezondheid

4.3.1 Endotoxine 4.3.1.1 Wettelijk kader De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. 4.3.1.2 Toets In de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen varkens- of pluimveebedrijven gelegen. Op circa 250 meter ten noorden van het projectgebied is het varkensbedrijf aan Tongerloseweg 7 gelegen. Het projectvoornemen voorziet in een kleinschalige uitbreiding van de bestaande statische opslag, de beëindiging van een intensieve veehouderij om ter plekke van de te behouden bebouwing drie bedrijfsunits mogelijk te maken en de sloop van een bijgebouw. De bedrijfswoning blijft onveranderd in gebruik. De sanering van de intensieve veehouderij binnen het projectgebied leidt tot een enorme milieuwinst binnen het besluitlocatie en de directe omgeving hiervan. Een onderzoek naar endotoxine is hierdoor overbodig. De beoogde ontwikkeling is op grond van het aspect endotoxine dan ook geen bezwaar.

4.3.2 Geitenhouderijen 4.3.2.1 Wettelijk kader Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de jaren 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Pagina 43 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.3.2.2 Toets Met onderhavig project wordt geen nieuw gevoelig gebouw mogelijk gemaakt. De eventuele aanwezigheid van geitenhouderijen in de omgeving vormt geen belemmering voor het projectvoornemen. Op korte afstand van het projectgebied is overigens ook geen geitenhouderij gelegen.

4.3.3 Gewasbeschermingsmiddelen 4.3.3.1 Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. 4.3.3.2 Toets Met onderhavig project wordt er geen gevoelig gebouw mogelijk gemaakt. De ontwikkeling voorziet in de sanering van een intensieve veehouderij en de omzetting van agrarische gronden naar een bosen groenfunctie. Het aspect gewasbeschermingsmiddelen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 44 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.4

Water

4.4.1 Wettelijk kader 4.4.1.1 Watertoets De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afstemmen, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegenomen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van een plan voor de waterhuishouding, in de ruimtelijke onderbouwing van alle ruimtelijke plannen. Deze beschrijving is opgenomen in de waterparagraaf. De projectlocatie is gelegen in het beheergebied van Waterschap De Dommel. 4.4.1.2

Riool- en Waterprogramma 2022-2026

Riool en Waterprogramma Het Riool- en Waterprogramma (RWP) van de gemeente Hilvarenbeek beschrijft de invulling van de zorgplichten en de onderliggende visie op de verschillende watertaken. Het RWP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het RWP legt de gemeente vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente heeft het uitvoeringsprogramma gebaseerd op 4 thema’s, uitgewerkt in ambities, doelen en maatregelen. Omgevingswet Na het van kracht worden van de omgevingswet is het RWP niet langer een wettelijk verplichte planvorm, maar kunnen elementen hiervan opgaan in respectievelijk de omgevingsvisie, -plan en programma. Hoewel de wettelijke verplichting tot het opstellen van een rioleringsplan komt te vervallen houden we rekening met een nieuw op te stellen rioleringsprogramma als opvolger van dit RWP. Het is immers een effectief planinstrument om de rioleringszorg te borgen en activiteiten af te stemmen. Het RWP past in een logische lijn van de verplichte nationale en regionale waterprogramma’s naar een lokaal programma voor stedelijk water en riolering. Door andere beleidsvelden en plannen te betrekken bij het planproces van dit RWP zijn de raakvlakken gewaarborgd.

In dit RWP heeft de gemeente geanticipeerd op de komst van de Omgevingswet door rekening te houden met de beoogde opzet van de Omgevingsvisie, het omgevingsplan en de bijbehorende uitvoeringsagenda. Riolering buitengebied transformeert met transitie buitengebied De drukriolering van de gemeente dient nog niet vervangen te worden, echter het buitengebied ondergaat een grote verandering doordat het landschap en de functies erin veranderen. Dit gaat ook gepaard met een ander lozingsgedrag. De kans bestaat dat het systeem in de nabije toekomst niet meer voldoet. In die situaties en bij vervanging van bestaande voorzieningen (drukriolering of een alternatieve voorziening) wordt bewust een heroverweging gemaakt van wat de meest doelmatige oplossing is per specifieke situatie. Er wordt niet standaard dezelfde voorziening teruggeplaatst als alternatieven mogelijk doelmatiger zijn. Daarbij wordt op de drukriolering nog regelmatig hemelwater geloosd, wat wettelijk niet is toegestaan. Om het functioneren van de drukriolering te verbeteren, wordt met het hemelwaterbeleid met daarin de aanwijsgebieden verplichte afkoppeling verder

