CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bindend advies Bopa Goirlesedijk 4B (3 onderbouwing ETFAL)

Gemeenteraad 8 juli 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bopa Goirlesedijk 4b.25.688 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Afbeelding 18: Uitsnede viewer De Dommel, locatie rood omlijnd

De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 6.450 m2 x 1 x 0,06 = 387 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden Pagina 46 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde kaart van Waterschap de Dommel. Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde retentievoorzieningen tussen 20 en 40 cm beneden maaiveld.

Afbeelding 19: Uitsnede viewer De Dommel, locaties retentievoorzieningen aangeduid met rode stippen

Zoals in de landschappelijke inpassing te zien is zijn er twee poelen binnen de projectlocatie beoogd. Deze poelen krijgen een oppervlakte van circa 800 m2. Daarnaast is er een sloot aan de noordwestzijde van de projectlocatie gelegen. De oppervlakte van deze sloot is circa 190 m2. In totaal is er derhalve 990 m2 aan retentievoorzieningen aanwezig binnen de projectlocatie. Met een GHG van 40 cm komt dit uit op een bergingsmogelijkheid van 396 m3. Er is derhalve voldoende bergingscapaciteit aanwezig binnen de projectlocatie. In de voorschriften van het besluit van de BOPA zal worden opgenomen dat er voldoende waterberging gerealiseerd dient te worden op basis van de voorwaarden uit het gemeentelijke beleid. Op deze manier zal ten alle tijden voldoende waterberging aanwezig zijn binnen de projectlocatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het voornemen.

Pagina 47 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

4.3 Natuur De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van weten regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1 Gebiedsbescherming De Omgevingswet voorziet met het oog op behoud van biodiversiteit, in regels ter bescherming van Natura 2000-gebieden zoals de aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden. Daarnaast verplicht de wet dat voor bepaalde projecten, plannen en handelingen die invloed hebben op Natura 2000gebieden sprake is van een vergunningsplicht op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is beschermd middels regel in de Bkl. In paragraaf 7.3.1 van het Bkl zijn regels opgenomen dat provincies deze beschermingsregels in de Omgevingsverordening dienen op te nemen. Het gaat hier met name om het aanwijzen en de geometrische begrenzing vastleggen van de Natuur gebieden. Daarnaast worden in de Omgevingsverordening regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Hierbij worden de doelstellingen van het gebied in acht genomen. In Nederland zijn 161 Natura 2000gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 2,5 kilometer ligt. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken zijn berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase gemaakt. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht.

Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de aanleg- en gebruiksfase niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden/geen netto depositieresultaten hebben boven de 0,00 mol N/ha/jaar. De berekeningen en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate

Pagina 48 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

bijlagen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats- en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kempenland-West leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.

4.3.2 Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van alle in Nederland in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het voornemen aan de Goirlesedijk 4b te Hilvarenbeek, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te saneren stallen en de nieuw te realiseren guesthouses, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan.

In december 2020 is door Brabant Eco een quickscan flora en fauna uitgevoerd waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora en fauna aanwezig zijn. Tijdens deze controle is Pagina 49 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

gebleken dat er géén beschermde soorten ter plaatse van de projectlocatie aanwezig zijn, zie Bijlage 8. Een nader onderzoek in het kader van flora & fauna is door het ontbreken geschikte biotopen en van vaste verblijfslocaties dan ook niet noodzakelijk. Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen ontheffing meer voor te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen. De quickscan zal nog worden geactualiseerd na dat de Raad heeft besloten over de wenselijkheid van de ontwikkeling.

4.4 Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan.

4.4.1 Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd.

Pagina 50 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

In het vigerende bestemmingsplan heeft in de noordhoek van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend gekregen, zie onderstaande afbeelding. Ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn de gronden beschermd tegen mogelijk aanwezige archeologische waarden. Voor het bouwen met een totale oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 onder het maaiveld is het noodzakelijk om een archeologisch rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Ter plaatse van de dubbelbestemming worden geen guesthouses en/of andere bouwwerken gerealiseerd, waardoor geen archeologisch rapport noodzakelijk is.

