CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Vroonacker IV (9 Toelichting bestemmingsplan Vroonacker IV)

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Vroonacker IV29.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.9

Geur

Beleid In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3

Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|55

Geurverordening De gemeente Hilvarenbeek heeft de op 22 september 2011 vastgestelde geurverordening op 17 december 2015 gewijzigd. De gemeenteraad heeft gebieden met een afwijkende geurnorm vastgesteld. Dit zijn de volgende gebieden: ‘invloedsgebied van de woonkernen’, ‘invloedsgebied met primaat wonen’, ‘invloedsgebied zoekgebieden wonen’, het ‘invloedsgebied sportparken’ en het ‘buitengebied’. Het plangebied is gelegen binnen het ‘invloedsgebied zoekgebieden wonen’, waarmee een norm van 7 OUe/m3 van toepassing is voor het plangebied als het gaat om de toegestane belasting door een veehouderij. Onderzoek Om inzichtelijk te maken of ter plaatse van de woningbouwlocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat én of de nabijgelegen agrarische bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd ten aanzien van het aspect geur is een omgevingstoets geurbelasting uitgevoerd. De gehele rapportage is als bijlage 9 bij de toelichting opgenomen. In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere veehouderijbedrijven gelegen. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de typering van de ze veehouderijbedrijven, de geuremissie en afstand tot de woningbouwlocatie: Adres Waterstraat 14a Waterstraat 16 Waterstraat 21 Westerwijk 11 Westerwijk 11a

Typering veehouderijbedrijf Schapen Paarden Paarden Melkrundvee Vleesvarkens

Geuremissie (OUE/s)

Afstand (m)

224 195 0 1.317 56.672

Ca. 195 Ca. 210 Ca. 350 Ca. 530 Ca. 700

Achter- en voorgrondbelasting Voorstaande is vervolgens doorgerekend, de voor- en achtergrondbelasting op de randen van de woningbouwlocatie zijn in beeld gebracht. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Dus als de achtergrondbelasting bijvoorbeeld 20 ouE/m³ bedraagt, hoeft de voorgrondbelasting alleen te worden beschouwd als die 10 ouE/m³ of meer bedraagt. De achtergrondbelasting bedraagt maximaal 5.78 ouE/m³. Dit komt overeen met 5-10% geurgehinderden. De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 2,6 ouE/m³ op de rekenpunten waarbij de voorgrondbelasting maatgevend is Dit komt overeen met 5-10% geurgehinderden. Op grond hiervan is het woon- en leefklimaat binnen de woningbouwlocatie als goed te classificeren. Vaste afstanden Op grond van artikel 4 van de Verordening geurhinder en veehouderij Hilvarenbeek bedraagt de minimale afstand tussen een veehouderij waar maximaal 50 dieren worden gebonden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object tenminste 50 meter. Voor bedrijven waar meer dan 50 dieren worden gehouden geldt op grond van artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand van 100 meter.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|56

De dichtstbijzijnde veehouderij van derden, betreft de schapenhouderij aan de Waterstraat 14a. De huidige situatie betreft ok de maximaal planologische situatie voor dit veehouderijbedrijf. Voor de beoordeling van de vaste afstand mag derhalve getoetst worden aan de feitelijke situatie. De afstand van het meest dichtbijgelegen emissiepunt van een dierenverblijf tot aan de rand van het bestemmingsvlak ‘Woongebied’ bedraagt 216 meter. Hiermee wordt voldaan aan de vereiste vaste afstanden. De overige veehouderijbedrijven liggen allen op grotere afstand van het plangebied en voldoen daarom eveneens. Daarnaast blijkt uit het geuronderzoek dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijbedrijven worden beperkt door bestaande woningen en niet door nieuwe gevoelige objecten die op worden gericht binnen de woningbouwlocatie. De geurbelasting ten gevolge van de veehouderijbedrijven is namelijk hoger ter plaatse van de bestaande gevoelige objecten dan ter plaatse van het plangebied en wordt ter plaatse van de woningbouwlocatie voldaan aan de vereiste afstanden en de geurnormen. Conclusie Binnen de woningbouwlocatie is het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur als goed te classificeren en is derhalve aanvaardbaar. Tevens wordt voldaan aan de vereiste vaste afstanden tussen veehouderijbedrijven en geurgevoelige objecten.

Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10

Gezondheidsaspecten

Beleid Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, RIVM, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.

Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn:

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|57

• • •

Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben.

Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0.

Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Verder wordt bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens- of pluimveehouderij gelegen is geadviseerd gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richtafstand’. Onderzoek Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies).

Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op een longontsteking. Binnen deze straal bevindt zich momenteel de geitenhouderij aan de Hoekje 9, welke gelegen is op een afstand van circa 1.300 meter van het plangebied, derhalve op ruime afstand. Op basis van artikel 2.71 en 3.47 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Een toename aan geitenhouderijen is aldus niet te verwachten.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|58

Omdat de geitenhouderij aan Hoekje 9 binnen de straal van 2 kilometer tot het plangebied is gelegen wordt in het kader van dit bestemmingsplan getoetst aan de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. Uit toetsing aan het stappenplan blijkt dat enkel niet voldaan kan worden aan stap 5a, daar geitenhouderijen binnen 2 km tot het plangebied zijn gelegen. Daarom is bij de beoordeling van de voorgenomen woningbouwontwikkeling van 195 woningen op circa 1.300 tot 1.700 meter van een geitenhouderij het aspect volksgezondheid uitgebreid onderzocht. De kernvraag is of binnen deze afstand sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Sinds 2009 is via drie onderzoeken Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGOI, II en III) aangetoond dat er een verhoogd risico op longontsteking is voor mensen die binnen 2 km van een geitenhouderij wonen. Begin 2025 werd VGO III gepubliceerd, en de bevindingen wijzen erop dat bacteriën de oorzaak zijn. Nog steeds is niet duidelijk welke bronmaatregelen nodig zijn om dit verhoogde risico op longontsteking weg te nemen. In 2016 stelde de provincie Noord-Brabant in 2016 een geitenmoratorium vast, waardoor er geen toename van staloppervlakte bij geitenhouderijen is toegestaan.

Op 4 februari 2025 vroegen twee ministers advies aan de Gezondheidsraad omdat zij vinden dat voor het nemen van een besluit over de vervolgaanpak ten aanzien van de gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen verdere duiding nodig is van het gezondheidseffect. Op 3 juli 2025 kwam deel 1 van het advies uit: ‘Evaluatie wetenschappelijke kennis over risico op longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen’. De kern van dit eerste deeladvies is de conclusie dat het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen waarschijnlijk oorzakelijk is. Het VGO-III onderzoek heeft bevindingen opgeleverd die de consistentie van de eerder gevonden associatie versterken. Deel 2 van het advies van de Gezondheidsraad wordt later verwacht en zal ingaan op de aard van de risico’s. Ondanks dat dit niet verplicht is, heeft de gemeente Hilvarenbeek op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 een advies aan de GGD. Op 21 oktober 2025 is dit advies ontvangen. De GGD adviseert voornamelijk op basis van algemene uitgangspunten terughoudend te zijn met het realiseren van gevoelige bestemmingen binnen 2 km van een geitenhouderij, maar geeft wel aan dat het risico op longontsteking het grootst is bij gevoelige bestemmingen binnen 500 meter.

Daarnaast gaat het advies in op gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waar in dit plan maatregelen voor zijn opgenomen. In de voorliggende situatie is sprake van een afstand van circa 1.300 tot 1.700 meter, waarmee nog steeds een ruime fysieke scheiding aanwezig is tussen de geitenhouderij en de toekomstige woonwijk. Tussen beide locaties bevindt zich bovendien een groot deel van de bestaande kern van Diessen, die reeds binnen de 2 kilometerzone is gelegen en fungeert als fysieke en feitelijke buffer. In de praktijk wordt de nieuwe woonwijk dus niet direct nabij de geitenhouderij toegevoegd, maar binnen aan een reeds bewoond gebied toegevoegd. Er zijn daarnaast concrete aanwijzingen dat enkele geitenhouderijen in de omgeving van de geplande woonwijk in de nabije toekomst hun bedrijfsvoering gaan beëindigen. De heersende windrichting is in Nederland doorgaans zuidwestelijk, terwijl de geitenhouderij ten noordoosten van de beoogde locatie ligt. Hierdoor is de overheersende windrichting juist gunstig, omdat potentiële emissies van stof of micro-organismen overwegend van de woonwijk af worden geblazen. Dit verkleint het mogelijke blootstellingsrisico verder.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|59