Pagina 45 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

ingekaderd. Aanvullend wordt onderzoek verricht waar de lozing van hemelwater op drukriolering plaatsvindt en wordt dit hemelwater afgekoppeld. 4.4.1.3 Hydrologisch neutraal ontwikkelen Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. 4.4.1.4 Hemel- en Grondwaterbeleid Hilvarenbeek Volgens de Waterwet uit 2009 beginnen de nieuwe zorgplichten op hemel- en grondwater bij de perceelseigenaar. Zij moet het in eerste instantie op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet redelijkerwijs kan. Met de Nieuwe Waterwet heeft de gemeente nu ook juridische instrumenten om een meer duurzame omgang met water af te dwingen. Bij de woningbouwontwikkelingen wordt getracht een betere onderbouwing te krijgen van de bouwplannen in relatie tot optredende grondwaterstanden.

De laatste jaren streeft de gemeente Hilvarenbeek ook naar het afkoppelen van hemelwater van het vuile rioolwater bij de uitvoering van rioolvervangingen. Om wateroverlast te voorkomen is het ook nodig om op de ontwikkellocatie maatregelen tot het vasthouden van hemelwater te nemen. De uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht vormt de basis voor het herstel naar een meer natuurlijk evenwicht. In plaats van al het overtollige water enkel zo snel mogelijk af te voeren zet de gemeente daarbij ook in op het vasthouden en benutten van water. De perceelseigenaar speelt hierbij uitdrukkelijk een rol. Uiteraard mogen hierbij geen nieuwe wateroverlastproblemen ontstaan. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van afvoer en verwerking hemelwater is uitgewerkt in het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’. Hierbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het landelijke beleid en het beleid van het waterschap. De gemeente Hilvarenbeek heeft het Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek in 2022 herzien en opnieuw als bijlage/beleid bij het nieuwe Riool en waterprogramma toegevoegd.

Waar op grond van waterschapsbeleid plannen met een toename kleiner dan 500 m2 verhard oppervlak zijn vrijgesteld aan compensatie, richt dit aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak met een compensatieverplichting vanaf een toename van 250 m2 aan nieuw verhard oppervlak. Onder ‘nieuw verhard oppervlak’ wordt binnen dit gemeentelijk beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. In het waterschapsbeleid is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging over het nieuw verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Naast deze compensatieberging behoort altijd een noodoverstort mogelijk te zijn naar de omgeving waar dit niet tot wateroverlast leidt. Pagina 46 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.4.2 Toets 4.4.2.1 Omvang verhard oppervlak Als gevolg van deze ontwikkeling is géén sprake van toename van verharding. Een loods wordt gesloopt en de resterende bebouwing wordt hergebruikt. Dit plan is hydrologische neutraal. Er is in de huidige situatie ook geen sprake van hemelwateroverlast. 4.4.2.2 Bodem Binnen het projectgebied is sprake van vedpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (noordzijde) én hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zuidzijde). 4.4.2.3 Grondwater Binnen het projectgebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De gemiddeld hoogste grondwaterstand ligt op circa 55 tot 80 cm tot het maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt tussen de 170 en 200 cm tot het maaiveld. Navolgende figuur geeft een beeld van de GHG binnen het projectgebied.

Figuur 19: Uitsnede kaart met de ligging van de GHG, met de ligging van he projectgebied in een rode cirkel aangeduid

4.4.2.4 Oppervlaktewater Binnen het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van het projectgebied ten opzichte van oppervlaktewater en watergangen.

Pagina 47 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 20: Uitsnede kaart met legger watergangen, met het projectgebied met een rode cirkel aangeduid

4.4.2.5 Bergingsopgave Met het projectvoornemen wordt geen verharding toegevoegd. Er is geen sprake van de noodzaak tot hemelwater infiltratie voorzieningen. Er is in de huidige situatie geen sprake van overlast van hemelwater. Met dit plan worden rondom de bebouwing forse groenelementen gerealiseerd. Hemelwater wordt binnen deze elementen geïnfiltreerd. Dit leidt tot een verbetering in hemelwaterverwerking. De gemiddeld hoogste grondwaterstand is in het gebied vrij laag. Hierdoor is hemelwaterinfiltratie in de ondergrond realistisch. Daarbij is de verhouding groene inpassing en verharding zodanig dat de omvang van de inpassing geschikt is voor de infiltratie van hemelwater. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

Pagina 48 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.5

Ecologie

4.5.1 Wettelijk kader 4.5.1.1 Wetgeving inzake natuur Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.5.1.2 Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.