Afbeelding 20: Uitsnede vigerend plan, ‘Waarde – Archeologie 2’ opgelicht in oranje, projectlocatie omlijnd

Gezien voorafgaande toetsing wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Tevens worden mogelijke aanwezige archeologische waarden in situ behouden, doordat de gronden ter plaatse van de vakantiewoningen en beplanting slechts in de bovenste grondlaag worden afgegraven. In de bovenste grondlaag is het aantreffen van archeologische waarden nihil. Derhalve is een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Tot slot is het op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om een toevalsvondst aan het bevoegd gezag te melden, mocht hier toch nog sprake van zijn.

4.4.2 Cultuurhistorie en landschap Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie onderstaande Pagina 51 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het voornemen geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.

Afbeelding 21: Uitsnede kaart aardkundige en cultuurhistorische waarden Ov, plangebied weergeven met plusteken

Het plan grenst wel aan een cultuurhistorisch waardevol oud akkercomplex Biest/Westerwijk. Eén van de genoemde kenmerkende patronen hiervoor is het contrast tussen de open akker en meer gesloten randen (Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant, Herziening 2025). Zie hiervoor ook de landschapsanalyse in de stedenbouwkundige en landschappelijke onderbouwing. Om deze reden is gekozen om het contrast van de verdichte groene rand en de open akker te versterken door een brede bossingel aan de noordzijde van het plangebied te leggen. Op de zuidelijke punt van het perceel waard de zandweg uitkomt op de Goirlesedijk wordt vanaf de weg een doorzicht gecreëerd onder de bomen door richting de open akker, zodat dit contrast ook vanuit hier beleefbaar is.

4.5 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde in art. 5.89i van het Bkl is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Omgevingswet en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:

Pagina 52 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

▪

▪ ▪ ▪

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. De overtollige stallen bij de varkenshouderij zullen worden gesaneerd. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Binnen de bedrijfsvoering vonden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hadden betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn geweest. Deze werden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten.

Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten werd het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodem beschermende voorzieningen werd het bodemrisico nog verder teruggebracht Om duidelijk te krijgen of de bodem niet verontreinigd is door de agrarische activiteiten die hebben plaatsgevonden binnen het plangebied dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het bodemonderzoek zal worden uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN5740. Dit bodemonderzoek wordt uitgevoerd na dat de Raad heeft besloten over de wenselijkheid van de ontwikkeling. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom op voorhand geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Hierbij wordt daarnaast ook opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die zijwaarts bespoten moeten worden, zoals boomgaarden.

Pagina 53 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

Gewassen laag aan de grond worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. De projectlocatie ligt nabij landbouwgronden van derden, op drie plaatsen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Echter worden in de beoogde situatie enkel recreatieve functies toegevoegd binnen de projectlocatie. De recreatieve objecten zullen niet constant worden bewoond, het verblijf zal maar kortstondig zijn ten behoeve van een vakantie, deze objecten gelden daarom niet als een nieuwe woning (geen nieuw gevoelig object). De spuitzonering van 50 meter is daarom niet van toepassing voor de beoogde ontwikkeling. Uit het bovenstaande valt te concluderen dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect spuitzones.