Bij de belangenafweging weegt het maatschappelijke belang van woningbouw zeer zwaar. De woningnood in Hilvarenbeek en omgeving is aanzienlijk; strikte hantering van de 2kilometervoorzorgsafstand zou ertoe leiden dat een groot deel van de gemeente niet benut kan worden voor woningbouw. Dit komt niet ten goede aan de leefbaarheid en woningnood in de gemeente. Daarnaast zijn er locatiespecifieke omstandigheden die een specifiek effect hebben op de gezondheid van toekomstige bewoners. Het wonen nabij een landelijk gebied, in een groene wijk, op afstand van drukke wegen ervaren bewoners als positief. Het realiseren van een gezonde, duurzame woonwijk op 1.300 tot 1.700 meter afstand, aan de rand van bestaand bewoond gebied, vormt daarom een verantwoorde invulling van de ruimtelijke ordening. Tot slot wordt als voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen dat de ontwikkelaar een informatieplicht heeft richting toekomstige bewoners over de ligging binnen 2 kilometer van een geitenhouderij en de bijbehorende gezondheidsrisico’s. Hiermee wordt geborgd dat bewoners goed geïnformeerd een keuze kunnen maken. Alles afwegende wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de woonwijk op 1.300 tot 1.700 meter afstand van geitenhouderijen leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De voordelen van de woningbouwontwikkeling, mede in het licht van het grote maatschappelijke belang en de beperkte gezondheidsrisico’s, wegen zwaarder dan de afstand die wordt geadviseerd vanuit het voorzorgsprincipe. Conclusie De gezondheidsaspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11

Luchtkwaliteit

Beleid De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor Stikstofdioxide (NO2) en Fijnstof (PM10). In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|60

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3

Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2024) minder dan 10 μg/m3. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2024) is ter plaatse van het plangebied tussen de 14 en 16 μg/m3. De concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2024) is ter plaatse tussen 8 en 10 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Luchtkwaliteit t.g.v. planvoornemen Het onderhavige planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling met 195 woningen. De ontwikkeling ligt hiermee ruim onder de gestelde grens van 1.500 woningen. Gesteld kan worden dat het planvoornemen ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen betekent dat in principe geen nader onderzoek noodzakelijk is. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.12

Natuurwetgeving

Beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|61

In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet.

Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Aeres Milieu heeft in samenwerking en Faunaconsult op 16 mei 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd en Op 14 november 2024 is een aanvullend fauna-onderzoek uitgevoerd. Beide rapportage zijn als bijlagen (bijlage 10 en 11) bij de toelichting opgenomen. Uit de quickscan volgen de navolgende conclusies en aanbevelingen: Natura 2000 De plannen kunnen leiden tot een negatief effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Hierom is het nodig de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000gebieden te laten bepalen. In de navolgende paragraaf ‘stikstof’ wordt hier nader op ingegaan. Natuurnetwerk Brabant De bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|62

Beschermde planten en dieren Steenuil In het plangebied bevindt zich een steenuilennestkast die mogelijk door steenuilen wordt gebruikt als nest. Daarnaast worden delen van het plangebied door de soort hoogstwaarschijnlijk als foerageergebied gebruikt. Door de nieuwbouw gaat de nestlocatie verloren en wordt er mogelijk foerageergebied van de steenuil vernietigd. Steenuilen, hun nesten, roestplaatsen en leefgebied zijn in Noord-Brabant jaarrond beschermd. Wanneer het plangebied bebouwd wordt, dient er daarom een ontheffing op de Wnb ten aanzien van de steenuil te worden aangevraagd. Om die te kunnen krijgen, moet middels aanvullend onderzoek aannemelijk worden gemaakt dat de lokale staat van instandhouding van de steenuil niet in het geding is. Daarnaast dient middels een mitigatie- en compensatieplan en aangepaste werkwijze werkwijzen worden gewaarborgd dat de functionaliteit van de leefbaarheid voor de soort is gewaarborgd. Buizerd Nabij het plangebied bevindt zich mogelijk een buizerdnest. Nesten van buizerds zijn jaarrond beschermd. Aanvullend onderzoek dient aan te tonen of er sprake is van een buizerdnest. Indien blijkt dat dit het geval is, dient er een ontheffing ten aanzien van de buizerd te worden aangevraagd.

Er dient middels een mitigatie- en compensatieplan en een aangepaste werkwijze worden gewaarborgd dat de functionaliteit in het leefgebied voor de soort is gewaarborgd. Algemeen voorkomende vogels In de opgaande vegetaties en de graslanden/akkers komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van de vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Vleermuizen: Verblijven Het bijgebouw bij Deusonelaan 13 bevat mogelijk zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven.

Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017b).

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|63

Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017b), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Vleermuizen: Verstoring Net buiten het plangebied bevindt zich een boom met holtes die vleermuisverblijven van verschillende soorten vleermuizen kan bevatten. Deze boom blijft behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze boom alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.

Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Rugstreeppad Rugstreeppadden zijn internationaal beschermd en in het plangebied bevinden zich waarschijnlijk geen rugstreeppadden. Door het bouwrijp maken van het terrein, wordt dit echter geschikt voor deze pionierssoort. Door te voorkomen dat er in de bouwfase plasjes op het terrein ontstaan, wordt voorkomen dat er rugstreeppadden komen om eisnoeren af te zetten. Hiermee wordt voorkomen dat er tijdens de werkzaamheden overtredingen ten aanzien van deze soort worden begaan. Aanvullend onderzoek Uit het aanvullend onderzoek volgende na navolgende conclusies: Vleermuizen Vleermuisverblijven zijn afwezig in het plangebied. Steenuilen en roofvogels In het bosje ten zuiden van het plangebied bevinden zich geen roofvogelnesten. Wel bevindt er zich een torenvalkennest bij Westerwijk 9/9a.

In het plangebied zelf bevinden zich geen steenuilennesten maar rondom het plangebied bevinden zich wel drie steenuilennestkasten die de laatste 2 jaar door steenuilen worden gebruikt als broedlocatie: Bij Deusonelaan 13 (circa 22 meter van het plangebied) Bij Meiraap 24 (circa 235 meter van het plangebied) Bij Westerwijk 9/9a (circa 340 meter van het plangebied). NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|64

Daarnaast is er een steenuilennestkast aanwezig bij Westerwijk 12 (circa 435 meter van het plangebied). Deze nestkast is de afgelopen 2 jaar niet meer gebruikt als nest door de steenuil. Doorgaans worden nestkasten die al 2 jaar op rij niet door steenuilen worden gebruikt, niet meer als jaarrond beschermd nest beschouwd. Het steenuilennest bij Westerwijk 9/9a bevindt zich op meer dan 300 meter van het plangebied. Steenuilen hebben doorgaans een territoriumgrootte van 5 tot 30 hectare (BIJ12, 2017); het is daardoor onwaarschijnlijk dat het plangebied als foerageergebied fungeert voor de uilen op deze locatie. Voor de steenuilen die broeden bij Deusonelaan 13 (1 in figuur 3.2.5) en Meiraap 24 (2 in figuur 3.2.5), evenals de torenvalken die broeden bij Westerwijk 9/9a, fungeert het plangebied wel als deel van het foerageergebied. Door de voorgenomen plannen gaat er dus voor beide soorten, maar vooral voor de steenuil, een deel van het functioneel leefgebied verloren. Daarnaast wordt er nieuwbouw gerealiseerd binnen 30 meter van het nest bij Deusonelaan 13. Volgens drs. P.F.M. Beersma (eerste auteur van het boek ‘Steenuilen’; Beersma et al, 2007) dient er, om verstoring van steenuilennesten te voorkomen, bij nieuwbouw te worden uitgegaan van minimaal 50 – 60 meter afstand tot het invlieggat van het steenuilennest (pers. med.). Dhr. H.

Thoonen (uilenexpert en uitvinder van de Thoonensteenuilenkast) adviseert een afstand van minimaal 50 meter (pers. med.). Het nest bij Deusonelaan 13 gaat door de nieuwbouw dus hoogstwaarschijnlijk verloren. Nesten en foerageergebieden van de steenuil zijn in Noord-Brabant jaarrond beschermd. Nesten en foerageergebied van de torenvalk zijn een zogenaamde categorie 5 soort; dat wil zeggen dat hun nest niet jaarrond is beschermd, maar dat er middels een omgevingscheck dient te worden nagegaan of er in en rond het plangebied voldoende alternatieven aanwezig zijn (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2021; Ministerie van Economische zaken, 2016). Voor het bebouwen van het plangebied dient daarom een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten ten aanzien van de steenuil te worden aangevraagd. Om deze te kunnen verkrijgen moet een activiteitenplan worden opgesteld waarbij wordt aangegeven hoe de functionaliteit van het broedterritorium van de steenuil (en torenvalk) dient te worden gecompenseerd. Indien de compensatiemaatregelen voor de steenuil ook voor de torenvalk van nut zijn, kan daarmee ook de functionaliteit van de torenvalkenhabitat worden gewaarborgd, zodat ten aanzien van deze soort een overtreding wordt voorkomen. Stikstof Als gevolg van de realisatie van de nieuwe wijk en het gebruik hiervan zullen stikstofemissies plaatsvinden.