In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting.

4.5.1.3 Stikstof In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de Pagina 49 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met Aerius Calculator wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling berekend. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. De wet bevat de resultaatverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Om de resultaatverplichtingen te halen, geeft de Stikstofwet de opdracht om een programma van maatregelen op te stellen waarmee de reductie kan worden bereikt en de natuur kan herstellen. 4.5.1.4 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.

Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en faunaactiviteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: - óf er soorten aanwezig zijn; - en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

4.5.2 Toets 4.5.2.1 Gebiedsbescherming Ten zuiden van het projectgebied is op een afstand van 210 meter tot het projectgebied het Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’ gelegen. De exploitatie van de veehouderij zorgt voor een piekbelasting op dit gebied. Hiermee is sprake van een depositie op dit Natura2000 gebied van 2,61 mol per hectare per jaar. Hiermee is sprake van een depositie op dit Natura2000 gebied van 2,61 mol per hectare per jaar. Tevens zorgt exploitatie van het bedrijf voor een zware belasting op andere verder weg gelegen Natura 2000-gebieden zoals ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen en Regte Heide & Riels Laag. Dit is in beeld gebracht in navolgende figuren.

Pagina 50 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 21: Beeld van depositie van stikstof door de veehouderij in de huidige situatie

Figuur 22: Beeld van depositie van stikstof door de veehouderij in de huidige situatie

Met het projectvoornemen wordt de intensieve varkenshouderij, een piekbelaster van Natura 2000gebied ‘Kempenland-West’, definitief beëindigd. Er is geen sprake van bouwactiviteiten. In de huidige situatie is slechts sprake van uitstoot door verkeer. Hiervoor is een Aerius berekening opgesteld. Gezien de afstand tot het projectgebied zijn negatieve effecten op het gebied van licht, geluid, trillingen of mechanische effecten uit te sluiten. De beoogde kleinschalige ontwikkeling van het projectgebied heeft geen negatief effect op dit Natura 2000-gebied. Ten zuiden van het projectgebied is op 210 meter Natuur Netwerk Brabant (NNB) aanwezig. Op een afstand van 360 meter ten westen én 400 meter ten noorden van het projectgebied is tevens NNB aanwezig. Pagina 51 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 23: Beeld van ligging van het projectgebied (met een zwart bolletje aangeduid) ten opzichte van NNB-gebieden

Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). 4.5.2.2 Stikstof Voor voorliggend plan is een stikstofnotitie incl. bijlagen (Bijlage 2) opgesteld. Uit de notitie blijkt dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt. Hiermee kunnen significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatie- en gebruiksfase op voorhand worden uitgesloten. Er is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en hierom is er ook geen passende beoordeling aan de orde. 4.5.2.3 Soortenbescherming Met onderhavig projectvoornemen vindt de sloop van een loods plaats. De sloop van het bijgebouw betreft een flora- en fauna-activiteit. Het gebouw is echter geen gebouw dat geschikt is voor verblijfplaatsen van soorten en wordt gesloopt nadat het gebouw open wordt gemaakt met tocht. Navolgende figuur geeft een beeld van de te slopen loods.

Pagina 52 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 24: Beeld van te slopen loods

Gelet op bovenstaande vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het projectvoornemen.

Pagina 53 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Wettelijk kader 4.6.1.1 Beoordeling van de luchtkwaliteit Bij een evenwichtige toebedeling van functies in het omgevingsplan dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. De afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Bkl. In het Bk) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.

4.6.1.2 Aandachtsgebieden In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. 4.6.1.3 Uitgezonderde locaties (blootstelling) De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).

4.6.1.4 Niet in betekende mate (NIBM) Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde

Pagina 54 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen . Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Binnen het projectgebied worden drie bedrijfsunits mogelijk gemaakt. Derhalve kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is. 4.6.1.5 Blootstelling en verontreiniging Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide.

4.6.2 Toets Navolgende figuren geven de actuele concentratie van PM10 en stikstof, evenals de concentratie PM2,5 uit 2022 binnen het projectgebied weer.