4.7 Activiteiten en milieuzonering Om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot onevenredige beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden wordt aangesloten bij de ‘Activiteiten en milieuzonering’. De handreiking is in eerste instantie bedoeld voor bedrijventerreinen, andere werkterreinen, gemengde en rustige woonwijken. Het principe kan echter ook worden toegepast op solitaire geluiduitstralende activiteiten in overige gebieden, bijvoorbeeld het buitengebied. In deze handreiking wordt gesteld dat voor geluiduitstralende activiteiten geldt dat er op 50 meter afstand van de locatie een geluidsnorm geldt van 50 dB. In het kader van geur zijn ook richtafstanden opgenomen, echter omdat het recreatiebedrijf geen/ een verwaarloosbare geur zal uitstoten, wordt deze toetsing vanuit de locatie buiten beschouwing gelaten. De dichtstbijzijnde functies van derden ten opzichte van de locatie aan de Goirlesedijk 4b te Hilvarenbeek zijn de volgende functies: ▪ Groot Westerwijksestraat 11: Agrarische functie> Akkerbouwbedrijf met functieaanduiding paardenhouderij ▪ Goirlesedijk 6: Woonfunctie > Burgerwoning Voor een paardenhouderij is het aspect geur het belangrijkste aspect. In het kader van het aspect geur wordt er gekeken naar de geldende Wet- en regelgeving.

Op grond van de Bkl is en blijft de vrijkomende agrarische bedrijfswoning een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Op grond van de Bkl moet de afstand tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en de gevel van zo’n object, wanneer gelegen binnen de bebouwde komt, ten minste 100 meter bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Hetzelfde geldt voor de beoogde recreatieve verblijfseenheden. De projectlocatie ligt buiten de bebouwde kom, dus er geldt een minimale afstandseis van 50 meter. Het bouwvlak van de Groot Westerwijksestraat 11 is gelegen op een afstand van circa 85 meter van het beoogde bouwvlak van de buitenplaats. Er is derhalve ten allen tijde voldoende afstand tussen het dierenverblijf en de beoogde recreatieve verblijfseenheden. Voor een akkerbouwbedrijf is het aspect geluid een belangrijk aspect. Er zullen naar en van de locatie aan de Groot Westerwijksestraat 11 namelijk zware vervoersbewegingen plaatsvinden. Voor geluid uitstralende activiteiten geldt dat er een milieuzonering is van 50 meter. Er wordt gesteld indien op deze grens een maximum van 50 dB is, dan is daar buiten sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Gekeken naar vergunningen van vergelijkbare bedrijven is het niet aannemelijk dat het akkerbouwbedrijf een dergelijke geluid uitstraling heeft dat de hiervoor genoemde zonering zal worden overschreden. Aangezien de afstand tussen het bouwvlak van het akkerbouwbedrijf en het beoogde bouwvlak circa 85 meter bedraagt, zal de geluidsnorm niet worden overtreden ter plaatse Pagina 54 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

van het beoogde bouwvlak. De ontwikkeling aan de Goirlesedijk 4b wordt daarom gerealiseerd in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en zal het bedrijf aan de Groot Westerwijksestraat 11 ook niet belemmeren. De ontwikkeling ter plaatse van de Goirlesedijk 4b te Hilvarenbeek betreft het realiseren van een buitenplaats met guesthouses. Het aspect geluid kan hierbij ook een belangrijk aspect zijn. De opslag plaats en het gebouw ten behoeve van de ondergeschikte horeca, campingwinkel en receptie zouden geluid uit kunnen stralen naar de omgeving. Deze geluid uitstraling zal echter zeer beperkt zijn. Er kan vanuit worden gegaan dat de uitstraling van geluid niet meer zal bedragen dan de eerder genoemde zonering van 50 dB op 50 meter afstand. Daarbij valt op te merken dat de opslag loods en het andere bedrijfsgebouw op respectievelijk 110 meter en 205 meter afstand van het dichtstbijzijnde bouwvlak (zijnde de locatie aan de Groot Westerwijksestraat 11) zijn gelegen. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling daarom niet zal leiden tot belemmeringen van de functie aan de Groot Westerwijksestraat 11.