Voor Natura 2000-gebieden geldt een beschermingsregime om aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden te voorkomen. Middels instandhoudingsdoelstellingen is dit vastgelegd. In de Wet natuurbescherming (Wnb, thans opgenomen in de Omgevingswet, Ow) is de bescherming van deze gebieden geregeld. Het project dient daarom getoetst te worden op de mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van dit project dient de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkelingen in beeld te worden gebracht. Dit is gedaan door de uitstoot te berekenen voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Middels het programma AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie berekend in de aanleg en de gebruiksfase.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|65

Om hier inzicht in te verkrijgen, is door een stikstofberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het plan leidt tot een toename van de stikstofdeposities die mogelijk kunnen leiden tot een verslechtering van de (staat van) instandhouding van habitats in de Natura 2000-gebieden. Hiertoe is door De Essentie onderzocht welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden, waarbij intern salderen is toegepast. Ingevolge de uitspraak van de Raad van State op 18 december 2024 (zogenoemde ‘Rendac-uitspraak’) kan intern salderen niet meer bezien worden als onlosmakelijk onderdeel van een plan of project maar als specifieke mitigerende maatregel. Als gevolg hiervan dient intern salderen bezien te worden in een passende beoordeling. Voor de uitvoering van een project is dan tevens een natuurvergunning benodigd; deze vergunningplicht geldt niet voor een plan. Uit de passende beoordeling, welke als bijlage 12 bij de toelichting is opgenomen, blijkt dat de berekende toenames in stikstofdepositie door de bouwfase en door de gebruiksfase, volledig worden gemitigeerd door de afname van emissies als gevolg van het verdwijnen van agrarisch grondgebruik.

Met intern salderen kan het plan dus worden verantwoord en is er met zekerheid geen sprake van significante negatieve effecten op omliggende stikstofgevoelige habitats, mede gezien de instandhoudings-doelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Op het moment dat na vaststelling van het plan gekomen gaat worden tot de daadwerkelijke realisatie van één of meerdere projecten binnen het plan, én er wordt bij deze projecten gebruik gemaakt van intern salderen, dan dient voorafgaand aan de start van de betreffende projecten een natuurvergunning (Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit) te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (provincie Noord-Brabant). Conclusie Voor het bebouwen van het plangebied dient daarom een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten ten aanzien van de steenuil te worden aangevraagd. Dergelijke vergunning wordt aangevraagd voorafgaand aan de (bouw)werkzaamheden. Juridisch wordt dit gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting.

5.13

Ontplofbare Oorlogsresten

Beleid In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze ‘blindgangers’ in de bodem voor. Naar aanleiding van de oorlogshandelingen, ten tijde van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestaat er een mogelijkheid tot het spontaan aantreffen of toucheren van OO tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem. Hierdoor ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico door het mogelijk ongewenst tot (uit)werking treden van dit militair wapentuig. Dergelijke ongecontroleerde uitwerkingsgevolgen kunnen dodelijk letsel en zware schade aan materiaal en omgeving tot gevolg hebben. Daarnaast kunnen spontane vondsten van OO resulteren in stagnatie en meerwerkkosten van de uitvoeringswerkzaamheden.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|66

Onderzoek Om bovenstaande situaties te voorkomen dient een werkgever de risico’s van de werkzaamheden vooraf te inventariseren en te evalueren. Den Ouden Bodac B.V. heeft hiertoe een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd ter plaatse van de woningbouwlocatie. De rapportage is als bijlage 13 bij de toelichting opgenomen. Het onderzoeksgebied kwalificeert Den Ouden Bodac B.V. op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal als ‘verdacht’ op de (mogelijke) aanwezigheid van OO. Daar waar het verdachte gebied en het onderzoeksgebied elkaar overlappen (het opsporingsgebied) wordt geadviseerd om het opsporingsproces voort te zetten. Naar aanleiding van het vooronderzoek, is een detectierapportage opgesteld. De rapportage is als bijlage 14 bij de toelichting opgenomen. De doelstelling voor het onderzoek is “Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) ontplofbare oorlogsresten tot 1,50 meter onder maaiveld om het bovenmatig risico met betrekking tot OO weg te nemen, om daarmee een veilige werk- en leefomgeving te creëren tijdens de reguliere uit te voeren (civiele) werkzaamheden”. Nadat de detectiedata is geïnterpreteerd en verwerkt kunnen de volgende conclusies getrokken worden over het projectgebied: • A en B gebieden bedraagt een totale oppervlakte van ca.