Figuur 25: Actuele concentratie PM10 ter plekke van projectgebied, RIVM

Pagina 55 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 26: Actuele concentratie PM2,5 in 2022 ter plekke van projectgebied, RIVM

Figuur 27: Actuele concentratie stikstofdioxide in Nederland, RIVM

Op basis van bovenstaande figuren blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 binnen het projectgebied niet overschreden worden. Door de sanering van de intensieve veehouderij wordt bijgedragen aan het verbeteren van de luchtkwaliteit op locatie. Er wordt geen NO2, PM10 of PM2,5 producerende activiteit op locatie mogelijk gemaakt. Voor fijnstof PM2,5 geldt dat de concentratie met (8-9) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 25 µg/m³ PM2,5 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het projectvoornemen.

Pagina 56 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.7

Geluid

4.7.1.1 Wettelijk kader Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). 4.7.1.2 Toets Onderhavig project voorziet niet in het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is hierom overbodig. De ontwikkeling voorziet in hergebruik van bestaande bebouwing voor caravanopslag en het mogelijk maken van drie bedrijfsunits van maximaal milieucategorie 2. In de huidige situatie vinden er activiteiten ten behoeve van de bestaande intensieve veehouderij plaats.

Het meest dichtbij gelegen geluidgevoelige gebouw ligt aan de overzijde van de Tongerloseweg. Gezien de huidige activiteiten binnen het projectgebied (categorie 4), de kleinschalige aard van de toekomstige activiteiten en de afstand tot het meest dichtbij gelegen gebouw is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai overbodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.

Pagina 57 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.8

Geur

4.8.1 Wettelijk kader Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’). In het Bal zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour.

Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan.

4.8.2 Toets 4.8.2.1 Gemeentelijke geurverordening De gemeente Hilvarenbeek heeft in aanvulling op de Wet geurhinder en veehouderij de “Verordening geurhinder en veehouderij” opgesteld. Het projectgebied is in de gemeentelijke verordening aangewezen als gelegen in het ‘Buitengebied’. Voor het buitengebied heeft de gemeente Hilvarenbeek een geurnorm vastgesteld van 10 oue/m³ voor veehouderijen waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van veehouderijen met maximaal 50 dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. 4.8.2.2 Beoordeling projectgebied Met onderhavig project wordt de sanering van een intensieve varkenshouderij mogelijk gemaakt. Op basis van het KRD Noord-Brabant geldt hiervoor een vergunde geuremissie van 28.950,0 ouE/s. De ontwikkeling voorziet niet in het mogelijk maken van een geurgevoelig gebouw of geurveroorzakende activiteiten. Binnen het besluitgebied worden drie bedrijfsunits categorie 2 opgericht. Hier is geen sprake van permanent verblijft. Desondanks is hierna het woon- en leefklimaat beoordeeld. Echter is de intensieve veehouderij aan Tongerloseweg 16 de enige intensieve veehouderij in de omgeving. De veehouderij aan Tongerloseweg 14 betreft een veehouderij met een vaste aan te houden afstand van 50 meter. Het projectgebied is op grotere afstand tot dit bedrijf gelegen.

Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging van veehouderijen ten opzichte van het projectgebied.

Pagina 58 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

Figuur 28: Beeld met ligging van veehouderijen in de omgeving van het projectgebied (met een zwarte cirkel aangeduid)

Daarbij wordt het woon- en leefklimaat bijna volledig bepaald door exploitatie van de veehouderij binnen het projectgebied. Navolgende figuur geeft een beeld van de huidige indicatieve achtergrondbelasting in de omgeving het projectgebied, waarop de ligging van het projectgebied is aangeduid.

Figuur 29: Beeld met indicatieve achtergrondbelasting in de omgeving van het besluitgebied in de huidige situatie (met een blauwe marker aangeduid)

De ontwikkeling draagt fors bij aan het verminderen van de voor- en achtergrondbelasting van omliggende geurgevoelige gebouwen. Gelet op bovenstaande vormt het aspect geur geen belemmering voor het projectvoornemen.

Pagina 59 van 74

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit en aanpassing omgevingsplan.

4.9

Omgevingsveiligheid

4.9.1 Wettelijk kader 4.9.1.1 Rijksbeleid Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om het zogeheten plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Inzake het groepsrisico gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16141640/1