4.8 Geur In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot geurhinder van dierenverblijven. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen (ten opzichte van de bruidsschat) vaststelt in het Omgevingsplan. Deze regels zijn afkomstig van de beoordelingsregels zoals opgenomen in het Bkl. Indirect heeft de wetgeving ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Worden bedrijven in de omgeving onevenredig belemmerd door de beoogde ontwikkeling? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat voor wat betreft het aspect geur gegarandeerd?

4.8.1 Omgekeerde werking Op grond van de regels uit het omgevingsplan is en blijft de vrijkomende agrarische bedrijfswoning een geurgevoelig gebouw dat onderdeel uitmaakt van een veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Op grond van artikel 5.110 het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de afstand tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en de gevel van zo’n object, wanneer gelegen binnen de bebouwde komt, ten minste 100 meter bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Hetzelfde geldt voor de beoogde recreatieve functie. Op grond van de regels uit het omgevingsplan, gelden de vaste afstanden namelijk ook voor objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd: ▪ op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, ▪ in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de dierenverblijven, en ▪ in samenhang met de sloop van de dierenverblijven of bedrijfsgebouwen voor functioneel ondersteunde activiteiten. De projectlocatie ligt buiten de bebouwde kom. Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie liggen geen veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte de planlocatie ligt aan de

Pagina 55 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

Grote Voort 7, zie Afbeelding 22. De afstand tot dit bouwvlak bedraagt circa 128 meter. Hiermee wordt dus voldaan aan de gestelde vaste afstanden in de Bkl.

128 meter

Afbeelding 22: Omliggende veehouderijen, plangebied bij rode aanduiding (bron: KRD)

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

4.8.2 Woon- en leefklimaat Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de projectlocatie nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de Achtergrondkaart geur, zie Afbeelding 23. Hieruit blijkt de kwaliteit van de leefomgeving goed, 3 – 7 Oue, bedraagt.

Pagina 56 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

Afbeelding 23: Uitsnede kaart Achtergrond geurbelasting ODZOB

Hierbij dient tevens te worden opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling zelf ook een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat. De geuruitstoot welke aanwezig was ten aanzien van de intensieve veehouderij, is volledig verdwenen met het saneren van de intensieve veehouderij. Conclusie Gezien hetgeen hierboven beschreven, is aangetoond dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de buitenplaats met guesthouses voor het luxe segment aanvaardbaar zal zijn na het saneren van de varkenshouderij. Daarnaast is aangetoond dat omgekeerd de buitenplaats met guesthouses voor het luxe segment niet belemmerend is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de in de nabijheid gelegen veehouderijen.

4.9 Luchtkwaliteit In het Bkl is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl omgevingswaarden voor de buitenlucht opgenomen. Deze waarden betreffen grenswaarden van concentraties voor onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Om een evenwichtige toedeling van de nieuwe functie op de locatie te waarborgen dient voor het aspect luchtkwaliteit enerzijds onderzocht te worden of de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Anderzijds moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Pagina 57 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

4.9.1 Toetsing normen luchtkwaliteit Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3. In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan het Bkl in beeld te worden gebracht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht.

Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: • • • •

Categorie woningbouwlocaties; Categorie kantoorlocaties; Combinatie van woningbouw en kantoren; Categorie inrichtingen.

Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde buitenplaats met guesthouses voor het luxe segment te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. Voor een recreatiewoning in het buitengebied wordt een verkeersgeneratie van minimaal 2,6 en maximaal 2,8 voorgeschreven. Het aantal guesthouses zal in de beoogde situatie 25 stuks zijn. Dit resulteert in een worstcase scenario in een weekdaggemiddelde van 70 verkeersbewegingen van en naar de buitenplaats met guesthouses voor het luxe segment (25 recreatiewoningen * 2,8 verkeersbewegingen). Het aandeel bezoekers (licht verkeer) is door de CROW geschat op 89% en voor het overige aandeel van 11% (ten behoeve van leveringen etc.) is uitgegaan van zwaar vrachtverkeer. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie zware verkeersbewegingen van en naar de agrarische inrichting plaats die in de beoogde situatie komen te vervallen.