71.611 m 2 wat 86,8% van het totale onderzoeksgebied bedraagt; • Er zijn in totaal 243 stuks significante objecten in de B-gebieden waargenomen; • Er is in totaal ca. 3.585 m2 C-gebied aanwezig binnen het onderzoeksgebied wat 4,3% van het totale onderzoeksgebied bedraagt; • Er is in totaal ca. 7.334 m2 D-gebied aanwezig binnen het onderzoeksgebied wat 8,9% van het totale onderzoeksgebied bedraagt. De hierboven vermelde resultaten zijn verwerkt in een 2-tal tekeningen en een objectenlijst welke als bijlage aan de detectierapportage zijn bijgevoegd. Gezien het bovenstaande is het aan te bevelen om ter plaatse van waar daadwerkelijk de grond geroerd zal gaan worden de significante objecten te benaderen, identificeren en veiligstellen/ verwijderen. Daar waar de grond niet geroerd zal gaan worden geldt geen verdere inspanningsverplichting voor de grondroerder. Den Ouden Bodac B.V. adviseert om altijd een veiligheidsmarge van minimaal 0,50 meter te hanteren onder de maximaal roeringsdiepte om derhalve het risico te minimaliseren. Het benaderen van de significante objecten in deelgebied A en B dient te worden uitgevoerd door een bedrijf welke is gecertificeerd conform de CS-OOO. Het nader onderzoeken van de C wordt gedaan in de vorm van actieve realtime oppervlaktedetectie.

Hierbij wordt een laag van 0,50 m1 gedetecteerd waarna alle significante objecten handmatig tot 0,30-0,40 meter - mv worden benaderd en verwijderd. Hierop volgend wordt op aanwijzing van de (Senior) Deskundige OOO een grondlaag van maximaal 0,20 - 0,30 meter dikte ontgraven met een graafmachine. Vervolgens wordt een volgende meetslag uitgevoerd waarna bovenstaande procedure cyclisch wordt herhaald tot de gewenste diepte is bereikt of tot op de diepte dat passieve realtime oppervlaktedetectie weer kon worden toegepast.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|67

De D gebieden dienen onderzocht te worden doormiddel van passieve realtime oppervlaktedetectie. Bij passieve realtime oppervlaktedetectie worden gemeten verstoringen, in tegenstelling tot non realtime detectie, direct gelokaliseerd, benaderd, geïdentificeerd en verwijderd en/of veiliggesteld. Conclusie Het benaderen, identificeren en veiligstellen/verwijderen van de significante objecten en het nader onderzoek doormiddel van passieve realtime oppervlaktedetectie dient plaatst te vinden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Juridisch wordt dit gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting.

5.14

Spuitzones

Beleid In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de locatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Onderzoek De gronden binnen de woningbouwlocatie kennen in de huidige situatie een agrarische bestemming. Met het planvoornemen zal dit wijzigen in een groen-, woon- en verkeersbestemming. Rondom de woningbouwlocatie zijn diverse landbouwgronden gelegen. De gemeente heeft als plicht een veilige woonomgeving te garanderen en wil daarom zeker weten dat er op de nabijgelegen percelen geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Derhalve heeft de gemeente Hilvarenbeek door CLM Onderzoek en Advies een ‘Inschatting over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rondom nieuwe woonwijk Hilvarenbeek’ laten uitvoeren. De rapportage maakt inzichtelijk welke teelten er hebben plaatsgevonden op de nabijgelegen percelen in de periode 2014 – 2024. Daarnaast wordt een inschatting gemaakt van de kans dat er gewasbeschermingsmiddelen op de betreffende percelen worden gebruikt. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 15 bij de toelichting. Naar verwachting zal er de komende jaren op de percelen nabij de nieuwe woonwijk overwegend snijmais en grasland geteeld worden. Tussendoor zal dat waarschijnlijk worden afgewisseld met consumptieaardappelen. Er bestaat altijd een mogelijkheid dat er ook zaaiuien en suikerbieten (of andere gewassen) worden geteeld. Gezien de gewasrotatie van de afgelopen tien jaar op de betreffende percelen wordt de kans daarop klein geacht.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|68