Pagina 58 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

70

Aandeel vrachtverkeer

11,0%

3

NO2 in μg/m

0,10

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 24: Uitsnede NIBM-tool

De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.9.2 Woon- en leefklimaat Indien aan de grenswaarden zoals beschreven in voorgaande alinea wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Jaarlijks wordt door RIVM onderzocht wat de achtergrondconcentratie is van verschillende stoffen. Het ruimtelijke patroon van de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 toont in het noorden van Nederland en in Zeeland lagere waarden dan in de rest van Nederland. De hogere bijdrage van buurlanden, de bijdrage van lokale bronnen (zoals industrie en intensieve veehouderij) en de hogere aandelen van secundair fijnstof zorgen voor hogere fijnstof concentraties in zuiden en oosten van Nederland. Secundair fijnstof is fijnstof dat in de lucht wordt gevormd uit bijvoorbeeld ammoniak en stikstofoxiden. De waarden van de verschillende stoffen worden door het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gebruikt om Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) te maken. Volgens deze kaarten wordt in Nederland bijna overal aan de wettelijke grenswaarden voldaan. Lokaal kan de grenswaarde voor fijnstof wel overschreden worden op grote industrieterreinen zoals de Maasvlakte en TataSteel. Ook bij gebieden met een hoge concentratie aan pluimveehouderijen kan lokaal sprake zijn van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden.

In de omgeving van de projectlocatie zijn geen pluimveehouderijen of zware industrie te vinden. Hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat de grenswaarden voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie niet worden overschreden. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 59 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

4.10 Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn direct werkende regels in het (tijdelijk) omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van de projectlocatie zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de projectlocatie. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Bkl. Ten opzichte van de bestaande situatie vinden er geen wijzigingen plaats aan de bedrijfswoning, waardoor het aspect geluid in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is voor de gemeente. De recreatieve verblijfsvoorzieningen genieten ingevolge de Besluit kwaliteit leefomgeving geen bescherming. Vaste jurisprudentie hierover is dat recreatieverblijven geen geluidsgevoelige objecten zijn, zie ABRvS 30 mei 2000, nr.

199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659). Gezien het feit dat bij de verblijfsrecreatie gedurende een langere tijd personen zullen verblijven is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel van belang dat gemotiveerd wordt dat er ter plaatse geen sprake van geluidhinder zal zijn. In de omgeving van de projectlocatie zijn geen gezoneerde bedrijventerreinen of industriebedrijven aanwezig. Het aspect industrielawaai is voor de beoogde ontwikkeling dan ook niet van toepassing. Railverkeerslawaai wordt eveneens buiten beschouwen gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op 6,3 kilometer van de projectlocatie is gelegen. Ingevolge de Bkl hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen in beginsel een nadere beoordeling verplicht is. Op de Goirlesedijk geldt een maximum snelheid van 60 km/uur en daardoor een wettelijke geluidszone van 250 meter. De projectlocatie is gelegen binnen deze zone. De voorkeurswaarde voor geluidsgevoelige bebouwing waaraan moet worden voldaan bedraagt 48 dB. De Goirlesedijk wordt vrijwel uitsluitend door bestemmingsverkeerd gebruikt. De verkeersintensiteit op deze weg is dan ook zeer beperkt.

Gezien de maximum snelheid, de zeer beperkte verkeersintensiteit ter plaatse en de onderlinge afstand tussen de recreatiewoningen en de as van de weg kan gesteld worden dat de voorkeurswaarde van 48 dB niet zal worden overschreden. Het aspect geluid vormt voor de beoogde ontwikkeling derhalve geen belemmering in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omgekeerd heeft de buitenplaats met guesthouses voor het luxe segment een geluidsuitstraling op de omgeving. In paragraaf 4.7 is reeds getoetst aan de richtafstand uit de VNG-handleiding. Het aspect geluid is hierin voor vakantiecentra maatgevend. Zoals reeds benoemd bevindt de dichtstbij gelegen woonbestemming aan de Goirlesedijk 6 zich op een afstand van 88 meter van de projectlocatie. Overige woningen zijn op ruimere afstand gelegen. Er kan derhalve voldaan worden aan de richtafstand voor wat betreft het aspect geluid. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het voornemen.

Pagina 60 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

4.11 Verkeer en parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Conform de CROW-normen heeft een bungalowpark een verkeersgeneratie van 2,6-2,8 verkeersbewegingen per bungalow per dag. Dat komt in totaal neer op circa 112 verkeersbewegingen per dag. Er zullen in de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de locatie bewegen. Het aantal lichte verkeersbewegingen van en naar de locatie zullen derhalve naar verwachting toenemen. De zware verkeersbewegingen van en naar de intensieve veehouderij zullen komen te vervallen. De vervoersbewegingen van de intensieve veehouderij bedroegen 86 vervoersbewegingen van vrachtauto’s en tractoren per week, deze zullen dus compleet komen te vervallen. De projectlocatie is gelegen aan de Goirlesedijk. Een verharde weg tussen de bebouwde kom van Goirle en Hilvarenbeek, die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. De ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. De doorstroming van de verkeersbewegingen van en naar de locatie zal niet belemmerd worden doordat de toename in lichte verkeersbewegingen gepaard gaat met de afname in zware verkeersbewegingen.

Er dient daarnaast sprake te zijn van een aanvaardbare toename van verkeer. Een buitenplaats is niet opgenomen in de CROW, er zal derhalve worst-case rekening gehouden worden met een bungalowpark. Conform de CROW-normen heeft een bungalowpark een verkeersgeneratie van 2,6 2,8 verkeersbewegingen per bungalow per dag. Dat komt in totaal voor de beoogde situatie neer op maximaal 70 verkeersbewegingen per dag. Er zullen in de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de locatie bewegen. Het aantal lichte verkeersbewegingen van en naar de locatie zullen derhalve naar verwachting toenemen. De zware verkeersbewegingen van en naar de intensieve veehouderij zullen komen te vervallen. De projectlocatie is gelegen aan de Goirlesedijk. Een verharde weg tussen de bebouwde kom van Goirle en Hilvarenbeek, die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. De ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. De doorstroming van de verkeersbewegingen van en naar de locatie zal niet belemmerd worden doordat de toename in lichte verkeersbewegingen gepaard gaat met de afname in zware verkeersbewegingen. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Als uitgangspunt geldt dat op eigen erf moet worden voorzien in de parkeerbehoefte.

Voor de beoogde ontwikkeling is in het CROW en in het parkeerbeleid van de gemeente Hilvarenbeek een norm opgenomen voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. Voor een bungalowpark (vakantiewoningencomplex) in het buitengebied geldt een parkeernorm van minimaal 2,0 en maximaal 2,2 parkeerplaatsen per bungalow in het buitengebied. Uitgaande van de maximale parkeernorm zullen voor de 25 guesthouses op de recreatiefunctie 55 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Binnen de projectlocatie is voldoende ruimte om 55 auto’s te kunnen laten parkeren. Er wordt derhalve voldaan aan voldoende parkeerplaatsen binnen het nieuwe bestemmingsvlak. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.

4.12 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het

Pagina 61 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is op dit moment wel een goede motivering nodig om van het beleid af te wijken. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven.

4.12.1 Beleid Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geld niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 -6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde.

In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Voorschriftengebied

Pagina 62 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving en EV signaleringskaart. Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven.

Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico. Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten.

4.12.2 Toetsing aan beleid Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Atlasleefomgevingskaart, zie Afbeelding 25.