Voorkeur gaat uit om nabij de beoogde woningen gewassen zonder gewasbeschermingsmiddelen te verbouwen. Indien dit niet is te realiseren, dan gaat de voorkeur uit naar het verbouwen van gewassen die relatief eenvoudig zonder gewasbeschermingsmiddelen geteeld kunnen worden, zoals gras en mais. Voor de beoordeling over de mogelijkheden die de gemeente Hilvarenbeek is in relatie tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij milieugevoelige functies is in mei 2025 de notitie ‘Gewasbeschermingsmiddelen en spuitzones in de gemeente Hilvarenbeek’ opgesteld. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit de notitie opgenomen. De volledige notitie is opgenomen in de bijlage 16 van voorliggen toelichting. In deze notitie worden enkele concrete acties op een rij gezet die de gemeente kan overwegen te nemen om spuitzone en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te regulieren. Voor onderhavig planvoornemen is hiertoe gekozen voor het opnemen van een spuitvrije zone. In het kader van dit maatwerk en om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij gevoelige functies uit te sluiten, worden de omliggende agrarische gronden tot op een afstand van 50 meter van de beoogde woningen inclusief tuin voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – spuitvrije zone’.

Binnen deze zone blijft agrarisch gebruik toegestaan, met uitzondering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit is inhoudelijk en juridisch houdbaar, mits er een goede motivatie onder ligt en een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt. Hierbij kan ook nadrukkelijk meer belang worden gehecht aan de maatschappelijke opgaven van de gemeente, zoals de woningbouwopgave die er ligt en het voorzorgbeginsel ten aanzien van de volksgezondheid (agrarische belangen, lage maatschappelijke kosten van woningen (economie) en mogelijkheden tot verhaal van planschade worden meegenomen). Hiertoe is een afwegingsnotitie woningbouw en gewasbeschermingsmiddelen opgesteld, welke als bijlage 17 bij de toelichting is opgenomen. Hierin worden concrete maatregelen voorgesteld voor Vroonacker IV. De voorgestelde maatregelen zijn doorvertaald in onderhavig bestemmingsplan. De volgende maatregelen zijn opgenomen: • •

•

•

•

Het plangebied wordt uitgebreid met een zone van ten minste 50 meter rondom de beoogde woongebieden ten behoeve van een ‘spuitvrije zone’. Ter plaatse van de ‘spuitvrije zone’ wordt een verbod opgenomen voor het gebruiken van chemische gewasbeschermingsmiddelen die negatieve effecten hebben op de volksgezondheid. In de algemene regels wordt een overgangsrechtelijke bepaling opgenomen ter bescherming van het legaal tot stand gekomen gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen binnen de ‘spuitvrije zone’. Dit overgangsrecht geldt alleen voor het bedrijfsmatige agrarische gebruik. Binnen de nieuw opgenomen bestemmingen ten behoeve van de realisatie van nieuwe gevoelige functies (en gebouwen), concreet de bestemmingen voor nieuwe woningen, wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verbiedt dat de gronden en/of gebouwen binnen 50 meter van agrarische gronden gebruikt mogen worden zolang op die agrarische gronden nog gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Indien er planschadeclaims worden gedaan door derden, dan zullen de kosten en een eventuele toegekende planschadevergoeding geheel worden doorbelast aan de ontwikkelende partijen.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|69

In de omgevingsvisie gaat de gemeenteraad ook in op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot de te realiseren doelen uit de visie. Deels zal dat nog uitgewerkt moeten worden in een programma, maar de bescherming van de gezondheid van bewoners staat voorop. In de visie is vastgelegd dat spuitvrije zones worden geïntroduceerd ter bescherming van nieuwe gevoelige functies, zoals wonen. Daar is zelfs een afstandsnorm van 50 meter bij genoemd voor gronden waar chemische gewasbeschermingsmiddelen niet (meer) mogen worden gebruikt. Andere vormen van gewasbescherming mogen wel (zie paragraaf 6.3.4, Omgevingsvisie Hilvarenbeek). Conclusie Het aspect spuitzones vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

5.15

Technische infrastructuur

Beleid Binnen het plangebied en in de nabijheid van het plangebied kunnen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Dit betreft kabels en leidingen voor hoofdinfrastructuur en voor nutsvoorzieningen. Voorbeelden zijn aardgasleidingen, hoogspanningskabels, afvalwaterleidingen en gas- en olieproducten. Onderzoek In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het projectgebied in beeld te brengen Conclusie Het aspect technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

5.16

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|70

Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.

Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk.

De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|71

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.

De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem.