Pagina 63 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

Afbeelding 25: Uitsnede Atlasleefomgevingskaart

Het project voorziet wel in de realisatie van nieuwe (beperkte) kwetsbare object/locatie. Plaatsgebonden risico (PR) Uit de Atlas leefomgevingskaart blijkt dat de ontwikkeling in de nabijheid van leidingen is gelegen. In de noordelijke punt van de projectlocatie is risicocontour van de leiding van de Gasunie gelegen. Ten noorden zijn twee aardgasleidingen gelegen, namelijk: • •

NEN 3650-leiding met een diameter van 610 mm, 24,02 inch en een maximale werkdruk van 66,20 bar (A 657). NEN 3650-leiding met een diameter van 914 mm, 35,98 inch en een maximale werkdruk van 66,20 bar (A 532).

Ten zuidwesten van de projectlocatie zijn ook twee aardgasleidingen gelegen, namelijk, • •

NEN 3650-leiding met een diameter van 914 mm, 35,98 inch en een maximale werkdruk van 66,20 bar (A 525). NEN 3650-leiding met een diameter van 1.067 mm, 42,01 inch en een maximale werkdruk van 66,20 bar (A 526).

Pagina 64 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

Conform het vigerende bestemmingsplan hebben deze leidingen een invloedgebied van 430 meter (A 525), 490 meter (A 526), 310 meter (A 657) en 410 meter (A 532). De ontwikkeling ligt met het meest noordelijke puntje van de projectlocatie in de PR-10-6 contour. Echter valt hierbij op te merken dat ter plaatse van dit gedeelte van de projectlocatie geen (beperkt) kwetsbaar object/locatie opgericht zal worden. Dit gedeelte van de projectlocatie wordt ingericht als landschappelijke inpassing/dierenweide. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op het plaatsgebonden risico. Aandachtsgebieden De buitenplaats met guesthouses voor het luxe segment is volledig binnen de invloedgebieden gelegen van de hiervoor genoemde gasleidingen. Op grond van artikel 5.15, onder 2, onder b van het Bkl kan een (beperkt of zeer) kwetsbaar gebouw of locatie toegelaten worden indien de getroffen maatregelen en het aantal personen dat aanwezig nader gemotiveerd is. De Omgevingsdienst Midden- en West Brabant (OMWB) heeft het document ‘Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019’ opgesteld. Dit betreft een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf ‘externe veiligheid’ in een ruimtelijk plan. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’ weergegeven.

Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen in de ‘blauwe zone’. Bij deze zone kan zowel de standaard- als maatwerkverantwoording van toepassing zijn. Op basis van het stroomschema blijkt dat in de beoogde situatie een maatwerk verantwoording is vereist. Er geldt geen beperkte verantwoording op basis van de Bkl. De zone indeling en het stroomschema van de veiligheidsregio zijn in Bijlage 9 toegevoegd.

Afbeelding 26: Uitsnede 'zone indeling standaard verantwoording groepsrisico', plangebied rood

omcirkeld

Pagina 65 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

Conform de Bkl dient het groepsrisico te worden verantwoord. Door K+ Adviesgroep b.v. is een risicoanalyse opgesteld aangezien het plan is gelegen in de directe nabijheid van een aantal buisleidingen. Uit het onderzoek naar de personendichtheid is gebleken dat met de realisatie van het plan de personendichtheid in de toekomstige situatie zal toenemen. Uit de CAROLA-berekeningen is gebleken dat een klein gedeelte van het plangebied is gelegen binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour (PR) van een buisleiding. Bij het inrichtingsplan is rekening gehouden met dit beperkingsgebied. Er is ter plaatse van dit gebied namelijk geen bouwvlak opgenomen, zodat er geen recreatiewoningen gerealiseerd kunnen worden. Ten aanzien van het groepsrisico (GR) blijkt dat de oriëntatiewaarde in zowel de huidige als de toekomstige situatie niet zal worden overschreden. Voor de ruimtelijke onderbouwing kan volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico (GR). In Bijlage 13 bevindt zich de risicoanalyse en de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid kan als goed worden beoordeeld. De ontvluchting vanuit de projectlocatie van de risicobron af is goed. Er kan vanaf de buisleidingen in alle richtingen gevlucht worden. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen.

Ten eerste moeten er voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig zijn. Zoals hiervoor al aangegeven is dit het geval. Ten tweede moeten mensen zich bewust zijn van het risico en weten hoe het beste gehandeld kan worden ten tijde van een incident. Deze informatie kan bijvoorbeeld deel uitmaken van informatie/documentatie die de bezoekers van de buitenplaats met guesthouses voor het luxe segment ontvangen. Tevens zullen de toekomstige werknemers van de locatie een BHV-cursus volgen. Hiermee wordt optimaal invulling gegeven aan de eigen verantwoordelijkheid en het risicobewustzijn van de burger. Bestrijdbaarheid De mogelijkheden om eventuele rampen te bestrijden zijn opgenomen in de ‘Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019’, zie Bijlage 9. Bluswater is rondom de buisleidingen naar alle waarschijnlijkheid goed en in voldoende mate aanwezig om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling binnen de projectlocatie.

4.13 Technische infrastructuur Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur.

4.13.1 Ondergrondse leidingen Zoals reeds benoemd liggen in de nabijheid van de projectlocatie planologisch relevante buisleidingen op een afstand van circa 105 meter van de beoogde recreatiebestemming aan de Goirlesedijk 4b te Hilvarenbeek. Deze buisleiding is echter op een dermate afstand gelegen dat het voor de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen oplevert. De overige buisleidingen in de nabije omgeving van het plangebied zijn op ruimere afstand gelegen. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de projectlocatie in beeld te brengen. Omtrent het aspect technische infrastructuur zijn voor deze planologische procedure geen belemmeringen.

Pagina 66 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

4.13.2 Hoogspanningslijnen Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling.

Afbeelding 27: Uitsnede RIVM-netkaart, locatie aangeduid met rode stip

Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig, zie Afbeelding 27. De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.

4.13.3 Radarverstoringsgebied In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl. Indien een bouwwerk groter dan 24 meter wordt, zelf checken in bijlage XIV, onder e van het Bkl wat de max. bouwhoogte is binnen het betreffende radargebied.

Pagina 67 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

5

Participatie

5.1 Bestuurlijk vooroverleg Er is overleg gevoerd over de beoogde ontwikkeling met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap De Dommel, provincie Noord-Brabant en de Veiligheidsregio. Naar aanleiding van dit overleg heeft de provincie een reactie gegeven, de reactie van de provincie is bijgevoegd in Bijlage 12. Op woensdag 1 juni 2022 zijn de 3 raadsfracties geïnformeerd over de ontwikkeling, een verslag hiervan is opgenomen in Bijlage 11. Naar aanleiding van bovenstaande reacties op het plan zijn meerdere overleggen gevoerd met de gemeente en omwonende. Naar aanleiding daarvan is onderhavig plan aangepast van 40 guesthouses naar 25 guesthouses.

5.2 Omgevingsdialoog Ten behoeve van de destijds opgezette planologische procedure is een omgevingsdialoog gehouden. Het geanonimiseerde verslag van de omgevingsdialoog is toegevoegd in Bijlage 10. Echter is zoals reeds vermeld, het plan na deze dialoog aangepast. Om er voor de zorgen dat het aangepaste plan politiek draagvlak heeft, is er nog een presentatie voor de raadsleden gehouden in 2024. De presentatie is bijgevoegd in Bijlage 15. Naar aanleiding van deze presentatie is onderhavige BOPA procedure opgestart.

Pagina 68 van 73

Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit/ aanpassing omgevingsplan.

5

Financiële haalbaarheid

De voorgestane ontwikkeling aan de Goirlesedijk 4b te Hilvarenbeek betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17164459/1