De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|72

Gemeentelijk beleid Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ behoorde als bijlage aan het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017-2021 en is door vaststelling direct het beleid voor de twee zorgplichten van de gemeente Hilvarenbeek geworden. Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ is geactualiseerd en behoort opnieuw als bijlage/beleid bij het nieuwe Riool- en Waterprogramma 2022-2026. In de geactualiseerd uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht legt de gemeente de keuzes vast ten aanzien van hemel- en grondwater. Het rapport beschrijft onder meer wat de gemeente redelijkerwijs van bewoners en ontwikkelende partijen verwacht en wat bewoners/ontwikkelaars redelijkerwijs van de gemeente mogen verwachten. Het rapport geeft een beeld van het wettelijke kader en het beleidskader en geeft een uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt te allen tijde het proces van de watertoets gevolgd. Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden de keurregels gevolgd met de gemeentelijke regels als aanvulling hierop. Watertoets De ´Watertoets´ is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen. Met dit instrument komt de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan in een vroegtijdig stadium in contact met Waterschap De Dommel.

De watertoets is verplicht voor nieuwe plannen in ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen, projectbesluiten en partiële herzieningen. Voor Vroonackers IV is zowel een waterhuishoudkundigplan als een infiltratieonderzoek uitgevoerd ter onderbouwing van de diverse waterhuishoudkundig aspecten. Beide rapportages zijn als bijlagen 18 en 19 bij de toelichting opgenomen. Oppervlaktewater In het plangebied liggen twee B-watergangen (lichtblauw). Tussen het deelgebied Vroonacker IV en deelgebied Westerwijk 4 ligt een A-watergang (donkerblauw). Voor A- en B-watergangen gelden regels vanuit de Keur.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|73

Legger waterstaatswerken 2021

Langs de A-watergang geldt aan beide kanten een beschermingszone van 5 meter breed, gemeten vanaf de overgang/knik van het maaiveld naar het oevertalud (de insteek). De beschermingszone is bedoeld om beheer en onderhoud van de watergang goed mogelijk te maken. Grondwater en bodem Het onderzoeksgebied ligt zuidwestelijk nabij het bestaand stedelijk gebied van Diessen. Het maaiveld van de agrarische is aflopend van noord (ca. 17,6 m +NAP) naar zuid (ca. 16,2 m +NAP). Westerwijk 4 ligt vrij vlak op ca. 16,8 m +NAP. Gemiddeld komt het grondwater voor op ca. 15,1 m +NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is afhankelijk van de lokale (hoogte)ligging (0,5-1 m-mv). De nabijgelegen watergangen hebben een ontwaterend effect. Nabij Westerwijk 4 is de GHG ingeschat op 0,7-0,9 m-mv of ca. 16,1 m +NAP. Uit de profielboringen blijkt dat de bovengrond hoofzakelijk uit een matig fijn, matig siltig, matig humeuse zandlaag bestaat met een dikte variërende tussen 0,5 en 1,5 meter. Hieronder komt er bij bijna alle boringen een matig fijn, zwak tot matig siltige, lichtgrijs tot geelbeige, zandlaag voor tot de geboorde einddiepten. Bij diverse boringen is er een leemlaag of sterk siltige zandlaag waargenomen startend op een diepte van ca. 1,5 – 2,0 m-mv met een variërende dikte tussen 0,25 tot 1,0 meter.

Rekening houdend met de verwachte GHG op 0,5-1 m-mv wordt geadviseerd om bovengrondse voorzieningen zoals wadi’s in te passen voor de lokale hemelwaterverwerking met de mogelijkheid voor een noodoverloop naar het nabijgelegen oppervlaktewater. Dit is van belang bij een beperkt wandoppervlak of bij langdurig natte periodes gezien de gemeten slechte verticale doorlatendheid. De gemeten k-waarden van de (on)verzadigde bodem zijn te beperkt voor een absolute infiltratievoorziening.

NL.IMRO.0798.BPVroonackerIV-VG01

Bestemmingsplan Vroonacker IV, Diessen

|74

Berekening toename verharding Het planvoornemen betreft het realiseren van de uitbreidingslocatie Vroonacker IV. De totale woningbouwlocatie kent een oppervlakte van circa 7,2 hectare. In de huidige situatie is relatief weinig oppervlakte verharding aanwezig; enkel ter plaatse van Westerwijk 4 (circa 1.500 m 2). Het totaal verhard oppervlak voor de openbare verharding, dakverharding en particuliere terreinverharding is ca. 4,36 ha (zie onderstaande tabel). Het verhard oppervlak is bepaald op basis van het (meegestuurde) inrichtingsplan voor wat betreft het dakoppervlak en de openbare verharding. Daarnaast is een inschatting gemaakt voor het percentage verharding van het particuliere terrein. Conform de richtlijnen van het waterschap is onderscheid gemaakt tussen het type woning en zijn onderstaande percentages verharding gebruikt per type woning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16514754/1